<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR75410_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels voor het toekennen van ambtshalve verminderingen gemeentelijke belastingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels ambtshalve vermindering 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 231, 242 en 244 van de Gemeentewet juncto artikel 4:81 van de Algemene Wet Bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gedelegeerde functionaris</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-03-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe (geacturaliseerde) regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>n.v.t.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels voor het toekennen van ambtshalve verminderingen gemeentelijke belastingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><titel/></kop><al>[Onderstaande tekst heeft een louter illustratieve functie]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Reikwijdte en definities</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze beleidsregels gelden bij de heffing van gemeentelijke belastingen
                            in de zin van artikel 219 van de Gemeentewet, met dien verstande dat
                            onder gemeentelijke belastingen mede worden begrepen rechten die door de
                            gemeente kunnen worden geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van deze beleidsregels zijn uitgezonderd belastingaanslagen, waaraan
                            ingevolge een wettelijk voorschrift een op de voet van hoofdstuk IV van
                            de Wet waardering onroerende zaken gegeven beschikking tot vaststelling
                            van de waarde ten grondslag heeft gelegen, voor zover op deze
                            belastingaanslagen artikel 18a, eerste lid, onder b, van de Algemene wet
                            inzake rijksbelastingen van (overeenkomstige) toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtshalve vermindering: de vermindering, ontheffing,
                                    teruggaaf of vrijstelling van belastingen bedoeld in artikel 65
                                    van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 244 van
                                    de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende: de belastingplichtige of degene die de
                                    belasting als hoofdelijk mede-aansprakelijke heeft betaald;</al></li><li nr="c."><al>de <vet>driejaarstermijn</vet>: de termijn door welks verloop na
                                    het tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld op voet van
                                    artikel 11, derde lid, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen de bevoegdheid tot het vaststellen van een
                                    aanslag vervalt;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag van de vermindering: de vermindering van het
                                    belastingbedrag vermeerderd met (het daaraan toe te rekenen
                                    gedeelte van) de bestuurlijke boete of (het daaraan toe te
                                    rekenen gedeelte van) de kostenopslag, indien een bestuurlijke
                                    boete of een kostenopslag is toegepast. Het bedrag van de
                                    vermindering wordt berekend per belastingaanslag;</al></li><li nr="e."><al>de belastingaanslag: de aanslag bedoeld in artikel 2, derde lid,
                                    aanhef en onderdeel e, van de Algemene wet inzake
                                    rijksbelastingen, met dien verstande dat voor de toepassing van
                                    deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>de aanslag, de voorlopige aanslag, de navorderingsaanslag: het
                            gevorderde bedrag, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde, het
                            nagevorderde bedrag;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het aanslagbiljet: de kennisgeving van het in onderdeel 1. bedoelde
                            bedrag.</al><lijst><li nr="f."><al>de belastingwet: algemeen verbindende voorschriften en
                                    beleidsregels op het gebied van gemeentelijke belastingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Gevallen waarin ambtshalve vermindering wordt verleend</titel></kop><al>Ingeval het bedrag van de belasting had behoren te zijn vastgesteld op een
                        bedrag dat tenminste <vet>€ 10,-</vet> per aanslag lager is dan het te hoog
                        vastgestelde bedrag van die belasting, verleent de heffingsambtenaar
                        ambtshalve de vermindering waarvoor de belanghebbende redelijkerwijs in
                        aanmerking komt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een bezwaarschrift of een verzoekschrift niet ontvankelijk wordt
                                verklaard wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift of de
                                aanvraag dan wel om andere redenen van formele aard;</al></li><li nr="b."><al>uit enig feit blijkt dat een belastingaanslag tot een te hoog bedrag
                                is vastgesteld en deze aanslag bij afweging van de betrokken
                                belangen in redelijkheid niet gehandhaafd kan worden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Uitzonderingen</titel></kop><al>Het bepaalde in artikel 2 vindt geen toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>ten tijde van het ontvangen van het bezwaarschrift of het
                                verzoekschrift, dan wel op het tijdstip waarop het in artikel 2,
                                onderdeel b, bedoelde feit ter kennis van de heffingsambtenaar komt,
                                de driejaarstermijn is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>een bezwaarschrift wordt ingediend na afloop van de bezwaartermijn
                                maar voor de verzending van een aanmaning, waarbij sprake is van
                                feiten of omstandigheden die ten tijde van het opleggen van de
                                betreffende aanslag niet bij de gemeente bekend waren of hadden
                                kunnen zijn en dit aan belastingplichtige is toe te rekenen;</al></li><li nr="c."><al>een bezwaarschrift wordt ingediend na de verzending van de
                                aanmaning, waarbij blijkt dat ten tijde van het opleggen van de
                                aanslag feiten en omstandigheden niet bij de gemeente bekend waren
                                of hadden kunnen zijn en dit aan belastingplichtige is toe te
                                rekenen;</al></li><li nr="d."><al>een bezwaarschrift wordt ingediend na het uitvaardigen van een
                                dwangbevel of op een later tijdstip; de aanslag staat dan in
                                principe onherroepelijk vast, tenzij feiten of omstandigheden
                                blijken die bij de gemeente bekend hadden kunnen zijn.</al></li><li nr="e."><al>aannemelijk is dat de belanghebbende door opzet of grove schuld de
                                wettelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift of de
                                aanvraag ongebruikt heeft laten verstrijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Jurisprudentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een uitspraak van de Hoge Raad, een gerechtshof of van een rechtbank
                            waarin een toepassing van de belastingwet besloten ligt die voor de
                            belanghebbende gunstiger is dan de bij de heffing van de belasting
                            gevolgde toepassing, leidt niet tot het ambtshalve verlenen van
                            vermindering van belasting indien de belastingaanslag of de voldoening
                            op aangifte onherroepelijk is komen vast te staan voor de dag, waarop de
                            uitspraak door de Hoge Raad, het hof of de rechtbank is gewezen, tenzij
                            het college van burgemeester en wethouders op dit punt een afwijkende
                            regeling heeft getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hetgeen in het eerste lid is bepaald met betrekking tot een uitspraak
                            van de Hoge Raad, van een gerechtshof of van een rechtbank is in daartoe
                            leidende gevallen van overeenkomstige toepassing op prejudiciële
                            beslissingen van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
                            alsmede op rechterlijke uitspraken van het Hof en andere supranationale
                            colleges.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling van afwijzing</titel></kop><al>Indien geen termen aanwezig zijn om ambtshalve vermindering te verlenen,
                        wordt daarvan gemotiveerd mededeling gedaan in de uitspraak waarin de
                        niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken van een bezwaarschrift of
                        verzoekschrift , bedoeld in artikel 2, onder a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking en werken terug tot 1 januari 2010.</al></li><li nr="2."><al>Deze beleidsregels worden aangehaald als “Beleidsregels ambtshalve
                                vermindering 2010”.</al></li></lijst><al>Schiedam, 1 maart 2010</al><al>de Afdelingsmanager Gemeentelijke Belastingen,</al><al>B.van der Kooij</al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>