<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR75855_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening reïntegratie WWB 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oirschot</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oirschot</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekjournaal</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening reïntegratie WWB 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/">Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ISD</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening reïntegratie WWB 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Oirschot;</al><al/><al>gezien het voorstel van 5 december 2006;</al><al/><al>gelet op de Wet werk en bijstand;</al><al/><al>besluit :</al><al/><al>vast te stellen de <vet>Verordening reïntegratie WWB 2007</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:<vet>a. college:</vet> het
                            college van burgemeester en wethouders; </al><al><vet>b. raad:</vet> de gemeenteraad; </al><al><vet>c. wet:</vet> de Wet werk en bijstand (WWB); </al><al><vet>d. uitkeringgerechtigde: </vet>de persoon die een uitkering voor
                            levensonderhoud ontvangt ingevolge de WWB, de IOAW of de IOAZ; </al><al><vet>e. Anw-er: </vet>de persoon die een uitkering ingevolge de Algemene
                            nabestaandenwet ontvangt en die als werkzoekende is ingeschreven bij de
                            Centrale organisatie voor werk en inkomen voor ten minste 19 uur per
                            week; </al><al><vet>f. Nugger:</vet> de persoon als bedoeld in artikel 6 onder a van de
                            wet en die als werkzoekende is ingeschreven bij de Centrale organisatie
                            voor werk en inkomen voor ten minste 19 uur per week, dan wel de persoon
                            die een door burgemeester en wethouders aangewezen tijdelijk
                            dienstverband, anders dan in WSW-verband, heeft aanvaard bij de BV
                            Kempenplus te Bladel; </al><al><vet>g. doelgroep:</vet> de personen aan wie op grond van artikel 7,
                            eerste lid onder a van de wet door het college ondersteuning kan worden
                            geboden; </al><al><vet>h. belanghebbende:</vet> degene die aanspraak maakt op
                            ondersteuning of aan wie ondersteuning wordt geboden; </al><al><vet>i. arbeidsinschakeling: </vet>arbeidsinschakeling als bedoeld in
                            artikel 6 onder b van de wet; </al><al><vet>j. voorziening:</vet> ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de
                            wet; inhoudende een instrument binnen een reïntegratietraject dat
                            ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen
                            geaccepteerde arbeid weg te nemen; </al><al><vet>k. traject(plan): </vet>een met de belanghebbende overeengekomen,
                            dan wel door het college aan een belanghebbende opgelegd geheel van
                            activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering; </al><al><vet>l. minimumloon:</vet> het wettelijk minimumloon dat van toepassing
                            is op de werknemer ingevolge de Wet minimumloon en
                            minimum-vakantiebijslag; </al><al><vet>m. direct Werk:</vet> project om werkzoekenden uit de gemeenten
                            Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-de Mierden via WVK/Kempenplus zo snel
                            mogelijk naar de arbeidsmarkt toe te leiden; </al><al><vet>n. snelwerk: </vet>project om werkzoekenden uit de gemeente
                            Oirschot via WSD zo snel mogelijk naar de arbeidsmarkt toe te leiden; </al><al><vet>o. snelwerkPlus:</vet> een voorziening waarbij via Pluspunt een
                            tijdelijk privaatrechtelijk arbeidscontract wordt afgesloten voor een
                            dusdanig aantal uren per week, dat de werknemer hiermee een netto loon
                            verdient dat minimaal gelijk is aan de hoogte van de uitkering; </al><al><vet>p. sociale activering:</vet> sociale activering als bedoeld in
                            artikel 6 onder c van de wet; </al><al><vet>q. loonkostensubsidie:</vet> subsidie voor loonkosten om het opdoen
                            van werkervaring of de overgang naar regulier werk mogelijk te maken; </al><al><vet>r. non-productiviteit:</vet> het verschil tussen de productiviteit
                            van een niet-gesubsidieerde werknemer in een soortgelijke functie en die
                            van de gesubsidieerde werknemer; </al><al><vet>s. detacheringsbedrijf:</vet> werkgever die werknemers in dienst
                            neemt met het doel deze al dan niet tijdelijk arbeid te laten verrichten
                            bij andere bedrijven.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college biedt aan de uitkeringsgerechtigde tot 65 jaar, de
                                Anw-er, de Nugger alsmede aan de persoon als bedoeld in artikel 10,
                                tweede lid van de wet, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en
                                stelt, voor zover het college dat noodzakelijk acht, het recht op
                                een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt door het college een afweging gemaakt ten
                                aanzien van de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende
                                en de verwachte doeltreffendheid van voorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan zowel één als een combinatie van voorzieningen
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het college kan het aanbod aan voorzieningen afstemmen op de
                                financiële mogelijkheden van het gemeentebestuur en de
                                maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                jaarlijks vóór de aanvang van het kalenderjaar een beleidsplan
                                vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit plan omvat in elk geval:<vet>a.</vet> een omschrijving van het
                                beleid ten aanzien van de verschillende doelgroepen en de
                                prioritering binnen en tussen die groepen, waarbij een evenwichtige
                                aanpak als uitgangspunt wordt genomen; <vet>b. </vet>een verdeling
                                van de beschikbare middelen over de verschillende
                                    voorzieningen;<vet>c.</vet> de criteria voor het
                                ontheffingenbeleid ten aanzien van de arbeidsverplichting, waarbij
                                aandacht wordt besteed aan de combinatie van arbeid en
                                    zorg;<vet>d.</vet> het flankerend beleid ten aanzien van zorg en
                                hulpverlening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het college kan jaarlijks een of meerdere subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college als zodanig ingesteld plafond kan leiden tot een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Belanghebbende heeft aanspraak op ondersteuning en voorzieningen
                                gericht op arbeids-inscha-keling overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening en het in artikel 3 genoemde beleidsplan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan, voordat besloten wordt tot de inzet van
                                voorzieningen, een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van
                                de belanghebbende en naar de geschiktheid van de voorzieningen of
                                andere vormen van begeleiding voor de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het vastgestelde recht op voorzieningen en de daaraan gekoppelde
                                voorwaarden worden door het college vastgelegd in een beschikking en
                                trajectplan.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verplichtingen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>1. Onverminderd de verplichtingen die gelden op grond van de wet of
                                van andere wetten is de belanghebbende:• verplicht gebruik te maken
                                van een voorziening die het college aanbiedt;• gehouden te voldoen
                                aan de verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening
                                heeft verbonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een persoon aan wie een voorziening is toegekend niet voldoet
                                aan de in het vorige lid genoemde verplichtingen, kan het college de
                                uitkering verlagen en de voorziening beëindigen.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>VOORZIENINGEN MET BEHOUD VAN UITKERING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Sociale activering kan een onderdeel zijn van een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling of, als dat (nog) niet mogelijk is,
                                maatschappelijke participatie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Sociale activering heeft als doel de belanghebbende, met behoud van
                                uitkering, maatschappelijk nuttige activiteiten te laten verrichten,
                                zo mogelijk met het oogmerk om hiermee werkritme op te doen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Sociale activering wordt alleen verricht bij organisaties zonder
                                winstoogmerk.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende (nog)
                                geen perspectief heeft op regulier werk en dat inzet van sociale
                                activering, mede gelet op het tweede lid, wenselijk is.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Direct Werk en Snelwerk</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Direct Werk/Snelwerk kan een onderdeel zijn van een traject gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een Direct Werk/Snelwerk-verband heeft als doel de belanghebbende zo
                                snel mogelijk (weer) naar de arbeidsmarkt te leiden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden op het moment dat de
                                belanghebbende niet direct plaatsbaar is in regulier werk.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Direct Werk/Snelwerk in het kader van reïntegratie duurt maximaal
                                vier maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de in
                                het vorige lid genoemde periode eenmalig met twee maanden worden
                                verlengd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college draagt vóór het einde van de in het vierde of vijfde lid
                                genoemde periode zorg voor een individueel reïntegratieplan als
                                bedoeld in artikel 4.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Oriëntatiestage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een oriëntatiestage kan een onderdeel zijn van een traject gericht
                                op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De oriëntatiestage heeft enerzijds als doel de belanghebbende zich
                                te laten oriënteren op verschillende werksoorten en aspecten die
                                samenhangen met arbeid en anderzijds het college de mogelijkheid te
                                geven zich te oriënteren op de mogelijkheden van arbeid voor de
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte
                                termijn geen reëel perspectief heeft op regulier werk en een
                                oriëntatiestage, mede gelet op het tweede lid, geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze voorziening kan niet worden ingezet indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of indien
                                door deze voorziening verdringing van reguliere werknemers
                                plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De oriëntatiestage duurt maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de in
                                het vorige lid genoemde periode eenmalig met maximaal drie maanden
                                worden verlengd.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Stage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een stage kan een onderdeel zijn van een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De stage heeft als doel de belanghebbende, met behoud van uitkering,
                                door middel van arbeid werkervaring en vaardigheden op te laten doen
                                in een bepaald vakgebied.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende op korte
                                termijn geen reëel perspectief heeft op regulier werk en een stage,
                                mede gelet op het tweede lid, geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze voorziening kan niet worden ingezet indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of door deze
                                voorziening verdringing van reguliere werknemers plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De stage duurt maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de in
                                het vorige lid genoemde periode eenmalig met maximaal drie maanden
                                worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor de stage kan door het college van de stagebiedende instelling
                                of van het stagebiedende bedrijf een vergoeding worden
                                gevraagd.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een proefplaatsing kan een onderdeel zijn van een traject gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De proefplaatsing heeft als doel de belanghebbende en de werkgever
                                te laten wennen aan aspecten die samenhangen met het verrichten van
                                betaalde arbeid door de belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze voorziening kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat de belanghebbende na
                                proefplaatsing perspectief heeft op regulier werk en een
                                proefplaatsing, mede gelet op het tweede lid, geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze voorziening kan niet worden ingezet indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of door deze
                                voorziening verdringing van reguliere werknemers plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De proefplaatsing duurt maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven dan kan de
                                in het vorige lid genoemde periode eenmalig met maximaal drie
                                maanden worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor de proefplaatsing kan door het college van de werkgever een
                                vergoeding worden gevraagd.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>LOONKOSTENSUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Doel van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een loonkostensubsidie aan een werkgever verstrekken
                                om daarmee het opdoen van werkervaring of de overgang naar een
                                reguliere functie bij de betreffende werkgever voor een
                                belanghebbende mogelijk te maken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan een loonkostensubsidie aan een detacheringbedrijf
                                verstrekken om daarmee het opdoen van werkervaring voor een
                                belanghebbende mogelijk te maken.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Duur en hoogte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De duur en hoogte van de subsidie worden door het college
                                vastgesteld op basis van een individuele afweging ten aanzien van de
                                belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de loonkostensubsidie wordt de voorwaarde verbonden dat een
                                overeenkomst door de werkgever en de belanghebbende is ondertekend
                                waarin de voorgenomen ontwikkeling van de belanghebbende wordt
                                vastgelegd. De werkgever en de belanghebbende kunnen bij het
                                opstellen van de overeenkomst door het college worden ondersteund.
                                De overeenkomst moet door het college worden goedgekeurd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Deze voorziening kan niet worden ingezet indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of door deze
                                voorziening verdringing van reguliere werknemers plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De duur van de subsidie bedraagt maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de in
                                het vorige lid genoemde periode met telkens drie maanden worden
                                verlengd tot een maximale duur van de subsidie van twaalf
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 70% van het voor de
                                belanghebbende geldende minimumloon en tenminste een bedrag ter
                                compensatie van de door het college vastgestelde non-productiviteit
                                van de betreffende belanghebbende.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De loonkostensubsidie dient vóór aanvang van het dienstverband te
                                worden aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Geen subsidie wordt toegekend indien het dienstverband reeds is
                                aangegaan voordat op de aanvraag door het college is beslist.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Samenloop van subsidies</titel></kop><al>Geen subsidie wordt verstrekt voor kosten waarvoor, al dan niet door het
                            college, reeds langs andere weg subsidie is verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Definitieve vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Definitieve vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een werkgever aan wie een voorziening is toegekend niet
                                voldoet aan de in de subsidiebeschikking, het trajectplan en de
                                eventuele overeenkomst genoemde voorwaarden en verplichtingen, kan
                                het college de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan voorschotten verstrekken als aan de voorwaarden van
                                de subsidieverstrekking, zoals bedoeld in artikel 12, is
                                voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voorschotten worden verrekend met de definitief vastgestelde
                                subsidie of met voorschotten over een zelfde of een volgend
                                kalenderjaar. Als een werkgever meerdere subsidies ontvangt, kunnen
                                voorschotten op de ene subsidie met een definitief vastgestelde
                                andere subsidie op grond van deze verordening worden verrekend.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan een werkgever waarbij een belanghebbende algemeen
                            geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, voorzieningen bieden gericht op
                            nazorg.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>SPECIFIEKE VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor de scholing die wordt aangeboden of waarvoor subsidie wordt
                                verleend gelden de navolgende voorwaarden:• de scholing dient te
                                zijn gericht op arbeidsinschakeling in algemeen geaccepteerde
                                arbeid;• de goedkoopst adequate scholingsmogelijkheid moet worden
                                benut.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de Nugger en de Anw-er geldt daarnaast de aanvullende
                                voorwaarde dat deze zich beschikbaar dient te stellen voor algemeen
                                geaccepteerde arbeid voor tenminste 19 uur per week.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>De uitkeringsgerechtigde die arbeid in deeltijd heeft of aanvaardt,
                            waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dat de voor de
                            uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde bijstandsnorm, heeft
                            eenmalig gedurende een periode van maximaal 6 aaneengesloten maanden
                            recht op vrijlating van inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 31,
                            tweede lid onder o van de wet waarbij het vrijlatingspercentage wordt
                            bepaald op 25% met een maximum van het in artikel 31, tweede lid onder o
                            van de wet genoemde bedrag.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Uitstroompremie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan aan <vet>a.</vet> de uitkeringsgerechtigde, die
                                tenminste 2 jaar onafgebroken een uitkering heeft ontvangen,
                                    of<vet>b. </vet>de belanghebbende, die tenminste 2 jaar
                                onafgebroken loon heeft ontvangen uit een gesubsidieerde
                                dienstbetrekking op grond van de voormalige Wet inschakeling
                                werkzoekenden of de voormalige Regeling In- en doorstroombanen, bij
                                het aanvaarden van een niet gesubsidieerde baan een uitstroompremie
                                toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De premie bij volledige uitstroom uit de uitkering of het
                                gesubsidieerd werk bedraagt € 1.000,=.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De uitstroompremie wordt in 2 termijnen van 50% uitbetaald; de
                                eerste termijn nadat 2 maanden onafgebroken is gewerkt en de tweede
                                termijn nadat 12 maanden onafgebroken is gewerkt in een reguliere,
                                niet gesubsidieerde, dienstbetrekking.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Bijzondere kosten</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor bijzondere aanvullende
                            onkosten ten behoeve van arbeidsinschakeling.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><al>Het college kan andere, niet in deze verordening genoemde, instrumenten
                            gericht op arbeidsinschakeling aanmerken als een voorziening.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in situaties waarin deze verordening niet voorziet
                                nadere regels stellen.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening naar het oordeel van het college tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: <vet>Verordening
                                reïntegratie WWB 2007.</vet></al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007, onder
                            gelijktijdige intrekking van de Reïntegratieverordening WWB 2004.</al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Oirschot van
                        19 december 2006.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De gemeenteraad,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>Han Struijs, Ruud Severijns,griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr>1</nr><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet>Bij de definitie van “Nugger” is
                    aangesloten bij de definitie zoals deze in de Wet werk en bijstand is vermeld.
                    Voor de toepassing van deze verordening is deze definitie uitgebreid met
                    personen die met instemming van burgemeester en wethouders een tijdelijke baan,
                    anders dan in WSW-verband, hebben aanvaard bij de BV Kempenplus te Bladel en die
                    op grond daarvan verplicht zijn om mee te werken aan het verkrijgen van een
                    andere betaalde, niet-gesubsidieerde baan op de reguliere arbeidsmarkt. Op grond
                    hiervan kunnen de in deze verordening genoemde reïntegratie-instrumenten ook
                    voor deze categorie personen worden ingezet en ten laste worden gebracht van het
                    Werkdeel van het WWB-budget.De overige definities in dit artikel behoeven geen
                    nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Opdracht aan burgemeester en wethouders</vet>De WWB geeft aan
                    burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid voor het bieden van
                    ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning,
                    is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de
                    belanghebbende dat mogelijk het liefst zou zien. Het is aan burgemeester en
                    wethouders om zorg te dragen voor een voldoende aanbod van voorzieningen,
                    waarbij zij te maken hebben met beperkte financiële middelen, terwijl de vraag
                    naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische
                    factoren. Het college maakt een individuele afweging ten aanzien van de
                    voorzieningen die voor de reïntegratie van de betreffende werkloze nodig zijn.
                    Uitgangspunt daarbij is de zogenaamde “zelfredzaamheids¬ladder”: hoe groter de
                    afstand tot regulier werk is, hoe meer en hoe intensiever
                    reïntegratie-instrumenten nodig zullen zijn. Daarbij kan ook een combinatie van
                    voorzieningen worden ingezet: een oriëntatiestage kan daardoor bijvoorbeeld nog
                    worden gevolgd door een stage, proefplaatsing en eventueel loonkostensubsidie
                    alvorens een belanghebbende uiteindelijk op een reguliere baan terecht
                    komt.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Beleidsplan</vet>De verordening gaat uit van een constante cyclus
                    waarbij maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen het
                    noodzakelijk maken om relatief snel en adequaat op die ontwikkelingen te kunnen
                    inspelen. Van het college wordt daarom verwacht dat jaarlijks in een beleidsplan
                    wordt vastgesteld hoe de reïntegratie-instrumenten in het volgende kalenderjaar
                    doeltreffend en doelmatig kunnen worden ingezet. De raad stelt jaarlijks, in
                    overleg met de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) de Kempen, de
                    kwantitatieve doelstellingen vast en middels de jaarrekening legt het college
                    verantwoording af over het gevoerde beleid.De aan het college gegeven
                    mogelijkheid om een subsidieplafond vast te stellen is gecreëerd om ongewenste
                    overschrijding van de beschikbare middelen te voorkomen. Dat is nodig omdat
                    vooraf niet altijd bepaald kan worden hoe effectief het beleid, om de
                    werkgelegenheid voor speciale doelgroepen te vergroten, zal zijn en wat de
                    uitgaven zullen zijn die daarvan het gevolg zijn.De gemeente kan, om de
                    financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van de middelen over de
                    verschillende voorzieningen. Dit kan in het beleidsplan gebeuren.De WWB stelt
                    dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan zijn voor de
                    afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere,
                    goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus is dat er geen
                    algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening een
                    plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken.Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid
                    van het college om plafonds in te stellen. Een mogelijkheid is dat bij de
                    vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het
                    beleidsplan of in de begroting voor de verschillende voorzieningen worden
                    gereserveerd.Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond moet bekendgemaakt worden vóór de periode waarvoor
                    deze geldt (art. 4:27 lid 1 Algemene wet bestuursrecht). Een budgetplafond kan
                    worden ingesteld voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen.</al><al/><al><vet>Artikel 4 Aanspraak op ondersteuning</vet>In de wet is de zorgplicht van de
                    gemeente vastgelegd. Het is echter aan de gemeente om deze zorgplicht vorm te
                    geven. Aan het college wordt de opdracht gegeven de voorzieningen en de daaraan
                    gekoppelde voorwaarden en verplichtingen voor de betreffende belanghebbende vast
                    te leggen in een beschikking en een trajectplan.In de meeste gevallen zal,
                    voordat tot de inzet van voorzieningen wordt besloten, een advies worden
                    gevraagd van een bedrijf dat gespecialiseerd is in diagnoses met betrekking tot
                    reïntegratie. Niet uitgesloten is dat het onderzoek door het college wordt
                    verricht. Eventueel kan na een dergelijk onderzoek besloten worden alsnog advies
                    van derden in te winnen. Ook is denkbaar dat uit het eigen onderzoek al blijkt
                    dat een diagnose door derden en/of de inzet van voorzieningen niet nodig
                    is.</al><al/><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    voorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing
                    naar andere instanties. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die inzet
                    het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden
                    de voorzieningen alleen ingezet als aan de hand van onderzoek is gebleken dat
                    door de inzet van die voorzieningen het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid
                    binnen afzienbare tijd mogelijk wordt. Gesubsidieerde arbeid wordt op grond van
                    de WWB gezien als vorm van algemeen geaccepteerde arbeid, met dien verstande dat
                    gesubsidieerde arbeid in beginsel geen einddoel kan zijn.Reïntegratie moet
                    bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee wordt niet alleen de tijd
                    tussen de inzet van het instrument en de werkaanvaarding bedoeld, maar ook de
                    inspanningen die het kost om dat doel te bereiken.Alleen als arbeidsinschakeling
                    binnen afzienbare termijn niet tot de mogelijkheden behoort, kan zelfstandige
                    maatschappelijke participatie een doel van de inzet van voorzieningen zijn. Ook
                    in dat geval geldt dat de voorziening beschikbaar moet zijn en dat het adequaat
                    en toereikend moet zijn voor het beoogde doel. De uiteindelijke
                    verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het college, dat
                    immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte inzet van
                    schaarse middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening
                    gehouden met de wensen van de belanghebbende. Voor het slagen van het traject is
                    de motivatie van de belanghebbende belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het
                    traject wordt besloten, de inhoud van het traject besproken met de
                    belanghebbende, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend
                    wordt.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Verplichtingen van de belanghebbende</vet>Deelname aan
                    reïntegratie is niet vrijblijvend. Uitkeringsgerechtigden zijn reeds door het
                    ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden. Voor degenen
                    zonder uitkering moeten voorwaarden aan het reïntegratietraject gekoppeld
                    worden. Deze gelden vanzelfsprekend ook voor de uitkeringsgerechtigden. Het niet
                    nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te breken
                    of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil
                    werken aan een onderzoek. Natuurlijk heeft de belanghebbende ook rechten. Deze
                    rechten zijn meestal elders in wet- of regelgeving ondergebracht. Tegen
                    beslissingen op grond van deze verordening staat bezwaar en beroep open op grond
                    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het recht op inzage in gegevens en
                    zonodig correctie daarvan is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens
                    (Wbp).</al><al/><al><cursief><vet>Voorzieningen met behoud van uitkeringAlgemeen</vet></cursief>Het
                    college kan besluiten meerdere voorzieningen in combinatie in te zetten.
                    Maatwerk is daarbij het belangrijkste uitgangspunt. Uitgangspunt is tevens dat
                    de kortste weg naar regulier werk wordt bewandeld; voorkomen moet worden dat
                    voorzieningen zeer langdurig worden ingezet. Daarom zijn bij de meeste
                    voorzieningen maximale perioden genoemd, welke alleen in zéér bijzondere
                    situaties kunnen worden verlengd.Gewaakt moet worden voor verdringing van
                    reguliere arbeidsplaatsen en voor concurrentievervalsing. Vooral als grotere
                    groepen werklozen bij één bedrijf worden ingezet, kan daarvan sprake zijn. Omdat
                    een trajectplan zich richt op de werkloze, en niet op het bedrijf, en bovendien
                    van relatief korte duur is, zal niet gauw sprake zijn van concurrentievervalsing
                    of verdringing.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Sociale Activering</vet>Vrijwilligerswerk met behoud van
                    uitkering kan een nuttig instrument zijn om werkritme op te doen of te laten
                    behouden. Het kan worden ingezet als uitstroom naar algemeen geaccepteerde
                    arbeid niet mogelijk is, of als dat pas op lange termijn te realiseren is. Er is
                    bewust voor gekozen om geen exacte termijnen te noemen voor dit
                    arbeidsperspectief. Dat zou ten onrechte de suggestie wekken dat altijd vooraf
                    exact vast te stellen is wanneer een doelstelling wordt bereikt; het
                    arbeidsperspectief is ook niet alleen afhankelijk van in de persoon gelegen
                    omstandigheden, ook een veranderende arbeidsmarkt maakt dat het
                    arbeidsperspectief wijzigt. Als vrijwilligerswerk een onderdeel van een traject
                    naar betaald werk is, wordt de duur beperkt doordat een traject in principe van
                    beperkte duur is.Vrijwilligerswerk wordt alleen verricht bij organisaties die
                    geen winstoogmerk hebben. Uit de definitie van vrijwilligerswerk in artikel 1
                    volgt bovendien dat het moet gaan om maatschappelijk nuttige activiteiten.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Direct Werk en Snelwerk</vet>Direct Werk wordt voor de gemeenten
                    Bergeijk, Bladel, Eersel en Reusel-de Mierden uitgevoerd door WVK/Kempenplus.
                    Snelwerk wordt voor de gemeente Oirschot door Pluspunt Eindhoven.Zowel Direct
                    Werk als Snelwerk is in beginsel opgezet voor nieuwe werklozen met als
                    belangrijk doel de afstand tot de arbeidsmarkt zo klein mogelijk te houden.
                    Indien instrumenten als proefplaatsing en stage nog niet aan de orde zijn, zal
                    het instrument mogelijk ook ingezet worden ten behoeve van de
                    uitkeringsgerechtigde die niet direct plaatsbaar is en voor wie het opdoen van
                    arbeids- en dagritme, evenals de monitoring van belangstelling en mogelijkheden,
                    van belang wordt geacht voor de bevordering van de plaatsbaarheid. Direct Werk
                    en Snelwerk kunnen in principe maximaal 4 maanden worden ingezet; in deze
                    periode dient een reïntegratieplan voor de belanghebbende te worden
                    opgesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Oriëntatiestage</vet>De oriëntatiestage kent meerdere doelen:
                    enerzijds is het van belang dat werkritme wordt opgedaan en dat wordt onderzocht
                    wat de mogelijkheden of belemmeringen van de werkzoekende zijn, anderzijds kan
                    de werkzoekende proefondervindelijk vaststellen in welke werkzaamheden hij het
                    best tot zijn recht komt.Een oriëntatiestage moet in principe van korte duur
                    zijn; zo snel mogelijk moet de betreffende werkloze doorstromen naar een hogere
                    trede op de zelfredzaamheidladder, bijvoorbeeld naar een stage, proefplaatsing
                    of definitieve baan, al dan niet met loonkostensubsidie. Vandaar dat een termijn
                    van maximaal 3 maanden is opgenomen.Een oriëntatiestage levert in principe geen
                    productiviteit voor de werkgever op; de werkgever stelt zijn bedrijf open ten
                    behoeve van de werknemer die zich wil oriënteren op werk, anders dan de hierna
                    genoemde stage en proefplaatsing. Om die reden wordt voor dit instrument van de
                    werkgever geen inleenvergoeding gevraagd.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Stage</vet>De stage heeft als belangrijkste doel het opdoen van
                    vaardigheden in een bepaald vakgebied, waardoor uitstroom naar betaald werk
                    mogelijk wordt gemaakt. De stage is bedoeld voor belanghebbenden die op korte of
                    middellange termijn perspectief op betaald werk hebben. Voor de stage geldt dat
                    niet alleen het arbeidsperspectief (bij déze werkgever) bepalend is voor de
                    inzet van de voorziening; vooral het noodzakelijke leerelement bepaalt de inzet.
                    Anders dan bij vrijwilligerswerk en sociale activering geldt hier wel een
                    duurbeperking. De reden daarvan is dat de stage niet kan worden ingezet met als
                    (voorlopig) einddoel zelfstandige maatschappelijke participatie. De stage duurt
                    in beginsel 3 maanden, maar kan in bijzondere situaties met 3 maanden worden
                    verlengd. In beginsel kan van de stagebiedende instelling een inleenvergoeding
                    worden gevraagd indien de mate van productiviteit duidelijk hoger is dan de
                    noodzakelijke begeleiding.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Proefplaatsing</vet>Bij de proefplaatsing is het doel niet
                    zozeer het leren van vaardigheden, maar vooral het wennen aan aspecten die
                    samenhangen met betaald werk bij een bepaalde werkgever. Net als de stage kan
                    het instrument worden ingezet voor leden van de doelgroep met een perspectief op
                    betaald werk, alleen nu op korte termijn. Voor de proefplaatsing geldt als basis
                    een concreet arbeidsperspectief bij een bepaalde werkgever. De proefplaatsing
                    duurt in beginsel maximaal 3 maanden maar kan in bijzondere situaties eenmalig
                    met 3 maanden worden verlengd Nog meer dan in een stage zal bij een
                    proefplaatsing daadwerkelijk sprake zijn van productiviteit van de werknemer.
                    Een proefplaatsing zal daarom altijd gepaard gaan met een inleenvergoeding als
                    tegenprestatie voor deze productiviteit.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Doel van de subsidie </vet>Doel van subsidiëring van
                    arbeidsplaatsen is om extra werkgelegenheid te bevorderen voor speciale groepen
                    van werklozen die anders geen werk kunnen vinden. De reden hiervoor kan zijn dat
                    deze werklozen door de grotere afstand tot de arbeidsmarkt minder productief
                    zijn, of dat werkgevers door een gebrek aan werkervaring huiverig zijn om iemand
                    in dienst te nemen vanwege de extra financiële risico's die daaraan verbonden
                    zijn. Door deze subsidiëring worden die financiële risico's gecompenseerd en
                    komen extra voorzieningen op het terrein van reïntegratie beschikbaar.De
                    loonkostensubsidie wordt verstrekt aan een werkgever ten behoeve van een
                    belanghebbende om deze daarmee werkervaring te laten opdoen en/of de overgang
                    naar regulier werk bij de betreffende werkgever mogelijk te maken.In principe
                    zal er bereidheid bij de werkgever moeten zijn om een dienstverband voor
                    onbepaalde tijd te sluiten. Teneinde het instrument detachering in te kunnen
                    zetten bij bedrijven en instellingen waar nog geen sprake kan zijn van een
                    concreet dienstverband, wordt de mogelijkheid geboden loonkostensubsidie aan een
                    detacheringbedrijf toe te kennen.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Duur en hoogte </vet>Langdurige subsidierelaties beperken de
                    doorstroom naar regulier werk en dienen uit dien hoofde te worden voorkomen. Om
                    die reden wordt de duur van een loonkostensubsidie in beginsel beperkt tot 3
                    maanden. Om de effectiviteit van deze voorziening te vergroten kan in bijzondere
                    omstandigheden de subsidie met telkens 3 maanden worden verlengd tot een
                    maximale subsidieduur van 12 maanden. De loonkostensubsidie moet worden ingezet
                    als reïntegratie-instrument; het is daarom van belang dat het beoogde doel en de
                    voorgenomen ontwikkeling van de belanghebbende in een overeenkomst worden
                    vastgelegd. Zonodig kunnen de werkgever en de belanghebbende bij het opstellen
                    van de overeenkomst door het college worden ondersteund.Er wordt uitgegaan van
                    tenminste een minimale productiviteit; anderzijds wordt zeker in een
                    beginperiode ook begeleiding gegeven. Om recht te doen aan de minimale
                    productiviteit is de subsidie bij aanvang maximaal 70% van het voor de
                    belanghebbende geldende netto minimumloon. De werkgever betaalt aldus voor de
                    productiviteit die wordt geboden. Het ligt voor de hand dat de subsidie daalt
                    naarmate de productiviteit van de werknemer toeneemt. Aan de hand van separate
                    beleidsregels dient de klantmanager van de gemeente de productiviteit op basis
                    van redelijkheid in te schatten en hierover met de werkgever te onderhandelen;
                    hierbij betrekt de klantmanager het belang van plaatsing. De duur en hoogte van
                    de overeengekomen subsidie worden in een beschikking vastgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Aanvraag </vet>Mede om de verwachte ontwikkeling vast te kunnen
                    leggen in een overeenkomst, dient de subsidie vóór de aanvang van de betrekking
                    te worden aangevraagd. Zonder aanvraag en overeenkomst kan geen recht op
                    subsidie ontstaan.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Samenloop van subsidies</vet>Opgenomen is dat een
                    loonkostensubsidie alleen mogelijk is voor die loonkosten, of voor dat deel van
                    die loonkosten, waar niet al een andere subsidie voor wordt ontvangen. Dat hoeft
                    niet een subsidie te zijn die alleen voor de loonkosten bedoeld is. Het kan ook
                    om een meer algemene subsidie gaan, waarvan is vastgesteld dat die ook voor de
                    loonkosten bestemd is.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Definitieve vaststelling</vet>Het definitieve recht op subsidie
                    wordt vastgesteld na afloop van ieder kalenderjaar of na afloop van de
                    overeengekomen periode. Als er meer dan één gesubsidieerde arbeidsplaats is,
                    wordt op dat moment tevens het totaal aan subsidies voor die arbeidsplaatsen
                    vastgesteld. Definitieve vaststelling per kalenderjaar sluit ook goed aan bij
                    het moment van salarisveranderingen en fiscale veranderingen en bij het moment
                    waarop definitief opgave van loonkosten moet worden gedaan ten behoeve van
                    andere regelingen.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Voorschotten</vet>Voorschotverlening is mogelijk gemaakt omdat
                    de subsidie achteraf per jaar definitief wordt vastgesteld, en de
                    bedrijfsvoering van werkgevers niet altijd toelaat dat de loonkosten worden
                    betaald zonder dat daar de inkomsten uit de loonkostensubsidie tegenover staan.
                    Als is vastgesteld dat aan de voorwaarden van subsidiering is voldaan, kunnen
                    periodiek voorschotten worden verstrekt ter hoogte van een voorlopige schatting
                    van het uiteindelijk toe te kennen subsidiebedrag ten behoeve van de aanwezige
                    gesubsidieerde arbeidsplaatsen over de periode waarop het voorschot betrekking
                    heeft. Bij de definitieve vaststelling van de subsidie vindt verrekening van de
                    verstrekte voorschotten plaats. Het verschil dat resteert wordt uitbetaald als
                    het positief is, of verrekend. Als verrekening niet mogelijk is, worden te veel
                    verstrekte voorschotten teruggevorderd.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Voorzieningen gericht op nazorg</vet>Teneinde de positie van de
                    werknemer te versterken, zodat deze niet opnieuw werkloos wordt, kan het college
                    voorzieningen verstrekken die zijn gericht op nazorg. Dit kan bijvoorbeeld
                    betrekking hebben op scholings- en trainingskosten.</al><al/><al><vet>Artikel 18 Scholing</vet>De kosten van scholing vallen eveneens onder de
                    reïntegratie-instrumenten indien de scholing is gericht op arbeidsinschakeling.
                    Er wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate scholingsmogelijkheid. Teneinde de
                    scholingskosten voor Nuggers daadwerkelijk in te zetten als
                    reïntegratie-instrument is de bepaling opgenomen dat men zich tenminste voor 19
                    uur per week beschikbaar moet stellen voor arbeid. Scholing kan zowel vóór,
                    tijdens of na andere voorzieningen worden ingezet. Zelfs na plaatsing op een
                    reguliere baan zal scholing in het kader van nazorg een functie kunnen
                    vervullen.Scholing van werklozen die zich richten op zelfstandigheid geschiedt
                    met toepassing van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Ook
                    zogenaamde voorbereidingstrajecten worden met toepassing van het Bbz
                    betaald.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Inkomstenvrijlating</vet>De wet heeft in artikel 31, tweede lid
                    de mogelijkheid gegeven gedurende maximaal 6 maanden inkomsten gedeeltelijk vrij
                    te laten. Vrijlating van inkomsten kan een stimulans zijn om arbeid te
                    aanvaarden of te behouden. Gelet op de wettelijke mogelijkheid worden gedurende
                    maximaal 6 maanden en maximaal de in de wet genoemde vrijlating inkomsten niet
                    tot de middelen gerekend. De vrijlating is ook van toepassing op de nieuwe
                    uitkeringsgerechtigde die op de datum van ingang van de uitkering al inkomsten
                    heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Uitstroompremie</vet>Langdurig werklozen hebben vaak meerdere
                    jaren geleefd van een minimum inkomen. Duurzame gebruiksgoederen zijn vaak niet
                    vervangen of soms zijn schulden gemaakt. Volledige uitstroom naar een reguliere
                    baan met een minimum inkomen verbetert nauwelijks iets aan de financiële
                    positie. Een premie kan een positieve uitwerking hebben op het perspectief en
                    daarmee op de motivatie van de werkzoekende. De premie wordt in 2 delen betaald,
                    kort na werkaanvaarding en na 12 maanden te hebben gewerkt. Om voor de premie in
                    aanmerking te komen moet de uitkeringsgerechtigde ten minste 2 jaren
                    onafgebroken uitkering hebben genoten of dient de werknemer onafgebroken 2 jaren
                    in een gesubsidieerde baan te hebben gewerkt.De premie kan ook worden verstrekt
                    aan personen die in het kader van de Regeling In- en doorstroom-banen of de Wet
                    inschakeling werkzoekenden werkzaam waren op een gesubsidieerde baan.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Bijzondere kosten</vet>In dit artikel wordt aan het college de
                    mogelijkheid geboden om in bijzondere situaties andere kosten te vergoeden. Deze
                    kosten dienen dan wel direct betrekking te hebben op de arbeidsinschakeling. Te
                    denken valt bij voorbeeld aan voorzieningen die voor de betreffende werkloze
                    noodzakelijk zijn en die niet uit hoofde van andere wetten en regelingen
                    beschikbaar kunnen komen, zoals bijvoorbeeld een (brom)fiets om het werk te
                    bereiken als hierin niet is voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Overige voorzieningen</vet>Om flexibel te kunnen inspelen op
                    nieuwe ontwikkelingen omtrent reïntegratie-instrumenten is het wenselijk dat het
                    college ook (nog) niet in de verordening genoemde instrumenten kan aanmerken als
                    een voorziening. Te denken valt hierbij aan bijvoorbeeld inburgeringstrajecten
                    (in de ruimste zin des woords) als eerste stap op de reïntegratieladder, een
                    premie (al dan niet in natura) bij het succesvol afronden van een
                    reïntegratietraject of tijdelijke dienstverbanden, zoals een bonusbaan bij
                    WVK/Kempenplus of een Snelwerkplus-overeenkomste bij Pluspunt Eindhoven.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Uitvoering en nadere regels</vet>Evenals de uitvoering van de
                    WWB ligt de uitvoering van deze verordening bij het college.Indien het college
                    dat noodzakelijk acht, kan het nadere regels vaststellen voor de
                    uitvoering.</al><al/><al><vet>Artikel 24 Hardheidsclausule </vet>Op grond van dit artikel heeft het
                    college de bevoegdheid de artikelen van deze verordening buiten toepassing te
                    verklaren of daarvan af te wijken voor zover onverkorte toepassing van deze
                    artikelen onredelijk dan wel onbillijk zal zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Citeertitel </vet>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Inwerkingtreding</vet>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>