<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR76101_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Procedureregeling planschadevergoeding 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oegstgeest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oegstgeester Courant, 15-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Procedureregeling planschadevergoeding</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002375/geldigheidsdatum_01-09-2005#HoofdstukVIII_Afdeling1_Artikel49a">Wet Ruimtelijke Ordening (oud), art. 49a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-28</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-12-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vastgesteld en bekendgemaakt als onderdeel van het verzamelbesluit voor het opnieuw vaststellen en bekendmaken van de verordeningen ten behoeve van centrale ontsluiting van lokale regelgeving.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Procedureregeling planschadevergoeding 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het college van de gemeente Oegstgeest;</al><al>gelezen het voorstel d.d. 30 augustus 2005;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de hierna volgende</al><al><vet>PROCEDUREREGELING PLANSCHADEVERGOEDING OEGSTGEEST 2005</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De regeling verstaat onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="1.00*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="2.31*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="7.88*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>planschade:</al></entry><entry colname="col3"><al>schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de
                                            Ruimtelijke Ordening (WRO);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>planologische maatregel:</al></entry><entry colname="col3"><al>de bepalingen van een bestemmingsplan, dan wel het
                                            besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in de artikelen
                                            17 of 19 WRO, dan wel een van de andere in artikel 49
                                            WRO genoemde schadeoorzaken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>aanvrager:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene die een aanvraag om vergoeding van planschade
                                            indient;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>college</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>derde–belanghebbende:</al></entry><entry colname="col3"><al>degene als bedoeld in artikel 49a WRO die heeft verzocht
                                            om ten behoeve van de verwezenlijking van een project
                                            een bestemmingsplan te herzien of te wijzigen dan wel om
                                            vrijstelling te verlenen, anders dan bedoeld in artikel
                                            31a of 31b WRO, en die met de gemeente een overeenkomst
                                            heeft gesloten inhoudende dat geheel of gedeeltelijk
                                            voor zijn rekening komt de schade die rechtstreeks haar
                                            grondslag vindt in het besluit op dit verzoek en waarvan
                                            aanvrager vergoeding vraagt;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>adviseur:</al></entry><entry colname="col3"><al>een persoon of commissie belast met het adviseren inzake
                                            de door het college te nemen beschikking op een aanvraag
                                            om vergoeding van planschade en niet werkzaam onder
                                            verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>drempelbedrag:</al></entry><entry colname="col3"><al>recht als bedoeld in artikel 49, derde lid WRO.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om vergoeding van planschade wordt bij het college
                            ingediend met gebruikmaking van een door het college vastgesteld
                            formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college tekent de datum van ontvangst van de aanvraag als bedoeld in
                            het eerste lid onverwijld aan op het formulier waarbij de aanvraag is
                            ingediend. De ontvangst wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk
                            medegedeeld aan aanvrager. Van de aanvraag wordt een afschrift
                            toegezonden aan de derde-belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de mededeling van ontvangst wijst het college de aanvrager erop dat
                            voor het behandelen van de aanvraag een drempelbedrag verschuldigd is en
                            deelt hem mede dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag
                            van verzending van de mededeling op de rekening van de gemeente moet
                            zijn bijgeschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Besluit tot het niet ontvankelijk verklaren van de aanvrager</titel></kop><al>Indien het drempelbedrag niet binnen de in artikel 2, derde lid genoemde
                        termijn is bijgeschreven, verklaart het college de aanvrager niet
                        ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat aanvrager
                        in verzuim is geweest.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke niet
                            ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst de aanvraag binnen acht weken na de dag van verzending
                            van de mededeling van ontvangst af indien sprake is van kennelijke niet
                            ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De termijn van acht weken kan eenmaal met ten hoogste vier weken worden
                            verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Besluit tot opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Indien geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3 of artikel 4 wijst het
                        college uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 4 bedoelde termijn
                        een adviseur aan en verstrekt een opdracht om ter zake van de aanvraag
                        advies uit te brengen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Werkwijze van de adviseur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De adviseur stelt de aanvrager, een derde-belanghebbende en het college
                            in de gelegenheid om naar keuze schriftelijk of mondeling hun visie te
                            geven over de aanvraag om vergoeding van planschade. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een mondelinge uiteenzetting door de aanvrager, de
                            derde-belanghebbende of de vertegenwoordiger van het college wordt een
                            samenvatting gemaakt. De samenvatting wordt opgenomen in het advies.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Advisering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De adviseur brengt binnen zestien weken na de ontvangst van de opdracht
                            een schriftelijk en gemotiveerd conceptadvies aan het college uit
                            omtrent de gegrondheid van de aanvraag en de hoogte van de te vergoeden
                            planschade. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van een overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn stelt
                            de adviseur het college schriftelijk in kennis, met vermelding van de
                            nieuwe termijn waarbinnen hij het conceptadvies zal uitbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De adviseur zendt een afschrift van het conceptadvies aan de aanvrager
                            en een derde–belanghebbende, en stelt de aanvrager en de
                            derde-belanghebbende in de gelegenheid om binnen vier weken na
                            verzending van het conceptadvies schriftelijk een reactie daarop ter
                            kennis van de adviseur te brengen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij tijdige ontvangst van eventuele reacties brengt de adviseur binnen
                            vier weken na verloop van de in het derde lid bedoelde termijn een
                            definitief advies uit aan het college. Hij kan de termijn van vier weken
                            eenmalig met vier weken verlengen, van welke verlenging hij mededeling
                            doet aan het college. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien niet binnen de in het derde lid bedoelde termijn een reactie is
                            ingebracht, brengt de adviseur binnen twee weken na verloop van deze
                            termijn een definitief advies uit aan het college. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De adviseur zendt een afschrift van het definitieve advies aan de
                            aanvrager en de derde-belanghebbende. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beschikking van het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen zes weken na ontvangst van het advies beslist het college op de
                            aanvraag om vergoeding van planschade.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan deze termijn eenmaal met ten hoogste vier weken
                            verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitbetaling</titel></kop><al>Indien het college een vergoeding van planschade vaststelt, vindt
                        uitbetaling plaats op een door aanvrager aangegeven rekening direct na het
                        onherroepelijk worden van deze beschikking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze regeling treedt in werking op 1 september 2005.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze regeling wordt aangehaald als 'Procedureregeling
                            planschadevergoeding </al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van de gemeente
                        Oegstgeest, gehouden op 30 augustus 2005.</al></slotformulering><ondertekening>voorzitter</ondertekening><ondertekening>secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING bij de Procedureverordening planschadevergoeding 2005</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><al>Op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) heeft een
                    belanghebbende de mogelijkheid om van de gemeente vergoeding te krijgen van de
                    schade die hij ondervindt ten gevolge van een bestemmingsplan of een daarmee
                    gelijk te stellen planologische maatregel, bijvoorbeeld een vrijstelling als
                    bedoeld in de artikelen 17 en 19 WRO, die redelijkerwijs niet voor zijn rekening
                    dient te komen.</al><al-groep><al>De Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de WRO geven voorschriften over de
                        wijze waarop een vergoeding, als bedoeld in artikel 49 WRO, in de praktijk
                        ‘planschade’ genoemd, moet worden aangevraagd en hoe een aanvraag door het
                        college moet worden behandeld.</al><al>Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid een regeling vast te
                        stellen met aanvullende procedureregels voor die gevallen waarin om
                        toepassing van artikel 49 WRO wordt gevraagd. Van deze mogelijkheid wordt
                        hier gebruik gemaakt.</al></al-groep><al>De procedureregeling sluit aan bij de wijzigingswet planschade, wet van ***
                    2005, Staatsblad ***, die voorziet in verbetering van de planschadewetgeving
                    door wijziging van artikel 49 WRO en invoering van een nieuw artikel 49a. De
                    wijziging van artikel 49 is in werking getreden op ***.</al><al>In het voetspoor van de wijzigingswet bevat de gemeentelijke procedureregeling
                    met name de volgende nieuwe elementen: </al><lijst><li nr="-"><al>in deze regeling is het college, en niet meer de raad, bevoegd gezag
                            voor het afdoen van aanvragen om vergoeding van planschade;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager wordt niet ontvankelijk verklaard als het drempelbedrag
                            niet bijtijds is voldaan; </al></li><li nr="-"><al>de initiatiefnemer van de planwijziging met wie de gemeente in een
                            verhaalscontract heeft afgesproken dat hij de planschadekosten voor zijn
                            rekening neemt, krijgt in de procedureregeling een positie als
                            derde-belanghebbende: hij krijgt gelegenheid tot inspraak voorafgaand
                            aan de beslissing op de aanvraag. </al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1: Begripsbepalingen</tussenkop><al>- Ad adviseur</al><al>De Awb bevat in afdeling 3.3 regels inzake advisering. Artikel 3:7 Awb bevat
                    bijvoorbeeld het voorschrift dat het bestuursorgaan aan de adviseur de gegevens
                    ter beschikking stelt die nodig zijn voor een goede vervulling van diens taak.
                    Bij onze opdrachten zullen wij de planschadeadviseur de nodige informatie
                    verstrekken.</al><al>- Ad derde-belanghebbende </al><al>Het kan zijn dat de gemeente met de verzoeker van een planherziening of
                    planvrijstelling een overeenkomst heeft gesloten ter compensatie van de door de
                    gemeente eventueel toe te kennen vergoeding van planschade als gevolg van de
                    gevraagde planologische maatregel. Deze verzoeker wordt in artikel 49a WRO
                    aangemerkt als belanghebbende bij een besluit op een aanvraag om vergoeding van
                    planschade ter zake van deze planologische maatregel. In aansluiting op deze
                    bepaling krijgt de verzoeker in de procedureregeling gelegenheid tot inspraak
                    bij de voorbereiding van het gemeentelijk besluit ter zake van de
                    planschadeclaim.</al><tussenkop>Artikel 2: Indiening van de aanvraag en mededeling van ontvangst </tussenkop><al>- Ad eerste lid</al><al>Vast moet staan dat het binnengekomen schrijven een aanvraag bevat om vergoeding
                    van schade als bedoeld in artikel 49 WRO en dat daarbij tevens wordt voldaan aan
                    de vereisten van artikel 4:2 Awb: de aanvraag moet worden ondertekend en ten
                    minste bevatten: naam en adres van de aanvrager, de dagtekening en een
                    aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. </al><al>Aanvrager moet gebruik maken van een door het college vastgesteld formulier
                    volgens bijgevoegd model. Daarin moet aanvrager onder meer ook aangeven welke
                    van de in artikel 49 WRO genoemde planologische maatregelen volgens hem oorzaak
                    is van schade. </al><al>Volgens artikel 4:2, tweede lid en artikel 4:5 Awb heeft het bestuursorgaan de
                    mogelijkheid om later aanvulling van de aanvraag te verlangen. De wet noemt
                    daarvoor geen termijn. Dit betekent dat het college op elk moment tijdens de
                    behandeling van de aanvraag alsnog kan besluiten tot het laten aanvullen van de
                    aanvraag, indien blijkt dat bepaalde belangrijke gegevens ontbreken.</al><al>- Ad tweede lid</al><al>Registratie van de datum van ontvangst van de aanvraag is van belang voor de
                    bepaling van de wettelijke rente over de uit te keren schadevergoeding en voorts
                    in verband met de verjaringsregeling in het nieuwe artikel 49 WRO: een aanvraag
                    om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder a, b, c of
                    f, moet worden ingediend binnen vijf jaar nadat de desbetreffende bepaling van
                    het bestemmingsplan of het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden.
                    Het is ons beleid de enveloppe met postzegel of poststempel te bewaren.</al><al>- Ad derde lid</al><al>Ter zake van een aanvraag om vergoeding van planschade is een drempelbedrag
                    verschuldigd. De wet bepaalt dat teruggaaf wordt verleend indien op de aanvraag
                    geheel of gedeeltelijk positief wordt beslist.</al><tussenkop>Artikel 3: Besluit tot het niet ontvankelijk verklaren van de aanvrager </tussenkop><al>Deze bepaling is direct ontleend aan artikel 49, derde lid WRO. In
                    uitzonderlijke gevallen kan worden geoordeeld dat aanvrager inderdaad niet in
                    verzuim is geweest, bijvoorbeeld als het college de mededeling van ontvangst per
                    abuis verkeerd heeft geadresseerd. Als hiervan blijkt kan het college zijn
                    besluit tot het niet ontvankelijk verklaren van de aanvrager herzien. </al><tussenkop>Artikel 4: Besluit tot afwijzing van de aanvraag wegens kennelijke niet
                    ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid </tussenkop><al-groep><al>Volgens vaste rechtspraak moet de gemeente bij de behandeling van aanvragen
                        om planschadevergoeding objectief en deskundig advies inwinnen, behoudens de
                        uitzonderingsgevallen dat de aanvraag wegens kennelijke niet
                        ontvankelijkheid of ongegrondheid direct moet worden afgewezen.
                        Overeenkomstig deze rechtspraak geeft artikel 4 aan dat het college in
                        dergelijke gevallen een aanvraag kan afwijzen zonder advies in te winnen.
                        Zo’n afwijzing zal slechts in bijzonder duidelijk liggende gevallen
                        verantwoord zijn; daardoor worden onnodig werk en onnodige kosten voorkomen. </al><al>Tegen de achtergrond van de bestaande jurisprudentie en voorts de in artikel
                        49 WRO opgenomen nieuwe verjaringsregeling kunnen vermoedelijk de volgende
                        voorbeelden worden genoemd van situaties waarbij directe afwijzing van de
                        aanvraag voor de hand ligt:</al><lijst><li nr="-"><al>de gestelde schade, indien en voorzover al aanwezig, vloeit niet
                                voort uit de door de aanvrager vermelde planologische maatregel, en
                                evenmin uit een andere in artikel 49 WRO genoemde planologische
                                maatregel, maar kan slechts het gevolg zijn van een andere oorzaak
                                dan de in artikel 49 WRO genoemde, zoals een gemeentelijk
                                structuurplan, een gemeentelijke structuurvisie, een gemeentelijk
                                verkeersplan, of een niet-gemeentelijke planologische
                                maatregel;</al></li><li nr="-"><al>de gestelde schade kan, indien en voorzover al aanwezig, weliswaar
                                het gevolg zijn van de door de aanvrager vermelde planologische
                                maatregel of een andere in artikel 49 WRO genoemde planologische
                                maatregel, namelijk ***, maar deze oorzakelijke planologische
                                maatregel is nog niet onherroepelijk geworden;</al></li><li nr="-"><al>de gestelde schade kan weliswaar het gevolg zijn van de door de
                                aanvrager vermelde planologische maatregel of een andere in artikel
                                49 WRO, eerste lid onder a, b, c of f genoemde planologische
                                maatregel, namelijk ***, maar deze oorzakelijke planologische
                                maatregel is vijf jaar of langer geleden, gerekend vanaf de
                                indiening van de aanvraag, onherroepelijk geworden;</al></li><li nr="-"><al>het is overduidelijk dat de koper ten tijde van de aankoop van de
                                onroerende zaak die in waarde zou zijn gedaald wist of had kunnen
                                weten dat een bepaalde negatieve ruimtelijke ontwikkeling zich zou
                                kunnen voordoen, zodat de schade veroorzakende planologische
                                maatregel kennelijk voorzienbaar was. </al></li></lijst><al>In deze voorbeelden wordt ervan uitgegaan dat het college een eventuele
                        vermelding door de aanvrager van de verkeerde planologische oorzaak
                        ambtshalve converteert in de vermelding van de juiste planologische oorzaak,
                        vermeld in artikel 49 WRO, indien zodanige oorzaak tenminste aan de orde is.
                        Een eventueel verkeerde oorzaakvermelding kan in deze situatie derhalve niet
                        direct leiden tot afwijzing van de claim. Stel bijvoorbeeld dat iemand een
                        schadeclaim indient op grond van een bestemmingsplan, terwijl de gestelde
                        schade in werkelijkheid slechts het gevolg kan zijn van een projectbesluit
                        ex artikel 19 WRO, dan zal het college de claim als zodanig ook beschouwen
                        en behandelen. </al></al-groep><tussenkop>Artikel 5: Besluit tot opdrachtverstrekking</tussenkop><al-groep><al>Het college schakelt een onafhankelijk, deskundig adviseur in om een zo goed
                        mogelijk en zo objectief mogelijk advies te krijgen over de vraag of er
                        inderdaad sprake is van schade ex artikel 49 WRO en vervolgens over de
                        omvang van de schadevergoeding.</al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 5 kan het college per geval een
                        adviseur aanwijzen. Door per aanvraag te bezien welke adviseur moet worden
                        ingeschakeld, bestaat de mogelijkheid om de keuze afhankelijk te maken van
                        de complexiteit en de aard van het verzoek. Uiteraard is het mogelijk over
                        het algemeen te werken met dezelfde adviseur, resp. met bijzondere adviseurs
                        voor bijzondere onderwerpen.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 6: Werkwijze van de adviseur</tussenkop><al>Het horen van de aanvrager, de eventuele derde-belanghebbende en het college kan
                    naar keuze gescheiden of gezamenlijk plaatsvinden. Voorts zal de adviseur zo
                    nodig de situatie ter plaatse opnemen.</al><tussenkop>Artikel 7: Advisering</tussenkop><al>In dit artikel wordt met name geregeld dat de adviseur aan de aanvrager en een
                    derde-belanghebbende inzage geeft in het conceptadvies met mogelijkheid tot
                    reageren. Opbouw en volgorde van het advies kunnen aan de adviseur worden
                    overgelaten. </al><tussenkop>Artikel 8: Beschikking van het college</tussenkop><al-groep><al>Het college dat voornemens is een aanvraag geheel of gedeeltelijk af te
                        wijzen, behoeft de aanvrager, naar mag worden aangenomen, niet te horen: zie
                        artikel 4:12 Awb op grond waarvan er geen hoorplicht geldt bij beschikkingen
                        van financiële aard.</al><al>In het tweede lid is een verlengingsmogelijkheid opgenomen, indien de
                        termijn in het eerste lid onverhoopt niet gehaald kan worden. Bij
                        ingewikkelde aanvragen of verschillende zienswijzen kan verlenging
                        noodzakelijk zijn.</al></al-groep><tussenkop>Aanwijzingen van de VNG voor het gebruik van de model-Procedure-regeling
                    planschadevergoeding 2005, het bijbehorende model-aanvraag-formulier en het
                    model-intrekkingsbesluit oude procedureverordening</tussenkop><lijst><li nr="1.1."><al>Het college is thans het bestuursorgaan voor het vaststellen van de
                            procedureregeling</al><al>Volgens artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), zoals
                            deze bepaling is gewijzigd door de wijzigingswet planschade (wet van
                            ***, Staatsblad ***, Kamerstukken 29 490), kennen burgemeester en
                            wethouders onder de in deze bepaling aangegeven voorwaarden
                            schadevergoeding toe aan een aanvrager om vergoeding van planschade.
                            Vóór de wijzigingswet van 2005 was de gemeenteraad het bevoegde gezag om
                            te beslissen over planschadeclaims. </al><al>In het verlengde van de wijzigingswet kan worden aangenomen dat het
                            college nu ook het aangewezen bestuursorgaan is voor het vaststellen van
                            een algemene procedureregeling planschadevergoeding. </al></li><li nr="1.2."><al>Een procedureregeling is niet verplicht, maar wordt wel geadviseerd</al><al>De wetgeving bevat geen verplichting voor het bevoegd gezag om een
                            procedureregeling planschadevergoeding ex artikel 49 WRO vast te
                            stellen. Niettemin is het zinvol zo’n regeling met procedureregels te
                            hebben, ter aanvulling van de bepalingen in de Algemene wet
                            bestuursrecht. De procedureregeling planschadevergoeding bevordert en
                            waarborgt een zo goed mogelijke gang van zaken bij het ontvangen,
                            behandelen en afdoen van een aanvraag om vergoeding van planschade. Zij
                            geeft ook de termijnen aan die daarbij van toepassing zijn. Uit de
                            procedureregeling kan een stroomschema worden afgeleid.</al><al>Volgens vaste rechtspraak moet de gemeente bij de behandeling van
                            aanvragen om planschadevergoeding objectief en deskundig advies
                            inwinnen, behoudens de uitzonderingsgevallen dat de aanvraag wegens
                            kennelijke niet ontvankelijkheid of ongegrondheid moet worden afgewezen. </al><al>Het inwinnen van advies brengt doorgaans met zich mee dat de redelijke
                            beslistermijn van acht weken volgens artikel 4:13 van de Algemene wet
                            bestuursrecht (Awb) niet kan worden gehaald. De procedureregeling
                            voorziet daarom in een langere beslistermijn. </al></li><li nr="1.3."><al>Advies om op korte termijn gelijktijdig de nieuwe regeling in te voeren
                            en de oude procedureverordening te doen vervallen</al><al>Voorheen hebben veel gemeenteraden een procedureverordening vastgesteld.
                            Deze verordeningen zijn in verband met de wijzigingswet planschade in
                            hoge mate verouderd, met name in verband met de wijziging van het
                            bevoegd gezag: voorheen gemeenteraad, thans het college. De oude
                            procedureverordening moet worden ingetrokken en de nieuwe
                            procedureregeling komt daarvoor in de plaats. </al><al>De model-Procedureregeling planschadevergoeding 2005 is geënt op de
                            nieuwe planschaderegeling en kan pas op zijn vroegst in werking treden
                            als de wijziging van artikel 49 WRO in werking is getreden. Het nieuwe
                            artikel 49 treedt in werking met ingang van de eerste dag van de derde
                            kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin de
                            wijzigingswet wordt geplaatst, dat wil zeggen ***</al><al>Het verdient aanbeveling voor synchronisatie te zorgen: het college
                            stelt de nieuwe procedureregeling vast in de periode van ruim twee
                            maanden tussen de plaatsing van de nieuwe wet in het Staatsblad en de
                            inwerkingtreding van het desbetreffende wetsonderdeel, nl. de wijziging
                            van artikel 49, terwijl de raad in dezelfde periode het besluit neemt
                            tot intrekking van de oude
                                procedureverordening<onderstreept>.</onderstreept> Het zijn beide
                            besluiten ‘op termijn’: de inwerkingtreding van de nieuwe regeling en
                            het gelijktijdig vervallen van de oude verordening kunnen dan
                            plaatsvinden op dezelfde dag dat het nieuwe artikel 49 in werking
                            treedt. </al><al>Met de komst van de nieuwe wet raken de oude procedureverordeningen hoe
                            dan ook achterhaald. In gemeenten waar de oude verordening niet bijtijds
                            door de nieuwe is vervangen moet deze verder buiten toepassing
                            blijven.</al></li><li nr="1.4."><al>Advies om van de aanvrager géén taxatierapport te vragen</al><al>In het model-aanvraagformulier wordt gevraagd naar de aard van de
                            schade, niet naar de omvang. Er is uitdrukkelijk van afgezien te vragen
                            naar de omvang van de schade door middel van bijvoorbeeld een
                            taxatierapport. Een taxatie is pas aan de orde als er tijdens de
                            procedure van behandeling van de claim voldoende uitzicht ontstaat op de
                            gerechtvaardigdheid van de claim. Bovendien moet in aanmerking worden
                            genomen dat de voorgestelde Wet ruimtelijke ordening (Kamerstukken
                            28.916) het college verplicht om in geval van een positieve beslissing
                            op de aanvraag ook een vergoeding te geven van de door aanvrager
                            redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige
                            bijstand. </al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>