<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR75503_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats voor de gemeente Geldrop-Mierlo 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Geldrop-Mierlo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 22-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats gemeente Geldrop-Mierlo 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de lijkbezorging, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>GM 2010.0821</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats voor de gemeente Geldrop-Mierlo 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsbesluit</al><al>GM2010.0821</al><al>De raad van de gemeente Geldrop-Mierlo,</al><al>gelezen het voorstel van het college van 16 november 2010 </al><al>gelet op artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke
                        begraafplaats voor de gemeente Geldrop-Mierlo 2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>INLEIDENDE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>a. aanvrager: degene die – al dan niet door tussenkomst van een
                                    uitvaartverzorger- opdracht geeft voor een begrafenis, of die de
                                    uitgifte van een graf of urnenruimte vraagt; </al></li><li nr="·"><al>b. begraafplaats: de gemeentelijke begraafplaats ’t Zand gelegen
                                    aan Aragorn 14-16 te Geldrop; </al></li><li nr="·"><al>c. graf: een zandgraf of keldergraf; </al></li><li nr="·"><al>d. grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een
                                    of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet;
                                    grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of
                                    wand; </al></li><li nr="·"><al>e. asbus: een bus ter berging van as van een overledene; </al></li><li nr="·"><al>f. urn: een voorwerp ter berging van een of meer asbussen; </al></li><li nr="·"><al>g. particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk
                                    persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: </al><lijst><li nr="o"><al>1. het doen begraven en begraven houden van lijken;
                                        </al></li><li nr="o"><al>2. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen
                                            met of zonder urnen; </al></li><li nr="o"><al>3. het doen verstrooien van as. </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>h. algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin
                                    gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken;
                                </al></li><li nr="·"><al>i. particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk
                                    persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: </al><lijst><li nr="o"><al>1. het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen
                                            met of zonder urnen; </al></li><li nr="o"><al>2. het doen verstrooien van as. </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>j. algemeen urnengraf: een graf bij de gemeente in beheer waarin
                                    gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen
                                    met of zonder urnen; </al></li><li nr="·"><al>k. particuliere urnennis: een nis waarvoor aan een natuurlijk
                                    persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot
                                    het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder
                                    urnen; </al></li><li nr="·"><al>l. particuliere gedenkplaats: een plaats waarvoor aan een
                                    natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is
                                    verleend om overledenen te gedenken; </al></li><li nr="·"><al>m. verstrooiingsplaats: een plaats waarop as wordt verstrooid;
                                </al></li><li nr="·"><al>n. grafbedekking: gedenkteken en grafbeplanting op een graf,
                                    gedenkplaats of verstrooiingsplaats; </al></li><li nr="·"><al>o. beheerder: degene die door het college is belast met de
                                    dagelijkse leiding van de begraafplaats of degene die hem
                                    vervangt; </al></li><li nr="·"><al>p. rechthebbende: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie
                                    een uitsluitend recht is verleend op een particulier graf, een
                                    particulier urnengraf of een particuliere gedenkplaats, dan wel
                                    degene die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te
                                    zijn getreden; </al></li><li nr="·"><al>q. gebruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie een
                                    recht tot gebruik van een ruimte in een algemeen graf of een
                                    algemeen urnengraf is verleend, dan wel degene die
                                    redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn
                                    getreden.; </al></li><li nr="·"><al>r. grafakte: de beschikking waarin overeenkomstig de bepalingen
                                    van deze verordening door of namens het college een grafrecht
                                    wordt verleend; </al></li><li nr="·"><al>s. grafrecht: het uitsluitend recht op begraven en begraven
                                    houden in een particulier graf, particuliere grafkelder,
                                    particulier kindergraf of recht tot doen plaatsen en geplaatst
                                    houden in een particulier urnengraf of particuliere urnennis van
                                    asbussen, met of zonder urn, bevattende as van de overledene(n).
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitbreiding begrippen particulier en algemeen graf</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'particulier graf' mede
                                verstaan: particulier urnengraf, particuliere urnennis en
                                particuliere gedenkplaats. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening
                                bepaalde wordt, voor zover van belang onder 'algemeen graf' mede
                                verstaan: algemeen urnengraf. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>OPENSTELLING, ORDE EN RUST OP DE BEGRAAFPLAATS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Openstelling begraafplaats(en)</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De begraafplaats is voor eenieder dagelijks toegankelijk
                                gedurende door het college bij nadere regels vast te stellen tijden.
                                Het college maakt deze tijden openbaar bekend. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Ter handhaving van de orde en rust op de begraafplaats kunnen de
                                toegangen tijdelijk worden gesloten. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is verboden gedurende de tijd dat de begraafplaats(en) niet
                                voor het publiek geopend is, zich daarop te bevinden, anders dan
                                voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ordemaatregelen</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Bezoekers, personeel van uitvaartondernemingen en personen die
                                werkzaamheden op de begraafplaats hebben te verrichten, zijn
                                verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden
                                aan de aanwijzingen van de beheerder. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De beheerder kan personen die zich niet aan de in het eerste lid
                                bedoelde aanwijzing houden van de begraafplaats verwijderen of laten
                                verwijderen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Het is verboden met motorrijtuigen op de begraafplaats(en) te
                                rijden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het is verboden: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met fietsen, bromfietsen of andere (motor)rijwielen op de
                                begraafplaats te rijden of deze met zich mee te voeren, uitgezonderd
                                voorzieningen voor minder validen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>niet aangelijnde honden of andere dieren mee te nemen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op de graven te lopen of te zitten en er gereedschappen of andere
                                niet tot de graven behorende voorwerpen op te leggen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een begraafplaats te verontreinigen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>zonder toestemming of opdracht van de aanvrager een uitvaart te
                                fotograferen, te filmen of anderszins te registreren;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>bloemen of andere waren te koop aan te bieden of hiervoor reclame te
                                maken;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>as te verstrooien of andere vormen van lijkbezorging te bezigen
                                anders dan na toestemming van de beheerder.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De beheerder kan bezoekers of werklieden die zich niet aan de
                                hiervoor bedoelde geboden en verboden houden, de toegang tot de
                                begraafplaats ontzeggen. Bij herhaalde overtredingen kan gedurende
                                een door het college te bepalen periode de toegang worden ontzegd.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Plechtigheden</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Herdenkingsbijeenkomsten, onthullingen van gedenktekens en
                                dergelijke plechtigheden op de begraafplaats kunnen slechts
                                plaatsvinden nadat deze ten minste zes werkdagen tevoren zijn gemeld
                                aan de beheerder. Datum en uur van de plechtigheid en de wijze
                                waarop deze zal plaatsvinden worden in overleg met de aanvrager door
                                de beheerder vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De deelnemers aan de plechtigheid, bedoeld in het eerste lid zijn
                                verplicht zich in het belang van de orde, rust en netheid te houden
                                aan de aanwijzingen van de beheerder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Opgravingen en ruimen</titel></kop><al>Bij het opgraven van lijken en de ruiming van graven zijn geen andere
                            personen aanwezig dan degenen die door de beheerder met deze
                            werkzaamheden zijn belast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>VOORSCHRIFTEN VOOR LIJKBEZORGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Kennisgeving begraven en asbezorging, openen en sluiten van het
                                graf</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Degene die wil doen begraven, as wil doen bijzetten of as wil
                                doen verstrooien, geeft daarvan uiterlijk om 12.00 uur van de
                                werkdag voorafgaande aan die waarop de begraving, bijzetting of
                                verstrooiing zal plaatsvinden, schriftelijk kennis aan de beheerder.
                                De zaterdag geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als
                                werkdag. Indien de burgemeester toestemming heeft gegeven om het
                                lijk binnen 36 uur na het overlijden te begraven moet de
                                kennisgeving aan de beheerder zo tijdig mogelijk worden gedaan.
                            </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het openen van een graf ter begraving of voor het bezorgen van
                                as, en het daarna sluiten van een graf, alsmede het bedienen van de
                                hulpmiddelen mag uitsluitend geschieden door het personeel van de
                                begraafplaats op aanwijzingen en onder toezicht van de beheerder. De
                                nabestaanden kunnen deze werkzaamheden onder toezicht van de
                                beheerder geheel of gedeeltelijk zelf verrichten indien zij hun wens
                                daartoe uiterlijk om 12.00 uur van de voorafgaande werkdag mondeling
                                of schriftelijk aan de beheerder hebben kenbaar gemaakt. De zaterdag
                                geldt voor de toepassing van deze bepaling niet als werkdag. Zij
                                dienen bij deze werkzaamheden de aanwijzingen van de beheerder op te
                                volgen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Lijkkist, lijkomhulsel en grafgiften</titel></kop><lijst><li nr="·"><al>1. Het is verboden om een lijk te begraven in een zinken of
                                    andere metalen of kunststof (binnen)kist.</al></li><li nr="·"><al>2. Het is verboden om een lijk te begraven met gebruikmaking van
                                    een lijkhoes die niet voldoet aan de voorwaarden van het
                                    Lijkomhulselbesluit 1998. </al></li></lijst><al>·3. Het is verboden om in een kist of ander omhulsel voorwerpen of
                            objecten bij te sluiten die niet tot de kist of het lijk behoren, andere
                            dan kleine verteerbare grafgiften. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Over te leggen stukken</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Tot begraving wordt niet overgegaan dan nadat het verlof tot
                                begraven is overgelegd aan de beheerder. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Indien de begraving of de bezorging van as in een particulier
                                graf zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de beheerder
                                te worden overgelegd ondertekend door de rechthebbende of, indien
                                deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Begraving of bijzetting in een particulier graf waarvan de
                                uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn
                                afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van
                                de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende
                                uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum
                                grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de
                                rechthebbende. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar
                                boven toe afgerond op gehele jaren. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De beheerder onderzoekt of de overgelegde stukken toereikend
                                zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tijden van begraven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De tijd van begraven en het bezorgen van as is: op werkdagen van
                                09.00 tot 16.15 uur en op zaterdag 09.00 tot 16.15 uur. Op andere
                                dagen en tijdstippen kunnen –ter beoordeling van de beheerder-
                                eveneens begrafenissen, bijzettingen of andere plechtigheden
                                plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het tijdstip van begraven of bezorgen van as wordt telkens en
                                voor elke plechtigheid afzonderlijk door de beheerder, in overleg
                                met de betrokken aanvrager, rechthebbende of belanghebbende
                                vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Dodenherdenkingen en andere plechtigheden kunnen geschieden nadat
                                deze ten minste een week van te voren bij de beheerder zijn gemeld.
                                Datum en uur van de plechtigheid en de wijze waarop deze zal
                                geschieden worden in het belang van de rust en de orde op de
                                begraafplaats in overleg met de aanvrager door de beheerder
                                vastgesteld. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>INDELING EN UITGIFTE VAN DE GRAVEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Indeling graven en asbezorging</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Op de begraafplaats(en) kunnen worden uitgegeven: </al><lijst><li nr="o"><al>a. particuliere graven en particuliere urnengraven; </al></li><li nr="o"><al>b. particuliere urnennissen; </al></li><li nr="o"><al>c. particuliere gedenkplaatsen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college bepaalt bij nader vast te stellen regels hoeveel
                                lijken en hoeveel asbussen met of zonder urnen er kunnen worden
                                bijgezet in de particuliere graven en hoeveel verstrooiingen van as
                                er op de particuliere graven kunnen plaatshebben. Het college
                                bepaalt tevens de afmetingen en de uitgifteduur van de particuliere
                                graven. De uitgifteduur kan niet korter zijn dan de minimumtermijn
                                vastgesteld in de Wet op de lijkbezorging. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Aantal overledenen in algemene graven</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. In de algemene graven kan een door het college te bepalen aantal
                                lijken worden begraven. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. In de algemene urnengraven kan een door het college te bepalen
                                aantal asbussen met of zonder urn worden bijgezet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Volgorde van uitgifte</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De particuliere graven worden slechts voor directe begraving en
                                in volgorde van ligging uitgegeven. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan een particulier graf toewijzen anders dan voor
                                directe begraving en buiten de volgorde van uitgifte, indien dit
                                wegens de situatie op de begraafplaats(en) niet bezwaarlijk is.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Het college kan bij nader vast te stellen regels de algemene en
                            particuliere graven onderverdelen in categorieën. Het college bepaalt
                            voor de verschillende categorieën de situering en oppervlakte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Termijnen particuliere graven</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college verleent, voor zover de daartoe bestemde ruimte van
                                de begraafplaats(en) dat toelaat, op een daartoe bij hen
                                schriftelijk in te dienen aanvraag, voor de tijd van twintig jaar
                                recht op een particulier graf. De termijn begint te lopen op de
                                datum waarop het particuliere graf is uitgegeven. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het in het eerste lid van dit artikel bedoelde recht wordt op
                                aanvraag van de rechthebbende verlengd telkens met een termijn van
                                tien jaar, mits de aanvraag voor het verstrijken van de lopende
                                termijn wordt ingediend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Grafkelder</titel></kop><al>Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning
                            verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een
                            grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen
                            voorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Overschrijving van verleende rechten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het recht op een particulier graf kan op aanvraag van de
                                rechthebbende worden overgeschreven op naam van een ander natuurlijk
                                persoon of rechtspersoon. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Na het overlijden van de rechthebbende kan het recht op het
                                particuliere graf worden overgeschreven op naam van een natuurlijk
                                persoon of rechtspersoon, indien de aanvraag daartoe wordt gedaan
                                binnen zes maanden na het overlijden van de rechthebbende. Indien de
                                overleden rechthebbende in het graf dient te worden begraven, of
                                indien de asbus met zijn resten in het graf dient te worden
                                bijgezet, dient het verzoek tot overschrijving daaraan voorafgaand
                                te worden gedaan. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien na het overlijden van de rechthebbende de aanvraag tot
                                overschrijving aan het college niet wordt gedaan binnen de in het
                                tweede lid van dit artikel gestelde termijn van zes maanden, is het
                                college bevoegd het recht op het particuliere graf te doen
                                vervallen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Na het verstrijken van de in het tweede lid genoemde termijn van
                                zes maanden kan het college het particuliere graf alsnog op naam
                                stellen van een nieuwe rechthebbende, tenzij dit recht betrekking
                                heeft op een particulier graf dat inmiddels is geruimd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Afstand doen van graven</titel></kop><al>Zonder aanspraak te kunnen maken op enige vergoeding kan de
                            rechthebbende schriftelijk afstand doen ten behoeve van de gemeente van
                            het recht op het particuliere graf. Van de ontvangst van zodanige
                            verklaring doen burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling aan
                            de rechthebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Einde van de grafrechten</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De grafrechten vervallen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>door het verlopen van de termijn;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de rechthebbende of gebruiker afstand doet van het
                                recht;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de begraafplaats wordt opgeheven.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan de grafrechten vervallen verklaren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de betaling van de gebruiksrecht en de onderhoudskosten ten
                                behoeve van de vestiging of de verlenging van het grafrecht –
                                ondanks een aanmaning- niet binnen drie maanden na aanvang van die
                                termijn is geschied;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de rechthebbende – ondanks een aanmaning- in verzuim blijft
                                een op grond van deze verordening of de verordening
                                lijkbezorgingsrechten op hem rustende verplichting na te komen of
                                daarmee in strijd handelt;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien de rechthebbende of de gebruiker van een graf is overleden en
                                het recht niet binnen één jaar is overgeschreven. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. In de gevallen als bedoeld in het eerste lid onderdelen b en c en
                                in het tweede lid, vindt geen terugbetaling plaats van een deel van
                                de kosten van het grafrecht, betaalde onderhoudsbijdragen of
                                eventuele andere kosten.</al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Het eventueel op het graf aanwezige gedenkteken of de beplanting
                                kan gedurende een maand vóór het vervallen van een grafrecht, na
                                overleg met en goedkeuring van de beheerder, door de rechthebbende
                                of gebruiker van het graf worden verwijderd en van de begraafplaats
                                afgevoerd. Na het vervallen van het grafrecht kunnen zij geen
                                aanspraken op deze voorwerpen doen gelden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>GRAFBEDEKKINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Grafbedekking</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De rechthebbende van een particulier graf die grafbedekking wil
                                aanbrengen, geeft hiervan schriftelijk kennis aan de beheerder.
                            </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de aard en de
                                afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Onderhoud door rechthebbende of gebruiker</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of
                                verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van
                                en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de grafbedekking
                                behoorlijk te onderhouden of te herstellen. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de rechthebbende of de gebruiker nalaat de grafbedekking
                                behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de
                                hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele
                                grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende
                                dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker
                                en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige
                                vergoeding verplicht is. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de
                                rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring
                                schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de
                                grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de
                                gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de
                                ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het
                                graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per
                                aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te
                                herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de
                                beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college
                                het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de
                                beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Niet-blijvende grafbeplanting</titel></kop><al>Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat
                            verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak
                            kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen
                            en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder
                            worden verwijderd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van
                                uitgifte van het graf door het college worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het
                                college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de
                                grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende
                                of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende
                                bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende
                                niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van
                                de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het
                                tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel
                                van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de
                                begraafplaats bekend. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de
                                verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat
                                de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>RUIMING VAN GRAVEN, URNENGRAVEN EN URNENNISSEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Ruiming, bezorging van overblijfselen en as</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het voornemen van het college om een graf te ruimen wordt ten
                                minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf
                                geruimd zal worden per brief aan de rechthebbende of, wanneer het
                                een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend gemaakt.
                                Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend
                                is maakt het college het voornemen tot ruiming van het graf
                                gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip van
                                ruiming door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij
                                de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. De beheerder draagt er zorg voor dat met de bij de ruiming van
                                het graf nog aanwezige menselijke resten te allen tijde respectvol
                                wordt omgegaan en dat bezoekers van de begraafplaats niet met
                                menselijke resten worden geconfronteerd. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De bij de ruiming van het graf nog aanwezige menselijke resten
                                worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe
                                bestemde gedeelten van de begraafplaats(en). </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>4. Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen
                                graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn bij de
                                beheerder een aanvraag indienen om bij ruiming de menselijke resten,
                                indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor crematie of voor
                                herbegraving elders. Nabestaanden van een overledene waarvan een
                                asbus al of niet met een urn is bijgezet in een algemeen graf kunnen
                                bij de beheerder een aanvraag indienen om deze ter beschikking te
                                houden voor herbegraving of verstrooiing elders. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>5. De rechthebbende op een particulier graf kan bij de beheerder een
                                aanvraag indienen om de menselijke resten te doen verzamelen om deze
                                opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze te
                                cremeren of elders opnieuw te doen begraven. De rechthebbende op een
                                particulier urnengraf of particuliere urnennis kan bij de beheerder
                                een aanvraag indienen de asbus ter beschikking te houden om elders
                                bij te zetten of om de as te doen verstrooien. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>GEDEELTE VOOR KERKGENOOTSCHAP</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Afwijkende regels en kennisgeving onderhoudsbehoefte van
                                graven</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college kan na overleg met het bestuur van het
                                kerkgenootschap ten aanzien van de openstelling van het gedeelte, de
                                indeling van graven, de onderverdeling van graven in categorieën en
                                de eisen voor de grafbedekking op het ter beschikking van het
                                kerkgenootschap gestelde deel van de begraafplaats nadere regels
                                stellen die afwijken van de regels krachtens de artikelen 3, eerste
                                lid, 11, tweede lid, 14 en 19, tweede lid, van deze verordening.
                            </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het college stelt het bestuur van het kerkgenootschap
                                schriftelijk ervan in kennis dat de grafbedekking van een of meer
                                graven onderhoud en herstel behoeft, wanneer het kerkgenootschap
                                schriftelijk om een dergelijke kennisgeving heeft verzocht. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>IN STAND HOUDEN HISTORISCHE GRAVEN EN OPVALLENDE
                            GRAFBEDEKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Lijst</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college houdt een lijst bij van graven die van historische
                                betekenis zijn of waarvan de grafbedekking een opvallende kwaliteit
                                heeft. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Alvorens tot ruiming van graven wordt overgegaan onderzoekt het
                                college of er graven zijn die in aanmerking komen om op de lijst te
                                worden bijgeschreven. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>3. De gemeenteraad beslist over het ruimen van graven en het
                                verwijderen van grafbedekkingen die op de in het eerste lid bedoelde
                                lijst staan. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9.</nr><titel>INRICHTING REGISTER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Voorschriften</titel></kop><lid><lidnr>·</lidnr><al>1. Het college stelt voorschriften vast voor het register van de
                                begraven lijken. </al></lid><lid><lidnr>·</lidnr><al>2. Het register wordt bijgehouden door de beheerder. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>10.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>·1. Hij die handelt in strijd met artikel 3 derde lid, artikel 4 derde
                            en vierde lid, artikel 8 eerste, tweede en derde lid wordt gestraft met
                            een geldboete van de eerste categorie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Beheersverordening gemeentelijke
                            begraafplaats gemeente Geldrop-Mierlo 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad</ondertekening><ondertekening>der gemeente Geldrop-Mierlo d.d. 13 december 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>G.A.A. van Luijn M.J.D. Donders - de Leest</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>TOELICHTING MODEL-BEHEERSVERORDENING BEGRAAFPLAATSEN 2011</tussenkop><tussenkop>A. ALGEMENE TOELICHTING</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De verordenende bevoegdheid</al></li><li nr="1."><al>1 Begraafplaats op grondgebied van de eigen gemeente</al></li></lijst><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat gemeentelijke
                    verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover de bevoegdheid daartoe
                    niet bij de wet of door de raad krachtens de wet aan het college of burgemeester
                    is toegekend. Ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet maakt de raad de
                    verordening die de raad in het belang van de gemeente nodig acht. Sinds de
                    inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur op 7 maart 2002 zijn in
                    de gemeente de bevoegdheden van de raad en het college ontvlecht. In het kader
                    hiervan zijn de bestuursbevoegdheden van de Gemeentewet geconcentreerd bij het
                    college en zijn de kaderstellende en controlerende bevoegdheden van de raad
                    versterkt.</al><al>De grondslag voor de verordenende bevoegdheid voor begraafplaatsen berust op
                    artikel 149 van de Gemeentewet. Daarnaast moet worden genoemd artikel 35 van de
                    Wet op de lijkbezorging dat een verordening eist voor de dagen en uren dat de
                    gemeente gelegenheid moet geven tot begraven.</al><al>2.Gemeentelijk begraafplaatsenbeleid</al><al>De beheersverordening begraafplaatsen bevat verschillende regels die de gemeente
                    hanteert voor de instandhouding van en de dienstverlening op de gemeentelijke
                    begraafplaats. In dit hoofdstuk schenken wij aandacht aan enkele van deze
                    regels.</al><al>De burgers hebben vaak een emotionele betrokkenheid met de begraafplaatsen en
                    alles wat zich daarop afspeelt. Daarbij stelt de dienstverlening hen voor
                    financiële lasten. Dit maakt het nodig om de rechten en verplichtingen duidelijk
                    vast te leggen. Er is naar gestreefd om overbodige regelgeving te voorkomen en
                    procedures kort te houden. De beheerder van de begraafplaats kan worden
                    aangewezen voor contacten met de burgers.</al><al>De waarde die aan de begraafplaatsen wordt toegekend maakt het nodig dat er een
                    inventarisatie wordt gemaakt van de historische en culturele waarden die op de
                    begraafplaats aanwezig zijn. Het model voorziet in het opstellen van een lijst
                    van gedenkwaardige graven en bijzondere gedenktekens die het waard zijn om zo
                    lang mogelijk in stand te worden gehouden. Deze lijst geeft zo uitdrukking aan
                    de waarden van de begraafplaats als zodanig.</al><al>Voor de dienstverlening op begraafplaatsen geeft de verordening een uitgebreid
                    voorzieningenpakket. De regeling noemt algemene en particuliere graven,
                    bestemmingen voor as en gedenkplaatsen voor vermisten of voor overledenen in den
                    vreemde in geval het lichaam niet naar Nederland is vervoerd. Hiermee wordt
                    voldaan aan datgene waar de samenleving om vraagt. In deze regeling is
                    vastgelegd dat de gemeente in beginsel bereid is om de voorzieningen te treffen.
                    Dat wil dus niet zeggen dat alle voorzieningen daadwerkelijk op iedere
                    gemeentelijke begraafplaats aanwezig moeten zijn. Het verdient misschien
                    aanbeveling om met het treffen van sommige feitelijke voorzieningen te wachten
                    tot de vraag zich aandient. Van belang is wel om vast te leggen en bekend te
                    maken dat de gemeente in principe bereid is om deze voorzieningen te bieden
                    zodra blijkt dat daaraan behoefte is. De als mogelijkheid aanwezige
                    dienstverlening is dan in de volle breedte voor iedereen duidelijk.</al><al>De beheersverordening geeft het college de bevoegdheid om de graven en
                    urnennissen in te delen in categorieën. Het verdient aanbeveling om daarbij niet
                    in de eerste plaats de verschillende soorten graven als uitgangspunt te nemen,
                    maar zo veel mogelijk aan te sluiten bij de natuurlijke situatie van het park en
                    de daar aanwezige beplanting en kunstvoorwerpen. Op deze wijze kan een te
                    strakke en starre inrichting worden voorkomen en behoudt het park zijn
                    aantrekkelijkheid voor veel ingezetenen.</al><al>Het is voor nabestaanden, maar ook voor uitvaartondernemers, hoveniers en
                    steenhouwers begrijpelijkerwijs gewenst dat de overboeking van een grafruimte of
                    de goedkeuring voor een grafbedekking snel verloopt. Daarom kunnen de aanvragen
                    om grafuitgiften volgens dit model het best worden ingediend bij de beheerder
                    van de begraafplaats. Door mandaat van de beslissingsbevoegdheid aan de
                    beheerder kunnen de verzoeken door hem worden behandeld en afgewikkeld onder
                    verantwoordelijkheid van het college.</al><al>3.Wijzigingen in wet- en regelgeving</al><al>3.1. Wet op de lijkbezorging</al><al>De Wet op de lijkbezorging is op 12 juni 2009 gewijzigd. De wijziging werd van
                    kracht op 1 januari 2010. Deze wijziging heeft gevolgen voor de
                    beheersverordening begraafplaatsen. De wijzigingen die aanpassing noodzakelijk
                    maken betreffen de volgende wetsartikelen:</al><al>Artikel 16: ‘Begraving of verbranding geschiedt niet eerder dan 36 uren na het
                    overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden.’</al><al>In de oude wetstekst werd als laatst mogelijke dag de vijfde dag na het
                    overlijden genoemd. De verlenging van deze termijn heeft gevolgen voor de
                    termijn van aanmelding van herdenkingsbijeenkomsten e.d. op de begraafplaats,
                    die doorgaans niet kunnen samenvallen met een begrafenis. Dit wordt geregeld in
                    artikel 5 (‘Plechtigheden’) van de beheersverordening.</al><al>Artikel 23, tweede lid: ‘Begraving geschiedt in een algemeen graf, waarbij de
                    houder van de begraafplaats bepaalt wie daarin wordt begraven, dan wel in een
                    particulier graf, zijnde een graf waarop een uitsluitend recht is gevestigd,
                    waarbij de rechthebbende bepaalt wie daarin wordt begraven.’</al><al>De term ´algemeen graf´ kwam in de oude wetstekst niet voor. In het nieuwe model
                    wordt de terminologie van de gewijzigde wet gevolgd.</al><al>Artikel 27a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat de houder van de
                    begraafplaats ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het
                    verstrijken van de termijn van uitgifte van een algemeen graf schriftelijk
                    mededeling daarvan doet aan de belanghebbende bij het graf. Nu dit bij wet is
                    geregeld is de noodzaak dit op te nemen in de beheersverordening vervallen.</al><al>Artikel 28. Het eerste lid van dit artikel is gewijzigd in die zin, dat de
                    minimumtermijn voor verlening van het uitsluitend recht op een graf van twintig
                    jaar is teruggebracht tot tien jaar.</al><al>De laatste zin van dit lid betreft de verlenging en luidt: ‘Het voor bepaalde
                    tijd verleende recht wordt op verzoek, mits gedaan binnen twee jaar voor het
                    verstrijken van de termijn, telkens verlengd, met dien verstande dat de houder
                    van de begraafplaats kan bepalen dat een periode van verlenging niet korter is
                    dan vijf jaar en niet langer is dan twintig jaar.’</al><al>Een en ander heeft gevolgen voor artikel 15 (‘Termijnen particuliere graven’)
                    van de beheersverordening.</al><al>Het vierde, vijfde, zesde en zevende lid van artikel 28 bevatten nieuwe
                    bepalingen betreffende kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
                    graf:</al><al>Lid 4: ‘In geval van kennelijke verwaarlozing van het onderhoud van een
                    particulier graf, kan de houder van de begraafplaats, voor zover de plicht tot
                    onderhoud niet bij hem ligt, deze verwaarlozing vastleggen in een schriftelijke
                    verklaring, die hij toezendt aan de rechthebbende, die binnen één jaar na
                    ontvangst in het onderhoud voorziet.’</al><al>Lid 5: ‘Indien de ontvangst van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, niet
                    bevestigd wordt, maakt de houder van de begraafplaats de verklaring bekend bij
                    het graf en bij de ingang van de begraafplaats, gedurende een periode van vijf
                    jaar dan wel totdat in die periode in het onderhoud is voorzien.’</al><al>Lid 6: ‘Indien toepassing is gegeven aan het vierde of vijfde lid en niet alsnog
                    in het onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf op het
                    moment dat de periode van één dan wel vijf jaar, bedoeld in het vierde
                    respectievelijk vijfde lid, is verstreken.’</al><al>Lid 7: ‘Indien het recht op het graf nog geen twintig jaar is gevestigd op het
                    moment dat de periode, bedoeld in het vijfde lid is verstreken, blijft de
                    bekendmaking in stand totdat de periode van twintig jaar is verstreken dan wel
                    totdat in die periode in het onderhoud is voorzien. Indien niet voordien in het
                    onderhoud van het graf is voorzien, vervalt het recht op het graf zodra de
                    termijn van twintig jaar is verstreken.’</al><al>Deze bepalingen geven de houders van de begraafplaatsen de mogelijkheid de
                    grafrechten van verwaarloosde graven vijf jaar na constatering en bekendmaking
                    te laten vervallen, met dien verstande dat de minimale uitgiftetermijn (tien
                    jaar) wordt gerespecteerd. Vóór de wetswijziging kon het recht pas dertig jaar
                    na de laatste begraving vervallen. Voor de beheersverordening heeft dit
                    overigens geen directe gevolgen. Wel wordt de formulering van de wijze van
                    bekendmaking steeds gevolgd in de verordening.</al><al>Artikel 32. Dit artikel gaf in de ongewijzigde wet de minister de mogelijkheid
                    bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent de wijze van
                    begraven, de inrichting van het graf en de afstand van de graven onderling. Dit
                    is uitgebreid met de mogelijkheid regels te stellen omtrent het ruimen van de
                    graven, het verwijderen van de grafmonumenten en de teraardebestelling van de
                    overblijfselen der lijken. Deze wijziging kwam tot stand nadat was gebleken dat
                    de samenleving behoefte had aan bepaalde richtlijnen voor met name het ruimen en
                    de teraardebestelling van de overblijfselen.</al><al>Met het oog hierop is in het model een lid toegevoegd aan het artikel
                    betreffende de ruiming en de bezorging van overblijfselen (artikel 24). Volgens
                    dit lid heeft de beheerder de plicht er zorg voor te dragen dat er altijd met
                    respect en piëteit wordt omgegaan met menselijke resten.</al><al>Artikel 32a. In dit nieuwe artikel wordt bepaald dat gedurende de periode dat
                    een graf niet geruimd mag worden het artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e
                    en f, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is op hetgeen op
                    het graf is geplaatst. Dit artikel van het Burgerlijk Wetboek betreft de
                    natrekking. In 2002 heeft de Hoge Raad de uitspraak gedaan dat graftekens (van
                    graven met uitsluitend recht als bedoeld in artikel 28 Wet op de lijkbezorging)
                    middels natrekking in eigendom toebehoren aan de eigenaar van de grond. De
                    consequentie van deze uitspraak was dat de begraafplaats als eigenaar van
                    grafmonumenten aansprakelijk was voor de schade die het grafmonument aan een
                    ander grafmonument of aan een ander object, mens of dier aanbrengt
                    (risicoaansprakelijkheid). Het nieuwe wetsartikel legt de eigendom en daarmee
                    ook de risicoaansprakelijkheid van de graftekens bij de rechthebbende.</al><al>3.2. Vermindering administratieve lasten</al><al>Vele zaken zijn in het model geregeld door middel van een meldingsplicht, zoals
                    het houden van plechtigheden (art. 5), het doen begraven en het doen bijzetten
                    of doen verstrooien van as en het door de nabestaanden zelf openen en sluiten
                    van een graf (art.7). Een melding genereert weinig administratieve lasten.</al><al>Slechts in één geval dient in de beheersverordening een vergunning te worden
                    aangevraagd, i.e. voor het aanbrengen van een grafkelder (art. 16). Voor het
                    hebben van een grafbedekking (art. 20) wordt , in tegenstelling tot de
                    modelverordening van de VNG, geen vergunningplicht gesteld. De vergunningplicht
                    voor het hebben van een grafbedekking is in het nieuwe model van de VNG wel
                    gehandhaafd. </al><al>Gelet op de Visie dienstverlenend reguleren is bekeken of:</al><lijst><li nr="-"><al>er sprake is van een maatschappelijk probleem;</al></li><li nr="-"><al>er een noodzaak is tot een gemeentelijke bijdrage aan een
                            oplossing;</al></li><li nr="-"><al>regels in dat geval de oplossing zijn en</al></li><li nr="-"><al>regels kunnen worden waargemaakt. </al></li></lijst><al>Gebleken is dat er geen sprake is van een maatschappelijk probleem. Het
                    ontbreken van de vergunningplicht heeft nog nooit tot daadwerkelijke problemen
                    geleid. Om deze reden is afgezien van het invoeren van een vergunningplicht voor
                    het hebben van een grafbedekking en geldt voor het hebben van een grafbedekking
                    slechts een meldingsplicht.</al><al>Controle achteraf met als uiterste consequentie correctie is, juist bij
                    grafbedekkingen, ongewenst. Het ontwerpen, de aanschaf en de plaatsing van een
                    grafmonument gaat doorgaans met emoties gepaard. Wanneer achteraf blijkt dat het
                    monument niet aan de eisen voldoet is het ondoenlijk om nabestaanden alsnog te
                    vragen het gedenkteken aan te passen of te verwijderen. Daarom wordt in het
                    uitvoeringsbesluit aangegeven dat vooraf schriftelijke voorstellen voor het
                    plaatsen van een gedenkteken met werktekening overgelegd moet worden aan de
                    beheerder ter beoordeling en advisering.</al><al>De toestemming van het college, zoals vereist voor steenhouwers, hoveniers etc.
                    die werkzaamheden op de begraafplaats willen verrichten (art. 4 eerste lid van
                    het oude VNG model) heeft geen toegevoegde waarde. De beheerder heeft immers al
                    de bevoegdheid tegen ongewenste praktijken op te treden, volgens artikel 4
                    eerste en tweede lid van het nieuwe model. Afschaffing van de
                    toestemmingsvereiste leidt tot vermindering van administratieve en bestuurlijke
                    lasten.</al><al>3.3. Lex silencio positivo</al><al>In een voorgestelde nieuwe wijziging van de Wet op de lijkbezorging wordt in
                    artikel 29 voor de vergunning tot opgraving een Lex silencio positivo (positieve
                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) opgenomen. Dat wil zeggen dat
                    wanneer op een aanvraag tot opgraving niet op tijd wordt beslist, de vergunning
                    van rechtswege is verleend.</al><al>Bij de vergunning die deze beheersverordening regelt (i.e. voor de grafkelder)
                    is niet voor een Lex silencio positivo gekozen. Op zich is hier tegen een Lex
                    silencio positivo weinig bezwaar. De vergunningen worden doorgaans tijdig
                    verleend of afgewezen. Daarbij kunnen ook van tevoren regels worden gesteld die
                    voor een vergunning van rechtswege gelden (bijvoorbeeld over maatvoering en
                    materiaalgebruik). Bij gemeenten bestaat echter veel zorg over het ontstaan van
                    situaties waarbij toch niet aan deze regels wordt voldaan, zoals hiervoor al is
                    uiteengezet. Gemeenten wensen één situatie te allen tijde te vermijden, namelijk
                    dat nabestaanden worden geconfronteerd met een handhavingactie waarbij een
                    grafmonument (of kelder) weer moet worden verwijderd omdat het niet aan de
                    regels voldoet. Om die reden is in deze verordening afgezien van de Lex silencio
                    positivo.</al><al>3.4. Europese Dienstenrichtlijn</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) schrijft de Lex silencio
                    positivo dwingend voor bij vergunningsstelsels die onder de reikwijdte van deze
                    richtlijn vallen. Dat is bij de vergunningen die in deze verordening zijn
                    opgenomen echter niet het geval. Het al dan niet toepassen van de Lex silencio
                    positivo is dus een autonome keuze van de gemeente.</al><al>De vorige modelverordeningvan de VNG bevatte één bepaling die zich specifiek tot
                    dienstverleners richtte, namelijk tot steenhouwers, hoveniers en anderen die op
                    de begraafplaats werkzaamheden verrichten (artikel 4, eerste lid). Om te
                    voorkomen dat de volle lasten van de Dienstenrichtlijn op deze bepaling zouden
                    komen te rusten (screening en notificatie) is besloten de bepaling te schrappen.
                    Bovendien is voor de ordelijke gang van zaken deze bepaling niet noodzakelijk,
                    zoals hierboven is uiteengezet.</al><al>3.5. Verouderde regels</al><al>Artikel 31 van het model betreft de inwerkingtreding van de verordening. De
                    beheersverordening begraafplaatsen behoorde tot de verordeningen waarover op
                    grond van de Tijdelijke referendumwet (Trw) een referendum kon worden gehouden.
                    De termijn van zes weken was voorgeschreven in art. 22 van de Trw. De Trw is
                    echter per 1 januari 2005 vervallen. Vanaf dat tijdstip geldt artikel 142 van de
                    Gemeentewet: Alle verordeningen treden in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij daarvoor een ander tijdstip was aangewezen.</al><tussenkop>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.</tussenkop><al>In dit artikel worden de gebruikte begrippen gedefinieerd.</al><al>b en c. Grafkelders worden in de praktijk steeds vaker gebruikt. Deze
                    constructies kunnen ook bovengronds worden geplaatst, als onderdeel van een muur
                    of wand.</al><al>Wanneer een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet in
                    een grafkelder, spreekt men van een keldergraf, in tegenstelling tot een
                    zandgraf.</al><lijst><li nr="f."><al>Een particulier graf werd in het oude model aangeduid als ‘eigen’ graf.
                            Ook in het algemeen spraakgebruik wordt de term ‘eigen graf’ nog altijd
                            gebezigd. Het nieuwe model volgt echter de terminologie van de Wet op de
                            lijkbezorging.</al></li><li nr="f."><al>en h. De mogelijkheid wordt geboden as te doen verstrooien in of op de
                            particuliere graven. Bij keldergraven, zeker wanneer deze onderdeel zijn
                            van een muur of wand, is dit niet goed mogelijk. Regels voor het
                            verstrooien van as op particuliere graven kunnen desgewenst worden
                            opgenomen in artikel 11 (Indeling graven en asbezorging).</al></li><li nr="g."><al>en i. In het oude model was bij de definitie van algemene graven en
                            algemene urnengraven opgenomen dat ‘aan eenieder’ gelegenheid wordt
                            geboden tot het doen begraven van lijken en het doen bijzetten van
                            asbussen. De passage ‘aan eenieder’ is overbodig en daarom geschrapt.
                            Volgens artikel 23, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging is het aan
                            de houder van de begraafplaats te bepalen wie in een algemeen graf wordt
                            begraven.</al></li><li nr="o."><al>en p. De termen rechthebbende en gebruiker zijn nader gedefinieerd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.</tussenkop><al>Voor een particulier graf, particulier urnengraf, particuliere urnennis en
                    particuliere gedenkplaats gelden vrijwel dezelfde rechten en plichten.</al><tussenkop>Artikel 3.</tussenkop><al>Dit artikel maakt het de beheerder tevens mogelijk de begraafplaats geheel of
                    gedeeltelijk te sluiten wanneer dit voor het ruimen van graven noodzakelijk
                    is.</al><tussenkop>Artikel 4.</tussenkop><al>Het model bevat gedragsvoorschriften voor hen die van de begraafplaats gebruik
                    maken, in het belang van orde, rust en netheid. Tegen overtreding van de
                    voorschriften is straf bedreigd. De politie kan als gevolg van de
                    strafbedreiging tegen ordeverstoringen optreden en zo nodig proces verbaal
                    opmaken.</al><al>De in het oude model van de VNG opgenomen bepaling dat personen die
                    werkzaamheden aan grafbedekkingen op de begraafplaats hebben te verrichten
                    daarvoor toestemming van het college dienen te vragen is geschrapt. De eis was
                    gesteld in het kader van de openbare orde: Steenhouwers en hoveniers moeten zich
                    er steeds van bewust zijn dat hun werkzaamheden storend kunnen zijn voor
                    rouwenden en tijdens uitvaartplechtigheden. De bevoegdheid van de beheerder om
                    personen weg te sturen als zij zich niet aan zijn aanwijzingen houden biedt
                    echter, samen met de verbodsbepalingen, voldoende mogelijkheden om tegen
                    ongewenste activiteiten op te treden. Denkbaar is dat men ter controle een
                    bewijs moet kunnen overleggen dat men in opdracht van de rechthebbende van het
                    graf aan het werk is.</al><al>Aan een uitzondering op de regel als bedoeld in het derde lid onder a bestaat
                    behoefte omdat men soms dichtbij een graf moet kunnen komen met een
                    motorrijtuig. Aangezien een dergelijke handeling niet overeenstemt met het beeld
                    van orde en rust dient met het verlenen van de ontheffing uiterst terughoudend
                    te worden omgegaan. De situatie kan uiteraard per begraafplaats
                    verschillen.</al><tussenkop>Artikel 5.</tussenkop><al>Met dit artikel wordt beoogd plechtigheden ordelijk te doen verlopen. Door te
                    eisen dat de mededeling zes werkdagen vooraf moet plaatshebben, kan worden
                    voorkomen dat de plechtigheid samenvalt met een begrafenis. Een begrafenis dient
                    volgens de wet uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden te
                    geschieden.</al><al>Bijeenkomsten die het karakter van een plechtigheid te buiten gaan, kunnen het
                    karakter hebben van een openbare manifestatie. Hiervan moet vooraf kennisgeving
                    worden gedaan aan de burgemeester volgens de Wet openbare manifestaties van 1988
                    en mogelijk van toepassing zijnde APV-bepalingen, zoals artikel 2.1 van de
                    model-APV.</al><tussenkop>Artikel 6.</tussenkop><al>Uitdrukkelijk is gesteld dat bij opgraving van een lichaam of bij ruiming van
                    een of meer graven alleen de personen aanwezig mogen zijn die met de
                    werkzaamheden zijn belast.</al><tussenkop>Artikel 7.</tussenkop><al>Een schriftelijke kennisgeving is nodig omdat duidelijk vast moet liggen wat
                    voor graf er wordt gevraagd.</al><al>De as kan volgens artikel 62 van de Wet op de lijkbezorging worden bijgezet in
                    of op een graf dan wel op een afzonderlijke plaats, meestal een urnennis.</al><al>In het vorige model van de VNG was de bepaling opgenomen dat het lijk bij
                    aankomst op de begraafplaats of in het crematorium voorzien diende te zijn van
                    een identiteitskenmerk. Deze bepaling is geschrapt, aangezien dit vereiste volgt
                    uit artikel 8 van de Wet op de lijkbezorging.</al><al>Indien de nabestaanden alle of bepaalde werkzaamheden zelf willen verrichten
                    zijn, ook om redenen van veiligheid, toch de aanwijzingen en de hulp van het
                    personeel van de begraafplaats nodig. Het gaat dan vooral om het openen en
                    sluiten van het graf. De werkzaamheden kunnen eventueel door de nabestaanden en
                    het personeel van de begraafplaats samen worden verricht. Zo kunnen de
                    nabestaanden bijvoorbeeld een begin maken. Vervolgens kan het personeel de
                    handelingen verrichten waar ervaring voor nodig is of die van de nabestaanden te
                    zware lichamelijke inspanning vragen. Werkzaamheden als het aanbrengen van de
                    grafranden ter stutting van de grond om het geopende graf en het verwijderen van
                    die randen voor het sluiten van het graf zullen door het personeel moeten worden
                    verricht.</al><tussenkop>Artikel 8.</tussenkop><al>Bij de begraving van een overledene is het niet toegestaan deze van een lijkhoes
                    dan wel een lijkomhulsel te voorzien die niet voldoet aan het
                    Lijkomhulselbesluit 1998 en alle overige wettelijk voorgeschreven vereisten ten
                    behoeve van de bevordering van de lijkvertering. Beoogd wordt bij het begraven
                    van stoffelijke overschotten een zo snel mogelijk afbraak- of verteringsproces
                    mogelijk te maken, opdat binnen tien jaar volledige skelettering heeft
                    plaatsgevonden: alleen de harde delen (beenderen) resteren dan nog. Krachtens de
                    Wet op de lijkbezorging gestelde termijn van verplichte grafrust van tien jaar
                    wordt het mogelijk bepaalde grafvelden of graven te ruimen en de begraafplaats
                    opnieuw te gebruiken. In de praktijk zullen er periodiek bepaalde aantallen
                    graven geruimd worden. Het behoeft geen betoog dat aan het boven de aarde
                    brengen van onverteerde lijken ernstige consequenties van ethische, hygiënische
                    en economische aard verbonden zijn. Het Lijkomhulselbesluit regelt het gebruik
                    van materialen die het genoemde natuurlijke verteringsproces niet
                    vertragen.</al><tussenkop>Artikel 9.</tussenkop><al>De Wet op de lijkbezorging schrijft voor dat de behandelende arts of de
                    gemeentelijke lijkschouwer een verklaring van overlijden afgeeft aan de
                    ambtenaar van de burgerlijke stand (artikel 12). Vervolgens geeft deze
                    schriftelijk verlof tot begraven of cremeren (artikel 11). Dit verlof dient te
                    worden overlegd aan de beheerder. Door de medewerking aan de begrafenis te
                    weigeren wanneer dit verlof niet in zijn bezit is voldoet de beheerder aan de
                    wettelijke vereisten.</al><al>Vanuit het oogpunt van vermindering van administratieve lasten verdient het
                    aanbeveling het hierboven genoemde traject zo soepel mogelijk te doen verlopen.
                    Sommige gemeenten slaan één stap over: de ambtenaar van de burgerlijke stand is
                    tevens de beheerder van de begraafplaats. Een digitalisering van de genoemde
                    processen en voorgeschreven formulieren zal aanzienlijk bijdragen aan de
                    reductie van administratieve lasten. Volgens de memorie van antwoord aan de
                    Eerste Kamer, ontvangen op 15 mei 2009 bij de behandeling van de Wijziging van
                    de Wet op de lijkbezorging, werkt de minister van Justitie aan een wetsvoorstel
                    elektronische burgerlijke stand dat hierin voorziet.</al><al>De bezorging van as omvat zowel het bijzetten als de verstrooiing.</al><al>Er mag van worden uitgegaan dat het stoffelijk overschot van de rechthebbende
                    zelf in het particuliere graf mag worden bijgezet (lid 2). Het verzoek tot
                    overschrijving van het recht dient in dit geval wel vóór de bijzetting te worden
                    gedaan volgens artikel 17, tweede lid.</al><al>De wettelijke minimum grafrusttermijn (lid 3) is de termijn dat een lijk volgens
                    de wet ten minste begraven moet blijven voordat het mag worden geruimd. Het is
                    voorgekomen dat in particuliere graven begravingen of bijzettingen betrekkelijk
                    kort voor het aflopen van de uitgiftetermijn plaatsvonden. Daarom is vastgelegd
                    dat in dergelijke gevallen begraving of bijzetting alleen kan plaatsvinden onder
                    gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn. Uiteraard zal die verlenging
                    dan een periode moeten omvatten die de alsdan resterende uitgiftetermijn ten
                    minste gelijk maakt aan de wettelijke minimum grafrusttermijn, i.e. 10
                    jaar.</al><tussenkop>Artikel 10.</tussenkop><al>Artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging verplicht tot de mogelijkheid van
                    begraven op iedere dag gedurende een bij gemeentelijke verordening te bepalen
                    tijd, met uitzondering van zon- en feestdagen. Gemeenten zijn vrij te bepalen
                    dat ook op zondag of een algemeen erkende feestdag wordt begraven. Joodse
                    begrafenissen vinden niet plaats op de sabbat (i.e. zaterdag). Het
                    Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap heeft er daarom belang bij dat de
                    begraafplaatsen op zondagen en niet-Joodse feestdagen voor een begrafenis kunnen
                    worden opengesteld. Daarnaast zijn er ook andere gevallen denkbaar waarin de
                    nabestaanden er een belang bij hebben om op een zon- of feestdag een begrafenis
                    of asbezorging te kunnen doen plaatshebben. In de praktijk is het mogelijk om de
                    begraafplaats alleen in bijzondere gevallen hiervoor open te stellen.</al><al>Een bijzonder geval kan zich voordoen als de burgemeester toestemming heeft
                    gegeven om een lijk binnen 36 uur te begraven. Sommige nabestaanden vragen om
                    deze toestemming om godsdienstige redenen. Daarnaast kan spoed geboden zijn in
                    geval van lijkvinding.</al><tussenkop>Artikel 11.</tussenkop><al>Naast de particuliere graven noemt dit artikel de verschillende andere soorten
                    van voorzieningen op de begraafplaats. Gedenkplaatsen kunnen bijvoorbeeld worden
                    uitgegeven voor vermisten of als de persoon in het buitenland is overleden en
                    het stoffelijk overschot niet naar Nederland is vervoerd.</al><tussenkop>Artikel 12.</tussenkop><al>Het Besluit op de lijkbezorging van 4 december 1997 bevat in artikel 5 de
                    bepaling dat er ten hoogste drie lijken boven elkaar mogen worden begraven.</al><tussenkop>Artikel 13.</tussenkop><al>Een graf zal alleen buiten de volgorde van ligging worden toegewezen als dit
                    niet bezwaarlijk is voor de situatie op de begraafplaats. Hierbij kan worden
                    gedacht aan het aanzien van de begraafplaats en de gesteldheid van de
                    bodem.</al><tussenkop>Artikel 14.</tussenkop><al>Een indeling in categorieën is nodig als het college verschillende regels wil
                    vaststellen voor de grafbedekkingen op de graven die liggen op de verschillende
                    delen (categorieën) van de begraafplaats.</al><tussenkop>Artikel 15.</tussenkop><al>Volgens artikel 28, eerste lid van de Wet op de lijkbezorging kan het recht op
                    een graf voor ten minste tien jaar worden verleend. Voorts kan, wanneer sprake
                    is van verlenging, de houder van de begraafplaats bepalen dat de periode van
                    verlenging niet korter is dan vijf jaar en niet langer dan twintig jaar. Soms
                    verkeren rechthebbenden in de onjuiste veronderstelling dat de uitgiftetermijn
                    pas begint te lopen op het moment van de eerste begraving of bijzetting. Daarom
                    is de laatste zin in het eerste lid van artikel 15, betreffende de aanvang van
                    de termijn, opgenomen.</al><al>De Wet op de lijkbezorging bepaalt in artikel 28 dat vanaf twee jaar voor het
                    verstrijken van de lopende termijn verlenging van de termijn kan worden
                    aangevraagd. Binnen een jaar na het begin van deze periode moet, volgens het
                    tweede lid van genoemd wetsartikel, het college de rechthebbende op het graf
                    mededelen dat de termijn gaat aflopen. Volgens het oude wetsartikel diende deze
                    mededeling schriftelijk te geschieden ‘aan de rechthebbende wiens adres de
                    houder van de begraafplaats bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn’. Het
                    laatste deel van de zin (‘of redelijkerwijs bekend kan zijn’) is bij de
                    wijziging van de wet geschrapt. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten komt de verantwoordelijkheid voor het geven van het
                    juiste adres nu uitdrukkelijk bij de rechthebbende te liggen. Van de houder van
                    de begraafplaats wordt dan niet méér verlangd dan dat hij het adres uit zijn
                    eigen administratie gebruikt. Tevens ontslaat dit de beheerder van de plicht het
                    GBA-netwerk te (doen) raadplegen. Wanneer niet binnen drie maanden om verlenging
                    van het recht is verzocht, dient de mededeling bekend te worden gemaakt bij het
                    graf en bij de ingang van de begraafplaats tot aan het einde van de periode dat
                    de rechthebbende om verlenging van de termijn van uitgifte kan vragen.</al><al>Zie verder voor de bekendmakingen de toelichting op artikel 23.</al><al>Indien er ten tijde van de opheffing van de begraafplaats nog rechten op
                    particuliere graven bestaan, zal in overleg met de rechthebbenden moeten worden
                    bezien welke beslissingen er ten aanzien van die graven zullen worden
                    genomen.</al><tussenkop>Artikel 16.</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 17.</tussenkop><al>Het recht op een particulier graf wordt verleend door een beschikking van het
                    college. Hierin wordt aan de aanvrager het uitsluitend recht gegeven om lijken
                    in een bepaald graf te doen begraven. In juridisch opzicht is een vergelijking
                    mogelijk met de vergunning een standplaats in te nemen op de openbare weg. De
                    koopman mag op een bepaalde plaats staan. Net als bij de standplaatsvergunning
                    steunt het recht om lijken in een bepaald graf – vroeger aangeduid als 'eigen
                    graf' – te begraven op een persoonlijke beschikking. De eigenaar kan zijn recht
                    dus niet verkopen. Het recht kan op verzoek van de rechthebbende wel worden
                    overgeschreven op een ander.</al><al>In het vorige model van de VNG was bepaald dat het recht op een graf slechts kon
                    worden overgeschreven op naam van de echtgenoot of levenspartner van de
                    (overleden) rechthebbende dan wel op naam van een bloedverwant of aanverwant tot
                    en met de derde graad. Slechts wanneer er gewichtige redenen bestonden was
                    overschrijving op naam van een ander mogelijk. Uit de praktijk bleek dat deze
                    beperking niet of lastig te handhaven is en bovendien administratieve lasten
                    veroorzaakt. Daarom is deze regel geschrapt. Wel wordt nu de mogelijkheid
                    geboden het recht over te schrijven op naam van een rechtspersoon.</al><al>Het is gewenst dat er na overlijden van een rechthebbende een nieuwe
                    rechthebbende wordt aangewezen die de verantwoordelijkheid voor de grafruimte en
                    de daaraan verbonden kosten op zich neemt. De termijn, waarbinnen de aanvraag
                    tot overschrijving kan worden gedaan, is gesteld op zes maanden na het
                    overlijden van de rechthebbende. Er is geen reden een langere termijn aan te
                    houden.</al><al>Het vierde lid van dit artikel geeft het college de mogelijkheid zo nodig van de
                    genoemde termijn af te wijken.</al><al>In het geval dat de stoffelijke resten van de rechthebbende in het graf moeten
                    worden bijgezet dient het verzoek tot overschrijving vóór de bijzetting te
                    worden gedaan. Doorgaans worden, na een overlijden, door de nabestaanden meteen
                    al de noodzakelijke regelingen getroffen. Logischerwijs is dan het aanwijzen van
                    een nieuwe rechthebbende daar één van.</al><al>Wanneer nabestaanden ontbreken is er de mogelijkheid de rechten over te
                    schrijven op naam van de notaris die de nalatenschap beheert, of op naam van de
                    Stichting Grafzorg Nederland.</al><tussenkop>Artikel 18.</tussenkop><al>Dit artikel is opgenomen om buiten twijfel te stellen dat de rechthebbende
                    afstand van het graf kan doen.</al><tussenkop>Artikel 19.</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 20.</tussenkop><al>Als elke regelgeving voor grafbedekkingen ontbreekt kan het aanzien van
                    begraafplaatsen chaotisch worden. Ook en vooral dienen de veiligheidsaspecten te
                    worden genoemd. Het andere uiterste, een strak keurslijf van bepalingen die elke
                    persoonlijke of kunstzinnige uiting aan banden legt of onmogelijk maakt, moet
                    worden voorkomen. Dit model geeft de burgers de nodige vrijheid; het beperkt
                    zich tot het aangeven van minimumeisen voor de afmetingen, constructie en
                    materiaalkeuze waaraan de grafbedekking moet voldoen. Deze eisen zijn uitgewerkt
                    in de nadere regels van het college.</al><al>Zie ook de Algemene toelichting, hoofdstuk 3.2 (‘Vermindering administratieve
                    lasten’).</al><al>De meldingsplicht geldt voor de grafbedekkingen op algemene en voor die op
                    particuliere graven, en omvat zowel het gedenkteken als de winterharde
                    beplantingen.</al><al>Als er geen grafbedekking wordt aangebracht zal wel moeten worden aangeduid dat
                    er iemand begraven ligt om te voorkomen dat bezoekers ongewild over het graf
                    lopen. Uit een aanduiding bij het graf en uit de administratie zal voorts moeten
                    blijken wie daar begraven is.</al><tussenkop>Artikel 21.</tussenkop><al>In dit artikel worden de rechten en de plichten van de rechthebbende of, in het
                    geval van algemene graven, van de gebruiker ten aanzien van de grafbedekking
                    omschreven. Alleen in dit artikel is sprake van plichten voor (bepaalde)
                    nabestaanden van overledenen die zijn bijgezet in een algemeen graf. Daarom
                    wordt hier de in artikel 1 (‘Begripsbepalingen’) gedefinieerde term ‘gebruiker’
                    gebezigd in plaats van de ruimer op te vatten term ‘belanghebbende’, die
                    voorkomt in verband met het begrip ‘algemeen graf’ in de Wet op de lijkbezorging
                    (artikel 27a).</al><al>De eigendom en daarmee ook de risicoaansprakelijkheid van hetgeen op het graf is
                    geplaatst ligt, volgens art. 32a van de Wet op lijkbezorging, bij de
                    rechthebbende. Van natrekking is geen sprake zolang het graf niet geruimd mag
                    worden.</al><al>Het onderhoud dat door de gemeente wordt verricht zal in een aantal gevallen
                    voldoende zijn voor algemene graven. Hier wordt nogmaals gesteld dat het beleid
                    dat burgemeester en wethouders ten aanzien van het onderhoud voeren duidelijk
                    dient te worden bekend gemaakt. De aard en de afmetingen van de grafbedekkingen
                    op particuliere graven en de termijn van uitgifte van deze graven met het recht
                    om deze termijn steeds te verlengen, maken dat bij deze grafbedekkingen zeker
                    niet kan worden volstaan met het minimum aan onderhoud door de gemeente.</al><al>Indien er sprake is van verwaarlozing van de grafbedekking kan de beheerder van
                    de begraafplaats de rechthebbende of de gebruiker aanspreken en sommeren tot het
                    verrichten van herstelwerkzaamheden aan de grafbedekking. De Wet op de
                    lijkbezorging bepaalt in artikel 28, het vierde tot en met het zevende lid, dat
                    het recht op het graf vervalt wanneer vijf jaar na constatering en bekendmaking
                    van de verwaarlozing niet in het onderhoud is voorzien. Hierbij wordt rekening
                    gehouden met de termijn van grafrust en de uitgiftetermijn van het graf. Zie ook
                    de algemene toelichting, hoofdstuk 3.1.</al><tussenkop>Artikel 22.</tussenkop><al>In de dagelijkse praktijk rijzen er nog wel eens problemen over verwijderde
                    bloemen en eenjarige planten zoals afrikanen en geraniums. Omdat de bloemen en
                    planten eigendom zijn van de rechthebbenden of de belanghebbenden is een
                    waarschuwing vooraf op zijn plaats. Het zou echter veel te omslachtig zijn
                    genoemde personen steeds per brief te waarschuwen dat de verwaarloosde planten
                    of verwelkte bloemen zullen worden verwijderd. Het verdient aanbeveling om het
                    beleid ten aanzien van de planten en bloemen mee te delen bij de afgifte van de
                    vergunning voor het hebben van een grafbedekking en bekend te maken op het
                    mededelingenbord op de begraafplaats. Het is gewenst om verwelkte bloemen niet
                    te snel te verwijderen omdat gesteld mag worden dat zij passend zijn bij de
                    sfeer van de begraafplaats.</al><tussenkop>Artikel 23.</tussenkop><al>De rechthebbende dient volgens artikel 28, tweede lid van de Wet op de
                    lijkbezorging ten minste een jaar voor het verstrijken van de termijn van het
                    recht op de hoogte te worden gesteld van dit feit, en van de mogelijkheid
                    verlenging van het recht te vragen. In veel gevallen kan dan gelijktijdig de
                    mededeling worden gedaan dat, wanneer niet om verlenging wordt verzocht, het
                    college opdracht zal geven de grafbedekking na het verstrijken van de termijn te
                    verwijderen en het graf te ruimen. Tevens kan worden medegedeeld dat de
                    grafbedekking dertien weken na verwijdering aan de gemeente vervalt.</al><al>Ook nabestaanden van overledenen die zijn begraven in een algemeen graf dienen,
                    volgens artikel 27a van de Wet op de lijkbezorging, op hoogte te worden gesteld
                    van het verstrijken van de termijn van uitgifte. Deze mededeling dient volgens
                    de wet ‘ten minste zes maanden en ten hoogste twaalf maanden voor het
                    verstrijken van de termijn van uitgifte’ aan de belanghebbende bij dat graf te
                    worden gedaan. Hierbij kan dan gelijktijdig de mededeling worden gedaan dat de
                    mogelijk aanwezige grafbedekking zal worden verwijderd en dat het graf zal
                    worden geruimd. Zie ook artikel 15, tweede lid, met de toelichting en artikel 24
                    eerste lid.</al><al>De bordjes bij de graven met een mededeling dienen alleen aan de bezoekers van
                    die graven op te vallen. Op enkele begraafplaatsen zijn goede ervaringen
                    opgedaan met bordjes van 15 x 10 cm in een onopvallende kleur.</al><al>De grafbedekking kan ook worden verwijderd nadat het college het grafrecht
                    vervallen heeft verklaard omdat er na het overlijden van de rechthebbende niet
                    tijdig een nieuwe rechthebbende is aangewezen (artikel 17, derde lid van dit
                    model), of omdat het onderhoud van het graf is verwaarloosd (artikel 28, zesde
                    lid van de Wet op de lijkbezorging). In dat geval geldt eveneens het vereiste
                    van de voorafgaande mededeling per brief of door het plaatsen van een bordje bij
                    het graf gedurende minstens een jaar.</al><al>In het vorige model van de VNG was voor de recht- of belanghebbende de
                    mogelijkheid opgenomen een aanvraag in te dienen om de grafbedekking na
                    verwijdering een bepaalde periode ter beschikking te houden. Dit bracht veel
                    administratieve lasten met zich; daarom is deze mogelijkheid in het nieuwe model
                    niet meer opgenomen. Voor relevante wetgeving omtrent eigendom van roerende
                    zaken zie artikel 8, Burgerlijk Wetboek Boek 5 en artikel 5:30 Algemene wet
                    bestuursrecht.</al><tussenkop>Artikel 24.</tussenkop><al>Volgens artikel 31, tweede lid van de Wet op de lijkbezorging kan een
                    particulier graf alleen geruimd worden met toestemming van de rechthebbende. Het
                    recht op een graf kan echter vervallen na het verstrijken van de termijn, of
                    omdat er na het overlijden van de rechthebbende niet tijdig een nieuwe
                    rechthebbende is aangewezen (artikel 17, derde lid van dit model). Ook kan het
                    recht vervallen na verwaarlozing van het onderhoud, volgens artikel 28, zesde
                    lid van de Wet op de lijkbezorging.</al><al>De mededeling dat het college voornemens is om de graven te ruimen wordt gedaan
                    zowel aan de rechthebbenden op particuliere graven als aan de nabestaanden van
                    overledenen die zijn begraven in een algemeen graf. Zie verder hetgeen is
                    vermeld in de toelichting op artikel 23.</al><al>Eenieder kan van zijn zienswijze doen blijken, bijvoorbeeld omdat het graf van
                    historische betekenis is (zie artikel 26).</al><al>Volgens het vijfde lid van artikel 24 kan de rechthebbende vragen om de
                    overblijfselen te doen verzamelen om deze te cremeren, dan wel bij te zetten in
                    een ander graf op dezelfde begraafplaats of over te brengen naar een andere
                    begraafplaats. Ook wordt de mogelijkheid gegeven om de overblijfselen in
                    dezelfde grafruimte te doen plaatsen (het zogenaamde schudden). Het graf wordt
                    dan extra diep uitgegraven, en de overblijfselen worden onderin geplaatst. De
                    rechthebbende kan dan vervolgens het graf bestemmen voor andere overledenen. Op
                    deze wijze kan het graf gedurende langere tijd in dezelfde familie blijven.</al><al>Het vierde lid van artikel 24 opent de mogelijkheid ook bij ruiming van algemene
                    graven de stoffelijke overblijfselen dan wel de as een andere bestemming te
                    geven dan die welke genoemd is in het derde lid.</al><al>Met betrekking tot het ruimen is in het model gekozen voor een zorgplicht voor
                    de gemeente, als beheerder van de begraafplaats. Op de beheerder rust de plicht
                    er zorg voor te dragen dat met de menselijke resten welke bij de ruiming van een
                    graf worden aangetroffen te allen tijde respectvol wordt omgegaan. Er dienen
                    bovendien maatregelen te worden getroffen zodat bezoekers van de begraafplaats
                    niet met de menselijke resten worden geconfronteerd. Hoe dit in de praktijk
                    ingevuld kan worden wordt uitgewerkt in een handreiking, welke in samenspraak
                    met de branche wordt opgesteld.</al><tussenkop>Artikel 25.</tussenkop><al>Het ter beschikking van een kerkgenootschap gestelde deel op een gemeentelijke
                    begraafplaats valt volgens artikel 39 van de Wet op de lijkbezorging onder het
                    beheer van de gemeente. Hierdoor is ook de beheersverordening op dit gedeelte
                    van de begraafplaats van toepassing. Het college is dus verantwoordelijk voor de
                    goede gang van zaken op het ter beschikking van het kerkgenootschap gestelde
                    gedeelte. Het college voorziet ook in het minimale onderhoud van de
                    grafbedekkingen op het kerkelijk deel (artikel 20).</al><al>Wegens het kerkelijk karakter kunnen er redenen bestaan om voor dit deel ten
                    aanzien van enkele onderwerpen nadere regels vast te stellen die afwijken van de
                    nadere regels die gelden voor het overige gedeelte van de begraafplaats.</al><al>Daarnaast kan het kerkbestuur er behoefte aan hebben om van het college bericht
                    te ontvangen als volgens hun oordeel onderhoud of herstel nodig is van de
                    grafbedekking van een of meer graven op het kerkelijk deel. Het betreft hier het
                    onderhoud waartoe de rechthebbende of de gebruiker verplicht is volgens artikel
                    21 van dit model. Soms waakt een kerkgenootschap over de graven als er geen
                    nabestaanden meer in leven zijn.</al><al>Als het kerkbestuur schriftelijk aan het college heeft gevraagd om steeds als
                    zich de noodzaak van onderhoud of herstel van grafbedekking voordoet, te worden
                    geïnformeerd zal aan dit verzoek moeten worden voldaan. Het kerkgenootschap kan
                    zich dan beraden hoe te handelen.</al><tussenkop>Artikel 26.</tussenkop><al>Het is voorgekomen dat graven die van bijzondere waarde zijn ondoordacht werden
                    geruimd. Een graf kan van betekenis zijn vanwege de persoon die er is begraven,
                    maar ook uitsluitend vanwege het gedenkteken. De overledene kan voor de
                    plaatselijke gemeenschap van betekenis zijn geweest. Het gedenkteken kan
                    opvallen door zijn vormgeving en door het gebruikte materiaal. Als voorbeeld
                    kunnen gietijzeren gedenktekens worden genoemd, vaak subtiel voorzien van
                    symbolen van de dood. Het materiaal herinnert aan een reeds lang verdwenen
                    nijverheid en is alleen al daardoor van waarde. Er dienen maatregelen te worden
                    getroffen zodat graven van bekende overledenen niet meer ondoordacht worden
                    geruimd en zeldzame voorwerpen op een terrein dat zozeer aan het verleden
                    herinnert, behouden blijven. Bij twijfel over de betekenis van het gedenkteken
                    verdient het aanbeveling een deskundige te raadplegen.</al><tussenkop>Artikel 27.</tussenkop><al>Het register van de bezorgde as is niet opgenomen in het model, aangezien
                    artikel 10 van het Besluit op de lijkbezorging van 4 december 1997
                    gedetailleerde voorschriften voor dit register geeft.</al><tussenkop>Artikel 28.</tussenkop><al>De beheersverordening begraafplaatsen is een besluit van het gemeentebestuur op
                    overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde
                    wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die
                    algemeen verbindende voorschriften inhouden (zie artikel 139 van de
                    Gemeentewet). Voorts is de gemeente gehouden dit besluit mede te delen aan het
                    parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen, volgens artikel 143
                    van de Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 29.</tussenkop><al>Hier geldt artikel 142 van de Gemeentewet: Alle verordeningen treden in werking
                    op de achtste dag na bekendmaking, tenzij daarvoor een ander tijdstip is
                    aangewezen.</al><tussenkop>Artikel 30.</tussenkop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling te
                    onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>