<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74955_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Teylingen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Teylingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Teylingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad Teylingen, 25-07-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Teylingen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">Gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">Monumentenwet, art. 12 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=14">Monumentenwet, art. 14 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">Monumentenwet, art. 15 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-07-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-09-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-05-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/01132</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Gemeentelijke monumenten, 06-09-2007</al><al>Rijksmonumenten, 26-09-2007</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Teylingen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Teylingen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 mei 2007;</al><al>Gelet op artikel op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14 en
                        15 van de Monumentenwet 1988;</al><al>BESLUIT:</al><al>Vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Monumentenverordening Teylingen</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>monument: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                        betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                        waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                        zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in onderdeel
                                a, onder 2;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                is aangewezen;</al></li><li nr="d."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                                overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen
                                zaken;</al></li><li nr="e."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven in
                                de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;</al></li><li nr="f."><al>kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een
                                kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een
                                kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel
                                wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="g."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie
                                met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te
                                adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de
                                verordening en het monumentenbeleid.</al></li><li nr="h."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit
                                van een monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                        gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt hij
                                advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het
                                vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk
                                monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></li><li nr="4."><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></li><li nr="5."><al>Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk monument
                                aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="6."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd
                                gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als
                                bedoeld in artikel 6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                                niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met 13 van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="7."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Zuid-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na
                                de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan
                        degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan
                        en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de
                                tenaamstelling en een beschrijving van het gemeentelijke
                                monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, alsmede artikel 4 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van
                                artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, alsmede artikel 4, eerste
                                lid, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede,
                                vierde en vijfde lid, en artikel 4 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien een monument
                                de status provinciaal- of rijksmonument verkrijgt.</al></li><li nr="4."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Verbodsbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                vernielen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Vergunning</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij
                        zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen
                                of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten
                                gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in
                                gevaar gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Termijnen van advies en vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de voorbereiding van een besluit om de aanvraag om vergunning als
                                bedoeld in artikel 10 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijk
                                aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de
                                monumentencommissie voor advies.</al></li><li nr="3."><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></li><li nr="4."><al>Indien het college niet besluit binnen de (in artikel 3:18 Algemene wet bestuursrecht) gestelde
                                termijn, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het college verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen
                        vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 10 dan in overeenstemming met
                        de eigenaar, indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij
                        wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het
                        geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld
                                        in artikel 10 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 1 jaar van de vergunning gebruik wordt
                                        gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                monumentencommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                        artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                        als bedoeld in artikel 10; schade lijdt of zal lijden, die
                                        redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                                        te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                                        billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel
                                49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze verordening,
                        wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de bij besluit van burgemeester en
                                wethouders aangewezen personen.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken
                                van een termijn van zes weken na bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De monumentenverordening gemeente Warmond vastgesteld bij besluit
                                van de raad van 27 mei 2004 door de voormalige gemeente Warmond, de
                                monumentenverordening Sassenheim 1996 vastgesteld bij besluit van de
                                raad van 27 maart 2001 door de voormalige gemeente Sassenheim, de
                                ‘Verordening Monumentencommissie 2003’ vastgesteld bij besluit van
                                de raad van 28 mei 2003 door de voormalige gemeente Warmond en
                                ‘Verordening regelende onder andere de samenstelling en de
                                bevoegdheden van de Monumentencommissie’ vastgesteld bij besluit van
                                de raad van 27 maart 2001 door de voormalige gemeente Sassenheim,
                                voor zover het betreft bepalingen over gemeentelijke monumenten,
                                vervallen op de datum waarop het eerste lid toepassing vindt.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet
                                1988.</al></li><li nr="4."><al>De monumentenverordening gemeente Warmond vastgesteld bij besluit
                                van de raad van 27 mei 2004 door de voormalige gemeente Warmond en
                                de ‘Verordening Monumentencommissie 2003’ vastgesteld bij besluit
                                van de raad van 28 mei 2003 door de voormalige gemeente Warmond,
                                voor zover het betreft bepalingen over beschermde rijksmonumenten,
                                vervallen op de datum waarop het derde lid toepassing vindt.</al></li><li nr="5."><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordeningen
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen te
                                zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordeningen.</al></li><li nr="6."><al>De gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de monumentenlijst van
                                de ingevolge het tweede lid genoemde vervallen verordeningen, worden
                                geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordeningen.</al></li><li nr="7."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                het tweede lid ingetrokken verordeningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening
                        Teylingen'.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van d.d. 12 juli 2007</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>R. van Dijk drs. S.W.J.G. Schelberg</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'monument' is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de Monumentenwet 1988.</al><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan een
                    bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan
                    en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of
                    dat gebied heeft gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim
                    dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige
                    waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel
                    met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein ook een
                    bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen spreken. Een
                    'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke
                    monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                    monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn,
                    reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Sub b</al><al>De term 'gemeentelijk archeologisch monument' wordt apart gedefinieerd in
                    verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                    behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk archeologisch monument bij een
                    vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht
                    wijzigen van een gemeentelijk monument is een bevoegdheid van het college. Als
                    er echter sprake is van een archeologisch rijksmonument beslist de minister op
                    de vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen
                    is vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een 'normaal' en een
                    (gemeentelijk) 'archeologisch' monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikelen 42 tot en
                    met 49) de eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze
                    regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij toeval
                    op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument gaat. Er
                    wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                    monumenten.</al><al>Sub c, e en f</al><al>Hier wordt gesproken over onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen.</al><al>Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de
                    beschermde status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al>Ingeval de gemeente de mogelijkheid wil bieden om ook roerende monumenten te
                    beschermen, kan zij dit doen. In dat geval dient het woord 'onroerende' op
                    plaatsen in de modelverordening waar het gemeentelijke monumenten betreft te
                    worden geschrapt. Voor de gemeente is het mogelijk door middel van aanvullende
                    regelgeving te voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al>Sub d</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert.</al><al>Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts
                    een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het
                    de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is
                    inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te
                    trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 6.</al><al>Sub e</al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en
                    met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al>Sub f</al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is
                    overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid 4). Is er sprake
                    van een vergunning voor het gemeentelijke of rijksbeschermde kerkelijke
                    monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig
                    zijn (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke
                    belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor
                    bijvoorbeeld een pastorie, een catechesatieruimte of verblijven van
                    kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel
                    dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten
                    gelden.</al><al>Sub g</al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie in
                    deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                    Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het vereiste,
                    genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet
                    over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen
                    worden.</al><al>In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instelt. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het college.
                    Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van artikel 84
                    Gemeentewet. De samenstelling en werkwijze dient het college nader uit te
                    werken. In een dualistisch stelsel is het normaal gesproken niet mogelijk dat de
                    raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is ingesteld welke
                    adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te bepalen of zij
                    een adviescommissie willen.</al><al>Deze redenatie gaat niet op voor wat betreft de monumentencommissie. In de
                    monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat er een monumentencommissie
                    is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet.
                    In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                    inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het college over
                    aanvragen van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Door het ontbreken van
                    deze keuzevrijheid is er geen strijdigheid met het duale uitgangspunt als de
                    raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is die adviseert aan het
                    college.</al><al>Het instellen van de monumentencommissie door het college moet middels een apart
                    collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                    (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het
                    besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de
                    modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via de
                    databank van de VNG Uitgeverij, www.modelverordeningen.nl.</al><al>Op grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83, tweede lid van
                    de Gemeentewet mogen raadleden geen deel uitmaken van collegecommissies. In het
                    vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat de instelling van een
                    commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen verbindende
                    voorschriften.</al><al>Artikel 2</al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Lid 1</al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na
                    afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het gebruik van het
                    monument.</al><al>Lid 2</al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie. De verordening
                    bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een
                    regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is
                    daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>De verordening bevat geen voorschriften voor de bescherming van het monument
                    gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure loopt, zoals de Monumentenwet 1988
                    dat doet. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het aan
                    te wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de
                    verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan gegronde
                    redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken.</al><al>Indien de gemeente wil zekerstellen dat de potentieel aan te wijzen monumenten
                    tijdens de aanwijzingsprocedure ook zijn beschermd, moet een voorbescherming als
                    in de Monumentenwet 1988 worden opgenomen.</al><al>Er wordt niet bepaald dat de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord
                    voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld
                    in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>In het geval dat de gemeente besluit een aparte archeologische
                    begeleidingscommissie in te stellen moet de eerste zin van artikel 3, lid 2, als
                    volgt worden aangepast:</al><al>'Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan
                    de monumentencommissie of aan de archeologische begeleidingscommissie indien het
                    een archeologisch monument betreft.'</al><al>Deze wijziging moet dan ook in artikel 11, lid 1, worden doorgevoerd.</al><al>Lid 3</al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over
                    bouwhistorisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch
                    onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een
                    tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek
                    kan vragen.</al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als gemeentelijk monument. De
                    informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan van invloed zijn op
                    de beslissing van het college om het pand al dan niet als gemeentelijk monument
                    aan te wijzen en op de wijze waarop het pand in de registers wordt
                    ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een gemeentelijk
                    monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of andere wijziging
                    aangetast wordt is van invloed op de beslissing van het college.</al><al>Alhoewel het er in beide gevallen om gaat om informatie te krijgen over de
                    bouwhistorische waarde van een pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch
                    onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens
                    belang de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument of de
                    vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is van belang of het al dan niet een
                    woning betreft. Dit heeft te maken met de mogelijkheden om een gebouw als
                    gemeente binnen te kunnen treden.</al><al>De aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument is in veel gevallen niet
                    afkomstig van de eigenaar van het pand. Veelal dient een belangenvereniging voor
                    monumenten een aanvraag tot aanwijzing in. In die gevallen dat een ander dan de
                    eigenaar van een pand een aanvraag tot aanwijzing indient, dan wel de gemeente
                    ambtshalve aanwijzingsvoorstellen doet, kan de gemeente de eigenaar moeilijk
                    verplichten bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. Indien de eigenaar of
                    gebruiker een aanvraag voor vergunning tot wijziging van het gebouw indient, kan
                    de gemeente hieraan de voorwaarde verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt
                    verricht. In dat geval zullen (een deel van) de kosten van het bouwhistorisch
                    onderzoek ten laste van de eigenaar kunnen worden gebracht, gezien het belang
                    dat deze bij de vergunningverlening heeft (zie verder bij 'Vergunning tot
                    wijziging van een monument').</al><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen.</al><al>Op grond van de Gemeentewet kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld. De situatie is
                    anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen betreft. In de
                    verordening is in artikel 17 opgenomen dat door het bevoegd gezag aangewezen
                    personen in het kader van het toezicht op de naleving van de verordening ruimten
                    binnen kunnen treden. Dit geldt ook voor het doen van bouwhistorisch onderzoek
                    op grond van de verordening.</al><al>De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de vergunningverlening tot
                    wijziging van een monument bepalen dat informatie over de bouwhistorische waarde
                    van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk om het vragen van
                    bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De voorwaarden die de
                    gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een beschikking op grond van de
                    Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende houvast. Argument hierbij is dat
                    inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                    aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan
                    dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens
                    behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake
                    zijn van evenredigheid. De gemeente kan de aanvrager bijvoorbeeld niet
                    verplichten om voor het gehele pand bouwhistorisch onderzoek uit te voeren als
                    slechts voor een deel van het pand een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd.
                    Daarnaast moet de gemeente bij het stellen van voorwaarden rekening houden met
                    de kosten die met het bouwhistorisch onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten
                    in redelijke verhouding tot de kosten van de verbouwing staan. Er zijn binnen
                    het bouwhistorisch onderzoek verschillende gradaties aan te geven (mate van
                    gedetailleerdheid).</al><al>Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen.</al><al>Lid 4</al><al>Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de besluiten tot aanwijzing voor een
                    gemeentelijk monument. Doormiddel van dit lid kan de gemeenteraad haar
                    controlerende functie gemakkelijker uitvoeren. De aanwijzings- en of
                    wijzigingsbesluiten voor de gemeentelijke monumenten kunnen daardoor door de
                    raad worden getoetst aan het beleidskader monumenten.</al><al>Lid 5</al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen
                    naar voren kunnen brengen (artikel 4:8). Overleg is immers meer dan het naar
                    voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al>Lid 6</al><al>Dit lid regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn) artikel 9 tot en met 13 van
                    deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument
                    tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaats (etc.) zonder een gemeentelijke
                    monumentenvergunning.</al><al>Lid 7</al><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).</al><al>Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies, maar binnen de termijn voor het
                    college) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig
                    beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge
                    artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door
                    de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend
                    schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van
                    niets te weten.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en
                    bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                    verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is dus een vergunning
                    nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale
                    vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht.</al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder
                    snel inzicht te geven in welke zaken om welke reden als gemeentelijk monument
                    zijn aangewezen.</al><al>Het kan beleid zijn van een gemeente dat alleen de buitenkant van gemeentelijk
                    monument beschermd wordt.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van
                    monumentencommissie of eventueel archeologische begeleidingscommissie of
                    eigenaar van een kerkelijk monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing
                    worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de monumentencommissie
                    nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de
                    gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van
                    de monumentenlijst gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk monument worden
                    geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht worden niet meer te
                    zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat is een
                    vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                    monumentenverordening dit regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van
                    de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze
                    voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De verbodsbepaling van artikel 9 vertoont gelijkenis met artikel 11 lid 1 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten op
                    basis van de Monumentenwet 1988 in handen van het college.</al><al>Het is verstandig de vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten
                    procedureel en inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor
                    de aanvrager, maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het
                    college van praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs
                    dezelfde weg worden afgehandeld.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de wijziging van
                    rijksmonumenten door het college in de artikelen 11 tot en met 21 jo. artikel 14
                    van de monumentenverordening. In dit artikel gaat het derhalve alleen over
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>Artikel 10 regelt dat een vergunning nodig is om een monument te verstoren. Dit
                    geldt ook voor archeologische monumenten. Over opgravingen en vondsten is niets
                    in de verordening geregeld. Reden hiervoor is dat deze aspecten uitputtend in de
                    Monumentenwet 1988 zijn geregeld.</al><al>De Monumentenwet 1988 regelt:</al><lijst><li nr="-"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al></li><li nr="-"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht;</al></li><li nr="-"><al>de eigendomskwestie van vondsten;</al></li><li nr="-"><al>een schaderegeling.</al></li></lijst><al>Als de gemeente zelf archeologische monumenten beschermt, kan zij in de
                    toelichting van de verordening aangeven wat zij onder verstoren verstaat. In de
                    Monumentenwet 1988 wordt hierover geen uitspraak gedaan. Ingrepen die de
                    bestemming van de grond veranderen en waardoor het grondwaterpeil verandert of
                    waarbij bijvoorbeeld graafwerk dieper dan 0,50 m wordt verricht kunnen worden
                    aangemerkt als het verstoren van een archeologisch monument in de zin van
                    artikel 10.</al><al>Ten aanzien van de de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van
                    belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de
                    Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een aanvraagformulier voor de
                    vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens zijn vereist.</al><al>Wat de eventueel benodigde gegevens voor bouwhistorisch onderzoek betreft wordt
                    verwezen naar de toelichting van artikel 3, lid 3.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Lid 1</al><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van toepassing op de
                    verlening van de monumentenvergunning voor rijksmonumenten op grond van de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2005, 282).
                    Het college van B&amp;W kiest ervoor om deze procedure ook van toepassing te
                    verklaren voor de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten. Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar
                    een ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                    aanvrager (Awb artikel 3:13), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal zaken
                    moet in de publicatie vermeld worden, zie Awb art 3:12), en ten slotte zes weken
                    ter inzage gelegd wordt (Awb artikel 3:11 en 3:16). Als er zienswijzen
                    binnenkomen, dan wordt de aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld te
                    reageren op de naar voren gebrachte zienswijzen (Awb artikel 3:15.3). De
                    verwerking van de zienswijzen in het definitieve besluit moet binnen zes maanden
                    na ontvangst van de vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen zienswijzen
                    zijn binnengekomen, dan moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken van de
                    ter-inzage-termijn gepubliceerd worden en neemt het dagelijks bestuur het
                    definitieve besluit binnen vier weken na het einde van de ter-inzage-termijn
                    (Awb artikel 3:18.4).</al><al>Van de mogelijkheid om de besluitvorming te verdagen met een redelijke termijn
                    kan alleen in de eerste acht weken van de proceduretermijn gebruik gemaakt
                    worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp betreft én
                    de aanvrager in de gelegenheid gesteld is hierover zijn zienswijze kenbaar te
                    maken (Awb artikel 3:18.2).</al><al>Er zal sneller tot een vergunningweigering overgegaan moeten worden. De
                    beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook aanbeveling op basis van een
                    schetsplan overleg te plegen voordat de vergunningaanvraag wordt ingediend.</al><al>De terzagelegging van de aanvraag en de mogelijkheid van bezwaar tegen het
                    definitieve besluit zijn gecombineerd in het terinzageleggen van een
                    ontwerpbesluit naar aanleiding waarvan zienswijzen naar voren kunnen worden
                    gebracht. Omdat de mogelijkheid is opgenomen zienswijzen tegen het
                    ontwerpbesluit in te dienen, is tegen het definitieve besluit alleen nog maar
                    beroep mogelijk, en wel alleen door de aanvrager, belanghebbenden die tijdig een
                    zienswijze naar voren hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) en belanghebbenden die
                    een goede reden hebben geen zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13)</al><al>De totale termijn van zes maanden spoort niet met die voor de bouwvergunning.
                    Het vereist (en het niet verleend) zijn van een gemeentelijke
                    monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de bouwvergunning (art
                    44 sub e Woningwet). Wanneer een monumentenvergunning is aangevraagd en daarop
                    niet is beslist (of deze is geweigerd), zal de bouwvergunning dus tijdig
                    geweigerd moeten worden. In de Woningwet is namelijk alleen een
                    aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten opgenomen (artikel 54
                    Woningwet). Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure de bouwvergunning
                    te moeten weigeren kan de aanvrager van de monumenten- en bouwvergunning het
                    beste de aanvraag bouwvergunning pas later indienen. Laat het college de termijn
                    voor de verlening van de bouwvergunning verlopen, dan is de bouwvergunning van
                    rechtswege verleend, omdat de Woningwet boven de monumentenverordening gaat. Er
                    mag echter pas gebruik gemaakt worden van de bouwvergunning als ook de
                    monumentenvergunning is verleend.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd en
                    opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de
                    beroepstermijn is vertreken, of als er beroep is ingesteld, op het beroep is
                    beslist. Titel 8.3 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub f.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Lid 1</al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft
                    de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten
                    aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een
                    nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                    behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college) de
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren. De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen
                    omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit
                    regelt.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Lid 1</al><al>De procedure voor de afgifte door het college van burgemeester en wethouders van
                    de vergunning voor rijksmonumenten staat in hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de
                    Monumentenwet 1988 en afdeling 3.4 van de Awb. De RDMZ en, buiten de bebouwde
                    kom, ook Gedeputeerde Staten moeten binnen twee maanden na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren (Monumentenwet 1988, artikel 16.2). Het definitieve
                    besluit moet binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen
                    van RDMZ en GS plaatsvinden (Monumentenwet 1988, artikel 16.3). Op het
                    definitieve besluit is alleen nog maar beroep mogelijk, en wel alleen door de
                    RDMZ, GS, de aanvrager, belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren
                    hebben gebracht (Awb 3:41 en 3:43) en belanghebbenden die een goede reden hebben
                    geen zienswijzen te hebben ingebracht (Awb art 6:13).</al><al>De procedure voor de afgifte door het college van de vergunning voor
                    rijksmonumenten staat in de artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet
                    1988.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de aanvragen
                    om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te voorkomen dat dit
                    wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de monumentencommissie
                    tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is in lid 3 bepaald
                    dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd na het verstrijken
                    van de in lid 2 gestelde adviestermijn.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, Boek 6, artikel 126 BW).</al><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling de volgende voordelen:</al><lijst><li nr="-"><al>een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                            (administratieve voorprocedure);</al></li><li nr="-"><al>samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO);
                            vandaar dat in lid 2 voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen
                            van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                            artikel 49 van de WRO van overeenkomstige toepassing zijn
                            verklaard.</al></li></lijst><al>Ten opzichte van de (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft de
                    schadevergoedingsregeling de volgende nadelen:</al><lijst><li nr="-"><al>zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al></li><li nr="-"><al>de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al></li><li nr="-"><al>er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al></li></lijst><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 225,- (februari 2004); in
                    de tweede categorie maximaal € 2250,- (februari 2004). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                    monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan een
                    geldboete van de vijfde categorie (€ 45.000,- (februari 2004)).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve werking te
                    bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de hand
                    liggend.</al><al>In de verordening hoeft niet de mogelijke straf opgenomen te worden om bij
                    overtreding de rechterlijke uitspraak openbaar te maken. Een dergelijke
                    strafbepaling is overbodig, omdat iedere rechterlijke uitspraak openbaar
                    is.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk zijn
                    algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen
                    geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit
                    hoofdstuk geeft regels voor het toezicht.</al><al>Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast
                    zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                    krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). De aanwijzing van
                    toezichthouders kan derhalve in de Monumentenverordening plaatsvinden. Een deel
                    van de toezichthouders wordt in de verordening zelf aangewezen (dit is
                    noodzakelijk indien een toezichthouder tevens opsporingsbevoegdheden dient te
                    krijgen, zie ook verderop). Hiernaast kunnen toezichthouders door het college
                    dan wel de burgemeester worden aangewezen. De bevoegdheid hiertoe vloeit voort
                    hui de artikelen 160 (nieuw) en 174 van de Gemeentewet waarin het college
                    respectievelijk de burgemeester belast is met de uitvoering van gemeentelijke
                    verordeningen.</al><al>Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (artikel
                    5:12 Awb). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                    verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. Het in artikel 5:12,
                    derde lid van de Awb genoemde model van het legitimatiebewijs is vastgesteld bij
                    de Regeling model legitimatiebewijs toezichthouders Awb (Stcrt. 2000, 131). Deze
                    regeling bevat geen echt model, maar een opsomming van alle elementen die in
                    ieder geval op het legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld van
                    een legitimatiebewijs.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een toezichthouder
                    mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit redelijkerwijs voor de
                    vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet
                    te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                    toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden
                    of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend
                    hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een
                    toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen en woningen. Dat de Awb een uitzondering maakt voor
                    het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit
                    het in artikel 12 van de Grondwet vastgelegde 'huisrecht'. Op grond hiervan is
                    voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner steeds een
                    grondslag in een bijzondere wet vereist.</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><lijst><li nr="-"><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al></li><li nr="-"><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Awb. De opsporing wordt geregeld in het Wetboek van
                            Strafvordering (WvSv).</al></li></lijst><al>In de artikelen 141 en 142 WvSv worden de met de opsporing van strafbare feiten
                    belaste ambtenaren genoemd. De in artikel 141 genoemde ambtenaren hebben een
                    opsporingsbevoegdheid die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. Artikel 142 betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid). Daarnaast kan in een bijzondere wet,
                    bijvoorbeeld de Monumentenwet, opsporingsambtenaren aangewezen worden.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna
                    voor rijksmonumenten (de leden 3 en 4). Vervolgens wordt bepaald dat de op grond
                    van de oude verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende
                    monumenten geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze
                    nieuwe verordening (de leden 5 en 6). Ten slotte is in lid 7 geregeld dat
                    aanvragen om vergunning voor gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór
                    het van kracht worden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de
                    oude verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                    bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al>In dit artikel is geen overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van
                    rijksmonumenten omdat artikel 14 van de modelmonumentenverordening, noch artikel
                    12 van de Monumentenwet 1988 is gewijzigd. Evenmin is een regeling getroffen
                    inzake het toepasselijk recht ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                    ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening. Dit betekent dat het
                    nieuwe recht op deze bezwaarschriften van toepassing is.</al><al>Tot 1 januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (artikel 142
                    Gemeentewet). Hierin is verandering gekomen door de inwerkingtreding van de
                    Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze wet maakt referenda
                    mogelijk over onder andere de vaststelling, wijziging en intrekking van
                    verordeningen. Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die hier niet van
                    belang zijn. De vaststelling, wijziging of intrekking van een
                    monumentenverordening is een van de besluiten waarover een referendum kan worden
                    gehouden.</al><al>Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden gehouden,
                    treden in afwijking van artikel 142 Gemeentewet, niet eerder in werking dan zes
                    weken na de bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw). De termijn van zes
                    weken hangt ermee samen dat na bekendmaking van de verordening en de mededeling
                    dat over deze verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot
                    het houden van een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor
                    een later tijdstip van inwerkingtreding.</al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de monumentenverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen
                    referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5), opnieuw in de inwerkingtreding
                    moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat leidt tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het referendum de
                    beslissing tot vaststelling of wijziging van de monumentenverordening
                    heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog besluit tot
                    inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de monumentenverordening, zal de
                    raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding moeten voorzien.</al><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening zelf
                    (zie mr. J. Bool, De Gemeentewet, blz. 134, noot 3).</al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    monumentenverordening kan worden ingediend. Op grond van de Tijdelijke
                    referendumwet is de gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een
                    verordening indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een
                    referendum indienen. Zie voor meer informatie over de Trw de circulaires van het
                    ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en
                    CW2001/82050) en de ledenbrieven van de VNG over dit werp (Lbr. 01/158 en Lbr.
                    01/217).</al><al>De Trw is niet van toepassing op technische wijzigingen van de verordening.</al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>