<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76131_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren 2009 gemeente Oegstgeest</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oegstgeester Courant, 15-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werkleeraanbod WIJ 2009 gemeente Oegstgeest</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_13-01-2011">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0026054/geldigheidsdatum_13-01-2011#Hoofdstuk2_Artikel12">Wet investeren in jongeren, art. 12, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2009-10-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-04-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit voor het opnieuw vaststellen en bekendmaken van de verordeningen ten behoeve van centrale ontsluiting van lokale regelgeving. Artikel 17 bevat een hardheidsclausule.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING WERKLEERAANBOD WET INVESTEREN IN JONGEREN 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 november 2009,
                        nr. 119/09;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 12, eerste
                        lid, onderdeel a van de Wet investeren in jongeren;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen
                        aangaande de inhoud van het werkleeraanbod in het kader van de Wet
                        investeren in jongeren;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>VERORDENING WERKLEERAANBOD WET INVESTEREN IN JONGEREN 2009</vet></al><al><vet>GEMEENTE OEGSTGEEST</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="7*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="73*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>wet:</al></entry><entry colname="col3"><al>de Wet investeren in jongeren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>algemeen geaccepteerde arbeid </al></entry><entry colname="col3"><al>alle arbeid, niet zijnde arbeid in het kader van de
                                                Wet sociale werkvoorziening, die algemeen
                                                maatschappelijk aanvaard is en niet indruist tegen
                                                de openbare orde of goede zaken:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>startkwalificatie:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel
                                                7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de
                                                Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma
                                                hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend
                                                wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7
                                                onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet
                                                onderwijs;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>college :</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Oegstgeest.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod,
                                algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling of een voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan het werkleeraanbod ook invullen met een combinatie
                                van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling dan wel één of meerdere voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid kan een werkleeraanbod ook bestaan
                                uit een voorbereidingsperiode op een zelfstandig beroep of bedrijf,
                                als bedoeld in artikel 17, zesde lid van de wet. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stemt het werkleeraanbod af op de omstandigheden,
                                krachten en bekwaamheden van de jongere, wiens recht op een
                                werkleeraanbod is vastgesteld. Bij de invulling van het
                                werkleeraanbod onderzoekt het college de mogelijkheden en
                                omstandigheden van de jongere. Zij beziet daarbij tevens in hoeverre
                                de wensen van de jongere bij de invulling van het werkleeraanbod
                                kunnen worden betrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod komen in aanmerking
                                voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en op de naar het
                                oordeel van het college noodzakelijk geachte en beschikbare
                                voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet een werkleeraanbod dat past binnen de criteria die
                                gesteld zijn in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Arbeidsinschakeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod en
                                naar het oordeel van het college direct inzetbaar zijn op de
                                arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid of
                                ondersteuning bij de arbeidsinschakeling aan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het voorgaande lid kan het college de alleenstaande
                                ouder met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar desgevraagd
                                een werkleeraanbod doen dat bestaat uit scholing of opleiding die de
                                toegang tot de arbeidsmarkt bevordert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De voorzieningen</titel></kop><al>Onverminderd artikel 4, kan het college jongeren die recht hebben op een
                            werkleeraanbod, één of meer voorzieningen, bedoeld in de artikelen 12,
                            13, 14, 15, 18 en 21 van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand
                            gemeente Oegstgeest aanbieden. Daarnaast kan het college een of meer van
                            de volgende voorzieningen aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij een beroep op maatschappelijke opvang of
                                    medische zorg;</al></li><li nr="b."><al>ondersteuning bij maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="c."><al>arbeidsactivering en –toeleiding;</al></li><li nr="d."><al>stages bij bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="e."><al>opleidingen die de toegang tot de arbeidsmarkt bevorderen;</al></li><li nr="f."><al>gesubsidieerd werk;</al></li><li nr="g."><al>nazorg bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="h."><al>het inzetten van een jobcoach bij arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="i."><al>voorbereidingstrajecten voor zelfstandige arbeid; </al></li><li nr="j."><al>overige diagnose-instrumenten; </al></li><li nr="k."><al>ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang,
                                    schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen en taal- en
                                    beroepsgerichte scholing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>De inzet van voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor voorzieningen
                                die beschikbaar, adequaat en toereikend zijn voor het doel dat wordt
                                beoogd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de inzet van voorzieningen is het bevorderen van
                                duurzame arbeidsparticipatie van jongeren door het opdoen van
                                werkervaring, het aanleren van vaardigheden en kennis, het opdoen
                                van werkritme, maatschappelijke participatie dan wel op andere wijze
                                vergroten van persoonlijke en maatschappelijke zelfredzaamheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vult de voorziening bedoeld in het eerste lid voor de
                                jongere die niet beschikt over een startkwalificatie in met scholing
                                of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij
                                naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
                                opleiding de krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat
                                of onvoldoende bijdraagt aan vergroting van de kans op
                                arbeidsinschakeling van de jongere.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Combinatie arbeid en zorg</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, vierde lid, van de wet, betrekt het college bij
                            de invulling van het werkleeraanbod de beschikbaarheid van passende
                            kinderopvang, het belang van voldoende scholing en de belastbaarheid van
                            de jongere.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gehandicapten</titel></kop><al>Onverminderd artikel 17, tweede lid, van de wet, stemt het college het
                            werkleeraanbod af op de medische beperkingen van de jongere en draagt
                            zorg voor passende voorzieningen ter ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitvoering door derden</titel></kop><al>Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van het
                            werkleeraanbod afspraken maken met derden, waaronder werkgevers en
                            re-integratiebedrijven, alsmede subsidies verstrekken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verplichtingen van de jongere</titel></kop><al>Een jongere die gebruik maakt van een voorziening is gehouden te voldoen
                            aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet, de Wet structuur
                            uitvoering werk en inkomen, deze verordening, alsmede aan de
                            verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                            verbonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekking of uitsluiting werkleeraanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan het werkleeraanbod, conform artikel 21 van de wet,
                                intrekken of herzien, indien wijziging optreedt in de
                                omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere dan wel
                                indien de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende
                                verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 (artikelen 44 en 45) van
                                de wet en hem dit te verwijten valt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de jongere, conform artikel 22 van de wet,
                                uitsluiten van het recht op een werkleeraanbod, wanneer de jongere
                                zich herhaaldelijk zeer ernstig misdraagt en hem dit te verwijten
                                valt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college heroverweegt een besluit op grond van artikel 22, tweede
                                lid van de wet (uitsluiting recht op werkleeraanbod) binnen een
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                misdragingen die leiden tot het besluit het werkleeraanbod in te
                                trekken in plaats van het besluit een maatregel op te leggen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een of meer budgetplafonds vaststellen voor de
                                verschillende voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>subsidie en vergoedingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Subsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan subsidie verlenen aan werkgevers die met een jongere
                                een arbeidsovereenkomst sluiten, als tegemoetkoming in de loonkosten
                                en in de kosten van voorbereiding op een beoogd dienstverband met de
                                jongere.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen over de duur van de subsidie,
                                de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een subsidieplafond vaststellen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vergoedingen</titel></kop><al>Het college kan aan een jongere die ten behoeve van de uitvoering van
                            een werkleeraanbod noodzakelijke kosten maakt, een vergoeding voor die
                            kosten verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>nadere bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Het college heeft de mogelijkheid om meerdere voorzieningen gelijktijdig
                            in te zetten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan beleidsregels vaststellen voor de uitvoering van deze
                            verordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking een dag na de datum van bekendmaking
                            en werkt terug tot en met 1 oktober 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening werkleeraanbod WIJ
                            2009 gemeente Oegstgeest</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2009.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING op de Verordening werkleeraanbod Wet investeren in jongeren
                        2009</titel></kop><tussenkop>Algememe toeliching</tussenkop><tussenkop>De Wet investeren in jongeren en het werkleeraanbod</tussenkop><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Doelstelling van deze wet is de duurzame arbeidsparticipatie in regulier werk
                    van jongeren tot 27 jaar. Om dit te bereiken is in de wet een recht op een
                    zogenaamd werkleeraanbod vastgelegd. Het werkleerrecht berust op het
                    uitgangspunt dat jongeren die goed geschoold zijn en over voldoende
                    kwalificaties beschikken gemakkelijker aan het werk zullen komen en daardoor
                    zelfstandig in hun levensonderhoud kunnen voorzien. </al><al>De WIJ verplicht gemeenten om te investeren in de arbeidsinschakeling van alle
                    jongeren, ook bij een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Daartoe moeten
                    gemeenten jongeren in beginsel een werkleeraanbod doen. Afgeleide van het
                    werkleeraanbod is een inkomensvoorziening voor jongeren vanaf 18 jaar als de
                    jongere onvoldoende inkomsten heeft. Deze inkomensvoorziening is alleen
                    beschikbaar als het werkleeraanbod wegens in de persoon van de jongere gelegen
                    of niet verwijtbare omstandigheden zijnerzijds geen optie is, dit aanbod
                    onvoldoende inkomsten genereert of er nog geen werkleeraanbod kan worden gedaan.
                    De samenhang tussen het werkleeraanbod enerzijds en de inkomensvoorziening
                    anderzijds is een bepalend element in de WIJ.</al><al>De relatie tussen werken/leren en een uitkering is fundamenteel anders dan de
                    WWB, waarbij het recht op bijstand vooropstaat met als afgeleide de plicht tot
                    arbeidsparticipatie. Met de WIJ wordt een ‘paradigmawisseling’ beoogd: is het
                    uitgangspunt in de WWB ‘een uitkering, mits’ in de WIJ is dit omgedraaid en
                    geldt als uitgangpunt ‘geen uitkering, tenzij’.</al><al>Evenals in de WWB geldt binnen de WIJ een stelsel van rechten en plichten. De
                    gemeente is onder bepaalde voorwaarden verplicht een werkleeraanbod en eventueel
                    een inkomensvoorziening aan te bieden. De jongere is verplicht zich te houden
                    aan diverse verplichtingen. Worden deze verplichtingen geschonden, dan kan het
                    werkleeraanbod worden ingetrokken en dient de inkomensvoorziening verlaagd te
                    worden (artikel 41, eerste lid WIJ). Die verlaging geschiedt conform de regels
                    die in een gemeentelijke verordening moeten zijn vastgelegd (artikel 12, eerste
                    lid onderdeel b WIJ). Dat is de Maatregelenverordening WIJ.</al><tussenkop>Duurzame arbeidsparticipatie</tussenkop><al>Voor jongeren in de leeftijd van 16 tot 27 jaar ontstaat onder de voorwaarden
                    die in de WIJ zijn genoemd, een individueel recht op een werkleeraanbod. Dat is
                    meer dan een recht op een eenmalige voorziening. Zo nodig is het een recht op
                    een reeks voorzieningen gericht op de kortste weg naar duurzame
                    arbeidsparticipatie. Langs welke route die weg verloopt, is een individueel
                    gegeven dat wordt bepaald door de afstand van de jongere tot de arbeidsmarkt en
                    de beschikbaarheid van voorzieningen. Onder duurzame arbeidsparticipatie wordt
                    verstaan de arbeidsinschakeling waarbij jongeren gedurende langere tijd en op
                    eigen kracht aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en arbeid verrichten dat
                    past bij hun kennis en vaardigheden of deze kennis en vaardigheden bevordert
                    (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p. 11). </al><al>Tot dat punt is bereikt is de gemeente verplicht de jongere (bij herhaling) een
                    werkleeraanbod te doen gericht op arbeidsinschakeling. Er is nadrukkelijk voor
                    gekozen om niet bij voorbaat te bepalen hoe lang de algemeen geaccepteerde
                    arbeid zou moeten duren voordat over ‘duurzame arbeidsparticipatie’ kan worden
                    gesproken (Handelingen TK 2008-2009, nr. 76, p. 6006). De jongere dient op het
                    punt gebracht te worden dat hij geen ondersteuning van het college meer nodig
                    heeft. </al><tussenkop>Inhoud werkleeraanbod</tussenkop><al>Het begrip ‘werkleeraanbod’ moet ruim worden uitgelegd. Het werkleeraanbod kan
                    allerlei vormen hebben, variërend van een ‘echte’ baan tot vakgerichte scholing
                    of een combinatie van beide. Een werkleeraanbod kan ook bestaan uit
                    voorzieningen die nodig worden geacht op weg naar arbeidsinschakeling, zoals een
                    sollicitatietraining, een cursus gericht op de ontwikkeling van
                    werknemersvaardigheden, een stageplaats, schuldhulpverlening, sociale
                    activering, nazorg en gesubsidieerde arbeid. Afgezien van participatieplaatsen
                    kan het gehele instrumentarium dat gemeenten hebben ontwikkeld voor de
                    re-integratie in het kader van de WWB, ook op jongeren toegepast worden.
                    Participatieplaatsen zijn uitgezonderd. Bij jongeren zal de situatie waarin de
                    afstand tot de arbeidsmarkt dusdanig groot is dat die alleen met de maximale
                    drie jaar additionele arbeid te overbruggen is zich niet in die mate voordoen
                    dat de regering participatieplaatsen in de vorm van artikel 10a WWB noodzakelijk
                    acht. Ook uitgezonderd is het reguliere onderwijs dat door het Rijk wordt
                    bekostigd (zie ook artikel 23, eerste lid, onderdeel a WIJ). Het college kan de
                    jongere weliswaar adviseren een dergelijke vorm van onderwijs te volgen of weer
                    te gaan volgen als dit zinvol wordt geacht, maar het is geen voorziening die de
                    gemeente kan inzetten om vorm te geven aan het werkleeraanbod. Een premie voor
                    de arbeidsinschakeling past niet bij het uitgangspunt dat jongeren die daartoe
                    in staat zijn moeten leren of werken. Daarom is er geen aanleiding om werken
                    en/of leren te belonen met een financiële vrijlating van inkomsten uit
                    deeltijdarbeid of van een premie i.v.m. arbeidsinschakeling bij de
                    inkomensvoorziening. Dat geldt evenzeer voor een onkostenvergoeding voor
                    vrijwilligerswerk, tenzij deze bestemd is voor aantoonbaar gemaakte kosten.</al><al>Het college bepaalt de inhoud van het werkleeraanbod. Dat geldt ook voor de
                    vraag of het accent komt te liggen op werken of leren. Gelet op de duurzame
                    arbeidsparticipatie als einddoel, zal werken de hoogste prioriteit hebben als de
                    jongere daartoe in staat is. Zijn er echter belemmeringen op de weg daar
                    naartoe, dan kunnen allerlei voorzieningen worden ingezet om dat einddoel te
                    bereiken. Van belang daarbij is dat de startkwalificatie binnen het
                    werkleeraanbod een ijkpunt vormt, omdat deze in belangrijke mate kan bijdragen
                    aan duurzame arbeidsparticipatie. Het is aan de gemeenten overgelaten om te
                    beoordelen in hoeverre de jongere in staat moet worden gesteld een dergelijke
                    kwalificatie te behalen of anderszins scholing te ontvangen die de toegang tot
                    de arbeidsmarkt bevordert.</al><tussenkop>Maatwerk</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat maatwerk wordt geleverd: dat het werkleeraanbod wordt
                    afgestemd op de omstandigheden, krachten en capaciteiten van de jongere (artikel
                    18, eerste lid WIJ). De wensen van jongeren worden betrokken bij het vormgeven
                    van het werkleeraanbod (artikel 14, eerste lid WIJ). Het college is verplicht
                    die wensen vast te leggen in de rapportage die ten grondslag ligt aan het
                    werkleeraanbod en dient daarbij tevens aan te geven op welke wijze die wensen
                    bij het werkleeraanbod betrokken zijn.</al><tussenkop>Werken en leren niet direct mogelijk</tussenkop><al>Wanneer het doen van een werkleeraanbod bestaande uit werken en/of leren niet
                    direct mogelijk is, dient een aanbod gedaan te worden dat op termijn perspectief
                    biedt op arbeidsinschakeling. Dat kan betekenen dat voorzieningen worden ingezet
                    in de vorm van zorg- of hulpverlening, waarbij ook aandacht kan worden besteed
                    aan belemmerende factoren, zoals psychische, sociale en cognitieve problemen.
                    Het werkleeraanbod omvat immers het geheel van re-integratievoorzieningen, dat
                    gericht is op duurzame arbeidsparticipatie. Is de jongere naar het oordeel van
                    het college in het geheel niet in staat dat om redenen van lichamelijke, sociale
                    of psychische aard uitvoering wordt gegeven aan een werkleeraanbod, dan kan
                    daarvan vooralsnog worden afgezien (artikel 17, tweede lid WIJ). Zorgtaken
                    kunnen worden aangemerkt als reden van sociale aard, voor zover daarmee geen
                    rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening.</al><tussenkop>Alleenstaande ouders</tussenkop><al-groep><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht
                        besteed aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijke
                        medische en/of fysieke beperkingen. Daarom geldt voor alleenstaande ouders
                        met een ten laste komend kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod
                        desgevraagd wordt ingevuld door middel van scholing of opleiding die de
                        toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij een dergelijke scholing de
                        krachten of bekwaamheden van de jongere te boven gaat (artikel 17, vierde
                        lid, WIJ). </al><al>Daarmee loopt deze regeling parallel met de WWB (artikel 9a WWB). Anders dan
                        in de WWB echter is uit oogpunt van deregulering afgezien van een maximale
                        termijn van zes jaar. Dit omdat gezien de maximale duur van het
                        werkleerrecht (van 18 tot 27 jaar) deze maximale termijn in de meeste
                        gevallen reeds in de werkleerperiode zal zijn geïncorporeerd.</al></al-groep><tussenkop>Zelfstandigen</tussenkop><al>Besloten is om zelfstandigen uit te zonderen van het recht op een werkleeraanbod
                    en van het recht op inkomensvoorziening (artikel 23, eerste lid, onderdeel e jo.
                    artikel 42, eerste lid, onderdeel m, WIJ). Zij kunnen een beroep doen op
                    algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan
                    bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de WWB, zodat de (jongere)
                    zelfstandige zich geheel kan richten op zijn bestaan als zelfstandige. In het
                    zesde lid van artikel 17 WIJ wordt evenwel bepaald dat het college de
                    mogelijkheid (niet de verplichting) heeft om aan de jongere die als zelfstandige
                    wil beginnen een werkleeraanbod te doen dat bestaat uit een
                    voorbereidingsperiode op het bestaan als zelfstandige. Dit werkleeraanbod duurt
                    maximaal twaalf maanden en kan slechts worden aangeboden op verzoek van de
                    jongere.</al><tussenkop>Gehandicapten</tussenkop><al>Voor de groep jongeren met een medische beperking (die niet behoren tot de
                    doelgroep van de WAJONG) is het van belang dat het aanbod aansluit bij hun
                    mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het werkleerrecht zal vooral
                    voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand van de individuele situatie
                    zal beoordeeld moeten worden welk aanbod past bij de jongere gelet op zijn/haar
                    mogelijkheden en beperkingen. Het werkleeraanbod moet aansluiten bij de
                    individuele mogelijkheden van de persoon in verband met gezondheid en
                    belastbaarheid. Maatwerk betekent een zorgvuldige op de persoon toegesneden
                    afweging bij de uiteindelijke keuze van een traject. Voor de groep jongeren die
                    weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort sociale activering tot
                    mogelijkheden. Als een werkleeraanbod vanwege de medische situatie in het geheel
                    niet mogelijk is, wordt de gehandicapte geen aanbod gedaan. Wel kan aanspraak op
                    een inkomensvoorziening bestaan.</al><tussenkop>Beleid werkleeraanbod in verordening</tussenkop><al>Om recht te doen aan de beleidsruimte die gemeenten nodig hebben om door
                    maatwerk invulling te geven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid, worden
                    aan de vormgeving van het werkleeraanbod en de mate waarin gemeente daartoe
                    voorzieningen kan inzetten, geen wettelijke eisen gesteld. Gezien de
                    verantwoordelijkheid die de gemeenteraad in het kader van dit wetsvoorstel
                    heeft, en mede met het oog op de rechtszekerheid, is bepaald dat het
                    gemeentelijke beleid inzake de voorzieningen in een verordening moet worden
                    vastgelegd. De jongere moet uit de verordening kunnen afleiden welke
                    voorzieningen het college kan inzetten om het doel, de duurzame
                    arbeidsparticipatie, te bereiken. </al><tussenkop>Relatie met re-integratieverordening WWB</tussenkop><al>Het instrumentarium dat reeds beschikbaar is voor de re-integratie in het kader
                    van de WWB kan, uitgezonderd participatieplaatsen en vrijlating van inkomsten
                    uit arbeid, tevens worden ingezet voor de vormgeving van het werkleeraanbod. </al><tussenkop>Relatie met Maatregelenverordening</tussenkop><al-groep><al>De Verordening werkleeraanbod en de Maatregelenverordening vormen twee
                        kanten van dezelfde medaille. Immers, de WIJ legt het college de plicht op
                        om jongeren een werkleeraanbod te doen. Het werkleeraanbod wordt door deze
                        verordening gefaciliteerd. Anderzijds staat daar wel wat tegenover. De
                        jongere is verplicht het aanbod te aanvaarden en verplichtingen die aan het
                        werkleeraanbod zijn gekoppeld na te leven. Komt de jongere die
                        verplichtingen niet na, dan vormt dat een grond voor verlaging van de
                        inkomensvoorziening. Beide verordeningen sluiten dus op elkaar aan. In
                        verband daarmee is in de verordening Werkleeraanbod herhaald dat onder de
                        voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ het werkleeraanbod ingetrokken kan
                        worden.</al><al>Omdat met deze intrekking tevens het recht op inkomensvoorziening vervalt,
                        is het van belang dat wordt afgebakend wanneer de inkomensvoorziening
                        verlaagd en wanneer deze ingetrokken wordt. Uitgangspunt van de wetgever is
                        daarbij geweest dat bij schending van verplichtingen primair een maatregel
                        aangewezen is en pas in tweede instantie intrekking van het werkleeraanbod
                        en daarmee tevens intrekking van de inkomensvoorziening aan de orde komt.
                        Het opleggen van een maatregel is derhalve regel, het intrekken van het
                        werkleeraanbod uitzondering. </al></al-groep><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in
                    de WIJ. Daarom worden bepaalde begrippen, zoals ‘werkleeraanbod’,
                    ‘arbeidsinschakeling’ en ‘jongere’, niet opnieuw gedefinieerd. Wel gedefinieerd
                    zijn de begrippen ‘startkwalificatie’ en ‘algemeen geaccepteerde arbeid’, omdat
                    deze in de WIJ niet nader zijn omschreven. Het begrip ‘startkwalificatie’ is
                    afkomstig uit de Wet educatie en beroepsonderwijs en wordt wel in de WWB
                    gedefinieerd (art. 6, eerste lid, onderdeel d WWB). De omschrijving van
                    ‘algemeen geaccepteerde arbeid’ is afkomstig uit de nota naar aanleiding van het
                    verslag (Kamerstukken II 2008-2009, 31 775, nr. 7, p.28).</al><tussenkop>Artikel 2 Opdracht college</tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college verwoord, zoals deze
                    voortvloeit uit de artikelen 11, eerste lid en 13, eerste lid, WIJ. Hoewel deze
                    opdracht ook uit het samenstel van deze bepalingen en artikel 5, eerste lid, WIJ
                    kan worden afgeleid, is er uit een oogpunt van duidelijkheid voor gekozen de
                    opdracht aan het college nader te omschrijven. In het tweede lid is tevens
                    verduidelijkt dat het werkleeraanbod ook samengesteld kan zijn uit een
                    combinatie van algemeen geaccepteerde arbeid, ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling en één of meerdere voorzieningen. Onder voorziening wordt
                    verstaan een instrument dat wordt ingezet om de jongere dichterbij de
                    arbeidsmarkt te brengen. Dit kan zoals gezegd allerlei vormen hebben, variërend
                    van schuldhulpverlening tot training van werknemersvaardigheden.</al><al>In het derde lid is vastgelegd dat een werkleeraanbod ook kan bestaan uit
                    ondersteuning bij een traject gericht op werk in zelfstandig beroep of bedrijf.
                    Dit volgt reeds uit artikel 17, zesde lid, WIJ. Uit een oogpunt van
                    herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang dat gehecht wordt
                    aan het begeleiden van jongeren naar zelfstandig werk, is deze bepaling
                    opgenomen. Aangetekend moet daarbij worden dat het een zgn. ‘kan’-bepaling is:
                    het college bepaalt of het zinvol is de jongere een aanbod te doen gericht op
                    ondersteuning richting zelfstandig bedrijf of beroep. Ter zake kan beleid worden
                    geformuleerd.</al><al>Het vierde lid vormt een herhaling van artikel 17, eerste lid, WIJ. Wederom uit
                    het oogpunt van herkenbaarheid en consistentie, alsmede gelet op het belang van
                    maatwerk bij het vaststellen van het werkleeraanbod, is dit artikel opgenomen.
                    Toegevoegd is de gemeentelijke onderzoeksplicht en de plicht om de wensen van de
                    jongere bij de invulling te betrekken. Met het oog op motivering en
                    kansbenutting zal het college daarmee rekening dienen te houden. Daarmee is niet
                    gezegd dat de jongere recht heeft op een bepaalde specifieke voorziening en deze
                    kan opeisen. De uiteindelijke invulling van de aard en de samenstelling van het
                    aanbod is voorbehouden aan het college.</al><tussenkop>Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning</tussenkop><al-groep><al>Als spiegelbeeld van de opdracht van het college, zoals verwoord in artikel
                        2, eerste lid, komen jongeren die recht hebben op een werkleeraanbod in
                        aanmerking voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en voorzieningen.
                        Dit vloeit reeds voort uit artikel 13, eerste lid, WIJ maar is omwille van
                        de herkenbaarheid en eenduidigheid hier nader geconcretiseerd. Wat de vorm
                        van de ondersteuning is, bepaalt het college zelf (bijv. Kamerstukken II
                        2008-2009, 31 775, nr. 3, p. 22). </al><al>Voor de duidelijkheid is verder nog bepaald dat het om jongeren moet gaan
                        die recht op een werkleeraanbod hebben. Dat is niet iedere ‘jongere’ in de
                        zin van de WIJ (zie artikel 2, eerste lid, WIJ), want daaronder wordt
                        verstaan de jongere in de leeftijd van 16 tot 27 jaar. Artikel 13, eerste
                        lid, WIJ kadert de doelgroep af. De jongere in de leeftijd van 16 tot en met
                        17 jaar heeft slechts recht op een werkleeraanbod wanneer aan de
                        kwalificatieplicht is voldaan of wanneer er sprake is van een vrijstelling
                        van de kwalificatieplicht.</al></al-groep><al>In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de jongere en de criteria die gesteld zijn voor het aanbieden van
                    een werkleeraanbod. Daarbij wordt verwezen naar de verordening.</al><tussenkop>Artikel 4 Arbeidsinschakeling</tussenkop><al-groep><al>Het staat het college vrij om bij het werkleeraanbod aan de jongere een
                        keuze te maken tussen het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling. Deze zijn nevengeschikt. De kortste weg naar duurzame
                        arbeidsparticipatie is echter het doel van het in te zetten werkleeraanbod.
                        In dit verband is als beleidslijn opgenomen dat jongeren die direct
                        inzetbaar zijn op de arbeidsmarkt in beginsel algemeen geaccepteerde arbeid
                        wordt aangeboden, of ondersteuning bij de arbeidsinschakeling, als bijv.
                        arbeid niet direct beschikbaar is. Het blijft uiteraard een kwestie van
                        maatwerk of daar in het concrete geval ook toe besloten wordt. De woorden
                        ‘in beginsel’ moeten in die context worden gelezen.</al><al>Voor de alleenstaande ouder met een ten laste komend kind tot vijf jaar
                        geldt, parallel aan artikel 9a van de WWB, dat op verzoek afgezien kan
                        worden van het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en het
                        werkleeraanbod in te vullen met scholing op opleiding die de toegang tot de
                        arbeidsmarkt bevordert. Mits een dergelijke scholing de krachten of
                        bekwaamheden van de jongere niet te boven gaat.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5 De voorzieningen</tussenkop><al>Naast het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid en ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling kan het college voorzieningen aanbieden. Die voorzieningen
                    zijn primair bedoeld voor jongeren die niet direct inzetbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt, maar kan in een krimpende arbeidsmarkt ook worden aangeboden aan
                    jongeren zonder direct aanwijsbare belemmeringen. </al><al>In dit artikel zijn de voorzieningen opgesomd die het college ter beschikking
                    staan. Een deel van de voorzieningen is nader omschreven in de
                    reïntegratieverordening Wet, Werk en Bijstand van de gemeente Oegstgeest, het
                    betreft de volgende voorzieningen:</al><al>art. 12 reïntegratieverordening: Diagnostisch onderzoek </al><al>art. 13 reïntegratieverordening: Reïntegratietrajecten </al><al>art. 14 reïntegratieverordening: Leerwerktrajecten</al><al>art. 15 reïntegratieverordening: Opstapbanen</al><al>art. 18 reïntegratieverordening: Sociale activering en vrijwilligerswerk</al><al>art. 21 reïntegratieverordening: Overbruggingssubsidie</al><tussenkop>Artikel 6 Inzet van de voorzieningen </tussenkop><al>In het eerste lid is het maatwerkprincipe gerelateerd aan de inzet van
                    voorzieningen. De voorzieningen die worden ingezet moeten een adequaat en
                    toereikend middel zijn om het doel te bereiken. In het tweede lid is het doel
                    van de inzet van voorzieningen verwoord. Afhankelijk van de aard van de
                    voorziening zal sprake zijn van één van de aangegeven (tussen)doelen, met als
                    eindbestemming duurzame arbeidsparticipatie. </al><al>Lid 3: Een voorziening wordt ingevuld met scholing of opleiding die de toegang
                    tot de arbeidsmarkt bevordert als de jongere daarover niet beschikt. Dit kan een
                    opleiding zijn die tot een startkwalificatie leidt, maar ook een andere scholing
                    of opleiding die de jongere dichterbij het perspectief van duurzame
                    arbeidsinschakeling brengt. </al><tussenkop>Artikel 7 Combinatie arbeid en zorg</tussenkop><al>Bij de vormgeving van het werkleeraanbod in de WIJ is speciale aandacht besteed
                    aan alleenstaande ouders, vanwege hun zorgtaken en mogelijk verminderde
                    belastbaarheid. Daarom geldt voor alleenstaande ouders met een ten laste komend
                    kind jonger dan vijf jaar, dat het werkleeraanbod desgevraagd wordt ingevuld
                    door middel van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt
                    bevordert, tenzij een dergelijke scholing de krachten of bekwaamheden van de
                    jongere te boven gaat (artikel 17, vierde lid, WIJ en artikel 4 van deze
                    verordening). Daaraan wordt in artikel 7 van deze verordening toegevoegd dat het
                    college bij de invulling van het werkleeraanbod de situatie van de alleenstaande
                    ouder betrekt, ongeacht de leeftijd van het kind. Eventuele kosten voor
                    kinderopvang die niet toereikend door voorliggende voorzieningen worden
                    gecompenseerd, kunnen op grond van artikel 14 worden vergoed en ten laste van
                    het participatiebudget worden gebracht.</al><tussenkop>Artikel 8 Gehandicapten</tussenkop><al>De gehandicapte jongeren nemen eveneens een bijzondere positie in binnen de WIJ.
                    Voor deze groep jongeren met een medische beperking is het van belang dat het
                    aanbod aansluit bij hun mogelijkheden. Het uitgangspunt van maatwerk bij het
                    werkleerrecht zal vooral voor deze groep een cruciale rol spelen. Aan de hand
                    van de individuele situatie zal het college beoordelen welk aanbod past bij de
                    jongere met inachtneming van zijn/haar mogelijkheden en beperkingen. Voor de
                    groep jongeren die weinig perspectief heeft op arbeidsinschakeling behoort
                    sociale activering tot mogelijkheden. Is arbeidsinschakeling in het geheel (nog)
                    niet aan de orde, dan brengt artikel 17, tweede lid, WIJ met zich mee dat
                    (tijdelijk) geen werkleeraanbod wordt gedaan. Er bestaat gedurende die periode
                    wel aanspraak op inkomensvoorziening. Zodra de belemmeringen zijn opgeheven,
                    dient een gericht werkleeraanbod te worden gedaan. </al><tussenkop>Artikel 9 Uitvoering door derden</tussenkop><al>In artikel 11, vierde lid van de WIJ is bepaald dat het college de uitvoering
                    van de WIJ, behoudens het vaststellen van de rechten en plichten en de daarvoor
                    noodzakelijke beoordeling van zijn omstandigheden, door derden kan laten
                    verrichten. De genoemde vaststelling kan wel worden gemandateerd aan
                    bestuursorganen. Er zijn in de WIJ geen wettelijke belemmeringen opgeworpen om
                    de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de uitvoering van het werkleeraanbod of de
                    inrichting van het werkleeraanbod in handen te stellen van derden, zoals
                    opleidingsinstituten en re-integratiebedrijven. Binnen de beleidskaders die de
                    gemeenteraad vaststelt kan het college nadere afspraken maken met deze
                    derden.</al><tussenkop>Artikel 10 Verplichtingen van de jongere</tussenkop><al>In de WIJ is vastgelegd welke verplichtingen verbonden zijn aan het recht op een
                    werkleeraanbod (zie de artikelen 44 en 45 WIJ). Daaraan is toegevoegd dat de
                    jongere de verplichtingen dient na te komen die voortvloeien uit de verordening
                    of die in concreto aan een voorziening zijn verbonden. Dit kunnen verplichtingen
                    van uiteenlopende aard zijn, die een concretisering vormen van de in de WIJ
                    opgenomen verplichtingen. Zo kan bepaald worden dat een jongere gedurende het
                    traject op gezette tijden met de consulent de voortgang bespreekt. </al><tussenkop>Artikel 11 Intrekking werkleeraanbod</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel vormt een herhaling van artikel 21 WIJ. De meerwaarde van opname
                        van deze bepaling in de verordening werkleeraanbod is gelegen in de
                        overweging dat intrekking van het werkleeraanbod complementair is aan het
                        voeren van beleid m.b.t. de invulling het werkleeraanbod. Daar waar het
                        recht op werkleeraanbod wordt toegekend en ingevuld, kan dit ook worden
                        ingetrokken, onder de voorwaarden, genoemd in artikel 21 WIJ. Met betrekking
                        tot intrekking van het werkleeraanbod in verband met schending van de
                        verplichtingen verbonden aan het werkleeraanbod, wordt het aan het college
                        overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden daartoe kan worden
                        besloten. Het is niet aan de gemeenteraad om daarover voorschriften te
                        geven, niettemin dient het intrekken van het werkleeraanbod met
                        terughoudendheid plaats te vinden, zoals reeds in de Algemene toelichting is
                        opgemerkt. Intrekking is in wezen slechts aan de orde als er een situatie is
                        ontstaan dat niet langer kan worden gevergd dat het werkleeraanbod wordt
                        voortgezet en een andere invulling (via gedeeltelijke herziening) evenmin
                        soelaas biedt. Gedacht kan worden aan herhaalde misdragingen jegens andere
                        jongeren of begeleiders op de werk/leerplek of veelvuldig verzuim. Daarbij
                        kunnen bijv. ook een rol spelen de positie van gemotiveerde jongeren die
                        wachten op een werk/leerplek, de staat van de arbeidsmarkt en de kosten van
                        de voorziening. </al><al>In het tweede lid is geregeld dat de jongere kan worden uitgesloten van het
                        recht op een werkleeraanbod, als hij of zij zich herhaaldelijk zeer ernstig
                        gedraagt en hem of haar dit te verwijten valt (artikel 22, eerste lid van de
                        wet). Ook hierbij is het niet aan de gemeenteraad om daarover voorschriften
                        op te stellen, niettemin dient het uitsluiten met terughoudendheid plaats te
                        vinden.</al><al>In het derde lid is geregeld dat een beslissing tot uitsluiting binnen één
                        maand moet worden heroverwogen. Dit om te voorkomen dat een jongere die zich
                        misdraagt daardoor tot zijn 27ste jaar wordt uitgesloten van een
                        werkleeraanbod (en dus van een inkomensvoorziening).</al><al>In het vierde lid is geregeld dat het college nadere regels kan stellen
                        m.b.t. misdragingen waarin iemand het recht op een werkleeraanbod wordt
                        ontzegd. Het moet hier wel gaan om gedrag dat in normaal menselijk verkeer
                        als onacceptabel wordt beschouwd, zoals dreigen met of toepassen van geweld.
                        Deze uitsluiting kan zowel plaatsvinden in de fase dat nog geen
                        werkleeraanbod aan de jongere is gedaan als in de situatie dat er wel al een
                        werkleeraanbod is gedaan. Deze uitsluiting kan pas worden toegepast als de
                        jongere zich meermalen zeer ernstig heeft misdragen. </al><al>Die situatie rechtvaardigt dat de jongere een tijd geen inkomensvoorziening
                        krijgt. In het geval dat de jongere zich voor de eerste keer zeer ernstig misdraagt<noot id="d1114e642"><noot.nr>*</noot.nr><noot.al>Onder de term "zeer ernstig misdragen" kunnen diverse vormen
                                van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                                verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer
                                in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
                                Doorverwijzing naar een campus onder drang van de gemeente zou voor
                                deze jongere tot de mogelijkheden behoren (MvT).</noot.al></noot>, wordt de (minder ingrijpende) maatregel van artikel 41 toegepast.
                        Dit houdt in dat de inkomensvoorziening van de jongere (tijdelijk) wordt
                        verlaagd.</al><al>Uitgangspunt van de wetgever is geweest dat bij schending van verplichtingen
                        primair een maatregel aangewezen is en pas in tweede instantie intrekking
                        van het werkleeraanbod en daarmee tevens intrekking van de
                        inkomensvoorziening aan de orde komt. Het opleggen van een maatregel is
                        derhalve regel, het intrekken van het werkleeraanbod uitzondering. Het
                        fundamentele verschil tussen een maatregel en een uitsluiting is dat de
                        jongere bij een uitsluiting niet hoeft te wachten tot een bepaalde termijn
                        is verstreken voordat het recht op inkomensvoorziening opnieuw beoordeeld
                        wordt, maar altijd kan besluiten alsnog een werkleeraanbod te aanvaarden en
                        daarmee per direct een inkomen kan genereren. Dit geeft een directe,
                        positieve prikkel tot gedragsverandering.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 12 Budgetplafonds </tussenkop><al>De gemeente kan een verdeling maken van de beschikbare middelen over de
                    verschillende voorzieningen. Dit kan in de begroting gebeuren. Het uitgeput zijn
                    van begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om geen werkleeraanbod te
                    doen. De verplichting daartoe is immers vastgelegd in artikel 13, eerste lid
                    WIJ. Wel kan de invulling van het werkleeraanbod beïnvloed worden door
                    budgettaire beperkingen. Zijn er vanwege die beperkingen voor bepaalde
                    voorzieningen geen middelen meer dan dient te worden nagegaan welke andere
                    instrumenten beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond
                    ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt
                    ingebouwd. Dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt
                    uitgeweken om tot duurzame arbeidsparticipatie te komen. </al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds
                    in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt
                    verwezen naar de bedragen die in de begroting voor de verschillende
                    voorzieningen worden gereserveerd.</al><tussenkop>Artikel 13 Subsidies</tussenkop><al>Het werkleeraanbod kan worden ingevuld met gesubsidieerde arbeid. Dit wordt ook
                    als voorziening worden aangemerkt. In het eerste lid is vastgelegd dat de
                    subsidie aan de werkgever kan bestaan in een tegemoetkoming in de loonkosten of
                    andere bijkomende kosten. Deze subsidie vormt als zodanig een noodzakelijke
                    voorwaarde voor de voorziening. Voor het verstrekken van een subsidie is een
                    wettelijke grondslag vereist (art. 4:23, eerste lid Awb). Om die reden is een
                    specifiek artikel opgenomen dat deze grondslag biedt. In het eerste lid worden
                    loonkostensubsidies en subsidies ter voorbereiding van een dienstverband van een
                    grondslag voorzien. </al><al>Op grond van het tweede lid kan het college nadere regels stellen over enkele
                    zaken over de subsidiëring. Het Uitvoeringsbesluit Loonkostensubsidie WWB wordt
                    ook voor de WIJ toegepast.</al><al-groep><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, subsidieplafonds
                        vaststellen. </al><al>Om subsidies te kunnen weigeren bij ontbrekende middelen is het een vereiste
                        dat een dergelijk plafond is ingesteld, zie ook art. 4:24 e.v. Awb. In lid 3
                        is de bevoegdheid van het college vastgesteld om plafonds in te stellen. Een
                        mogelijkheid is dat bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar
                        de bedragen die in de begroting voor de verschillende soorten subsidie
                        worden gereserveerd. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden
                        vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb).</al></al-groep><tussenkop>Artikel 14 Vergoedingen</tussenkop><al>Kosten die voor de jongere verbonden zijn aan het uitvoeren van het
                    werkleeraanbod kunnen worden vergoed op grond van dit artikel. Gedacht kan
                    bijvoorbeeld worden aan kosten van kinderopvang, voor zover de voorliggende
                    voorziening (Wet Kinderopvang) daarin onvoldoende voorziet. Ook noodzakelijke
                    reiskosten en andere kosten, bijvoorbeeld voor verplichte kleding of schoeisel,
                    kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de kosten aantoonbaar en
                    noodzakelijk zijn en er geen andere voorzieningen zijn. De kosten kunnen ten
                    laste worden gebracht van het participatiebudget.</al><tussenkop>Artikel 15 Samenloop</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat de voorzieningen niet alleen volgtijdelijk maar ook
                    tegelijkertijd kunnen worden ingezet.</al><tussenkop>Artikel 16 Beleidsregels</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de
                    gemeenteraad de beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt.
                    Het college is belast met de uitvoering, en kan deze nader uitwerken in
                    beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 17 Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</tussenkop><al>In de bevoegdheidsverdeling tussen gemeenteraad en college past het dat de
                    gemeenteraad beleidskaders vaststelt. Dat is in deze verordening uitgewerkt. Het
                    college is belast met de uitvoering van dat beleid en op sommige onderdelen, met
                    de nadere uitwerking daarvan. Doen zich situaties voor waarin niet is voorzien
                    of waarin onverkorte toepassing van de gestelde bepalingen onverhoopt tot
                    onbillijkheden van overwegende aard leidt, dan is het aan het college om
                    besluiten te nemen waarin recht wordt gedaan aan enerzijds het belang van
                    handhaving van het gemeentelijk beleid en anderzijds het individuele belang van
                    de jongere. Dat kan onder omstandigheden betekenen dat besluiten worden genomen
                    die afwijken van deze verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>