<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR75567_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 29-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning Geldrop-Mierlo 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 33 lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-05-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM 2009.0926A</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening op de ambtelijke bijstand en de
                            fractieondersteuning</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo;</al><al>gelezen het voorstel van de Agendacommisie d.d. 25 november 2009;</al><al>gehoord de raad in de raadsronde op 14 december 2009, 25 januari, 22
                        februari en 19 april 2010;</al><al>Gelet op artikel 33, derde lid, van de Gemeentewet;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de navolgende Verordening op de ambtelijke bijstand en
                        de fractieondersteuning <cursief>2010</cursief></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1:</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Feitelijke informatie: gegevens neergelegd in openbare
                                    schriftelijke stukken en ander materiaal dat gegevens bevat en
                                    geen beleidsgevoelige aspecten bevatten.</al></li><li nr="b."><al>Bijstand: het verzamelen en verwerken van informatie en het
                                    verlenen van hulp bij de redactionele vormgeving van
                                    voorstellen, amendementen en moties, waartoe ook behoort het
                                    geven van advies.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2:</nr><titel>Feitelijke informatie en ambtelijke bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Feitelijke informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid, dat feitelijke informatie, inzage in of een afschrift
                                van documenten die openbaar zijn wenst, kan zich daarvoor
                                rechtstreeks wenden tot de secretaris of door hem aangewezen
                                ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de aanwijzing van de ambtenaren wordt aan de leden van de raad
                                mededeling gedaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                                informatie bedoeld in het eerste lid, stelt hij de secretaris
                                daarvan in kennis. De secretaris beslist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier met een verzoek om
                                bijstand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door de
                                griffier of een medewerker van de griffie. Indien de gevraagde
                                bijstand niet door de griffier of een medewerker van de griffie kan
                                worden verleend kan de griffier de secretaris verzoeken, één of meer
                                ambtenaren aan te wijzen, die de gevraagde bijstand zo spoedig
                                mogelijk verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Uitzonderingsgronden ambtelijke bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar verleent op verzoek van de secretaris
                                        ambtelijke bijstand tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
                                        betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden;</al></li><li nr="c."><al>het bijstand, bedoeld in artikel 3, tweede lid tweede
                                        volzin, betreft. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De secretaris beoordeelt of ambtelijke bijstand op grond van
                                        het eerste lid geweigerd wordt. </al></li><li nr="3."><al>Indien de bijstand op grond van het eerste lid wordt
                                        geweigerd deelt de secretaris dit met redenen omkleed mee
                                        aan de griffier en aan het raadslid dat het verzoek heeft
                                        ingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Weigering ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Indien het verzoek om bijstand van een ambtenaar door de secretaris
                                wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het
                                verzoek voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo
                                spoedig mogelijk over het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beklag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar
                                        verleende bijstand, doet hij hiervan mededeling aan de
                                        griffier.</al></li><li nr="2."><al>De griffier overlegt met de secretaris over een voor beide
                                        partijen bevredigende oplossing. </al></li><li nr="3."><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor
                                        beide partijen bevredigende oplossing leggen zij de zaak
                                        voor aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig
                                        mogelijk over de zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Melding verzoek feitelijke
                                informatie</titel></kop><al>De secretaris of de aangewezen ambtenaar stellen de betreffende
                                portefeuillehouder in kennis van de aan een raadslid verstrekte
                                feitelijke informatie, van de inzage in of het verstrekken van een
                                afschrift van documenten die openbaar zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Fractieondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Financiële bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De fracties, zoals bedoeld in artikel 10, eerste lid van het
                                Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van
                                de raad, ontvangen jaarlijks een financiële bijdrage als
                                tegemoetkoming in de kosten voor het functioneren van de fractie.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze bijdrage bestaat uit:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vast deel van € 2000,00 voor elke fractie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>daarnaast ontvangt elke fractie een bedrag van € 200,00 per
                                raadszetel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Besteding bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Fracties besteden de bijdrage om hun volksvertegenwoordigende,
                                kaderstellende en controlerende rol te vervullen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>uitgaven die in strijd zijn met wettelijke bepalingen en overige
                                regelingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen verbonden
                                instellingen of natuurlijke personen anders dan ter vergoeding van
                                prestaties (diensten of goederen) geleverd ten behoeve van de
                                fractie op basis van een gespecificeerde, reële declaratie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>giften;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>uitgaven welke dienen bestreden te worden uit vergoedingen die de
                                leden ingevolge het rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                                toekomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitkering bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijdrage voor fractieondersteuning wordt, voor 31 januari van
                                    een kalenderjaar, als voorschot op dat kalenderjaar
                                    verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>In een jaar waarin verkiezingen plaatsvinden wordt het voorschot
                                    verstrekt voor de maanden tot en met de maand waarin de
                                    verkiezingen plaatsvinden. In de eerste maand na de maand waarin
                                    de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad plaatsvindt
                                    wordt het voorschot verstrekt voor de overige maanden van dat
                                    jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het voorschot wordt verrekend met teveel ontvangen voorschotten
                                    in jaren waarvoor de raad de bedragen heeft vastgesteld bedoeld
                                    in artikel 13, derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Wijziging bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het zeteltal van een fractie ten gevolge van verkiezingen
                                    verandert, wijzigt de bijdrage a. bij vermindering van het
                                    zeteltal: op de eerste dag van de maand na de maand waarin de
                                    eerste vergadering van de nieuw gekozen raad plaatsvindt. b. bij
                                    vermeerdering van het zeteltal: op de eerste dag van de maand
                                    waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="2."><al>Bij splitsing van een fractie wordt de op grond van artikel
                                        <cursief>8</cursief>, lid <cursief>2b</cursief>,
                                    vastgestelde bijdrage voor de oorspronkelijke fractie verdeeld
                                    over de betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij
                                    de splitsing betrokken leden en de datum van splitsing.</al></li><li nr="3."><al>Bij splitsing van een fractie wordt het aan de oorspronkelijke
                                    fractie verstrekte <cursief>voorschot </cursief>verrekend
                                    overeenkomstig de verdeling die volgt uit het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Reservering bijdrage</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van
                                    de bijdrage toekomend aan een fractie ter besteding door die
                                    fractie in volgende jaren.</al></li><li nr="2."><al>De reserve is niet groter dan 30% van de bijdrage die de fractie
                                    in het voorgaande kalenderjaar toekwam ingevolge artikel
                                    10.</al></li><li nr="3."><al>Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve, komt tot
                                    uitdrukking in de afrekening als bedoeld in artikel 13 over dat
                                    jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats.</al></li><li nr="4."><al>De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie
                                    die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die
                                    naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan
                                    worden beschouwd.</al></li><li nr="5."><al>Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou
                                    worden dan aangegeven in het tweede lid, vervalt het recht op
                                    dat meerdere.</al></li><li nr="6."><al>Bij splitsing van een fractie, wordt de reserve verdeeld over de
                                    betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de
                                    splitsing betrokken leden, voor zover deze reserve niet meer
                                    bedraagt dan 30% van de bijdrage die de oorspronkelijke fractie
                                    in het voorgaande kalenderjaar ontving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke fractie legt, binnen drie maanden na het einde van een
                                kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding van de
                                bijdrage voor fractieondersteuning onder overlegging van een
                                verslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Controle van het verslag vindt plaats door de griffier en de
                                controller. Deze brengen advies uit aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad stelt na ontvangst van het advies de bedragen vast van: a.
                                de uitgaven van een fractie die in het vorige kalenderjaar uit de
                                bijdrage bekostigd zijn; b. de wijziging van de reserve; c. de
                                resterende reserve; d. de verrekening tussen de in onderdeel a.
                                genoemde uitgaven en het ontvangen voorschot en, voor zover nodig,
                                de hoogte van de terugvordering van ontvangen voorschotten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de Verordening op de
                                    ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning Geldrop-Mierlo
                                    2010.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt op 1 mei 2010 in werking.</al></li><li nr="3."><al>Op dat tijdstip vervalt de Verordening op de ambtelijke bijstand
                                    en de fractieondersteuning Geldrop-Mierlo 2004 vastgesteld bij
                                    raadsbesluit GM04.013 van 2 januari 2004.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad</ondertekening><ondertekening>der gemeente Geldrop-Mierlo d.d. 19 april 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>G.A.A. van Luijn M.J.D. Donders - de Leest</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting</tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de Gemeentewet. Dit artikel
                    is door de Wet dualisering gemeentebestuur ingrijpend gewijzigd. Het legt
                    expliciet vast dat de raad en individuele raadsleden een recht op ambtelijke
                    bijstand hebben. Voor politieke groeperingen bestaat daarnaast een recht op
                    fractieondersteuning. De uitwerking van deze rechten moet bij verordening worden
                    geregeld. </al><al>De oude modelregeling ambtelijke bijstand is aangepast aan het nieuwe
                    dualistische bestuursstelsel. Dit heeft geleid tot de nodige veranderingen. Het
                    meest opvallend is de centrale rol van de griffier. Dit nieuwe instituut, dat
                    bij uitstek bedoeld is voor het verlenen van hulp aan raadsleden, wordt het
                    eerste aanspreekpunt als het gaat om ambtelijke bijstand. De griffier vervult
                    ook de rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke
                    organisatie.</al><al>De burgemeester vervult ook een nieuwe rol in het proces. Indien er een
                    conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan, zal de burgemeester een
                    bemiddelende en uiteindelijk beslissende rol kunnen spelen. De positie van de
                    burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer en
                    als degene die uiteindelijk het laatste woord heeft. De Staatscommissie dualisme
                    en lokale democratie had ook al geadviseerd tot een dergelijke rol van de
                    burgemeester.</al><al>Gezien de nieuwe dualistische verhoudingen ligt het voor de hand dat er ook op
                    het punt van de ambtelijke bijstand duidelijkere scheidslijnen worden getrokken
                    tussen werkzaamheden voor de raad en voor het college. Dat komt tot uitdrukking
                    in het feit dat een raadslid kan aangeven dat een verzoek om ambtelijke bijstand
                    en de inhoud van de verleende bijstand geheim moet worden gehouden. De ambtenaar
                    mag niet onder druk komen te staan doordat hij werkzaamheden voor de raad
                    verricht. Daarom zal een collegelid dat toch informatie wenst over het verzoek
                    om ambtelijke bijstand, zich moeten wenden tot het betrokken raadslid en niet
                    tot de behandelend ambtenaar.</al><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. Deze ambtenaren werken doorgaans namelijk
                    voor het college. De wijziging van artikel 103 van de Gemeentewet laat dit
                    scherp zien. Voor de invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde
                    dit artikel dat de secretaris (en daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke
                    organisatie) de raad en het college terzijde stond. In dualistische verhoudingen
                    staat de secretaris het college terzijde en wordt de raad bijgestaan door de
                    griffier.</al><al>Dat de raad nu beschikt over een griffier met griffie betekent niet dat er geen
                    behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie. De griffie zal, in vergelijking met de reguliere organisatie
                    beperkt in omvang zijn. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken
                    van amendementen, moties en regelingen zal een beroep op deze organisatie dan
                    ook nodig blijven. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de
                    reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. De wetgever heeft dat onderkend
                    en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet vastgelegd.
                    Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht.</al><al>De nieuwe formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat buiten twijfel dat
                    individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad,
                    recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle
                    raadsleden een beroep worden gedaan.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is er sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Het begrip informatie is afgeleid van de Wet openbaarheid van bestuur.</al><al>Het begrip bijstand is zodanig afgebakend dat daarmee wordt voorkomen dat met
                    gebruikmaking van ambtelijke bijstand wordt beoogd een bepaald beleid te
                    ontwerpen. Door de voorgestelde omschrijving wordt voorkomen dat het ambtelijke
                    apparaat (lees de ambtenaren werkzaam onder de verantwoordelijkheid van het
                    college; niet de griffie-ambtenaren) wordt geconfronteerd met tegenstrijdige
                    opdrachten.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Voor verzoeken om informatie van feitelijke aard, dan wel inzage in of afschrift
                    van openbare documenten, kan een raadslid rechtstreeks contact opnemen met de
                    secretaris of een door hem aangewezen ambtenaar. Het begrip document wordt hier
                    overigens gebruikt in de betekenis die het in de Wet openbaarheid bestuur heeft.
                    Met openbaar wordt bedoeld openbaar in de zin van de Wet openbaarheid van
                    bestuur. Voor niet openbare documenten wordt een regeling gegeven in de artikel
                    25, 55 en 86 van de Gemeentewet. Deze rechten zijn uitgewerkt in het reglement
                    van orde voor de raad, het reglement van orde voor het college en de verordening
                    op de raadscommissies.</al><al>Artikel 3</al><al>Er is voor gekozen de griffier te noemen als centrale functionaris. Het bestaan
                    van het instituut griffie en de ontvlechting van de posities van de raad en het
                    college, die bij de dualisering zijn beslag heeft gekregen, leidt ertoe dat de
                    ambtelijke organisatie parallel ontvlochten wordt. Bijstand wordt in principe
                    door de griffier of een medewerker van de griffie verleent. Ambtelijke bijstand
                    door de reguliere ambtelijke organisatie is alleen aan de orde wanneer deze niet
                    vanuit de griffie kan worden verleend. Omdat de griffier geen zeggenschap heeft
                    over de reguliere ambtelijke organisatie zal de secretaris de ambtenaar die de
                    bijstand verleent moeten aanwijzen. De ontvlechting van posities leidt in dit
                    geval dus noodzakelijk tot een verdergaande formalisering van de regeling
                    omtrent ambtelijke bijstand. </al><al>De bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend. Het is niet mogelijk in de
                    verordening hiervoor vaste termijnen op te nemen in verband met de verschillen
                    in aard en omvang van de werkzaamheden voor een verzoek. De griffier ziet er op
                    toe dat er voortgang blijft in het proces.</al><al>In de gehele verordening is er voor gekozen een onderscheid aan te brengen
                    tussen ambtenaren en medewerkers van de griffie. Als er over ambtenaren
                    gesproken wordt, worden ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie
                    bedoeld die onder gezag van het college staan en worden dus niet
                    griffiemedewerkers bedoeld. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de
                    griffie ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn.</al><al>Artikelen 4 en 5 </al><al>Beoordeling of één van de in artikel 4, eerste lid genoemde weigeringsgronden
                    zich voordoet vindt in eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als
                    hoofd van de reguliere ambtelijke organisatie. In artikel 5 is aangegeven dat de
                    uiteindelijke beslissing over het niet verlenen van ambtelijke bijstand is
                    voorbehouden aan de burgemeester. Het ligt in de rede dat hij hierover overleg
                    voert met de secretaris en de griffier (en indien nodig ook het betrokken
                    raadslid). Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover de
                    burgemeester verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180
                    Gemeentewet).</al><al>Artikel 6</al><al>Ook indien – naar de mening van het raadslid – op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor wordt gegeven kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijke bestuur de meest aangewezen instantie voor. Wel dient de
                    griffier hierover eerst overleg te voeren met de secretaris.</al><al>Artikel 7</al><al>In dit artikel is aangegeven dat het van belang is dat de betrokken
                    portefeuillehouder op de hoogte is van door het ambtelijk apparaat verstrekte
                    feitelijke informatie. Hij kan dan in principe niet voor verrassingen komen te
                    staan.</al><al>Artikel 8</al><al>Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte
                    van het budget voor fractieondersteuning zal in de gemeentebegroting moeten
                    worden opgenomen en dus door de raad worden vastgesteld. De fractieondersteuning
                    bestaat uit een vast en een variabel deel. Het vaste deel garandeert dat elke
                    fractie de kans krijgt zich op gelijkwaardig niveau te laten ondersteunen. Omdat
                    grote fracties meer lasten zullen hebben op facilitair gebied is het logisch dat
                    zij voor dergelijke kosten een hogere vergoeding krijgen. Dit komt tot
                    uitdrukking in het variabele deel. De fracties worden geacht de kosten van
                    cursussen en congressen te betalen uit de fractieondersteuning.</al><al>Artikel 9</al><al>De fracties wordt grotendeels de vrijheid gelaten wat betreft de inhoudelijke
                    besteding van de fractieondersteuning. Minimumvoorwaarde is wel dat de bijdrage
                    besteed wordt aan raadswerkzaamheden. Verder is een aantal doelen genoemd
                    waarvoor de bijdrage niet gebruikt mag worden. Daarmee wordt onder andere
                    voorkomen dat met de bijdrage verkiezingscampagnes worden gefinancierd en dat
                    raadsleden hun eigen vergoeding voor het raadswerk (vastgelegd in het
                    rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, dat zijn grondslag vindt in de
                    artikelen 95 en 96 van de Gemeentewet) aanvullen met de bijdrage voor
                    fractieondersteuning. </al><al>Artikel 10</al><al>In een verkiezingsjaar wordt de bijdrage in twee keren uitbetaald. Het is
                    logisch dat de bijdrage wordt aangepast aan de nieuwe verhoudingen in de raad. </al><al>Artikel 11</al><al>Het spreekt vanzelf dat de bijdrage aangepast zal moeten worden aan veranderde
                    verhoudingen in de raad. De regeling heeft tot gevolg dat fracties die kleiner
                    worden (of geheel verdwijnen) nog over de gehele maand waarin de nieuwe raad
                    voor het eerst vergadert de bijdrage ontvangen. Voor fracties die groter worden
                    (of nieuwe fracties) gaat de bijdrage per diezelfde maand in. Dat betekent dat
                    de totale bijdrage voor fractieondersteuning in een verkiezingsjaar hoger
                    uitvalt dan in andere jaren. Dit is niet te vermijden.</al><al>Bij splitsing van een fractie zal de al eerder verstrekte bijdrage per raadslid
                    direct verrekend moeten worden. Als dat niet zou gebeuren zou een deel van de
                    oorspronkelijke fractie over een te grote bijdrage beschikken en zou het andere
                    deel juist helemaal geen bijdrage krijgen. </al><al>Bij splitsing van een fractie blijft de vaste bijdrage beschikbaar voor de
                    oorspronkelijke fractie. De nieuwe fractie ontvangt naar rato (gedeelte van het
                    jaar) de vaste vergoeding. </al><al>Artikel 12</al><al>De reserve bestaat uit het overschot van voorgaande jaren. Dit bedrag zal niet
                    eindeloos mogen groeien. De reserve is dan ook aan een maximum gebonden. Ook met
                    betrekking tot de reserve is het van belang dat goed wordt omgegaan met de
                    splitsing van een fractie. De regeling in het zesde lid regelt dat de reserve
                    naar evenredigheid verdeelt wordt over de nieuw ontstane fracties. Indien een
                    splitsing kort na de verkiezingen plaatsvindt zou een conflict kunnen ontstaan
                    over de verdeling van de reserve. De regeling laat er echter geen twijfel over
                    dat ook in dat geval de reserve verdeelt moet worden.</al><al>Artikel 13</al><al>De controle van het verslag kan door de accountant meegenomen worden met de
                    controle op de jaarrekening. Uit het verslag en de accountantsverklaring kan
                    naar voren komen dat er een verrekening dient plaats te vinden met het
                    verstrekte voorschot. Indien niet verrekend kan worden, bijvoorbeeld omdat een
                    fractie uit de raad verdwijnt zal de raad het ten onrechte uitgekeerde voorschot
                    kunnen terugvorderen. In kleinere gemeenten waar het om een beperkte bijdrage
                    voor fractieondersteuning gaat, kan wellicht accountantscontrole van het verslag
                    van de fractie achterwege blijven. In dat geval kan het tweede lid vervallen en
                    zal het derde lid aangepast moeten worden.</al><al>Artikel 14</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>