<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76130_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2010 gemeente Oegstgeest</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oegstgeester Courant, 15-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_11-01-2011">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/geldigheidsdatum_11-01-2011">Monumentenwet, art. 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/geldigheidsdatum_11-01-2011">Monumentenwet, art. 15</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/geldigheidsdatum_11-01-2011">Monumentenwet, art. 3.4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0004471/geldigheidsdatum_11-01-2011">Monumentenwet, art. 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/geldigheidsdatum_11-01-2011#Hoofdstuk2_21_Artikel21">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0024779/geldigheidsdatum_11-01-2011#Hoofdstuk2_21_Artikel21">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, art. 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit voor het opnieuw vaststellen en bekendmaken van de verordeningen ten behoeve van centrale ontsluiting van lokale regelgeving.</al><al>De Erfgoedverordening Oegstgeest 2008, vastgesteld op 23 oktober 2008, wordt ingetrokken.</al><al>Artikel 28 bevat een overgangsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 17 augustus 2010,
                        nr. 79/10;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15, 34 en 38 van
                        de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>ERFGOEDVERORDENING 2010</vet></al><al><vet>GEMEENTE OEGSTGEEST</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2.97*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8.57*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>monument:</al></entry><entry colname="col3"><al>1. onroerende zaak die van algemeen belang is wegens
                                                zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                                cultuurhistorische waarde;</al><al>2. terrein dat van algemeen belang is wegens een
                                                daar aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>archeologisch monument:</al></entry><entry colname="col3"><al>een monument bedoeld in onderdeel a, onder 2;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>gemeentelijk monument:</al></entry><entry colname="col3"><al>een monument, overeenkomstig deze verordening als
                                                beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak of
                                                terrein bedoeld in onderdeel a;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>gemeentelijk dorpsgezicht:</al></entry><entry colname="col3"><al>een overeenkomstig de bepalingen van deze
                                                verordening als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht
                                                aangewezen groep van onroerende zaken die van
                                                algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn
                                                onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan
                                                wel zijn wetenschappelijke of cultuurhistorische
                                                waarde en in welke groep zich één of meer monumenten
                                                bevinden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>beschermd rijksmonument:</al></entry><entry colname="col3"><al>onroerend monument dat is ingeschreven in de
                                                ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                                registers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>beeldbepalend pand:</al></entry><entry colname="col3"><al>karakteristiek pand, geen gemeentelijk of beschermd
                                                rijksmonument zijnde, dat van algemeen belang is
                                                voor de gemeente als beeldondersteunend of
                                                beeldbepalend element in een bepaald gebied, als
                                                kenmerkende uitdrukking van een bepaalde bouwwijze,
                                                c.q. verkaveling, of als relict van de historische
                                                ontwikkeling;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>redengevende omschrijving:</al></entry><entry colname="col3"><al>de omschrijving van de specifiek te beschermen
                                                waarden en kwaliteiten die onderdeel moet uitmaken
                                                van de aanwijzing als gemeentelijk monument,
                                                gemeentelijk dorpsgezicht of beeldbepalend
                                                pand;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>monumentencommissie:</al></entry><entry colname="col3"><al>de op basis van artikel 15, lid 1 Monumentenwet 1988
                                                ingestelde commissie met als taak het college op
                                                verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de
                                                toepassing van de Monumentenwet 1988, de verordening
                                                en het monumentenbeleid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart:</al></entry><entry colname="col3"><al>kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop
                                                gebieden met archeologische waarden en verwachtingen
                                                zijn aangegeven;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>gebied met archeologische waarde:</al></entry><entry colname="col3"><al>gebied, aangegeven op de archeologische
                                                waardenkaart, met een bepaalde archeologische
                                                kwaliteit op basis van schoonheid, betekenis voor de
                                                wetenschap of cultuurhistorische waarde
                                                (archeologisch monument);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>archeologisch verwachtingsgebied:</al></entry><entry colname="col3"><al>gebied, aangegeven op de archeologische
                                                waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde
                                                mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                                zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al>hoge archeologische verwachting :</al></entry><entry colname="col3"><al>grote kans op archeologische vondsten of
                                                sporen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m.</al></entry><entry colname="col2"><al>gematigde archeologische verwachting:</al></entry><entry colname="col3"><al>gemiddelde kans op archeologische vondsten of
                                                sporen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n.</al></entry><entry colname="col2"><al>lage archeologische verwachting:</al></entry><entry colname="col3"><al>kleine kans op archeologische vondsten of
                                                sporen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o.</al></entry><entry colname="col2"><al>plan van aanpak:</al></entry><entry colname="col3"><al>plan dat weergeeft hoe een archeologische uitvoerder
                                                de vragen zoals omschreven in het programma van
                                                eisen denkt te gaan beantwoorden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p.</al></entry><entry colname="col2"><al>programma van eisen:</al></entry><entry colname="col3"><al>programma dat door het college wordt vastgesteld en
                                                waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de
                                                uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>q.</al></entry><entry colname="col2"><al>college :</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>r.</al></entry><entry colname="col2"><al>bevoegd gezag:</al></entry><entry colname="col3"><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                                algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>s.</al></entry><entry colname="col2"><al>vergunning :</al></entry><entry colname="col3"><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                                eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>t.</al></entry><entry colname="col2"><al>Wabo:</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>u.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bor :</al></entry><entry colname="col3"><al>Besluit omgevingsrecht.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken
                                na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan artikel
                                4 van de monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                        verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te
                                        laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt
                                        ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                    artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd
                                rijksmonument aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk dorpsgezicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk
                                dorpsgezicht en het college kan een zodanige aanwijzing wijzigen of
                                intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing, wijziging of intrekking een
                                besluit neemt, vraagt het college advies aan de monumentencommissie.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college brengt de gemeenteraad in kennis van het besluit tot
                                aanwijzing, wijziging of intrekking van een gemeentelijk
                                dorpsgezicht. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van de Monumentenwet
                                1988 aangewezen dorpsgezicht wordt niet aangewezen als gemeentelijk
                                dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing als gemeentelijk dorpsgezicht wordt geacht te zijn
                                ingetrokken indien het gemeentelijk dorpsgezicht wordt aangewezen
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van de Monumentenwet
                                1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijk dorpsgezicht op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                redengevende beschrijving van het gemeentelijk dorpsgezicht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bestemmingsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk
                                dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet
                                ruimtelijke ordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het voorstel tot aanwijzing van een beschermd dorpsgezicht wordt
                                door het college bepaald in hoeverre geldende bestemmingsplannen als
                                beschermend plan in de zin van het vorige lid kan worden
                                aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet voor
                                vaststelling van een bestemmingsplan in de zin van lid 1 vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In een gemeentelijk dorpsgezicht is het verboden een bouwwerk geheel
                                of gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een
                                schriftelijke vergunning van het college (omgevingsvergunning voor
                                slopen). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen omgevingsvergunning voor slopen is vereist voor het afbreken
                                ingevolge een aanschrijving van het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>BEELDBEPALENDE PANDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Registratie beeldbepalende panden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                besluiten een onroerend monument te registreren als beeldbepalend
                                pand op de gemeentelijke monumentenlijst of als zodanig daarvan af
                                te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de registratie een besluit neemt, vraagt
                                het college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de aanwijzing is het bepaalde in de artikelen 4
                                en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, in gebieden met
                                archeologische waarden, in gebieden met hoge archeologische
                                verwachting, of in gebieden met gematigde archeologische
                                verwachting, de bodem dieper dan 50 cm onder de oppervlakte te
                                verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft:</al><lijst><li nr="●"><al>in een gebied met een gematigde archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 250 m<sup>2</sup>, of</al></li><li nr="●"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                verwachtingswaarde en het te verstoren gebied
                                                kleiner is dan 100 m<sup>2</sup>, of</al></li><li nr="●"><al>in een gebied met archeologische waarde en het te
                                                verstoren gebied kleiner is dan 25 m<sup>2</sup> of
                                                het betreft bouwen als bedoeld in artikel 2.3 van
                                                het Besluit omgevingsrecht;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen aan de hand van
                                        een gemeentelijke archeologische waardenkaart zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste of tweede lid, van de Wabo en hierin voorschriften
                                        zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        als bedoeld in het eerste lid; </al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="●"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="●"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="●"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente onderzoek wordt
                                uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van
                                artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige
                                bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder p, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoel in artikel 1 onder o van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het college te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een door het college aangewezen deskundige, zoals
                                omschreven in de Wet op de Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11 t/m 14 zijn van overeenkomstige toepassing
                            op de bepalingen uit artikel 21, tweede lid, onder e en artikel 22,
                            eerste lid, onder b. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming in schade toe, indien de schade in
                            relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 21, tweede lid onder d;</al></li><li nr="b."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 22, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10, 19, 21 en 22, eerste
                            lid, onder b, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van
                            de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de ambtenaren die zijn aangewezen overeenkomstig
                            het bepaalde in artikel 5.10, lid 3 van de Wabo. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening Oegstgeest 2008, vastgesteld op 23 oktober 2008,
                            wordt ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de op 23 oktober 2008 ingetrokken
                                Monumentenverordening Oegstgeest 2006 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten of dorpsgezichten, worden geacht aangewezen
                                en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 27 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Erfgoedverordening 2010’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 30 september 2010.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING bij de Erfgoedverordening 2010 gemeente Oegstgeest</titel></kop><tussenkop>A. ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><al>De huidige wijziging van de erfgoedverordening houdt verband met de
                    inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo),
                    de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet
                    Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en de Regeling omgevingsrecht
                    (hierna: Mor). </al><tussenkop>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</tussenkop><al-groep><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                        vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een
                        fysiek project. Hieronder valt ook de monumentenvergunning. De Wabo beoogt
                        tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening. Het
                        bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket
                        gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment
                        in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De
                        aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop etc.) zijn
                        aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat
                        bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en de
                        omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                        doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure
                        van rechtsbescherming. </al></al-groep><tussenkop>Toestemmingsstelsels </tussenkop><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><tussenkop>De procedure</tussenkop><al-groep><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
                        voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts
                        op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de reguliere-
                        en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                        door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                        aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                        deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                        omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                        project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                        project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium
                        van de onlosmakelijkheid is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                        onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                        handeling.</al><al>Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden
                        als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van de
                        Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                        vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                        activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                        activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de
                        handeling op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                        deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                        behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond
                        bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten
                        worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd. De
                        omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen
                        kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit
                        gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten. Vervolgens kan een
                        omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen worden aangevraagd. Het
                        gaat om verschillende besluiten waartegen een afzonderlijke
                        rechtsbeschermingsprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                        omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                        gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken
                        of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                        oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus
                        een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                        volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                        mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                        volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat
                        de noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund.
                        Door aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel
                        risico voor de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan
                        alle indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste
                        fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag
                        voor de overige activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst
                        wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan
                        door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar
                        nadat deze beschikking is genomen een aanvraag voor een tweede
                        fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen treden tezamen in
                        werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op grond van de
                        Awb open. </al></al-groep><tussenkop>De Wabo en de Erfgoedverordening</tussenkop><al>De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. </al><al>Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen
                    op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de
                    omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke
                    bestemmingsplannen nog niet ‘Valetta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de
                    omgevingsvergunning bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden
                    geboden bij de realisatie van een fysiek project. De instandhoudingbepaling met
                    betrekking tot archeologische terreinen vloeit voort uit de Wet op de
                    archeologische monumentenzorg (tot stand gekomen op grond van het Verdrag van
                    Valetta, Malta) en komt neer op het feit dat gemeenten hun bestemmingsplannen
                    moeten actualiseren met een archeologische paragraaf, zodat voldoende rekening
                    kan worden gehouden (wat betreft de bescherming) met archeologische waarden en
                    het behoud daarvan. Omdat de actualisatie van alle bestemmingsplannen nog enige
                    jaren kan vergen, voorziet de verordening in een overgangssituatie door het
                    college de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende
                    activiteiten in een archeologisch verwachtingsgebied. Deze nadere regels kunnen
                    dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een aanlegvergunning zou worden
                    aangevraagd op grond van een aangepast bestemmingsplan, waarin wel een
                    archeologische paragraaf is opgenomen (‘Valetta-proof’). </al><al>De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De Wabo
                    ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college
                    blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke toetsingskader van de
                    omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de verordening
                    bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze verordening rekening gehouden met
                    de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe model zijn
                    de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek als
                    uitgangspunt genomen. </al><tussenkop>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘Monument’ is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988.</al><al>Hier wordt gesproken over onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen betreffen hoofdzakelijk locaties waar
                    archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten. Daarnaast kan het ook gaan
                    om bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet
                    vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over
                    een monument te kunnen spreken. Een ‘zaak’ is immers een veel ruimer
                    begrip.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>De term ‘Archeologisch monument’ wordt apart gedefinieerd in verband met de
                    enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument inneemt ten aanzien
                    van de vergunningverlening.</al><al>Ten eerste is er verschil in behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk
                    beschermd archeologisch monument bij een vergunningaanvraag. De
                    vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een
                    beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van het college. Als er
                    echter sprake is van een beschermd archeologisch rijksmonument beslist de
                    minister op de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen
                    is vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een ‘normaal’ en een
                    (gemeentelijk) ‘archeologisch’ monument.</al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>De vijftigjaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>Voor de definitie van het begrip ‘Gemeentelijk dorpsgezicht’ is de tekst van de
                    Monumentenwet 1988, artikel 1, gevolgd. Deze tekst wordt beschouwd als een meer
                    abstracte formulering van wat in de Monumentenwet 1961 aangegeven staat:
                    ‘groepen van onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, pleinen en
                    bruggen, grachten, vaarten, sloten en andere wateren, welke met één of meer tot
                    de groep behorende monumenten een beeld vormen, dat van belang is wegens de
                    schoonheid of het karakter van het geheel en in welke groepen zich één of meer
                    monumenten bevinden.’</al><al>In deze verordening is de mogelijkheid opgenomen om over te gaan tot het
                    aanwijzen van beschermde dorpsgezichten. De genoemde aanwezigheid van monumenten
                    vereist niet dat dit beschermde monumenten zijn.</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>Voor de begripsomschrijving van een 'Beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst naar de Monumentenwet
                    1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument
                    ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing. </al><tussenkop>Sub f</tussenkop><al-groep><al>Particuliere eigenaren van gemeentelijke monumenten en van beeldbepalende
                        panden vallend binnen een beschermd dorpsgezicht kunnen via het Prins
                        Bernhard Cultuurfonds en het Nationaal Restauratiefonds in aanmerking komen
                        voor een laagrentende restauratielening.</al><al>Wijziging van een beeldbepalend pand wordt niet specifiek vergunningplichtig
                        gesteld. De excessenregeling van de welstandsnota geeft de mogelijkheid om
                        vergunningvrije activiteiten (achteraf) te corrigeren.</al></al-groep><tussenkop>Sub g</tussenkop><al>De omschrijving van de specifiek te beschermen waarden en kwaliteiten die
                    onderdeel moet uitmaken van voorstellen tot plaatsing van objecten of gebieden
                    op de gemeentelijke monumentenlijst. De vraag of sprake is van een monument, een
                    beeldbepalend pand of een dorpsgezicht moet worden beantwoord door toetsing aan
                    de onderstaande criteria. </al><al>Vooraf dient uitdrukkelijk te worden opgemerkt dat criteria voor
                    beschermenswaardigheid geen eenduidig karakter kunnen hebben. Bovendien zijn
                    deze criteria niet statisch. Oordelen over wat belangrijk en beschermenswaardig
                    is, kunnen veranderen in de loop van de decennia. De criteria zullen nooit zo
                    kunnen worden geformuleerd - daarvoor is het terrein te breed en in essentie ook
                    te ongrijpbaar - dat de beoordeling als ware het een rekensom tot stand zou
                    kunnen komen.</al><al>Lijsten met criteria worden al snel als "scoor-lijstjes" opgevat en juist dat
                    gebruik brengt het gevaar van schijn-exactheid, van quasi-objectiviteit met zich
                    mee. De legitimiteit van de beoordeling kan niet in een kwantitatieve fundering
                    worden gezocht, maar ze moet worden gevonden in een kwalitatieve verantwoording
                    van elk afzonderlijk geval. De onderstaande formulering van criteria - eveneens
                    in de vorm van geordende "lijstjes" - is er slechts op gericht de
                    oordeelsvorming te structureren; ze kan het weloverwogen expert-oordeel
                    ondersteunen maar zeker niet vervangen./===</al><al>Een te beschermen monument, beeldbepalend pand of gemeentelijk dorpsgezicht
                    wordt gewaardeerd aan de hand van één of meer van de toetsingscriteria. De
                    toetsingscriteria zijn: cultuurhistorische aspecten, architectonische aspecten
                    en situering.</al><al>Deze criteria zijn onderverdeeld in subcategorieën.</al><al-groep><al>I. Cultuurhistorische aspecten:</al><lijst><li nr="a."><al>ontstaansgeschiedenis</al></li><li nr="b."><al>lokaal belang</al></li></lijst><al>Deze niet direct visueel waarneembare aspecten zijn terug te voeren op het
                        gebruik en de (pre)historische achtergrond.</al><al>ad a </al><al>De ontstaansgeschiedenis wordt hoger gewaardeerd indien de stichter(s) en of
                        gebruiker(s) van (pre)historisch belang zijn, een belang dat de regio
                        ontstijgt.</al><al>ad b </al><al>Het lokale belang wordt analoog aan de ontstaansgeschiedenis gewaardeerd,
                        maar daarnaast zijn het sociale en lokale aspect hier van waarde.</al><al>Voorbeeld: Een brug wordt gebouwd op bevel (Ia) van een vorst, vernietigd
                        (Ia) in een oorlog en herbouwd (Ib) na initiatief en inzamelingen (Ib) van
                        de plaatselijke bevolking. In beide categorieën zal het object hoog
                        scoren.</al></al-groep><al-groep><al>II. Architectonische aspecten:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwstijlwaardering</al></li><li nr="b."><al>verminking</al></li></lijst><al>ad a </al><al>De bouwstijl van een bouwwerk is herleidbaar tot, of voorbeeld van een
                        erkende stijl. Of het is een goed voorbeeld van plaatselijk bekende
                        traditionele architectuur.</al><al>ad b </al><al>De verminking van de onder a vermelde architectuur door niet harmonieuze
                        wijzigingen. De oorspronkelijkheid en herkenbaarheid zijn verminderd: de
                        authenticiteit is aangetast.</al><al>Voorbeeld: Een kerk die in de loop van de tijd telkens op harmonieuze wijze
                        is aangepast en vergroot zal géén negatieve waardering krijgen ten aanzien
                        van de verminking. Een in één bouwstijl opgetrokken bouwwerk waarvan de
                        oorspronkelijke vensters vervangen zijn door slecht geprofileerde kunststof
                        ramen wèl.</al></al-groep><al-groep><al>III. Situering:</al><lijst><li nr="a."><al>ensemble waarde</al></li><li nr="b."><al>uniciteit</al></li></lijst><al>ad a </al><al>De ensemblewaardering van objecten hangt af van een zichtbare meerwaarde
                        door stedenbouwkundige en/of architectonische samenhang van die objecten.
                        Een object met een hoge ensemblewaarde heeft dus een duidelijk zichtbare
                        relatie met (objecten in) zijn directe omgeving.</al><al>ad b </al><al>De uniciteit van het object in relatie tot zijn omgeving, de zeldzaamheid
                        per regio gemeten.</al></al-groep><al>Voorbeeld: Panden gebouwd in een hofje krijgen een hoge ensemblewaardering; een
                    boerderij waarbij het erf compleet en evenwichtig is ingedeeld eveneens. De
                    uniciteit wordt lokaal gemeten. Bijzondere, markante bouwwerken van minder
                    fraaie doch opvallende architectuur zullen op dit punt eveneens hoog
                    scoren.</al><tussenkop>Sub h</tussenkop><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit
                    voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die
                    adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. De taken van de
                    monumentencommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening, de
                    Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te
                    adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel
                    15 van de Monumentenwet 1988. </al><tussenkop>Sub r</tussenkop><al-groep><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                        wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
                        verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen
                        besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                        minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen
                        als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel
                        3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag
                        indien het gaat om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn
                        specifiek in bijlage I van het Bor omschreven. </al></al-groep><tussenkop>Overige</tussenkop><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie duidelijk omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. </al><al>Het bouwhistorisch onderzoek was al bij de vorige gedereguleerde verordening
                    geschrapt. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij
                    de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                    aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening opgenomen hoeft te worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2. AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</tussenkop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><tussenkop>Artikel 2. Het gebruik van een monument</tussenkop><al>Het betreft hier met name de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf.</al><tussenkop>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                        monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing
                        heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke
                        monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                        college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                        besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van
                        de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het
                        besluit naar voren komen. De aanwijzing geeft geen recht op
                        schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                        het bestaande gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft
                        het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                        aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede
                        lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                        worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen
                        vergunningvrij wanneer ook geen bouwvergunning is vereist. Om deze
                        (toekomstige) last voor de burger te beperken, dient bij de aanwijzing in de
                        redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet
                        van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt
                        aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven.
                        Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                        bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor
                        wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                        omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen.</al></al-groep><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al-groep><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                        onder artikel 1, sub h. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                        voorschriften over vorm en inhoud. De taak en werkwijze van de
                        monumentencommissie wordt bepaald in de Verordening op de
                        monumentencommissie.</al><al>In de Erfgoedverordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                        over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden
                        worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van)
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></al-groep><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie reeds op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorbescherming</tussenkop><al-groep><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                        monumenten, zoals die ook voor beschermde rijksmonumenten geldt. Dat
                        betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het
                        college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot
                        het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                        artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                        betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot
                        gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst
                        (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij
                        nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure
                        is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de
                        eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden. Immers,
                        gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                        opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                        beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub
                        1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van
                        deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor
                        geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren
                        voor het inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij
                        artikel 6 van deze verordening.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</tussenkop><al-groep><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                        moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).
                        Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden
                        waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve
                        lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met
                        betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter
                        de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de
                        burger.</al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie
                        niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder
                        advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies
                        als bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als
                        het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een
                        fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de
                        mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een
                        reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat
                        de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</tussenkop><al-groep><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift
                        van de inschrijving)van het college is voor alle aan het monumentale object
                        verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                        aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder
                        a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                        publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                        voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                        bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                        bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                        (afdeling 3.6). Indien het artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van
                        geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond
                        van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                        ontvangen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><tussenkop>Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</tussenkop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><tussenkop>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten
                    in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                    monumenten-commissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst
                    waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins
                    volledig teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3. INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE
                    ZAKEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al-groep><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                        omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat
                        het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                        voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor
                        zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met
                        betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de
                        werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag
                        heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het
                        kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                        mogelijk gehouden te worden. </al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                        nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het
                        verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                        ziet alleen toe op vergunningen en ontheffingen, deze bepaling over het
                        stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft
                        hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om
                        wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                        Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                        materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze
                        nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de
                        burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat
                        het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                        monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen,
                        zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                        geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                        de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                        monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                        kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                        van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                        geleverd.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</tussenkop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    Aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><tussenkop>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</tussenkop><al-groep><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                        opzichte van de Erfgoedverordening 2008. Op basis hiervan was op de
                        voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                        Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende
                        de gemeentelijke monumenten. Echter, indien er meerdere activiteiten voor
                        het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten
                        de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg
                        moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar
                        één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                        geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                        om deze hieronder nader toe te lichten. </al></al-groep><al-groep><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                        de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
                        Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                        (gemeentelijke) monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat
                        de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen.
                        Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                        gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                        besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                        gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag
                        dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken
                        kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                        hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de
                        aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur
                        meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                        stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de
                        adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de
                        beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                        monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                        door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling
                        gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning
                        waarbij een advies van de brandweer is vereist.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                        waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit
                        treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt
                        opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                        verstreken.</al></al-groep><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><tussenkop>Artikel 13. Weigeringsgronden</tussenkop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders blijven onder de Wabo bestaan. In het kader van dit artikel moet
                    worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het geding is.
                    Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder
                    weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het
                    artikel geeft aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen de
                    vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal
                    gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden verleend in de
                    gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de monumentenzorg. </al><tussenkop>Artikel 14. Intrekken van de vergunning</tussenkop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het college
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. RIJKSMONUMENTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Vergunning voor beschermd rijksmonument</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al-groep><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde rijksmonumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling
                        3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van
                        toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde
                        rijksmonumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten.
                        Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere
                        procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er
                        geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning
                        voor beschermde rijksmonumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures
                        is de beslistermijn voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft
                        tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde rijksmonumenten ook langer
                        zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden
                        vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging kan een ieder een
                        zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen
                        indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), en buiten de bebouwde kom
                        ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                        verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                        binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                        definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                        ingesteld.</al></al-groep><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 5. GEMEENTELIJKE DORPSGEZICHTEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 16. De aanwijzing tot gemeentelijk dorpsgezicht</tussenkop><al-groep><al>De mogelijkheid gebieden aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht biedt geen
                        verplichtingen, maar betekent wel een extra beleidsinstrument tussen de
                        objectgerichte monumentenlijsten en de gewone bestemmingsplannen. Tevens
                        betekent de aanwijzing een politiek belangrijke intentieverklaring.</al><al>Stads- en dorpsgezichten die al op een rijkslijst staan, komen niet voor
                        aanwijzing als gemeentelijk dorpsgezicht in aanmerking.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 17. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</tussenkop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk dorpsgezicht zijn aangewezen en
                    de redengeving daartoe. </al><tussenkop>Artikel 18. Bestemmingsplan</tussenkop><al>Als de gemeente de cultuurhistorische waarde van een gebied erkent en wil
                    beschermen als gemeentelijk dorpsgezicht, wordt deze kwaliteit, in
                    bestemmingsplanterminologie, een ruimtelijk gebruiksdoeleind van de grond,
                    waaraan bijzondere situeringskenmerken kunnen worden verbonden, zoals zeer
                    gedetailleerde bebouwingsvoorschriften. Uitsluitend het vaststellen van
                    dergelijke bestemmingsplannen, zonder aanwijzing van een dorpsgezicht, is
                    ongewenst, aangezien in deze aanwijzing de legitimering gevonden wordt op grond
                    waarvan de extra plichten (in vergelijking met andere bestemmingsplannen)
                    opgelegd worden.</al><tussenkop>Artikel 19. Verbodsbepaling</tussenkop><al>De omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken in dit artikel is
                    opgenomen naar analogie van de Monumentenwet 1988 c.q. paragraaf 3.4.2 van de
                    Wet ruimtelijke ordening. De sloopvergunningplicht ontstaat bij de aanwijzing
                    van een gemeentelijk dorpsgezicht; in het bestemmingsplan behoeven ter zake dus
                    geen voorzieningen meer te worden getroffen. </al><al>De van toepassing verklaarde paragraaf 3.4.2 van de Wet ruimtelijke ordening
                    bevatten de weigeringsgronden voor een omgevingsvergunning voor het slopen
                    (weigeren mag indien geen vergunning voor het bouwen van een vervangend bouwwerk
                    is aangevraagd) en de procedurele voorschriften (onder meer
                    aanhoudingsmogelijkheid totdat is beslist inzake de vergunning voor een
                    vervangend bouwwerk).</al><al>Overigens bevat ook de bouwverordening voorschriften omtrent het slopen. Een
                    aanvraag ex artikel 19 Erfgoedverordening 2010 kan dan ook worden gecombineerd
                    met een aanvraag op grond van de bouwverordening, hoewel zowel de
                    toetsingscriteria als de procedure van afhandeling verschillend zijn. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 6. BEELDBEPALENDE PANDEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 20</tussenkop><al>Registratie als beeldbepalend pand brengt deze panden, indien in een
                    gemeentelijk dorpsgezicht gelegen, in aanmerking voor laagrentende
                    restauratieleningen, bij het Cultuurfonds voor Monumenten. Verder schept deze
                    registratie geen verplichtingen voor eigenaren, de gemeente of anderen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 7. INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Instandhoudingbepaling</tussenkop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 1 september 2007 verplicht de
                    raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1
                    van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                    dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend
                    uit het Verdrag van Valetta, Malta) en daarmee ook van deze verordening, is
                    daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden
                    in de bodem kunnen bevinden. Onderhavig artikel 21 voorziet in de behoefte aan
                    een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingsplan ‘Valetta-proof’
                    is.</al><al>Tot het moment dat een ‘Valetta-proof’ bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                    biedt deze verordening bij wijze van artikel 21 de nodige bescherming aan
                    archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid biedt bescherming door het
                    opgenomen verbod om in gebieden met nader aangeduide archeologische waarden of
                    verwachtingen dieper dan 50 cm de bodem te verstoren. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>In het tweede lid wordt een vijftal uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het
                    eerste lid. </al><al>In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken indien de
                    verstoring plaats vindt in een gebied met archeologische waarden of in een
                    gebied met een hoge of gematigde archeologische verwachting, zoals aangegeven op
                    de gemeentelijke archeologische waardenkaart, en het te verstoren gebied kleiner
                    is dan een bepaalde oppervlakte.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is als
                    bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                    bestemmingsplan, aan de hand van een bijbehorende archeologische waardenkaart,
                    voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te verwachten
                    archeologische waarden.</al><al-groep><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de
                        Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het
                        gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de
                        oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de
                        artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro). Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet
                        Wabo komen te vervallen. </al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat
                        bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                        archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de
                        aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                        overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                        voldoende mate is vastgesteld. </al></al-groep><al>Op grond van artikel d kan het college nadere regels stellen wat betreft de
                    eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                    archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                    ‘Valetta-proof’ bestemmingsplan kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten
                    op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf
                    is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                    aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van archeologische
                    waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder
                    met Valetta’.</al><al-groep><al>Onderdeel e ziet toe op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in
                        onderdeel c. Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt
                        vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project. Er
                        is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op
                        grond van artikel 23 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige
                        toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport door het bevoegd
                        gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                        overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988
                        in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Valetta,
                        Malta.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 22. Opgravingen en begeleiding</tussenkop><al-groep><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                        functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                        onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar
                        verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij
                        archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. </al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                        programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                        ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                        Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                        weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                        programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is
                        sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van
                        een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel
                        21 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten
                        vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden
                        gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop)
                        en de beoordeling van het plan van aanpak.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 23. Procedure</tussenkop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 21, tweede lid, onder e en
                    artikel 22, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de
                    uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing
                    verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke zien op de
                    verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen
                    derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de toelichting
                    wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij deze artikelen. </al><tussenkop>HOOFDSTUK 8. OVERIGE BEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 24. Tegemoetkoming in schade</tussenkop><al-groep><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                        86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op
                        grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                        schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                        rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                        toepassing. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie van
                        toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord,
                        staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt
                        voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                        moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze
                        modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de
                        specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag
                        mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te
                        kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige erfgoedverordening
                        geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de
                        tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1
                        Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol
                        een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang
                        van deze procedure. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 25. Strafbepaling</tussenkop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 21, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in
                    de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen, de wens om
                    enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 26. Toezichthouders</tussenkop><al-groep><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het
                        aanwijzen van toezichthouders kan door het college geschieden. Deze
                        aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening en valt derhalve
                        buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van
                        de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                        zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met
                        het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                        enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve
                        in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt
                        dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover
                        dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al></al-groep><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 24. Intrekken oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de Erfgoedverordening 2008, zodat niet twee
                    verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk
                    intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten met een
                    beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door
                    een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 25. Overgangsrecht</tussenkop><al-groep><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                        bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                        welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                        beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                        rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                        bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel
                        3) en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                        gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                        aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het
                        tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                        deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor
                        een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                        de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel
                        in werking is getreden, zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de
                        kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                        verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                        een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 26. Inwerkingtreding</tussenkop><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is in dit
                    artikel geregeld. </al><tussenkop>Artikel 27. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>