<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR75254_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 1998</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, Officiële bekendmakingen, 2011, week 49, blz. 3</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening parkeerbelastingen gemeente Amstelveen 1998</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 216, 225 en 235</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-11-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>19e wijziging: gewijzigd tarieventabel</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>11-61</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening inzake betaald parkeren in de gemeente Amstelveen 1991, vastgesteld bij raadsbesluit van 19 juni 1991.</al><al>Het verlaagde tarief voor de bezoekersvergunning 2011 ad 75 euro (art. 2 lid 2 onder D) treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2011</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 1998</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                                staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is
                                voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van
                                personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op
                                binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer terreinen of
                                weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een
                                wettelijk voorschrift is verboden;</al></li><li nr="b."><al>houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een
                                voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een
                                motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de
                                Wegenverkeerswet 1994 (Staatsblad 1994, nummer 475) aangehouden
                                register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene
                                op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten
                                tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;</al></li><li nr="c."><al>parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van
                                verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting
                                overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;</al></li><li nr="d."><al>motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1
                                onderdeel z van het RVV 1990, alsmede brommobielen, met uitzondering
                                van motorvoertuigen met minder dan vier wielen;</al></li><li nr="e."><al>brommobiel: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onderdeel
                                ia van het RVV 1990.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen
                        geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij,
                                dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen
                                door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze;</al></li><li nr="b."><al>een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning
                                voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning
                                aangegeven plaats en wijze.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene
                            die het voertuig heeft geparkeerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of
                                    heeft gegeven de belasting te willen vol doen;</al></li><li nr="b."><al>zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2,
                                    onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de houder van het
                                    motorvoertuig, met dien verstande dat:</al><al>1. indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane
                                    huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde
                                    van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het
                                    voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt
                                    als degene die het voertuig heeft geparkeerd;</al><al>2. Indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had
                                    moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene
                                    die het voertuig heeft geparkeerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a wordt niet geheven van
                            degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b als degene die het
                            voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk
                            maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het
                            voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs
                            niet heeft kunnen voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b wordt geheven van degene
                            die de vergunning heeft aangevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak</titel></kop><al>De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn
                        vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende
                        tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting bedoel in artikel 2, onderdeel a is verschuldigd bij de
                            aanvang van het parkeren. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt
                            het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de
                            parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van
                            de door het college gestelde voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b is verschuldigd op het
                            tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing en termijn van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a wordt geheven bij
                            wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang
                            van het parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b wordt geheven bij wege
                            van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop
                            de vergunning wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen</titel></kop><al>De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen
                        betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a mag worden
                        geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar te maken
                        besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Kosten</titel></kop><al>De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in
                        artikel 2, onderdeel a bedragen € 54,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding
                        verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en
                        invordering van de parkeerbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De “Verordening inzake betaald parkeren in de gemeente Amstelveen 1991”,
                            vastgesteld bij raadsbesluit van 19 juni 1991 en goedgekeurd bij
                            Koninklijk Besluit van 15 augustus 1991, nummer 91007218, sindsdien
                            gewijzigd, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                            datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                            toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                            voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de derde dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 oktober 1998.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening
                            parkeerbelastingen gemeente Amstelveen 1998”.</al><al/></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 9 september 1998.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>TARIEVENTABEL ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 VAN DE VERORDENING
                        PARKEERBELASTINGEN GEMEENTE AMSTELVEEN 1998</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>het tarief voor het parkeren bij parkeerapparatuur als bedoeld in
                            artikel 2, onder 1 van de Parkeerverordening Amstelveen 1998
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>in gebied A, te weten het gebied dat wordt begrensd door de
                                    Keizer Karelweg, de mr. G.Groen van Prinstererlaan, de
                                    Beneluxbaan en de Burgemeester van Sonweg: € 1,00 per 30
                                    minuten;</al></li><li nr="-"><al>in gebied B, te weten de buiten gebied A gelegen gedeelten van
                                    Amstelveen binnen de bebouwde kom ingevolge de Wegenverkeerswet
                                    1994: € 1,05 per uur;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>het tarief voor een parkeervergunning als bedoeld in artikel 2, onder b
                            van de Verordening parkeerbelastingen Amstelveen 1998 bedraagt:</al><al/><al>Voor een bewonersvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder A van
                            de Parkeerverordening Amstelveen 1998:</al><lijst><li nr="-"><al>voor de eerste vergunning € 100,00 per jaar of een gedeelte
                                    daarvan;</al></li><li nr="-"><al>voor de tweede vergunning € 160,00 per jaar of een gedeelte
                                    daarvan;</al><al> Voor een bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 2,
                                    onder B.I.a van de Parkeerverordening Amstelveen 1998:</al></li><li nr="-"><al>in zone A:</al></li><li nr="-"><al>voor een vergunning geldig van maandag tot en met vrijdag van
                                    09.00 uur tot 18.00 uur € 360,00 per jaar of een gedeelte
                                    daarvan;</al></li><li nr="-"><al>voor een vergunning geldig van maandag tot en met zaterdag van
                                    09.00 uur tot 18.00 uur en op koopavonden en koopzondagen €
                                    480,00 per jaar of een gedeelte daarvan;</al></li><li nr="-"><al>in zone B € 240,00 per jaar of een gedeelte daarvan;</al><al/><al>Voor een bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 2,
                                    onder B.l.b van de Parkeerverordening Amstelveen 1998:</al></li><li nr="-"><al>€ 120,00 per jaar of een gedeelte daarvan (jaarvergunning);</al></li><li nr="-"><al>€ 14,40 per kalendermaand of een gedeelte daarvan
                                    (maandvergunning);</al><al/><al>Voor een dienstenvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 2,
                                    onder C van de Parkeerverordening Amstelveen 1998: € 120,00 per
                                    jaar of een gedeelte daarvan;</al><al/><al>Voor een bezoekersvergunning als bedoeld in artikel 2, lid 2,
                                    onder D van de Parkeerverordening Amstelveen 1998: € 75,00 per
                                    jaar of een gedeelte daarvan;</al><al/><al>Voor een autodatevergunning als bedoeld in artikel 2, lid 2,
                                    onder E van de Parkeerverordening Amstelveen 1998: € 100,00 of
                                    een gedeelte daarvan.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING BEHORENDE BIJ DE VERORDENING OP DE HEFFING EN INVORDERING VAN PARKEERBELASTINGEN 1998</label></kop><al>Uit het oogpunt van overzichtelijkheid is gekozen de fiscaal technische aspecten
                    van de parkeerverordening vast te leggen in een aparte belastingverordening. Dit
                    systeem wordt ook aangeraden door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, welke
                    een model heeft vastgesteld in overleg met de wetgever. Deze verordening is
                    gebaseerd op dit model. De opsplitsing vergroot de werkbaarheid van beide
                    verordeningen.</al><al>Met het vaststellen van deze verordening wordt het bestaande parkeerareaal op
                    zichzelf niet gefiscaliseerd. Hiervoor is een apart besluit van het college
                    noodzakelijk. In dit besluit bepaalt het college, op grond van artikel 7 van
                    deze verordening, de plaats, tijd en wijze van fiscaal betaald parkeren. Tot die
                    tijd blijft de bestaande aanwijzing van de parkeerplaatsen van kracht.</al><al/><tussenkop>Terminologie</tussenkop><al>In de verordening is, als het gaat over bestuursbevoegdheid, gesproken over het
                    college. Gaat het over de uitvoering dan zijn de bevoegdheden als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht per 1
                    januari 1998 de facto een bevoegdheid van de heffingsambtenaar als bedoeld in
                    artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet.</al><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>In artikel 1 hebben de begripsomschrijvingen een plaats gevonden. Die zijn in
                    deze verordening belangrijker dan in sommige andere verordeningen. Met name
                    omdat het gaat om een zeer nauwkeurige omschrijving van de gehanteerde begrippen
                    in de rest van de verordening. Zo is betrekkelijk uitvoerig gedefinieerd wat
                    wordt verstaan onder het parkeren van een voertuig. Deze uitvoerige omschrijving
                    is ook terug te vinden bij de definitie van het begrip houder. Voor de houder
                    van een voertuig wordt gekeken naar degene die naar de omstandigheden beoordeeld
                    als houder van het voertuig moet worden beschouwd. Alleen voor de houders van
                    motorvoertuigen die zijn ingeschreven in het kentekenregister wordt gekeken naar
                    degene op wiens naam het voor dat voertuig afgegeven kenteken ten tijde van het
                    parkeren was ingeschreven. In deze verordening wordt een brommobiel met een
                    motorvoertuig gelijkgesteld.</al><al>Voor het parkeren van andere voorwerpen dan voertuigen komt de heffing van
                    parkeerbelasting niet aan de orde.</al><al>Voorts is in dit artikel gedefinieerd, wat onder parkeerapparatuur moet worden
                    verstaan.</al><al>Van parkeren is volgens de jurisprudentie geen sprake gedurende de tijd dat het
                    voertuig nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen
                    van zaken en/of het onmiddellijk in- en uitstappen van personen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>In artikel 2 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het
                    gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een
                    bepaalde aangewezen plaats (bedoeld is bij parkeerapparatuur) en om een
                    belasting ter zake van het vergunningparkeren. Een ontheffing om bij
                    parkeerapparatuur te mogen staan zonder dat voor de duur van het parkeren wordt
                    betaald wordt als vergunning aangemerkt.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>In artikel 3 is vastgelegd wie belastingplichtige is voor de belastingen die
                    zijn genoemd in artikel 2, onderdelen a en b. Hoofdregel is dat de belasting die
                    wordt genoemd onder a. wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft
                    geparkeerd. De belasting genoemd onder b. wordt geheven van degene die de
                    vergunning heeft aangevraagd.</al><al>In het tamelijk belangrijke tweede en derde lid van artikel 3 wordt aangegeven
                    wie respectievelijk als degene die het voertuig heeft geparkeerd mede wordt
                    aangemerkt, dan wel in het derde lid van wie de belasting niet wordt geheven.
                    Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene
                    die de belasting voldoet. Dat is dus degene die geld werpt in de apparatuur, dan
                    wel degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven
                    de belasting te willen voldoen. Deze regeling is getroffen om te voorkomen dat
                    achteraf het geld kan worden teruggevorderd met een beroep op onverplichte
                    betaling. Zolang de belasting niet is voldaan is de houder van het motorvoertuig
                    tevens aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. De houder
                    is dan weer degene waarvan het kenteken staat ingeschreven in het
                    kentekenregister.</al><al>Een uitzondering op het aanmerken van de houder als degene die het motorvoertuig
                    heeft geparkeerd is te vinden in het tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een
                    voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd
                    waaruit kan blijken (en dat is een zware vorm van bewijs) wie ten tijde van het
                    parkeren de huurder van het motorvoertuig was, dan wordt niet de houder maar de
                    huurder aangemerkt als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. Een tweede
                    uitzondering is indien blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten
                    staan ingeschreven. Dan wordt die ander als degene die het voertuig heeft
                    geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld blijken indien de houder een
                    zogenaamd vrijwaringsbewijs overlegt.</al><al>In het derde lid is de uitzondering geregeld op de ficties die in het tweede lid
                    zijn opgeschreven. Iemand kan niet worden aangemerkt als degene die het
                    motorvoertuig heeft geparkeerd indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van
                    het parkeren een ander tegen zijn wil van het motorvoertuig gebruik heeft
                    gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden gemaakt dat hij dit gebruik
                    redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Bedoeling van de regeling is dat de
                    houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met zijn motorvoertuig
                    joyriding heeft plaatsgevonden of als het motorvoertuig op het moment van
                    constateren als gestolen geregistreerd staat.</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>In artikel 4 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing
                    verwezen naar een bij de verordening behorende tarieventabel. Omdat gekozen is
                    voor fiscaalrechtelijke afhandeling wordt in de gebieden waar fiscaalrechtelijk
                    wordt afgedaan geheven bij wege van “voldoen op aangifte” (zie artikel 6).</al><al>Ingevolge artikel 219, tweede lid van de Gemeentewet kunnen de gemeentelijke
                    belastingen worden geheven naar in de belastingverordening te bepalen
                    heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke
                    belasting niet afhankelijk kan worden gesteld van het inkomen, de winst of het
                    vermogen. Het te heffen bedrag mag dus uitdrukkelijk niet afhankelijk zijn van
                    inkomen, winst en vermogen. Hiermee is tot uitdrukking gebracht dat belastingen
                    niet naar draagkracht geheven mogen worden. Het is gemeenten niet toegestaan om
                    met hun belastingheffing inkomensbeleid te voeren.</al><al>Verder kan het bepaalde in een bijzondere wet of in de paragrafen 2 en 3 van
                    hoofdstuk XV van de Gemeentewet aan de vrijheid tot het vaststellen van
                    heffingsmaatstaven beperkingen stellen. Dit is bij de parkeerbelastingen het
                    geval. In artikel 225, achtste lid van de Gemeentewet is opgenomen dat het
                    tarief afhankelijk kan worden gesteld van de parkeerduur, de parkeertijd, de
                    ingenomen oppervlakte en de ligging van terreinen of weggedeelten.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In artikel 5 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor de
                    belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a. is geregeld dat deze is
                    verschuldigd bij de aanvang van het parkeren. De belasting genoemd in artikel 2,
                    onderdeel b. is verschuldigd bij de aanvang van het heffingstijdvak waarover de
                    belasting wordt geheven. Dit is gedaan om ook in geval van een doorlopende
                    vergunning steeds de belastingschuld te laten ontstaan bij de aanvang van een
                    nieuw tijdvak.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>In artikel 6 hebben de wijze van heffing en de betalingstermijn een plaats
                    gevonden. Op grond van de wettelijke regeling wordt de belasting genoemd in
                    artikel 2, onderdeel a. aangemerkt als geheven bij wege van voldoening op
                    aangifte en moet de belasting worden betaald bij de aanvang van het parkeren.
                    Als geen voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden kan een naheffingsaanslag
                    worden opgelegd.</al><al>De belasting genoemd in artikel 2, onderdeel b. wordt geheven ter zake van het
                    gebruik van de weg. De belasting wordt geheven bij wege van voldoening op
                    aangifte en moet worden betaald voordat het gebruik van de weg een aanvang
                    neemt. Als geen voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden kan een
                    naheffingsaanslag worden opgelegd. In die situatie vindt het traject zoals dat
                    is vastgelegd in de artikelen 234 en 235 van de Gemeentewet toepassing. Een
                    naheffingsaanslag moet ingevolge het derde lid terstond worden betaald.</al><al>Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een vergunning
                    mag is een overtreding. In dat geval zal er geen naheffingsaanslag kunnen worden
                    opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook het parkeren met parkeerapparatuur
                    wordt gereguleerd, alsdan valt het onder het fiscale regime. Is dat laatste niet
                    het geval, dan moet het parkeren zonder vergunning op een vergunningplaats
                    gezien worden als een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden
                    afgehandeld.</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>In artikel 7 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om aan te wijzen
                    de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag
                    worden geparkeerd. Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet moet de
                    verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen het college die
                    aanwijzing kan doen. Het college kan niet volstaan met het aanwijzen van de
                    parkeerapparatuurplaatsen, maar moet in het openbaar te maken besluit ook
                    aangeven de tijd dat het betaald parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen
                    geldt en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden (bijvoorbeeld dat
                    een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen). Niet voldoende is dat dit
                    op de parkeerapparatuur zelf staat. Ontbreekt een dergelijk besluit van het
                    college dan kan de naheffingsaanslag ingevolge de jurisprudentie niet in stand
                    blijven.</al><al>De aanwijzingsbevoegdheid kan niet zover gaan dat ook het gebied waar welke
                    wijze van heffing van toepassing is door het college kan geschieden. Dit dient
                    te worden geregeld in de tarieventabel en de bij de tabel behorende kaart.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>In artikel 9 hebben de kosten van de naheffingsaanslag een plaats gekregen. De
                    hoogte hiervan moet worden bepaald met inachtneming van het Besluit
                    gemeentelijke parkeerbelastingen, alwaar het tarief voor de naheffingsaanslag is
                    bepaald op een bedrag van € 54,00.</al><al/><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                    kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                    Uitvoeringsregeling Invorderingswet (Staatscourant. 1990, nummer 103). Indien in
                    de desbetreffende heffingsverordeningen niets wordt geregeld met betrekking tot
                    kwijtschelding geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle
                    gemeentelijke belastingen. Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de
                    mogelijkheid om van de ministeriële regeling af te wijken en te bepalen dat voor
                    een belasting geen kwijtschelding wordt verleend. Voor dit laatste is gekozen
                    alleen al omdat het verlenen van kwijtschelding vanwege de heffing bij wege van
                    voldoening op aangifte uitvoeringstechnisch moeilijk is. Ook onder het regime
                    van de huidige parkeergeldverordening werd geen kwijtschelding verleend. Wij
                    hebben geen aanleiding gevonden om het huidige beleid ter zake te wijzigen.</al><al/><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Dit artikel maakt het ons mogelijk om nadere (beleids)regels ter zake van de
                    heffing en invordering van de parkeerbelastingen vast te stellen, en is het
                    gevolg van de per 1januari 1998 in werking getreden derde tranche van de
                    Algemene wet bestuursrecht.</al><al/><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>De Gemeentewet schrijft voor dat in de verordening moet worden opgenomen het
                    tijdstip van ingang van de heffing. Door dit artikel is daarmee aan deze eis
                    voldaan.</al><al>In het eerste lid wordt geregeld dat de oude verordening wordt ingetrokken. Er
                    wordt voorkomen dat er een vacuüm ontstaat, doordat is bepaald dat zij met
                    betrekking tot de heffing van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich
                    voor de datum van intrekken hebben voldaan.</al><al>Ingevolge artikel 139 van de Gemeentewet moeten besluiten tot het vaststellen,
                    wijzigen of intrekken van belastingverordeningen worden bekendgemaakt. Het niet
                    voldoen aan de bekendmakingsplicht kan leiden tot onverbindendheid van de
                    belastingverordening.</al><al>Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet treedt het bekend gemaakte besluit
                    in werking met ingang van de derde dag na de dag van bekendmaking.</al><al>Aangezien de heffing van parkeerbelastingen geschiedt over een door de raad te
                    bepalen belastingtijdvak is in het tweede lid geen datum genoemd. Bij deze
                    werkwijze treedt ook het eerste lid pas in werking op het moment dat in het
                    tweede lid is genoemd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>