<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR75296_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Archeologieverordening 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 23-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Archeologieverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-02-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Wonen en leefomgeving</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de verordening archeologische onderzoeken 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Archeologieverordening 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Roerdalen;</vet></al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 26 oktober
                        2010;</al><al/><al>geletop artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 38 van de
                        Monumentenwet 1988;</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Archeologieverordening 2010</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>AMK-terrein: op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) staan de
                                    archeologische terreinen (monumenten) afgebeeld, waaraan door de
                                    Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een waardering is
                                    toegekend. Een deel van deze terreinen is wettelijk beschermd
                                    (terreinen van zeer hoge archeologische waarde). Voor alle op de
                                    AMK aangegeven terreinen dient behoud te worden nagestreefd.
                                    Voor archeologische rijksmonumenten is behoud wettelijk
                                    verplicht. De AMK vormt altijd een momentopname en wordt dan ook
                                    via een roulatiesysteem doorlopend herzien;</al></li><li nr="b."><al>Archeologische verwachtingswaardenkaart: topografische kaart van
                                    het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="c."><al>Archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische verwachtingswaardenkaart, waarvan is aangegeven
                                    dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te
                                    verwachten zijn;</al></li><li nr="d."><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Roerdalen</al></li><li nr="f."><al>Onderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 38 eerste lid
                                    van de Monumentenwet 1988;</al></li><li nr="g."><al>Onderzoeksgebied: een gebied dat als onderzoeksgebied is
                                    aangeduid op de archeologische verwachtingswaardenkaart;</al></li><li nr="h."><al>Omgevingsvergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in
                                    artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="i."><al>Plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="j."><al>Programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="k."><al>RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed;</al></li><li nr="l."><al>WA 1 t/m 8: Waarde Archeologie. De verschillende categorieën
                                    kennen verschillende grenzen met betrekking tot de omvang en
                                    verstoringsdiepte van locaties waarop ontwikkelingen zijn
                                    voorzien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing voor de gemeente Roerdalen, zover
                            binnen de gemeente niet in een geldend bestemmingsplan, als bedoeld in
                            artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening ter bescherming van het
                            archeologisch erfgoed regels zijn gegeven met betrekking tot bouw- en
                            andere werkzaamheden. Voor zover een nieuw van kracht geworden
                            bestemmingsplan regels bevat, die op dezelfde wijze in bescherming van
                            het archeologisch erfgoed voorzien, treedt deze verordening in zoverre
                            terug.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Archeologische verwachtingswaardenkaart</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een archeologische verwachtingswaardenkaart vast,
                                waarop op een topografische ondergrond archeologisch belangrijke
                                plaatsen en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven.
                                Tevens wordt op de kaart in de tabel ‘ondergrenzen’ het voor deze
                                plaatsen en gebieden te volgen beleid met betrekking tot
                                grondroerende werkzaamheden vermeld. Het college herziet de kaart,
                                indien nieuwe of gewijzigde inzichten en/of gegevens daartoe
                                aanleiding geven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De archeologische verwachtingswaardenkaart ligt voor een ieder ten
                                kantore van de gemeente ter inzage.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Instandhoudingbepaling/onderzoeksplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch verwachtingsgebied, zoals
                                weergegeven op de archeologische verwachtingswaardenkaart op
                                enigerlei wijze de bodem te verstoren of doen verstoren door
                                werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing op terreinen die zijn
                                aangewezen op de archeologische verwachtingswaardenkaart indien een
                                bepaald plangebied groter is en/of een ontwikkeling een diepere
                                verstoringsdiepte kent dan is aangegeven in de tabel ‘ondergrenzen’
                                op de archeologische verwachtingswaardenkaart, als een rapport is
                                overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren
                                terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is
                                vastgesteld en waaruit blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>de archeologische waarden in voldoende mate worden geborgd;
                                        of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                        onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>er een gerede verwachting is dat in het geheel geen
                                        archeologische waarden aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>op terreinen die zijn aangewezen op de archeologische
                                        verwachtingswaardenkaart als AMK-terrein, met WA-1, mits
                                        sprake is van toestemming verleend door het college.</al></li><li nr="b."><al>op terreinen die zijn aangewezen op de archeologische
                                        verwachtingswaardenkaart met WA-8, mits er geen
                                        archeologische vondsten in een straal / zone van 50 meter om
                                        het plangebied zijn gedaan die aanleiding vormen tot het
                                        doen van archeologisch onderzoek in de directe omgeving van
                                        de vondst;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel
                                        2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin afdoende voorschriften zijn
                                        opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>indien het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                        archeologische verwachtingswaardenkaart, de provinciale
                                        Archeologische Monumentenkaart of de landelijke Indicatieve
                                        Kaart van Archeologische Waarden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede lid van dit artikel kan nooit van toepassing zijn op een
                                als zodanig op de archeologische verwachtingswaardenkaart aangeduid
                                onderzoeksgebied dat niet is vrijgegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vervallen van de onderzoeksplicht</titel></kop><al>Het overleggen van een rapportage, als omschreven in het tweede lid van
                            artikel 4 aan het bevoegd gezag is niet noodzakelijk indien er sprake is
                            van een plangebied dat kleiner is of gelijk aan de ondergrenzen
                            behorende tot de archeologische verwachtingswaarde van de betreffende
                            locatie, zoals aangegeven in de tabel ‘ondergrenzen’ op de
                            archeologische verwachtingswaardenkaart.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Roerdalen
                                vervolgonderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, op
                                basis van het gestelde in de rapportage van het (verkennend)
                                onderzoek, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze
                                wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het programma van eisen neemt het college tevens bepalingen op
                                met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dient het toezicht geregeld
                                te zijn zoals door het college bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan door het college aan te wijzen deskundige.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Procedurele bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Rapportages en andere schriftelijke stukken</titel></kop><al>Een rapport als bedoeld in artikel 4, tweede lid en de daarbij te
                            overleggen gegevens en bescheiden en een plan van aanpak als bedoeld in
                            artikel 6, eerste lid, onder b. worden in drievoud aangeleverd.
                            Daarnaast dient het rapport digitaal te worden aangeleverd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van een omgevingsvergunning</titel></kop><al>Een omgevingsvergunning die verleend is door het bevoegd gezag, kan door
                            datzelfde gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de omgevingsvergunning ten gevolge van een onjuiste
                                    of onvolledige opgave met betrekking tot de bepalingen van deze
                                    verordening is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van de archeologische
                                    waarden zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming in de geleden schade toe, indien
                            de schade in relatie staat tot.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kostenverhaal</titel></kop><al>Voor zover de toepassing van het bepaalde in het tweede lid, eerste
                            volzin van artikel 6 van deze verordening voor de gemeente
                            buitenproportionele kosten met zich meebrengt, kan het college deze
                            kosten in rekening brengen bij de belanghebbende.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met artikel 4 van deze verordening, wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van
                            ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De ‘Verordening archeologische onderzoeken 2009’ van de gemeente
                            Roerdalen, door de gemeenteraad vastgesteld op 30 oktober 2008, wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Aanvragen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze
                            verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 11
                            ingetrokken ‘Verordening archeologische onderzoeken 2009’.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening wordt geacht in werking te zijn getreden met ingang van
                            de dag nadat de verordening op de gebruikelijke wijze is bekendgemaakt.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Archeologieverordening 2010’. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeenteraad van
                        Roerdalen op 16 december 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier De voorzitter </ondertekening><ondertekening>R.J.J. Notermans drs. C.A.M. Hanselaar – van Loevezijn </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><tussenkop>In dit artikel worden de in deze verordening gehanteerde begrippen nader
                    omschreven.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Werkingsgebied</tussenkop><al>Het werkingsgebied van de verordening is geen statisch gegeven. Derhalve is een
                    specifiek artikel in de verordening opgenomen om het wanneer en waar deze
                    verordening moet worden gehanteerd te verklaren. Deze verklaring is noodzakelijk
                    omdat de verordening niet altijd en overal in de gemeente Roerdalen van
                    toepassing hoeft te zijn. Als in een bestemmingsplan namelijk al nadere regels
                    zijn gesteld over hoe omgegaan moet worden met archeologisch erfgoed dan gelden
                    die regels en niet de regels van deze verordening. Dit is van toepassing als in
                    een bestemmingsplan regels zijn gesteld die, op dezelfde wijze voorzien in een
                    bescherming van archeologisch erfgoed met betrekking tot bouw- en andere
                    grondroerende werkzaamheden. Buiten kijf staat dat de verordening buiten de
                    gemeente Roerdalen geen toepassingsrecht heeft. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Instandhouding van archeologische terreinen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3 Archeologische verwachtingswaardenkaart</tussenkop><al>Het eerste lid van dit artikel realiseert de juridisch noodzakelijke koppeling
                    tussen deze verordening enerzijds en de archeologische verwachtingswaardenkaart
                    anderzijds. Het aangeven van deze koppeling is noodzakelijk omdat de werking van
                    de verordening afhankelijk is van het voorhanden zijn van een vastgestelde
                    archeologische verwachtingswaardenkaart. Tevens is in het artikel het gezag
                    benoemd, het college dat de mogelijkheid heeft een archeologische
                    verwachtingswaardenkaart vast te stellen of te herzien. </al><al>In het tweede lid van het artikel is aangegeven dat, waar en voor wie de
                    vigerende archeologische verwachtingswaardenkaart beschikbaar is voor inzage. </al><tussenkop>Artikel 4 Instandhoudingbepaling/onderzoeksplicht</tussenkop><al>Dit artikel stelt de kaders waarbinnen verstoringen van de bodem mogelijk zijn. </al><al>Het eerste lid stelt de systematiek van de bepaling. Deze is zo gekozen dat in
                    beginsel bodemverstoringen verboden zijn op het moment dat sprake is van een
                    archeologische verwachtingswaarde op een bepaalde plek. Dit geldt voor alle
                    verschillende mogelijke archeologische verwachtingswaarden, zoals aangegeven op
                    de archeologische verwachtingswaardenkaart. Vrijgesteld van deze bepaling zijn
                    dus de locaties waar geen sprake is van een archeologische
                    verwachtingswaarde.</al><al>Het tweede lid brengt naar voren hoe de verbodsbepaling uit het eerste lid kan
                    worden opgeheven. Daarbij wordt een koppeling gelegd met de tabel ‘ondergrenzen’
                    die te vinden is op de archeologische verwachtingswaardenkaart, in de
                    linkerbovenhoek, direct onder de legenda. Locaties waarop een ontwikkeling is
                    voorzien welke groter is dan en/of waar sprake is van een verwachte
                    verstoringsdiepte dieper dan aangegeven in de tabel ‘ondergrenzen’ kennen op
                    basis van het gestelde in het tweede lid een onderzoeksplicht. Hierbij worden
                    criteria genoemd waar naar oordeel van het bevoegd gezag aan moet zijn voldaan
                    alvorens de verbodsbepaling uit het eerste lid als opgeheven kan worden
                    beschouwd. Om naar voren te kunnen brengen dat wordt voldaan aan de criteria
                    dient een rapportage, op basis van archeologisch onderzoek te zijn overlegd aan
                    het bevoegd gezag waaruit dit blijkt. </al><al>Ook het derde lid brengt naar voren wanneer er geen sprake is van de
                    verbodsbepaling, omschreven in het eerste lid. Als een locatie voldoet aan een
                    of meer van de in dit lid geformuleerde criteria kan de verbodsbepaling van het
                    eerste lid als opgeheven worden beschouwd. De locaties die passen bij het
                    geformuleerde in dit lid wijken af van die in het tweede lid, omdat voor deze
                    locaties geen archeologisch onderzoek hoeft te worden gedaan en er dan ook geen
                    rapportage hoeft te worden overlegd aan het bevoegd gezag.</al><al>Het vierde lid van dit artikel formuleert een enkele mogelijke uitzondering op
                    het mogelijke opheffen van de verbodsbepaling, geformuleerd in het eerste lid.
                    Als sprake is van deze uitzondering kan de verbodsbepaling niet op basis van het
                    gestelde in het tweede lid worden opgeheven. </al><tussenkop>Artikel 5 Vervallen van de onderzoeksplicht</tussenkop><al>Artikel 4 van deze verordening laat bepaalde locaties buiten beschouwing. Deze
                    locaties staan centraal in dit artikel. Het betreft de locaties waarop
                    ontwikkelingen zijn voorzien, die op basis van de, op de archeologische
                    verwachtingswaardenkaart gevonden, bij de locatie passende verwachtingswaarde,
                    aldus de tabel ‘ondergrenzen’ een kleinere omvang kennen en waar de grond niet
                    dieper dan de aangegeven diepte geroerd zal worden. De ontwikkelingen voorzien
                    op de hiervoor beschreven locaties hoeven niet te worden onderworpen aan een
                    archeologisch onderzoek. Ontwikkelingen voorzien op locaties die voldoen aan de
                    bedoelde, gestelde criteria zijn niet onderhavig aan het verdere gestelde in
                    deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 6 Opgravingen en begeleiding</tussenkop><al/><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen zijn bedoeld om de
                    gemeente de regierol te laten dragen bij het doen van archeologische opgravingen
                    binnen het gemeentelijk grondgebied. </al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                    programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                    ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder f).
                    Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak (lid 1,
                    onder h) weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                    programma van eisen (lid 1, onder i), denkt te gaan invullen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Procedurele bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 7 Rapportages en andere schriftelijke stukken</tussenkop><tussenkop>Deze bepaling brengt naar voren hoe en hoeveel exemplaren van bepaalde
                    specifieke gegevens bij de gemeente dienen te worden aangeleverd.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8 Intrekken van een omgevingsvergunning</tussenkop><al/><al>Dit artikel bevat de mogelijke gronden om een verleende omgevingsvergunning in
                    te trekken. </al><al>De bepaling onder a. heeft betrekking op het intrekken van een
                    omgevingsvergunning indien door, al dan niet bewust toedoen van de
                    belanghebbende op basis van onjuiste of onvolledige informatie een
                    omgevingsvergunning is verstrekt. In dat geval heeft het bevoegd gezag de
                    mogelijkheid om de omgevingsvergunning in te trekken.</al><al>De bepaling onder b. heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van de archeologische waarde wijzigen, dan zou het
                    zo kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou plaats hebben, de
                    belangen van de archeologische waarde behoren voor te gaan. In dat geval heeft
                    het bevoegd gezag de mogelijkheid om de omgevingsvergunning in te trekken.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 9 Tegemoetkoming in schade</tussenkop><al>Voor deze archeologieverordening dient, op grond van de Wet op de Archeologische
                    monumentenzorg een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te
                    worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet
                    meer van toepassing. Het veroorzaker-betaalt-principe, zoals dat in de memorie
                    van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord,
                    staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop. De gemeente
                    zal zelf dan per geval afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is, waar
                    het schade betreft.</al><tussenkop>Artikel 10 Kostenverhaal</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat kosten die buiten de kosten die redelijkerwijs gemoeid
                    zijn met uitvoering van het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin van
                    artikel 6 van de verordening ten laste van de belanghebbende gebracht kunnen
                    worden. Het is aan het college te bepalen of en in welke mate er sprake is van
                    buitenproportionele kosten en in hoeverre deze ten laste van de belanghebbende
                    zullen worden gebracht.</al><tussenkop>Artikel 11 Strafbepaling</tussenkop><al/><al>Deze strafbepaling is, met de komst van de Wabo, alleen van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 4. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor ‘gemeentelijke monumenten’ is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1, van
                    de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in</al><al>de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de tweede categorie
                    maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een
                    hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om enige
                    preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><tussenkop>Artikel 12 Toezichthouders</tussenkop><al/><al>In dit artikel wordt de mogelijkheid geregeld toezichthouders aan te wijzen. Het
                    aanwijzen van toezichthouders kan zowel door het college als door de
                    burgemeester geschieden.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Archeologieverordening 2010 kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13 Intrekken oude regeling</tussenkop><al/><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude archeologieverordening (Verordening
                    Archeologische onderzoeken 2009), zodat niet twee verordeningen van kracht zijn
                    die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude
                    regeling is noodzakelijk omdat geen beroep kan worden gedaan op het beginsel dat
                    een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><tussenkop>Artikel 14 Overgangsrecht</tussenkop><al/><al>In praktische zin blijkt het intrekken van een verordening en het gelijktijdig
                    doen ingaan van een vervangende nieuwe verordening vaak problemen te geven.
                    Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                    welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. </al><al>Aanvragen die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening,
                    worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde
                    overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening
                    niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is
                    getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat
                    namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van
                    rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan
                    de bepalingen uit de Wabo.</al><tussenkop>Artikel 15 Inwerkingtreding</tussenkop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van de publicatie van het
                    vaststellingsbesluit van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 16 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>