<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74943_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Teylingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Teylingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad Teylingen, 13-02-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985/article=12">Brandweerwet 1985, art. 12 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-02-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-10-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/17038</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt brandbeveiligingsverordening van de voormalige gemeenten Sassenheim, Voorhout en Warmond</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Teylingen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 oktober
                        2007;</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Brandweerwet%201985/article=12">artikel 12 van de Brandweerwet 1985</extref> (Stb. 87);</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Brandbeveiligingsverordening</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                            begrensde plaats.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 Werkingssfeer</titel></kop><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet">Woningwet</extref> en de bouwverordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Brandveilig gebruik</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Vergunning</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
                                    burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben
                                    of te houden, waarin: </al><lijst><li nr="a."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                            zijn;</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2 bedoelde stoffen
                                            zullen worden opgeslagen;</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader
                                            van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="d."><al>aan personen in het kader van de Wet op de
                                            bejaardenoorden huisvesting zal worden verschaft;</al></li><li nr="e."><al>aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of
                                            aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk
                                            gehandicapte personen dagverblijf zal worden
                                            verschaft.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning
                                    voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen,
                                    beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar
                                    en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.</al></li><li nr="3."><al>Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist
                                    op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering
                                    van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden
                                    na het verlenen van de vergunning, kunnen burgemeester en
                                    wethouders aan de vergunning nieuwe voorschriften verbinden en
                                    gestelde voorschriften wijzigen of intrekken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning</titel></kop><al>Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde
                            wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                            gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn
                            en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik
                            kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.3 Intrekken vergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of
                                    onvolledige gegevens hebben verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan
                                    een voorschrift van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 1 jaar na
                                    het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of
                                    periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de
                                    vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde
                                    activiteit heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="d."><al>van de vergunning gedurende een periode van 1 jaar of langer
                                    geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op
                                    grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van
                                    de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na
                                    het verlenen van de vergunning, en het niet mogelijk blijkt door
                                    het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende
                                    te beschermen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.1.4 Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><al>In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning
                            betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek
                            van degene die is belast met de zorg voor de naleving van deze
                            verordening, ter inzage worden gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paraaraaf</label><nr>2</nr><titel>Het voorkomen van brand en het be<sup>p</sup>erken van brand
                            en brand<sup>g</sup>evaar</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen voor inrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken, indien de wijze van
                                    gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde
                                    gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik
                                    te zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de
                                    bouwverordening.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het gestelde in het tweede lid, is het verboden een
                                    inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip
                                    waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in
                                    combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                                    begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de
                                    gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van
                                    overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de
                                    bouwverordening.</al></li><li nr="4."><al>De onderlinge afstand tussen kampeermiddelen moet minstens 3
                                    meter bedragen.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van
                                    artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben </titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden stoffen als bedoeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Regeling Bouwbesluit</extref> (Stcrt. 2002, 241,
                                    laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2006,122) in, op of nabij een
                                    inrichting aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het
                                            andere niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste
                                            lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de
                                            bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden niet
                                            overschrijdt;</al></li><li nr="b."><al>het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde
                                            stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning
                                            overeenkomstig artikel 2.1.1 is verleend;</al></li><li nr="c."><al>de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen
                                            of afleveren van vloeibare brandstoffen, dat voldoet aan
                                            de eisen gesteld bij of krachtens de Verordening opslag
                                            gas , huisbrand eh stookolie;</al></li><li nr="d."><al>de brandstof in het reservoir bij een
                                            verbrandingsmotor;</al></li><li nr="e."><al>de brandstof in een verlichtings , een verwarmings of
                                            een ander warmteontwikkelend toestel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede
                                    lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat
                                    gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.2.3 Opslag en verwerking stoffen</titel></kop><al>Is vervallen en wordt geregeld in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Milieubeheer">Wet Milieubeheer</extref></al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van
                            on<sup>g</sup>evallen bij brand</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen</titel></kop><al>De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een
                            bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                            onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan
                            worden beschikt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</titel></kop><al>Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of
                            te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de zichtbaarheid
                            wordt belemmerd van:</al><lijst><li nr="a."><al>middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en
                                    bestrijding van brand;</al></li><li nr="b."><al>middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van
                                    personen en dieren bij brand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.4 Verrichten van werkzaamheden</titel></kop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-,
                            wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Regeling Bouwbesluit</extref> (Stcrt. 2002, 241, laatstelijk
                            gewijzigd bij Stcrt. 2006,122), of gereedschappen worden gebruikt,
                            waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand,
                            moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van
                            brand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.5 Verbod open vuur en roken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te roken of vuur te hebben: </al><lijst><li nr="a."><al>in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of
                                            meer van de stoffen genoemd in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bouwbesluit">Regeling Bouwbesluit</extref> (Stcrt. 2002, 241,
                                            laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2006,122),; bij het
                                            verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van
                                            brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen
                                            veroorzaken;</al></li><li nr="b."><al>bij het vullen van een brandstofreservoir met een
                                            brandbare vloeistof of een brandbaar gas.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en
                                    wethouders ontheffing verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.5 Verboden handelingen met stoffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te
                                    doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht
                                    is om dat gas of gasmengsel te bevatten.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in
                                    leidingen te verwarmen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van
                                    speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen
                                    bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen
                                    opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als
                                    luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (Stb. 1988, 511).</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of
                                    gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige
                                    wijze dat daardoor brand kan ontstaan.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te
                                    vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand
                                    ontstaat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2.3.7 Bossen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar van een bos of een ander terrein, dat met brandbare
                                    gewassen is begroeid, is verplicht -na een van burgemeester en
                                    wethouders ontvangen aangetekende brief- de voorschriften op te
                                    volgen, die burgemeester en wethouders in die brief geven tot
                                    het voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van
                                    brand</al></li><li nr="2."><al>Onder een in het eerste lid genoemd bos wordt verstaan elke
                                    aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2 Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de
                            derde categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.3 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                                gebruiksvergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een lopende aanvraag om gebruiksvergunning, alsmede enig beroep,
                                    ingesteld tegen een beslissing omtrent een dergelijke aanvraag,
                                    wordt afgedaan op grond van de brandbeveiligingsverordeningen en
                                    alle daarin aangebrachte wijzigingen van Warmond, vastgesteld
                                    bij raadsbesluit van 11 maart 1993, van Voorhout, vastgesteld
                                    bij raadsbesluit van 14 september 1994 en van Sassenheim,
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 2 februari 1993.</al></li><li nr="2."><al>Een gebruiksvergunning als bedoeld in de
                                    brandbeveiligingsverordeningen, van Warmond, vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 11 maart 1993, van Voorhout, vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 14 september 1994 en van Sassenheim,
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 2 februari 1993, geldt als
                                    gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1, voor zover deze
                                    niet krachtens overgangsrecht van de bouwverordening geldt ais
                                    gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 van de
                                    bouwverordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.4 Slotbepaling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die
                                    waarop zij is afgekondigd</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen de
                                    brandbeveiligingsverordeningen van Warmond en alle daarin
                                    aangebrachte wijzigingen, vastgesteld bij raadsbesluit van 11
                                    maart 1993, van Voorhout en alle daarin aangebrachte
                                    wijzigingen, vastgesteld bij raadsbesluit van 14 september 1994
                                    en van Sassenheim en alle daarin aangebrachte wijzigingen,
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 2 februari 1993.</al></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:
                                    brandbeveiligingsverordening.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>A Algemene toelichting</vet></al><al>De brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van inrichtingen.
                    De werkingssfeer is in artikel 12 van de Brandweerwet 1985 aangegeven: de
                    brandbeveiligingsverordening is van toepassing voor zover in hetgeen zij regelt
                    niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet. Bouwwerken
                    zijn daaronder niet begrepen, omdat regeling van het brandveilig gebruik daarvan
                    ingevolge de Woningwet 2003 verplicht in de bouwverordening is opgenomen. Ais
                    gevolg hiervan is de brandbeveiligingsverordening ingrijpend gewijzigd. De
                    brandbeveiligingsverordening kan slechts regelen voor zover niet in de
                    brandveiligheid is voorzien bij of krachtens het bepaalde in andere wettelijke
                    regelingen. Rest derhalve thans die 'voor mensen toegankelijke ruimtelijk
                    begrensde plaatsen', die geen bouwwerk zijn (zie ook de toelichting op artikel
                    1). De vergunningsplicht is evenwel pas van toepassing, wanneer aan de criteria,
                    genoemd in artikel 2.1.1 wordt voldaan. De verordening bevat geen voorschriften
                    over het aanvragen, het voorbereiden en het beslissen op een verzoek om een
                    vergunning. Die onderwerpen zijn geregeld in de Algemene wet bestuursrecht (Stb.
                    1992, 315). De artikelen 4:1 tot en met 4:6 van de Awb zijn op de
                    vergunningaanvraag van toepassing. De voorschriften hebben onder andere
                    betrekking op: bij wie de aanvraag moet worden ingediend, welke gegevens
                    tenminste op de aanvraag moeten staan en wanneer de aanvraag in behandeling kan
                    warden genomen. De artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb geven aan binnen
                    welke termijn een aanvraag om een vergunning moet worden afgewikkeld. De Awb
                    geeft geen vaste termijn in weken, maar geeft aan dat de aanvraag binnen een
                    redelijke termijn tot een beschikking moet leiden. Die redelijke termijn is in
                    ieder geval verstreken als niet binnen acht weken na het in ontvangst nemen van
                    de aanvraag een beslissing is genomen of aan de aanvrager is medegedeeld binnen
                    welke redelijke termijn hij een beslissing op zijn aanvraag krijgt. Door het
                    hanteren van de artikelen 4:13 tot en met 4:15 van de Awb kan afhankelijk van de
                    inhoud van de aanvraag aangegeven worden binnen welke termijn de aanvraag wordt
                    afgehandeld. Derhalve is in de verordening geen artikel opgenomen dat een vaste
                    termijn voor een vergunningaanvraag voorschrijft. Het gebruik van de
                    bovengenoemde artikelen van de Awb bij de behandeling van een vergunningaanvraag
                    vereist geen afzonderlijk besluit van burgemeester en wethouders. Bij de eerste
                    vergunningaanvraag op basis van de verordening zal aangegeven moeten worden dat
                    bij de afwikkeling van de vergunningaanvraag de artikelen 4:1 tot en met 4:6 en
                    4:13 tot en met 4:15 van de Awb gebruikt worden. Op grond van algemene
                    beginselen van behoorlijk bestuur zijn burgemeester en wethouders vervolgens
                    gehouden de daarop volgende aanvragen eveneens met toepassing van de Awb
                    artikelen te behandelen. In een bij deze toelichting behorende bijlage is de
                    tekst van de bovenbedoelde artikelen opgenomen.</al><al><vet>B Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1.2 Werkingssfeer</vet></al><al>De in artikel 1.1 bedoelde 'voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaatsen' is een ruime omschrijving. Bouwwerken vallen daar niet onder, het
                    gebruik hiervan vindt immers regeling in de bouwverordening. In dit verband ware
                    te denken aan alle 'bouwwerken' die op het water drijven en los met de wal
                    verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants. Deze
                    zijn namelijk geen bouwwerken in de zin van de Woningwet 2003 en vallen derhalve
                    niet onder de werking van het Bouwbesluit en de bouwverordening. Er bestaat een
                    in dit kader relevante uitspraak van het Hof Arnhem d.d. 6 juni 1972, NJ 73,
                    209. Daarin werd uitgemaakt 'dat een op het water drijvend bouwsel niet valt
                    onder het begrip "gebouw" en evenmin onder de definitie in de gemeentelijke
                    bouwverordening, omdat het niet in de geest van die verordening met de grond
                    verbonden is noch steun vindt in of op de grond'. Er was hier sprake van het
                    aanmeren middels twee lijnen aan in de grond geplaatste meerpalen, teneinde
                    afdrijven te voorkomen. Het valt te verwachten dat bij een 'minder losse
                    verbinding' de bouwsels onder de werking van de Woningwet zullen vallen.</al><al>Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals (feest)tenten
                    e.d.</al><al><vet>Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden,
                    zoals voorschriften met betrekking tot:</al><al>Stoffering en versiering; Uitgangen en vluchtwegen; Installaties;</al><al>Standbouw, podia, kramen e.d.;</al><al>Verbrandingsmotoren;</al><al>Verbod voor open vuur en vuurwerk;</al><al>Bewaking en controle; Ventilatie en werkzaamheden;</al><al>Brandbare, brand bevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;
                    Opstellingsplannen;</al><al>Afval;</al><al>Doorlopend toezicht;</al><al>Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne
                    organisatie;</al><al>Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een inrichting of in
                    een inrichting met het oog op de brandveiligheid.</al><al>Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde
                    bouwsels niet onder de werking van de Woningwet vallen.</al><al><vet>Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning</vet></al><al>Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd. Toetsingsgrond
                    voor een vergunning kunnen zijn:</al><al>voor de constructies - het Bouwbesluit en de bouwverordening;</al><al>voor het gebruik - de bijlagen van bouwverordening en van de toelichting op de
                    (model-)bouwverordening 1992.</al><al>De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid. Een
                    andere goede basis voor de beoordeling van de vergunningsplichtige inrichtingen
                    zijn de boeken die de NBF uitgeeft in de serie 'Een brandveilig gebouw
                    .................................................................................
                    '. Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van
                    de inrichtingen (tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk.</al><al><vet>Artikel 2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen</vet></al><al>Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunningsplichtig. In
                    artikel 2.2.1 vindt de brandveiligheid van niet vergunningsplichtige
                    inrichtingen regeling.</al><al><vet>Artikel 3.1 Toezicht op de naleving</vet></al><al>Burgemeester en wethouders wijzen in verband met de bij de gemeentelijke
                    organisatie verordening (ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken
                    in ieder geval de brandweer aan als de gemeentelijke dienst belast met het
                    toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening. In de toelichting
                    op de (model-)bouwverordening 1992 vermelden wij dat de brandweer de deskundige
                    dienst is om te adviseren over brandpreventie voorschriften. Tevens kunnen ook
                    andere personen met de naleving ervan worden belast, zoals bijvoorbeeld van het
                    bouw- en woningtoezicht. Het verdient in elk geval aanbeveling bij de uitvoering
                    van deze verordening en van andere verordeningen een coordinatie tot stand te
                    brengen. voor de opsporing van (onder meer) de in de
                    brandbeveiligingsverordening aangegeven strafbare feiten zijn door de
                    staatssecretaris van Binnenlandse Zaken uitsluitend aangewezen de commandanten
                    en het personeel van gemeentelijke en of regionale brandweren.</al><al><vet>Artikel 3.2 Strafbepaling</vet></al><al>Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet
                    1985 genoemde strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels
                    van de brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de
                    eerste of tweede categorie in de verordening gesteld worden.</al><al>Bijlage behorend bij de brandbeveiligingsverordening</al><al>Tekst van enkele artikelen van de Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1992,
                    315).</al><al><vet>Artikel 4:1</vet></al><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag tot het
                    geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat
                    bevoegd is op de aanvraag te beslissen.</al><al><vet>Artikel 4:2</vet></al><al>De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:</al><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al><al>de dagtekening;</al><al>een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd.</al><al>De aanvrager verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor de beslissing
                    op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                    krijgen.</al><al><vet>Artikel 4:3</vet></al><al>De aanvrager kan weigeren gegevens en bescheiden te verschaffen voor zover het
                    belang daarvan voor de beslissing van het bestuursorgaan niet opweegt tegen het
                    belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met inbegrip van de
                    bescherming van medische en psychologische onderzoeksresultaten, of tegen het
                    belang van de bescherming van bedrijfs- en fabricagegegevens.</al><al>Het eerste lid is niet van toepassing op bij wettelijk voorschrift aangewezen
                    gegevens en bescheiden waarvan is bepaald dat deze dienen te worden
                    overgelegd.</al><al><vet>Artikel 4:4</vet></al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, kan voor het
                    indienen van aanvragen en het verstrekken van gegevens een formulier
                    vaststellen, voor zover daarin niet is voorzien bij wettelijk voorschrift.</al><al><vet>Artikel 4:5</vet></al><al>Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het
                    in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en
                    bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de
                    voorbereiding van de beschikking, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag
                    niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door
                    het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.</al><al>Indien de aanvraag of een van de daarbij behorende gegevens of bescheiden in een
                    vreemde taal is gesteld en een vertaling daarvan voor de beoordeling van de
                    aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking noodzakelijk is, kan het
                    bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de
                    gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de
                    aanvraag met een vertaling aan te vullen.</al><al>Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager
                    bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al><al><vet>Artikel 4:6</vet></al><al>Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag
                    wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde
                    omstandigheden te vermelden.</al><al>Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld,
                    kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag
                    afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.</al><al><vet>Artikel 4:13</vet></al><al>Een beschikking dient te warden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift
                    bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een
                    redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.</al><al>De in het eerste lid bedoelde redelijke termijn is in ieder geval verstreken
                    wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen
                    beschikking heeft gegeven, noch een kennisgeving als bedoeld in artikel 4:14
                    heeft gedaan.</al><al><vet>Artikel 4:14</vet></al><al>Indien, bij het ontbreken van een bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn,
                    een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, stelt het
                    bestuursorgaan de aanvrager daarvan in kennis en noemt het daarbij een redelijke
                    termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al><al><vet>Artikel 4:15</vet></al><al>De termijn voor het geven van een beschikking wordt opgeschort met ingang van de
                    dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 de aanvrager uitnodigt de
                    aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de
                    daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>