<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76116_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oegstgeester Courant, 28-09-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_10-01-2011">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-09-15</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-09-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-09-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>74/11</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit voor het opnieuw vaststellen en bekendmaken van de verordeningen ten behoeve van centrale ontsluiting van lokale regelgeving.</al><al>Artikel 6:5 en 3.5.1. bevat een overgangsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Oegstgeest; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 8 juni 2009, nr.
                        62/07; </al><al>b e s l u i t : </al><al>vast te stellen de </al><al><vet>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="3.91*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. weg :</al></entry><entry colname="col2"><al>1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                                onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de
                                                daaraan liggende en als zodanig aangeduide
                                                parkeerterreinen;</al><al>2. de – al dan niet met enige beperking – voor het
                                                publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen,
                                                parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere
                                                natuurterreinen, ijsvlakten, openbaar water en
                                                aanlegplaatsen voor vaartuigen;</al><al>3. de voor het publiek toegankelijke stoepen,
                                                trappen, portieken, gangen, passages en galerijen,
                                                welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik
                                                zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar
                                                zijn;</al><al>4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan
                                                niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken,
                                                gangen, passages en galerijen, de afsluitbare alleen
                                                gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege
                                                degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is,
                                                zijn afgesloten.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. openbaar water :</al></entry><entry colname="col2"><al>alle wateren die – al dan niet met enige beperking –
                                                voor het publiek bevaarbaar of anderszins
                                                toegankelijk zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. bebouwde kom :</al></entry><entry colname="col2"><al>de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde
                                                staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig
                                                artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d. rechthebbende :</al></entry><entry colname="col2"><al>eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft
                                                krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e. voertuigen :</al></entry><entry colname="col2"><al>alle rij- en voertuigen, met uitzondering van;</al><al>a. treinen en trams;</al><al>b. kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f. vaartuigen :</al></entry><entry colname="col2"><al>alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                                werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en
                                                ponten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g. woonschepen :</al></entry><entry colname="col2"><al>schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                                gebezigd of tot woning bestemd;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h. bouwwerk :</al></entry><entry colname="col2"><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                                metaal of ander materiaal, welke op de plaats van
                                                bestemming hetzij direct of indirect met de grond
                                                verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt
                                                in of op de grond;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i. gebouw :</al></entry><entry colname="col2"><al>elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke
                                                overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
                                                omsloten ruimte vormt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j. vee :</al></entry><entry colname="col2"><al>eenhoevige dieren, herkauwende dieren en
                                                varkens;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k. handelsreclame :</al></entry><entry colname="col2"><al>iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                                                commercieel belang te dienen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l. bevoegd gezag :</al></entry><entry colname="col2"><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                                lid, van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde orgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of
                                ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegde orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen
                                2.1.5.1, 2.1.5.2 of 2.1.5.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of
                                ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de aanvraag
                                van de vergunning als bedoeld in de artikelen 2.1.5.1, 2.1.5.2 of
                                2.1.5.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de vergunningen als
                                bedoeld in de artikelen 2.1.5.1, 2.1.5.2 en 2.1.5.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke
                                    van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="e."><al>in afwijking van het gestelde onder d indien van de vergunning
                                    als bedoeld in de artikelen 2.1.5.1, 2.1.5.2 of 2.1.5.3 niet
                                    binnen drie jaar gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="f."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt
                            voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is
                            bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen
                            verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Orde en veiligheid op de weg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1:</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1.1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Eenieder die op de weg aanwezig is bij enig voorval,
                                        waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan
                                        of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende
                                        gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen
                                        te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een
                                        samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                        van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich
                                        in de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                        plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in
                                        het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                        ongeregeldheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor
                                        betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2:</nr><titel>betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.1</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.2</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, moet daarvan voor de openbare
                                        aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze
                                        gehouden zal worden schriftelijk kennis geven aan de
                                        burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel
                                        2.1.2.4, eerste lid, hierover is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving door
                                        terugrekening valt op een vrijdag na 12.00 uur, een
                                        zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt
                                        dit tijdstip geacht te vallen op 12.00 uur op de voorgelegen
                                        dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag
                                        is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld
                                        in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet
                                        openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens
                                        bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met
                                        uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld
                                        in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.3</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel
                                    2.1.2.2, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en
                                    een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.2.4</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen
                                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                                tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en
                                                de plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt, zal
                                                treffen om een regelmatig verloop te
                                                bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3:</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.3.1</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                        stukken of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of
                                        afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk
                                        aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan
                                        door burgemeester en wethouders aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de werking van het in het
                                        eerste lid gestelde verbod beperken tot bepaalde dagen en
                                        uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor het
                                        huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in
                                        het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en
                                        afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4:</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.1</nr><titel>Feest, muziek, wedstrijd e.d.</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.2</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.4.3</nr><titel>Straatartiest</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te
                                        treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of
                                        gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5:</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.1</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd
                                        met de publieke functie van de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of een weggedeelte te gebruiken
                                        anders dan overeenkomstig de publieke functie daarvan,
                                        als:</al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                                gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of
                                                voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan
                                                wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig
                                                beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                                verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                                eisen van welstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor
                                        het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een
                                        activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid,
                                        onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt
                                        niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;</al></li><li nr="b."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1. –
                                                5.2.3.5.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor
                                        zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                        de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.2</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                        veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                        een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken,
                                        in een weg te grafen of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag,
                                                indien de activiteiten zijn verboden bij een
                                                bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
                                                of voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                        daaronder verstaat, alsmede alle niet openbare
                                        ontsluitingswegen van gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij
                                        het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.5.3</nr><titel>Maken en veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en
                                        wethouders een uitweg te maken naar de weg of verandering te
                                        brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                        verstaan wat in artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder
                                        wordt verstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden geweigerd indien door het
                                        realiseren ervan:</al><lijst><li nr="a."><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor
                                                het wegverkeer ter plaatse;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                                onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden
                                                gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of
                                                dreigt te worden geschaad;</al></li><li nr="d."><al>Het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt geschaad
                                                of dreigt te worden geschaad;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarden van een beschermd
                                                monument of beschermd dorpsgezicht onherroepelijk
                                                en/of onaanvaardbaar worden aangetast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                        Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
                                        Provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6:</nr><titel>Veiligheid van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.1</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg
                                        te werpen, uit te storten of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel
                                        427, aanhef en onder 4<sup>e</sup>, van het Wetboek van
                                        Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van
                                        toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.2</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter
                                        beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van
                                        winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van
                                        de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en
                                        de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of
                                        langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                                        verwijderen of te doen verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.3</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting,
                                    die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,
                                    onzichtbaar te maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.5</nr><titel>Kelderingangen, e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kelderingangen, en andere lager dan de aangrenzende weg
                                        gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                        voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427,
                                        aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.6</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op weilanden of
                                        veengronden dan wel binnen een afstand van 30 meter daarvan
                                        gedurende de door burgemeester en wethouders aangewezen
                                        periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op weilanden of veengronden of
                                        binnen een afstand van 100 meter daarvan, voor zover het de
                                        openlucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te
                                        laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt
                                        niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                        voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het
                                        Wetboek van Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                        zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als
                                        tuin ingerichte, erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.7</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.8</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk
                                    een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen
                                    neervallen op de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.9</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer of verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                        aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen,
                                        borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer
                                        of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden,
                                        gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de
                                        rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit
                                        bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van
                                        een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                        Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de
                                        Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.10</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van 6 meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als bouwwerken, hoger dan 2 meter te plaatsen of te
                                        hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod ontheffing verlenen, indien de elektrische
                                        spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat
                                        toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien
                                        van objecten die deel uitmaken van de
                                        hoogspanningslijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.6.11</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te
                                                beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het
                                                verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren
                                                of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de
                                                veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde
                                                ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te
                                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                                daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of
                                        de Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7:</nr><titel>regels voor het moeten snoeien van overhangende
                                    beplanting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Algemene plaatselijke verordening: de Algemene
                                            plaatselijke verordening Oegstgeest 2007 en ingeval van
                                            herziening van deze verordening de Algemene plaatselijke
                                            verordening zoals deze nadien en laatstelijk door de
                                            raad van de gemeente Oegstgeest- hierna: APV- is
                                            vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>overhangende beplanting: over de openbare weg
                                            overhangende beplanting.</al></li><li nr="c."><al>openbare weg: alle voor het wegverkeer openstaande wegen
                                            zoals bedoeld in artikel 1.1. sub a/1 van de APV;</al></li><li nr="d."><al>rabatstroken: klinkerstroken langs de rijbaan, bedoeld
                                            als parkeer- en voetgangersgedeelte. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7.2</nr><titel>Hinder voor het wegverkeer</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>Als op voetpaden die breder zijn dan 1.20 meter minder
                                            dan 1.20 meter vrije ruimte voor voetgangers
                                            overblijft;</al></li><li nr="b."><al>Als beplanting overhangt over voetpaden die smaller zijn
                                            dan 1.20 meter;</al></li><li nr="c."><al>Als beplanting overhangt over fietspaden, parkeerstroken
                                            of rabatstroken;</al></li><li nr="d."><al>Als beplanting in de hierboven a tot en met c bedoelde
                                            gevallen hangt op minder dan 2.20 meter hoogte boven de
                                            openbare weg;</al></li><li nr="e."><al>Als armaturen van lichtmasten, ook op meer dan 2.20
                                            meter hoogte, verkeersborden en brandweerkranen geheel
                                            of gedeeltelijk door beplanting worden afgeschermd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.7.3</nr><titel>Verplichting om overhangend groen terug te
                                        snoeien</titel></kop><al>De eigenaar of beheerder van overhangende beplanting is gehouden
                                    zijn beplantingen zodanig terug te snoeien en gesnoeid te houden
                                    dat hinderlijke en/of gevaarlijke situaties, zoals bedoeld in
                                    het vorige artikel worden vermeden.</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Toezicht op evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen;</al></li><li nr="b."><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="d."><al>het in een inrichting in de zin van de Drank- en
                                            Horecawet gelegenheid geven tot dansen;</al></li><li nr="e."><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                            de Wet openbare manifestaties;</al></li><li nr="f."><al>activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.4.2,
                                            2.3.3.1 van deze verordening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></li><li nr="b."><al>een braderie; </al></li><li nr="c."><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                            artikel 2.1.2.2, op de weg;</al></li><li nr="d."><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                            weg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Evenement</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    evenement te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een evebnement, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 250
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 09.00 en 00.00 uur
                                            plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 of na
                                            23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan,
                                            (brom)fietspad of parkeerplaats of</al></li><li nr="e."><al>anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de
                                            hulpdiensten;</al></li><li nr="f."><al>er een organisator is;</al></li><li nr="g."><al>de organisator binnen 14 werkdagen voorafgaand aan het
                                            evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                            burgemeester.</al><al>3.De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van
                                            de melding besluiten het organiseren van een evenement
                                            als bedoeld in het tweede lid te verbieden of nadere
                                            voorschriften te stellen, indien daardoor de openbare
                                            orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het
                                            milieu in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Toezicht op openbare inrichtingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1:</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                        voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                                        logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of
                                        rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid
                                        of verstrekt. Onder een horecabedrijf wordt in ieder geval
                                        verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria,
                                        snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                        verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                        aanhorigheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de
                                        besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het
                                        horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                        en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken
                                        en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid
                                        of verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder houder wordt in deze paragraaf verstaan: degene die
                                        een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in
                                        artikel 2.3.1.2 of artikel 2.3.1.3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders
                                                wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn
                                                onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde
                                                graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als
                                                bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
                                                Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438,
                                                derde lid van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting
                                                wegens dringende redenen noodzakelijk is. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.2</nr><titel>Terrasvergunning</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking
                                    heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen,
                                    voor zover deze zich op de weg bevinden, tevens over de
                                    ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.3</nr><titel>Opheffing vergunningplicht</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.4</nr><titel>Sluitingsuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf:</al><lijst><li nr="a."><al>verboden aldaar bezoekers toe te laten na 01:00 uur
                                                en daar bezoekers te laten verblijven tussen 03:00
                                                uur en 05:00 uur: van maandag tot en met
                                                vrijdag;</al></li><li nr="b."><al>verboden aldaar bezoekers toe te laten na 02:00 uur
                                                en daar bezoekers te laten verblijven tussen 04:00
                                                uur en 06:00 uur op zaterdag en zondag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan door middel van een
                                        vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen
                                        voor een afzonderlijk horecabedrijf of een daartoe behorend
                                        terras.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Terrassen dienen tussen 23.00 uur en 09.00 uur gesloten te
                                        zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.5</nr><titel>Afwijking sluitingsuur, tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van
                                        bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een
                                        of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens
                                        artikel 2.3.1.4 geldende sluitingsuren vaststellen of
                                        tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b
                                        Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.6</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de
                                    tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.4 of ingevolge een
                                    op grond van artikel 2.3.1.5 genomen besluit gesloten dient te
                                    zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.7</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1.8</nr><titel>Burgemeester en wethouders als bevoegd
                                        bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen
                                    inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet
                                    treedt niet de burgemeester, maar treden burgemeester en
                                    wethouders op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van de
                                    artikelen 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.5.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2:</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in
                                            de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                            mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                            kamperen wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel
                                            daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                    houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                    daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                    burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend
                                        persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel
                                        438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is
                                        ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde
                                        model.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt, dan wel de
                                    kampeerder, is verplicht onverwijld aan de houder van die
                                    inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres,
                                    woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van
                                    aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3:</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.1</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                        publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt
                                        geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld
                                        inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                                        verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel
                                                30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de
                                                kansspelen vergunning is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie
                                                of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                                verlenen; </al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden
                                                om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van
                                                de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen
                                                op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de
                                                Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in
                                                artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te
                                                verrichten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al><lijst><li nr="c."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat
                                                de woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                                                speelgelegenheid of de openbare orde op
                                                ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de
                                                exploitatie van de speelgelegenheid;</al></li><li nr="d."><al>indien de exploitatie van een speelgelegenheid in
                                                strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3.2</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten
                                    woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij
                                    die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                    woning wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van het in het eerste of tweede lid
                                    bedoelde verbod ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak
                                    dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende
                                    zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                            aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te
                                            brengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige
                                            afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen.</al></li><li nr="e."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van
                                            toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk
                                            voorschrift.</al></li><li nr="f."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aanplakborden
                                            aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en
                                            bekendmakingen.</al></li><li nr="g."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
                                            aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                                            handelsreclame.</al></li><li nr="h."><al>Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen
                                            voor het aanbrengen van meningsuitingen en
                                            bekendmakingen, welke geen betrekking mogen hebben op de
                                            inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="i."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde
                                            schriftelijke toestemming is verplicht die aan een
                                            opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond
                                            ter inzage af te geven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen des avonds 10:00 uur en des morgens 06:00
                                    uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te
                                    hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of
                                    verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing,
                                    indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet
                                    zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden
                                    in artikel 2.4.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen en hulpmiddelen voor
                                    winkeldiefstal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns
                                    of enig ander gereedschap, voorwerp of middel op de weg te
                                    vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich
                                    onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,
                                    onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door
                                    middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of
                                    middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid
                                    bedoelde handelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op de weg in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het derde lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het in dat lid
                                    bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.5</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te
                                    bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken,
                                    wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten
                                    de daarin gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.6</nr><titel>Rijden over bermen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                    rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant
                                    van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet
                                    1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet indien dat rijden door omstandigheden
                                    redelijkerwijs gebillijkt wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.7</nr><titel>Hinderlijk gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een
                                            beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                            toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                            afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                            straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan
                                            weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen
                                            woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                            wordt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                    artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of
                                    artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.8</nr><titel>Hinderlijk drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende
                                    drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke
                                    met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Drank- en horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld
                                            onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel
                                            35 van de Drank- en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.9</nr><titel>Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                            houden;</al></li><li nr="b."><al>in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een
                                            gebouw te zitten of te liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn verboden zich zonder
                                    redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                    bestemde ruimte van zo’n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.10</nr><titel>Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor
                                de desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.11</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek,
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daarvoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en
                                plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein
                                waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid
                                gehouden wordt welke publiek trekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.13</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van
                                    een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                    kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit
                                    gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon te
                                    bespieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden door middel van een verrekijker, camera of een
                                    dergelijk voorwerp een zich in een gebouw, woonwagen of
                                    woonschip bevindende persoon te bespieden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.14</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.15</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.16</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.17</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                            aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide of op een andere door burgemeester en
                                            wethouders aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al>op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of
                                            een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                            duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen plaatsen aanwijzen waar het
                                    verbod, gesteld in het eerste lid, onder a, niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als
                                    zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of
                                    houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                    geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.18</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is
                                            bestemd voor het verkeer van voetgangers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                            zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                            speelweide;</al></li><li nr="c."><al>op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen
                                            plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in
                                    het eerste lid, onder a niet geldt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.19</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                    terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd, nadat burgemeester en
                                            wethouders aan de eigenaar of de houder hebben
                                            bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk
                                            achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag
                                            van die hond noodzakelijk vinden;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf,
                                            nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de
                                            houder hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk
                                            of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en
                                            muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond
                                            noodzakelijk vinden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 2.4.17, aanhef en onder c, geldt voor
                                    het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien
                                    moet zijn van een optisch leesbaar, niet-verwijderbaar
                                    identificatiekenmerk in het oor of de buikwand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in lid 1, onder d,
                                            van de Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met
                                            een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                            langer is dan 1,50 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het gestelde onder de leden 1 en 3 is niet van toepassing indien
                                    en voor zover een regeling bij of krachtens de Welzijnswet voor
                                    dieren van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.20</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd buiten een inrichting in
                                    de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of
                                    bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid
                                    verboden is daarbij aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van
                                            schade aan de openbare gezondheid gestelde regels, dan
                                            wel</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                    aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                    inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde
                                    regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal door
                                    hen is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op onroerende
                                    zaken gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het
                                    tweede lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.21</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.22</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.23</nr><titel>Duiven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die
                                    duiven niet kunnen uitvliegen tussen 08:00 uur en 18:00 uur in
                                    een door burgemeester en wethouders te bepalen tijdvak gelegen
                                    tussen 1 maart en 1 juni.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde gebod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de
                                    Provinciale Verordening Ophokplicht Postduiven van toepassing
                                    is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.24</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere
                                            gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van 30 meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste 6 meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van 2 meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen
                                    of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    in de Wegenverordening Zuid-Holland.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Be palingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de
                                        algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="b."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of
                                        op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde
                                        goederen door de handelaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al><lijst><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                            goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor
                                            zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het
                                            goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht
                                            van het goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                            verkregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van
                                    het Wetboek van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een door hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter,
                                        tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de burgemeester
                                        of de door hem aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in
                                        kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte
                                        maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn
                                        woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door
                                        hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                        register(s) onverwijld, doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                        gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard
                                        van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen
                                        waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven
                                        aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester
                                        aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of
                                        gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van
                                        handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen, tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.5</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden toe te laten dat
                                    een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                    inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere
                                    wijze overdraagt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare
                                    verkopingen en veilingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel
                                            2.3.1.1, eerste en tweede lid;</al></li><li nr="b."><al>houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1.1, vierde
                                            lid.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consument- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                                consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter
                                beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van
                                burgemeester en wethouders van de gemeente waar het bedrijf is of
                                zal worden gevestigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.3</nr><titel>Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door
                                    burgemeester en wethouders in het belang van de voorkoming van
                                    gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek
                                    toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of
                                    overlast kan veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijk doel middelen als bedoeld
                                in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar,
                                al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Openlijk drugsoverlast</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek
                                    toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw,
                                    middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te
                                    gebruiken, tot te dienen, dan wel voorbereidingen daarvoor te
                                    verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of
                                    stoffen voorhanden te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op voorwerpen of activiteiten
                                    die in het belang van de volksgezondheid, in het bijzonder de
                                    preventie, de bestrijding van drugsverslaving, van overheidswege
                                    worden bevorderd of zijn goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het bovenstaande verbod geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht of de Opiumwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1 van de Algemene
                                plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9.1</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfs-matig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteren en de tot vertegenwoordiging van
                                        die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke
                                        persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een
                                        seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                                is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van
                                                artikel 6.2;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de
                                                seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk
                                                is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2 genoemde belangen kan het college
                                over de uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                                vaststellen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2:</nr><titel>Seksinrichtingen, straatsprostitutie, sekswinkels e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                            ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en</al></li><li nr="c."><al>heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en
                                    de beheerder niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van
                                            Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of
                                            met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van
                                            Strafrecht ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld
                                            tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden
                                            of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse
                                            Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter
                                            wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een
                                            bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                            eerste lid, van het Wetboek van strafvordering is
                                            toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee
                                            rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
                                            een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,00 of meer of
                                            tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht,
                                            wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                  Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                  Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b,
                                                  242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273F, 300 tot
                                                  en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429auter en 453
                                                  van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede
                                                  artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163
                                                  van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en
                                                  30b van de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                  weerkorpsen;</al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                  munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                    gelijkgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in
                                            artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van
                                            Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de
                                            Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom
                                            minder dan € 375,00 bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                            straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van beslissing op de aanvraag van de
                                            vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf
                                            de datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten of waarvan de vergunning als bedoeld
                                    in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk
                                    is dat hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                    verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met donderdag tussen 24:00 en 05:00
                                            uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 02:00 en 05:00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als
                                    bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel3.2.4, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor
                                    zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de
                                    op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                    belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit
                                    hoofdstuk, kan het bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste
                                            of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet
                                            tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting
                                            bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder
                                            geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven
                                            tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en
                                            XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van
                                            Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en
                                            munitie en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in
                                            strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
                                            vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen
                                            of gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                            tijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde
                                    belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich
                                    bevinden op de wegen en tijden als bedoeld in het eerste lid,
                                    het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde
                                    richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste één maal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.7</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.8</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende
                                            heeft bekend-gemaakt dat de wijze van tentoonstellen,
                                            aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd
                                            bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de
                                            woon- en leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3:</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen
                                    twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.2</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 3.2.2 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of
                                            het escortbedrijf in strijd is met een geldende
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li><li nr="d."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de
                                            vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel
                                            de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6,
                                            eerste lid, worden geweigerd in het belang van de
                                            arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4:</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.1</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de
                                    vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.2</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.2.1, tweede lid,
                                    onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                    feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen
                                    een week na de feitelijke beëindiging van het beheer
                                    schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit als bedoeld in het tweede lid kan
                                    het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluid- en lichthinder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover
                                        die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebuikt
                                        of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken
                                        van ten minste 11 m<sup>2</sup>.</al></li><li nr="h."><al>HRMI-99: Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van
                                        het ministerie van VROM, uitgave 1999.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                    van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                    sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                    eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college
                                    per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten
                                    gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het
                                    begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                    redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond
                                    als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau Leq,T veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan: 80 dB(A) én 95 dB(C),
                                    gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van
                                    extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de
                                    artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - zondag tot en met
                                    donderdag uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd en op
                                    zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht
                                    (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het
                                    buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra
                                    muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen
                                    2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 23:00 uur
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college
                                    afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidnormen en van de
                                    in het zevende en achtste lid bepaalde eindtijden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen het bebouwde
                                    gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten,
                                    behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of
                                    goederen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 6 incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                    het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de
                                    inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 6
                                    incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer
                                    aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel
                                    4.113 , eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits
                                    de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
                                    aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                    kennisgeving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                    ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                    college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                    incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                    was, terstond toestaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het equivalente geluidsniveau Leq,T veroorzaakt door de
                                    inrichting, bedraagt niet meer dan: 80 dB(A) én 95 dB(C),
                                    gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente
                                    geluidniveau Leq,T veroorzaakt door de inrichting, niet meer
                                    bedragen dan 60 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de
                                    woning.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen het
                                    bebouwde gedeelte van de inrichting, ten gehore brengen van
                                    extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de
                                    artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit - zondag tot en met
                                    donderdag uiterlijk om 24.00 uur te worden beëindigd en op
                                    zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht
                                    (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore
                                    brengen van extra muziek op het buitenterrein van de inrichting
                                    - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17,
                                    2.19 en 2.20 van het Besluit - uiterlijk om 23:00 uur
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen het bebouwde
                                    gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten,
                                    behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of
                                    goederen.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De drijver van de inrichting waar een incidentele festiviteit
                                    plaatsvindt, licht omwonenden binnen een straal van vijftig
                                    meter uiterlijk 48 uur voor het begin van de festiviteit in over
                                    de voorgenomen festiviteit op de wijze zoals is aangegeven op
                                    het meldingsformulier.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Het gebruik van een aanwezige omroepinstallatie beperkt zich tot
                                    het aankondigen van het starten en beëindigen van wedstrijd- of
                                    feestonderdelen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.4</nr><titel>Wijze van geluidmeten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Metingen en berekeningen ter controle van voornoemde
                                    geluidniveaus vinden plaats overeenkomstig de HRMI-99.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In tegenstelling tot de HRMI-99 wordt geen correctie voor
                                    herkenbaar muziekgeluid toegepast, wordt geen
                                    bedrijfsduurcorrectie toegepast, wordt niet gecorrigeerd voor
                                    gevel- of andere reflecties en vindt geen correctie ten aanzien
                                    van de nagalmtijd plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In tegenstelling tot de HRMI-99 mogen metingen ook uitgevoerd
                                    worden met een, volgens de specificaties van IEC-publicatie 651:
                                    1979, type 2 geluidniveaumeter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van
                                    minimaal 1,5 m en maximaal 2 m boven plaatselijk maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In geval het geluidniveau op een geluidgevoelig gebouw wordt
                                    vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van
                                    het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten
                                    slechts op de hoger gelegen etages aanwezig zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.5</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te
                                    hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden om te laden en te lossen tussen 23:00 uur in de
                                    avond en 07:00 uur in de morgen, behoudens op marktdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    bepaalde ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    geluidhinder, de Zondagswet, het Vuurwerk-besluit, of de
                                    Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.1</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door burgemeester en wethouders ten behoeve
                                van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst
                                aangewezen weggedeelte een voertuig te parkeren of enig ander
                                voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide
                                tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.2</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.3</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan:</al><al>Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin
                                van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht
                                is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.2</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde artikel 1 lid 8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van: </al><lijst><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap:</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een dorpsgezicht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3.3</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel
                                    4.3.2, eerste lid, niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 1 lid 8 en artikel 4.3.2. vierde
                                    lid.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van flora en fauna</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.1</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.2</nr><titel>Beschermde planten; hout sprokkelen</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4.3</nr><titel>Bescherming broedvogels</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen buiten een inrichting in de
                                    zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg
                                    gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij
                                    nader aangeduide voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen
                                    of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door
                                    hen gestelde regels:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                            dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                            gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van
                                            vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of
                                            ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                            metalen;</al></li><li nr="e."><al>afvalstoffen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op een door burgemeester en wethouders krachtens
                                    het eerste lid aangewezen plaats en door hen aangeduid voorwerp
                                    of stof:</al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, dan
                                            wel</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders
                                            dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                            regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke
                                    Ordening of de Verordening Bescherming Landschap en Natuur
                                    Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.1A</nr><titel>Stankoverlast door verspreiding van meststoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dierlijke meststoffen: meststoffen als bedoeld in
                                            artikel 1 van de Meststoffenwet;</al></li><li nr="b."><al>emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de
                                            wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik
                                            meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande
                                            echter dat onder 3, punt a, onder 2e gelezen moet
                                            worden: “tijdens het uitrijden van de dierlijke mest
                                            deze gelijktijdig wordt ondergewerkt”;</al></li><li nr="c."><al>grond: bouwland, maïsland en grasland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is
                                    het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te
                                    brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag,
                                    zondag en op de volgende feest- en gedenkdagen: nieuwjaarsdag,
                                    eerste en tweede paasdag, Hemelvaartsdag, eerste en tweede
                                    pinksterdag, eerste en tweede kerstdag en de dag waarop de
                                    verjaardag van de koningin wordt gevierd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt
                                    aangewend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de in
                                    het tweede lid gestelde verboden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in
                                    volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat
                                    verkeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.2</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5.3</nr><titel>Lichtreclame</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b,
                                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen en trams;</al></li><li nr="2."><al>fietsen en bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>gehandicaptenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                                verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                                voertuigen, rolstoelen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan
                                        gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot
                                        het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor
                                        het onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                            toevertrouwd op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                            een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer
                                            voertuigen, dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                            lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                            personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                            worden verricht die in totaal niet meer dan een uur
                                            vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en
                                            gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in
                                            het eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2A</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen
                                    wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het
                                    kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                                    verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    bedoelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch
                                    in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk
                                    verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan,
                                    magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk
                                    voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of
                                    mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                            plaatsen of te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats
                                            te parkeren, waar dit naar hun oordeel schadelijk is
                                            voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wegenverordening Zuid-Holland of de Verordening Bescherming
                                    Landschap en Natuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handels-reclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,40 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders
                                    aangewezen plaats, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor
                                    het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit parkeren
                                    naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                    de beschikbare parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede
                                    lid gestelde verboden ontheffing verlenen.</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor
                                            het uitvoeren van werkzaamheden, waarvoor de
                                            aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk
                                            is;</al></li><li nr="b."><al>op de daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen
                                            parkeergelegenheden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.9</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te
                                    parkeren daar waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen
                                    gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.10</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden
                                    door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of
                                    plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                    groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 5.1.1, onder a;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter
                                            uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de
                                            overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen waarmede standplaats wordt of is ingenomen
                                            op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel
                                            zijn bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.11</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op de weg gelegen plaatsen
                                    aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel
                                    ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden
                                    is fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde
                                    ruimten of plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in
                                    onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                    verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren, venten, standplaatsen en snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Inzameling van geld of goed</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    een openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                    daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of
                                    gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen op of aan de weg, aan huis dan wel op
                                    een andere voor het publiek toegankelijke en in de open lucht
                                    gelegen plaats, dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege
                                            degene die dit doet ter exploitatie van zijn winkel als
                                            bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen als bedoeld in het eerste lid op jaarmarkten en
                                            markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                            van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in
                                            artikel 5.2.4 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                            goederen als bedoeld in het eerste lid op een
                                            standplaats als bedoeld in artikel 5.2.3.1 van deze
                                            verordening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.2</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid en de volksgezondheid in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zondagen en maandag t/m zaterdag
                                    tussen 19.00 uur en 07.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                    Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2.3</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5.2.2.2 geldt niet voor venten met
                                    gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vrijheid van meningsuiting
                                    als bedoeld in het eerste lid beperken door een verbod in te
                                    stellen:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan door burgemeester en wethouders aangewezen
                                            wegen of gedeelten daarvan, en/of</al></li><li nr="b."><al>voor bepaalde dagen en uren</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
                                    verbod van het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                    een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het
                                    publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop
                                    aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins
                                    aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend
                                    van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een
                                    tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaatsen wordt niet verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in
                                            artikel 160, eerste lid onder h van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel
                                            2.2.1;</al></li><li nr="c."><al>vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel
                                            5.2.4.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.2</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders
                                    een standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
                                            redelijke welstand;</al></li><li nr="b."><al>vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.3</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.4</nr><titel>Afbakeningsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5.2.3.2, eerste lid, geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                    Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond overlast geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5.2.3.2, tweede lid onder b,
                                    geldt niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3.5</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders houden de aanvraag om een
                                standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit betreft
                                waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet
                                milieubeheer is vereist en indien geen toepassing kan worden gegeven
                                aan het tweede lid, tot de dag waarop is beslist op de aanvraag om
                                een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 Wet milieubeheer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester:</al><lijst><li nr="a."><al>in of op een – al dan niet met enige beperking – voor
                                            het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te
                                            organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige
                                            goederen worden verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te
                                            geven dat in of op een – al dan niet met enige beperking
                                            – voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een
                                            kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel
                                            standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan
                                            publiek aan te bieden, te verkopen of te
                                            verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten
                                    die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en
                                    voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de
                                    Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning als
                                    bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van een
                                    krachtens de Gemeentewet ingestelde markt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.1</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een
                                    voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar
                                    water te plaatsen, aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                    constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in de
                                    daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                        Telecommunicatieverordening<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2</nr><titel>(vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2A</nr><titel>Ligplaats vaartuig, niet zijnde een woonschip, langer dan 8
                                    meter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig, niet zijnde een woonschip,
                                    langer dan 8 meter, aan te leggen of af te meren buiten de door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen wateren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van aanleggen of afmeren indien op enig moment een
                                    vaartuig vastgelegd of geplaatst wordt bij of aan een oever,
                                    meerpaal, aanlegsteiger of enig ander object in het water of op
                                    de wal.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het aanleg- en ligplaatsverbod is niet van toepassing voor een
                                    vaartuig waarvan de eigenaar tevens de rechtmatige bewoner
                                    (eigenaar of huurder) is van een oeverperceel dat direct grenst
                                    aan het water waar met het vaartuig de betreffende plaats wordt
                                    ingenomen. Deze ontheffing geldt voor maximaal 2 vaartuigen per
                                    eigenaar of huurder van een oeverperceel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerst en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                    de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door Wet
                                    milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Vaar-wegenverordening Zuid-Holland of
                                    de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.2B</nr><titel>Ligplaats vaartuig, niet zijnde een woonschip, korter dan 8
                                    meter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder een vaartuig, niet zijnde een woonschip, korter dan 8
                                    meter, wordt in deze verordening mede verstaan een vaartuig
                                    bestemd voor de pleziervaart, waaronder begrepen kano’s, open
                                    roei- en visboten en andere houten, rubber of kunststof
                                    vaartuigen of anderszins bevaarbaar vaartuig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is alleen toegestaan met een vaartuig (niet zijnde een
                                    woonschip, korter dan 8 meter) aan te leggen of af te meren aan
                                    de voor dit doel aangelegde openbare passantensteigers in de
                                    openbare wateren in Oegstgeest of binnen de door burgemeester en
                                    wethouders aangewezen wateren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Er is sprake van aanleggen of afmeren indien op enig moment een
                                    vaartuig vastgelegd of geplaatst wordt bij of aan een oever,
                                    meerpaal, aanlegsteiger of enig ander object in het water of op
                                    de wal.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen aan
                                    de openbare steigers.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er is sprake van het innemen van een ligplaats indien langer dan
                                    twee dagen achtereen met een vaartuig aangelegd wordt. Een
                                    vaartuig wordt geacht gedurende langer dan twee dagen achtereen
                                    ligplaats te hebben ingenomen indien tussen de eerste en tweede
                                    maal van aantreffen van dat vaartuig ter plaatse ten minste twee
                                    dagen en ten hoogste vier dagen zijn verstreken. Een vaartuig
                                    wordt geacht op dezelfde ligplaats te zijn gebleven indien dat
                                    vaartuig om de dag wisselend aan een andere publieke steiger
                                    wordt aangetroffen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden om met meer dan één vaartuig aan te leggen aan
                                    een openbare aanlegsteiger.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het aanleg- en ligplaatsverbod is niet van toepassing voor een
                                    vaartuig waarvan de eigenaar tevens de rechtmatige bewoner
                                    (eigenaar of huurder) is van een oeverperceel dat direct grenst
                                    aan het water waar met het vaartuig de betreffende plaats wordt
                                    ingenomen. Deze ontheffing geldt voor maximaal twee vaartuigen
                                    per eigenaar of huurder van een oeverperceel.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het aanlegverbod is tevens niet van toepassing indien de
                                    eigenaar van het water of een bewoner (eigenaar of huurder) van
                                    een oeverperceel een derde toestemming verleent om daar
                                    gedurende maximaal acht uur aan te leggen, mits daar geen
                                    overlast voor de omwonenden door ontstaat.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het in het tweede, derde, vierde en vijfde lid bepaalde geldt
                                    niet voor zover de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Vaarwegenverordening Zuid-Holland of
                                    de Verordening watergebieden en pleziervaart Zuid-Holland van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.3</nr></kop><al>(vervallen) </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.4</nr></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.5</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 350
                                    Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.6</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.7</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt verboden zich zodanig te gedragen dat het
                                    scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Vaarwegenverordening
                                    Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.8</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.1</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor
                                    het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is.
                                    Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik
                                    van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de
                                            in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van
                                            het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Besluit geluidsproductie sportmotoren of de Wet
                                    geluidhinder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.2</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of een bromfiets
                                    als bedoeld in artikel 1, onder i, van het Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een
                                    paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor
                                    het in het het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing
                                    is. Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het
                                    gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>In het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>In het belang van de bescherming van natuur- of
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>In het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers
                                    of berijders van paarden:</al><lijst><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                            hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                            lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                                            1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat
                                            aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                            exploitatie van de door burgemeester en wethouders
                                            aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken welke
                                            krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
                                            uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van
                                            percelen gelegen binnen de door burgemeester en
                                            wethouders aangewezen plaatsen;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de
                                            verzorging van de onder d bedoelde personen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b,
                                            van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                            ‘Stiltegebieden’ aangewezen stiltegebieden, ten aanzien
                                            van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening
                                            zijn aangewezen als ‘toestel’. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in
                                    het eerste lid gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.1</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien
                                            geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen
                                            gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                            oplevert;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.1</nr><titel>Asvertrooiing</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.2</nr><titel>Incidentele asverstrooiing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is slechts toegestaan op door
                                    burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit nemen waarin de
                                    plaatsen genoemd in het eerste lid voor een bepaalde termijn
                                    worden onttrokken aan de mogelijkheid voor asverstrooiing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen op verzoek van de nabestaande
                                    die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere
                                    omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod voor het
                                    verstrooien op andere plaatsen dan de in het eerste lid
                                    aangewezen plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.3</nr><titel>Hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de in deze verordening
                                opgenomen artikelen en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                                hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan
                                bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                                uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de artikelen 2.1.5.1,
                                2.1.5.2 en 2.1.5.3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1A</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast: de politie, parkeercontroleurs, de
                                gemeentelijke opsporingsambtenaren, de milieucontroleurs en de
                                marktmeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de door burgemeester en wethouders
                                dan wel de burgemeester aangewezen personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr></kop><al>Gereserveerd</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die waarop
                                zij is bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op die datum komt de Algemene Plaatselijke Verordening, laatstelijk
                                vastgesteld door de raad op 27 januari 2005, te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Overgangsbepaling algemeen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen – hoe ook genaamd – verleend krachtens
                                verordeningen als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven –
                                indien en voor zover het gebod of verbod waarop de vergunning of
                                ontheffing betrekking heeft ook vervat is in deze verordening en
                                voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken – nog
                                gedurende 53 weken na de inwerkingtreding van deze verordening van
                                kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen als
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, blijven – indien en voor zover
                                de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn
                                opgelegd ook zijn vervat in deze verordening en voor zover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken – nog gedurende 53 weken na de
                                inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om een vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – op
                                grond van een verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, is
                                ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de
                                overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep- of bezwaarschrift betreffende een
                                vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking als bedoeld in het tweede lid dat voor of
                                na het tijdstip als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, is ingekomen
                                binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met
                                toepassing van de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing – hoe ook genaamd – van kracht, totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het bepaalde in artikel 6.1 is niet van toepassing op gebods- of
                                verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is
                                krachtens deze verordening en niet voorkomen in de verordening als
                                bedoeld in artikel 6.4, tweede lid:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende dertien weken na het in werking treden van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a bepaalde termijn, voor zover degene die de
                                        vergunning of ontheffing nodig heeft binnen deze termijn een
                                        aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze
                                        aanvraag is beslist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De intrekking van de verordening als bedoeld in artikel 6.4, tweede
                                lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die
                                verordening genomen nadere regels en aanwijzingsbesluiten, indien en
                                voor zover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn
                                gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Aanhalingstitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel: “Algemene
                            Plaatselijke Verordening”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 22 november 2007.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd.</al><lijst><li nr="a."><al><vet>weg</vet></al><al>Verschillende bepalingen in deze verordening hebben betrekking op
                            (verboden) gedragingen "op of aan de weg". De term "aan de weg" duidt
                            begripsmatig op een zekere nabijheid ten opzichte van de weg. Daaronder
                            vallen bijvoorbeeld voortuinen van huizen en andere open ruimtes die aan
                            de weg zijn gelegen. Daaronder valt echter niet wat zich binnenshuis
                            bevindt of afspeelt.</al></li><li nr="b."><al><vet>openbaar water</vet></al><al>Een "openbaar water" in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is
                            ieder water, dat voor enig gebruik open staat voor het publiek.
                            "Openbaar" is hier dus synoniem aan "feitelijk voor het publiek
                            toegankelijk".</al></li><li nr="c."><al><vet>bebouwde kom</vet></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is (of kan)
                            beperkt (zijn) tot de bebouwde kom.</al><al>Voor het begrip "bebouwde kom" kan aangesloten worden bij de aanwijzing
                            van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, lid 2,
                            van de Wegenwet. </al></li><li nr="d."><al><vet>rechthebbende</vet></al><al>De rechthebbende naar burgerlijk recht.</al></li><li nr="e."><al><vet>voertuigen</vet></al><al>De verwijzing naar artikel 1, onder a en onder al (aa el), van het RVV
                            1990 voorkomt verwarring over de inhoud van het begrip voertuigen. In
                            artikel 1, onder a, worden aanhangwagens gedefinieerd als: voertuigen
                            die door een voertuig worden voortbewogen of kennelijk bestemd zijn om
                            aldus te worden voortbewogen, alsmede opleggers. In artikel 1, onder al,
                            worden als voertuigen genoemd: fietsen, bromfietsen,
                            invalidenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens. De APV zondert
                            van deze voertuigen uit: a. treinen en trams en b. kruiwagens,
                            kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.</al></li><li nr="f."><al><vet>vaartuigen</vet></al><al>Als voorbeelden van hier bedoelde vaartuigen kunnen worden genoemd:
                            baggerwerktuigen, bokken, kranen, elevators en zeilplanken (HR
                            04-04-1980, NJ 1980, 35).</al></li><li nr="h."><al><vet>bouwwerk</vet></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1 van de
                            (Model-)bouwverordening.</al></li><li nr="i."><al><vet>gebouw</vet></al><al>Deze omschrijving is ontleend aan artikel 1, onder c, van de Woningwet.
                            Aangezien de aanhef van artikel 1 van de Woningwet de definitie van
                            gebouw beperkt tot de toepassing van het bij of krachtens de Woningwet
                            bepaalde, is in de APV een(zelfde) definitie opgenomen.</al></li><li nr="j."><al><vet>vee</vet></al><al>Voor de uitleg van het begrip vee is aangesloten bij de Meststoffenwet.
                            In Bijlage A van deze wet worden als diersoorten genoemd: rundvee,
                            varkens, kippen, kalkoenen, schapen, vossen, nertsen, geiten, eenden,
                            konijnen en parelhoenders.</al><al>In 2002 is de aparte definitie voor pluimvee geschrapt omdat deze
                            definitie voor de APV geen relevantie heeft.</al></li><li nr="k."><al><vet>handelsreclame</vet></al><al>Onder het begrip "reclame" dient te worden verstaan: iedere vorm van
                            openbare aanprijzing van goederen en diensten. Door dit te beperken tot
                            "handelsreclame" heeft de in het vierde lid geformuleerde uitzondering
                            slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden in de ruime
                            zin des woords en omvat zij elk aanbod van goederen en diensten maar is
                            zij niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 1.2 Beslistermijn</tussenkop><al>Het uitgangspunt van artikel 4:13 van de Awb is dat in het wettelijk voorschrift
                    de termijn aangegeven wordt waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden.
                    Op deze wijze kan worden nagegaan wat voor iedere situatie een goede
                    beslistermijn is. De beslistermijn is vastgesteld op acht weken (eerste lid). </al><tussenkop>Artikel 1.3 Indiening aanvraag</tussenkop><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel ("kan") laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Met het oog op de vergunningen die niet
                    binnen drie weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid
                    geschapen om de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht
                    weken.</al><tussenkop>Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen</tussenkop><al>Ofschoon in literatuur en jurisprudentie algemeen het standpunt wordt gehuldigd
                    dat de bevoegdheid tot het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is
                    in die gevallen waarin het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing
                    ter vrije beslissing staat van het beschikkende orgaan, verdient het uit een
                    oogpunt van duidelijkheid en ter uitsluiting van elke twijfel aanbeveling deze
                    bevoegdheid uitdrukkelijk vast te leggen in de regeling, ter uitvoering waarvan
                    vergunning of ontheffing wordt verleend. Daarbij dient tevens - ten overvloede -
                    te worden aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter
                    bescherming van de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of
                    ontheffing is gesteld. Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of
                    ontheffing verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning
                    of ontheffing dan wel voor toepassing van andere administratieve sancties.</al><tussenkop>Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>Persoonlijk wordt de vergunning genoemd, indien de mogelijkheid van verkrijging
                    uitsluitend of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager
                    (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma of een bewijs
                    van onbesproken levensgedrag). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet
                    overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend
                    hiertoe de mogelijkheid biedt.</al><tussenkop>Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</tussenkop><al>De in het eerste lid genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden hebben een
                    facultatief karakter ("kan").</al><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt
                    overgegaan.</al><al>Met name het rechtzekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de
                    bevoegdheid tot wijziging en intrekking.</al><al>Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken
                    of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun
                    bedenkingen in te dienen als wordt voldaan aan artikel 4:8 Awb.</al><tussenkop>Artikel 1.7 Termijnen</tussenkop><al>Eerder kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een krachtens
                    het model verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden konden
                    bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden verlengd. Het
                    moge duidelijk zijn dat er een forse administratieve lastenvermindering plaats
                    heeft als een vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd wordt verleend. Ook
                    toetsing aan de Europese Dienstenrichtlijn leidt tot deze eis. Artikel 11 van de
                    Dienstenrichtlijn stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen
                    hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen
                    afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal
                    beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen
                    belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van
                    algemeen belang.</al><al>Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. </al><tussenkop>Artikel 1.8 Weigeringsgronden</tussenkop><al>Vergunningstelsels zijn in deze APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling
                    om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning. In het kader van
                    deregulering en vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de
                    weigeringsgronden gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid
                    binnen de APV is ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te
                    benoemen. Alleen indien er voor een vergunning meer weigeringsgronden zijn dan
                    de in artikel 1.8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. De
                    weigeringsgronden zijn geheel overeenkomstig de eisen van de Europese
                    Dienstenrichtlijn geformuleerd.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Openbare orde</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg</tussenkop><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen geleiden. De diverse
                    functies van de straat, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten,
                    vraagt om een scheiding dan wel regulering van het gebruik. Het gebruik van de
                    weg is geregeld in de paragrafen 1 tot en met 4, terwijl de bruikbaarheid door
                    middel van paragraaf 5 gereguleerd is. In paragraaf 6 ten slotte zijn bepalingen
                    opgenomen aangaande de veiligheid op de weg.</al><tussenkop>Artikel 2.1.1.1 Samenscholing en ongeregeldheden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip 'samenscholing' is ontleend aan artikel 186 WvSr "Hij die opzettelijk
                    bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het
                    derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, wordt, als schuldig aan
                    deelneming aan samenscholing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie
                    maanden of geldboete van de tweede categorie." Zie hierover de in het commentaar
                    bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.</al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. In het
                    vijfde lid is dit dan ook gebeurd. <vet>Tweede lid</vet></al><al>Aan de politieambtenaar mag slechts een begrensde 'bevoegdheid' (tot het geven
                    van aanwijzingen e.d.) worden gegeven, namelijk om in die gevallen dat iets voor
                    regeling in bijzonderheden niet vatbaar is, naar gelang van de omstandigheden
                    ter plaatse te beoordelen of de in de desbetreffende APV bepaling verboden
                    toestand feitelijk aanwezig is. De aanwijzing, last e.d. vormt een voorwaarde
                    voor de toepasselijkheid van de strafbepaling; zij is bestanddeel van het
                    strafbare feit. Artikel 2 draagt aan de politie de daadwerkelijke handhaving van
                    de rechtsorde op, waaronder blijkens artikel 12 de handhaving der openbare orde
                    begrepen is. Deze bevoegdheid wordt in feite herhaald als van een gemeentelijke
                    strafbepaling een aanwijzing.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2.1 Optochten</tussenkop><al>Met het oog op het vereenvoudigen van de APV is dit artikel opgenomen onder de
                    evenementenbepaling (artikelen 2.2.1 en 2.2.2). </al><tussenkop>Artikel 2.1.2.2 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</tussenkop><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM). De WOM beoogt een eenvormige regeling te geven voor de
                    activiteiten die onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 Grondwet vallen.
                    Het gaat daarbij om betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden
                    van godsdienst of levensovertuiging voor zover die op openbare plaatsen gehouden
                    worden.</al><al>In artikel 1 van de Wet openbare manifestaties wordt in het eerste lid "openbare
                    plaats" gedefinieerd als: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik
                    openstaat voor het publiek. </al><al>Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan van een betoging worden
                    gesproken als: een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan
                    niet in beweging, en de groep er op uit is een mening uit te dragen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In verband met het streven naar deregulering en het formuleren van duidelijke
                    regels, is artikel 1.7 geschrapt en het derde lid toegevoegd. Een inhoudelijke
                    wijziging is daarmee niet beoogd. Artikel 145 van de Gemeentewet bepaalt dat de
                    Algemene Termijnenwet van overeenkomstige toepassing is op termijnen in
                    gemeentelijke verordeningen, tenzij in de verordening anders is bepaald. Het
                    derde lid bevat zo'n afwijkende bepaling, die voorkomt dat afhandeling op
                    zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na
                    12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren
                    voor beoordeling en besluitvorming te beschikken </al><tussenkop>Artikel 2.1.2.3 Afwijking termijn</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.1.2.4 Te verstrekken gegevens</tussenkop><al>De onder a tot en met f genoemde onderdelen van de kennisgeving zijn essentieel
                    voor de beoordeling door de burgemeester. Eventueel kan hiervoor een formulier
                    worden vastgesteld. </al><tussenkop>Artikel 2.1.3.1 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                    stukken of afbeeldingen</tussenkop><al>Gekozen is voor een opzet, waarbij de verspreiding is toegestaan behalve op of
                    aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Tevens biedt het
                    tweede lid de mogelijkheid om het verbod voor die wegen nog weer te beperken tot
                    nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de
                    bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen.
                    Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig
                    gebruik maken dat er 'geen gebruik van enige betekenis' overblijft.</al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2.1.3.1. </al><al>Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. De verkopers moeten in het
                    bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen
                    aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4.1 Feest, muziek en wedstrijd e.d</tussenkop><al>Vervallen. </al><al>Met het oog op het vereenvoudigen van de APV is dit artikel opgenomen onder de
                    evenementenbepaling (artikelen 2.2.1 en 2.2.2). </al><tussenkop>Artikel 2.1.4.2 Dienstverlening</tussenkop><al>Vervallen. </al><al>Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep,
                    de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld
                    verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Het dienstverleningsartikel is
                    geschrapt vanwege het streven naar vermindering van administratieve lasten voor
                    ondernemers en het bedrijfsleven (deregulering). Het risico van overlast of
                    verstoring van de openbare orde en zedelijkheid is immers niet groot bij deze
                    vormen van dienstverlening. </al><al>Kort samengevat: De risico’s van het schrappen van het vergunningstelsel afgezet
                    tegen het aanzienlijke voordeel van vermindering van administratieve lasten voor
                    dienstverleners en gemeenten - immers er hoeft geen vergunning meer aangevraagd
                    te worden - heeft doen kiezen voor het niet meer opnemen van het artikel.</al><tussenkop>Artikel 2.1.4.3 Straatartiest</tussenkop><al>Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2.2.1. Echter het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is dat niet. Daarom is alsnog
                    de straatmuzikant onder artikel 2.1.4.3 gebracht.</al><al>De motieven om wegen of gedeelten van wegen aan te wijzen zijn: dwingende
                    redenen van algemeen belang, hetgeen omvat: openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu. </al><tussenkop>Artikel 2.1.5.1 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd
                    met de publieke functie van de weg</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of containers.</al><al>In het kader van de deregulering en de vermindering van administratieve lasten
                    is ervoor gekozen de vergunningplicht in dit artikel te laten vervallen. Er is
                    (in navolging van de VNG) een breed gestelde algemene regel opgenomen in plaats
                    van het voorheen bestaande vergunningsstelsel. Een bijkomend voordeel van een
                    algemeen verbod is dat een aantal “losse” bepalingen waarin specifieke
                    handelingen worden verboden, kunnen vervallen:</al><al>2.1.6.3. hinderlijke beplanting of voorwerp: eigenlijk was dit al een algemeen
                    “voorwerpverbod” en 2.1.6.7. gevaarlijk of hinderlijk voorwerp </al><al>Aangenomen mag worden dat een te beperkend beleid met betrekking tot
                    reclameconstructies op grond van artikel 2.1.5.1 niet als redelijk kan worden
                    gekwalificeerd. Immers, dit kan betekenen dat er in feite geen mogelijkheid van
                    enige betekenis tot gebruik van het middel van verspreiding en bekendmaking zou
                    overblijven Volgens jurisprudentie kunnen wel beleidscriteria in de vorm van
                    restricties voor wat betreft het aantal vergunningen (al dan niet per aanvrager
                    per jaar), en de locatie en duur van elke vergunning worden gesteld. Dit beleid
                    kan worden onderbouwd met behulp van een politierapport of welstandsadvies.</al><tussenkop>Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                    weg</tussenkop><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel zou kunnen worden
                    opgeheven. Er is voor gekozen de vergunningplicht te laten bestaan, omdat het in
                    verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen niet gewenst is
                    dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of veranderingen hierin
                    aanbrengen. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Aan artikel 2.1.5.2 ligt de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering
                    van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die
                    weg ten grondslag.</al><al>Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst
                    zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Voorkomen kan dan worden
                    dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor - door de latere aanleg van
                    zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en
                    gasvoorziening en verlichting - de bruikbaarheid van die weg gedurende lange
                    tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten
                    meebrengt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Omdat voor de toepassing van dit artikel o.a. het begrip ‘weg’ uit de
                    Wegenverkeerswet 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor de aanleg,
                    verandering enz. van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.
                    Dit betekent dat in beginsel de vergunningsplicht ook geldt voor de zogenaamde
                    ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Ook voor deze
                    wegen is het namelijk wenselijk dat ten behoeve van de bruikbaarheid daarvan
                    voor brandweer, ambulance e.d. voorschriften gesteld kunnen worden over de wijze
                    van verharding, breedte e.d.</al><al>Die wenselijkheid is ook aanwezig voor wegen die bijvoorbeeld aangelegd worden
                    op grote bedrijfsterreinen. Daarvoor is in het tweede lid dan ook de toevoeging
                    ‘alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van gebouwen’ opgenomen. De plicht
                    om gebouwen door middel van een verbindingsweg op het openbaar wegennet aan te
                    sluiten, staat in artikel 37 model Bouwverordening. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van
                    hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan
                    worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMVB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 2.1.5.2 een vergunning nodig hebben
                    voor het leggen van leidingen e.d. in een weg. Dat is niet zo voor
                    telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde
                    telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en
                    omroepnetwerken). Voor deze werken wordt een regeling getroffen in de
                    Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde (gemeentelijke)
                    Telecommunicatieverordening.</al><tussenkop>Artikel 2.1.5.3 Maken, veranderen van een uitweg</tussenkop><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bezien of de vergunningplicht in deze bepaling eventueel zou kunnen worden
                    opgeheven. In veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder
                    meer gebeuren zonder dat dit problemen oplevert. Er is toch voor gekozen de
                    vergunningplicht te handhaven om ongewenste uitritten zoveel mogelijk te
                    voorkomen. De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn gevaar of hinder
                    voor het wegverkeer ter plaatse, het gebruik van een bestaande openbare
                    parkeerplaats of de bescherming van openbare groenvoorzieningen. Artikel 2.1.5.3
                    beoogt te voorkomen dat iedereen op willekeurige plaatsen uitwegen creëert. Dat
                    zou de bruikbaarheid van de weg (bijvoorbeeld parkeerruimte aan de kant van de
                    weg) te veel belemmeren. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Een vergunning kan worden geweigerd indien door het realiseren ervan:</al><al>gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter
                    plaatse;</al><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of
                    dreigt te worden gemaakt;</al><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden
                    geschaad.</al><al>Het uiterlijk aanzien van de omgeving wordt geschaad of dreigt te worden
                    geschaad.</al><al>De bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente kan bijvoorbeeld gebruikt
                    worden om het maken van een uitweg te verbieden als daarbij een (gedeelte van)
                    een gemeentelijk plantsoen moet wijken. Ook kunnen ter bescherming van
                    groenvoorzieningen voorschriften worden gesteld, zodat de groenvoorziening zo
                    min mogelijk wordt aangetast.</al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMVB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. </al><tussenkop>Paragraaf 2.1.6 Veiligheid op de weg</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 2.1.6.1 ziet op een verbod om tijdens vriezend weer een gevaarlijke
                    situatie te laten ontstaan. Als voorbeeld valt te noemen het wassen van de auto
                    op de openbare weg bij vriezend weer, waardoor plaatselijk een zeer gevaarlijke
                    situatie kan ontstaan.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. In artikel 427, aanhef en onder
                    4 , van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat met een geldboete van de
                    eerste categorie wordt gestraft hij die iets plaatst op of aan, of werpt of
                    uitgiet uit een gebouw, op zodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand
                    die van de openbare weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden.</al><al>Artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: Het is eenieder verboden zich
                    zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of dat het verkeer op
                    de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling tracht het 'zwerfkarrenprobleem' enigszins te verkleinen door de
                    winkelbedrijven te verplichten de door de consument gebruikte en achtergelaten
                    winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes een
                    herkenningsteken aan te brengen. Invoering van het muntsysteem leidt niet altijd
                    tot het gewenste resultaat. Om die reden gaan steeds meer gemeenten er toe over
                    om in hun APV bepaling een verbod jegens de burger op te nemen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp</tussenkop><al>In deze APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor het
                    plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel
                    2.1.5.1.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer
                    het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert.
                    Daarmee vervalt de noodzaak van het oude artikel.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Artikel 427, onder 1 en 3, Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar tot het
                    treffen van de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en
                    toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van
                    voorbijgangers.</al><al>De onderhavige APV bepaling gaat verder. Geopende kelderingangen e.d. blijven,
                    ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het
                    publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen e.d. kan hiermee
                    tegengegaan worden.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</tussenkop><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in
                    de gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. De periode waarin het rookverbod geldt, zou van 1 maart
                    tot 1 november kunnen zijn.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. In artikel 429, aanhef en onder
                    3, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald: Met hechtenis van ten hoogste
                    veertien dagen of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft: hij die door
                    gebrek aan de nodige omzichtigheid of voorzorg gevaar voor bos, heide-, helm-,
                    gras- of veenbrand doet ontstaan.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop><al>Vervallen.</al><al>In deze APV is het artikel waarin een vergunningsplicht was opgenomen voor het
                    plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel
                    2.1.5.1.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer
                    het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert.
                    Daarmee vervalt de noodzaak van het oude artikel.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De in het derde lid genoemde uitzonderingen hebben betrekking op situaties
                    waarbij het desbetreffende specifieke belang, waterstaatswerken,
                    verkeerslichtinstallatie, trafohuisjes en dergelijke, zich verzetten tegen het
                    aanbrengen van allerlei voorzieningen daarop.</al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn</tussenkop><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al><al>Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de
                    eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen
                    staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een
                    schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook
                    altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de
                    hoogspanningslijnen.</al><al>Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan
                    bevat artikel 2.1.6.10 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze
                    bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met
                    bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld
                    de hoogte van toe te laten gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV
                    op elkaar afgestemd zijn.</al><al>Deze bepaling is het complement op artikel 2.5.19 model Bouwverordening (MBV).
                    Artikel 2.5.19 MBV verbiedt het bouwen onder hoogspanningslijnen. Artikel
                    2.1.6.10 APV vult dit verbod aan voor andere objecten, zoals bijvoorbeeld
                    houtgewas, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn dan twee meter.</al><tussenkop>Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In artikel 2.2.1 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten
                    aanzien van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen
                    geldend criterium (’namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak’) wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de
                    werking van de bepalingen valt.</al><lijst><li nr="a."><al>In de eerste plaats is dit het geval bij bioscoopvoorstellingen. Deze
                            voorstellingen worden niet als evenement aangemerkt.</al></li><li nr="b."><al>Daarnaast gelden de bepalingen niet voor waren- en snuffelmarkten.
                            Indien het college op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder
                            h, van de Gemeentewet een (waren-)markt heeft ingesteld, kan de
                            gemeenteraad hiervoor regels vaststellen in een marktverordening.
                            Uitgebreide informatie over markten is te vinden onder de toelichting
                            bij artikel 5.2.4 en in de modelmarktverordening van de VNG.
                            Snuffelmarkten zijn specifiek geregeld in artikel 5.2.4 van de APV.</al><al>De Wet op de kansspelen kent een eigen toezichtregime.</al></li><li nr="c."><al>Dansen in een DHW-inrichting is uitgezonderd van het evenementenbegrip
                            omdat dit in het algemeen niet als een evenement kan worden gezien. Een
                            andere, meer incidenteel plaatsvindende activiteit dan het gelegenheid
                            geven tot dansen (bijv. het optreden van een band, een houseparty, of
                            een kooigevecht) kan wel als evenement worden aangemerkt. Zie verder
                            hieronder onder feest.</al></li><li nr="d."><al>Betogingen, samenkomsten en vergaderingen zijn al geregeld in de Wom.
                            Zie voor een toelichting op de Wom onder artikel 2.1.2.3.</al></li><li nr="e."><al>Onder f zijn ten slotte van de evenementenbepaling uitgezonderd 2.1.4.3
                            (Straatartiest) en 2.3.3.1 (Speelgelegenheden). Dit gebeurt uiteraard om
                            dubbele regelgeving te voorkomen. De artikelen 2.1.2.1 (optochten) en
                            2.1.4.2 (feest, muziek en wedstrijd, e.d.), zijn niet meer als
                            uitzondering opgenomen. Optochten, braderie, feest en wedstrijd op of
                            aan de weg vallen nu onder de reikwijdte van het evenementenbegrip
                            (artikel 2.2.2, tweede lid).</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Herdenkingsplechtigheid: omdat een herdenkingsplechtigheid doorgaans wel voor
                    publiek toegankelijk is, maar uiteraard niet als een verrichting van vermaak kan
                    worden aangemerkt, wordt ze als evenement genoemd.</al><al>Braderie: omdat een braderie van korte duur is en niet met een bepaalde
                    regelmaat terugkeert, kan deze activiteit niet als jaarmarkt of gewone markt
                    worden aangemerkt in de zin van artikel 160 Gemeentewet. Tevens valt deze
                    activiteit niet aan te merken als een snuffelmarkt in de zin van artikel 5.2.4,
                    van de APV. Omdat een braderie een voor publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is, is het een evenement.</al><al>Optochten: het houden van optochten, zoals carnavals- en Sinterklaasoptochten,
                    bloemencorso’s enz., die niet opgevat kunnen worden als een middel tot het uiten
                    van een mening of gedachten of gevoelens, valt niet onder de bescherming van de
                    Grondwet, het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM) of andere internationale verdragen die de vrijheid
                    van meningsuiting waarborgen. Evenmin is hierop de Wet openbare manifestaties
                    (Wom) van toepassing.</al><al>Feest, muziek: wanneer een feest voor publiek toegankelijk is, is er sprake van
                    een vergunningplichtige activiteit omdat het valt onder de reikwijdte van de
                    begripsomschrijving van artikel 2.2.1, eerste lid. Het feest kan als een voor
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak worden aangemerkt. Besloten
                    feesten daarentegen vallen niet onder de reikwijdte van de evenementenbepaling
                    omdat deze activiteit niet een voor het publiek toegankelijke verrichting van
                    vermaak is. Bijvoorbeeld bij het houden van een bedrijfsfeest waar aan de hand
                    van uitnodigingslijsten publiek aanwezig is, is er geen sprake van een voor het
                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak. Maar wanneer een feest een
                    ‘besloten’ karakter heeft en er publiekelijk kaarten worden verkocht en/of
                    reclame wordt gemaakt, is sprake van een evenement. De gemeente kan bij feesten
                    waarvoor geen vergunning nodig is, optreden wanneer deze bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd in ruimten strijdig met het bestemmingsplan. Ook in het kader van
                    de Wegenverkeerswet 1994 kan worden opgetreden in geval van parkeer- en
                    verkeersoverlast. Met betrekking tot geluidsoverlast kan op grond van de Wet
                    milieubeheer worden opgetreden.</al><al>Feesten die gehouden worden in horecagelegenheden en niet behoren tot de normale
                    bedrijfsvoering (bijvoorbeeld een optreden van een bekende disc-jockey of een
                    optreden van een bekende band) zijn op grond van artikel 2.2.2
                    vergunningplichtig. Wanneer een feest al dan niet besloten ‘op of aan de weg’
                    plaats vindt, is dit een vergunningplichtige activiteit omdat het plaats vindt
                    op doorgaans voor publiek toegankelijk gebied (zie voor het begrip ‘weg’ de
                    begripsomschrijving in artikel 1.1, onder a). Het feit dat het feest besloten
                    is, dus niet voor publiek toegankelijk, doet daar niets aan af. Voor het houden
                    van barbecue en/of straatfeesten is het tweede lid van artikel 2.2.2 opgesteld
                    als een algemene regel voor de eendaagse evenementen die in de buitenlucht
                    plaatsvinden.</al><al>Optreden van muziekkorpsen, muziekbandjes, etc. die voor iedereen toegankelijk
                    zijn (zowel in een inrichting als in de buitenlucht) vallen onder de
                    vergunningplicht van artikel 2.2.2.</al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid in een inrichting zijn opgenomen in het
                    Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Dit besluit zal
                    per 1 januari 2008 opgaan in het activiteitenbesluit milieubeheer. De artikelen
                    4.1.2 en 4.1.3 van de APV geven het college de bevoegdheid om ontheffing te
                    verlenen voor geluidshinder in een inrichting. Daarnaast is in artikel 4.1.4 van
                    de APV aangegeven dat de burgemeester een incidenteel feest kan verbieden indien
                    naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat of de openbare orde wordt verstuurd.
                    Deze bevoegdheid is niet gebaseerd op de Wet Milieubeheer maar is een autonome
                    aanvulling die voortvloeit uit artikel 149 jo artikel 174 van de
                    Gemeentewet.</al><al>Voorschriften met betrekking tot geluid buiten een inrichting kunnen op grond
                    van artikel 4.1.5 van de APV in de vergunning worden opgenomen. </al><al>Wedstrijd op of aan de weg: Voor wedstrijden op of aan de weg is een vergunning
                    van de burgemeester vereist, krachtens het bepaalde in het eerste lid, van
                    artikel 2.2.2 en artikel 2.2.1, tweede lid, onder d.</al><tussenkop>Artikel 2.2.2 Evenement</tussenkop><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeenten. Voor een goed
                    verloop van een evenement moeten verschillende belangen worden afgewogen en
                    duidelijke afspraken met de organisator worden gemaakt.</al><al>Het oude artikel 2.2.2 ging uit van een algeheel verbod op het organiseren van
                    een evenement, behalve als met een vergunning door de burgemeester werd
                    gehandeld of de burgemeester voor bepaalde categorieën evenementen een
                    vrijstelling had verleend.</al><al>Voor het organiseren van kleine evenementen zoals de barbecue en/of
                    straatfeesten is in het kader van de vermindering van administratieve lasten
                    voor de burger, maar ook het verhelderen en duidelijk omschrijven van het
                    eendaagse evenement gekozen voor het toepassen van een algemene maatregel. Het
                    moet gaan om kleinschalige activiteiten die zich in de openbare ruimte afspelen
                    met als doel vermaak en ontspanning te bieden. Het vervangen van
                    vergunningvoorschriften door algemene regels in combinatie met het doen van een
                    melding geeft organisatoren van een klein evenement meer vrijheid maar tegelijk
                    ook meer verantwoordelijkheid voor zorgvuldig gebruik van die openbare ruimte.
                    Hiermee is een begin gemaakt met het categoriseren van de evenementen. Het
                    streven is om evenementen in 3 categorieën onder te brengen, te weten 1. kleine,
                    2. middelgrote, en 3 de grote evenementen. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Bij het beoordelen van een aanvraag wordt gekeken of de vergunning al dan niet
                    geweigerd wordt aan de hand van de in artikel 1.8 genoemde criteria.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Uitgaande van het noodzakelijkheidvereiste voor een vergunningstelsel is gekozen
                    voor een algemene regel voor de barbecue en/of straatfeesten. Een vergunning
                    wordt niet noodzakelijk geacht, maar regulering wel. Uit de praktijk blijkt dat
                    voor kleinschalige evenementen zoals de barbecue en/of straatfeest het
                    instrument van een vergunning weinig toevoegt, immers in de praktijk wordt een
                    dergelijke aanvraag vrijwel altijd gehonoreerd en worden standaardvoorschriften
                    aan de vergunning verbonden.</al><al>Tweede lid, onder f: zodra een rijbaan, fiets/bromfietspad of parkeergelegenheid
                    wordt afgezet voor een evenement, is tenminste een tijdelijke verkeersmaatregel
                    nodig, formeel genomen door het college, maar kan krachtens artikel 168 van de
                    Gemeentewet gemandateerd worden aan de burgemeester. Vindt het evenement plaats
                    op het trottoir dan wordt rekening gehouden met voldoende doorloopruimte voor
                    passanten. Als richtlijn wordt hierbij 1.50 cm aangehouden. Het gaat vooral om
                    het ongehinderd kunnen passeren van invaliden, kinderwagens etc. Met betrekking
                    tot de hoofdroute van de brandweer is het belangrijk dat er een lijst wordt
                    opgesteld met: doorgaande wegen, wegen en terreinen met een bijzondere
                    bestemming (markt), evenemententerreinen en routes van de operationele diensten
                    (brandweer, ambulance etc.)</al><al>Locaties waar barbecues/straatfeesten kunnen worden gehouden, zijn: parken,
                    plantsoenen, pleintjes, grasveldjes, sportveldjes, e.d. </al><al>Tweede lid, onder g: hier wordt met object bedoeld een kleine partytent, een
                    barbecuetoestel, een springkussen voor kinderen e.d. De beschikbare ruimte
                    bepaalt het aantal te plaatsen voorwerpen. </al><al>Tweede lid, onder h: het is de verantwoordelijkheid van de organisator om zich
                    tijdig over de regels te informeren zodat hij niet met termijnen in problemen
                    komt. De organisator kan zowel een natuurlijk- als rechtspersoon zijn. </al><al>Tweede lid, onder i: de gemeente heeft er belang bij om tijdig op de hoogte te
                    zijn van een initiatief dat zich afspeelt in de buitenlucht. Een verplichte
                    melding van een voorgenomen evenement in dergelijke gevallen is een goed
                    alternatief voor een vergunningvereiste.</al><al>Het doen van een melding kan geschieden door middel van een formulier dat de
                    organisator met behulp van een beslisboom leidt tot de melding. Hij kan dan
                    toetsen of hij aan de criteria voldoet en met een melding kan volstaan. Het
                    meldingsformulier moet in ieder geval de genoemde criteria van de algemene regel
                    bevatten en tevens ook vragen stellen over de verstrekking van alcoholische
                    drank. De Drank- en Horecawet bepaalt dat er geen vergunning of ontheffing nodig
                    is als: a. er een besloten feest wordt gehouden waar b. geen entree wordt
                    gevraagd en waar c. gratis alcohol wordt geschonken. Er moet dan wel voldaan
                    worden alle drie vereisten, Wanneer er sprake is van het vragen en betalen van
                    een vaste bijdrage in plaats van het betalen per consumptie impliceert dit dat
                    er sprake is van het anders dan om niet verstrekken van alcoholische drank In
                    laatst genoemde geval kan de burgemeester op grond van artikel 35 van de Drank-
                    en Horecawet voor het eendaagse evenement een ontheffing verlenen. </al><al>Het is aan te bevelen om de meldingplichtige een ontvangstbevestiging te doen
                    toekomen waarin wordt vermeld dat indien binnen een bepaalde termijn niet door
                    de gemeente wordt gereageerd het evenement doorgang kan vinden. </al><tussenkop>Rol van de burgemeester en de raad</tussenkop><al>De bevoegdheid van de burgemeester in het kader van het toezicht op evenementen
                    stoelt op artikel 174 Gemeentewet. In het derde lid van dit artikel is
                    aangegeven dat de burgemeester belast is met de uitvoering van verordeningen
                    voor zover deze betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en
                    vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                    behorende erven. Het begrip ‘toezicht’ is ruimer dan alleen de handhaving van de
                    openbare orde. Het gaat hier ook om de bescherming van de gezondheid en de
                    veiligheid van de burger in incidentele gevallen en op bepaalde plaatsen. Het is
                    ook de bevoegdheid van de burgemeester het beleid ten aanzien van voorschriften
                    met betrekking tot de evenementenvergunning vast te stellen. Wanneer de
                    burgemeester voornemens is een evenement te verbieden, is het zaak dat dit van
                    een goede motivering is voorzien. </al><tussenkop>Doorlopende vergunning</tussenkop><al>Een doorlopende vergunning is voor de evenementenvergunning niet aangewezen.
                    Immers het evenement loopt per definitie af. Hier verzet de aard van de
                    vergunning zich tegen een vergunning met onbeperkte duur. </al><tussenkop>Privaatrechtelijke voorschriften</tussenkop><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet
                    mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschiften
                    zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden
                    geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke
                    vereisten.</al><tussenkop>Overige regelgeving</tussenkop><al>Voor het houden van evenementen zijn ook andere regels dan die van de APV van
                    toepassing. Die regels stellen vanuit andere motieven eisen aan het houden van
                    evenementen. De aanvrager van een evenementenvergunning moet zo nodig ook aan
                    andere wettelijke vereisten voldoen, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>Vreemdelingenwet 2000</al></li><li nr="·"><al>Vestigingswet bedrijven</al></li><li nr="·"><al>Winkeltijdenwet</al></li><li nr="·"><al>Warenwet</al></li><li nr="·"><al>Wet milieubeheer</al></li><li nr="·"><al>Drank- en Horecawet</al></li><li nr="·"><al>Woningwet</al></li></lijst><tussenkop>Evenementenbeleid</tussenkop><al>Aan de hand van de motieven, neergelegd in de weigeringsgronden kan de
                    burgemeester beleidsregels vaststellen.</al><al>Het doel van een evenementenbeleid is enerzijds het vastleggen van wat er met
                    betrekking tot evenementen in een gemeente wordt nagestreefd, in relatie tot de
                    APV en onder welke voorwaarden dit is toegestaan. Anderzijds behelst het beleid
                    de afstemming van processen binnen de vergunningverlening zodat deze zo
                    efficiënt en goedkoop mogelijk kan plaatsvinden. </al><tussenkop>Toezicht en handhaven van de openbare orde</tussenkop><al>Bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees daarvan is de
                    burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet bevoegd
                    bevelen te geven die hij noodzakelijk acht voor de handhaving van de openbare
                    orde. Om de veiligheid te garanderen van bezoekers neemt de burgemeester
                    voorschriften op in de evenementenvergunning waaraan de organisator zich moet
                    houden.</al><al>De politie is in beginsel terughoudend in haar optreden bij evenementen. De
                    driehoek, bestaande uit de burgemeester, de hoofdofficier van Justitie en de
                    korpschef van politie, bepaalt welke beleids- en tolerantiegrenzen tijdens een
                    (risico) evenement wordt gehanteerd. Deze grenzen geven aan of en hoe de politie
                    namens het bevoegde gezag in algemene en specifieke situaties zal optreden,
                    zoals in het geval van drugsbezit, zwarte kaartverkoop en dreigende openbare
                    ordeverstoringen.</al><tussenkop>Artikel 2.2.3 Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Afdeling 2.3 Toezicht op openbare inrichtingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip 'horecabedrijf' sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de APV. De sluitingsbepalingen van deze
                    paragraaf betreffen de gedeelten van de inrichting, waarin de eigenlijke
                    horecawerkzaamheden worden uitgeoefend: een op het trottoir gesitueerd terras
                    behoort wel tot de inrichting, de zich boven de inrichting bevindende woning van
                    de houder niet. Ook sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen
                    e.d. zijn als inrichting aan te merken.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1.2 Exploitatievergunning horecabedrijf</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De vergunningverlening dient ingevolge artikel 174 van de Gemeentewet te
                    geschieden door de burgemeester. In dit artikel is bepaald dat de burgemeester
                    is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben
                    op het toezicht op de voor het publiek openstaande gebouwen.</al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is in
                    2007 bekeken of het horeca-exploitatievergunningenstelsel in de APV gehandhaafd
                    of geschrapt moet worden. In met name kleine gemeenten met een overzichtelijk
                    uitgaansgebied en/of enkele bekende horecaondernemingen, is geen behoefte aan
                    zo'n stelsel. Er is voor gekozen voor het handhaven van het model
                    horecaexploitatievergunning omdat deze vergunning noodzakelijk is voor het
                    handhaven van de openbare orde en het tegengaan van overlast. </al><tussenkop>Vergunning voor onbepaalde tijd</tussenkop><al>Op grond van het nieuwe artikel 1.7 gelden vergunningen voor onbepaalde tijd.
                    Dit geldt ook voor de horeca-exploitatievergunning. </al><tussenkop>Vergunningvoorschriften</tussenkop><al>Krachtens artikel 1.4 van de model APV kunnen voorschriften worden verbonden aan
                    de exploitatievergunning. Denkbaar is dat die betrekking hebben op dezelfde
                    onderwerpen als hiervoor genoemd.</al><tussenkop>Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer</tussenkop><al>In het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer worden
                    algemene regels gesteld ter bescherming van het milieu voor wat zich afspeelt in
                    het horecabedrijf en de directe omgeving daarvan. Daarnaast kunnen, indien deze
                    algemene regels niet voldoen, gelet op artikel 5 van dat Besluit in verband met
                    voorschrift 4.1.4 uit de bijlage bij dat Besluit nadere eisen worden gesteld
                    voor:</al><lijst><li nr="1."><al>het aanbrengen van technische voorzieningen binnen de inrichting; </al></li><li nr="2."><al>de periode van openstelling van de gehele inrichting of een terras;</al></li><li nr="3."><al>de situerinjg van een terras;</al></li><li nr="4."><al>het in acht nemen van gedragsregels die binnen de inrichting in acht
                            moeten worden genomen, waaronder regels voor aan- en afrijdend verkeer
                            en komende en gaande bezoekers.</al></li></lijst><tussenkop>Overlast</tussenkop><al>Hoewel het begrip ‘overlast’ als zelfstandige weigeringsgrond niet is opgenomen,
                    kan het via de algemene gronden openbare orde, openbare veiligheid,
                    volksgezondheid en milieu wél worden aangemerkt als een weigeringsgrond.
                    Overlast kan namelijk betrekking hebben op verschillende aspecten.
                    Geluidsoverlast en overlast, veroorzaakt door stof, afval etc. kunnen worden
                    geschaard onder milieu of zelfs gezondheid. In ieder geval kan overlast onder
                    het openbare orde begrip worden gebracht, indien deze een aantasting is van of
                    een duidelijke inbreuk maakt op de maatschappelijke orde zoals deze geldt in
                    Nederland. Het gaat dan om overlast die een bedreiging vormt voor de veiligheid
                    en rust in de publieke ruimte (denk aan openbare dronkenschap).</al><tussenkop>Zedelijkheid</tussenkop><al>Ook het begrip zedelijkheid valt – naar te verwachten is – onder het begrip
                    openbare orde van de Dienstenrichtlijn. Te denken valt aan de bescherming van de
                    menselijke waardigheid.</al><tussenkop>Woon- en leefsituatie in de omgeving</tussenkop><al>Evenals bij overlast zal bekeken moeten worden of deze weigeringsgrond onder een
                    wel erkende weigeringsgrond gebracht kan worden zoals de openbare veiligheid of
                    de volksgezondheid. Dit zal niet altijd haalbaar zijn. In dat geval moet de
                    gemeente – indien gewenst - het woon- en leefklimaat beschermen door middel van
                    het bestemmingsplan (het voorkomen van achteruitgang van het leefmilieu). </al><al>Indien het bestemmingsplan vestiging van een horecabedrijf ter plaatse niet
                    toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de exploitatievergunning moet worden
                    verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het
                    bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan is daarom als imperatieve
                    weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een
                    dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Weliswaar
                    brengt dit mee dat de burgemeester treedt in een beoordeling van het geldende
                    bestemmingsplan, maar dit laat de bevoegdheid van het college bij de toepassing
                    van het geldende bestemmingsplan onverlet. Van een doorkruising van de Woningwet
                    of de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geen sprake.</al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Een aantal categorieën van kleinschalige horecagelegenheden, waar de openbare
                    orde evident niet in het geding is, heeft geen vergunning nodig. Immers de
                    noodzaak van bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid (en het
                    voorkomen van overlast) ontbreekt. Te denken valt aan tearooms, een
                    ontbijthoekje bij de bakker, ijssalons etc. Vooralsnog is gekozen om winkels in
                    de zin van de Winkeltijdenwet, die als nevenactiviteit een horecagedeelte
                    hebben, uit te sluiten. Voorts is lid 4 opgenomen: zorginstellingen waar een
                    voor het publiek toegankelijke eettafel is en restaurants in musea. </al><tussenkop>Lid 5 Terrassen</tussenkop><al>Aangezien Oegstgeest beschikt over een afzonderlijk terrassenbeleid, is dit
                    vijfde lid op genomen. </al><tussenkop>Artikel 2.3.1.3 Opheffing vergunningplicht</tussenkop><al>Dit artikel is komen te vervallen, omdat in artikel 2.3.1.2 de uitzonderingen op
                    de vergunningsplicht zijn opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 2.3.1.4 Sluitingstijden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Grondslag voor de in de APV opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149
                    Gemeentewet. De gemeenteraad kan verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven
                    vaststellen in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en de bescherming van het milieu, zie de algemene toelichting. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In afwijking van de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, kan de
                    burgemeester andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk
                    horecabedrijf. Dat kan zowel neerkomen op een verruiming van de openingstijden,
                    als op een beperking. Het tweede lid geeft de burgemeester de bevoegdheid
                    daartoe een voorschrift te verbinden aan de vergunning die aan de exploitant van
                    de desbetreffende inrichting zal worden verleend. Het gaat hier om een
                    vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.4 van de APV, dat dus moet
                    strekken ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                    vergunning vereist is. Een voorbeeld van zo'n voorschrift is de verplichting een
                    bepaald veiligheidsniveau voor de bezoekers te garanderen of het rustiger laten
                    verlopen van het sluitingsuur. </al><tussenkop>Derde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>De sluitingsbepalingen van de APV gelden niet voor zover de op de Wm gebaseerde
                    voorschriften van toepassing zijn. De Wm beoogt een uitputtende regeling te
                    geven ter voorkoming of beperking van alle nadelige gevolgen van het milieu door
                    het in werking zijn van krachtens die wet aangewezen inrichtingen. De
                    gemeenteraad is niet bevoegd die regeling bij verordening aan te vullen, indien
                    daarmee wordt beoogd dezelfde belangen te beschermen.</al><al>De raad kan dus niet aanvullend via de APV gevaar, schade of hinder of andere
                    belangen die onder het begrip 'bescherming van het milieu' vallen, tegengaan die
                    wordt veroorzaakt door een inrichting die vergunningplichtig is ingevolge de
                    Wm.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1.5 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke
                    sluiting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Net als voor de in artikel 2.3.1.4, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt ook
                    hier artikel 174 van de Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten.</al><al>Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet zijn gelegen in het
                    belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of in bijzondere
                    omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft een algemene
                    bevoegdheid die, anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.3.1.4,
                    tweede lid, een individueel karakter heeft zich niet alleen kan uitstrekken tot
                    een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige
                    horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling tot artikel
                    2.3.1.4, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan - tot het
                    tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke
                    sluiting.</al><tussenkop>Tweede lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 2.3.1.6 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</tussenkop><al>De in de vorengenoemde artikelen opgenomen sluitingsbepalingen richten zich tot
                    de houder van de inrichting: hij dient zijn bedrijf gesloten te houden gedurende
                    de tijden, die hem bij of krachtens die bepalingen zijn opgelegd.</al><al>Artikel 2.3.1.6 richt zich daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de
                    inrichting. Indien deze zich met goedvinden van de houder in de inrichting
                    bevindt gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, overtreedt
                    hij artikel 2.3.1.6. Indien echter daarvoor de toestemming van de houder
                    ontbreekt en de bezoeker zich niet op diens eerste vordering verwijdert,
                    overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al>Beide artikelen zijn naast elkaar bestaanbaar: artikel 2.3.1.6 strekt tot
                    handhaving van een publiekrechtelijke regeling, terwijl artikel 138 Wetboek van
                    Strafrecht ziet op de bescherming van de rechten die aan de eigendom verbonden
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1.7 Ordeverstoring</tussenkop><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1.8 Burgemeester en wethouders als bevoegd
                    bestuursorgaan</tussenkop><al>Het begrip 'horecabedrijf' als omschreven in artikel 2.3.1.1, eerste lid, ziet
                    ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen (zie ook onder artikel 2.3.1.1). Gelet
                    op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het
                    college het bevoegde bestuursorgaan.</al><tussenkop>Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop> Inrichting</tussenkop><al>Het begrip 'inrichting' als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><tussenkop>Artikel 2.3.2.2 Artikel 2.3.2.3 Nachtregister</tussenkop><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel
                    438 schrijft voor dat de houder van de inrichting:</al><al>Bij aankomst van een gast een geldig reisdocument of identiteitsbewijs verlangt
                    en daarvan aantekening maakt (eerste lid, onder 1e), en diens naam, beroep of
                    betrekking, woonplaats en dag van aankomst moet aantekenen (eerste lid, onder
                    2e); </al><lijst><li nr="·"><al>bij vertrek van de gast de dag van vertrek aantekent (eerste lid, onder
                            2e); </al></li><li nr="·"><al>het register op aanvraag vertoont aan de burgemeester of een door deze
                            aangewezen ambtenaar. </al></li><li nr="·"><al>Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de
                            bepalingen van deze paragraaf primair als doel om, met de geregistreerde
                            gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie
                            gezochte personen te vergemakkelijken. De in deze paragraaf opgenomen
                            bepalingen kunnen eveneens een ander oogmerk hebben: bijvoorbeeld,
                            behalve de openbare orde, het vastleggen van kwantitatieve gegevens over
                            het recreatieve bezoek (om daarmee een openluchtrecreatie en
                            toerismebeleid te kunnen voeren). </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister</tussenkop><al>Artikel 2.3.2.4 komt de houder van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de houder te
                    verstrekken.</al><tussenkop>Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het begrip 'speelgelegenheid' als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten
                    aanzien van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals
                    speelcasino's en speelautomaten. De wet is niet van toepassing op spelen, met
                    uitzondering van behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun
                    behendigheid de kans om te winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie
                    speelgelegenheden is dit artikel bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden,
                    waar de Wet op de Kansspelen geen betrekking op heeft.</al><al>Het gaat om gelegenheden waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen als
                    bedoeld in lid 1. De houder van een café waarin bezoekers het kaartspel kunnen
                    beoefenen, hoeft niet zonder meer over vergunning te beschikken maar slechts
                    indien de mogelijkheid daartoe bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                    bedrijfsmatig is wordt aangeboden. Bepaalde kaartspelen, zoals poker, worden
                    beschouwd als kansspelen. Als die kaartspelen worden gespeeld met de bedoeling
                    om prijzen te winnen zonder dat de organisator over een vergunning beschikt, is
                    dat op grond van de Wet op de kansspelen verboden.</al><tussenkop>Tweede en derde lid</tussenkop><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2.3.3.1 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermt dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><tussenkop>Artikel 2.3.3.2 Speelautomaten</tussenkop><al>Het CBB heeft in enkele uitspraken begin 2002 opnieuw een lijn uitgezet over
                    wanneer er sprake is van hoog- of laagdrempelige inrichtingen en van
                    samengestelde inrichtingen. Uit deze uitspraken van het CBB is een stappenplan
                    af te leiden, dat dient te worden doorlopen bij de beantwoording van de vraag of
                    er sprake is van een hoogdrempelige inrichting.</al><lijst><li nr="a."><al>Bij één afgesloten ruimte.</al><lijst><li nr="1."><al>is er een vergunning volgens de Drank- en Horecawet?</al></li><li nr="2."><al>staat het café- en restaurantbezoek op zichzelf?</al></li><li nr="3."><al>zijn de activiteiten in belangrijke mate gericht op personen
                                    ouder dan 18?</al><al>Is aan alle vereisten voldaan dan is er sprake van een
                                    hoogdrempelige inrichting, waarin twee kansspelautomaten zijn
                                    toegestaan. Is aan een van de eisen niet voldaan, dan is er
                                    sprake van een laagdrempelige inrichting.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Bij meerdere ruimten in een gebouw.</al><lijst><li nr="1."><al>is er sprake van een afzonderlijke horecalokaliteit in het
                                    gebouw, dan wel van meerdere lokaliteiten waarin het
                                    horecabedrijf wordt uitgeoefend, die tezamen een besloten ruimte
                                    vormen binnen het gebouw?</al></li><li nr="2."><al>wordt voor de afzonderlijke horecalokaliteit, dan wel voor het
                                    geheel van de lokaliteiten die tezamen de horeca-inrichting
                                    vormen, voldaan aan de stappen onder A?</al><al>Is aan alle eisen voldaan, dan is er sprake van een
                                    hoogdrempelige inrichting. </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Bij een horecalokaliteit in de zin van artikel 1 lid 1 van de Drank- en
                            Horecawet binnen een laagdrempelige horeca-inrichting.</al><lijst><li nr="1."><al>worden de stappen genoemd onder A. bevestigend beantwoord?</al></li><li nr="2."><al>zo nee: er is geen sprake van een hoogdrempelige
                                    inrichting.</al></li><li nr="3."><al>zo ja: zijn de overige ruimten van de laagdrempelige inrichting
                                    mogelijk door het publiek te bereiken via deze horecalokaliteit?
                                    (artikel 30c lid 4 Wet op de Kansspelen).</al></li><li nr="4."><al>zo ja: er is géén sprake van een hoogdrempelige inrichting in de
                                    zin van de Wet op de Kansspelen, kansspelautomaten zijn niet
                                    toegestaan</al></li><li nr="5."><al>zo nee: er is sprake van een hoogdrempelige inrichting in de zin
                                    van de Wet op de Kansspelen. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid van artikel 2.4.1 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang
                    indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een
                    middel als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd
                    of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Zie verder onder toelichting eerste
                    lid.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2.4.1
                    toegevoegd. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Vanwege de grote persoonlijke gevolgen die aan het sluiten van een woning kunnen
                    zijn verbonden, is in het vierde lid een mogelijkheid voor ontheffing van het
                    verbod opgenomen. Ook bij de sluiting van een lokaal op grond van artikel 13b
                    van de Opiumwet kan bijvoorbeeld ontheffing verleend worden aan de exploitant
                    zelf en zijn gezinsleden. Het lokaal blijft dan wel gesloten voor het
                    publiek.</al><tussenkop>Artikel 2.4.2 Plakken en kladden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term 'bekladden' ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk worden
                    gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een
                    voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2.4.2 maakt
                    op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod
                    krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit
                    middel van bekendmaking meebrengt, voor zover door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat 'plakken' slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. </al><tussenkop>Artikel 2.4.3 Vervoer plakgereedschap e.d.</tussenkop><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. Het tweede lid van de bepaling dient aldus te
                    worden verstaan dat de omstandigheid dat de in het eerste lid genoemde stoffen
                    en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen, welke ingevolge
                    de voorgaande bepaling zijn verboden, een rechtvaardigheidsgrond oplevert. </al><tussenkop>Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken.</al><tussenkop>Verbodsbepaling met betrekking tot het vervoeren van geprepareerde
                    tassen</tussenkop><al>In afwijking van de model-APV van de VNG is dit verbod in de APV opgenomen. De
                    VNG wil een dergelijke bepaling niet opnemen omdat deze mogelijk inbreuk zou
                    kunnen maken op de privé-sfeer van burgers.</al><tussenkop>Artikel 2.4.5 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2.4.6 Rijden over bermen e.d.</tussenkop><tussenkop>Derde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van
                    wegen. Ingevolge het vierde lid moet in deze bepaling onder 'weg' worden
                    verstaan: weg in de zin van de wegenverkeerswetgeving. Bermen, glooiingen en
                    zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer
                    op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar
                    worden beschouwd naast deze wetgeving. Het verbod heeft slechts betrekking op
                    voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden, terwijl als 'voertuig' in de
                    zin van deze verordening de zogenaamde kleine voertuigen niet worden aangemerkt.
                    Zie de in artikel 1.1 opgenomen begripsomschrijving. De beperking van het verbod
                    tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk
                    vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen
                    schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de
                    Wegenverkeerswet wordt betreden. </al><al>Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden in
                    niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende
                    groenstroken, wordt geregeld in artikel 5.1.10 (aantasting groenvoorzieningen
                    door voertuigen).</al><tussenkop>Artikel 2.4.7 Hinderlijk gedrag op of aan de weg</tussenkop><al>Op basis van artikel 2.4.7 (en artikel 2.4.9) kan tegen vormen van onnodige
                    hinder of overlast worden opgetreden. </al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 2.4.8 Hinderlijk drankgebruik</tussenkop><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><tussenkop>Omvang gebied</tussenkop><al>Er kan slechts een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet
                    mogelijk het grondgebied van de gehele gemeente aan te wijzen. Dit zou de
                    verordenende bevoegdheid te boven gaan. Er dient namelijk wel een aanleiding te
                    zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. Er dient gerechtvaardigde vrees
                    te bestaan voor aantasting van de openbare orde, of reeds sprake te zijn geweest
                    van aantasting van de openbare orde. Dit kan nooit het geval zijn voor het
                    gehele grondgebied van de gemeente. Het kan bijvoorbeeld gaan om het
                    uitgaansgebied in het centrum of een park of plein waar regelmatig overlast van
                    deze aard veroorzaakt wordt.</al><al>Daarnaast zou het college bij een algemeen verbod elk alcoholgebruik op de
                    openbare weg, ook van goedwillende personen, verbieden. Daarmee zou er geen
                    evenredigheid zijn tussen middel en doel en zou er in strijd met artikel 3:4,
                    van de Awb worden gehandeld. Dit zelfde geldt ook voor een verbod om
                    onaangebroken flesjes en blikjes bij zich te hebben.</al><tussenkop>Artikel 2.4.9 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2.4.7
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><tussenkop>Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</tussenkop><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, en wachtlokalen voor een openbaar
                    vervoermiddel tegen te gaan. In deze bepaling wordt het woord 'ruimte' gebruikt
                    ter onderscheiding van het in de APV voorkomende begrip 'weg'. Om een indicatie
                    te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek
                    toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van voorbeeld een
                    aantal ruimten concreet genoemd.</al><tussenkop>Artikel 2.4.11 Neerzetten van fietsen e.d.</tussenkop><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2.4.11 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><tussenkop>Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                    e.d.</tussenkop><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd.</al><al>Het verbod moet wel aan de bezoekers van het terrein worden kenbaar
                    gemaakt.</al><tussenkop>Artikel 2.4.13 Bespieden van personen</tussenkop><al>Met deze bepaling wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy te verbieden. Toepassing zal het artikel alleen in
                    excessieve situaties vinden. De politie zal in het algemeen pas optreden indien
                    burgers klachten hebben geuit over voyeurs. Deze bepaling moet gezien worden als
                    aanvulling op de sinds 12 juli 2000 geldende bepaling in het Wetboek van
                    Strafrecht inzake stalking, artikel 285b. In dit artikel is het inbreuk maken op
                    eens anders levenssfeer, om die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te
                    dulden dan wel vrees aan te jagen, strafbaar gesteld. </al><tussenkop>Artikel 2.4.14 Bewakingsapparatuur</tussenkop><al>Vervallen.</al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan
                    over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze
                    wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hiermee
                    is artikel 2.4.14 vervallen. </al><tussenkop>Artikel 2.4.15 Nodeloos alarmeren</tussenkop><al>Vervallen.</al><al>In 2002 is deze bepaling vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in
                    artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</al><tussenkop>Artikel 2.4.16 Alarminstallaties</tussenkop><al>Vervallen.</al><al>Dit artikel is vervallen in het kader van de deregulering. Als er feitelijk
                    invulling aan de oorspronkelijke bepaling zou worden gegeven, zou dit een
                    aanzienlijke financiële en administratieve last voor burgers en bedrijven
                    opleveren. Volgens deze voorschriften zou de installatie bijvoorbeeld dienen te
                    voldoen aan de Regeling BORG 1.1, er zouden jaarlijkse controles moeten
                    plaatsvinden, en door of vanwege het college aangewezen deskundigen zouden op
                    kosten van de vergunninghouder de deugdelijkheid van de installatie kunnen
                    onderzoeken. Het risico van afschaffing van deze vergunning wordt niet dermate
                    groot geacht. Een plotselinge epidemie van zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en
                    vooral te onpas afgaande alarminstallaties ligt niet voor de hand.</al><tussenkop>Artikel 2.4.17 Loslopende honden</tussenkop><al>Dit artikel beperkt het loslopen van honden in twee situaties: op de weg (door
                    de omschrijving van het begrip 'weg' vallen hieronder ook parken en
                    plantsoenen), zonder dat de hond aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen
                    e.d.</al><al>Aan dit artikel ligt in zijn algemeenheid het motief van de voorkoming en
                    bestrijding van overlast ten grondslag.</al><al>In het bijzonder heeft dit artikel de volgende bedoelingen:</al><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in gevaar
                    kan worden gebracht:</al><lijst><li nr="·"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers; </al></li><li nr="·"><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.); </al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al>Als in strijd met het in dit artikel neergelegde verbod honden loslopend worden
                    aangetroffen, kan op basis van artikel 125 van de Gemeentewet (bestuursdwang) de
                    honden gevangen worden genomen en overgedragen aan een door het college
                    aangewezen asiel. Dit vindt uiteraard niet plaats wanneer de eigenaar direct te
                    achterhalen is. </al><tussenkop>Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</al><al>De strafbaarheid wordt opgeheven indien de uitwerpselen direct worden
                    verwijderd. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen
                    aan te pakken. Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) moeilijkheden
                    opleveren, men mag hopen dat er op den duur preventieve invloed van deze
                    bepaling uit zal gaan ter inperking van het onfatsoen van hondenbezitters.</al><al>Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, welke vatbaar zijn voor transactie door
                    de politie.</al><al>Het tweede lid is ingevoegd om het mogelijk te maken dat burgemeester en
                    wethouders een hondenuitlaatplaats aanwijzen.</al><tussenkop>Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>Enige jaren geleden ontstond verontrusting over agressief gedrag van bepaalde
                    honden, met name van pitbullterriërs. Er deden zich incidenten voor waarbij
                    honden aanzienlijk letsel toebrachten aan mens of dier.</al><al>Naar aanleiding hiervan is door de toenmalige minister van landbouw,
                    natuurbeheer en visserij de Commissie van agressief gedrag bij honden ingesteld.
                    De commissie inventariseerde de problematiek en maakte onderscheid tussen drie
                    categorieën van gevaarlijke honden:</al><lijst><li nr="1."><al>Groepen honden met morfologisch overeenkomstige karakteristieken
                            (gelijke lichaamsbouw), waarmee wordt gefokt op agressief gedrag. Tot
                            deze categorie rekent de commissie het type pitbullterriër. </al></li><li nr="2."><al>Gebruikshonden, dat wil zeggen: honden die geheel of gedeeltelijk zijn
                            opgeleid voor bewakings-, opsporings- of verdedigingswerk. </al></li><li nr="3."><al>Individuele honden die niet vallen onder de vorige twee categorieën en
                            waarvan in de praktijk - door het toebrengen van letsel of het uiten van
                            een dreiging daartoe - is gebleken dat zij gevaarlijk zijn voor mens of
                            dier.</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: muilkorf als bedoel in artikel 1, onder d, van de
                                    Regeling agressieve dieren; </al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen:aanlijnen van een hond met een lijn met een
                                    lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan
                                    1,50 meter; </al></li><li nr="c."><al>gedrags- en gehoorzaamheidscursus 1: een door de georganiseerde
                                    kynologie gehouden gedrags- en gehoorzaamheidscursus, waarbij
                                    het beoefenen van appel en goed gedrag van een hond ten opzichte
                                    van mens en dier plaatsvindt. </al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Vierde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 2.4.20 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede ‘buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren
                    houdt.</al><al>Er moet kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare
                    gezondheid dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor
                    de constructie dat burgemeester en wethouders bevoegd worden verklaard om de
                    plaatsen aan te wijzen waar naar hun oordeel het houden van bepaalde dieren
                    overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college
                    bij een aanwijzing die betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is
                    verklaard daarbij nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er
                    sprake van delegatie van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156
                    Gemeentewet. Tevens wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en
                    Faunawet, waarin regels worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><tussenkop>Artikel 2.4.21 Wilde dieren</tussenkop><al>Vervallen.</al><al>Zowel artikel 2.4.21 als artikel 425 WvSr ziet op de bescherming van de algemene
                    veiligheid van personen of goederen. Uit artikel 121 van de Gemeentewet vloeit
                    voort dat de bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen over een
                    onderwerp waarin een wet voorziet bestaat voor zover een en ander niet in strijd
                    is met die hogere regelgeving. Een de wet aanvullende verordening is met die wet
                    in strijd indien de hogere regelgeving uitputtend is bedoeld of aan beide
                    regelingen hetzelfde motief ten grondslag ligt. </al><tussenkop>Artikel 2.4.22 Loslopend vee</tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel
                    2.4.17.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><tussenkop>Artikel 2.4.23 Duiven</tussenkop><al>Verwilderde duiven veroorzaken in het voorjaar nogal wat schade aan jonge
                    gewassen doordat zij de desbetreffende akkerbouwgebieden als foerageerplaats
                    gebruiken. Deze bepaling geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om
                    tussen 1 maart en 1 juni een periode aan te wijzen, die bijvoorbeeld kan
                    variëren van een week tot een dag per week, waarin de eigenaren of bezitters van
                    duiven verplicht zijn de duiven binnen te houden. Dit geeft de jagers de
                    mogelijkheid om het verwilderde duivenbestand enigszins terug te dringen.</al><al>Wel lijkt het raadzaam om in overleg met de colleges van omliggende gemeenten en
                    de postduivenverenigingen deze periode jaarlijks vast te stellen.</al><tussenkop>Derde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 2.4.24 Bijen</tussenkop><al>Het vliegen van bijen kon, indien de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de 'aanvliegbanen' hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.</al><al>Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de
                    aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, tot geringe omvang worden
                    teruggebracht. Het zal echter vaker voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs
                    in huis van de bijen overmatige overlast ondervinden, waartegen minder
                    gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in de bebouwde kom van een
                    gemeente kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom onaanvaardbaar
                    zijn; dit geldt overigens ook voor andere huisdieren. </al><al>Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand 'op de openbare weg of op een
                    andere voor het publiek toegankelijke plaats' valt aan te wijzen, kan men toch
                    van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op
                    'openbare belangen'.</al><tussenkop>Vierde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2.5.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijke
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden. </al><al>Het Wetboek van strafrecht (WvSr) bevat enkele bepalingen die de bestrijding van
                    heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437,
                    437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat
                    een strafbaar feit vermoed wordt - te allen tijde mogelijk op basis van artikel
                    552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije toegang tot alle lokaliteiten en andere plaatsen waarvan
                    redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt.
                    Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de
                    Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</al><tussenkop>Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</tussenkop><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Hoewel dit artikel in principe is opgesteld voor het
                    inkoopregister is het voor de duidelijkheid en voor het overzicht gewenst voor
                    het verkoopregister bij dit artikel aansluiting te zoeken. Artikel 2 AMvB
                    bepaalt dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens
                    de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste
                    gegevens vermeldt. In het eerste lid is een algemene verplichting opgenomen om
                    een verkoopregister bij te houden ("alle" goederen). Aangezien het meestal zal
                    gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto's of antiek, is in het tweede lid
                    een vrijstellingsbepaling toegevoegd. Een andere mogelijkheid tot bepaling dat
                    niet alle goederen hoeven te worden geregistreerd, is om deze expliciet op te
                    sommen in het eerste en dan enige lid óf om te bepalen dat alleen die goederen
                    moeten worden geregistreerd die de burgemeester heeft aangewezen</al><tussenkop>Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid,
                    van het Wetboek van Strafrecht</tussenkop><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a nader uitgewerkt.</al><tussenkop>Onder d</tussenkop><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv. </al><tussenkop>Onder e</tussenkop><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV nodig is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><tussenkop>Artikel 2.5.4 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</tussenkop><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2.5.4
                    voorziet hierin.</al><al>Zo'n bepaling sluit nauw aan op het bepaalde in artikel 437, eerste lid, onder d
                    en f, WvSr.</al><al>Daar is strafbaar gesteld de handelaar etc. die in strijd met een schriftelijke
                    last van de burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen
                    vervreemdt of niet in bewaring geeft of die niet voldoet aan de daarbij gegeven
                    aanwijzingen.</al><al>In artikel 2.5.4 is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de handel van
                    de handelaren niet al te zeer belemmerd wordt.</al><tussenkop>Artikel 2.5.5 Handel in horecabedrijven</tussenkop><al>Artikel 2.5.5 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde
                    verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Artikel 2.5.5 is vastgesteld op
                    basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op
                    artikel 154 Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2.6.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    rond en tijdens de jaarwisseling, in aanvulling op het Besluit van 22 januari
                    2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                    vuurwerk (verder te noemen Vuurwerkbesluit). </al><tussenkop>Definitie consumentenvuurwerk</tussenkop><al>Voor de omschrijving van het begrip 'consumentenvuurwerk' is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). </al><tussenkop>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling </tussenkop><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr="·"><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1); </al></li><li nr="·"><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li><li nr="·"><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr="·"><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr="·"><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr="·"><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li><li nr="·"><al>De bepalingen 2.6.2 en 2.6.3 van de APV zijn gebaseerd op artikel 149
                            Gemeentewet en zijn een aanvulling op de uniforme regels voor de verkoop
                            en afsteken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling, zoals
                            gesteld in het Vuurwerkbesluit.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                    verkoopdagen</tussenkop><al>Op basis van artikel 2.6.2 van de APV kan het college aan een bedrijf of
                    nevenbedrijf een vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk
                    tijdens de door het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. Ter bevordering van
                    de deregulering en het aanbrengen van meer systematiek in de APV zijn twee
                    artikelen in Hoofdstuk 1 opgenomen. Artikel 1.7 bepaalt dat de vergunning voor
                    onbepaalde tijd geldt en artikel 1.8 bevat de algemene weigeringsgronden die bij
                    elke vergunning kunnen worden gehanteerd. Algemene weigeringsgronden zijn
                    bijvoorbeeld het belang van de handhaving van de openbare orde waaronder
                    overlast kan worden begrepen, als het om de bescherming van de kwetsbare
                    medemens gaat of het belang van de volksgezondheid die door overlast dreigt te
                    worden aangetast. De vergunning kan daarom worden geweigerd als het verkooppunt
                    zich bevindt in de nabijheid van ziekenhuizen, bejaardentehuizen en
                    dierenasiels. In het laatste geval is er sprake van handhaving van de openbare
                    orde, waaronder de bescherming van dieren valt. Aan de verkoopvergunning kunnen
                    voorschriften worden verbonden, indien dit nodig is wegens dwingende redenen van
                    algemeen belang. Dit zijn de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid en het milieu. Zie daarvoor artikel 1.4 en het commentaar
                    daarbij. </al><al>De verkoopvergunning wordt door veel gemeenten gebruikt om, naast het uitsluiten
                    via het bestemmingsplan of algemene beleidsregels, een spreidingsbeleid van
                    verkooppunten te voeren en om het aantal verkooppunten en bijbehorende opslag te
                    reguleren. Ondanks het feit dat aan een dergelijke opslag de nodige
                    voorschriften zijn verbonden zal het toestaan van dergelijke opslagplaatsen in
                    bijvoorbeeld woonwijken voor de nodige maatschappelijke onrust zorgen, is
                    bereikbaarheid bij calamiteiten een belangrijk aspect en dient tevens gelet te
                    worden op de verkeersaantrekkende werking. Het verdient de aanbeveling om voor
                    de verkoop van consumentenvuurwerk beleidsregels vast te stellen. De
                    beleidsregels moeten gebaseerd zijn op dwingende redenen van algemeen belang,
                    waartoe behoren de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en
                    het milieu.</al><al>In de beleidsregels zou kunnen worden vastgesteld dat bij de beoordeling van een
                    vergunningaanvraag rekening wordt gehouden met eerdere resultaten van controles
                    door politie, brandweer, afdeling milieu van de desbetreffende gemeente of
                    milieudienst.</al><tussenkop>Artikel 2.6.3 Bezigen van vuurwerk</tussenkop><al>het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af te
                    steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00
                    uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk wordt op
                    dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het vuurwerkgebruik aan
                    de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding daarvan in de
                    Nederlandse volkscultuur.</al><al>Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen
                    zijn waar het afsteken van consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar
                    moet worden geacht (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met
                    rieten daken, in winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het
                    college de bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk altijd verboden is.</al><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><tussenkop>Derde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat</tussenkop><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage 'onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet' opgenomen. De Opiumwet is een strafrechtelijk
                    instrument waarin onder meer de verbodsbepalingen staan van middelen die worden
                    genoemd op lijst I ('harddrugs') en II ('softdrugs') die behoren bij deze wet.
                    Zo wordt verboden deze middelen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te
                    verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren en aanwezig te hebben. In
                    de Opiumwet wordt geen aandacht besteed aan overlast ten gevolge van drugshandel
                    op straat. Om hiertegen te kunnen optreden is het noodzakelijk in de APV een
                    artikel op te nemen dat het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en
                    van strafbare feiten tot doel heeft.</al><al>Artikel 2.7.1 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. De
                    straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten.</al><al>In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    ('drugsrunners') strafbaar gesteld.</al><al>Het 'kennelijk doel' kan blijken uit ervaringsfeiten en concrete omstandigheden
                    zoals het aanspreken van voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><tussenkop>Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Artikel 2.8.1 s gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a van de
                    Gemeentewet Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te
                    houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats
                    van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet
                    gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit
                    de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het
                    bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in)
                    een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij
                    groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te
                    houden. Artikel 2.8.1 voorziet hierin.</al><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede 'overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet' impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van 'door hem [= de burgemeester]
                    aangewezen groepen'. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen
                    waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren
                    door de formulering 'degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging
                    manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...'. Verder kan
                    de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich
                    bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen
                    die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of
                    door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de
                    groep.</al><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich
                    bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    lenen. De huidige APV biedt hiervoor een aantal mogelijkheden. Het is echter
                    niet noodzakelijk om alle bepalingen uit de APV die in aanmerking komen, aan te
                    wijzen als voorschrift waarvan de groepsgewijze niet-naleving de mogelijkheid
                    van bestuurlijke ophouding biedt. Welke bepalingen aangewezen zullen moeten
                    worden in artikel 2.8.1, zal afhangen van de lokale situatie waarbij eerdere
                    ervaringen met grootschalige openbare ordeverstoringen als leidraad kunnen
                    dienen.</al><al>De volgende bepalingen kunnen relevant zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>artikel 2.1.1.1 (samenscholingsverbod); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.1.5.1 (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.1.5.2 (aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg);</al></li><li nr="·"><al>artikel 2.1.6.4 (openen straatkolken en dergelijke); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.1.6.7 (gevaarlijk of hinderlijk voorwerp); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.4.7 (hinderlijk gedrag op of aan de weg); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.4.8 (hinderlijk drankgebruik); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.4.9 (hinderlijk gedrag in of bij gebouwen); </al></li><li nr="·"><al>artikel 2.4.10 (gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten)</al></li><li nr="·"><al>artikel 2.6.3 (bezigen van vuurwerk) én</al></li><li nr="·"><al>artikel 5.5.1 (verbod om vuur te stoken). </al></li></lijst><al>Verondersteld mag worden dat bepalingen als artikel 2.2.3 (ordeverstoring bij
                    evenementen) en 2.3.1.7 (ordeverstoring in een horecabedrijf) onvoldoende
                    specifiek zijn om te worden aangewezen. </al><tussenkop>Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: </al><lijst><li nr="·"><al>vervoermiddelen te onderzoeken; </al></li><li nr="·"><al>een ieders kleding te onderzoeken; </al></li><li nr="·"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="·"><al>te bevorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er srake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.</al><al>De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                    die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk
                    voor de handhaving van de openbare orde.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                    e.d.</tussenkop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><tussenkop>1. Verordenende bevoegdheid van gemeenten</tussenkop><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, de
                    verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend 'ter regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de gemeente': blijkens artikel 108, eerste
                    lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de
                    behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen.</al><al>Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet, maar - voorzover het betrekking heeft op prostitutie - tevens op
                    artikel 151a Gemeentewet. </al><al>Gemeenten mogen, bijvoorbeeld aan het beroep van bordeelhoud(st)er of van
                    prostituee, beperkingen opleggen ter 'regeling en bestuur van de gemeentelijke
                    huishouding': in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of het milieu.</al><tussenkop>Artikel 3.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Prostitutie en prostituee(onder a en b)</tussenkop><al>Deze omschrijving van het begrip 'prostitutie' is afgeleid van de definitie in
                    artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om onder andere
                    taalkundige redenen zijn de termen 'derde' en 'betaling' uit de definitie in het
                    Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk 'ander'
                    en 'vergoeding'.</al><tussenkop>Seksinrichting (onder c)</tussenkop><al>Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening.
                    Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie
                    bewust gekozen voor een algemene omschrijving. 'Seksinrichting' als hier
                    omschreven zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten
                    worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een
                    zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden
                    aangemerkt. </al><tussenkop>Escortbedrijf (onder d)</tussenkop><al>Een escortbedrijf is een bedrijf dat - meestal telefonisch - bemiddelt tussen
                    klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant
                    naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een
                    kantoortje zijn, maar ook een telefooncentrale, een mobiele telefoon of een
                    website op Internet. De plaats van de bedrijfsruimte is bepalend voor de
                    vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de services actief aan door middel van
                    advertenties en andere reclame-uitingen. Uiteraard kan er ook sprake zijn van
                    een combinatie van een seksinrichting en een escortservice.</al><tussenkop>Sekswinkel (onder e)</tussenkop><al>De omschrijving van het begrip 'sekswinkel' is ontleend aan de Winkeltijdenwet.
                    Ook in deze begripsomschrijving is bepaald dat hoofdzakelijk van verkoop van
                    goederen in casu van erotisch-pornografische aard sprake moet zijn. Zonder die
                    aanduiding zouden immers vele tijdschriftenwinkels als sekswinkel moeten worden
                    aangemerkt.</al><al>Op de openingstijden van sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet van
                    toepassing. Een sekswinkel is geen 'seksinrichting' als hierboven omschreven; de
                    exploitatie ervan is niet onderworpen aan de vergunningplicht van artikel 3.2.1,
                    eerste lid. De vestiging van sekswinkels zal doorgaans afdoende kunnen worden
                    gereguleerd langs de weg van het bestemmings plan</al><tussenkop>Bezoeker (onder h)</tussenkop><al>Het behoeft geen betoog dat, tegen de achtergrond van de bij of krachtens de
                    artikelen 3.2.3 of 3.2.4 vastgestelde sluitingsuren, niet alle in de inrichting
                    aanwezige personen als 'bezoeker' moeten worden aangemerkt.</al><al>Van het begrip 'bezoeker' zijn behalve de exploitant(en), de beheerder(s), de
                    prostituees en de personeelsleden van de exploitant, tevens toezichthouders en
                    opsporingsambtenaren uitgezonderd, alsmede andere personen wier aanwezigheid in
                    de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is (hierbij valt te denken
                    aan personen die de inrichting moeten kunnen betreden voor het leveren van
                    goederen, of voor het uitvoeren van reparatie- of onderhoudswerkzaamheden).</al><tussenkop>Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan</tussenkop><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze bevoegdheidsafbakening
                    noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college belast met de uitvoering van
                    raadsbesluiten (waaronder autonome verordeningen als deze) tenzij bij of
                    krachtens de wet de burgemeester daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier
                    voor: artikel 174 belast de burgemeester namelijk met 'het toezicht op de
                    openbare samenkomsten en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek
                    openstaande gebouwen en daarbij behorende erven' (eerste lid) en met 'de
                    uitvoering van verordeningen voorzover deze betrekking hebben op het in het
                    eerste lid bedoelde toezicht' (derde lid).</al><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden aangemerkt
                    als het bevoegde bestuursorgaan. </al><tussenkop>Artikel 3.1.3 Nadere regels</tussenkop><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3.1.3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Uit het eerste lid vloeit een voor de hele gemeente geldende vergunningplicht
                    voort. Het wijzigen van de seksinrichting valt eveneens onder de
                    vergunningplicht. Met het wijzigen wordt bedoeld een wijziging van welke aard
                    dan ook. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verandering van bouwkundige
                    aard, het aantal exploitanten, de wijze van exploitatie en de naam van een of
                    meerdere exploitanten. Dit is om te voorkomen dat de vergunning uit de pas loopt
                    met de feitelijke situatie.</al><al>Ook kan, om de exploitatie van seksinrichtingen te reguleren vanuit het belang
                    van openbare orde enz. ervoor worden gekozen het aantal vergunningen dat kan
                    worden verleend aan een maximum te binden. In 2000 is in Oegstgeest besloten
                    voor een maximum van 1 seksinrichting te kiezen.</al><al>In deze bepaling is ervoor gekozen om escortbedrijven aan dezelfde
                    vergunningplicht als seksinrichtingen te onderwerpen. Hierdoor wordt een
                    eenduidige systematiek gehanteerd. De vergunning zal echter veel minder
                    omvattend (kunnen) zijn, omdat de activiteiten van een escortbedrijf nu eenmaal
                    niet in een inrichting plaatsvinden. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                    zich derhalve veelal beperken tot de toetsing van de antecedenten van de
                    exploitant en beheerder. </al><al>a. <vet>Tweede lid</vet></al><al>De ruime strekking van de in het eerste lid genoemde vergunningplicht laat
                    vanzelfsprekend onverlet, dat het bevoegd bestuursorgaan zich aan de hand van
                    een ingediende vergunningaanvraag een oordeel moet (kunnen) vormen over alle
                    rechtstreeks bij het te nemen besluit betrokken belangen (artikel 3:4 van de
                    Awb). Indiening en inontvangstneming van een aanvraag staan dus nadrukkelijk in
                    het teken van het vergaren van alle kennis over relevante feiten en betrokken
                    belangen, die nodig is om tot een zorgvuldige afweging te kunnen komen.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat in de aanvraag ten minste moet zijn vermeld wat
                    de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf is en wie de exploitant en de
                    beheerder zijn. Voor de beoordeling van de vergunningaanvraag en voor de
                    ingevolge artikel 1.4 op te leggen vergunningsvoorschriften of beperkingen is de
                    aard van de seksinrichting relevant. Het is van belang te weten of het om
                    bijvoorbeeld een prostitutiebedrijf of een sekstheater gaat, of een combinatie.
                    De vraag of vergunning kan worden verleend voor raamprostitutiebedrijven, wordt
                    in de meeste gevallen strenger beoordeeld dan een andere seksinrichting. </al><tussenkop>Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder</tussenkop><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    'decriminaliseren' van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het, ook volgens de wetgever, van belang dat bij de
                    besluitvorming over een aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een
                    seksinrichting rekening gehouden kan worden met de antecedenten van de daarbij
                    betrokken personen: de exploitant en de beheerder(s). Aan het orgaan dat bevoegd
                    is (meestal de burgemeester) vergunningen als bedoeld in dit hoofdstuk af te
                    geven, kunnen gegevens uit de justitiële documentatieregisters worden verstrekt
                    over personen die als exploitant of beheerder zijn vermeld in een aanvraag .
                    (artikel 13 van het Besluit justitiële gegevens)</al><tussenkop>Artikel 3.2.3 Sluitingstijden</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De in het eerste lid opgenomen sluitingsbepaling is gegrond op artikel 149 van
                    de Gemeentewet. De raad kan verplichte sluitingstijden voor openbare (waaronder
                    seks)inrichtingen vaststellen ter bescherming van de openbare orde, de openbare
                    veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel
                    1.4 voor een of meer afzonderlijke seksinrichtingen andere sluitingstijden
                    vaststellen. Volgens het tweede lid kan daartoe een voorschrift worden verbonden
                    aan de vergunning die aan de exploitant van de betrokken inrichting(en) zal
                    worden verleend. Zo'n vergunningvoorschrift is er een als bedoeld in artikel 1.4
                    en moet mitsdien strekken ter bescherming van het belang of de belangen in
                    verband waarmee de vergunning vereist is.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Anders dan de sluitingsbepalingen van het eerste en tweede lid, richt het derde
                    lid zich tot de bezoeker van een seksinrichting. Indien een bezoeker met
                    toestemming van de exploitant of beheerder in de inrichting aanwezig is
                    gedurende de tijd dat deze gesloten dient te zijn, handelt hij in strijd met het
                    derde lid. Indien een bezoeker echter zonder toestemming van de exploitant of
                    beheerder in de inrichting aanwezig is en zich niet op diens eerste vordering
                    verwijdert, handelt hij in strijd met artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk). Laatstgenoemde bepaling staat aan het opnemen van het derde
                    lid niet in de weg: artikel 138 ziet toe op de bescherming van de aan de
                    eigendom verbonden rechten; het derde lid van artikel 3.2.3 strekt tot
                    handhaving van een publiekrechtelijke regeling.</al><tussenkop>Vierde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                    sluiting</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Ten opzichte van artikel 3.2.3 (bij of krachtens welke bepaling kan worden
                    voorgeschreven wat voor seksinrichtingen het 'reguliere' sluitingstijdenregime
                    is) biedt artikel 3.2.4 de mogelijkheid om daarvan al dan niet tijdelijk af te
                    wijken. Volgens het eerste lid kan die afwijking inhouden dat:</al><al>Aan zo'n tijdelijke afwijking moeten een of meer van de in artikel 3.3.2, tweede
                    lid, genoemde belangen ten grondslag liggen, of er moet sprake zijn van
                    strijdigheid met het bepaalde in dit hoofdstuk. Het bevoegd bestuursorgaan kan
                    daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in het belang van de openbare
                    orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of beperking van overlast en
                    dergelijke.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Een besluit op grond van het eerste lid (zowel onder a als b), richt zich
                    doorgaans tot een of meer belanghebbenden - de betrokken exploitant(en) - en
                    moet aan hen worden bekendgemaakt overeenkomstig artikel 3:41 van de Awb.</al><al>Nu het bezoekers verboden is in een seksinrichting te verblijven gedurende de
                    tijd dat deze gesloten dient te zijn (artikel 3.2.3, derde lid), is in het
                    tweede lid bepaald dat een krachtens het eerste lid genomen besluit, behalve aan
                    de betrokken exploitant(en), ook openbaar wordt bekendgemaakt. Dat kan op de
                    door 3:42 Awb voorgeschreven wijze geschieden. Het zichtbaar aanplakken van de
                    geslotenverklaring op de inrichting zelf verdient aanbeveling.</al><tussenkop>Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                    beheerder</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Om effectiever te kunnen op treden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid niet
                    slechts een gebod (een verplichting tot aanwezigheid), maar een verbod
                    opgenomen. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een algemene
                    verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde in de
                    inrichting. Daarbij zullen zij zich in ieder geval, maar niet uitsluitend,
                    moeten richten op het voorkomen en tegengaan van onvrijwillige prostitutie,
                    prostitutie door minderjarigen of illegalen, drugs- of wapenhandel, heling,
                    geweldsdelicten en dergelijke.</al><tussenkop>Artikel 3.2.6 Straatprostitutie</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij
                    het plaatsvindt op de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college
                    daartoe heeft aangewezen. Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten
                    worden gehouden met de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid. Aan de
                    hand van de omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of tot
                    aanwijzing van een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in het
                    belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van de
                    gemeente) of juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en leefomgeving
                    of de openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel zou
                    uitmaken).</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid heeft betrekking op straatprostitutie buiten de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden en geeft - ter handhaving van het verbod daarop -
                    politieambtenaren de bevoegdheid een bevel tot onmiddellijke verwijdering te
                    geven. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk gevolg te geven vloeit voort uit
                    artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie op
                    niet-naleving.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het derde en vierde lid hebben betrekking op straatprostitutie binnen de daartoe
                    aangewezen gebieden en tijden. Krachtens het in lid 3 gestelde kan, bijvoorbeeld
                    in het belang van de openbare orde en veiligheid of de voorkoming of beperking
                    van overlast ter plaatse, door politieambtenaren een bevel tot onmiddellijke
                    verwijdering worden gegeven aan prostituees, maar ook aan andere aldaar
                    aanwezige personen. De plicht om aan zo'n bevel onmiddellijk gevolg te geven
                    vloeit voort uit artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, evenals de sanctie
                    op niet-naleving.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Als het mondeling bevel tot verwijdering als bedoeld in lid 3 geen soelaas
                    blijkt te bieden, kan naar het middel van de schriftelijke verblijfsontzegging
                    in het vierde lid worden gegrepen. Een verblijfsontzegging behelst een verbod om
                    zich na aanzegging door of vanwege de burgemeester te bevinden - in casu - op de
                    wegen en gedurende de tijden als bedoeld in het eerste lid, voorzover in de
                    aanzegging genoemd. </al><tussenkop>Artikel 3.2.7 Sekswinkels</tussenkop><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3.1.1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het 'seksinrichting'-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><tussenkop>Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter: het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voorzover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. Hoewel denkbaar is dat deze bepaling in de praktijk vooral zal
                    worden toegepast ten aanzien van sekswinkels, richt zij zich op het
                    tentoonstellen en dergelijke als zodanig; zij kan dus bijvoorbeeld ook
                    betrekking hebben op erotisch-pornografische foto's of afbeeldingen aangebracht
                    aan sekstheaters, bedoeld om de aandacht van het publiek te vestigen op de
                    daarin plaatsvindende voorstellingen.</al><tussenkop>Artikel 3.3.1 Beslissingstermijn</tussenkop><al>Volgens artikel 4:13, eerste lid, van de Awb moet een beschikking worden gegeven
                    binnen de termijn die daarvoor bij wettelijk voorschrift is bepaald (of, bij
                    gebreke daarvan, binnen een redelijke termijn). Dat wettelijk voorschrift is in
                    casu artikel 1.2, eerste lid, waarin is bepaald dat het bevoegd bestuursorgaan
                    op een aanvraag om vergunning of ontheffing moet beslissen binnen acht weken na
                    de datum van ontvangst, welke beslissing voor ten hoogste acht weken kan worden
                    verdaagd (tweede lid).</al><al>De voorgeschreven beslissingstermijn (van artikel 1.2 of artikel 3.3.1) is een
                    termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de bevoegdheid te
                    beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel tot een fictieve
                    weigering waartegen door belanghebbenden bezwaar kan worden aangetekend (artikel
                    6:2, onder b, van de Awb). Opneming van artikel 3.3.1 ligt daarom in de rede
                    indien moet worden aangenomen dat de in artikel 1.2 genoemde beslissingstermijn
                    niet incidenteel maar als regel te kort zal zijn.</al><tussenkop>Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden</tussenkop><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de 'huishouding', tot het regelen en
                    besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Ten onrechte zou de aanduiding
                    'weigeringsgronden' hierbij de indruk kunnen wekken dat genoemde belangen
                    slechts zouden kunnen worden behartigd door geen vergunning te verlenen. Waar
                    het om gaat is dat deze belangen de grondslag vormen voor de uitoefening van de
                    bevoegdheden die het gemeentebestuur terzake toekomen. Die uitoefening kan
                    inhouden dat met betrekking tot (de exploitatie van) prostitutie op basis van de
                    in dit artikel genoemde belangen:</al><al>De hier genoemde belangen moeten dus enerzijds worden beschouwd als de grondslag
                    voor (en begrenzing van) het gemeentelijk beleid en anderzijds als handvatten om
                    de (exploitatie van) prostitutie te reguleren, maximeren en beheersen.</al><tussenkop>Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie</tussenkop><tussenkop>Eerste en tweede lid</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in de omstandigheid dat de exploitant zijn bedrijf heeft
                    beëindigd of heeft overgedaan aan een rechtsopvolger. Onder beëindiging wordt
                    tevens verstaan wijziging van de naam van de exploitant of van een of meerdere
                    namen van de exploitanten. Een nieuwe vergunning moet dan worden aangevraagd. In
                    het eerste lid is bepaald dat de vergunning bij feitelijke beëindiging van de
                    exploitatie van rechtswege komt te vervallen. Het bevoegd bestuursorgaan heeft
                    er belang bij een actueel overzicht te kunnen hebben van de in de gemeente
                    actieve exploitanten; in verband daarmee is in het tweede lid bepaald, dat
                    binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie daarvan moet
                    worden kennisgegeven.</al><tussenkop>Artikel 3.4.2 Wijziging beheer</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het bevoegd bestuursorgaan heeft er belang bij eveneens een actueel overzicht te
                    kunnen hebben van de in de gemeente actieve beheerders; in verband daarmee is in
                    het eerste lid bepaald dat, indien een of meer beheerders van een inrichting hun
                    werkzaamheden feitelijk hebben beëindigd, de exploitant daarvan binnen een week
                    na die feitelijke beëindiging moet kennisgeven. Anders dan bij beëindiging van
                    de exploitatie, leidt het vertrek van een beheerder niet tot het van rechtswege
                    vervallen van de vergunning: denkbaar is immers dat het beheer in de inrichting
                    in handen is van meer personen of dat het beheer in handen komt van de
                    exploitant zelf.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Denkbaar is ook dat de exploitant de plaats van de vertrokken beheerder(s) wenst
                    te laten innemen door een of meer andere personen. Het tweede lid verlangt in
                    dat geval dat de exploitant het bevoegd bestuursorgaan verzoekt om, zoals is
                    voorgeschreven in artikel 3.2.1, tweede lid, onder b, de nieuwe beheerder(s) te
                    vermelden in de aan hem verleende vergunning. Daarbij dient ten aanzien van de
                    nieuwe beheerder(s) een antecedentenonderzoek plaats te vinden.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In dit lid is bepaald dat de nieuwe beheerder al aan de slag kan vanaf het
                    moment dat de aanvraag is ingediend. Hierdoor is enerzijds gewaarborgd dat er
                    voor die tijd geen nieuwe beheerders werkzaam kunnen zijn. Dit zou immers het
                    aantonen van schijnbeheer aanzienlijk bemoeilijken. Anderzijds wordt hiermee
                    tegemoet gekomen aan in de praktijk noodzakelijke flexibiliteit. </al><tussenkop>Artikel 3.5.1 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Vervallen.</al><al>Er bestaat in Oegstgeest geen noodzaak om overgangsrecht te formuleren.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu enz.</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Inrichtingen</tussenkop><al>In het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb) van de Wet milieubeheer (Wm)
                    zijn de categorieën van inrichtingen aangewezen die nadelige gevolgen kunnen
                    veroorzaken voor het milieu. Deze inrichtingen moeten een vergunning aanvragen
                    op grond van de Wm. Onder inrichting verstaat de Wm (in artikel 1.1, eerste lid)
                    'elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was,
                    ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden
                    verricht'. Ook (tijdelijke) uitbreidingen van de inrichting die onderdeel
                    uitmaken van de inrichting, zoals bijvoorbeeld een feesttent, vallen onder de
                    vergunningplicht.</al><al>De vergunningplicht geldt niet voor inrichtingen die zijn aangewezen in een
                    besluit op grond van artikel 8.40 van de Wm. Dit betreft bijvoorbeeld het
                    Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij de
                    omschrijving van het begrip 'inrichting' in het artikel 4.1.1. is aansluiting
                    gezocht bij de definitie van dit begrip in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer.</al><al>Gezien de maatschappelijke functie die onder het besluit vallende inrichtingen
                    vervullen, biedt het besluit de mogelijkheid ontheffing te verlenen van de
                    voorschriften die zien op de geluid- en trillinghinder. De bedrijven waarvoor
                    geluid een belangrijk item is en die vooral gebruik zullen willen maken van deze
                    regeling zijn de horeca, discotheken en sociaal-culturele voorzieningen. Op
                    grond van voorschrift 1.1.9 uit de bijlage onder B van het Besluit kan de
                    gemeenteraad in een verordening vaststellen dat gedurende een bepaalde periode
                    de geluidsvoorschriften van het besluit niet gelden.</al><tussenkop>Bevoegdheidstoedeling in deze paragraaf</tussenkop><al>De uitvoering van de artikelen 4.1.2 en 4.1.3 is neergelegd bij burgemeester en
                    wethouders. Daarnaast is in artikel 4.1.4. aangegeven dat de burgemeester een
                    incidentele festiviteit kan verbieden indien naar zijn oordeel het woon- en
                    leefklimaat of de openbare orde wordt verstoord. Deze bevoegdheid is niet
                    gebaseerd op de Wm, maar is een autonome aanvulling welke voortvloeit uit
                    artikel 149 jo artikel 174 van de Gemeentewet. Op grond van dit laatste artikel
                    is de burgemeester belast met het toezicht op de voor het publiek openstaande
                    gebouwen. </al><tussenkop>Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde voorschriften niet
                    gelden vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en onder a van de bijlage
                    onder B van het Besluit horeca, sport en recreatie inrichtingen milieubeheer
                    (Besluit). Dit voorschrift voorziet er overigens in dat op deze dagen overmatige
                    geluidhinder moet worden voorkomen (de voorschriften gelden niet 'voor zover de
                    naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd'). </al><al>Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis, culturele,
                    sportieve of recreatieve manifestatie. In dit artikel is de uitvoering van de
                    regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een
                    raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve
                    festiviteiten worden aangewezen. Gemeenten zijn derhalve vrij om het maximum
                    aantal dagen te bepalen waarvoor de voorschriften niet gelden. Deze verruiming
                    betekent dat het college beter rekening kan houden met de geplande
                    festiviteiten, zoals Koninginnedag, kermis, carnaval enz.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De bevoegdheid om te bepalen dat dit voorschrift niet geldt, vloeit voort uit
                    artikel 1.5.2 van de bijlage, onder B van het Besluit. Dit voorschrift is met
                    name bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere competities en
                    recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun
                    lichtinstallatie. </al><al>Een voorbeeld van een collectieve festiviteit in het licht van het tweede lid is
                    een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook
                    hier verdient het aanbeveling het college jaarlijks in samenspraak met de
                    plaatselijke sportverenigingen vast te laten stellen op welke data de
                    betreffende voorschriften niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het college maakt het aantal aangewezen collectieve festiviteiten minstens vier
                    weken voor de aanvang van het nieuwe jaar bekend. Daar een dergelijke aanwijzing
                    een besluit van algemene strekking is, dienen de bekendmakingsregels van artikel
                    3:42 Awb in acht te worden genomen. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer er een feest plaatsvindt dat niet was te voorzien, bijvoorbeeld wanneer
                    de plaatselijke voetbalvereniging landskampioen is geworden, heeft het college
                    de bevoegdheid dit feest terstond aan te wijzen als een collectieve festiviteit
                    waardoor de voorschriften van het Besluit niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>De bevoegdheid uit het eerste lid vloeit voort uit voorschrift 1.1.9, aanhef en
                    onder b uit de bijlage onder B van het Besluit.</al><al>Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of slechts een klein
                    aantal inrichtingen gebonden is zoals een optreden met levende muziek bij een
                    café, een jubileum of een straatfeest. Bij een incidentele festiviteit kan
                    gedacht worden aan een veteranentoernooi of een 'vroege vogels'-toernooi. In dit
                    voorschrift is bepaald dat het maximum aantal incidentele festiviteiten waarvoor
                    het voorschrift niet geldt, zes per jaar betreft. </al><tussenkop>Derde en vierde lid</tussenkop><al>Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een
                    kennisgevingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit.
                    Wanneer de termijn van twee weken om de festiviteit te beoordelen te kort is kan
                    het bevoegd gezag overwegen deze termijn in de verordening te verlengen.</al><al>Uit de formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van
                    de inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit
                    houdt, deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond
                    van het besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit
                    dient voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften. Niet
                    naleving van die voorschriften kan ertoe leiden dat op grond van artikel 18.2
                    van de Wet milieubeheer (Wm) bestuursrechtelijk of op grond van artikel 18.18
                    van de Wm strafrechtelijk wordt opgetreden.</al><al>De termijn voor het indienen van een kennisgeving stelt het college in staat te
                    beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige
                    geluidhinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen. </al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Wanneer er in een inrichting een festiviteit plaatsvindt die redelijkerwijs niet
                    te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto 'de honderdduizend'
                    gewonnen heeft, heeft het college de bevoegdheid dit feest terstond aan te
                    wijzen als incidentele festiviteit waardoor de voorschriften van het besluit,
                    zonder dat daartoe een kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 4.1.4 Verboden incidentele festiviteiten</tussenkop><al>De regeling in het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                    milieubeheer gaat ervan uit dat wanneer bij of krachtens verordening dagen zijn
                    aangewezen, de houder van de inrichting toestemming heeft om de
                    geluidsvoorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7, 1.1.5 of het voorschrift 1.5.1 over
                    verlichting te overschrijden en daarmee dus enige hinder kan veroorzaken.</al><al>Indien blijkt dat door een op zichzelf op basis van het Besluit toegestane
                    festiviteit het woon en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de
                    openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de burgemeester de
                    festiviteit verbieden. De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op
                    grond van artikel 174 van de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester
                    is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben
                    op het toezicht op de voor publiek openstaande gebouwen. Dat de raad de
                    bevoegdheid heeft het Besluit met een autonome bepaling aan te vullen vloeit
                    voort uit artikel 121 en 149 van de Gemeentewet. In de toelichting bij het
                    Besluit is expliciet vermeld dat de APV aanvullende voorschriften kan bevatten
                    vanuit openbare orde motieven. Het hoeft geen betoog dat de burgemeester niet
                    ongeclausuleerd gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Er moet steeds concreet
                    worden gemotiveerd waarom de festiviteit tot een zo grote verstoring van de
                    openbare orde of het woon en leefklimaat leidt dat een verbod geboden is.</al><tussenkop>Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder</tussenkop><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede ‘buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer’ op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van artikel 8.40 Wet milieubeheer van toepassing. In
                    deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, het
                    Vuurwerkbesluit en artikel 2.4.16 APV een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom
                    is gekozen om deze wetten/regels afzonderlijk te benoemen in lid 3. </al><al>De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale
                    milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden
                    aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij
                    provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van
                    geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale
                    milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening. </al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><al>Artikel 4.1.5 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="·"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.; </al></li><li nr="·"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen; </al></li><li nr="·"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; </al></li><li nr="·"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen; </al></li><li nr="·"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="·"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. </al></li><li nr="·"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. </al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4.1.5 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt
                    door het beoefenen van 'lawaaiige' hobby's, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz.</al><al>Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria
                    of normen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften. </al><tussenkop>Afdeling 4.2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</tussenkop><tussenkop>Een aparte afvalstoffenverordening</tussenkop><al>In december 2003 heeft de VNG voorgesteld de afvalstoffenbepalingen op te nemen
                    in een aparte verordening (en dus uit de APV te halen). De wijziging van de Wet
                    milieubeheer (structuur beheer afvalstoffen, Staatsblad 2001, 346) gaf
                    aanleiding om deze afdeling te herzien. </al><al>In Oegstgeest staan tot op heden de afvalstoffenbepalingen nog in de APV.</al><al>Redenen voor een aparte afvalstoffenverordening</al><al>De volgende redenen kunnen worden genoemd voor het apart uitbrengen van een ASV. </al><lijst><li nr="a."><al>Autonomie versus medebewind</al><al>De APV is in het algemeen gebaseerd op de bevoegdheid van de gemeente om
                            onderwerpen die de gemeentelijke huishouding aangaan aanvullend te
                            reguleren op grond van artikel 149 Gemeentewet. Het opstellen van een
                            afvalstoffenverordening vloeit echter voort uit de wettelijke plicht
                            voor gemeenten, gebaseerd op artikel 10.23, eerste lid, Wet
                            milieubeheer. In afdeling 4.2 van de APV waren naast
                            medebewindsbepalingen ook enkele autonome bepalingen opgenomen. De
                            grondslag van de ASV in artikel 10.23, eerste lid, Wet milieubeheer is
                            echter verbreed. De afvalstoffenverordening wordt voortaan in het belang
                            van de bescherming van het milieu vastgesteld. De behoefte om autonome
                            bepalingen op te nemen in de afvalstoffenverordening is hierdoor
                            nagenoeg beperkt. </al></li><li nr="b."><al>Motief van openbare orde versus milieubelang </al><al>De APV reguleert algemeen de openbare orde. De nieuwe ASV is door de
                            wijziging van de Wet milieubeheer een volledige medebewindsverordening
                            geworden en stelt uitsluitend regels in het belang van de bescherming
                            van het milieu. </al></li><li nr="c."><al>De omvang van afdeling 4.2. APV</al></li></lijst><al>Afdeling 4.2 van de APV past - ook qua omvang - niet meer in de opzet van de
                    APV. De meeste onderwerpen zijn - in het kader van de aanvullende bevoegdheid op
                    grond van artikel 149 Gemeentewet - kort en bondig van aard. Een onderwerp wordt
                    doorgaans gereguleerd in één of enkele bepalingen. Afdeling 4.2 kende
                    bijvoorbeeld al negentien bepalingen. Een groot aantal gemeenten werkt al met
                    een aparte afvalstoffenverordening. </al><tussenkop>Artikel 4.2.1 Straatvegen</tussenkop><al>Deze verkeersbeperkende bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk
                    worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving.</al><tussenkop>Artikel 4.2.2 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 4.2.3 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare
                    riolen en putten buiten gebouwen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Algemene toelichting afdeling 4.3 Het bewaren van
                    houtopstanden</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving zijn de
                    bepalingen inzake het bewaren van houtopstanden in 2004 uit de APV gehaald.
                    Gekozen is voor het uitgangspunt dat in beginsel geen kapvergunning vereist is
                    voor het vellen van een boom tenzij deze staat vermeld op de door de gemeente
                    opgestelde en vastgestelde bomenlijst.</al><tussenkop>Afdelingen 4.5 Bescherming van Flora en Fauna</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.4.1 Bescherming groenvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.4.2 Beschermde planten; hout sprokkelen</tussenkop><al>Deze artikelen komen te vervallen vanwege het inwerkingtreden van de Flora- en
                    faunawet op 1 april 2002. Deze wet regelt de bescherming van de in Nederland in
                    het wild levende dieren en planten. Daarnaast is de herziene
                    Natuurbeschermingswet in werking getreden. Hierin zijn de verplichtingen van de
                    lidstaten van de Europese Unie ten aanzien van het in stand houden van de
                    vogelstand, respectievelijke van de natuurlijke leefomgevingen en de wilde flora
                    en fauna in de gehele Europese Unie, gedeeltelijk geïmplementeerd.</al><tussenkop>Afdeling 5 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.5.1 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</tussenkop><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten . Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al>De categorieën e. afvalstoffen en f. autowrakken vervallen omdat de opslag van
                    afvalstoffen voortaan wordt geregeld in de afvalstoffenverordening. Artikel 25,
                    sub c, Wet milieubeheer biedt hier uitdrukkelijk de basis voor. Een autowrak is
                    overigens per definitie een afvalstof. Omdat de categorie f. autowrakken
                    vervalt, kan de afbakening met het Besluit Beheer Autowrakken vervallen.</al><al>De in de afdeling 5.1 'Parkeerexcessen' opgenomen artikelen bevatten onder meer
                    bepalingen ten aanzien van het plaatsen of hebben op de weg van niet-rijklare
                    voertuigen en voertuigwrakken, het gebruik van de weg als stallingsruimte voor
                    auto's door garagebedrijven e.d. en het parkeren van caravans e.d.</al><al>Indien er sprake is van niet-inrichtingsgebonden activiteiten, kunnen de
                    hinderlijke effecten hiervan ook met artikel 4.1.5 worden bestreden.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Door in het eerste lid de zinsnede ‘buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op te nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Hierdoor vervalt in het vierde lid de afbakening met de Wet
                    milieubeheer. </al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 4.5.1a Stankoverlast door verspreiding van
                    meststoffen</tussenkop><al>In artikel 9 van de Wet bodembescherming is bepaald dat bij algemene maatregel
                    van bestuur regels kunnen worden gesteld in het belang van de bescherming van de
                    bodem. Hiertoe kunnen regels behoren met betrekking tot het op of in de bodem
                    brengen van meststoffen.</al><al>Met het Besluit gebruik meststoffen is aan dit artikel uitvoering gegeven. In
                    het Besluit zijn maatregelen genomen ten aanzien van het tijdstip en de wijze
                    van uitrijden van meststoffen. </al><al>Het Besluit gebruik meststoffen is gebaseerd op de Wet bodembescherming. De
                    regels in het Besluit zijn gesteld in het belang van de bescherming van de
                    bodem. In artikel 5, eerste lid, van het Besluit wordt bepaald dat het verboden
                    is meststoffen te gebruiken op grasland, bouwland, braakland of niet-beteelde
                    grond, tenzij de meststoffen emissie-arm worden aangewend. </al><al>De hoofdregel in het Besluit gebruik messtoffen is dat meststoffen emissie-arm
                    worden aangewend. In het tweede lid wordt aangegeven dat het verbod niet geldt
                    voor gronden die gelegen zijn in de gebieden die zijn aangegeven op de kaarten
                    in bijlage I van het Besluit, waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt
                    uitgeoefend alsmede op bouwland, braakland of niet-beteelde grond, gelegen op
                    Texel. Het derde lid bepaald dat het niet verbod niet van toepassing is op het
                    gebruik van vaste mest op grasland of op gronden waarop uitsluitend fruitteelt
                    wordt uitgeoefend. </al><al>Er is gekozen voor het verbieden van het uitrijden van meststoffen op zaterdag
                    en zondag en de aangegeven feest- en gedenkdagen. Onder 'feest- en gedenkdagen'
                    worden in dit artikel niet alleen de nationale feestdagen (nieuwjaarsdag, de
                    eerste en tweede Paasdag, de eerste en tweede Pinksterdag, Hemelvaartsdag, de
                    eerste en tweede Kerstdag, 5 mei en de dag waarop de verjaardag van de Koningin
                    wordt gevierd) gerekend, maar er kan ook rekening worden gehouden met lokale
                    feestdagen.</al><al>Het verbod geldt niet indien tijdens het uitrijden de mest direct wordt
                    ondergewerkt, omdat er in dat geval geen sprake is van stankoverlast. </al><tussenkop>Artikel 4.5.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</tussenkop><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is artikel 4.5.2 ingrijpend herzien. Dat houdt in dat de
                    reclamevergunning voor onverlichte reclames geheel is verdwenen en vervangen
                    door een algemene regel die verbiedt om door middel van een reclame het verkeer
                    in gevaar te brengen of hinder dan wel overlast te veroorzaken voor
                    omwonenden.</al><al>De gedachte daarachter is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis
                    doorgaans een bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden
                    getoetst. Een reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast
                    wordt veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk
                    valt te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle
                    reclames in stand te houden.</al><al>Er is voor gekozen om een vergunningsplicht in stand te houden voor
                    lichtreclame. Dit is gedaan omdat de kans dat door lichtreclame hinder of zelfs
                    gevaar ontstaat groter is dan bij onverlichte reclame, ook in die gevallen
                    waarvoor geen bouwvergunning is vereist (bijvoorbeeld als de reclame vanaf de
                    buitenkant zichtbaar in het pand is aangebracht). </al><tussenkop>Artikel 4.4.2. Verbod hinderlijke of gevaarlijke
                    handelsreclame</tussenkop><al>Handelsreclame is gedefinieerd in artikel 1.1, aanhef en onder k, van de APV
                    als: elke openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk
                    beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Onroerende zaken zijn volgens het
                    artikel 3:3, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek onder meer de grond, de met
                    de grond verenigde beplantingen en de gebouwen en werken die duurzaam met de
                    grond zijn verenigd. </al><tussenkop>Reclame en de vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>In het begrip handelsreclame ligt besloten dat het in artikel 4.5.2 gaat om
                    niet-ideële reclame, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Zie
                    ook de toelichting bij artikel 1.1, aanhef en onder k (handelsreclame). </al><tussenkop>Artikel 4.5.3 Vergunningplicht lichtreclame</tussenkop><tussenkop>Tweede lid: weigeringsgronden</tussenkop><al>Naast de algemene weigeringsgronden in artikel 1.8 APV geldt hier een specifieke
                    weigeringsgrond: overlast voor omwonenden</al><tussenkop>Derde lid, Afbakening, onder b:</tussenkop><al>De rechter heeft eerder uitgemaakt dat wanneer er een bouwvergunning is vereist,
                    er geen plaats meer is voor een andere vergunning zoals in dit geval een
                    reclamevergunning, als die niet meer inhoudt dan een tweede welstandstoets.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                    gemeente</tussenkop><tussenkop>Bevoegdheid tot regeling van parkeerexcessen</tussenkop><tussenkop>Begrip 'parkeerexces'</tussenkop><al>In de wegenverkeerswetgeving wordt nergens aangegeven wat het begrip
                    'parkeerexces' precies inhoudt. Degene die tot taak heeft hieromtrent
                    verbodsbepalingen te formuleren, zal evenwel tevoren dienen te weten wat dit
                    begrip omvat. Mede omdat ook dit aspect van het verkeer aan een voortschrijdende
                    ontwikkeling onderhevig is, is van het begrip 'parkeerexces' bezwaarlijk een
                    voldoende concrete definitie te geven. Blijkens de jurisprudentie kan onder het
                    begrip 'parkeerexces' ieder excessief parkeren op de weg worden begrepen, dus: </al><lijst><li nr="a."><al>zowel wanneer het parkeren op de weg betreft dat met het oog op de
                            verdeling van de beschikbare parkeerruimte jegens andere weggebruikers,
                            die gelegenheid om te parkeren behoeven, buitensporig is en uit dien
                            hoofde niet toelaatbaar kan worden geacht (verkeersmotief; eigenlijke
                            aanvulling).</al><al>In deze omschrijving ligt besloten, dat het gebruik van de weg als
                            parkeerplaats op zich zelf niet ongeoorloofd is te achten, maar wel dat
                            de aard van het voertuig, het met het parkeren beoogde doel of het
                            aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist
                            in vergelijking met de behoefte aan parkeerruimte van anderen;</al></li><li nr="b."><al>alsook wanneer het gaat om parkeren dat onaanvaardbaar is te achten om
                            andere motieven, zoals het tegengaan van aantasting van de openbare orde
                            of veiligheid en de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente, voorkoming van uitzichtbelemmering en stankoverlast
                            (oneigenlijke aanvulling).</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.1.1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>Onder a</tussenkop><al>Concreet gaat het om alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden
                    met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen
                    behorende paden en bermen of zijkanten. De artikelen 5.1.2, 5.1.2a, 5.1.3,
                    5.1.4, 5.1.5, eerste lid, onder a, 5.1.6, 5.1.7, tweede lid, en 5.1.8 hebben
                    derhalve slechts op 'echte' parkeerexcessen betrekking. De andere artikelen in
                    deze afdeling strekken zich ook uit tot gedragingen buiten de weg in de zin van
                    de WVW 1994. De daar bedoelde plaatsen zullen doorgaans wél zijn aan te merken
                    als 'weg' in de zin van deze APV (zie art. 1.1 onder A).</al><al>Ook voor het openbaar verkeer openstaande parkeerterreinen kunnen onder de
                    definitie van 'weg' in de zin van de WVW 1994 worden gebracht.</al><al>Onder parkeerplaats wordt ook een parkeerterrein begrepen. Al vallen
                    parkeerterreinen onder de werking van de onderhavige parkeerexcesbepalingen, dit
                    neemt niet weg dat zij in een aantal gevallen daarvan zullen moeten worden
                    uitgezonderd. Te denken valt bij voorbeeld aan het parkeren van vrachtwagens.
                    Het is immers evident dat parkeerterreinen een belangrijke functie vervullen ten
                    behoeve van een redelijke verdeling van de beschikbare parkeerruimte, zie verder
                    de toelichting bij artikel 5.1.7.</al><tussenkop>Onder c</tussenkop><al>De gegeven definitie bewerkstelligt dat enkele vormen van doen of laten staan
                    van voertuigen, die moeten worden ontzien, buiten de werking van de voorgestelde
                    verbodsbepalingen blijven. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en
                    het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn dan immers activiteiten die
                    door deze bepalingen niet worden bestreken. Evenmin zullen deze bepalingen van
                    toepassing kunnen zijn ten aanzien van voertuigen die bij een garagebedrijf
                    stilstaan om benzine te tanken; in dit geval is er geen sprake van parkeren.
                    Anders dan het RVV 1990 richten de bepalingen van afdeling 5.1. van de APV zich
                    ook tot niet-bestuurders die anderszins belanghebbend zijn bij een voertuig (de
                    eigenaar, huurder, opdrachtgever etc.) zodat de zinsnede 'het laten stilstaan'
                    een iets ruimere strekking heeft dan in de wegenverkeerswetgeving gebruikelijk
                    is. Die ruimere strekking maakt het mogelijk dat ook de andere belanghebbenden
                    bij het voertuig (dan de bestuurder) kunnen worden aangesproken op niet-naleving
                    van de (parkeer)verboden in deze afdeling.</al><tussenkop>Artikel 5.1.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en
                    exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                    voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto's die hun toebehoren of zijn
                    toevertrouwd. Het gaat hier om situaties waarin het gebruik van parkeerruimte op
                    buitensporige wijze plaats heeft en uit dien hoofde niet toelaatbaar kan worden
                    geacht (verkeersmotief).</al><al>Bij het opstellen van deze bepaling is er naar gestreefd de delictomschrijving
                    zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering
                    moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan met name het bewijs dat betrokkene
                    'zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte' van de hier bedoelde
                    activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen 'hem toebehoren of
                    zijn toevertrouwd', onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden 'drie
                    of meer voertuigen' zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te doen
                    zijn. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het
                    kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren
                    van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto('s) van de exploitant en
                    eventueel van zijn gezinsleden mogelijk. (Zie het derde lid, onder b.)</al><tussenkop>Eerste lid, onder b</tussenkop><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het
                    kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake
                    geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd
                    over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid.</al><al>Met het oog op het vorenstaande is het derhalve wenselijk de strafbaarheid van
                    het herstellen of slopen op de weg niet te relateren aan de omstandigheid dat er
                    sprake moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                    van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de vorengenoemde
                    bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten of zich in de
                    onmiddellijke omgeving meer auto's bevinden die betrokkene 'toebehoren of zijn
                    toevertrouwd'. Wel zij er hier op gewezen dat zowel het verontreinigen van de
                    weg als het veroorzaken van hinderlijk rumoer reeds is verboden bij artikel
                    2.4.7. Met de hier bedoelde bepaling kan naar verwachting beter worden
                    opgetreden tegen met het slopen en repareren van voertuigen gepaard gaande
                    geluid- en stankoverlast en verontreiniging van de weg.</al><al>Ingevolge de aanhef is slechts diegene strafbaar die bij herhaling de weg als
                    werkplaats voor reparatie- of sloopdoeleinden gebruikt.</al><al>Ook voor diegenen moet echter de mogelijkheid blijven bestaan aan de door hem
                    (en zijn gezin) gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten. Het
                    vierde lid opent deze mogelijkheid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Regelmatig kwam de vraag naar voren of rijschoolhouders en taxibedrijven die in
                    de uitoefening van hun (neven)bedrijf drie of meer auto's op de weg parkeren ook
                    onder het verbod van het eerste lid van dit artikel vallen. De Afdeling
                    rechtspraak van de Raad van State heeft omtrent deze vraag beslist dat het bij
                    elkaar parkeren van drie of meer taxi's door een exploitant van een taxibedrijf
                    niet valt onder de werking van deze bepaling. Aangezien het parkeren van
                    voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan
                    aannemen, is in het tweede lid daarom expliciet bepaald dat onder 'verhuren',
                    zoals in het eerste lid bedoeld, mede wordt verstaan het gebruiken van
                    voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het vervoeren van personen tegen
                    betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg door rijschoolhouders
                    en taxiondernemers worden opgetreden. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het verlenen van een ontheffing ingevolge dit lid zal in het algemeen op zijn
                    plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs
                    moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden ten dienste
                    staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto's op de weg te parkeren. Te
                    denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand
                    bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de
                    nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren c.q. daarover op andere
                    wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard
                    voorschriften worden verbonden, onder meer omtrent de plaats waar en de tijd
                    gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg
                    mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter
                    plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd.</al><tussenkop>Artikel 5.1.2a Te koop aanbieden van voertuigen</tussenkop><al>Het komt regelmatig voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de
                    openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem.
                    Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks
                    sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                    beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden.</al><al>Anders ligt het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                    worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de
                    omwonenden aanzienlijke overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                    voertuigen trekt immers kooplustigen aan. Ook wordt er een aanmerkelijk beslag
                    op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Wanneer de lokale overheid dit gedrag
                    als ongewenst beschouwt en het daarom wil tegengaan, moet er voor gewaakt worden
                    dat de verbodsbepaling niet al te diep in het verkeer ingrijpt. Het gaat te ver
                    wanneer een eigenaar zijn voertuig niet meer voor zijn woning zou kunnen
                    parkeren omdat er een bordje te koop achter de voorruit hangt. Waar precies de
                    grens van het ingrijpen ligt kan niet altijd helder aangegeven worden. Wanneer
                    een groot aantal voertuigen bij elkaar te koop wordt aangeboden, is het
                    duidelijk dat die grens overschreden is. Hoe zit het evenwel met twee voertuigen
                    die bij een druk bezocht winkelcentrum te koop aangeboden worden? Vaak moet aan
                    de hand van de plaatselijke omstandigheden beoordeeld worden of de grens wel of
                    niet overschreden is.</al><al>Het verdient daarom geen aanbeveling een algemeen verbod in de APV op te nemen.
                    Gekozen is voor een constructie waarin het college de bevoegdheid heeft gebieden
                    aan te wijzen waar het verbod van kracht is.</al><al>Wanneer er naar het oordeel van het college sprake is van overlast kan het
                    verbod activeren. Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5.1.1, onderdeel
                    c, wordt het begrip 'parkeren' zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich
                    niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere
                    belanghebbenden bij het voertuig.</al><tussenkop>Artikel 5.1.3 Defecte voertuigen</tussenkop><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><tussenkop>Artikel 5.1.4 Voertuigwrakken</tussenkop><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak in de eerste plaats
                    aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt
                    een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het op
                    de weg plaatsen of hebben van een wrak is dus primair om die reden excessief.
                    Daarnaast kan echter ook het zo juist genoemde verkeersmotief een rol spelen bij
                    het uitvaardigen van dit verbod.</al><al>Ofschoon een wrak vaak niet meer zal kunnen worden beschouwd als voertuig in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving, is de onderhavige bepaling gezien haar
                    strekking en het verband met de andere bepalingen wel als parkeerexcesbepaling
                    aan te merken. </al><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                    bepaling.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 5.1.5 Caravans e.d.</tussenkop><tussenkop>Eerste lid, onder a</tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens e.d. op de weg. In deze bepaling
                    zijn de woorden 'parkeren' gewijzigd in 'te plaatsen of te hebben' om de
                    handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter
                    verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt
                    overtreding van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede 'of
                    een ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins
                    uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd' is beoogd
                    aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet
                    'dagelijks' worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.
                    Het excessieve van het hier bedoelde parkeren is in de eerste plaats gelegen in
                    het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee gepaard gaat. Daarnaast
                    is dat het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>Het plaatsen of hebben gedurende ten hoogste drie (achtereenvolgende) dagen
                    wordt niet verboden, opdat de betrokkene de gelegenheid zal hebben zijn
                    kampeerwagen, caravan of camper voor een te ondernemen reis gereed te maken,
                    respectievelijk na de reis op te ruimen.</al><al>Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg is er voor gekozen om
                    de redactie van de bepaling in het eerste lid onder a stringenter te redigeren
                    en direct voor de gehele gemeente van toepassing te verklaren:</al><al>'a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of
                    te hebben;'</al><tussenkop>Derde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 5.1.6 Parkeren van reclamevoertuigen </tussenkop><al>Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame
                    maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg te
                    parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de
                    zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam
                    van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van
                    de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen
                    worden immers niet primair gebruikt 'met het kennelijke doel om daarmee
                    handelsreclame te maken', maar vooral als vervoersmiddel.</al><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><tussenkop>Artikel 5.1.7 Parkeren van grote voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt mogelijkheden te verschaffen om aantasting van het
                    uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van bepaalde
                    voertuigen tegen te gaan. Het doen of laten staan van grote voertuigen kan
                    immers op bepaalde plaatsen, zoals op dorpspleinen, voor monumenten en
                    historische gebouwen, in parken, op rustieke plekjes in open landschappen een
                    ernstige aantasting van het stads-, dorps- of landschapsschoon betekenen.
                    Vrachtauto's, aanhangwagens, kermiswagens en reclameauto's bijvoorbeeld kunnen
                    op dergelijke plaatsen een zeer storend element vormen. Het zijn deze situaties
                    waarop deze bepaling het oog heeft.</al><al>Aangezien de plaatsen waar ontsiering van de hiervoor vermelde objecten zich kan
                    voordoen, vrijwel steeds aan te geven zullen zijn, is de bepaling aldus
                    geredigeerd dat het verbod slechts geldt ten aanzien van die plaatsen die het
                    college heeft aangewezen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994), omdat het gepaard gaat met een
                    excessief gebruik van de weg.</al><al>Met betrekking tot dit motief: buitensporig gebruik van de weg, wordt opgemerkt,
                    dat het in dat verband niet noodzakelijkerwijs om (het parkeren van) méér
                    voertuigen behoeft te gaan. Ook het parkeren van één groot voertuig kan een
                    parkeerexces in deze zin opleveren.</al><al>In het licht van het motief van deze bepaling is het stellen van een hoogtegrens
                    minder opportuun. Uit de aanwijzing van plaatsen waar het parkeren van grote
                    voertuigen niet toelaatbaar is, zal duidelijk moeten blijken of deze aanwijzing
                    is gebaseerd op de bepaling van het eerste lid of die van het tweede lid, zulks
                    mede in verband met het bepaalde in het derde lid. Geschiedt een aanwijzing door
                    middel van een verwijzing naar een plattegrond (zie onder eerste lid) dan kan
                    bij voorbeeld door het gebruik van verschillende kleuren bij het arceren van de
                    plaatsen waar niet geparkeerd mag worden, worden aangegeven welk motief ten
                    grondslag ligt aan de aanwijzing of dat beide motieven daaraan ten grondslag
                    liggen. Zeer wel denkbaar is echter dat aan een aanwijzing beide motieven ten
                    grondslag kunnen liggen.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De werking van het in het tweede lid gestelde verbod is ingevolge dit lid
                    beperkt tot de avond en de nacht, alsmede het weekeinde en de doordeweekse
                    feestdagen. Het lijkt in het algemeen niet redelijk om het parkeren van grote
                    voertuigen op de weg ook gedurende de werkdag te verbieden. Dit zou de belangen
                    van met name handel en industrie te zeer schaden. Dit ligt echter anders wanneer
                    de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente in het geding is. </al><al>Het parkeren van grote voertuigen op plaatsen waar dit naar de mening van het
                    college schadelijk is voor dit uiterlijk aanzien, moet te allen tijde verboden
                    kunnen worden. Daarom geldt de in het derde lid vervatte uitzondering niet voor
                    het in het eerste lid gestelde verbod.</al><al>Overigens blijft ook tijdens de perioden waarin het verbod bedoeld in het tweede
                    lid niet van toepassing is, het zodanig parkeren van vrachtwagens dat aan
                    bewoners of gebruikers van gebouwen hinder of overlast wordt aangedaan, verboden
                    krachtens het hierop volgende artikel 5.1.8</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Naast de krachtens het tweede lid geldende beperkingen kent dit lid aan het
                    college de bevoegdheid toe ter zake van de in de eerste twee leden omschreven
                    verboden een ontheffing te verlenen.</al><al>Aldus kan worden voorkomen dat de werking van deze verboden zou leiden tot een
                    onevenredige aantasting van bedrijfsbelangen.</al><al>Verzoeken om ontheffing zullen van geval tot geval moeten worden bekeken.
                    Omstandigheden welke in beginsel door alle bedrijven - ongeacht de aard - kunnen
                    worden aangevoerd, rechtvaardigen op zich nog geen ontheffing.</al><al>Van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing zal onder meer gebruik
                    dienen te worden gemaakt:</al><lijst><li nr="·"><al>voor voertuigen die worden gebezigd bij de uitvoering van openbare
                            werken en bij bouwwerkzaamheden, voor zover ze in de onmiddellijke
                            nabijheid van het werk worden geparkeerd; </al></li><li nr="·"><al>voor chauffeurs die een schriftelijke medische verklaring overleggen,
                            waaruit blijkt dat betrokkene niet van een speciaal daartoe aangewezen
                            parkeerterrein gebruik kan maken en ook vaststaat dat betrokkene zonder
                            ontheffing in moeilijkheden zou komen. </al></li></lijst><al>Verder zou een soepel ontheffingenbeleid kunnen worden gevoerd, voor zover het
                    gaat om bij voorbeeld:</al><lijst><li nr="·"><al>rijdende winkels; </al></li><li nr="·"><al>wagens van kermisexploitanten; </al></li><li nr="·"><al>wagens van bedrijven die in geval van bij voorbeeld ongevallen in het
                            wegverkeer terstond moeten kunnen 'uitrukken' (sleepwagens e.d.); </al></li><li nr="·"><al>voertuigen die speciaal uitgerust zijn voor bijzondere transporten
                            (auto's met speciale klimaatregeling) of anderszins zodanig afwijken
                            (elektrowagens met beperkte actieradius) dat bijzondere eisen aan de
                            parkeerplaats moeten worden gesteld. </al></li></lijst><al>Aan een ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden betreffende
                    de tijd en de plaats waarop deze zal gelden.</al><tussenkop>Artikel 5.1.8 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5.1.7.</al><al>Door opneming van de bestanddelen 'of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan' zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    'hoogwerkers', meetwagens e.d.</al><tussenkop>Artikel 5.1.9 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                    stoffen</tussenkop><al>Deze bepaling ziet op hinder en overlast die voor bewoners of gebruikers van
                    nabijgelegen gebouwen of terreinen kunnen ontstaan door het parkeren van
                    voertuigen met stankverspreidende stoffen, zoals vrachtauto's van
                    destructiebedrijven, vismeelfabrieken e.d.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 5.1.10 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een 'oneigenlijk'
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de 'weg' (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg.</al><al>Bermen maken wel deel uit van de 'wegen' in de zin van artikel 1 van de WVW
                    1994. Aangezien de berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de
                    desbetreffende weg betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de
                    berm, zoals parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto's,
                    motoren e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder 'wegen' ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5.1.10 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De
                    wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in
                    een groenvoorziening wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de
                    zin van de Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2.4.6.</al><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen 'doen of laten staan' in
                    plaats van 'parkeren', omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Bij de onder a bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder b.</al><tussenkop>Artikel 5.1.11 Overlast van fiets of bromfiets</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Op grond van het tweede lid is het verboden (brom)fietswrakken op de weg te
                    laten staan. Zowel in de stallingsruimten voor (brom)fietsen als overigens op de
                    weg kunnen deze (brom)fietswrakken veel overlast, ontsiering van de gemeente of
                    schade aan de openbare gezondheid veroorzaken.</al><al>Het gaat hierbij om (brom)fietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van
                    onderhoud en tevens in een verwaarloosde toestand verkeren. Deze wrakken die
                    doorgaans aan niemand meer toebehoren, kunnen op grond van het tweede lid van
                    dit artikel worden opgehaald en als grof vuil worden afgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 5.2.1 Inzameling van geld of goederen</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>In het kader van de vermindering van regelgeving en de vereenvoudiging van
                    vergunningen is gekeken of de inzamelingsvergunning gehandhaafd dient te worden
                    of dat er andere mogelijkheden zijn variërend van afschaffen van de vergunning
                    tot een algemene regel.</al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. </al><al>De commercialisering en professionalisering en het feit dat er sprake is van een
                    lucratieve markt, doen vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een
                    inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Verwacht wordt een grote toename van al
                    dan niet commerciële inzamelaars die zich op de dan vrije markt zullen begeven.
                    De gevolgen hiervan ondervindt de burger aan zijn voordeur of op straat. Dit is
                    de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de APV.</al><al>Wat betreft de inzamelingsvergunning wordt een doorlopende vergunning verstrekt
                    voor de instellingen die voorkomen op het collecterooster. In Oegstgeest is dit
                    al het geval. Voor instellingen die niet voorkomen op het collecterooster wordt
                    een vergunning voor bepaalde tijd afgegeven. Vaak betreft het een lokale
                    organisatie waarbij specifiek voor die organisatie geldende voorwaarden worden
                    gesteld. Juist doordat de gemeente bij deze instellingen niet kan afgaan op een
                    oordeel van het CBF dient deze zelf een afweging te maken of sprake is van een
                    bonafide instelling. Daarbij is het uitgangspunt van het collecterooster dat er
                    slechts één organisatie per week huis-aan-huis mag collecteren met het oog op
                    het voorkomen van overlast. </al><al>De inzamelingsvergunning bevatte in het verleden geen
                        <cursief>weigeringsgronden</cursief>. Gezien de ontwikkelingen op het gebied
                    van inzamelen (mogelijk meerdere aanvragen voor inzamelen op straat, waarbij je
                    een maximumstelsel wilt hanteren) is het gewenst om weigeringgronden te kunnen
                    hanteren. De weigeringgronden van artikel 1.8 APV zijn dus ook van toepassing op
                    de inzamelingsvergunning.</al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Voor het houden van een openbare inzameling is een vergunning van het college
                    nodig. Het artikel ziet op de welbekende inzamelingen van geld middels
                    collectebussen, maar ook op inzamelingen met gebruik van intekenlijsten en de
                    inzameling van goederen. Dit laatste komt bijvoorbeeld voor als burgers gevraagd
                    wordt een bijdrage te leveren aan een voedselpakket. Dit kan middels een gift in
                    geld maar ook door (vooraf bepaalde) producten te kopen en vervolgens te
                    doneren. Voor de openbaarheid van de inzameling is het voldoende dat deze op of
                    aan de openbare weg dan wel op een andere voor het publiek toegankelijke plaats
                    plaatsvindt. De bepaling ziet zowel op het collecteren voor een ideëel als voor
                    een commercieel doel. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is aangegeven dat ook een vergunning vereist is, indien bij
                    een inzameling geschreven of gedrukte stukken worden aangeboden. Het komt
                    veelvuldig voor dat het collecteren plaatsvindt onder gelijktijdige aanbieding
                    van gedrukte stukken, zoals prentbriefkaarten, mapjes briefpapier e.d., waarbij
                    de opbrengst een charitatieve bestemming heeft.</al><al>In het tweede lid van artikel 5.2.1. zijn de beide handelingen - het collecteren
                    en het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte stukken - bewust van elkaar
                    gescheiden. Volgens dit tweede lid is uitsluitend het houden van openbare
                    inzamelingen van een vergunning afhankelijk, niet het daarbij aanbieden of
                    verspreiden van geschreven of gedrukte stukken. Dit houdt dus in dat als een
                    aanvraag om een inzamelingsvergunning wordt geweigerd waarbij de aanvrager van
                    plan was om bij de geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het
                    recht om deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan. </al><al>De gedrukte stukken worden daarbij slechts ter ondersteuning van die actie
                    uitgereikt en zijn niet elementair voor het verschijnsel collecte. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5.2.1 is een uitzondering op de vergunningplicht
                    opgenomen voor inzamelingen die gehouden worden 'in besloten kring'. De
                    uitdrukking 'in besloten kring' doelt op gevallen waarin tussen de inzamelende
                    instelling en de persoon tot wie zij zich richt een bepaalde kerkelijke,
                    maatschappelijke of verenigingsband bestaat, welke binding de achtergrond vormt
                    van de actie. Het begrip 'besloten kring' veronderstelt een nauwere band dan
                    alleen het gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal moeten aangeven dat er ook
                    een zekere gemeenschappelijke bekendheid is. Dit zal niet het geval zijn, indien
                    de band tussen aanbieder en cliënt uitsluitend wordt gevonden in het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap van een grote organisatie als een vak- of een
                    omroepvereniging. Ditzelfde geldt voor het behoren tot een zelfde
                    kerkgenootschap. Wordt de actie echter gevoerd binnen een bepaalde kerkelijke
                    gemeente of wijk, of door een plaatselijke afdeling van een landelijke
                    vereniging, dan zal weer wel sprake kunnen zijn van een besloten kring.</al><tussenkop>Het Centraal Bureau Fondsenwerving</tussenkop><al>Het CBF is het eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op
                    het gebied van fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF
                    vormen een leidraad bij het verstrekken van de incidentele
                    inzamelingsvergunningen door de gemeenten aan instellingen die niet voorkomen op
                    het collecterooster. Via afspraken met alle gemeenten en een aantal grote
                    nationale fondsen is in 1949 een 'collectenplan' gerealiseerd. Dit plan houdt
                    onder meer in dat het CBF jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan,
                    een rooster vaststelt waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun
                    inzamelingsactie een week wordt toegewezen. De 'vrije' perioden zijn beschikbaar
                    voor andere instellingen. Een essentieel element van het rooster is de
                    exclusiviteit. De fondsen krijgen desgevraagd als enige een
                    inzamelingsvergunning van alle gemeenten voor de betreffende week. Slechts in
                    goed overleg tussen betrokken instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop
                    uitzonderingen mogelijk.</al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Men kan twee soorten vergunningen onderscheiden. De eenmalige vergunning en de
                    vergunning voor onbepaalde tijd, ook wel de doorlopende vergunning genoemd die
                    uitsluitend bestemd is voor de instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster.</al><al>De collectevoorwaarden verbonden aan beide vergunningen kunnen grotendeels
                    gelijk zijn.</al><al>De doorlopende vergunning geldt voor de zogenoemde Collecteplaninstellingen, de
                    instellingen die zich hebben aangesloten bij Stichting Collecteplan, omdat deze
                    gebonden zijn aan de voorwaarden van het zogenoemde collecterooster.</al><al>Het verlenen van een doorlopende vergunning voor collecten die in
                    overeenstemming zijn met het collecteplan, maakt deel uit van de verbetering van
                    de dienstverlening door gemeenten aan burgers en het bedrijfsleven. De
                    inzamelende instelling is gebaat bij het niet jaarlijks aanvragen van de
                    vergunning. De werkdruk wordt voor zowel de inzamelende instelling als de
                    gemeente enigszins verminderd Wel is een meldingsplicht vereist en blijft de
                    gemeente bijhouden of er in een bepaalde periode gecollecteerd wordt of niet. De
                    gemeente dient een instelling die zich niet meldt te benaderen, om te weten te
                    komen of deze van de aan hem toebedeelde collecteperiode al dan niet gebruik
                    maakt. Dan kunnen ook de burgers (en doorgaans ook de politie in het kader van
                    de handhaving) worden geïnformeerd over welke instelling die periode
                    collecteert.</al><al>Het is niet zo dat de gemeente kan bepalen dat instellingen die voorkomen op het
                    collecterooster geen vergunning meer nodig hebben. Het CBF en het
                    collecterooster ontlenen hun kracht voor een groot deel aan de vergunningen van
                    de gemeenten doordat zij zich aansluiten bij het rooster. </al><tussenkop>Toelichting op de voorwaarden</tussenkop><al>Instellingen met een doorlopende vergunning zijn verplicht om drie maanden van
                    te voren te melden of ze al dan niet gebruik maken van de vergunning. Het
                    college neemt kennis van deze mededeling en beantwoordt dat met een
                    schriftelijke bevestiging. Het is praktisch om in deze bevestiging de op dat
                    moment geldende voorschriften die aan de inzamelingsvergunning zijn verbonden op
                    te nemen als service aan de inzamelende organisatie, zodat deze herinnerd wordt
                    aan de vergunningvoorwaarden. Het college zal, bij instellingen welke twee jaar
                    achtereen geen gebruik maken van de doorlopende vergunning, deze intrekken,
                    zodat de vrije periode in deze gemeente verruimd wordt.</al><tussenkop>Artikel 5.2.2 Venten e.d.</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Artikel 5.2.2 gaat uit van een algeheel verbod op het venten, behoudens indien
                    met een door het college verstrekte vergunning wordt gehandeld. In het tweede
                    artikellid worden de uitzonderingen op het verbod genoemd. Het derde artikellid
                    geeft aan wanneer de aangevraagde vergunning kan worden geweigerd.</al><al>Uit jurisprudentie volgt dat de venter zijn waren voortdurend moet aanbieden
                    vanaf een andere plaats. Verkoop vanuit een rijdende winkelwagen wordt ook tot
                    het venten gerekend.</al><tussenkop>Tweede lid, onder a</tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Dientengevolge moet het venten met gedrukte of
                    geschreven stukken van de verbodsbepaling uit het eerste lid van het APV-artikel
                    worden uitgezonderd.</al><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de
                    volgende criteria toegestaan:</al><lijst><li nr="·"><al>de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte
                            stukken; </al></li><li nr="·"><al>er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet
                            resulteren in een algeheel verbod. </al></li></lijst><tussenkop>Daklozenkrant</tussenkop><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2.1.3.1. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. </al><tussenkop>Tweede lid, onder b</tussenkop><al>De reikwijdte van het geformuleerde ventverbod betreft in beginsel ook het aan
                    de deur afleveren van goederen. In bepaalde gevallen worden echter artikelen die
                    in een winkel zijn aangeschaft door de winkelier of zijn personeel aan huis
                    afgeleverd. Een dergelijk afleveren van goederen betreft niet de verkoop van
                    goederen aan de deur, waardoor de openbare orde wordt aangetast. Hiervoor wordt
                    dan ook een uitzondering gemaakt.</al><tussenkop>Tweede lid, onder c</tussenkop><al>Met betrekking tot particuliere of 'snuffel'-markten, kan de gemeente in het
                    belang van de openbare orde regels stellen. Van een snuffelmarkt is sprake
                    wanneer een markt wordt gehouden die is georganiseerd door particulieren. Deze
                    markten vallen niet onder de reikwijdte van artikel 160, eerste lid, aanhef en
                    onder h, van de Gemeentewet. Voorzover de openbare orde geraakt wordt, vallen
                    deze particuliere markten wel onder artikel 5.2.4 APV.</al><tussenkop>Tweede lid, onder d</tussenkop><al>Voor een goed begrip van de artikelen 5.2.2 en 5.2.3 van de APV is het
                    noodzakelijk het onderscheid tussen venten en verkoop vanaf een standplaats te
                    verduidelijken. Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van
                    kleinhandel, waarbij de goederen aan willekeurige voorbijgangers worden
                    aangeboden, dan wel het huis-aan-huis aanbieden van goederen. Onder het innemen
                    van een standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf
                    eenzelfde plaats, al dan niet gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een
                    kraam of een aanhangwagen, in de openbare ruimte.</al><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers.</al><al>Daar tussen het venten met goederen en het aanbieden van goederen vanaf een
                    standplaats een onderscheid wordt gemaakt, is het noodzakelijk dat in de
                    APV-bepaling waarin het venten met goederen wordt geregeld, een uitzondering
                    wordt gemaakt voor het aanbieden van goederen vanaf een standplaats.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat het verboden is te venten zonder vergunning van
                    het college. In het belang van de rechtszekerheid moet worden aangegeven wanneer
                    een vergunning kan worden geweigerd. Met het vaststellen van de
                    weigeringsgronden wordt bepaald in welke gevallen de vereiste vergunning kan
                    worden geweigerd of wanneer de vergunning moet worden verleend. De motieven op
                    grond waarvan de gemeente het venten met goederen mag ordenen, zijn gebaseerd op
                    artikel 149 Gemeentewet. De onderwerpen die tot de huishouding van de gemeente
                    worden gerekend - en op grond waarvan een vergunning kan worden geweigerd -
                    zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>openbare orde; </al></li><li nr="·"><al>voorkomen of beperken overlast;</al></li><li nr="·"><al>verkeersvrijheid of -veiligheid; </al></li><li nr="·"><al>bijzondere omstandigheden (verzorgingsniveau van de consument). </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5.2.2.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Het is van belang te omschrijven wat onder venten wordt verstaan omdat het
                    uitoefenen van de ambulante handel (het venten) onderscheiden moet worden van
                    enerzijds de collectevergunning en anderzijds de standplaatsvergunning. Onder
                    venten met goederen wordt dan ook verstaan: de uitoefening van kleinhandel
                    waarbij goederen aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel het
                    huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van belang
                    dat de venter in beweging is. De venter biedt zijn waren voortdurend aan vanaf
                    een andere plaats. Het tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is geen
                    venten. Van venten of colporteren is sprake wanneer voor deze goederen een reële
                    contraprestatie in de vorm van een vast bedrag wordt gevraagd. In principe
                    worden bij collecteren geen goederen aangeboden, maar gaat het om het inzamelen
                    van geld en goederen. Verkrijgt men een drukwerk of ander goed door een
                    willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                    contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of te
                    overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of ideëel doel,
                    dan is sprake van een collecte. De goederen worden daarbij slechts ter
                    ondersteuning van die actie uitgereikt. Het onderscheid tussen venten en het
                    innemen van een standplaats, betreft de periode gedurende welke goederen vanaf
                    dezelfde plaats op straat worden aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het
                    tien minuten standplaats innemen vereist een standplaatsvergunning en geen
                    ventvergunning. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit. </al><tussenkop>Artikel 5.2.2.2 Ventverbod</tussenkop><al>Het oude artikel 5.2.2 ging uit van een algeheel verbod op venten, behalve als
                    met een door het college verstrekte vergunning werd gehandeld. Nu is gekozen
                    voor een algemene regel. Het is nog slechts verboden te venten als de openbare
                    orde wordt verstoord, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu
                    in gevaar komen. Er is tot het afschaffen van het vergunningstelsel besloten,
                    omdat in de meeste gemeenten venten geen overlast e.d. oplevert. De praktijk van
                    vergunningverlening is dat men de vergunning vrijwel altijd verleent onder
                    dezelfde voorwaarden. Overlast kan ook achteraf worden aangepakt. In de praktijk
                    is het noodzakelijk beleidsregels te formuleren in welke gevallen sprake is van
                    gevaar voor de in het artikel genoemde motieven. Dergelijke beleidsregels moeten
                    bekend gemaakt worden. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid is ingevoegd om te voorkomen dat burgers op zondag of in de late
                    avonduren en nacht worden lastig gevallen door venters. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Het derde lid bevat een afbakening naar hogere regelgeving. Artikel 5 van de
                    Wegenverkeerswet luidt: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat
                    gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer
                    op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.</al><tussenkop>Artikel 5.2.2.3 Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><tussenkop>Venten met gedrukte stukken</tussenkop><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van 'een zelfstandig
                    middel van bekendmaking' in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de
                    Grondwet.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3 Standplaatsen</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.3 ziet duidelijk op het te koop aanbieden van goederen vanaf een
                    vaste plaats. Hiermee wordt dan ook een onderscheidend criterium gevormd ten
                    opzichte van het venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er
                    immers vanuit gegaan, dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere
                    plaats in de openbare ruimte moet aanbieden.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.3, tweede lid, verbiedt de rechthebbende op een terrein toe te laten
                    dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is
                    verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen degene die zonder
                    vergunning een standplaats inneemt te vervolgen, maar ook de eigenaar van de
                    grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.3, derde lid, heeft als strekking dat voor het aanbieden van
                    gedrukte stukken geen vergunning kan worden geëist. Dit aanbieden van gedrukte
                    stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. </al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.3, vierde lid, bepaalt dat het in artikel 5.2.3, eerste lid,
                    geformuleerde verbod op het innemen van een standplaats behoudens een vergunning
                    van het college niet geldt ten aanzien van het innemen van een standplaats op
                    een door de gemeente ingestelde markt op basis van artikel 160, eerste lid,
                    aanhef en onder h, van de Gemeentewet of op een snuffelmarkt (zie art. 5.2.4).
                    Degene die op een door de gemeente ingestelde markt een standplaats wil innemen
                    zal zich moeten houden aan de regels die in veel gemeenten in een
                    marktverordening zijn neergelegd.</al><al>Voor het innemen van een standplaats op een bepaald evenement is geen vergunning
                    krachtens artikel 5.2.3 nodig. Op het evenement zijn de artikelen 2.2.1 en 2.2.2
                    van toepassing, waarbij de bepalingen met betrekking tot het innemen van een
                    standplaats niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>Artikel 5.2.3, vijfde lid, geeft een aantal weigeringsgronden waarop een
                    vergunning die in het eerste lid van artikel 5.2.3 vereist wordt, kan worden
                    geweigerd.</al><tussenkop>Zesde lid, Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling.</al><tussenkop>Zesde lid onder a</tussenkop><al>Indien de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal reglement van
                    toepassing zijn, heeft de APV geen aanvullende werking. Daarom zijn beide
                    regelingen gekoppeld aan het verbod van het eerste lid.</al><tussenkop>Zesde lid onder b en c</tussenkop><al>In de praktijk kan het voorkomen dat voor het aanbieden van goederen vanaf een
                    standplaats van een bepaald product meer dan één vergunning vereist is. Een
                    voorbeeld is het verkopen van vis of frites vanaf een standplaats. Hierop is
                    zowel het regime van de APV van toepassing, als de bepalingen van de Wet
                    milieubeheer. Indien de viskraam een bouwwerk is, is ook de Woningwet van
                    toepassing. Indien een milieuvergunning en/of een bouwvergunning worden
                    verleend, moet het college bij het aanvragen van een standplaatsvergunning ook
                    nog toetsen aan de weigeringsgronden van het vijfde lid. Een vergunning kan dan
                    alsnog worden geweigerd op grond van de APV. De gemeente kan de
                    standplaatsvergunning weigeren op grond van de weigeringsgronden in het vijfde
                    lid, onder a en c t/m f, in het geval van toepasselijkheid van de Wet
                    milieubeheer, en a, b en d t/m f in het geval er sprake is van een bouwwerk. </al><tussenkop>Artikel 5.2.3.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Deregulering bestaat niet alleen uit het verminderen van administratieve lasten,
                    maar ook uit het verhelderen en vereenvoudigen van regels. In het kader van de
                    deregulering is daarom het oude artikel 5.2.3 opgedeeld in vijf artikelen en is
                    de tekst verduidelijkt. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Artikel
                    5.2.3.1 bevat een begripsomschrijving en voorziet voorts in uitzonderingen. Het
                    hebben van een standplaats ziet op het te koop aanbieden van goederen vanaf een
                    vaste plaats. Dit is dan ook het onderscheidend criterium ten opzichte van het
                    venten met goederen. Bij het venten met goederen wordt er immers vanuit gegaan
                    dat de venter voortdurend zijn goederen vanaf een andere plaats in de openbare
                    ruimte aanbiedt. Met andere woorden: de venter is ambulant, de standplaatshouder
                    niet.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Het tweede lid bepaalt dat de definitie van het eerste lid niet bevat het
                    innemen van een standplaats op een door de gemeente ingestelde markt op basis
                    van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet of op een
                    snuffelmarkt (zie art. 5.2.4). Voor het innemen van een standplaats op een
                    bepaald evenement is geen vergunning krachtens paragraaf 5.2.3 nodig. Op het
                    evenement zijn de artikelen 2.2.1 en 2.2.2 van toepassing, waarbij de bepalingen
                    met betrekking tot het innemen van een standplaats niet van toepassing
                    zijn.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3.2 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</tussenkop><al>. De vergunning dient het verdelen van de beschikbare standplaatsen en het
                    mogelijk maken van een maximumstelsel. De vergunning heeft voorts tot doel
                    overlast te voorkomen, bijvoorbeeld stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden (artikel 1.6).</al><tussenkop>Vergunning voor onbepaalde tijd</tussenkop><al>Een vergunning wordt in beginsel voor onbepaalde tijd verleend (artikel 1.7). </al><tussenkop>Vrijheid van meningsuiting</tussenkop><al>In het derde lid van artikel 5.2.3 (oud) werd een uitzondering gemaakt op het
                    verbod op de straathandel voor zover het betreft het uitstallen van stukken
                    waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard (artikel 7 Grondwet). Voor het
                    aanbieden van gedrukte stukken als zodanig kan geen vergunning worden geëist.
                    Het wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een
                    vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden
                    aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte
                    stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt
                    ingenomen. Dus het gaat hier om een standplaatsvergunning. </al><tussenkop>Artikel 5.2.3.3 Toestemming rechthebbende</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3.4 Afbakeningsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 5.2.3.5 Aanhoudingsplicht</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 5.2.4 Snuffelmarkten e.d.</tussenkop><al>In artikel 1.8 zijn de algemene weigeringsgronden vervat. Het derde lid is hier
                    op aangepast. </al><tussenkop>Algemene toelichting afdeling 5.3 Openbaar water</tussenkop><al>Het beheer van het openbaar (vaar)water is in Nederland aan diverse overheden
                    opgedragen. Zo is voor het beheer van de belangrijkste rivieren en rijkskanalen
                    de centrale overheid verantwoordelijk. Het beheer van de overige wateren is
                    verdeeld tussen de provincies, gemeenten en waterschappen c.a.</al><tussenkop>Artikel 5.3.1 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</tussenkop><al>Artikel 5.3.1 is, ter aanvulling van een aantal andere regelingen, bedoeld om de
                    overige openbare wateren te vrijwaren van activiteiten die het gebruik op
                    enigerlei wijze nadelig zouden kunnen beïnvloeden. De veiligheid op het water
                    heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het
                    Wetboek van Strafrecht, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het
                    Binnenvaartpolitiereglement (zie bij voorbeeld artikel 1.15 van dit
                    reglement).</al><tussenkop>Deregulering</tussenkop><al>Gekozen is in dit artikel de vergunningplicht te handhaven en niet over te gaan
                    tot een breed gestelde algemene regel. Omwille van het onderhoud van de
                    vaarwegen is een zekere uniformering noodzakelijk en is de vergunningplicht
                    gehandhaafd. Ook voor de vergunninghouder schept dat een duidelijke situatie: De
                    aanvrager hoeft niet zelfstandig een afweging te maken, maar ontvangt een
                    vergunning voorzien van een set voorschriften, en weet dan waar hij of zij aan
                    toe is.</al><tussenkop>Artikel 5.3.2 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.2A Ligplaats vaartuig, niet zijnde een woonschip, langer dan
                    8 meter</tussenkop><al>Uit dit artikel volgt dat het innemen van een ligplaats met een
                    'pleziervaartuig' langer dan 8 meter slechts toegestaan is op die plaatsen die
                    door het college krachtens het eerste lid zijn aangewezen. Ook kan het aantal
                    vaartuigen dat ligplaats mag innemen op de aangewezen gedeelten van openbaar
                    water gelimiteerd worden.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 5.3.2B Ligplaats vaartuig, niet zijnde een woonschip, korter dan
                    8 meter</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting</al><tussenkop>Woonschepenverordening</tussenkop><al>Ten einde het aantal en de plaatsen die men inneemt aan regels te kunnen binden,
                    is in Oegstgeest een aparte Woonschepenverordening vastgesteld. Bovenstaande
                    bepalingen zijn dan ook niet van kracht voor woonschepen. </al><tussenkop>Artikel 5.3.3 Aanwijzingen ligplaats</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.4 Verbod innemen ligplaats</tussenkop><al>Vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5.3.5 Beschadigen van waterstaatswerken</tussenkop><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 5.3.6 Reddingsmiddelen</tussenkop><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><tussenkop>Artikel 5.3.7 Veiligheid op het water</tussenkop><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    tweede lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al>Artikel 5.3.7 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee
                    reglementen door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><tussenkop>Artikel 5.3.8 Overlast aan vaartuigen</tussenkop><al>Deze bepaling behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 5.4.1 Crossterreinen</tussenkop><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto's,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><tussenkop>Afbakening</tussenkop><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt
                    voorzien. De term ‘onderwerp’ in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. </al><tussenkop>Wet milieubeheer en APV</tussenkop><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d. buiten de
                    weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor ingerichte
                    terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals natuurgebieden, parken,
                    plantsoenen of andere voor recreatief gebruik beschikbare terreinen. De eerst
                    bedoelde terreinen vallen doorgaans onder de Wet milieubeheer; voor de overige
                    terreinen kan een gemeente zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5.4.1 en
                    5.4.2 van deze APV. </al><al>De regeling in de APV is van belang voor die terreinen die niet behoren tot de
                    terreinen die genoemd zijn in categorie 19.1, onder g, van het Inrichtingen- en
                    vergunningenbesluit milieubeheer. Hier kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een
                    terrein dat niet is ingericht voor motorwedstrijden en -activiteiten en
                    terreinen die hiervoor slechts eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. </al><tussenkop>Artikel 5.4.2 Beperking verkeer in natuurgebieden</tussenkop><al>Wanneer wordt overgegaan tot het aanwijzen van een natuurgebied, waarbinnen
                    gemotoriseerd verkeer verboden is, zoals in deze bepaling bedoeld, is het
                    verstandig te bezien in hoeverre een overgangsregeling noodzakelijk is voor
                    personen die - al dan niet bedrijfsmatig - met een motorvoertuig gebruik maken
                    van dit natuurgebied. </al><tussenkop>Artikel 5.5.1 Verbod vuur te stoken</tussenkop><al>Benadrukt wordt dat voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen
                    altijd een ontheffing nodig is op grond van artikel 10.63, tweede lid, Wet
                    milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien het belang van de
                    bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het
                    college kan een ontheffing weigeren op grond van milieuhygiënische argumenten. </al><al>Bij het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en
                    veiligheidsaspecten van belang. Artikel 10.63, tweede lid, van de Wet
                    milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de ontheffing te weigeren, indien de
                    openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften
                    verbonden aan een dergelijke ontheffing alleen dienen ter bescherming van het
                    belang van het milieu. Artikel 5.5.1 vult daarom voor wat betreft deze aspecten
                    de Wet milieubeheer aan.</al><al>Artikel 5.5.1, tweede lid, APV biedt de mogelijkheid om - naast de ontheffing op
                    grond van de Wet milieubeheer - een ontheffing te verlenen, waarin de aspecten
                    van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Er ligt dus een ander motief
                    ten grondslag aan de APV dan aan de Wet milieubeheer. Tevens wordt het college
                    de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften te verbinden die
                    het belang van de openbare orde en veiligheid beogen te beschermen. De
                    weigeringsgronden worden genoemd in derde lid.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid is een aantal uitzonderingen opgenomen op het verbod in het
                    eerste lid. Hierbij zijn de volgende punten van belang. In de eerste plaats valt
                    verlichting door middel van kaarsen, fakkels, sfeervuren – waarbij geen
                    afvalstoffen worden verbrand -, zoals terrashaarden en vuurkorven of vuur voor
                    koken, bakken en braden niet onder het nieuwe regiem van de Wet milieubeheer. Er
                    is immers geen sprake van het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen.
                    Vervolgens mag er geen sprake zijn van gevaar, overlast of hinder voor de
                    omgeving. Vooral binnen de bebouwde kom kunnen klachten ontstaan over overlast
                    of hinder door met name terrashaarden en vuurkorven. De laatste zinsnede van het
                    tweede lid biedt dus een handvat om handhavend op te treden. </al><al>De uitzonderingen betreffen een aanvulling op hogere regelgeving. Lid 1 regelt
                    namelijk het aanleggen, stoken of hebben van vuur, maar in de genoemde
                    uitzonderingsgevallen is geen sprake van het verbranden van afvalstoffen. De
                    gemeentelijke wetgever regelt dus een bepaalde materie (verbranden) vanuit
                    eenzelfde motief (namelijk een milieumotief: het voorkomen van overlast of
                    hinder) als de hogere regelgever, maar beperkt zich daarbij tot gedragingen die
                    niet of nog niet worden bestreken door de hogere regelgeving (namelijk het
                    verbranden van niet-afvalstoffen buiten inrichtingen). </al><tussenkop>Afdeling 6 Verstrooiing van as</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.6.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van as-bestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). </al><tussenkop>Artikel 5.6.2 Incidentele asvertrooiing</tussenkop><al>Asvertrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><tussenkop>Artikel 5.6.3 Hinder of overlast</tussenkop><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten. </al><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt euro 225
                    en van de tweede categorie euro 2250. Het is overigens uiteindelijk de
                    strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt,
                    tot de grens van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient
                    de rechter op grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht
                    van de verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt euro 2
                    (artikel 23, tweede lid, WvSr).</al><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat.</al><tussenkop>Strafbaarheid rechtspersonen</tussenkop><al>Op grond van artikel 91 jo artikel 51 WvSr vallen ook rechtspersonen onder de
                    werking van gemeentelijke strafbepalingen. Bij veroordeling van een
                    rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag
                    van de naasthogere categorie 'indien de voor het feit bepaalde boetecategorie
                    geen passende bestraffing toelaat' (artikel 23, zevende en achtste lid WvSr).
                    Dat betekent dat voor overtredingen van de APV door een rechtspersoon de rechter
                    de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen (euro 4500
                    ).</al><tussenkop>Artikel 6.2 Toezichthouders</tussenkop><al>De basis voor deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit
                    hoofdstuk zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving
                    van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. De
                    aanwijzing als toezichthouder in de APV is de grondslag voor het hebben van
                    opsporingsbevoegdheid. </al><tussenkop>Toezicht en opsporing</tussenkop><al>De meeste bepalingen van de APV bevatten ge- en verboden. Op de naleving hiervan
                    dient te worden toegezien en bij overtreding dient te worden opgetreden. Dit kan
                    op twee manieren gebeuren: bestuursrechtelijk - door onder andere het toepassen
                    van bestuursdwang dan wel het opleggen van een dwangsom - en strafrechtelijk.
                    Voor beide vormen van handhaving dienen personen te worden aangewezen met
                    toezichthoudende respectievelijk opsporingsbevoegdheden. Alleen voor de
                    aanwijzing van de toezichthouders is een bepaling opgenomen in de APV. De
                    opsporingsambtenaren worden aangewezen in de artikelen 141 en 142 van het
                    Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende reactie. </al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen. </al><tussenkop>Artikel 6.3 Binnentreden woningen</tussenkop><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht op de
                    naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV bepaalde plaatsen
                    kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is deze bevoegdheid aan
                    toezichthouders reeds toegekend voor alle plaatsen met uitzondering van woningen
                    zonder toestemming van de bewoners. De woning geniet extra bescherming op basis
                    van artikel 12 van de Grondwet, dat het zogenaamde 'huisrecht' regelt. Het
                    betreden van de woning zonder toestemming van de bewoner is daarom met veel
                    waarborgen omkleed. Op het betreden van een woning met toestemming van de
                    bewoner zijn deze waarborgen niet van toepassing, al gelden daar wel, zij het
                    wat beperktere, vormvoorschriften van de Awbi (zie de toelichting, Algemene wet
                    op het binnentreden (Awbi), a. vormvoorschriften). In de toelichting bij artikel
                    6.1a is reeds ingegaan op de bevoegdheid om alle plaatsen te betreden met
                    uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners. Voor een aantal
                    bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid om een woning zonder toestemming van
                    de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere wet. Het betreft
                    de volgende artikelen. </al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2.1.2.3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet
                            openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de
                            bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen
                            geregeld. </al></li><li nr="b."><al>de artikelen 2.5.2 tot en met 2.5.6, de op de artikelen 437 en 437ter
                            van het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften. Artikel 552
                            van het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren
                            (dus niet de buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats
                            hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de
                            daar genoemde ondernemers worden gebruikt; dit geldt zowel voor toezicht
                            als opsporing. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6.4 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op 1 januari 2005 is de Tijdelijke referendumwet (Trw) vervallen. Dit brengt met
                    zich mee dat voor algemeen verbindende voorschriften de regeling van artikel 142
                    van de Gemeentewet weer van toepassing is. Deze luidt dat alle verordeningen in
                    werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip
                    daarvoor is aangewezen. De APV is een besluit van het gemeentebestuur op
                    overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde
                    wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die
                    algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>In het tweede lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt. </al><tussenkop>Artikel 6.5 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening. </al><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In het eerste lid wordt ervan uitgegaan dat alle bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. na een termijn van 53 weken aangepast moeten worden aan het
                    nieuwe recht.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Met betrekking tot op basis van het oude recht opgelegde voorschriften en
                    beperkingen wordt eveneens een sanering doorgevoerd. Ook hier is voor een
                    termijn van 53 weken gekozen. Bij de hier bedoelde voorschriften en beperkingen
                    moet gedacht worden aan de bevoegdheid van de burgemeester of het college om in
                    sommige gevallen aan de uitoefening van bepaalde activiteiten voorschriften en
                    beperkingen op te leggen zonder dat overigens voor die activiteit een
                    vergunning, ontheffing of kennisgeving is vereist.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>In het derde lid wordt het nieuwe recht van toepassing verklaard op aanvragen
                    voor een vergunning en ontheffing, die voor de inwerkingtreding van deze
                    verordening zijn ingediend maar waar daarna op wordt beslist. Voorwaarde is wel
                    dat de nieuwe verordening een overeenkomstig gebod of verbod kent.</al><tussenkop>Vierde lid</tussenkop><al>Het oude recht is van toepassing op tijdig ingediende beroep- of
                    bezwaarschriften betreffende vergunningen, ontheffingen, voorschriften of
                    beperkingen, die gebaseerd zijn op het oude recht.</al><tussenkop>Vijfde lid</tussenkop><al>In het vijfde lid is bepaald dat de oude vergunning of ontheffing van kracht
                    blijft totdat onherroepelijk op de nieuwe aanvraag is beslist. De termijn die in
                    het eerste lid is genoemd (53 weken) kan hierdoor verlengd worden. Met deze
                    bepaling kan worden voorkomen dat gedurende een bepaalde periode de aanvrager
                    niet in het bezit is van de benodigde vergunning of ontheffing en daardoor,
                    formeel geredeneerd, in overtreding is.</al><al>Indien de noodzaak van sanering van oude vergunningen etc. niet aanwezig geacht
                    wordt, kan de volgende bepaling overgenomen worden.</al><tussenkop>Zesde lid</tussenkop><al>Het zesde lid heeft betrekking op activiteiten waarvoor voor de inwerkingtreding
                    van deze APV geen ontheffing of vergunning nodig was, maar waarvoor dat op grond
                    van de nieuwe APV wel het geval is. Zonder een overgangsregeling zouden deze
                    activiteiten een overtreding van de APV inhouden totdat onherroepelijk positief
                    beslist is op de desbetreffende aanvraag.</al><tussenkop>Zevende lid</tussenkop><al>In het zevende lid is een regeling opgenomen voor de door het college genomen
                    nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten die op grond van de oude
                    APV reeds bestonden. Vereist is uiteraard wel dat de rechtsgrond voor de
                    betreffende nadere regel en het aanwijzingsbesluit ook in de nieuwe verordening
                    terugkomt. Nadere regels en aanwijzingsbesluiten waarvan de grondslag niet in de
                    nieuwe APV terugkomt, vallen niet onder de overgangsbepaling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>