<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76126_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oegstgeester Courant, 15-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Oegstgeest</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0020031/geldigheidsdatum_10-01-2011#2_Artikel5">Wet Maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit voor het opnieuw vaststellen en bekendmaken van de verordeningen ten behoeve van centrale ontsluiting van lokale regelgeving.</al><al>Artikel 8.1 bevat een hardheidsclausule.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest;</al><al>overwegende dat de Verordening maatschappelijk ondersteuning de
                        gemeentelijke beleidslijn vertegenwoordigt die in de Wet maatschappelijk
                        ondersteuning (WMO) is aangekondigd;</al><al>gelet op de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO);</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 10 november 2009 nr.
                        118/09;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de</al><al>VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2.04*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. Wet :</al></entry><entry colname="col2"><al>de Wet maatschappelijke ondersteuning (Stbl. );</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. compensatiebeginsel :</al></entry><entry colname="col2"><al>de algemene verplichting van het gemeentebestuur om
                                                personen met een aantoonbare functiebeperking ten
                                                gevolge van ziekte of gebrek inclusief chronisch
                                                psychische problemen of psychosociale problemen,
                                                door het treffen van voorzieningen een
                                                gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen, zodat
                                                zij zelfredzaam zijn en in staat tot
                                                maatschappelijke participatie.</al><al>Maatschappelijke participatie wordt in het
                                                compensatiebeginsel vertaald naar:</al><al>1. een huishouden voeren</al><al>2. zich te verplaatsen in/om de woning</al><al>3. zich lokaal te verplaatsen per vervoer</al><al>4. medemensen te ontmoeten en op basis/door middel
                                                daarvan sociale contacten aan te gaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. beperkingen :</al></entry><entry colname="col2"><al>moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                                uitvoeren van activiteiten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. persoon met beperkingen :</al></entry><entry colname="col2"><al>een persoon die ten gevolge van ziekte of
                                                functiebeperking, inclusief chronische psychische en
                                                psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen
                                                ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het
                                                gebied van het voeren van het huishouden, bij het
                                                normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen
                                                in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                                per vervoermiddel of bij het ontmoeten van
                                                medemensen en het op basis daarvan aangaan van
                                                sociale verbanden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. mantelzorger:</al></entry><entry colname="col2"><al>een persoon die mantelzorg verleent als bedoeld in
                                                artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. zelfredzaamheid :</al></entry><entry colname="col2"><al>het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                                                financiële vermogen om voorzieningen te treffen die
                                                deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                                                mogelijk maken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g. maatschappelijke participatie:</al></entry><entry colname="col2"><al>normale deelname aan het maatschappelijke verkeer,
                                                te weten het voeren van een huishouden, het normale
                                                gebruik van de woning; het zich in en om de woning
                                                verplaatsen, het zich zodanig verplaatsen dat
                                                aansluiting wordt gevonden bij regionale,
                                                bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het
                                                ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                                                onderhouden van sociale verbanden om op die manier
                                                deel te nemen aan het lokale maatschappelijke
                                                leven;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h. algemene voorziening:</al></entry><entry colname="col2"><al>een voorziening die wordt geleverd op basis van
                                                directe beschikbaarheid, een beperkte
                                                toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                                adequate oplossing biedt voor de beperkingen die een
                                                persoon ondervindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i. individuele voorziening:</al></entry><entry colname="col2"><al>een voorziening die individueel wordt aangeboden
                                                indien een algemene voorziening geen adequate
                                                oplossing biedt of niet beschikbaar is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j. eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                                                kosten:</al></entry><entry colname="col2"><al>een door het college van burgemeester en wethouders
                                                vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de
                                                verstrekking van een voorziening in natura, een
                                                persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een
                                                financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel)
                                                betaald moet worden en waarop de regels van het
                                                Besluit maatschappelijke ondersteuning van
                                                toepassing zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k. voorziening in natura:</al></entry><entry colname="col2"><al>een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in
                                                huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening
                                                wordt verstrekt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l. persoonsgebonden budget:</al></entry><entry colname="col2"><al>een geldbedrag waarmee de aanvrager een of meer aan
                                                hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                                waarop de in deze verordening en het Besluit
                                                maatschappelijke ondersteuning te stellen regels van
                                                toepassing zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m. financiële tegemoetkoming:</al></entry><entry colname="col2"><al>een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening
                                                welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                                aanvrager;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>n. algemeen gebruikelijk:</al></entry><entry colname="col2"><al>naar geldende maatschappelijke normen tot het
                                                gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een
                                                persoon als de aanvrager behorend;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>o. meerkosten:</al></entry><entry colname="col2"><al>kosten van een mogelijk krachtens de Wet te verlenen
                                                voorziening, voor zover dit deel van de kosten
                                                uitgaat boven voor die persoon als algemeen
                                                gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke
                                                voorziening;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>p. huisgenoot:</al></entry><entry colname="col2"><al>iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                                een gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>q. budgethouder:</al></entry><entry colname="col2"><al>een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                                persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het
                                                college verantwoording over de besteding van het
                                                persoonsgebonden budget verschuldigd is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>r. college :</al></entry><entry colname="col2"><al>het college van burgemeester en wethouders</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>s. hoofdverblijf:</al></entry><entry colname="col2"><al>de woonruimte waar de aanvrager zijn/haar vaste
                                                woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres hij
                                                in de gemeentelijke basisadministratie
                                                persoonsgegevens is ingeschreven, dan wel zal zijn
                                                ingeschreven dan wel het feitelijke woonadres indien
                                                de gehandicapte met een briefadres staat
                                                ingeschreven;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>t. aanvrager:</al></entry><entry colname="col2"><al>degene voor wie een voorziening is of wordt
                                                aangevraagd, hetzij voor hem of haar zelf, hetzij
                                                door zijn of haar gemachtigde;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>u. leefeenheid :</al></entry><entry colname="col2"><al>de eenheid bestaande uit meerderjarige personen die,
                                                al dan niet tezamen met een of meerdere personen,
                                                duurzaam gezamenlijk een huishouding voeren;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>v. Besluit maatschappelijke ondersteuning 2007:</al></entry><entry colname="col2"><al>de voor de uitvoering van de bepalingen in deze
                                                verordening door het college op grond van artikel
                                                150, eerste lid, van de Gemeentewet vastgestelde
                                                nadere regels.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze noodzakelijk is om beperkingen inclusief chronisch
                                        psychische of psychosociale problemen op het gebied van het
                                        uitvoeren van huishoudelijke verrichtingen op te heffen of
                                        te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen inclusief
                                        chronisch psychische of psychosociale problemen op het
                                        gebied van het normaal gebruik van de woning, het
                                        verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen
                                        per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="c."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate oplossing kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="d."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li><li nr="e."><al>deze geldt voor een voorziening met voldoende levensduur /
                                        restwaarde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aan vrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Oegstgeest;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw; een uitzondering op deze bepaling vormen
                                        woningen die op grond van de Wvg of Wmo zijn uitgebouwd of
                                        indien naar de grotere woning is verhuisd ten gevolge van
                                        ergonomische belemmeringen in de ‘oude’ woning;</al></li><li nr="d."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="f."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="g."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of
                                        enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis
                                        aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li><li nr="h."><al>indien in de persoon gelegen factoren een adequaat en
                                        verantwoord gebruik van een voorziening belemmeren;</al></li><li nr="i."><al>voor zover het verstrekken van een voorziening niet medisch
                                        noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het hiervoor door het college
                            ingestelde loket, in welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen
                            inzake de Wet alsook aanvragen voor zorg inzake de Algemene Wet
                            Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan het Centrum Indicatiestelling Zorg om advies
                                vragen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de in het tweede lid
                                genoemde adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                                verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de in het tweede lid genoemde advisering wordt, tenzij de
                                aanvraag is gedaan ten behoeve van een mantelzorger, door de
                                adviserende instantie gebruik gemaakt van de systematiek welke is
                                neergelegd in de International Classification of Functioning,
                                Disabilitie, and Health en welke bekend staat als de
                                ICF-classificatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Beschikking</titel></kop><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking bijdraagt
                            aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                            maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                            chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                            probleem.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Om de verkrijging van individuele voorzieningen samenhangend af te
                            stemmen op de situatie van de aanvrager laat het college onderzoek
                            verrichten naar de situatie van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd de aanvrager, na toekenning van de
                                voorziening op grond van deze verordening, op te roepen om te kunnen
                                vaststellen of de omstandigheden die hebben geleid tot toekenning
                                ongewijzigd zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens is beschikt, waarvan nadien is
                                        gebleken dat deze zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                        gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                        genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een beschikking tot verlening van een financiële
                                tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget intrekken, indien
                                blijkt dat de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na
                                uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van het middel
                                waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan een beschikking genomen op grond van deze
                                verordening geheel of gedeeltelijk intrekken indien in de persoon
                                gelegen factoren een adequaat en verantwoord gebruik van een
                                voorziening belemmeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een voorziening is ingetrokken, kan een op basis daarvan
                                reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd, indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk stelt het college
                            nadere regels vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                                financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het
                                college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze
                                tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet
                                wordt geboden, aan de hand van de in het Besluit voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning neergelegde criteria. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gekozen vorm van een voorziening kan op verzoek van de aanvrager
                                worden gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>na afloop van de in de beschikking genoemde termijn, of</al></li><li nr="b."><al>zodra er substantiële wijzigingen in aard of omvang van de
                                        voorziening optreden, of</al></li><li nr="c."><al>indien er dringende redenen hiervoor zijn.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt, is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            tussen de eigenaar en de aanvrager van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget, zoals genoemd in artikel 6 van de
                                Wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te
                                        verstrekken voorziening in natura, indien nodig aangevuld
                                        met een vergoeding voor instandhoudingskosten, zoals
                                        vastgelegd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        voorzieningen maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                        persoonsgebonden budget van toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin
                                aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget
                                te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is. De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke
                                stukken, zoals genoemd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                                ondersteuning, op verzoek van het college per omgaande te
                                verstrekken. Het college kan in het Besluit voorzieningen
                                maatschappelijke ondersteuning nadere regels stellen om in bepaalde
                                gevallen tot niet-steekproefsgewijze controle over te gaan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de
                                Wet, kan de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd zijn of kan de
                                financiële tegemoet-koming worden afgestemd op het inkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in een kalenderjaar verschuldigde eigen bijdrage is gelijk aan de
                                eigen bijdrage die is vermeld in het vigerende besluit van 2 oktober
                                2006 houdende regels met betrekking tot onder meer de eigen bijdrage
                                en de financiële tegemoetkomingen op het terrein van de
                                maatschappelijke ondersteuning en wijziging van andere besluiten
                                (Besluit maatschappelijke ondersteuning).</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De eigen bijdrage is nooit hoger dan de kosten van de toegekende
                                voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk stelt het college
                            nadere regels vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of functiebeperking bij het voeren van een huishouden, te
                            verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder algemene hulp bij het
                                    huishouden;</al></li><li nr="b."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Primaat van de algemene voorziening voor hulp bij het
                                huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel
                                4, 5 en 6, van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening
                                kan voor de in artikel 4.1, sub a, genoemde voorziening in
                                aanmerking worden gebracht indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                        functiebeperking of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li><li nr="c."><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken
                                        onmogelijk maken en de algemene hulp bij het huishouden dit
                                        snel en adequaat kan oplossen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel
                                4, 5 en 6, van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening
                                kan voor de in artikel 4.1, sub b en c, genoemde voorzieningen in
                                aanmerking worden gebracht indien de in artikel 4.1, sub a, genoemde
                                voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>een onvoldoende oplossing biedt of</al></li><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 4.2 komt een persoon als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 4, 5 en 6, van de Wet
                            en artikel 1.1 onder d van deze Verordening niet in aanmerking voor hulp
                            bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van
                            uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het
                            huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren of
                            delen van uren per week</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die in de vorm van een persoonsgebonden budget worden
                            verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd
                            in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk stelt het college
                            nadere regels vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan
                                voor de in artikel 5.1, onder a. vermelde voorziening in aanmerking
                                worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                                of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken en de
                                algemene woonvoorziening dit snel en adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel
                                5 en 6 van de wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan
                                voor de in artikel 5.1, onder b. c. en d. vermelde voorziening in
                                aanmerking worden gebracht indien de in het vorige lid genoemde
                                oplossing niet aanwezig is of niet tot een snelle en adequate
                                oplossing leidt en indien aantoonbare beperkingen op grond van
                                ziekte of gebrek een aanpassing aan de woning noodzakelijk
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in lid 1 en 2 genoemde beperkingen moeten in een direct
                                oorzakelijk verband staan met de bouwkundige of woontechnische staat
                                van de woning zelf, waaronder begrepen de toegankelijkheid van de
                                woning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Recht op individuele en algemene woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdelen
                                5 en 6 van de wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening komt
                                voor de in artikel 5.1, sub b, c of d genoemde voorziening in
                                aanmerking, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                functiebeperking een aanpassing aan de woning noodzakelijk
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een daar bedoelde persoon in
                                aanmerking worden gebracht voor de in artikel 5.1 sub a genoemde
                                voorziening, indien het een tijdelijke aanpassing aan de woning
                                betreft en met de algemene woonvoorziening daar snel en adequaat in
                                kan worden voorzien op grond van gewichtige redenen en indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing
                                aan de woning noodzakelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De in artikel 5.1, sub b, c en d, genoemde voorzieningen kunnen
                            betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="b."><al>de kosten van aanpassing van woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>een woonvoorziening van niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                    aard;</al></li><li nr="d."><al>woningsanering;</al></li><li nr="e."><al>de kosten welke verband houden met aanpassing van
                                    woonruimte:</al><lijst><li nr="e1."><al>onderhoud, keuring en reparatie;</al></li><li nr="e2."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="e3."><al>huurderving;</al></li><li nr="e4."><al>verwijderen van woonvoorzieningen;</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid en van artikel 1.2,
                                tweede lid, sub b, kan een woonvoorziening getroffen worden voor het
                                bezoekbaar maken van één woonruimte indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte waaronder uitsluitend wordt
                                verstaan dat de aanvrager de woonruimte, de woonkamer en een toilet
                                kan bereiken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolge van ziekte of functiebeperking geen aanleiding
                                        bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig
                                        was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                        woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen,
                                        extra trapleuningen, verbreden van de toegangsdeur,
                                        drempelhulpen, vlonders en opstelplaatsen voor scootmobielen
                                        of rolstoelen bij de toegangsdeur van het woongebouw;</al></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de ondervonden ergonomische belemmeringen voortvloeien uit
                                        de aard van de in de woonruimte gebruikte materialen of uit
                                        de slechte staat van onderhoud van de woonruimte;</al></li><li nr="f."><al>de aanvrager zijn huidige woonruimte zonder recht of titel
                                        bewoont.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanvraag voor tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten
                                als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager vanuit een onzelfstandige woonsituatie
                                        zelfstandig gaat wonen, met uitzondering van de situatie
                                        waarin een jongvolwassene wonend bij zijn/haar ouders in een
                                        aangepaste situatie zelfstandig gaat wonen. Verhuiskosten in
                                        zo’n situatie zijn algemeen gebruikelijk en komen in
                                        principe niet in aanmerking voor vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die
                                        niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te
                                        worden;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een
                                        andere instelling gericht op het verstrekken van zorg;</al></li><li nr="d."><al>er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale
                                        gebruik van de woning zijn ondervonden;</al></li><li nr="e."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                                        woning voortvloeien uit de raad van de in de woning
                                        gebruikte materialen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5
                                en 6, van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan
                                voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.3, sub a, in
                                aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen als gevolg
                                van ziekte of functiebeperking het normale gebruik van de woning
                                belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5
                                en 6, van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan
                                voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.3, sub b en c, in
                                aanmerking worden gebracht indien de in het eerste lid genoemde
                                voorziening niet mogelijk is, niet de goedkoopst adequate
                                voorziening is dan wel naar het oordeel van het college op grond van
                                individuele omstandigheden niet gewenst is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5
                                en 6, van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan
                                voor een voorziening als bedoeld in artikel 5.3, sub d, in
                                aanmerking worden gebracht indien sprake is van een op basis van
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of functiebeperking
                                aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg
                                waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.8</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die geen eigendom is van een
                            verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter beschikking
                            te stellen van personen die op basis van aantoonbare beperkingen ten
                            gevolge van ziekte of functiebeperking behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, dan zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken, indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.9</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen, woningen die qua karakter
                                    een tijdelijke aard hebben en bij kamerverhuur; </al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in specifiek op mensen met
                                    beperkingen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen
                                    in gemeenschappelijke ruimten dan wel voorzieningen die bij
                                    nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                                    meegenomen kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.10</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de eigenaar/bewoner wordt, krachtens deze verordening, slechts
                                een financiële tegemoetkoming verleend in de kosten van het treffen
                                van een woonvoorziening in de vorm van een uitbouw aan de woning
                                indien hij/zij zich bij overeenkomst verbindt aan de in het tweede
                                lid genoemde voorwaarde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien binnen een periode van zeven jaar na de datum van
                                gereedmelding van de werkzaamheden de woning wordt verkocht, is de
                                eigenaar/bewoner, die de tegemoetkoming heeft ontvangen, gehouden om
                                binnen één week na het passeren van de akte burgemeester en
                                wethouders hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen. De door de
                                gemeente gesubsidieerde kosten, die zijn vergoed ten gevolge van de
                                aanpassing, dienen aan de gemeente te worden terugbetaald volgens
                                het in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning door
                                het college vastgelegde afschrijvingsschema.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.11</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk stelt het college
                            nadere regels vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een combinatie van de onder a, b en c genoemde
                                    vervoersvoorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5 en
                            6, van de Wet Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan voor
                            de in artikel 6.1, sub a, genoemde voorziening in aanmerking worden
                            gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                            functiebeperking</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5 en
                            6, van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze Verordening kan voor de in
                            artikel 6.1, sub b en c, genoemde voorziening in aanmerking worden
                            gebracht, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of functiebeperking
                                    het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel
                                    6.1, sub a, onmogelijk maken, dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, sub a, niet
                                    aanwezig, dan wel niet-toereikend is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal de in het Besluit
                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2007 voor de diverse
                            categorieën genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een
                            personenauto algemeen gebruikelijk geacht, zodat een auto of ene met een
                            auto vergelijkbare vervoersvoorziening zoals genoemd in het Besluit
                            voorzieningen maatschappelijke ondersteuning en de daarmee samenhangende
                            gebruiks- en onderhoudskosten, niet in aanmerking komen voor
                            verstrekking of vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                gehouden met de vervoersbehoeften buiten de directe woon- of
                                leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                                alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek
                                voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met ten minste
                                een omvang per jaar van 1.500 kilometer met een bandbreedte tot
                                2.000 kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk stelt het college
                            nadere regels vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>HET ZICH VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich
                            verplaatsen in en om de woning dan wel voor sportbeoefening, te
                            verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een algemene
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                rolstoelgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de Wet en artikel 1.1 onder d van deze
                                Verordening die aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                functiebeperking ondervindt die incidenteel zittend verplaatsen in
                                en rond de woning noodzakelijk maken, waarbij hulpmiddelen die
                                verstrekt worden op grond van de Algemene Wet Bijzondere
                                Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate
                                oplossing bieden, kan voor de in artikel 7.1, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 kan de daar bedoelde persoon in verband met
                                incidenteel gebruik slechts tijdelijk voor de in artikel 7.1, onder
                                b en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien,
                                en voor zolang, een voorziening als genoemd onder artikel 6.1 onder
                                a. niet aanwezig is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Het recht op een rolstoelvoorziening en sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet en artikel 1.1 onder d van deze
                                Verordening kan voor de in artikel 7.1, onder b. en c. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of functiebeperking in belangrijke
                                mate zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 7.1, onder d. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of functiebeperking sportbeoefening
                                zonder sportrolstoel c.q. sportvoorziening onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 7.2, tweede lid, komt een
                            persoon die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking, indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voor de uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk stelt het college
                            nadere regels vast in het Besluit voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen verhogen of verlagen
                            conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens het Centraal Bureau
                            voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt ten minste eenmaal
                            per vier jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft
                            wordt deze verordening aangepast. Het college zendt hiertoe tijdig aan
                            de Raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de
                            verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning 2010 gemeente Oegstgeest.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2009.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING op de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2010</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemene opmerkingen</tussenkop><al-groep><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2010 bevat de
                        algemene gemeentelijke bepalingen die voortvloeien uit de Wet
                        Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo), welke op 29 juni 2006 door de Eerste
                        Kamer is aangenomen en van kracht is met ingang van 1 januari 2007.</al><al>De verordening 2010 is voorbereid door een ambtelijke werkgroep van
                        gemeenten in de Leidse regio en opgesteld vanuit de doelstelling om een zo
                        groot mogelijke regionale afstemming van de gemeentelijke verordeningen te
                        bewerkstelligen.</al><al>Bij het opstellen van de verordening is zoveel mogelijk gebruik gemaakt van
                        de de modelverordening van de VNG.</al><al>In verschillende artikelen en onderdelen blijft de verordening inhoudelijk
                        afwijken van de tekst van deze modelverordening. Dit, om de aansluiting bij
                        de bestaande praktijk van de betreffende voorzieningen vast te leggen.</al><al>Soms heeft dit geleid tot een ruimere formulering dan die waarin het model
                        voorziet.</al></al-groep><tussenkop>Reikwijdte en opbouw van deze verordening</tussenkop><al-groep><al>De verordening bevat de gemeentelijke taken die uit de Wet voortvloeien,
                        voor zover deze betrekking hebben op het verstrekken van voorzieningen die
                        de leden van de hierna te noemen doelgroepen in staat stellen een huishouden
                        te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te
                        verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan
                        sociale verbanden aan te gaan. Verwezen wordt naar artikelen 4 en 5 van de
                        Wet. (compensatiebeginsel)</al><al>Buiten het bestek van deze verordening vallen derhalve prestatievelden als
                        het bevorderen van sociale cohesie, ondersteuning van jeugdigen met opgroei-
                        en van ouders met opvoedproblemen, maatschappelijke opvang,
                        verslavingsbeleid en diverse subsidieregelingen. Deze eveneens in de Wet
                        genoemde prestatievelden worden elders geregeld.</al><al>In de indeling in hoofdstukken zijn de hier van belang zijnde taakvelden van
                        de Wmo terug te vinden zoals zij in artikel 4, eerste lid, van de Wet zijn
                        genoemd.</al><al>De vier onderdelen worden behandeld in hoofdstukken 4 tot en met 7:</al><al>hoofdstuk 4 <cursief>Hulp bij het huishouden</cursief></al><al>hoofdstuk 5 <cursief>Woonvoorzieningen</cursief></al><al>hoofdstuk 6 <cursief>Het zich lokaal verplaatsen per
                        vervoermiddel</cursief></al><al>hoofdstuk 7 <cursief>Het zich verplaatsen in en rond de
                        woning</cursief></al></al-groep><al>Deze hoofdstukken worden voorafgegaan door de voor een verordening gebruikelijke
                    algemene bepalingen (hoofdstuk 1), artikelen aangaande aanvraag en beschikking
                    (hoofdstuk 2) en bepalingen over de elementen die in de Wmo-discussie tot nu toe
                    een grote rol hebben gespeeld, nl. keuzevrijheid, persoonsgebonden budget en
                    eigen bijdrage (hoofdstuk 3).</al><al>Doelgroepen</al><al>Op diverse plaatsen in de verordening wordt verwezen naar de artikelen in de
                    Wet, die een omschrijving geven van de voor deze verordening relevante
                    doelgroepen.</al><al>In <vet>hoofdstuk 4</vet> (hulp bij het huishouden) gaat het om de aanduiding
                    “een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 4, 5 en 6,
                    van de Wet”. Het betreft hier:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>mantelzorgers</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>vrijwilligers</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>mensen met een beperking of een chronisch psychisch
                                probleem</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>mensen met een psychosociaal probleem</cursief></al></li></lijst><al>Van <vet>de hoofdstukken 5 tot en met 7</vet> is de doelgroep beperkter, te
                    weten: “een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5 en
                    6, van de Wet”, derhalve om:</al><lijst><li nr="-"><al><cursief>mensen met een beperking of een chronisch psychisch
                                probleem</cursief></al></li><li nr="-"><al><cursief>mensen met een psychosociaal probleem</cursief></al></li></lijst><tussenkop>Arikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Sub a</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><tussenkop>Sub b</tussenkop><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. aan het
                    wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van dit
                    begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van
                    het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt. Daarom staat de
                    begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de Verordening. Voor de
                    begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de
                    Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het compensatiebeginsel. Voor wat
                    betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting
                    op het amendement, evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en
                    maatschappelijke participatie. </al><tussenkop>Sub c</tussenkop><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disabilitie, and Health, opgesteld door de World Health
                    Organisation (Wereld Gezondheidsorganisatie, onderdeel van de Verenigde Naties).
                    Het eerder genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functioning, Disabilitie, and Health (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.”</al><tussenkop>Sub d</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van deze Wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast
                    is vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare
                    beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de
                    begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn.
                    Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    ten aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing.</al><tussenkop>Sub e</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, eerste lid, sub b,
                    van de Wet) en luidt als volgt: “mantelzorg: langdurige zorg die niet in het
                    kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                    voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor
                    elkaar overstijgt”.</al><tussenkop>Sub f en g</tussenkop><al>Deze begripsomschrijvingen zijn afkomstig uit de toelichting op het eerder
                    genoemde amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet
                    heeft toegevoegd. Bij f wordt onder het financiële vermogen verstaan de mate
                    waarin de aanvrager in staat is zijn of haar financiën te beheren en te besteden
                    met betrekking tot het doel of de doeleinden van de Wmo-voorziening of
                    Wmo-vergoeding die aan de aanvrager wordt toegekend c.q. wordt verstrekt.</al><tussenkop>Sub h</tussenkop><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><tussenkop>Sub i</tussenkop><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze Verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze tussen beide categorieën voorzieningen zal worden gemaakt hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    college vast te stellen beleidsregels zullen afwegingscriteria geven, verder zal
                    een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot belang
                    zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een primaat,
                    kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit deze
                    Verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend kunnen
                    worden tot de groep voorzieningen als maaltijdvoorzieningen en
                    personenalarmering.</al><tussenkop>Sub j</tussenkop><al>De bevoegdheid tot het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15, eerste lid, van de Wet.
                    Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van
                    artikel 15, derde lid, van de Wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere
                    regels kunnen worden gesteld. Hierin zal worden bepaald welke de ruimte is die
                    gemeentebesturen hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen, indien zij
                    daartoe willen overgaan.</al><tussenkop>Sub k</tussenkop><al>Voorzieningen in natura zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Sub l</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget (PGB) is een geldbedrag dat de aanvrager onder door
                    het college bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening
                    naar zijn keuze. </al><al>Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen
                    en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het Besluit
                    voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop>Sub m</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><tussenkop>Sub n</tussenkop><al-groep><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook
                        onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de
                        gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager,
                        gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou
                        kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk
                        beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te
                        beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het
                        moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is
                        geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het
                        begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar
                        vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om
                        duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de
                        begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de Verordening opgenomen.
                        Het gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                        het begrip “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten is geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke
                        zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning terug, zie hierna
                        onder artikel 4.3.</al></al-groep><tussenkop>Sub o</tussenkop><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    eerste lid, sub g, achtste volzin, van de Wet. Een met de persoon als de
                    aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale
                    probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens
                    situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de
                    kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is
                    de wet gericht.</al><tussenkop>Sub p</tussenkop><al-groep><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol
                        Gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum
                        Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de
                        AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten
                        aangepast om te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip
                        speelden ook naar de wet overgaan. </al><al>Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’ opgenomen en is
                        het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding voeren’ weer ingevoerd.</al></al-groep><tussenkop>Sub q</tussenkop><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><tussenkop>Sub r t/m v</tussenkop><al>Deze definities, die niet zijn opgenomen in de VNG-modelverordening, zijn mede
                    naar aanleiding van de inspraak, voor de duidelijkheid toegevoegd.</al><tussenkop>Artikel 1.2 Beperkingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, ad a</tussenkop><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al><tussenkop>Eerste lid, ad b</tussenkop><al>Een uitzondering op de hoofdregel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. Voor hulp bij het
                    huishouden wordt dus het criterium “noodzakelijk” gehanteerd.</al><tussenkop>Eerste lid, ad c</tussenkop><al>Deze bepaling is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten en aan de Wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk is, is
                    afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee
                    maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren.
                    Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld
                    aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat
                    de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment
                    van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te
                    verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de prognose van
                    groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de
                    benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van
                    kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de
                    toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een
                    langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of
                    er al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende
                    voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat
                    wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast
                    staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in
                    het kader van deze Verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan dan een beroep
                    doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in
                    het kader van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een
                    hulpmiddel gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur
                    is verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt
                    zal van situatie tot situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><tussenkop>Eerste lid, ad d:</tussenkop><al-groep><al>Voorzieningen die in het kader van deze Verordening worden verstrekt dienen
                        naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                        voorziening te zijn. </al><al>Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt:
                        volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                        aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van
                        het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop
                        zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke
                        beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat
                        immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder
                        dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor
                        vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de
                        bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele
                        aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder
                        is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk
                        goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden,
                        moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat,
                        niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een
                        adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst
                        adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit
                        eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college
                        mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al></al-groep><tussenkop>Eerste lid, ad e</tussenkop><al>De technische levensduur moet mede de maatstaf zijn om al dan niet over te gaan
                    tot het toekennen van een voorziening of financiële vergoeding. Dit betekent dat
                    de onderhoud- en reparatiekosten, aanpassingen en dergelijke alleen zin hebben
                    indien de voorziening waaraan dat moet gebeuren, voldoende restwaarde heeft c.q.
                    dit technisch verantwoord is. Zo nodig wordt hiervoor een keuring verricht. In
                    artikel 5.7 en 5.8 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                    wordt in dit verband ook gesproken over de technische levensduur van woonwagens
                    en woonschepen. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van
                    woonwagens en woonschepen is alleen mogelijk als de technische levensduur nog
                    minimaal vijf jaar is.</al><tussenkop>Tweede lid, ad a</tussenkop><al-groep><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                        aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                        beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                        wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd en heeft tot een omvangrijke
                        jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip,
                        zoals die is opgenomen in artikel 1, sub n, van deze Verordening.</al><al>Wat in een concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af
                        van de aard van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de - financiële -
                        situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke
                        normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van
                        de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen
                        algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde
                        jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet
                        als het inkomen van de aanvrager, mede ten gevolge van aantoonbare kosten
                        ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende
                        bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten
                        gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken
                        die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet
                        gebeuren.</al></al-groep><tussenkop>Tweede lid, ad b</tussenkop><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel
                    artikel 11 van de Wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet opgenomen
                    worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de
                    aanvrager niet woonachtig is.</al><tussenkop>Tweede lid, ad c</tussenkop><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is de hier genoemde bepaling bedoeld.</al><tussenkop>Tweede lid, ad d en e</tussenkop><al-groep><al>In artikel 1.2, tweede lid, sub d en e, geeft de Verordening een tweetal
                        gronden voor weigering aan. Onder e wordt gedoeld op de situatie dat de
                        aanvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager
                        gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer
                        heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch
                        anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze
                        situatie de voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een
                        beslissing over de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een
                        aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het
                        college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op
                        grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee
                        is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als
                        goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook
                        factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen
                        zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning
                        elders, of een losse woonunit,waardoor een woningaanpassing wellicht niet
                        noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                        verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in
                        aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft
                        gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen
                        overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente
                        achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim voor een
                        verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. </al><al>In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet
                        beslissen omdat de woning anders aan een andere woningzoekende wordt
                        toegewezen. In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van
                        toestemming van het college ook voldoende. </al><al>Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing
                        schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier
                        uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie
                        waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                        voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of
                        erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Onder e wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag kan worden geweigerd
                        als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                        plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren
                        is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid,
                        dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander
                        aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het
                        mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen
                        stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een
                        verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit
                        gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                        opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat
                        de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op
                        deze Verordening worden gedaan.</al></al-groep><tussenkop>Tweede lid, ad f</tussenkop><al>Onder g wordt aangegeven dat indien aanspraak kan worden gemaakt op een
                    voorliggende voorziening er geen voorziening in het kader van de Wmo mogelijk
                    is. </al><tussenkop>Tweede lid, ad g</tussenkop><al>Onder h wordt de mogelijkheid geboden om een voorziening te weigeren indien een
                    voorziening medisch gezien wel noodzakelijk is maar specifieke persoonlijke
                    omstandigheden een verantwoord gebruik verhinderen. Deze bepaling is overgenomen
                    uit de huidige Verordening Wvg. Het is een voortzetting van het bestaande beleid
                    en wordt in de praktijk overigens zeer zelden toegepast. Voor toepassing van
                    deze bepaling moet in het bijzonder worden gedacht aan gebleken onvermogen bij
                    het gebruik van een scootermobiel.</al><tussenkop>Tweede lid, ad h</tussenkop><al>Hier wordt geregeld dat als er geen medische noodzaak is de voorziening of
                    vergoeding kan worden geweigerd</al><tussenkop>Tweede lid, ad i</tussenkop><al>In dit lid wordt geregeld dat de aanvrager aan bepaalde voorwaarden moet
                    voldoen</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                    besluiten</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1 Aanvraagformulier</tussenkop><al-groep><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag
                        tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
                        wettelijk voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een
                        eerste handeling van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst
                        een aanvraag worden ingediend. </al><al>Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat vanuit
                        de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                        ondernomen.</al><al>In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op een
                        daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                        de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend,
                        kan echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene
                        wet bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en
                        adres van de aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd
                        wordt dient te bevatten en verder ondertekend moet zijn. </al><al>Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier dat overigens niet is
                        ingevuld, geaccepteerd dient te worden als de overige benodigde bescheiden
                        daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor de hand in een dergelijke situatie te
                        verzoeken om aanvulling van de gegevens.</al></al-groep><al>Over het algemeen zal een aanvraag ingediend worden bij de gemeente waar de
                    aanvrager zijn hoofdverblijf heeft. Voor groepen personen die geen vaste
                    woonplaats hebben (zoals schippers van binnenvaartschepen en kermisexploitanten)
                    geldt dat zij hun aanvraag indienen bij de gemeente waar zij staan ingeschreven
                    of een briefadres hebben.</al><tussenkop>Artikel 2.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten</tussenkop><al-groep><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54) is in
                        artikel 5, tweede lid, sub a, van de Wet opgenomen dat de Raad bij
                        Verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                        individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van
                        wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                        geregeld.</al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat het tweede
                        lid, sub a, ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de
                        samenhang van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                        zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het
                        gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde
                        één-loket-gedachte. Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit
                        elkaar, omdat in de wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en
                        zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als
                        vallend onder de AWBZ) worden genoemd, terwijl in de toelichting op het
                        amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt
                        tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot
                        voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven
                        al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen Raad en
                        college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. </al></al-groep><al>Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en
                    de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard
                    vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. De door de Raad vast te
                    stellen Verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij
                    de nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden. </al><tussenkop>Artikel 2.3 Inlichtingen, onderzoek, advies</tussenkop><al-groep><al>Het eerste lid, sub a en b, van dit artikel bepaalt dat het college bevoegd
                        is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een
                        door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of
                        bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                        beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft in een vijftal
                        artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. </al></al-groep><al-groep><al>Artikel 3:5. eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in
                        deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of
                        krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een
                        bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder
                        verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>In tegenstelling tot hetgeen was bepaald in de Wet voorzieningen
                        gehandicapten is in de Wet niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet
                        worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                        onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om
                        in het kader van de Wet advies uit te brengen.</al></al-groep><al-groep><al>In het tweede lid van dit artikel wordt, conform de reeds bestaande
                        situatie, het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) aangewezen als
                        adviserende instantie.</al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer er sprake is van een afwijzing
                        om medische redenen. Een dergelijke beslissing kan uiteraard slechts tot
                        stand komen op basis van een medisch advies. </al></al-groep><al-groep><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                        onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een
                        stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert.
                        Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten
                        voor de aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente Oegstgeest. Dit
                        probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk
                        objectiveerbare aandoeningen (m)moa’s.</al><al>Tevens vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                        Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt.
                        Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te
                        vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies
                        gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit
                        een rol zou kunnen spelen. </al><al>De bepaling in het derde lid spreekt voor zich. Het is duidelijk dat
                        gegevens inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en
                        allerlei andere gegevens noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen
                        beoordelen. Er is een duidelijke praktische samenhang met artikel 2.3,
                        eerste lid, en met artikel 2.1, inzake het gebruik van een door het college
                        te verstrekken formulier. Door middel van gebruik van een formulier kunnen
                        de procedures inzake de gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het
                        nemen van een besluit op de aanvraag (zie hierover ook artikel 4:3 Algemene
                        wet bestuursrecht). </al></al-groep><al-groep><al>Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke
                        gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag
                        volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                        behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                        gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                        bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Het vierde lid geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden
                        van de zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie.
                        Deze bepaling is in de Verordening opgenomen naar aanleiding van de
                        toelichting op amendement 65, waarin staat “Voor de gemeentelijke
                        uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functioning,
                        Disabilitie, and Health (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                        als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                        gevallen vast te stellen.”</al></al-groep><al-groep><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene
                        Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt
                        gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de
                        Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>De ICF-classificatie is uiteraard niet van toepassing, indien de aanvraag
                        wordt gedaan ten behoeve van een persoon in diens hoedanigheid van
                        mantelzorger.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.4 Besluit</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van het beginsel dat een besluit deugdelijk moet
                    worden gemotiveerd. Het vertaalt de opdracht van artikel 26, eerste lid, van de
                    Wet naar de Verordening.</al><tussenkop>Artikel 2.5 Samenhangende afstemming</tussenkop><al-groep><al>In artikel 5, tweede lid, sub b, van de Wet is vastgelegd dat de Raad in de
                        Verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele
                        voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager.
                        Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                        bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen
                        zelf vanuit cliëntperspectief in samenhang te bezien. Evenals hetgeen is
                        gesteld in de toelichting op artikel 2.2 van deze Verordening, gaat het hier
                        naar zijn aard om uitvoeringsbeleid.</al><al>In deze Verordening is gekozen voor de als tweede genoemde tekst-optie in
                        het VNG-model voor dit artikel. Deze keuze is ingegeven door de overweging
                        dat deze formulering in voldoende mate de verplichtingen tot uitdrukking
                        brengt die het compensatiebeginsel in combinatie met de motiveringsplicht
                        aan het college oplegt.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.6 Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>Het spreekt voor zichzelf dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden
                    in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 2.7 Intrekking van een voorziening</tussenkop><al-groep><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan
                        voorwaarden. </al><al>Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in de passage
                        “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het
                        recht op een voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden
                        duidelijk te vermelden in een beschikking. Het is daarom van belang dat
                        belanghebbende wordt gewezen op de voorwaarden die het recht op de
                        voorziening met zich meebrengen. Eveneens is belangrijk dat in de
                        beschikking expliciet wordt gewezen op de verplichting om wijzigingen in de
                        situatie aan het college door te geven. Mocht er sprake zijn van een, om wat
                        voor reden dan ook, ten onrechte toegekende voorziening, dan vergemakkelijkt
                        een duidelijke formulering in de beschikking een eventuele beëindiging of
                        terugvordering van (het recht op) een voorziening, omdat de betrokkene zich
                        dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten. </al><al>Intrekking kan met terugwerkende kracht, bijvoorbeeld bij het opzettelijk
                        verstrekken van onjuiste gegevens. Beëindiging van het recht op een
                        voorziening is ook aan de orde bij verhuizing naar een andere gemeente en
                        bij overlijden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2.8 Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de Verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6, artikel 203 e.v., de wettelijke basis biedt. </al><al-groep><al>Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen
                        waarin de vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met
                        procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan
                        een eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden,
                        zonder verplichte procureurstelling. Het ligt voor de hand dat van de
                        terugvorderingsmogelijkheid in ieder geval gebruik wordt gemaakt indien er
                        aan de zijde van de aanvrager sprake is van verwijtbaarheid, dus wanneer
                        deze bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn
                        inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde
                        zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de
                        gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een
                        inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                        mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet
                        alleen gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur,
                        maar ook naar mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling
                        van een deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                        vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de
                        bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling
                        ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de
                        uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de
                        voorziening voorafgaat. </al><al>Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de
                        uitbetaling pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd.
                    </al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 3 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Keuzevrijheid</tussenkop><al-groep><al>De in artikel 6 van de Wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                        individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden
                        budget en een verstrekking in natura, is niet absoluut. </al><al>Er kunnen zwaarwegende overwegingen bestaan om niet over te gaan tot
                        verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen
                        om af te wegen in welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende
                        aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                        namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                        aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze Verordening, maar in het
                        Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning uitgewerkt.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat de aanvrager de vrijheid heeft om,
                        bijvoorbeeld, over te stappen van een persoonsgebonden budget naar een
                        voorziening in natura. Deze vrijheid gaat om praktische redenen niet zover,
                        dat de overstap op ieder gewenst moment kan plaatsvinden. Is de voorziening
                        toegekend voor een bepaalde periode, dan zal een overstap na afloop hiervan,
                        bij een nieuwe toekenning, geen probleem zijn. Verder kunnen belangrijke
                        wijzigingen in de aard of omvang van de voorziening bewerken dat het
                        voortzetten van het PGB voor de cliënt zeer belastend wordt. Tenslotte
                        kunnen er andere dringende omstandigheden zijn die noodzaken tot een
                        verandering van vorm.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 3.2 Voorziening in natura</tussenkop><al-groep><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van
                        het college en de aanvrager. Deze bepaling voorziet zowel in de situatie
                        waarin het college eigenaar is als die waarin het college een derde, de
                        leverancier, inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze
                        derde eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het
                        college een derde inschakelt voor het verlenen van zorg.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is een dergelijke
                        overeenkomst uiteraard niet nodig.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 3.3 Financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de Wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de Wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 2 van deze
                    Verordening, biedt daartoe de mogelijkheid.</al><tussenkop>Artikel 3.4 Persoonsgebonden budget</tussenkop><al-groep><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                        toegekende voorziening wordt verstrekt. De in het eerste lid, sub a, van dit
                        artikel opgenomen bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de
                        bepaling in artikel 6 van de Wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij
                        toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een
                        persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen
                        niet onder deze eis.</al><al>Onder b is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is
                        gekoppeld aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken goedkoopst adequate
                        voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het
                        persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een
                        objectief vaststelbaar referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag
                        worden vastgesteld voor de instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de
                        diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling worden gegeven in het
                        Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning, dat door het college
                        zal worden vastgesteld. Het eerste lid, sub c, bepaalt dat het college de
                        omvang van een persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een
                        veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende
                        voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid,
                        eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. </al><al>Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit voorzieningen
                        maatschappelijke ondersteuning en de beleidsregels. Verder is onder d
                        bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, een
                        overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden waaronder het
                        persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al></al-groep><al>Het tweede lid bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In het derde lid is de algemene eis neergelegd dat er een program van eisen
                    wordt vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het
                    persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van
                    eisen is dus een belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt
                    voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Het vierde lid van dit artikel regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingsbedragen.</al><al-groep><al>De gemeente is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige
                        besteding van gelden op grond van de wet, en heeft ook zelf de bevoegdheid
                        om vast te stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun
                        persoonsgebonden budgets besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is
                        dus aan de raad en het college om te bepalen hoe die controle plaatsvindt en
                        daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze
                        controle.</al><al>In het vijfde lid is gekozen voor de steekproefsgewijze controle, waarbij
                        een bepaald gedeelte van de toegekende persoongebonden budgetten wordt
                        gecontroleerd via het opvragen van gegevens bij de budgethouders. Echter, de
                        bepaling laat de mogelijkheid open om in nader te bepalen gevallen,
                        bijvoorbeeld boven een bepaalde hoogte van het budget, tot integrale
                        controle over te gaan, zodat in feite van een mengvorm sprake is.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                        persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de
                        in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 3.5 Eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><al-groep><al>Artikel 15, eerste lid, van de Wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking
                        van voorzieningen in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen
                        te vragen. Artikel 19 van de Wet biedt de mogelijkheid de hoogte van
                        financiële tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                        maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.
                        Via dit artikel in de Verordening bestaat de mogelijkheid om van deze
                        wettelijke bevoegdheid gebruik te maken. </al><al>Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                        college in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning wordt
                        vastgelegd.</al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 4 Hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Vormen van hulp bij het huishouden</tussenkop><al-groep><al>In artikel 4, eerste lid, van de Wet wordt het college opgedragen om
                        voorzieningen aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een
                        huishouden. In deze Verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee
                        onderdelen. In hoofdstuk 4 van deze Verordening gaat het om de voorziening
                        “hulp bij het huishouden”, in hoofdstuk 5 om “woonvoorzieningen”. Bij het
                        interpreteren van het begrip “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan
                        dat een persoon pas behoefte kan hebben aan hulp bij het huishouden indien
                        dat huishouden in een voor hem geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat
                        de onder de Wet voorzieningen gehandicapten bestaande woonvoorzieningen
                        onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om
                        aan te geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze
                        Verordening het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in vier vormen als voorziening worden
                        aangeboden. Onder a wordt genoemd de algemene voorziening, een snelle en
                        eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp
                        voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct
                        beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt,
                        met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een
                        kortdurende hulpbehoefte. Het is aan een gemeente om te bezien of zij deze
                        vorm van hulp bij het huishouden in hun verstrekkingenpakket wil
                        opnemen.</al><al>Als tweede vorm wordt, onder b, genoemd de hulp bij het huishouden in
                        natura. Ook hier gaat het om een vorm van persoonlijke dienstverlening,
                        evenals bij de onder a genoemde vorm. Het verschil zit echter in de
                        toekenningsprocedure, die meer op de persoon is afgestemd, en in de regel
                        meer geschikt zal zijn voor de wat grotere en langduriger behoefte aan
                        hulp.</al><al>Onder c wordt tenslotte genoemd het persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp
                        bij het huishouden. Met dit pgb moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.2 Primaat van de algemene hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al-groep><al>Hier wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan maken van
                        een algemene voorziening voor hulp bij het huishouden, indien deze in de
                        gemeente voorhanden is. In aanmerking komen in eerste instantie personen met
                        een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder komen in
                        aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde respijtzorg. Het is
                        daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                        mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene
                        die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden hulp bij het huishouden is in de vorm van een primaat in
                        deze Verordening neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt
                        bezien of deze vorm van hulp bij het huishouden het probleem op adequate
                        wijze kan oplossen. </al></al-groep><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al-groep><al>Als de in het vorige lid genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat
                        is of niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij het
                        huishouden aan de orde. Het tweede lid van dit artikel moet dus in samenhang
                        met het eerste lid worden gelezen. </al><al>De individuele voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit
                        een persoongebonden budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een
                        persoonsgebonden budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn
                        vastgelegd in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.3 Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet, vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voor zover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald
                    hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van
                    een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><tussenkop>Artikel 4.4 Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop><al-groep><al>Omdat hulp bij het huishouden uiteindelijk altijd in de vorm van
                        dienstverlening zal worden verstrekt, moet de omvang in tijd worden
                        vastgesteld. Daarvoor zijn twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is om
                        concrete tijdseenheden te nemen. Voordeel van deze optie is dat er voor
                        zowel gemeente als aanvrager duidelijkheid is over de omvang van het aantal
                        uren en de bekostiging daarvan. Praktisch nadeel van deze optie is dat er
                        voor elke uitbreiding opnieuw geïndiceerd en besloten moet worden, hetgeen
                        een nieuwe beschikking op basis van een adviesprocedure kan betekenen.</al><al>In de praktijk blijkt dat een wijziging in de situatie van de cliënt al snel
                        leidt tot een verandering naar een andere klasse. Het voordeel lijkt niet op
                        te wegen tegen het nadeel van indicering in klassen heeft ten aanzien van de
                        het controleren van en sturen op inzet van thuiszorgorganisaties. Daarom is
                        gekozen voor het hanteren van hele en halve uren.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 4.5 Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>De hier bedoelde jaarlijkse vaststelling en vastlegging houdt verband met de
                    prijsindexering, zoals genoemd in artikel 8.2 van deze Verordening.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 Vormen van woonvoorzieningen</tussenkop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. De algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                    mogelijkheid om snel oplossingen voor vaak minder complexe woonproblemen te
                    krijgen, zoals klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit depot en
                    mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen.</al><al>Ad b. Een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van financiële tegemoetkoming, op individuele basis, verstrekt,
                    bijvoorbeeld de losse tillift of een douchestoel.</al><al>Ad c. Het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een
                    verhuiskostenvergoeding.</al><al>Ad d. De financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                    soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming is gebaseerd op
                    artikel 7, tweede lid, van de Wet.</al><tussenkop>Artikel 5.2 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                    woonvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden
                        opgelost met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij
                        het zoeken naar een oplossing voor een voor de Wet relevant woonprobleem,
                        dus een probleem bij het normale gebruik van de woning. Verwezen zij naar de
                        toelichting op het amendement dat leidde tot artikel 4 van de Wet
                        (amendement Miltenburg c.s., 30 131, nr. 65). Als een algemene voorziening
                        niet volstaat als oplossing dan wel niet aanwezig is in de gemeente, moet
                        het probleem middels een individuele voorziening worden opgelost. Dat kan
                        zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget.</al><al>Uit vaste Wvg- jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat er
                        geen Wvg-woonvoorzieningen hoeven te worden verstrekt in situaties waarin de
                        directe samenhang tussen het woonprobleem en de bouwkundige of
                        woontechnische staat van de woning zelf ontbreekt. Daarbij kan bijvoorbeeld
                        gedacht worden aan omgevingsfactoren als omgevingslawaai, stank, overlast en
                        onveiligheidsgevoelens, die los staan van de woning op zich. Problemen die
                        als gevolg van dergelijke omgevingsfactoren worden ervaren, hoeven niet met
                        Wmo-voorzieningen te worden gecompenseerd. Om dat laatste te benadrukken te
                        maken is deze afwijzingsgrond ook in de verordening vastgelegd.”</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen
                        naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                        voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                        adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel
                        datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de
                        beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium
                        van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de
                        uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een
                        voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die
                        kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken,
                        zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een
                        overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door
                        technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat
                        een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en
                        dus uiteindelijk goedkoper is. </al><al>Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het
                        duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau
                        dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate
                        voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate
                        voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen
                        middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het College
                        mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.3 Recht op individuele en algemene
                    woonvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Uitgangspunt is dat bij structurele en langdurige situaties langdurig zieken
                        en mensen met een functiebeperking altijd kunnen kiezen voor een individuele
                        voorziening, indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                        functiebeperking een aanpassing aan de woning noodzakelijk maken. Dat kan
                        zijn een persoonsgebonden budget, een woonvoorziening in natura of een
                        financiële tegemoetkoming. </al><al>Daarnaast kan men in aanmerking worden gebracht van een algemene
                        woonvoorziening als het gaat om een tijdelijke aanpassing aan de woning en
                        als met de algemene woonvoorziening daar snel en adequaat in kan worden
                        voorzien of als er sprake is van andere gewichtige redenen. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.4 Soorten individuele woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt de afweging
                    tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding,
                    is volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep alleen bedoeld
                    voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband
                    staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast etcetera
                    zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo
                    goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><tussenkop>Ad b en c</tussenkop><al-groep><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                        woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                        aanzien van de bewoner met een beperking. </al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw-
                        of woontechnische aard zal in de praktijk met name een persoonsgebonden
                        budget voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden, zoals ook thans
                        onder de Wvg reeds mogelijk is. Ook kunnen onder deze categorie worden
                        begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast aan
                        de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                        categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een
                        voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                        zodat hergebruik mogelijk is.</al></al-groep><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De kosten die verband houden met een aanpassing van woonruimte worden hiermee
                    onderscheiden van de rechtstreekse kosten van de aanpassing zelf, zoals bedoeld
                    onder b.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                    inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de te vervallen Wvg te verbreden,
                    noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen.
                    Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van artikel 1, eerste lid, sub e,
                    van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm
                    van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.</al><tussenkop>Artikel 5.5 Hoofdverblijf</tussenkop><al-groep><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de Wet niet
                        expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor
                        de inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de Wet geeft echter wel een
                        aanwijzing in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien
                        het feit dat er met deze Wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking
                        van de Wet voorzieningen gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel.
                        Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een
                        briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de
                        voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot compensatie
                        van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen
                        betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal
                        hebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager naar een andere
                        gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of
                        aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel 5.5,
                        onder b.</al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van
                        het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd
                        door diverse gemeenten, waaronder Oegstgeest, gemaakt voor het zogenaamde
                        bezoekbaar maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere
                        familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de Verordening. Omdat met
                        de wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen of uit te breiden, is de
                        optie van het bezoekbaar maken ook weer in de Verordening opgenomen, in het
                        tweede lid van dit artikel. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                        Verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de
                        Verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte
                        zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien (zie het vierde
                        lid) in financiële zin worden gemaximeerd.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5.6 Beperkingen</tussenkop><al-groep><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                        samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                        heeft. </al><al>Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere factoren
                        dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van dit artikel.</al></al-groep><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>Onder a wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan immers de voornaamste oorzaak
                    van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op
                    situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat
                    men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten
                    “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege
                    samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al-groep><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                        beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is
                        niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens
                        de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt
                        hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op
                        alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een
                        verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie
                        ook artikel 5.4, eerste lid, van deze Verordening, waar wordt bepaald dat
                        het gaat om een situatie waarin men in de betreffende woning “zijn
                        hoofdverblijf heeft of zal hebben”.</al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor
                        zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te
                        passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de
                        vrije sector en zo nodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente
                        haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                        verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                        verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al></al-groep><tussenkop>Ad c</tussenkop><al-groep><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de Wet in hoofdzaak
                        zijn gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                        gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in
                        de Verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De
                        opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden
                        verstrekt dan er in de Verordening is genoemd.</al><al>Het in deze opsomming toevoegen aan de VNG-modelbepaling van de elementen
                        ‘verbreden van de toegangsdeur, drempelhulpen, vlonders en opstelplaatsen
                        voor scootermobielen of rolstoelen bij de toegangsdeur van het woongebouw’
                        sluit aan bij de bestaande praktijk.</al></al-groep><tussenkop>Ad d</tussenkop><al-groep><al>Onder d wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen. Veel
                        verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de
                        beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk
                        huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een
                        kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en
                        kinderen reeds zelfstandig wonen. Mogelijk kunnen in bepaalde situaties ook
                        andere voorzieningen dan verhuiskostenvergoedingen geweigerd worden op basis
                        van deze bepaling</al><al>Daarbij moet worden gedacht aan situaties waarin gemeenten ouderen tijdig
                        wijzen op de eigen verantwoordelijkheid en naar de mogelijkheid om een
                        woning te zoeken die bij de leeftijd past. </al><al>Als men dan, ondanks het feit dat men ondubbelzinnig is gewezen op de eigen
                        verantwoordelijkheid en de mogelijkheden er zijn, desondanks geen
                        maatregelen neemt en men komt in een ongeschikte woning voor voorzienbare
                        woonproblemen te staan, dan kunnen ook andere woonvoorzieningen dan
                        verhuiskostenvergoedingen worden geweigerd. De grondslag voor deze bepaling
                        is gelegen in artikel 4 lid 2 Wmo, waarin wordt gesteld dat geen recht op
                        maatschappelijke ondersteuning bestaat voor zover men zelf in staat is om
                        oplossingen te realiseren. In dit geval gaat het om preventieve oplossingen
                        voor voorzienbare problemen. Deze verordeningsbepaling is uiteraard alleen
                        toepasbaar als gemeenten ook een beleid hebben ontwikkeld en toepassen om de
                        Wmo-doelgroep intensief en gericht te informeren en als er daadwerkelijk
                        alternatieven aanwezig zijn om woonproblemen te voorkomen. </al><al>Jurisprudentie zal zich uiteraard op dit punt nog moeten ontwikkelen.</al></al-groep><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>Deze afwijzingsgrond benadrukt het onderzoek dat dient plaats te vinden en
                    waaruit moet komen vast te staan of de ergonomische belemmeringen voortvloeien
                    uit de staat en onderhoud van de woning of de daarin gebruikte materialen.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>De aanvrager moet wel rechtmatig de woonruimte bewonen. </al><al>De aanvraag voor tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten als bedoeld
                    in dit hoofdstuk worden geweigerd indien:</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een
                    vergelijkbare situatie naar een zelfstandige woonruimte om een algemeen
                    gebruikelijke verhuizing. Een dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf los
                    van de beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar een zo
                    adequaat mogelijke woning. Hierbij is het in afwijking tot de algemene regel op
                    grond van individuele omstandigheden mogelijk aanpassingen aan de woning te
                    verrichten</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet –
                    als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen
                    woonvoorziening worden verstrekt; aanpassen leidt niet tot een adequate situatie
                    en verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is om
                    het gehele jaar te bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook
                    zonder handicap zal men immers moeten verhuizen naar een woning de wel het
                    gehele jaar bewoonbaar is.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen van de
                    zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld voor mensen die nog
                    zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het moment dat men verhuist naar een
                    AWBZ-instelling, valt men feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het, ook met
                    ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden te voeren.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>Als er in de verlaten woning geen problemen bij het normaal gebruik van de
                    woning werden ervaren, is de verhuizing naar een nieuwe woning kennelijk de
                    oorzaak van problemen en is men verhuisd naar een inadequate woning. In
                    dergelijke situaties is er, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten
                    geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al diverse malen door de Centrale
                    Raad van beroep is bevestigd.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen. Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen de
                    constructie, waarbij een bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het
                    gebruikte materiaal zelf.</al><tussenkop>Artikel 5.7 Primaat van de verhuizing en de uitraasruimte</tussenkop><al>Het primaat van de verhuizing is in feite geregeld door het verband tussen de
                    leden 1 en 2 van artikel 5.6. Artikel 5.6 lid 3 heeft een heel ander onderwerp.
                    Door het opschrift van het artikel uit te breiden met de woorden “ en de
                    uitraasruimte” wordt direct duidelijk dat het artikel beide afzonderlijke zaken
                    regelt. </al><al-groep><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een
                        aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een
                        andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de
                        verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel
                        wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot
                        het hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke
                        voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen
                        van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen
                        vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet
                        duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden
                        gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                        termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de
                        woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om
                        binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een
                        geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere
                        relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels,
                        kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent
                        het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet geval. </al><al>De slotpassage van het tweede lid van dit artikel (“dan wel naar het oordeel
                        van het College op grond van individuele omstandigheden niet gewenst is”)
                        geeft de mogelijkheid om de optie verhuizing af te wijzen in gevallen waarin
                        voor betrokkene de bestaande woonomgeving (winkels, bus, etc.), de sociale
                        omgeving en het buurtgebonden netwerk dermate belangrijk zijn dat een
                        verhuizing in redelijkheid niet kan worden verlangd. </al></al-groep><al>De in lid 3 genoemde uitraasruimte was onder de Wvg in de wet genoemd, in de Wmo
                    is niet dat meer het geval. Omdat de Wmo de Wvg opvolgt is het nodig de
                    uitraasruimte elders, namelijk in de verordening te regelen. In artikel 5.6 lid
                    3 is geregeld dat de uitraasruimte bedoeld is voor een specifieke groep
                    gehandicapten, met specifieke problemen. Het gaat bij de uitraasruimte, bij
                    wijze van uitzondering, niet om het compenseren van problemen bij het normale
                    gebruik van de woning, maar om het tot rust komen. De uitraasruimte is dus geen
                    zogenaamde snoezelkamer. De uitraaskamer is evenmin bedoeld om overlast voor
                    huisgenoten te beperken.</al><tussenkop>Artikel 5.8 Primaat van de losse woonunit</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,00 onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de
                    gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan
                    gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze bepaling. </al><tussenkop>Artikel 5.9 Uitsluitingen</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. De toevoeging woningen die qua karakter een tijdelijk
                    aard hebben is gericht op het voorkomen van ingrijpende onomkeerbare
                    aanpassingen bij woningen waarvan van te voren vaststaat dat bewoning tijdelijk
                    is als voorbeeld kan gedacht worden aan anti-kraakwoningen. Een uitzondering
                    zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en
                    worden apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen
                    woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor
                    ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de
                    wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                    kunnen worden meegenomen.</al><tussenkop>Artikel 5.10 Terugbetaling bij verkoop</tussenkop><al>De Verordening voorzieningen gehandicapten 2006 bevat een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze Verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die is ontstaan door het aanbrengen van een uitbouw. De
                    terugbetaling is in dit verband ook gerelateerd aan de kosten van de uitbouw.
                    Dit is gedaan om te voorkomen dat er een uitgebreide procedure en ook kosten
                    moeten worden gemaakt om de hoogte van de meerwaarde te bepalen. Deze bepaling
                    was in deze vorm ook opgenomen in de huidige Wvg-verordening</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Vormen van vervoersvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Naast het collectief vervoer kan ook worden
                    gedacht aan de mogelijkheden voor het opzetten van scootermobielpools, zoals in
                    sommige verzorgingshuizen al op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    gebeurde. </al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In het
                    Verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                    bepaald soort voorziening in aanmerking komt. </al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning uitgewerkt. In het Besluit wordt tevens
                    vastgelegd om welke soorten vervoersvoorzieningen het gaat. Hierin wordt tevens
                    bepaald dat aanpassingen aan een auto eerst voor vergoeding in aanmerking komen
                    nadat is gebleken dat andere vervoersvoorzieningen niet adequaat zijn.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Het recht op een algemene voorziening</tussenkop><al-groep><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van
                        de persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen
                        bepalend zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in
                        aanmerking komt voor een voorziening terzake. </al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel
                        is het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                        vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                        voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                        loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                        niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                        problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                        daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet
                        een adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden
                        worden buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade
                        opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan
                        was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de
                        wet, bij gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat
                        het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een
                        langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt
                        kunnen worden.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6.3 Het primaat van het collectief vervoer</tussenkop><al>Dit artikel geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b en c van artikel 6.1. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                            collectieve vervoersvoorziening of;</al></li><li nr="b."><al>indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al></li></lijst><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is, volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten, van bijzonder belang bij mensen
                    die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal
                    circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen
                    adequate voorziening.</al><tussenkop>Artikel 6.4 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten uitgesproken, dat het stellen van een inkomensgrens voor een
                    forfaitaire tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 maal de
                    bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                    dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of het bezit en
                    gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het
                    begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie
                    tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al><al>In deze Verordening wordt, conform de in Oegstgeest reeds bestaande praktijk,
                    gekozen voor de vermenigvuldigingsfactor 1,5 als norm voor het inkomen.</al><tussenkop>Artikel 6.5 Omvang in gebied en in kilometers</tussenkop><al-groep><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is de zorgplicht voor vervoer
                        beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag in de
                        directe woon- of leefomgeving; de Wet spreekt nu in artikel 4, eerste lid,
                        sub c, over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog
                        beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wet voorzieningen
                        gehandicapten, maar aangezien met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet
                        is beoogd de reikwijdte van de Wet voorzieningen gehandicapten te beperken
                        of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat de alleen de
                        letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                        artikel 6.5, conform de onder de Wet voorzieningen gehandicapten gevormde
                        jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als
                        uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                        Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van
                        Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een
                        vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet
                        bieden om op jaarbasis minimaal 1.500 tot 2.000 kilometer af te leggen. Deze
                        jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de Wet niet wordt beoogd
                        de werkingssfeer van de Wet voorzieningen gehandicapten uit te breiden of in
                        te krimpen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6.6 Inkomensgrenzen</tussenkop><al>Het college kan voor de vervoersvoorziening een inkomensgrens hanteren.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Het zich verplaatsen in en rond de woning</tussenkop><tussenkop>Artikel 7.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al-groep><al>Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het
                        begrip “rolstoel” begrepen: de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze
                        rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                        (elektrische) trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet
                        op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de
                        Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen.</al><al>Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor
                        binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend
                        verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere
                        regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators,
                        wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van
                        onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                        verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                        therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt.
                        Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van
                        zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het
                        uiteraard alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke
                        zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze Verordening onder het begrip
                        rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel,
                        meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming,
                        een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de Verordening werd
                        verstrekt. </al></al-groep><al>Bij artikel 7.1 is gekozen voor de mogelijkheden een rolstoel in de vorm van een
                    algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een rolstoel voor
                    incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder de
                    Wet voorzieningen gehandicapten formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in
                    de praktijk wel vaak gebeurde. Deze optie geeft een regeling waarbij wel
                    incidenteel noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                    rolstoelvoorziening. </al><al>Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                    nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder rolstoel
                    plaatsvindt. Het recht op een dergelijke rolstoel kan in die situaties ingevuld
                    worden via een rolstoelpool waarop de betrokkene een beroep op kan doen.
                    Hierdoor wordt voorkomen dat een groot aantal rolstoelen weinig frequent wordt
                    gebruikt. De rolstoelen uit de rolstoelpool worden daarentegen wel frequent
                    gebruikt. Uiteraard moet het daadwerkelijk mogelijk zijn een rolstoel uit de
                    pool te lenen. De pool moet dan ook voldoende geschikte rolstoelen op voorraad
                    hebben. Dit zou met name kunnen worden toegepast in een verzorgingshuis. In de
                    huidige praktijk in Oegstgeest is de algemene voorziening zoals hier bedoeld nog
                    niet voorhanden. Niettemin is de mogelijkheid hiertoe in deze Verordening open
                    gehouden. Onder b en c gaat het om de individuele rolstoel voor dagelijks
                    zittend gebruik, terwijl onder d de sportrolstoel wordt genoemd.</al><tussenkop>Artikel 7.2 Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                    rolstoelgebruik en sportrolstoel</tussenkop><al-groep><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager eerst voor een rolstoel uit een
                        rolstoelpool in aanmerking kan worden gebracht als het gaat om incidenteel
                        gebruik van de rolstoel terwijl een rolstoel in natura of in de vorm van een
                        persoonsgebonden budget verstrekt zal worden als de rolstoel voor het
                        niet-incidenteel zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch
                        noodzakelijk is.</al><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                        andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                        verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel
                        verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik
                        dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd
                        in de beleidsregels.</al><al>Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik, maar voor
                        niet-incidenteel zittend verplaatsen in en om de woning, kan de rolstoel
                        verstrekt worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget.
                        Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate
                        voorziening.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 7.3 Het recht op een rolstoelvoorziening en
                    sportrolstoel</tussenkop><al>In het eerste lid van dit artikel wijkt deze Verordening af van het VNG-model,
                    waar het gaat om de aanduiding van het niet-incidenteel zittend zich
                    verplaatsen. De model-Verordening spreekt van ‘dagelijks zittend verplaatsen’.
                    Deze Verordening kiest voor de minder stringente aanduiding ‘in belangrijke mate
                    … aangewezen op zittend zich verplaatsen in en om de woning’.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al><tussenkop>Artikel 7.4 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    AWBZ-bewoners</tussenkop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op
                    grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling” als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, doch alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling. </al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In dit hoofdstuk ontbreekt een bepaling over de mogelijkheid van bezwaar en
                    beroep tegen een beslissing van het college op een aanvraag. Er is hiervoor geen
                    aparte voorziening nodig, omdat de algemene bezwaar- en beroepmogelijkheid van
                    de Algemene wet bestuursrecht (Abw) van toepassing is.</al><tussenkop>Artikel 8.1 Hardheidsclausule</tussenkop><al-groep><al>Op grond van dit artikel kan het college in bijzondere gevallen ten gunste
                        van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze Verordening en dus niet
                        van de in de Wet zelf genoemde bepalingen. Zo nodig wordt hierbij advies
                        ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, derhalve nooit ten
                        nadele van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de
                        woonruimte. Bij de woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie, kan gedacht
                        worden aan een situatie waar het van belang is dat een woonruimte ook langer
                        dan zes maanden leeg staat, omdat bekend is dat een persoon met beperkingen
                        voor wie de aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om
                        uit een revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het
                        doelmatiger zijn om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving
                        te verstrekken. </al><al>Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van
                        de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als
                        een regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook
                        duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de Verordening wordt
                        afgeweken.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 8.2 Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    Verordening gebaseerde Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning te
                    indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze Verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur bepaalt, dat ook de bedragen
                    van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de
                    gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de
                    hand wijzigingen in bedragen in deze Verordening tegelijkertijd door te
                    voeren.</al><tussenkop>Artikel 8.3 Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de Verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of
                    te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing van de
                    Verordening of van de beleidsregels.</al><al>In de hier gekozen formulering wordt aansluiting gezocht bij de termijn van vier
                    jaar die artikel 3 van de Wet voorschrijft voor het gemeentelijk beleidsplan. </al><al>De formulering ‘tijdig’ in relatie tot het informeren van de Raad ziet erop toe
                    dat de Raad voldoende gelegenheid krijgt om zich een oordeel te vormen over de
                    uitwerking van de Verordening in de praktijk. </al><tussenkop>Artikelen 8.4 en 8.5 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en behoeven geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>