<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR747951_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:type scheme="overheidop:Rubriek">algemeen verbindend voorschrift (verordening)</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berg en Dal</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-04-03</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-27983">gmb-2015-27983</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Groesbeek 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2025-02-12">artikel 149 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0003420&amp;artikel=102&amp;g=2025-08-01">artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0003549&amp;artikel=100&amp;g=2025-08-01">artikel 100 van de Wet op de expertisecentra</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-03-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Groesbeek 2008, de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ubbergen 2011 en de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Millingen aan de Rijn 2003.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Gemeente Groesbeek;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 24 februari 2015; gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 100 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>Vast te stellen:</al><al/><al>de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015, inclusief de toelichting en de volgende bijlagen:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Bijlage I Criteria voor beoordeling van aangevraagde voorzieningen met toelichting</al></li><li nr="2."><al>Bijlage II Criteria voor opstelling en toetsing van leerlingenprognoses met toelichting</al></li><li nr="3."><al>Bijlage III Criteria voor oppervlakte en indeling met toelichting</al></li><li nr="4."><al>Bijlage IV Financiële normering met toelichting</al></li><li nr="5."><al>Bijlage V Criteria voor de urgentie van de aangevraagde voorzieningen met toelichting</al></li></lijst><al>In te trekken:</al><lijst><li nr="1."><al>de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2008, inclusief toelichting en de bijlagen I t/m V;</al></li><li nr="2."><al>de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Ubbergen 2011, inclusief toelichting en de bijlagen I t/m V;</al></li><li nr="3."><al>de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Millingen aan de Rijn 2003, inclusief toelichting en de bijlagen I t/mV;</al></li></lijst><al><vet>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs Groesbeek 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="•"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="•"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="•"><al>advies Onderwijsraad: advies van de Onderwijsraad als bedoeld in artikel 95, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93, negende lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76f, negende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="•"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="•"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het bewegingsonderwijs, of een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;</al></li><li nr="•"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li><li nr="•"><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 76a of 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 16, tweede en derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="•"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 96 Wet op het Primair onderwijs, artikel 94 Wet op de expertisecentra en artikel 76g van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="•"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="•"><al>programma: programma als bedoeld in artikel 95 Wet op het primair onderwijs, artikel 93 Wet op de expertisecentra en artikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="•"><al>school:</al><lijst><li nr="1°."><al> school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;</al></li><li nr="2°."><al>school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, of school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;</al></li><li nr="3°."><al>school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in de artikelen 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="•"><al>tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="•"><al>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="•"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="•"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="•"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15 jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="•"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°."><al>nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op dezelfde locatie;</al></li><li nr="2°."><al>uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li><li nr="3°."><al>het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="4°."><al>verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het huisvesten van een school;</al></li><li nr="5°."><al>terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als bedoeld in 1° tot en met 4°;</al></li><li nr="6°."><al>inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="7°."><al>inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al></li><li nr="8°."><al>medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een bad voor watergewenning of bewegingstherapie;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen of meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li><li nr="d."><al>huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs voor het onderwijs in lichamelijke oefening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorbereidingskrediet</titel></kop><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en 2° kan een aanvraag voor het bekostigen van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vaststellen vergoeding voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° en 2° en 6° tot en met 8°, wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3 wordt vastgesteld op 8 procent van het geraamde investeringsbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Programma en overzicht</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Aanvragen programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk 1 februari van het jaar waarin het betreffende programma wordt vastgesteld, zijn ontvangen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening, bestaande uit:</al><lijst><li nr="1°."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor basisonderwijs, de speciale school voor basisonderwijs, de school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of de school voor voortgezet onderwijs, als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder de voorwaarde dat de prognose overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan niet in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd gezag wordt onderschreven;</al></li><li nr="2°."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van een constructiefout als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden vastgesteld;</al></li><li nr="3°."><al>als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart (de hersteldatum) de gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15 oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd, dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor15 meieen opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen. </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Overleg voorafgaand aan vaststellen programma en overzicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te lichten. Dit overleg vindt plaats binnen2 maanden na de hersteldatum, bedoeld in artikel 7, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden aangepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit overleg vindt plaatst uiterlijk 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het vast te stellen programma betrekking heeft. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze zienswijzen in kennis.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een bevoegd gezag en het college kunnen de Onderwijsraad verzoeken een advies uit te brengen over het conceptprogramma. Het verzoek bevat een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover advies wordt verwacht. Het advies dient betrekking te hebben op de relatie tussen de voorgenomen inhoud van het programma en de vrijheid van richting en inrichting. Het verzoek en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen worden opgenomen in het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college is belast met het indienen van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Het college zorgt ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor het beoordelen van het verzoek, waaronder het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Als het advies zou leiden tot één of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij het toezenden van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij het toezenden van het afschrift van het advies.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt plaats binnen 2 weken nadat het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen is gezonden. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag, bedoeld in het vierde lid.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label> Paragraaf </label><nr> 2.3 </nr><titel>Vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar onderwijssoort of per voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december voorafgaande aan het jaar waarop het programma betrekking heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht worden door het college binnen 2 weken na de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers. Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage gelegd.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Uitvoeren programma</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 101 van de Wet op de expertisecentra en artikel 76n van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting toetst, en of het naar het oordeel van het college noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over het besteden van de beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de kosten van voorbereiding van het bouwplan tot 8 procent van het geraamde investeringsbedrag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het toepassen van artikel 14, tweede lid, neemt het college binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel 15 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 3 weken. Als niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren van de op het programma geplaatste voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij het college.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beslist voor15 september op een verzoek tot het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt verlengd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Aanvragen met een spoedeisend karakter</titel></kop><paragraaf><kop><label> Paragraaf </label><nr> 3.1 </nr><titel>Aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr> 17 </nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van de calamiteit ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2 weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label> Paragraaf </label><nr> 3.2 </nr><titel>Beoordelen aanvraag; uitvoeren besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 19. Tijdstip beslissing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college beslist binnen 4 weken nadat de aanvraag is ontvangen of, binnen 4 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Uitvoeren beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na het bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 19 eerste lid waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16 tweede tot en met vierde lid, is daarbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen drie maanden na bekendmaking van een beslissing als bedoeld in het eerste lid geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij binnen een termijn van twee weken een afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Medegebruik en verhuur</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.1</nr><titel>Medegebruik voor onderwijs of educatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Aanduiden omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 17 heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="d."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een school, of</al></li><li nr="e."><al>een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs niet volledig wordt benut, wat blijkt uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde wcvapaciteit van hewt gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en de som van het aantal klokuren gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor voortgezet onderwijs en uit de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte blijkt dat het lokaal minder dan 40 lesuren wordt gebruikt, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs, en de som van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is dan 40 klokuren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Nalaten vorderen</titel></kop><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in artikel 10.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een aanvraag als bedoeld in artikel 17, overlegt het daarover zo spoedig mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Vergoeding </titel></kop><al>De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn. Als geen overeenstemming wordt bereikt stellen partijen in onderling overleg vast welke handelswijze wordt gevolgd.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.2</nr><titel>Medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college overgaat tot vorderen overlegt het college met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overleg komt in iedergeval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>of maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar oordeel van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;</al></li><li nr="e."><al>de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs aanvang kan nemen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen 4 weken na het overleg deelt het college het bevoegd gezag waarvan medegebruik gevorderd wordt schriftelijk mede dat gevorderd wordt. Als het overleg heeft geleid tot afspraken, worden ook deze opgenomen in de schriftelijke mededeling. Als het overleg niet tot volledige overeenstemming heeft geleid, dan bevat de mededeling de beslissing van het college over de punten waarover geen overeenstemming was bereikt.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.3</nr><titel>Verhuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Verzoek toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 106, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 76s, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming van de te verhuren ruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Einde gebruik gebouwen en terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Staat van onderhoud</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat van onderhoud opgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag opgemaakt in opdracht van het college.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Gebruik lokaal beweginsonderwijs door (speciaal) basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit, inroosteren en gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt jaarlijks voor 15 december voorlopig vast het aantal klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs in het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school staat ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college voor 31 december een rooster op voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het college rekening houdt met de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is vastgesteld, voor 15 januari in kennis van het rooster. Hierbij worden per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik plaatsvindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 maart reageren op het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 februari. In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college stelt het rooster voor 15 maart definitief vast en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde gezagsorganen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid uitsluitend in behandleing als daarvoor nog capaciteit beschikbaar is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De volgende verordeningen worden ingetokken met ingang van de dag waarop de onderhavige verordening in werking treedt:</al><lijst><li nr="a."><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Groesbeek 2008</al></li><li nr="b."><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ubbergen 2011</al></li><li nr="c."><al>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Millingen aan de Rijn 2003.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Groesbeek 2015.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening><functie>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Gemeente Groesbeek op 26 maart 2015.</functie></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>De raadsgriffier,</functie><functie>J.A.M. van Workum</functie></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>De voorzitter,</functie><functie> H.W.C.G. Keereweer</functie></ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>I -</nr><titel> Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</titel></kop><al/><al><vet>Deel A - Lesgebouwen</vet></al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal) worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al/><al><vet>A.1 Nieuwbouw</vet></al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:</al><lijst><li nr="1°."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2°."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren. </al></li></lijst><al><vet>A.2 Vervangende bouw</vet></al><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van tenminste 20 jaar;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening en:</al><lijst><li nr="1°."><al> als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2°."><al> als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al><vet>A.3 Uitbreiding</vet></al><al/><al><vet>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een voortgezet onderwijs, gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al><lijst><li nr="1°."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, </al></li><li nr="2°."><al>als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="3°."><al>de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren.</al></li></lijst><al><vet>A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</vet></al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>tot een school voor speciaal basisonderwijs minstens twaalf kinderen jonger dan zes jaar of tot een school of afdeling van een school voor speciaal onderwijs kinderen jonger dan zes jaar worden toegelaten;</al></li><li nr="b."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven bestaan;</al></li><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen 300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li></lijst><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen of uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht en:</al><lijst><li nr="1°."><al>als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of</al></li><li nr="2°."><al> als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al><vet>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</vet></al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is, waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te maken is als passende huisvesting voor de school; </al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor de school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde tijdsduur.</al></li></lijst><al><vet>A.6 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.</al><al/><al><vet>A.7 Eerste inrichting </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen ontstaat wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg heeft en deze niet voor 1 januari 2015 is bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>De noodzaak van eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair van een speellokaal is aanwezig als een speciale school voor basisonderwijs of een speciale school wordt uitgebreid met een speellokaal.</al></li><li nr="3."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer- en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst><al><vet>A.8 Medegebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voortgezet onderwijs, is aanwezig als het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde ruimtebehoefte:</al><lijst><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte voor minimaal vier jaren noodzakelijk is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bepalend bij het beoordelen van de beschikbaarheid van een gebouw of ruimte voor medegebruik is een afstand van ten hoogste 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.</al></li><li nr="3."><al>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste twee gebouwen.</al></li></lijst><al><vet>A.9 Herstel van constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. </al><al/><al><vet>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair en leer- en hulpmiddelen als gevolg van schade daaraan, is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al><al/><al><vet>Deel B - Voorzieningen voor lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al/><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming. De noodzaak van:</vet></al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw is aanwezig als de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud en aanpassen niet zal leiden tot de gewenste levensduurverlenging van 20 jaar of dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt, of</al></li><li nr="d."><al>het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="1°."><al>de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="2°."><al>het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in aanmerking komt; of</al></li><li nr="3°."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende bouw, en </al></li></lijst></li><li nr="e."><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al><lijst><li nr="1°."><al>een school voor basisonderwijs of speciaal basisonderwijs, bij noodzakelijk gebruik van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 20 klokuren binnen 1 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al></li><li nr="b."><al>ten minste 10 klokuren binnen 3,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of</al></li><li nr="c."><al>ten minste 5 klokuren binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg of</al></li></lijst></li><li nr="2°."><al>een school voor speciaal onderwijs, speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, bij noodzakelijk gebruik van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten minste 10 groepen speciaal onderwijs binnen 1 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al></li><li nr="b."><al>ten minste 10 groepen voortgezet speciaal onderwijs binnen 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;</al></li><li nr="c."><al>ten minste 6 groepen speciaal onderwijs binnen 3,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of</al></li><li nr="d."><al>ten minste 3 groepen speciaal onderwijs binnen 7,5 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, of</al></li></lijst></li><li nr="3°."><al>een school voor voortgezet onderwijs binnen 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg en een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat gedurende ten minste vijftien jaar de groepen leerlingen waarvoor het door het college vastgestelde aantal klokuren noodzakelijk is, aanwezig zijn of verwacht kunnen worden.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>B.2 Terrein</vet></al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al/><al><vet>B.3 Eerste inrichting </vet></al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en </al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al><vet>B.4 Huur van een sportterrein school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De noodzaak van huur van een sportveld is aanwezig als het lesrooster buitensport vermeldt, het bevoegd gezag niet beschikt over een eigen sportveld en medegebruik van een sportveld van een ander bevoegd gezag onmogelijk is.</al><al/><al><vet>B.5 Medegebruik</vet></al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen plaats is.</al><al/><al><vet>B.6 Herstel constructiefouten</vet></al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die hersteld moeten worden. </al><al/><al><vet>B.7 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</vet></al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt gehinderd.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>II -</nr><titel> Prognosecriteria</titel></kop><al/><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voor voortgezet onderwijs wordt gemaakt voor een periode van minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is gebaseerd.</al></li></lijst><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn. </al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau. Bij een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kan, als het voedingsgebied zich over de gemeentegrens uitstrekt, worden volstaan met een opsomming van de gemeenten die tot het voedingsgebied worden gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn toegepast.</al></li></lijst><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij rekening wordt gehouden met: </al><lijst><li nr="a."><al> het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al><vet>D. Prognose speciale school voor basisonderwijs en school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><al>De prognose van een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs moet inzicht geven in: </al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven;</al></li><li nr="c."><al>de voorgestelde datum van ingang van bekostiging, en</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor meervoudig gehandicapte kinderen betreft, de handicaps van de leerlingen waarvoor de school bestemd is.</al></li></lijst><al><vet>E. Prognose school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor voortgezet onderwijs moet inzicht geven in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente van herkomst van de leerlingen</al></li><li nr="b."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="c."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor de basisschool;</al></li><li nr="d."><al>de basisgeneratie 4 tot en met 11 jaar + 30 procent van de 12 jarigen, en</al></li><li nr="e."><al>de plaats waar het onderwijs moet worden gegeven. </al></li></lijst><al><vet>Programma van eisen voor leerlingenprognoses<noot><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al><cursief>Deze tekst is (behoudens enkele redactionele wijzigingen) aan de gemeenten toegestuurd als bijlage bij ledenbrief 99/136, d.d. 23 augustus 1999. </cursief></noot.al></noot></vet></al><al/><al><vet>1 Inleiding </vet></al><al><vet>2 Prognosticeren van leerlingenaantallen: algemene beschrijving van de systematiek </vet></al><al><vet>3 Eisen aan leerlingenprognoses PO en VO: beschrijving </vet></al><al><vet>4 Eisen aan leerlingenprognoses: begrippen, definities en formules </vet></al><al/><al><vet>1 Inleiding </vet></al><al>In de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs is vastgelegd dat schoolbesturen bij aanvragen van voorzieningen in de huisvesting in de meeste gevallen een prognose van de leerlingenaantallen dienen te overleggen. De leerlingprognose vormt voor de gemeente één van de criteria voor het beoordelen van de noodzaak van een voorziening. </al><al/><al>De leerlingprognose dient aan bepaalde eisen te voldoen. Om de kwaliteit van de leerlingprognose te waarborgen was in het verleden een aantal prognosemodellen in de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs voorgeschreven. Voor het basisonderwijs was het prognosemodel ‘Probo II’ voorgeschreven, voor het (voortgezet) speciaal onderwijs het prognosemodel ‘Lasso 3.2’ en voor het voortgezet onderwijs het prognosemodel ‘huisvesting VO’. </al><al/><al>Van bovengenoemde prognosemodellen is in 1998 door een door de VNG samengestelde werkgroep ‘Prognoses’ vastgesteld dat zij (op onderdelen) zijn verouderd en dienen te worden aangepast dan wel vervangen. De werkgroep heeft daarop een reeks van kwaliteitseisen voor een vernieuwd prognosemodel geformuleerd. Deze eisen betreffen met name de systematiek van het prognosticeren. Tevens heeft de werkgroep enkele eisen gesteld met betrekking tot (te ontwikkelen) software voor het prognosticeren van leerlingenaantallen. </al><al/><al>De door de werkgroep geformuleerde eisen met betrekking tot de systematiek van het prognosticeren zijn vervolgens uitgewerkt tot op het niveau van de onderliggende begrippen, definities en rekenformules. Ook is een algemene beschrijving van de systematiek van het prognosticeren van leerlingenaantallen opgesteld. </al><al/><al>Bovengenoemde inspanningen hebben geleid tot het Programma van eisen leerlingenprognoses, als neergelegd in het document dat voor u ligt. In hoofdstuk 2 is de algemene beschrijving van de systematiek van het prognosticeren van leerlingenaantallen weergegeven. Hoofdstuk 3 (Eisen aan leerlingenprognoses: beschrijving) bevat een beschrijving van de eisen die aan het prognosticeren van leerlingenaantallen, en aan (te ontwikkelen) software, worden gesteld. In hoofdstuk 4 (Eisen aan leerlingenprognoses: begrippen, definities en formules) ten slotte zijn de eisen met betrekking tot de prognosesystematiek uitgeschreven tot op het niveau in van de te hanteren begrippen, definities en rekenformules. </al><al/><al><vet>2 Prognosticeren van leerlingenaantallen: algemene beschrijving van de systematiek </vet></al><al/><al><vet>2.1 Inleiding </vet></al><al>De prognose speelt veelal een belangrijke rol bij het al dan niet toekennen van voorzieningen in de huisvesting. Daarom is in de wet vastgelegd dat de gemeentelijke verordening criteria voor prognoses bevat. In dit hoofdstuk wordt in algemene bewoordingen beschreven op welke wijze het prognosticeren van leerlingenaantallen dient plaats te vinden. Hiertoe worden in paragraaf 2 en 3 algemene vereisten beschreven. In paragraaf 4 tot en met 7 komen de specifieke aandachtspunten bij de verschillende onderwijssoorten aan de orde. </al><al/><al><vet>2.2 Algemeen </vet></al><al>De methode om een bevolkingsprognose te maken verschilt in principe niet per onderwijssoort: op basis van de verwachte bevolkingsomvang en -samenstelling in enig jaar wordt voor dat jaar met deelnamepercentages en belangstellingspercentages bepaald hoeveel leerlingen een school of enkele scholen van dezelfde richting kan verwachten. Het deelnamepercentage geeft de verhouding weer tussen het totaal aantal leerlingen op de scholen en de omvang van de basisgeneratie van het voedingsgebied. Het belangstellingspercentage is het aandeel dat een school of richting inneemt in het totaal van alle leerlingen op de scholen in het voedingsgebied. </al><al>Per onderwijssoort verschilt wel welke leeftijdsgroepen van de kinderen tot de basisgeneratie worden gerekend. Voor het basisonderwijs bijvoorbeeld worden de 4- tot en met 11-jarigen voor 100% daarin meegeteld en de 12-jarigen voor 30%, terwijl voor het voortgezet onderwijs wordt uitgegaan van het gemiddelde van de 12- en 13-jarigen voor de bepaling van de basisgeneratie. </al><al/><al>Voor het kunnen berekenen van het verwachte aantal leerlingen van scholen in de komende 15 jaren is het noodzakelijk inzicht te hebben in de verwachte ontwikkeling van de bevolking in het voedingsgebied van de school of scholen over deze periode. Een voedingsgebied is het gebied waaruit minimaal 70% van de leerlingen afkomstig is. </al><al>Voor de eerste jaren van de prognoseperiode gaat het om kinderen die geboren zijn en al dan niet op school zitten. Voor de latere jaren (voor het basisonderwijs vanaf het vijfde prognosejaar na het laatste jaar waarvoor de bevolkingsgegevens bekend zijn) kan niet worden volstaan met de aanwezige bevolking: ook de geborenen vanaf het uitgangsjaar gaan dan tot de basisgeneratie behoren. Het uitgangsjaar is het laatste jaar waarvoor de bevolkingsgegevens bekend zijn. De basisgeneratie zijn de kinderen in een bepaalde leeftijdsgroep. </al><al>Als prognosetermijn wordt in bijlage II van de VNG-modelverordening voorzieningen huisvesting onderwijs 15 jaar aangehouden vanaf het gewenste jaar van realisatie. Incidenteel zijn er gemeenten die 20 jaar als prognosetermijn hanteren. Ook op deze termijn is een valide prognose te maken, zij het dat door de onzekerheid in de ontwikkelingen – met name welke woningbouw zal op langere termijn plaatsvinden – de te maken varianten een flinke spreiding in uitkomsten kunnen vertonen. Door incidentele wijzigingen in de regels (bijvoorbeeld voor het basisonderwijs de vereenvoudiging van de formatietoewijzing en groepsgrootteverkleining die enkele jaren omvatten) kan het handig zijn om in plaats van de prognoses voor 15 jaar prognoses te maken voor de periode tot en met 15 jaar na ingang van de regels. </al><al/><al>Indien de prognose niet voor 15 jaar wordt gemaakt maar voor een korte termijn, is er tevens een afwijkend prognosemodel mogelijk. De omvang van de schoolbevolking wordt daarbij bepaald door de doorstroom die binnen de school plaatsvindt vanuit de verschillende leerjaren naar één leerjaar hoger het volgende (school)jaar. Slechts voor de instroom in het eerste leerjaar worden dan via het aandeel leerlingen en kinderen van een bepaalde leeftijd bevolkingsgegevens gebruikt. </al><al/><al>De prognose mag in elk geval niet meer dan twee jaar oud zijn. Voor aanvragen die begin 2000 worden ingediend voor het huisvestingsprogramma van 2001 mag bijvoorbeeld geen prognose met uitgangsjaar 1-1-1998 worden gehanteerd (in de formules is t=0 uitgangsjaar; t = -1 is laatst bekende jaar waarover geborenen bekend zijn). </al><al/><al>De prognosemaker heeft in de hoofdstuk 3 en 4 beschreven systematiek veel keuzes te maken: het voedingsgebied samenstellen, de prognosesystematiek bepalen, deelnameen belangstellingspercentages en trends in de prognose vaststellen en al dan niet toepassen van clustering. Om een goede controle door de gemeente van de prognose mogelijk te maken, zal de prognosemaker de keuzes die zijn gemaakt, moeten weergeven en beargumenteren. Specifiek geldt dit voor het vaststellen van het voedingsgebied, de manier waarop met gemeenten waaruit incidenteel leerlingen komen, wordt omgegaan en natuurlijk de keuzes van de aannames. </al><al/><al><vet>2.3 Prognosegegevens </vet></al><al>De gegevens om aannames te kunnen doen over de bevolkingsontwikkeling zijn de gegevens over de stand (aanwezige bevolking in bepaalde leeftijden per 1 januari) en loop (in- en uitstroom: geboorte, migratie en sterfte) van de bevolking en – zeer belangrijk – de gegevens over de gerealiseerde woningvoorraad tijdens de analyseperiode. </al><al>Voor de geboorte is het van belang een prognose te maken van de ontwikkeling van het aantal vrouwen in het voedingsgebied de komende 11 jaren en het aantal geborenen dat per jaar hieruit wordt verwacht. Hiervoor zijn gegevens nodig van het aantal kinderen dat wordt geboren bij een bepaalde leeftijdsgroep van de vrouwen. Lettend op de zeer lage sterftecijfers in Nederland onder kinderen en vrouwen tot 50 jaar zijn deze mede opgenomen in de mutatiefactoren die voor de migratie van leeftijdsgroepen in de analyseperiode worden berekend. De hoeveelheid woningen – naast de woningvoorraad in enig jaar – die in het voedingsgebied zijn gebouwd in het verleden en die mogelijk komende jaren worden gebouwd, zijn bepalend voor de migratie en daarmee voor de mutatiefactoren. Daarom wordt de woningbouw ook voor de totale analyse- en prognoseperiode als basisgegeven opgenomen. </al><al/><al>Om een actueel beeld te verkrijgen met de prognose is het noodzakelijk dat deze is gebaseerd op recente gegevens. De leerlinggegevens komen jaarlijks per 1 oktober beschikbaar als de scholen hun verplichte (reguliere) leerlingentelling uitvoeren. De bevolkingsgegevens worden steeds per 1 januari opgemaakt: het betreft dan gegevens over de stand en de loop van de bevolking. </al><al>Het meest actueel kan worden gewerkt indien de prognose na 1 januari en voor 1 oktober wordt gemaakt. Voor de periode na 1 oktober en voor 1 januari geldt dat de leerlingentelling van 1 oktober dient om voor het eerste prognosejaar te controleren of de trends goed zijn verwerkt. In de op te stellen prognose kunnen in die periode de aannames zo worden aangepast dat de prognose zo goed mogelijk aansluit bij de leerlingentelling. (Voor het voortgezet onderwijs wordt voor het meest recente jaar in de prognose voor de basisgeneratie gebruikgemaakt van het gemiddelde van de 11- en 12-jarigen van 1 januari daaraan voorafgaand). </al><al/><al>Om aan gegevens te komen over de verwachte ontwikkeling van de bevolking in het voedingsgebied zijn twee methodes beschikbaar. Ten eerste kunnen bevolkinggegevens per leeftijd en per jaar worden overgenomen van bestaande, betrouwbare prognoses. Ten tweede kan de prognose van de bevolking zelf worden gemaakt. </al><al>Het eerste is aan de orde (of kan aan de orde zijn), indien het gaat om scholen met grote voedingsgebieden die meer gemeenten omvatten of indien het gaat om gemeenten die – voor allerlei andere doeleinden – zelfs op binnen gemeentelijk niveau (buurt- of wijkniveau) een regelmatig geactualiseerde bevolkingsprognose bezitten. De gemeentelijke afdeling onderwijs of onderzoek en statistiek weet of dit van toepassing is en kan tevens een uitspraak doen over de betrouwbaarheid van deze bestaande prognoses. </al><al>Voor voedingsgebieden die meer gemeente bevatten, hetgeen met name voorkomt bij speciale scholen voor basisonderwijs, bij het (voortgezet) speciaal onderwijs en bij het voortgezet onderwijs, kan gebruik worden gemaakt van de Primos-prognoses. Deze zijn per gemeente en leeftijdsjaar beschikbaar voor de komende 22 jaar en worden tweejaarlijks opnieuw uitgebracht door TNO. </al><al/><al>Zelf de prognose van de bevolking maken, is noodzakelijk indien er geen (betrouwbare) bevolkingsprognose aanwezig is en indien het voedingsgebied afwijkt van de gebieden waarvoor wel bevolkingsprognoses voor handen zijn. Omdat bij het prognosticeren van de basisgeneratie veel bevolkingsgegevens nodig zijn, worden voedingsgebieden meestal gekozen overeenkomstig een bestaande (gemeentelijke) indeling als gemeente, kern, plaats, wijk of stemdistrict. Hierdoor zijn de bevolkingsgegevens makkelijk opvraagbaar. De gegevens nodig voor de prognose wijzigen zich soms: wijzigingen van gemeentegrenzen, fusies van scholen leiden ertoe dat de analysegegevens moeten worden aangepast. Uitgangspunt daarbij vormt dat in het uitgangsjaar van de analyseperiode wordt gedaan alsof de wijziging reeds heeft plaatsgevonden. Bij de samenvoeging van twee scholen bijvoorbeeld worden dus voor de jaren voor de fusie de leerlingenaantallen van beide scholen bij elkaar opgeteld alsof de fusie reeds heeft plaatsgevonden. Wel moet de prognosemaker bedacht zijn op verdere consequenties van de wijziging. Door een fusie kan bijvoorbeeld ook het voedingsgebied zijn gewijzigd. In de analyse van de belangstelling voor de school kan dit bijvoorbeeld blijken door een toegenomen belangstelling in de laatste paar jaar. Het is dan aan de prognosemaker de aanname goed te kiezen en inzichtelijk te maken. </al><al/><al>De verwachte bevolkingsomvang en -samenstelling, de belangstelling- en deelnamepercentages zijn elementen die per jaar moeten worden bepaald op basis van de bevolkingsontwikkeling en de gegevens over de gerealiseerde waarden in het verleden. De periode waarover de vaststaande (historische) gegevens worden betrokken bij het doen van de aannames voor de prognoseperiode heet de analyseperiode. Deze periode moet minimaal zo veel jaar omvatten als de lengte van de opleiding waarvoor de prognose wordt gemaakt (dus bijvoorbeeld voor een havo vijf jaar). Des te langer de analyseperiode, des te beter, mits de ontwikkelingen in de analyseperiode geen discontinuïteit vertonen. Een kortere periode kan, maar leidt waarschijnlijk tot een grotere onzekerheid in de aannames. </al><al/><al>Aanvullend op de genoemde aandachtspunten die voor prognose van alle onderwijssoorten gelden, worden onderstaand de aandachtspunten gegeven bij de prognosemodellen per onderwijssoort. </al><al/><al><vet>2.4 Basisonderwijs </vet></al><al>Voor het basisonderwijs is het meest gebruikte model de cohortprognose. De formules van dit model zoals weergegeven in hoofdstuk 4 beschrijven de gegevens die nodig zijn om analyses te maken en de samenhang in de gegevens voor het maken van de prognoses. Essentieel in de prognose is de woningbouw. Door in de analyseperiode de invloed van de woningbouw op de veranderingen in de omvang van de bevolkingsgroep uit te zuiveren, ontstaat een beeld wat de ontwikkeling van de desbetreffende bevolkingsgroep zou zijn als er geen toevoegingen of onttrekkingen aan de woningvoorraad waren geschied. In de prognoseperiode wordt vervolgens weer rekening gehouden met de geplande (en goedgekeurde) woningbouw. Omdat veelal de woningbouw niet over een periode van 15 jaar bekend is, kan rekening worden gehouden met een periode die minder lang is. Als er geen wijzigingen meer in de woningvoorraad optreden (behalve voor de eerste vijf jaar), wordt in een periode van vijf jaar lineair de mutatiefactor naar de waarde 1,0 gebracht. In geval dat de prognosetermijn wordt overschreden, wordt de interpolatie niet geheel volbracht. Als na de vijfjaarstermijn voor interpolatie nog prognosejaren resteren, dan wordt voor die jaren de mutatiefactor op 1,0 gesteld. </al><al/><al>Woningbouw is alles bepalend als het gebied waar de school of scholen worden gepland een nieuwbouwgebied is. Hier voorzien de prognosecriteria voor het basisonderwijs in een speciaal voor dit doel ontwikkeld prognosemodel ‘woningbouw nieuw’. Dan is geen vooruitberekening nodig van de aantallen vrouwen van bepaalde leeftijden en het aantal daaruit te verwachten geborenen. Het aantal kinderen in de basisgeneratie wordt afgeleid uit het aantal woningen dat per jaar gereed komt, het aandeel eengezinswoningen en het algemeen vruchtbaarheidscijfer in de gemeente waar de woningen worden gebouwd. Aan de basis van dit programmaonderdeel ligt de zogenaamde referentielijn. De referentielijn geeft aan hoeveel kinderen per 100 woningen verwacht worden naar leeftijd van de woning. De correctiefactoren voorzien in een ophoging van alle waarden als er veel eengezinswoningen </al><al>(70% of meer) komen of als het vruchtbaarheidsniveau er hoog is (een Algemeen Vruchtbaarheidscijfer (AVC) van 60 per 1000 vrouwen in de leeftijd 15 tot en met 49 jaar of meer). Verlaging van de waarden in de referentielijn is aan de orde als er relatief weinig eengezinswoningen worden gebouwd (minder dan 55%) en als het gestandaardiseerde AVC kleiner is dan het Nederlands gemiddelde. De referentielijn is eind jaren tachtig ontworpen op grond van evaluatie van een groot aantal nieuwbouwwijken uit de jaren zestig en zeventig. Het is dus mogelijk dat de waarden op dit moment niet (geheel) voldoen. Beredeneerde afwijkingen van of vervanging door een andere referentielijn is dan ook mogelijk. </al><al/><al>Een bestaande wijk met daarin een basisschool waarbij aan die wijk een deel nieuwbouw wordt gerealiseerd (niet groot genoeg om een nieuwe school te stichten), is een voorbeeld van een voedingsgebied waarin de verandering zo groot is dat feitelijk sprake is van twee voedingsgebieden. </al><al>Indien verschillende delen van het gehele gebied een duidelijk van elkaar afwijkende ontwikkeling en structuur hebben, is het van belang in de analyse en prognose elk van de onderscheiden delen te beschouwen als voedingsgebied en separaat door te rekenen. Indien er omgekeerd meer voedingsgebieden zijn, maar deze niet wezenlijk van elkaar verschillen (dus globaal dezelfde ontwikkeling qua bevolking en woningbouw kennen), kunnen deze voor de prognose worden samengenomen tot één voedingsgebied. </al><al/><al>Indien de gegevens van het voedingsgebied niet in voldoende mate voorhanden zijn of indien de gegevens over te kleine aantallen gaan, is het onmogelijk of moeilijk een valide cohortprognose te maken. In dat geval kan de verdeelmethode uitkomst bieden: op basis van een reeks waarnemingen (in de analyseperiode) over de verhouding tussen het voedingsgebied en het berekeningsgebied (een groter gebied waarvoor wel de gegevens voorhanden zijn) wordt vastgesteld welk verhoudingscijfer het meest kenmerkend is voor de ontwikkeling van de basisgeneratie in het voedingsgebied. Op basis van het verloop van dit kenmerkende cijfer voor het berekeningsgebied worden de waarden voor het voedingsgebied bepaald. </al><al/><al>Binnen Nederland zijn enkele richtingen in het (basis)onderwijs die hun leerlingen zeer sterk trekken uit één of enkele geloofsgemeenschappen. Voor deze scholen kan en mag op basis van gegevens uit de kerkelijke bevolking – wanneer deze gegevens te controleren zijn – een prognose worden gemaakt. Indien de gegevens niet controleerbaar zijn of de school leerlingen trekt van meer geloofsgemeenschappen kan rekening worden gehouden met de ontwikkeling van de leerlingenpopulatie door in de aanname voor het belangstellingspercentage uit te gaan van de verhouding onderbouw/bovenbouw of van de verhouding 0- tot en met 3-jarigen ten opzichte van het aantal 4- tot en met 7-jarigen. </al><al/><al><vet>2.5 Speciale scholen voor basisonderwijs </vet></al><al>Voor de speciale scholen voor basisonderwijs is een model ontwikkeld waarbij getrapt de prognose valt te maken. Vanuit de prognose voor de basisscholen in een samenwerkingsverband (waarbij voor elke gemeente waaruit basisscholen in het samenwerkingsverband zitten, fictief één basisschool wordt gevormd bestaande uit de gesommeerde aantallen leerlingen van de afzonderlijke basisscholen) wordt de prognose voor de speciale school voor basisonderwijs gemaakt. Per gemeente wordt daarbij een verwijzingspercentage geanalyseerd voor de afgelopen jaren en geprognosticeerd voor de komende jaren. Zo is per gemeente te bepalen welke trend de verwijzing kent en hoe de verhouding is ten opzichte van het gewenste verwijzingspercentage. </al><al>Het grensverkeer – leerlingen van en naar andere scholen dan die in het eigen samenwerkingsverband– is in de prognose meegenomen door te werken met een opslagpercentage voor leerlingen van buiten het samenwerkingsverband. Het grensverkeer zal waarschijnlijk komende jaren veranderen qua karakter en omvang. Het is zaak in de prognose goed aandacht te besteden aan de assumpties voor het opslagpercentage. </al><al>In de prognosesystematiek zijn geen formules opgenomen voor de kortetermijnprognose op basis van doorstroom. Dit is bewust gebeurd omdat bij de speciale scholen voor basisonderwijs de instroom vaak instabiel is (dat wil zeggen van jaar tot jaar sterk kan wisselen). Bovendien gaat het in veel gevallen om kleine getallen zodat toeval een grote rol kan spelen bij de prognose. </al><al/><al><vet>2.6 Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs en praktijkscholen/afdelingen in het voortgezet onderwijs </vet></al><al>Voor de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs is de bestaande systematiek van het prognoseprogramma Lasso gehandhaafd. Daarbij is wel voor de maker van de prognose de mogelijkheid ontstaan zelf de trend in de deelname te bepalen. Soms spelen bij deze scholen zaken mee die van invloed zijn op de prognose maar die niet direct uit de bevolkingsontwikkeling of bevolkingsgegevens zijn af te leiden. Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="a."><al> internaten; </al></li><li nr="b."><al> wachtlijstleerlingen. </al></li></lijst><al><vet>ad a Internaten </vet></al><al>Vanuit internaten gaan leerlingen vaak naar één bepaalde school. De deelname aan de school vanuit het internaat hangt dan veel al af van de capaciteit van het internaat. Wijzigingen daarin zorgen ook voor wijzigingen in het aantal leerlingen. Indien de school naast leerlingen uit internaten ook leerlingen van elders heeft, dienen de internaatleerlingen niet te zijn opgenomen in de prognose naar herkomstgemeenten. </al><al/><al><vet>ad b Wachtlijstleerlingen </vet></al><al>Wachtlijstleerlingen zijn leerlingen waarvoor – ofschoon de indicatie aangeeft dat zij geplaatst zouden moeten worden op de desbetreffende school voor (voortgezet) speciaal onderwijs – geen ruimte aanwezig is en die ook niet zijn toegelaten op een andere school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. Afhankelijk van de gegevens uit de analyseperiode kan in de prognose een absolute opslag worden opgenomen of een relatieve. Belangrijk is dat op het moment dat de situatie zich wijzigt en de wachtlijst leegstroomt ook de opslag achterwege blijft. </al><al/><al>Voor de zelfstandige school voor praktijkonderwijs is onlangs een verandering in de indicatiestelling doorgevoerd. Dit leidt vanwege de trendbreuk tot onnauwkeurigheden. Het maken van een globale prognose door maximaal clustering toe te passen, dat wil zeggen herkomstgemeenten en leerlingen te sommeren, vormt nu één van de weinige methoden om een valide prognose te maken. Als de gegevens geen breuk meer laten zien en als de beschikbare gegevens een meer verfijnde prognoseberekening mogelijk maken, kan te zijner tijd van systematiek worden gewisseld. </al><al/><al>Voor regionale scholen, die in het (voortgezet) speciaal onderwijs in een aantal schoolsoorten voorkomen, is het handig te werken met grotere voedingsgebieden (regio’s of provincies). De hoeveelheid werk wordt dan wezenlijk minder en het resultaat is niet minder betrouwbaar. </al><al/><al><vet>2.7 Voortgezet onderwijs exclusief praktijkscholen/-afdelingen </vet></al><al>Voor het voortgezet onderwijs is gekozen aan te sluiten bij de systematiek zoals die door het ministerie wordt vereist voor het plan van scholen (en die door de besturenorganisaties al jaren wordt toegepast). Het gaat daarbij om de bepaling van de schoolbevolking op basis van het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen. In de vermenigvuldigingsfactor om de verhouding te bepalen tussen de schoolbevolking en het gemiddelde aantal 12- en 13jarigen in leerjaar 1 (de instroom) zit de belangrijkste demografische factor: de migratie. Als in de bepaling van de belangstellingspercentages per gemeente blijkt dat voor een aantal gemeenten deze onderling weinig van elkaar verschillen, kan clustering (sommeren van gemeenten waaruit niet jaarlijks leerlingen de school bezoeken) worden toegepast. Hiervoor wordt in de prognosesystematiek geen vast aantal of vast percentage genoemd. </al><al/><al>Voor de eerste zes jaar is tevens een model op basis van doorstroompercentages opgenomen, waarbij per leerjaar en onderwijssoort uitkomsten worden gegenereerd. Dit model kan per school per vestiging en per schooltype worden toegepast. Het is belangrijk daarbij nauwkeurig en consistent om te gaan met de gegevens, zodat voor de eerste jaren betrouwbare prognoses ontstaan. </al><al/><al><vet>3 Eisen aan leerlingenprognoses PO en VO: beschrijving </vet></al><al/><al><vet>3.1 Inleiding </vet></al><al>Onderstaand zijn de eisen beschreven waaraan leerlingenprognoses dienen te voldoen. De beschrijving is opgesteld tegen de achtergrond van de prognoseprogrammatuur Probo, Lasso en ‘huisvesting VO’. De beschrijving in dit hoofdstuk heeft primair tot doel aan te geven hoe de vernieuwde prognosemodellen dienen af te wijken van de prognoseprogrammatuur Probo, Lasso en ‘huisvesting VO’. Volledig uitgeschreven begrippen, definities en formules komen in hoofdstuk 4 aan de orde. </al><al>De eerste drie delen van dit hoofdstuk bevatten eisen van prognose-technische aard. Het laatste deel richt zich specifiek op prognoseprogrammatuur. </al><al/><al><vet>Deel 1 Basisonderwijs</vet></al><al/><al><vet>a. Woningbouw</vet></al><al><cursief>a1 Bestaand </cursief></al><lijst><li nr="-"><al>Het is mogelijk gemaakt de woningbouw voor een zelf te kiezen periode (maximaal 15 jaar) in te voeren. Referentie is de door de gemeente opgegeven of op te geven woningbouw.</al></li><li nr="-"><al>Het terugbrengen van de mutatiefactoren naar 1,0 is in het nieuwe model gehandhaafd, zij het dat standaard de termijn om dit te doen op 5 jaar is gesteld. Handmatig blijven wijzigingen mogelijk. </al></li></lijst><al><cursief>a2. Referentielijn </cursief></al><al>Voor de referentielijnen in ‘woningbouw nieuw’ is geconstateerd dat het wenselijk is dat de referentiegetallen hernieuwd worden vastgesteld/geijkt. Bij afwezigheid van een herijkte referentielijn is – bij gebrek aan beter – de huidige lijn inclusief de verfijningen daarop, opgenomen in het model. </al><al/><al><vet>b. Vrouwen </vet></al><al>Voor de vrouwen is overgegaan tot een éénjaarsysteem vanuit het laatste analysejaar. </al><al/><al><vet>c. Aansluiting tussen de kortetermijnprognose en de langetermijnprognose </vet></al><lijst><li nr="-"><al>Om de aansluiting tussen de kortetermijnprognose en de langetermijnprognose beter tot zijn recht te laten komen, wordt in de cohortberekening voor de kortetermijnprognose ook rekening gehouden met de woningbouw (zowel in de analyse als in de te maken prognose).</al></li><li nr="-"><al> Voor de kortetermijnprognose zijn er meer keuzemogelijkheden voor de toekomstige deelname gewenst (stapsgewijs naar de belangstelling van de vierjarigen brengen). </al></li></lijst><al><vet>d. Verdeelmethode </vet></al><al>In de verdeelmethode moet niet op basis van één waarneming een constante verhouding tussen berekeningsgebied en het gebied waarvoor de prognose wordt gemaakt, worden gekozen. Diverse keuzes kunnen hier (als de methode gehandhaafd blijft) worden gekozen. </al><al/><al><vet>e. Keuzes van aannames </vet></al><al>Meer keuzemogelijkheden voor deelname- en belangstellingspercentages zijn nodig in het leerlingendeel ten opzichte van het Probo. Ook de keuze voor een extrapolatie conform de opgenomen berekeningswijze in het Lasso. </al><al/><al><vet>f. De prognoses voor speciale scholen voor basisonderwijs </vet></al><al>Voor de speciale scholen voor basisonderwijs is een prognosesystematiek voorgeschreven die het mogelijk maakt ontwikkelingen bij de samenwerkingsverbanden en ontwikkelingen in de verwijzingen ook zichtbaar te maken. In de nieuwe systematiek is de volgorde: </al><al/><lijst><li nr="1."><al>prognose basisgeneratie (waar mogelijk met Primos) per gemeente; </al></li><li nr="2."><al>bepaling aandeel van de basisscholen in het samenwerkingsverband in de desbetreffende gemeente; </al></li><li nr="3."><al>verwijzing vanuit de basisscholen naar de speciale scholen voor basisonderwijs met daaruit volgend de prognose voor de speciale scholen voor basisonderwijs. Het ‘grensverkeer’ tussen de samenwerkingsverbanden kan daarbij in eerste instantie op nul worden gesteld, maar moet wel in beeld worden gebracht en via een opslag (of opslagpercentage, positief of negatief) worden betrokken bij de prognose voor de speciale scholen voor basisonderwijs. </al></li></lijst><al>N.B. Probleem bij het grensverkeer is dat dit sterk kan wisselen en dat de omvang – althans nu nog – mede afhangt van het al dan niet compleet zijn van het onderwijsaanbod. </al><al/><al><vet>De prognosesystematiek als recept </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Maak met de basisgeneraties per gemeente en de belangstellingspercentages van de geclusterde basisscholen van het samenwerkingsverband per gemeente prognoses van de leerlingenaantallen van de basisscholen (van het betreffende samenwerkingsverband). N.B. Alle scholen binnen een gemeente die van hetzelfde samenwerkingsverband deel uitmaken, worden geclusterd tot één fictieve basisschool. </al></li><li nr="2."><al>Bepaal op grond van te verzamelen of verzamelde informatie het percentage verwijzingen vanuit de geclusterde basisscholen van het samenwerkingsverband per gemeente naar de speciale school of scholen voor basisonderwijs. In beginsel zal verwijzing binnen het samenwerkingsverband plaatsvinden. Leerlingen afkomstig uit het basisonderwijs kunnen zitten op speciale scholen voor basisonderwijs die buiten het samenwerkingsverband valt waarin de basisschool participeert. Hier zijn twee oplossingen voor: (1) verwijzing naar alle speciale scholen voor basisonderwijs verzamelen en bijhouden of (2) de tijdelijk nog buiten het samenwerkingsverband naar school gaande leerlingen meerekenen in de verwijzing naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband waar de opvang mogelijk is. </al><al>N.B. Per basisschool stappen 1 en 2 uitvoeren leidt tot hele kleine aantallen verwijzingen en daarmee tot schijnnauwkeurigheid. </al></li><li nr="3."><al>Bepaal de prognose van de speciale school voor basisonderwijs (door al dan niet met gewijzigde percentages van de verwijzing) de vermenigvuldiging te maken van het leerlingenaantal van de basisschool met de verwijzingspercentages. Ook voor de kortetermijnprognose wordt deze systematiek gevolgd. </al><al/><al>Indien het samenwerkingsverband beleid voert op het aantal verwijzingen naar de speciale scholen voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband, dan kan dit als volgt in de prognose worden verwerkt. </al></li><li nr="4."><al>Aan de hand van het voorgenomen beleid worden de verwijzingspercentages bijgesteld. Indien de verwijzing toeneemt/mag toenemen, voldoet de systematiek in de regels 1 tot en met 3. Indien er in het (voorgenomen) beleid met een verminderende verwijzing rekening wordt gehouden, vallen er leerlingen van de speciale school voor basisonderwijs vrij. </al></li><li nr="5."><al>De vrijgevallen leerlingen worden naar rato van de vermindering van het verwijzingspercentage toebedeeld aan de toeleverende basisscholen. </al></li><li nr="6."><al>De oorspronkelijke leerlingenaantallen van de basisschool worden opgehoogd met extra te verwachten leerlingen als gevolg van de verminder(en)de stroom richting speciale school voor basisonderwijs. </al></li></lijst><al><vet>Deel 2 Voortgezet onderwijs </vet></al><al>De systematiek van het huidige model ‘huisvesting VO’ is gehandhaafd. De systematiek is als volgt: </al><lijst><li nr="-"><al>Op basis van de herkomst van de leerlingen in leerjaar 1 over een reeks van jaren wordt een voedingsgebied (gemeenten of wijken) vastgesteld. </al></li><li nr="-"><al>Voor de korte en lange termijn wordt de instroom bepaald met de gegevens over de leerlingen uit de verschillende gebieden in leerjaar 1. Het belangstellingspercentage per gebied wordt gevormd door de verhouding leerlingen in leerjaar 1 uit het desbetreffende gebied en het gemiddeld aantal 12- en 13 jarigen in hetzelfde gebied. De leerlingen uit een gemeente of wijk waaruit slechts incidenteel leerlingen naar de school gaan, worden door middel van een opslagpercentage gepresenteerd. Voor de kortetermijnprognose wordt door analyse van doorstroomfactoren in de analyseperiode bepaald welke waarden deze waarschijnlijk zullen hebben in de prognoseperiode. De lengte van de prognose door middel van doorstroom wordt op maximaal zes jaar gesteld. </al><al>Voor de langetermijnprognose wordt door sommatie van het aantal leerlingen uit de verschillende gemeenten en vermenigvuldiging daarvan met een vermenigvuldigingsfactor (samengesteld uit de verhouding totale schoolbevolking en instroom in het eerste leerjaar over een aantal jaren), de schoolbevolking in de prognoseperiode berekend. </al></li><li nr="-"><al>De vermenigvuldigingsfactor wordt bepaald op basis van het voortschrijdend gemiddelde over de afgelopen vier, vijf of zes jaar (afhankelijk van de lengte van de opleiding). Afwijkende keuze van de vermenigvuldigingsfactor is mogelijk bij het optreden van een duidelijke trend. </al></li></lijst><al><vet>Deel 3 (Voortgezet) speciaal onderwijs </vet></al><al>Vooralsnog blijft de systematiek van het Lasso-model gehandhaafd. De Lasso-systematiek is op het niveau van definities en formules uitgeschreven in hoofdstuk 4. </al><al/><al>Wetswijzigingen (WPO, WEC, WVO - herschikking vso/vbo/mavo -) leiden ertoe dat Lasso op termijn een aantal functionaliteiten mist of gaat missen. De Lasso-systematiek moet op den duur niet worden gehandhaafd. De nieuwe structuur voor de delen van het (voortgezet) speciaal onderwijs geeft aanleiding tot het onderbrengen van de Lassofunctionaliteiten bij enerzijds de prognosesystematiek voor de speciale scholen voor basisonderwijs en anderzijds de scholen voor voortgezet onderwijs. Over de regionale expertisecentra is op dit moment nog geen duidelijke uitspraak te doen, omdat de regelgeving nog niet definitief is. </al><al/><al><vet>Deel 4 Software-ontwikkeling </vet></al><al>Puntsgewijs zijn de (summiere) eisen die aan prognoseprogrammatuur worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al> er moet sprake zijn van zelfstandig onder Windows draaiende software en geen applicatie van een ander programma;</al></li><li nr="-"><al>de software moet ruime mogelijkheden hebben tot het gebruiken of inlezen van databanken van derden (deze kunnen zeer omvangrijk zijn); </al></li><li nr="-"><al>het combineren van databanken van scholen en voedingsgebieden moet mogelijk zijn; </al></li><li nr="-"><al>goede afdrukmogelijkheden zijn een absolute voorwaarde; </al></li><li nr="-"><al>de software moet beschikbaar zijn of komen in een netwerkversie; </al></li><li nr="-"><al>in verband met fusies zou het mogelijk moeten zijn databanken school bij elkaar op te tellen. </al></li></lijst><al>Integratie tot één prognoseprogramma voor alle onderwijssoorten kan als er een zelfstandig bruikbaar en niet te complex model ontstaat. Daarbij moet er een maximaal flexibel geheel ontstaan, waarbij automatische invoer van gegevens mogelijk is en veel eigen aanname’s op een eenvoudige wijze kunnen worden gegenereerd. </al><al/><al><vet>3.4 Eisen aan leerlingenprognoses: begrippen, definities en formules </vet></al><al><vet>Deel A Prognosemodel basisonderwijs </vet></al><al/><al><vet>Aa. Begrippen en definities </vet></al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="27*"/><colspec colname="col2" colwidth="64*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisgeneratie</al></entry><entry colname="col2"><al>Het aantal kinderen van 4 tot en met 11 en 30% van de 12jarigen per 1 januari. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Basisgeneratie onderbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>Het aantal kinderen van 4 tot en met 7 jaar per 1 januari.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Belangstellingspercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen het aantal leerlingen op één school en het totaalaantal leerlingen van alle scholen in een voedingsgebied.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Cohort</al></entry><entry colname="col2"><al>Een (leeftijds)groep in de bevolking die één of meer gemeenschappelijke kenmerken heeft. Bijvoorbeeld: alle vrouwen geboren in 1957. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Deelnamepercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen het totaalaantal leerlingen op alle scholen in een voedingsgebied en de basisgeneratie van dat voedingsgebied. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Doorstroomfactor</al></entry><entry colname="col2"><al>Het relatieve verschil tussen de omvang van een leeftijdsgroep leerlingen in een bepaald jaar en de omvang van een leeftijdsgroep lager een jaar eerder. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gecorrigeerde mutatiefactor bevolkingsgroep</al></entry><entry colname="col2"><al>Het relatieve verschil in omvang van de bevolkingsgroep in een bepaald cohort op twee verschillende tijdstippen, waarbij de invloed van wijzigingen in de woningvoorraad zijn geëlimineerd. Dit verschil is het resultaat van vestiging en vertrek, niet veroorzaakt door woningbouw, en sterfte (en voor de 0-jarigen ook geboorte) in de desbetreffende periode.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemeente</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gestandaardiseerd AVC</al></entry><entry colname="col2"><al>Het AVC gestandaardiseerd naar de leeftijdsopbouw van de vrouwen 15 - 49 jaar in Nederland. Door standaardisatie van het AVC is het mogelijk de vruchtbaarheidsniveaus van verschillende gebieden met elkaar en met de Nederlandse situatie te vergelijken. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>GWB</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemiddelde Woning Bezetting, gemiddeld aantal inwoners per woning, te berekenen door alle inwoners te delen door het totaalaantal woningen (per 1 januari). </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>(GWB-basisgeneratie</al></entry><entry colname="col2"><al>Het aantal kinderen van 4 tot en met 11 en 30% van de 12jarigen per 100 woningen per 1 januari.) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>(GWB-vrouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>Het aantal vrouwen van 15 tot en met 49 jaar per 100 woningen per 1 januari.) </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Kern</al></entry><entry colname="col2"><al>De aaneengesloten bebouwing die samen een dorps- of stadsgemeenschap vormt. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LVC</al></entry><entry colname="col2"><al>Leeftijdsspecifiek Vruchtbaarheids Cijfer, het aantal geboorten in een bepaald jaar uit 1000 vrouwen in een bepaald vijfjaarscohort tussen 15 en 49 jaar. </al><al>Bij elk 5-jaarscohort vrouwen in de leeftijd 15 tot en met 49 jaar hoort een LVC: </al><lijst><li nr="-"><al>vrouwen 15-19 jaar: LVC 15-19 </al></li><li nr="-"><al>vrouwen 20-24 jaar: LVC 20-24 </al></li><li nr="-"><al>vrouwen 25-29 jaar: LVC 25-29 </al></li><li nr="-"><al>vrouwen 30-34 jaar: LVC 30-34 </al></li><li nr="-"><al>vrouwen 35-39 jaar: LVC 35-39 </al></li><li nr="-"><al>vrouwen 40-44 jaar: LVC 40-44 </al></li><li nr="-"><al>vrouwen 45-49 jaar: LVC 45-49. </al></li></lijst></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Migratie</al></entry><entry colname="col2"><al>Het verschil tussen het aantal personen van een bepaalde leeftijdsgroep dat zich in een bepaalde periode in het </al><al>voedingsgebied vestigt en het aantal personen in die leeftijd dat uit het voedingsgebied vertrekt. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Mutatiefactor bevolking</al></entry><entry colname="col2"><al>Het relatieve verschil in omvang van de bevolking in een bepaald cohort op twee verschillende tijdstippen. Dit verschil is het resultaat van vestiging, vertrek en sterfte (en voor de 0jarigen ook geboorte) in de betreffende periode, rekening houdend met de verandering in woningvoorraad. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Mutatiefactor woningvoorraad</al></entry><entry colname="col2"><al>Het relatieve verschil in omvang van de woningvoorraad op twee verschillende tijdstippen. Dit verschil is het resultaat van nieuwbouw, renovatie en/ of sloop. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nieuw</al></entry><entry colname="col2"><al>De prognose van het aantal leerlingen van scholen met als voedingsgebied een nieuwbouwgebied. </al><al>De basisgeneratie wordt vooruit berekend met de woningvoorraadmethode voor nieuwbouwgebieden. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Primos</al></entry><entry colname="col2"><al>Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prognoseperiode</al></entry><entry colname="col2"><al>De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het jaar waarvoor de voorziening wordt gewenst en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. </al><al>N.B. Voor de prognoses voor stichting, verplaatsing, omzetting en uitbreiding met een richting is in de wet op het primair onderwijs een termijn van maximaal 20 jaar opgenomen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prognoseproces</al></entry><entry colname="col2"><al>Het geheel van activiteiten als gegevensverzameling, gegevensverwerking en berekeningen dat noodzakelijk is om tot een prognose-resultaat te komen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prognosemodel</al></entry><entry colname="col2"><al>Een model dat een prognoseproces beschrijft dat in een bepaald geval toegepast dient te worden volgens de bij dat model behorende standaarden en leidt tot een vooruit berekende basisgeneratie voor een bepaald voedingsgebied. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opslagpercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen het aantal kinderen of leerlingen waarvoor niet met de formules uit de beschrijving een vooruitberekening wordt gemaakt en het aantal kinderen resp. leerlingen waarvoor de formules wel worden gebruikt. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Referentie LVC</al></entry><entry colname="col2"><al>Leeftijdsspecifieke vruchtbaarheid van een referentiegebied. Dit referentiegebied zal veelal de gemeente zijn. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolbevolking</al></entry><entry colname="col2"><al>De som van het aantal leerlingen op een bepaald moment op een bepaalde school. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolscore: </al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen liet aantal gewogen leerlingen op een basis-school en het werkelijk aantal leerlingen op die basisschool. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Streek: </al></entry><entry colname="col2"><al>De vooruit berekening van het aantal leerlingen op één school op basis van met de cohortmethode of Primos geprognosticeerde basisgeneraties welke voortkomen uit subvoedingsgebieden (gemeenten of wijken) met gebruikmaking van de herkomstgegevens van de leerlingen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitgangsjaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij liet opstellen van een prognose dient het laatste jaar van de analyse als uitgangspunt voor de prognose.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voedingsgebied</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied waaruit minimaal 70% van de leerlingen van de school afkomstig zijn. </al><al>Het voedingsgebied wordt vastgesteld door de prognoseopsteller. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Ab. Formules </vet></al><al/><al><vet>De cohortmethode </vet></al><al/><al><vet>Formules voor de ontwikkeling van de verschillende cohorten </vet></al><al/><al><cursief>Formule a1: Mutatiefactor bevolking per eenjaarscohort </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea1ie81f6f86-eda4-4321-a9a7-e2eaeabe1772.png" type="foto" breedte="4cm" id="ie81f6f86-eda4-4321-a9a7-e2eaeabe1772" hoogte="1.07cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B</al></entry><entry><al>bevolking (kinderen, vrouwen) </al></entry></row><row><entry><al>M</al></entry><entry><al>mutatiefactor bevolking t</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>leeftijdscohort i (eenjaarscohort)</al></entry></row><row><entry><al>cohorten</al></entry><entry><al>kinderen i = -1 tot en met i = 11 </al><al>vrouwen i = 0 tot en met i = 48 </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al>t = -9 →-8 tot en met t = -1 → 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>N.B. i = -1 bij de kinderen stelt de overgang van het aantal geborenen in het voorgaande jaar (t-1) naar het aantal 0-jarigen per 1 januari daaraanvolgend voor. </al><al/><al><cursief>Formule a2: Analyse mutatie woningvoorraad in eenjaarsperioden </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea2i6d4167df-8818-454d-a01d-4468e34f965a.png" type="foto" breedte="4cm" id="i6d4167df-8818-454d-a01d-4468e34f965a" hoogte="0.55cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>W</al></entry><entry><al>woningvoorraad</al></entry></row><row><entry><al>Mw</al></entry><entry><al>mutatiefactor woningvoorraad </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t = -9 →-8 tot en met t = -1 → 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a3: Gecorrigeerde mutatiefactor bevolking per eenjaarscohort </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea3i022468a0-a2c5-47bf-98fa-1d4312e5bdde.png" type="foto" breedte="5cm" id="i022468a0-a2c5-47bf-98fa-1d4312e5bdde" hoogte="0.79cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>M</al></entry><entry><al> mutatiefactor bevolking (kinderen, vrouwen) </al></entry></row><row><entry><al>Mc</al></entry><entry><al>gecorrigeerde mutatiefactor bevolking</al></entry></row><row><entry><al>Mw</al></entry><entry><al>mutatiefactor woningvoorraad</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>leeftijdscohort i (eenjaarscohort)</al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al> kinderen: i = -1 tot en met i = 11</al><al>vrouwen: i = 0 tot en met i = 48 </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al>t = -9 → -8 tot en met t = -1→ 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a4: Prognose mutatiefactor woningvoorraad per eenjaarsperiode </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea4i327bd397-f459-4c19-829c-7a51bf1b456b.png" type="foto" breedte="4cm" id="i327bd397-f459-4c19-829c-7a51bf1b456b" hoogte="0.53cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Mw</al></entry><entry><al> mutatiefactor woningvoorraad </al></entry></row><row><entry><al>W</al></entry><entry><al>woningvoorraad</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a5: (terug gecorrigeerde) Mutatiefactor bevolking per eenjaarscohort gedurende de periode dat de woningvoorraad zich wijzigt </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea5iadfdd578-c699-4e84-a66f-642bec7ca2b0.png" type="foto" breedte="5cm" id="iadfdd578-c699-4e84-a66f-642bec7ca2b0" hoogte="0.83cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>M</al></entry><entry><al> mutatiefactor bevolking (kinderen, vrouwen) </al></entry></row><row><entry><al>Mc</al></entry><entry><al> gecorrigeerde mutatiefactor bevolking </al></entry></row><row><entry><al>Mw</al></entry><entry><al> mutatiefactor woningvoorraad </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al>kinderen: i = -1 tot en met i = 11 </al></entry></row><row><entry><al>vrouwen: </al></entry><entry><al>i = -1 tot en met i = 48 </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 1 tot en met t = 14 → 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>N.B. Formule a5 ook gebruiken gedurende de eerste vijf jaar als in de prognoseperiode de woningvoorraad zich niet meer wijzigt! </al><al/><al><cursief>Formule a6: (geïnterpoleerde) Mutatiefactoren bevolking per eenjaarscohort voor (zo nodig) de 5 jaren volgend op het laatste jaar dat de woningvoorraad zich wijzigt </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea6i4b6ac1ab-7233-42ff-bd1d-e8da0f051dc0.png" type="foto" breedte="5cm" id="i4b6ac1ab-7233-42ff-bd1d-e8da0f051dc0" hoogte="1.02cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Ml</al></entry><entry><al>mutatiefactor bevolking in het laatste jaar van wijziging van de woningvoorraad</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t in de periode t = l + 1 t = l +5</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>a</al></entry><entry><al>a = 1 als t = l + 1</al><al>a = 2 als t = l + 2</al><al> a = 3 als t = l + 3</al><al> a = 4 als t = l + 4</al><al> a = 5 als t = l + 5</al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al>kinderen: i = -1 tot en met i = 11 </al><al>vrouwen: i = -1 tot en met i = 48 </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al>5 jaren</al></entry></row><row><entry><al>aantal mutatiefactoren:</al></entry><entry><al> 5 per cohort </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a7: Mutatiefactoren bevolking per eenjaarscohort voor (zo nodig) de jaren volgend op het vijfde jaar nadat de woningvoorraad zich voor het laatst wijzigt </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea7i435e4807-54bf-4127-8696-a632b6531872.png" type="foto" breedte="3cm" id="i435e4807-54bf-4127-8696-a632b6531872" hoogte="0.94cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>M</al></entry><entry><al>mutatiefactor bevolking </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>cohorten</al></entry><entry><al>kinderen: i = -1 tot en met i = 11 </al></entry></row><row><entry><al>vrouwen: </al></entry><entry><al>i = -1 tot en met i = 48 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a8: Prognose bevolking per eenjaarscohort </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea8i3ca06f2f-30ab-4fcb-80d3-036d1718f43e.png" type="foto" breedte="4cm" id="i3ca06f2f-30ab-4fcb-80d3-036d1718f43e" hoogte="0.97cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B</al></entry><entry><al>bevolking</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>M</al></entry><entry><al> mutatiefactor bevolking </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al>kinderen: i = 0 tot en met i = 11</al><al> vrouwen: i = 0 tot en met i = 48 </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al> t = 0 → 1 tot en met t = 14→ 15<noot><noot.nr>2 </noot.nr><noot.al>Zie hoofdstuk 2, p.4. </noot.al></noot></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a9: Berekening gehele basisgeneratie</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea9i402c0aa5-5b9e-47a2-9167-9a81ebc18ae2.png" type="foto" breedte="5cm" id="i402c0aa5-5b9e-47a2-9167-9a81ebc18ae2" hoogte="1.77cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>K</al></entry><entry><al> kinderen </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a10: Berekening basisgeneratie onderbouw</cursief></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea10i927d72bf-4152-4031-b0f3-c48d427ecdb5.png" type="foto" breedte="3cm" id="i927d72bf-4152-4031-b0f3-c48d427ecdb5" hoogte="1.79cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>K</al></entry><entry><al>kinderen</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>Bgo</al></entry><entry><al> basisgeneratie onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Formules voor de bepaling van het aantal geborenen </vet></al><al/><al><cursief>Formule a11: Leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea11ia1774e77-3831-47d7-ba39-75793da29eb0.png" type="foto" breedte="6cm" id="ia1774e77-3831-47d7-ba39-75793da29eb0" hoogte="0.78cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LVC</al></entry><entry><al> leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al>bevolking</al></entry></row><row><entry><al>G</al></entry><entry><al>totaalaantal geborenen</al></entry></row><row><entry><al>v</al></entry><entry><al>deelbevolking vrouwen </al></entry></row><row><entry><al>j</al></entry><entry><al> leeftijdscohort j van de moeder (vijfjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al> j = 4 tot en met j = 10 </al><al>d.w.z. 15 - 19, 20 -24, tot en met 45 - 49 jaar </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -8 tot en met t = -1→ 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a12: Correctiefactor referentie LVC </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea12ic2f2417b-f0e6-4e45-b4c8-2fad021a5c06.png" type="foto" breedte="4cm" id="ic2f2417b-f0e6-4e45-b4c8-2fad021a5c06" hoogte="0.83cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Clvc</al></entry><entry><al> correctiefactor LVC </al></entry></row><row><entry><al>Gtot.</al></entry><entry><al> totaalaantal geborenen in jaar t in het analysegebied </al></entry></row><row><entry><al>G Ref.lvc</al></entry><entry><al> geborenen volgens referentie LVC </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -1 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a13: Gecorrigeerde LVC </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea13i1b8fdf54-ce8a-4b34-9ac5-9dbffac97863.png" type="foto" breedte="4cm" id="i1b8fdf54-ce8a-4b34-9ac5-9dbffac97863" hoogte="0.95cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LVC</al></entry><entry><al> leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer </al></entry></row><row><entry><al>RefLVC</al></entry><entry><al> referentie LVC </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>j</al></entry><entry><al> leeftijdscohort j </al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al> j = 4 tot en met j = 10 </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -1 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a14: Prognose geborenen</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea14ib3ed320c-7349-4ead-9fa7-8a1b581c655e.png" type="foto" breedte="6cm" id="ib3ed320c-7349-4ead-9fa7-8a1b581c655e" hoogte="1.24cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>G</al></entry><entry><al> totaalaantal geborenen </al></entry></row><row><entry><al>LVC</al></entry><entry><al> leeftijdsspecifiek vruchtbaarheidscijfer </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> bevolking </al></entry></row><row><entry><al>v</al></entry><entry><al> deelbevolking vrouwen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>j</al></entry><entry><al>leeftijdscohort j</al></entry></row><row><entry><al>cohorten:</al></entry><entry><al> j = 4 tot en met j = 10 </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al>t = 0 tot en met t =15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Woningvoorraadmethode voor nieuwbouwgebieden </vet></al><al/><al><cursief>Formule a15: Prognose basisgeneratie per fase, ongecorrigeerd </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea15i2e10f627-f399-4f9d-acf1-dc35798209a1.png" type="foto" breedte="4cm" id="i2e10f627-f399-4f9d-acf1-dc35798209a1" hoogte="0.97cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al>basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>o</al></entry><entry><al>ongecorrigeerd</al></entry></row><row><entry><al>f</al></entry><entry><al>fase</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>l</al></entry><entry><al>leeftijd woningen op tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>W</al></entry><entry><al>woningen</al></entry></row><row><entry><al>GWB-bg</al></entry><entry><al> gemiddelde woningbezetting basisgeneratie o.b.v. referentielijn </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al>t = -5 tot en met t = 23 en t = stabiel </al></entry></row><row><entry><al>max. aantal fasen:</al></entry><entry><al>24</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De waarden voor de gemiddelde woningbezetting basisgeneratie (de referentielijn) zijn weergegeven in bijlage 1. </al><al>N.B. De waarden voor de gemiddelde woningbezetting basisgeneratie in bijlage 1 zijn afkomstig uit de prognosesystematiek voor het basisonderwijs zoals deze vanaf 1990 gold. Er zijn aanwijzingen dat de referentielijn niet op alle punten in alle situaties goede uitkomsten genereert. Eventuele vervanging door de gemeente van de waarden in bijlage 1 door waarden gebaseerd op meer recente waarnemingen bij grote nieuwbouwwijken is dan ook mogelijk. </al><al/><al><cursief>Formule a16: Correcties op de prognose basisgeneratie per fase </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea16i3a9167e1-8887-452e-8fa1-ca1b57014056.png" type="foto" breedte="3cm" id="i3a9167e1-8887-452e-8fa1-ca1b57014056" hoogte="0.79cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>o</al></entry><entry><al> ongecorrigeerd </al></entry></row><row><entry><al>f</al></entry><entry><al>fase </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>Cabc</al></entry><entry><al> correctiefactor volgens a, b of c </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al> t = -5 tot en met t = 23 en t = stabiel </al></entry></row><row><entry><al> max. aantal fasen:</al></entry><entry><al> 24 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Voorwaarden </cursief></al><al>a. </al><al>Bij een percentage eengezinswoningen groter of gelijk aan 70% en het AVC groter dan of gelijk aan het Nederlands gemiddelde: </al><al>Ca = 1,1 </al><al/><al>b. </al><al>Bij een gestandaardiseerd AVC (15 - 49) van de gemeente groter dan 60, correctiefactor via de formule Cb = AVC-gem / 60 </al><al>waarin AVC-gem gestandariseerd AVC 15 -49 van de gemeente </al><al/><al>c. Bij een percentage eengezinswoningen kleiner dan 55% en het gestandaardiseerde AVC kleiner dan het Nederlands gemiddelde: </al><al>Cc = 0,75. </al><al/><al><cursief>Formule a17: Prognose basisgeneratie gecorrigeerd</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="formulea17if131fef5-3443-4bd8-a436-e067081e1f98.png" type="foto" breedte="3cm" id="if131fef5-3443-4bd8-a436-e067081e1f98" hoogte="1.50cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>f</al></entry><entry><al> fase </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal fasen </al></entry></row><row><entry><al>periode: </al></entry><entry><al> t = -5 tot en met t = 23 en t = stabiel </al></entry></row><row><entry><al>max. aantal fasen:</al></entry><entry><al> n = 24 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Verdeelmethode </vet></al><al>Gebruik beperken tot gebieden waarvoor geen of onvoldoende gegevens beschikbaar zijn en tot gebieden waar de omvang van de basisgeneratie te beperkt is om met de cohortmethode een goede prognose te kunnen maken. </al><al/><al><cursief>Formule a18: Verhouding basisgeneratie prognose-/berekeningsgebied</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea18ifbfaa215-255e-4731-a46f-6c1822d7d1ea.png" type="foto" breedte="3cm" id="ifbfaa215-255e-4731-a46f-6c1822d7d1ea" hoogte="0.85cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> Basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>V</al></entry><entry><al> verhoudingscijfer </al></entry></row><row><entry><al>P</al></entry><entry><al> prognosegebied </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> berekeningsgebied </al></entry></row><row><entry><al>maximale periode:</al></entry><entry><al> t = -9 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a19: Verhouding basisgeneratie prognose- en berekeningsgebied </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea19i021a8f58-9e42-4083-8676-383e94d46ec0.png" type="foto" breedte="4cm" id="i021a8f58-9e42-4083-8676-383e94d46ec0" hoogte="0.73cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al>Basisgeneratie</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>V</al></entry><entry><al> verhoudingscijfer per jaar </al></entry></row><row><entry><al>a</al></entry><entry><al> woningvoorraad of een ander toepasbaar verhoudingscijfer </al></entry></row><row><entry><al>maximale periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a20: Prognose basisgeneratie </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea20i46cc5b2e-c6ea-48db-9ee0-2774d6444948.png" type="foto" breedte="3cm" id="i46cc5b2e-c6ea-48db-9ee0-2774d6444948" hoogte="1.27cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> Basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>V</al></entry><entry><al> verhoudingscijfer </al></entry></row><row><entry><al>P</al></entry><entry><al> prognosegebied </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> berekeningsgebied </al></entry></row><row><entry><al>maximale periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De met bovenstaande methoden verkregen basisgeneraties worden gebruikt in één van de volgende delen (leerlingenprognose gebied of leerlingenprognose school) om de aantallen leerlingen van de basisschool of basisscholen te berekenen. </al><al/><al><vet>Leerlingenprognose gebied </vet></al><al/><al><cursief>Formule a21: Analyse deelnamepercentage</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea21ie7d9a7c0-acc8-42a0-8fb7-88bf18aadf7f.png" type="foto" breedte="5cm" id="ie7d9a7c0-acc8-42a0-8fb7-88bf18aadf7f" hoogte="1.71cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>s</al></entry><entry><al> school </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal scholen </al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a22: Analyse belangstellingspercentage school</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea22i0c71e675-4042-454e-a75d-a7635f34339b.png" type="foto" breedte="5cm" id="i0c71e675-4042-454e-a75d-a7635f34339b" hoogte="1.61cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B%</al></entry><entry><al> belangstellingspercentage </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>s</al></entry><entry><al> school </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal scholen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a23: Prognose totaalaantal leerlingen op alle scholen </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="formulea23i4204a414-d7b8-499c-92a6-5a0e60ea2b60.png" type="foto" breedte="5cm" id="i4204a414-d7b8-499c-92a6-5a0e60ea2b60" hoogte="1.23cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>s</al></entry><entry><al> school </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al>aantal scholen</al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t</al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a24: Prognose totaalaantal leerlingen per school</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea24ie5f4756c-1ff0-4c45-9694-662d934bb8c8.png" type="foto" breedte="5cm" id="ie5f4756c-1ff0-4c45-9694-662d934bb8c8" hoogte="1.82cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B%</al></entry><entry><al> belangstellingspercentage </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>s</al></entry><entry><al> school </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal scholen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a25: Prognose aantal leerlingen onderbouw per school </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea25i21f3df08-1c09-493b-a0aa-910747724de4.png" type="foto" breedte="4cm" id="i21f3df08-1c09-493b-a0aa-910747724de4" hoogte="0.83cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lo</al></entry><entry><al> aantal leerlingen onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>Ls</al></entry><entry><al> aantal leerlingen school </al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie gebied </al></entry></row><row><entry><al>Bg-o</al></entry><entry><al> basisgeneratie onderbouw gebied t tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Leerlingenprognose school </vet></al><al/><al><cursief>Formule a26: Analyse belangstellingspercentage per 1 oktober </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea26ic59d28ec-e79d-4ca4-ac02-e8c218e8cd33.png" type="foto" breedte="4cm" id="ic59d28ec-e79d-4ca4-ac02-e8c218e8cd33" hoogte="0.83cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B%</al></entry><entry><al> belangstellingspercentage </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gebied </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al>basisgeneratie</al></entry></row><row><entry><al> analyseperiode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a27: Opslagpercentage voor leerlingen buiten het gebied </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea27icff8bf4e-a8b6-4743-b88a-af8139e7e5e7.png" type="foto" breedte="3cm" id="icff8bf4e-a8b6-4743-b88a-af8139e7e5e7" hoogte="0.86cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>O%</al></entry><entry><al>opslagpercentage </al></entry></row><row><entry><al>Lng</al></entry><entry><al> leerlingen van buiten het herkomstgebied/de herkomstgebieden (als aangegeven door de prognose-opsteller) </al></entry></row><row><entry><al>Lg</al></entry><entry><al> de som van leerlingen binnen het gebied</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t = -9 → -8 tot en met t = -1 → 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a28: Prognose leerlingen per gebied </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="formulea28i90d8f1d4-b305-43b4-b72b-6e79226d647a.png" type="foto" breedte="5cm" id="i90d8f1d4-b305-43b4-b72b-6e79226d647a" hoogte="1.04cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B%</al></entry><entry><al> belangstellingspercentage</al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al>gebied </al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al>basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a29: Prognose leerlingen onderbouw per gebied </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a29ifad70446-9257-472f-ab3f-ff3eb5730cd5.png" type="foto" breedte="4cm" id="ifad70446-9257-472f-ab3f-ff3eb5730cd5" hoogte="0.86cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B%</al></entry><entry><al> belangstellingspercentage (school) </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal onderbouw (4- tot en met 7-jarigen) </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gebied </al></entry></row><row><entry><al>Bgo</al></entry><entry><al> basisgeneratie onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a30: Prognose aantal leerlingen op de school</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a30id1badede-eba0-442d-8ce3-14cd907fdfe9.png" type="foto" breedte="5cm" id="id1badede-eba0-442d-8ce3-14cd907fdfe9" hoogte="1.24cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>O%</al></entry><entry><al> opslagpercentage </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al>gebied </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al>aantal gebieden </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a31: Prognose aantal leerlingen onderbouw op de school</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a31i8ee9b373-65aa-4966-9230-ca6757ca22e1.png" type="foto" breedte="5cm" id="i8ee9b373-65aa-4966-9230-ca6757ca22e1" hoogte="1.64cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>O%</al></entry><entry><al> opslagpercentage </al></entry></row><row><entry><al>Lo</al></entry><entry><al> leerlingenaantal onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gebied </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal gebieden </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al>t = 1 tot en met t = 15</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Leerlingenprognose voor de korte termijn </vet></al><al/><al><vet>A. Met gebruikmaken van doorstroomfactoren</vet></al><al><cursief>Formule a32: Analyse doorstroomfactor per 1 oktober </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a32id7cee9db-da18-47f6-8bc2-1d82f402835a.png" type="foto" breedte="3cm" id="id7cee9db-da18-47f6-8bc2-1d82f402835a" hoogte="0.88cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Df</al></entry><entry><al> doorstroomfactor per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdsgroep i </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al>t = -3 tot en met t = -1, zo mogelijk langer tot maximaal </al><al>t = -10 tot en met t = -1</al></entry></row><row><entry><al>leeftijdsgroepen:</al></entry><entry><al> i = 4 tot en met i = 11 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a33: Analyse deelnamepercentage 4-jarigen per 1 oktober </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a33i3125e40a-e3c9-4bbb-afb0-a78e0c90bbc2.png" type="foto" breedte="3cm" id="i3125e40a-e3c9-4bbb-afb0-a78e0c90bbc2" hoogte="0.93cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al> 4-jarigen (i = 4) </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> bevolking </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al>t = -3 tot en met t = 0, zo mogelijk langer tot maximaal </al><al>t = -10 tot en met t = -1 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a34: Prognose 4-jarigen voedingsgebied (= formule 6 enkel voor 4-jarigen) </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a34idfeaaa8b-059c-4ed3-8cb4-77110ee27cdb.png" type="foto" breedte="3cm" id="idfeaaa8b-059c-4ed3-8cb4-77110ee27cdb" hoogte="0.96cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> bevolking </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdscohort i (eenjaarscohort) </al></entry></row><row><entry><al>M</al></entry><entry><al> mutatiefactor bevolking </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row><row><entry><al>leeftijdsgroepen:</al></entry><entry><al> i = 1 tot en met i = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a35: Prognose leerlingen van 4 jaar op een school </cursief></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="a35ib5069ea9-2f9e-4b57-84ef-ad7013a96e5e.png" type="foto" breedte="3cm" id="ib5069ea9-2f9e-4b57-84ef-ad7013a96e5e" hoogte="1.00cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> bevolking </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>D</al></entry><entry><al> deelnamepercentage per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al> 4-jarigen </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a36: Prognose leerlingen </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea36i3b93720f-5fdb-4637-be6b-43c66e94e3c2.png" type="foto" breedte="3cm" id="i3b93720f-5fdb-4637-be6b-43c66e94e3c2" hoogte="0.88cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Df</al></entry><entry><al> doorstroomfactor per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdsgroep i </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 3 </al></entry></row><row><entry><al>leeftijdsgroepen:</al></entry><entry><al> i = 4 tot en met i = 11 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a37: Prognose leerlingen</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea37ib0bfd9fb-f82f-4213-98ae-2254ea47a4a8.png" type="foto" breedte="4cm" id="ib0bfd9fb-f82f-4213-98ae-2254ea47a4a8" hoogte="1.71cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Ls</al></entry><entry><al> totaalaantal leerlingen school </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 3 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a38: Prognose leerlingen onderbouw</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea38iec6950f9-95a7-4a8e-a53d-b6521d9451c0.png" type="foto" breedte="3cm" id="iec6950f9-95a7-4a8e-a53d-b6521d9451c0" hoogte="1.79cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lo</al></entry><entry><al> leerlingen onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 3 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B. Met gebruikmaken van de cohortmethode </vet></al><al/><al>Formule a1 tot en met a5 en a8 tot en met a10 toepassen met: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leeftijdscohort i </al></entry></row><row><entry><al>analyse periode:</al></entry><entry><al>t = 4 -3 tot en met t = -1 0, zo mogelijk langer tot maximaal </al><al>t = -10 -9 tot en met t = -1 0 </al></entry></row><row><entry><al>prognoseperiode:</al></entry><entry><al> t = 0 1 tot en met t =3 4 </al></entry></row><row><entry><al>cohorten</al></entry><entry><al> i = 0 tot en met i = 11 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a39: Analyse deelnamepercentage </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea39i42252ffe-ea6b-4d0f-80e3-4a6dddf6bba1.png" type="foto" breedte="3cm" id="i42252ffe-ea6b-4d0f-80e3-4a6dddf6bba1" hoogte="0.81cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Ds%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage school </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = -3 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a40: Prognose totaal leerlingen </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formule40ief8083e8-99b2-42c0-9841-5843ec3bb873.png" type="foto" breedte="3cm" id="ief8083e8-99b2-42c0-9841-5843ec3bb873" hoogte="0.62cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>Ds%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage school per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a41: Prognose aantal leerlingen onderbouw </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea41if9edc458-3d04-43d5-a4ef-585c3b098c9d.png" type="foto" breedte="3cm" id="if9edc458-3d04-43d5-a4ef-585c3b098c9d" hoogte="0.68cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lo</al></entry><entry><al> leerlingen onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>Bg-o</al></entry><entry><al> basisgeneratie onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>Ds%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage school per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a42: Prognose aantal leerlingen onderbouw bij toepassing gemiddelde van beide methodes voor de korte termijn </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea42i07df6698-8d81-460a-a4b0-91fe0fa6ad0c.png" type="foto" breedte="4cm" id="i07df6698-8d81-460a-a4b0-91fe0fa6ad0c" hoogte="1.05cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lo</al></entry><entry><al>leerlingen onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>geprognostiseerde leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>Bg</al></entry><entry><al> basisgeneratie voedingsgebied </al></entry></row><row><entry><al>Bg-o</al></entry><entry><al> basisgeneratie onderbouw </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al>t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>N.B. Bij de kortetermijnprognose de bij de gekozen methode passende formule voor de bepaling van het aantal leerlingen onderbouw toepassen. Dat wil zeggen formule a38 bij de methode met doorstroomfactoren, formule a41 bij de cohortmethode en formule a 42 indien het gemiddelde van beide methodes wordt gebruikt. </al><al/><al><cursief>Formule a43: Totaal gewogen leerlingen</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea43i95c6278b-7e84-4238-bbf1-7d172a1140dc.png" type="foto" breedte="7cm" id="i95c6278b-7e84-4238-bbf1-7d172a1140dc" hoogte="1.80cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>g</al></entry><entry><al>leerlingengewicht </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>Lg</al></entry><entry><al> gewogen leerlingenaantal </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a44: Schoolscore </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea44i7d6f2d35-afdd-417d-ae61-b7c681552582.png" type="foto" breedte="2cm" id="i7d6f2d35-afdd-417d-ae61-b7c681552582" hoogte="1.03cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Sc</al></entry><entry><al>schoolscore </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>Lg</al></entry><entry><al> gewogen leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a45: Prognose gewogen leerlingenaantal </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea45i8b08c0bf-380e-4440-9887-6b48a89ccc70.png" type="foto" breedte="2cm" id="i8b08c0bf-380e-4440-9887-6b48a89ccc70" hoogte="0.95cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Sc</al></entry><entry><al>schoolscore </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>Lg</al></entry><entry><al> gewogen leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule a46: Prognose gecorrigeerde gewogen leerlingenaantallen </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulea46i6d1f714e-0b7f-404b-9489-1b2645814049.png" type="foto" breedte="4cm" id="i6d1f714e-0b7f-404b-9489-1b2645814049" hoogte="1.19cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>aantal niet-gewogen leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>Lg</al></entry><entry><al> aantal gewogen leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>Lc</al></entry><entry><al> gecorrigeerde aantal gewogen leerlingen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>periode:</al></entry><entry><al>periode: t = 1 tot en met t = 4 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>N.B. Indien het gecorrigeerde aantal gewogen leerlingen lager is dan het ongewogen leerlingenaantal (dit is zo bij een weging van 9% of minder), dan treedt het ongewogen leerlingenaantal in de plaats van het gecorrigeerde aantal gewogen leerlingen. </al><al/><al><vet>Deel B Prognosemodel Speciale school voor basisonderwijs Ba. Begrippen en definities </vet></al><al/><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colwidth="65*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Doorstroomfactor</al></entry><entry colname="col2"><al>Het relatieve verschil tussen de omvang van een leeftijdsgroep leerlingen in een bepaald jaar en de omvang van een leeftijdsgroep lager een jaar eerder. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Grensverkeer</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerlingen onderwijs volgend aan een speciale school voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband die afkomstig zijn van een ander samenwerkingsverband waarmee de speciale school voor basisonderwijs geen samenwerkingsverband vormt. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemeente</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Leerlingenpopulatie</al></entry><entry colname="col2"><al>De som van het aantal leerlingen op een bepaald moment op een bepaalde school. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opslagpercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>Het relatieve verschil tussen het aantal leerlingen op de speciale school voor basisonderwijs van buiten het samenwerkingsverband en het aantal leerlingen op de speciale school voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Primos</al></entry><entry colname="col2"><al>Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prognoseperiode</al></entry><entry colname="col2"><al>De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het te verwachten tijdstip van realisatie van de voorzieningen en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. </al><al>N.B. Voor de prognoses voor stichting, verplaatsing, omzetting en uitbreiding met een richting is in de wet op het primair onderwijs een termijn van 20 jaar opgenomen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Samenwerkingsverband</al></entry><entry colname="col2"><al>Verzameling basisscholen inclusief één of meer speciale scholen voor basisonderwijs die een samenwerkingsovereenkomst hebben en waarvoor een centrale dienst is ingericht. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Speciale school voor basisonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Voormalige school voor speciaal onderwijs aan kinderen met leer- en opvoedingsmoelijkheden of moeilijk lerende kinderen, inclusief een eventueel daaraan verbonden afdeling voor in hun ontwikkeling bedreigde kleuters. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitgangsjaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij het opstellen van een prognose dient het laatste jaar van de analyse als uitgangspunt voor de prognose. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verwijzingspercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen het totaalaantal leerlingen op de speciale school/scholen voor basisonderwijs en de som van leerlingen op de basisscholen in het samenwerkingsverband. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voedingsgebied </al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied waaruit de leerlingen van de school afkomstig zijn. Het voedingsgebied wordt bepaald door het gebied van het samenwerkingsverband waarvoor de prognose wordt gemaakt. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Bb. Formules </vet></al><al/><al><vet>Formules voor berekening van de gehele schoolbevolking van de speciale school of scholen voor basisonderwijs van een samenwerkingsverband </vet></al><al/><al><cursief>Formule b1: Deelnamepercentage bassisscholen per gemeente binnen een samenwerkingsverband </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb1id52d77b5-9c5e-4abc-81a0-a7b8f17601c1.png" type="foto" breedte="3cm" id="id52d77b5-9c5e-4abc-81a0-a7b8f17601c1" hoogte="0.90cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage basisscholen onderwijs </al></entry></row><row><entry><al>Sb</al></entry><entry><al> schoolbevolking basisschool/-scholen (naar gemeente) binnen het samenwerkingsverband op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie (4 tot en met 11 jaar en 30% 12-jarigen) </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>minimale analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b2: Verwijzingspercentage van basisscholen per gemeente in het samenwerkingsverband naar speciale school/scholen voor basisonderwijs naar gemeente </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb2ie91cd487-9f65-47e5-a0c9-52b859005445.png" type="foto" breedte="3cm" id="ie91cd487-9f65-47e5-a0c9-52b859005445" hoogte="0.99cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>V%</al></entry><entry><al> verwijzingspercentage uit basisonderwijs per gemeente naar speciale school/scholen voor basisonderwijs </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen op speciale school/scholen voor basisonderwijs </al></entry></row><row><entry><al>Sb</al></entry><entry><al> schoolbevolking basisschool/-scholen binnen het samenwerkingsverband op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>minimale analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b3: Opslagpercentage voor leerlingen van buiten het samenwerkingsverband naar speciale school/scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb3if7edb03e-af78-4825-a125-ded86d31e8d5.png" type="foto" breedte="3cm" id="if7edb03e-af78-4825-a125-ded86d31e8d5" hoogte="0.84cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>O%</al></entry><entry><al> opslagpercentage (‘grensverkeer’) </al></entry></row><row><entry><al>LN</al></entry><entry><al>leerlingen (totaal) op speciale school/scholen voor basisonderwijs niet afkomstig van basisscholen in het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>LT</al></entry><entry><al>leerlingen (totaal) op speciale school/scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen in het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>minimale analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b4: Prognose per gemeente van de kinderen op de basisscholen van het samenwerkingsverband </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb4ib1fb2a6e-4129-4881-8eb0-9188c8589f96.png" type="foto" breedte="3cm" id="ib1fb2a6e-4129-4881-8eb0-9188c8589f96" hoogte="0.91cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Sb</al></entry><entry><al>leerlingen op de basisscholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband met de speciale school/scholen voor basisonderwijs </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie uit Primos (4 tot en met 11 jaar en 30% 12-jarigen) </al></entry></row><row><entry><al>B%</al></entry><entry><al>belangstellingspercentage van de basisscholen die deelnemen aan het samenwerkingsverband met de speciale school/scholen voor basisonderwijs </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognoseperiode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 15<noot><noot.nr>3 </noot.nr><noot.al>Zie hoofdstuk 2, p.4. </noot.al></noot></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b5: Prognose per gemeente van het aantal leerlingen op de speciale school/ scholen voor basisonderwijs binnen het samenwerkingsverband </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb5ibe1f3b49-e9f9-4f30-aa5a-f02cf0f11d87.png" type="foto" breedte="3cm" id="ibe1f3b49-e9f9-4f30-aa5a-f02cf0f11d87" hoogte="0.98cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>leerlingen op speciale school/-scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen binnen het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>V%</al></entry><entry><al> verwijzingspercentage </al></entry></row><row><entry><al>Sb</al></entry><entry><al> schoolbevolking basisscholen </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b6: Prognose aantal leerlingen op de speciale school/scholen voor basisonderwijs</cursief></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb6i040a31d4-447b-468d-b99c-90d9ce435843.png" type="foto" breedte="3cm" id="i040a31d4-447b-468d-b99c-90d9ce435843" hoogte="1.99cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LT</al></entry><entry><al>leerlingen (totaal) op speciale school/scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen in het samenwerkingsverbandleerlingen op speciale school/scholen voor basisonderwijs afkomstig van basisscholen binnen het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b7: Opslag voor leerlingen van buiten het samenwerkingsverband </cursief></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb7i124048ff-9869-49b0-988b-3c2425c51cfc.png" type="foto" breedte="3cm" id="i124048ff-9869-49b0-988b-3c2425c51cfc" hoogte="0.83cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LN</al></entry><entry><al> aantal leerlingen niet afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>LT</al></entry><entry><al> totaalaantal leerlingen afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognoseperiode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule b8: Totaalaantal leerlingen speciale school/scholen voor basisonderwijs </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuleb8id3cabddd-8de6-41fa-b6a3-bdf2fa7b4870.png" type="foto" breedte="3cm" id="id3cabddd-8de6-41fa-b6a3-bdf2fa7b4870" hoogte="1.11cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Lsbo</al></entry><entry><al> totaalaantal leerlingen van de speciale school/scholen voor basisonderwijs in een samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>LT</al></entry><entry><al> totaal aantal leerlingen afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>LN</al></entry><entry><al> aantal leerlingen niet afkomstig van basisscholen uit het samenwerkingsverband </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>prognoseperiode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>N.B.1 </al><al>Voor speciale scholen voor basisonderwijs die hun leerlingen uit een deel van de gemeente verkrijgen, kan – mits de gegevens voorhanden zijn – worden gewerkt met kleinere gebieden dan gemeenten. Daar waar in de formules de codering g voorkomt, worden dan de cijfers voor stadsdelen of wijken gebruikt. </al><al/><al><vet>Deel C </vet><vet>Prognosemodel (voortgezet) speciaal onderwijs (exclusief speciale scholen voor basisonderwijs en inclusief praktijkscholen in het voortgezet onderwijs) </vet></al><al/><al><vet>Ca. Begrippen en definities </vet></al><al/><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colwidth="65*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisgeneratie</al></entry><entry colname="col2"><al>Een aantal cohorten waarin de leeftijdsgroepen zijn vertegenwoordigd die voor de desbetreffende vorm van onderwijs relevant zijn. </al><al>Voor SO-scholen wordt uitgegaan van een basisgeneratie waarbij de leeftijden vanaf 3 jaar tot 14 jaar zijn vertegenwoordigd. </al><al>De 12- en 13-jarigen worden voor 50% in de basisgeneratie opgenomen, voor zeer moeilijk lerende kinderen worden de 3jarigen en de helft van de 4-jarigen buiten de basisgeneratie gelaten en voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen worden de 3-, </al><al>4- en 5-jarigen en de helft van de 6-jarigen buiten de basisgeneratie gelaten. </al><al>Voor VSO-scholen bestaat de basisgeneratie uit 50% van de 12- en 13-jarigen en 100% van de 14- tot en met 19-jarigen. Voor zelfstandige scholen voor praktijkonderwijs (SVO) bestaat de basisgeneratie uit 100% van 13- tot en met 18-jarigen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Cohort</al></entry><entry colname="col2"><al>Een (leeftijds)groep in de bevolking die meer gemeenschappelijke kenmerken heeft. </al><al>Bijvoorbeeld: alle vrouwen geboren in 1957. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Clustering</al></entry><entry colname="col2"><al>Het voor de bepaling van de toekomstige deelname samen berekenen van de trend door de deelname vanuit gemeenten die weinig (gemiddeld minder dan vijf) leerlingen leveren. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Deelnamepercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen het aantal leerlingen op de school afkomstig uit een gemeente en de basisgeneratie van die gemeente. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemeente</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Internaat</al></entry><entry colname="col2"><al>Residentiële instelling voor jongeren. </al><al>N.B. Als kinderen direct vanuit een medisch kinderdagverblijf voor een belangrijk deel op één school worden geplaatst, dan kan het medisch kinderdagverblijf voor de prognose als internaat worden beschouwd. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Primos</al></entry><entry colname="col2"><al>Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prognoseperiode</al></entry><entry colname="col2"><al>De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het gewenste jaar van realisatie van de voorzieningen en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. </al><al>N.B. Voor de prognoses voor stichting, verplaatsing, omzetting en uitbreiding met een richting is in de wet een termijn van 20 jaar opgenomen. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolbevolking</al></entry><entry colname="col2"><al>De som van het aantal leerlingen op een bepaald moment op een bepaalde school. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitgangsjaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Het laatste jaar van de analyseperiode.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voedingsgebied</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied waaruit de leerlingen van de school afkomstig zijn. Het voedingsgebied wordt vastgesteld door de herkomst naar gemeenten van de leerlingen op de school voor de vijf meest recente teldata te bepalen. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Cb. Formules Formules voor berekening van de gehele schoolbevolking </vet></al><al/><al><cursief>Formule c1: Deelnamepercentage aan de school voor (voortgezet) speciaal onderwijs </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec1i8c2cb5f2-6ea4-41e9-90e3-1dcf5a89c062.png" type="foto" breedte="3cm" id="i8c2cb5f2-6ea4-41e9-90e3-1dcf5a89c062" hoogte="0.99cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie* </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente(n) van herkomst (woongemeente) </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>* door Primos voor gemeentegrenswijzigingen bewerkte CBS-cijfers </al><al/><al><cursief>Formule c2: Deelname door leerlingen uit internaten </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec2i3e7772db-b5f5-478b-a789-289f4bc146c3.png" type="foto" breedte="3cm" id="i3e7772db-b5f5-478b-a789-289f4bc146c3" hoogte="0.92cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al>leerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al>basisgeneratie (capaciteit)</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>internaat </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule c3: Analyse wachtlijstleerlingen</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec3iaf908f47-0334-4b60-8752-376e3305a4d4.png" type="foto" breedte="5cm" id="iaf908f47-0334-4b60-8752-376e3305a4d4" hoogte="1.38cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>W%</al></entry><entry><al> wachtlijstpercentage </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>w</al></entry><entry><al> wachtlijst (van potentiële leerlingen) </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente(n) van herkomst </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>internaat</al></entry></row><row><entry><al>n1</al></entry><entry><al> aantal gemeenten waaruit leerlingen van de school komen </al></entry></row><row><entry><al>n2 </al></entry><entry><al> aantal internaten waaruit leerlingen van de school komen </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule c4: Prognose leerlingen uit gemeenten</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec4if8fb3286-03bd-40e3-aa29-5c78fb840862.png" type="foto" breedte="5cm" id="if8fb3286-03bd-40e3-aa29-5c78fb840862" hoogte="1.51cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LG</al></entry><entry><al> alle leerlingen uit gemeenten in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie* </al></entry></row><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage voor de prognoseperiode </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente(n) van herkomst (woongemeente) </al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal gemeenten van herkomst </al></entry></row><row><entry><al>t </al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t=1 tot en met t = 15<noot><noot.nr>4 </noot.nr><noot.al>Zie hoofdstuk 2, p.4.</noot.al></noot></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>* Primos-cijfers </cursief></al><al>N.B. Bij clustering wordt per gemeente in de groep van gemeenten waarvoor de clustering is toegepast de deelname per afzonderlijke gemeente bepaald door de trend in de deelname van het cluster toe te passen op elke afzonderlijke gemeente. </al><al/><al><cursief>Formule c5: Prognose leerlingen uit internaten</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec5i5cbd1e37-7a87-42b0-a670-7d9e5e6d8647.png" type="foto" breedte="5cm" id="i5cbd1e37-7a87-42b0-a670-7d9e5e6d8647" hoogte="1.60cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LI</al></entry><entry><al> leerlingen uit internaten in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie (verwachte capaciteit internaten) </al></entry></row><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>internaten</al></entry></row><row><entry><al>n</al></entry><entry><al> aantal internaten </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognoseperiode:</al></entry><entry><al> t=1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule c6: Prognose wachtlijstleerlingen </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec6i17ee70b5-4467-4649-a7d1-da3d5f5dec17.png" type="foto" breedte="4cm" id="i17ee70b5-4467-4649-a7d1-da3d5f5dec17" hoogte="0.74cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Wp</al></entry><entry><al> wachtlijstpercentage/ - aandeel<noot><noot.nr>5 </noot.nr><noot.al>Of er een constant percentage toegevoegd moet worden, hangt af van de reden van het bestaan van de wachtlijst. Indien de reden vervalt, behoort ook de bijtelling voor de wachtlijst te vervallen. </noot.al></noot></al></entry></row><row><entry><al>LW</al></entry><entry><al> wachtlijstleerlingen in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>LG</al></entry><entry><al> alle leerlingen uit gemeenten in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>LI</al></entry><entry><al> leerlingen uit internaten in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>t </al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t=1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule c7: Totaalaantal leerlingen </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formulec7ice454b9f-e773-49d9-ab73-c9ff6f43b0be.png" type="foto" breedte="3cm" id="ice454b9f-e773-49d9-ab73-c9ff6f43b0be" hoogte="0.84cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>LW</al></entry><entry><al> wachtlijstleerlingen op 1 oktober t-1 </al></entry></row><row><entry><al>LG</al></entry><entry><al> alle leerlingen uit gemeenten op 1 oktober t-1 </al></entry></row><row><entry><al>LI</al></entry><entry><al> leerlingen uit internaten op 1 oktober t-1 </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t=1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Deel D </vet></al><al/><al><vet>Prognosemodel voortgezet onderwijs (exclusief praktijkscholen in het voortgezet onderwijs) </vet></al><al/><al><vet>Da. Begrippen en definities </vet></al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="26*"/><colspec colname="col2" colwidth="65*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Basisgeneratie</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gemiddelde aantal 12- en 13-jarigen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Deelnamepercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>Het aantal leerlingen in leerjaar 1 afgezet tegen de basisgeneratie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Doorstroomfactor</al></entry><entry colname="col2"><al>De verhouding tussen de omvang van een leerjaar (totaal c.q. per onderwijssoort) en de omvang hiervan één schooljaar eerder en één leerjaar lager. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Gemeente</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied van een zelfstandige gemeente, zoals omschreven in de Gemeentewet. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Schoolbevolking</al></entry><entry colname="col2"><al>Het totaalaantal leerlingen van een school of </al><al>scholengemeenschap op de teldatum. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Opslagpercentage</al></entry><entry colname="col2"><al>Het aantal leerlingen in leerjaar 1 uit gemeenten, waaruit niet jaarlijks leerlingen de school bezoeken afgezet tegen het totaalaantal leerlingen in leerjaar 1 uit de overige gemeenten van het voedingsgebied.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Primos</al></entry><entry colname="col2"><al>Door T.N.O. ontwikkelde raming voor een samenhangende bevolkingsprognose op gemeentelijk niveau in totaal overeenkomend met de middenvariant van de CBSbevolkingsprognose.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Prognoseperiode</al></entry><entry colname="col2"><al>De periode waarover de prognose gemaakt dient te worden. Voor blijvende voorzieningen ten minste 15 jaar vanaf het jaar waarin de voorziening wordt gewenst en voor tijdelijke voorzieningen minimaal voor de duur waarvoor deze noodzakelijk zijn. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>School</al></entry><entry colname="col2"><al>School voor voortgezet onderwijs, nevenvestiging voor voortgezet onderwijs of locatie voor voortgezet onderwijs. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Uitgangsjaar</al></entry><entry colname="col2"><al>Het jaar volgend op de laatst bekende teldatum. </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vermenigvuldigingsfactor</al></entry><entry colname="col2"><al>Het quotiënt van de totale schoolbevolking en het gemiddelde aantal leerlingen in leerjaar 1 over een aantal teldata (het aantal is gelijk aan de cursusduur en voor scholengemeenschappen gelijk aan de gemiddelde cursusduur met afronding naar boven bij een niet geheel getal). </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voedingsgebied</al></entry><entry colname="col2"><al>Het gebied waaruit de leerlingen van de school afkomstig zijn. </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Voor het voortgezet onderwijs vindt de leerlingtelling jaarlijks plaats per 1 oktober. In de prognose worden leerlinggegevens van die telling vergeleken met/ betrokken op de basisgeneratie van 1 januari daaropvolgend! Dus leerlingen in schooljaar t-1/t worden vergeleken met de basisgeneratie op 1 januari t. Bij het laatste schooljaar van de analyseperiode wordt, indien de leeftijdsopbouw op 1 januari t nog niet beschikbaar is het gemiddelde aantal 11- en 12-jarigen van het jaar t-1 genomen. </al><al/><al><vet>Db. Formules </vet></al><al/><al><vet>Formules voor berekening van de gehele schoolbevolking </vet></al><al/><al><cursief>Formule d1: Deelnamepercentage aan de school voor voortgezet onderwijs </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled1i48f5266c-ad11-4f11-b631-73a4281338dc.png" type="foto" breedte="3cm" id="i48f5266c-ad11-4f11-b631-73a4281338dc" hoogte="0.94cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>L1</al></entry><entry><al> leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al>basisgeneratie (1/2 van de 12- en 13-jarigen)*</al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente(n) van herkomst (woongemeente)** </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>minimale analyseperiode:</al></entry><entry><al> t=-5 tot en met t = 0 voor een zesjarige opleiding </al><al>t=-4 tot en met t = 0 voor een vijfjarige opleiding </al><al>t=-3 tot en met t = 0 voor een vierjarige opleiding </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>* Door Primos voor gemeentegrenswijzigingen bewerkte CBS-cijfers. </al><al>** Voor gemeenten waaruit geringe aantallen leerlingen in leerjaar 1 komen kan clustering plaatsvinden. Uit de te clusteren gemeenten worden dan de gegevens opgeteld. Het cluster wordt in de methode vervolgens behandeld als één gemeente. Voor gemeenten waaruit niet alle jaren kinderen leerjaar 1 van de school bezoeken, kan met een opslag worden gewerkt (zie formule d2 en d6). </al><al/><al><cursief>Formule d2: Analyse opslagpercentage</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled2ib5f8d7b3-0055-41bb-89b8-e3ef8d6d03de.png" type="foto" breedte="5cm" id="ib5f8d7b3-0055-41bb-89b8-e3ef8d6d03de" hoogte="1.53cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>O%</al></entry><entry><al> opslagpercentage leerlingen in leerjaar 1 </al></entry></row><row><entry><al>L1g</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit jaarlijks leerlingen in leerjaar 1 de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>L1ng</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit niet jaarlijks leerlingen in leerjaar 1 de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>minimale analyseperiode:</al></entry><entry><al>t=-5 tot en met t = 0 voor een zesjarige opleiding </al><al>t=-4 tot en met t = 0 voor een vijfjarige opleiding </al><al>t=-3 tot en met t = 0 voor een vierjarige opleiding </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>* Door Primos voor gemeentegrenswijzigingen bewerkte CBS-cijfers.</al><al/><al><cursief>Formule d3: Vermenigvuldigingsfactor</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled3i9bf9e533-6e60-4153-b008-49ec524388c8.png" type="foto" breedte="4cm" id="i9bf9e533-6e60-4153-b008-49ec524388c8" hoogte="1.39cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Vmf</al></entry><entry><al> vermenigvuldigingsfactor </al></entry></row><row><entry><al>S</al></entry><entry><al> gehele schoolbevolking in school t-1/t per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L1</al></entry><entry><al> leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>A</al></entry><entry><al> aantal jaren (gemiddelde) cursusduur </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>minimale analyseperiode: </al></entry><entry><al>t=-5 tot en met t = 0 voor een zesjarige opleiding </al><al>t=-4 tot en met t = 0 voor een vijfjarige opleiding </al><al>t=-3 tot en met t = 0 voor een vierjarige opleiding </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule d4: Prognose aantal eerstejaarsleerlingen per gemeente </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled4i56baf21c-d45d-417f-a8cf-3432cb1a0822.png" type="foto" breedte="3cm" id="i56baf21c-d45d-417f-a8cf-3432cb1a0822" hoogte="1.02cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L1</al></entry><entry><al> leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie (1/2 van de 12- en 13-jarigen)* </al></entry></row><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al>gemeente</al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 155 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>* Primos-gegevens </al><al/><al><cursief>Formule d5:Sommatie prognose aantal eerstejaarsleerlingen uit gemeenten waaruit jaarlijks eerstejaars de school bezoeken. </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled5i022e9388-6f35-4718-b7aa-565597cc5e32.png" type="foto" breedte="3cm" id="i022e9388-6f35-4718-b7aa-565597cc5e32" hoogte="1.73cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L1g</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit jaarlijks eerstejaars de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule d6: Prognose opslag aantal eerstejaarsleerlingen </cursief></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled6iff47aed1-938d-4e73-a79e-68f1ee54b53e.png" type="foto" breedte="3cm" id="iff47aed1-938d-4e73-a79e-68f1ee54b53e" hoogte="0.76cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>O%</al></entry><entry><al> opslagpercentage leerlingen in leerjaar 1 </al></entry></row><row><entry><al>L1g</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit jaarlijks leerlingen in leerjaar 1 de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>L1ng</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit niet jaarlijks leerlingen in leerjaar 1 de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule d7: Prognose schoolbevolking </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled7i029045b7-0394-4016-994c-5d4f007f9ec1.png" type="foto" breedte="4cm" id="i029045b7-0394-4016-994c-5d4f007f9ec1" hoogte="0.87cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>S</al></entry><entry><al> schoolbevolking in school t-1/t per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L1g</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit jaarlijks leerlingen in leerjaar 1 de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>L1ng</al></entry><entry><al>leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober uit gemeenten waaruit niet jaarlijks leerlingen in leerjaar 1 de school bezoeken </al></entry></row><row><entry><al>Vmf</al></entry><entry><al> vermenigvuldigingsfactor </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al> t = 1 tot en met t = 15 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Formules voor berekening van (delen van) de schoolbevolking door toepassing van doorstroomfactoren </vet></al><al/><al><cursief>Formule d8: Analyse doorstroomfactoren voor de leerjaren 2 en hoger </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled8i35349a07-395d-443a-a38f-18b175123b09.png" type="foto" breedte="4cm" id="i35349a07-395d-443a-a38f-18b175123b09" hoogte="1.21cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Df</al></entry><entry><al> doorstroomfactor per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen in een bepaald leerjaar </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip t </al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leerjaar i </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = -6 tot en met t = -1 </al></entry></row><row><entry><al>leerjaren:</al></entry><entry><al>i = 1 tot en met i = 5 (bij een zesjarig schooltype) </al><al>i = 1 tot en met i = 4 (bij een vijfjarig schooltype) </al><al>i = 1 tot en met i = 3 (bij een vierjarig schooltype) </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule d9: Deelnamepercentage aan de school voor voortgezet onderwijs in leerjaar 1 per gemeente (= formule d1)</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled9i3f562ed1-012a-440b-a56b-edfdc81823e8.png" type="foto" breedte="3cm" id="i3f562ed1-012a-440b-a56b-edfdc81823e8" hoogte="0.84cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>L1</al></entry><entry><al> leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al>basisgeneratie (1/2 van de 12- en 13-jarigen)* </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente van herkomst (woongemeente) </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>analyseperiode: </al></entry><entry><al>t=-5 tot en met t = 0 voor een zesjarige opleiding </al><al>t=-4 tot en met t = 0 voor een vijfjarige opleiding </al><al>t=-3 tot en met t = 0 voor een vierjarige opleiding </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>* Door Primos voor gemeentegrenswijzigingen bewerkte CBS-cijfers.</al><al/><al><cursief>Formule d10: Prognose aantal eerstejaarsleerlingen per gemeente (= formule d3) </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled10ifea76915-b5c7-4127-b66b-8102a9b55e85.png" type="foto" breedte="3cm" id="ifea76915-b5c7-4127-b66b-8102a9b55e85" hoogte="0.99cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L1</al></entry><entry><al> leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>B</al></entry><entry><al> basisgeneratie (1/2 van de 12- en 13-jarigen)* </al></entry></row><row><entry><al>D%</al></entry><entry><al> deelnamepercentage </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip</al></entry></row><row><entry><al>prognose-periode:</al></entry><entry><al>t = 1 tot en met t = 6</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>* Primos-gegevens </al><al/><al><cursief>Formule d11: Prognose aantal leerlingen in leerjaar 1 ( = formule d4)</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled11i67b67bca-21fe-4b6a-be71-de4d23ea2799.png" type="foto" breedte="3cm" id="i67b67bca-21fe-4b6a-be71-de4d23ea2799" hoogte="1.90cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L1</al></entry><entry><al> leerlingen in leerjaar 1 in schooljaar t-1/t op 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>g</al></entry><entry><al> gemeente </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al> tijdstip </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule d12: Prognose aantal leerlingen in de leerjaren 2 en verder </cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled12i3d34e158-dfe6-4501-be4e-ffa3b3b639d2.png" type="foto" breedte="3cm" id="i3d34e158-dfe6-4501-be4e-ffa3b3b639d2" hoogte="1.57cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen in een bepaald leerjaar </al></entry></row><row><entry><al>Df</al></entry><entry><al> doorstroomfactor per 1 oktober </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip t</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al>leerjaar i </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 6 </al></entry></row><row><entry><al>leerjaren:</al></entry><entry><al>i = 1 tot en met i = 5 (bij een zesjarig schooltype) </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>i = 1 tot en met i = 4 (bij een vijfjarig schooltype) </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>i = 1 tot en met i = 3 (bij een vierjarig schooltype) </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief>Formule d13: Totaalaantal leerlingen</cursief></al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="Formuled13i2be4ceb3-14b9-49b3-a9d6-e7a63869e855.png" type="foto" breedte="2cm" id="i2be4ceb3-14b9-49b3-a9d6-e7a63869e855" hoogte="1.36cm"/></plaatje></al><al/><al>waarin: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>L</al></entry><entry><al> leerlingen</al></entry></row><row><entry><al>i</al></entry><entry><al> leerjaar </al></entry></row><row><entry><al>t</al></entry><entry><al>tijdstip </al></entry></row><row><entry><al>a</al></entry><entry><al>aantal leerjaren </al></entry></row><row><entry><al>leerjaren: </al></entry><entry><al>i = 1 tot en met i = 5 (bij een zesjarig schooltype) </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>i = 1 tot en met i = 4 (bij een vijfjarig schooltype)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> i = 1 tot en met i = 3 (bij een vierjarig schooltype) </al></entry></row><row><entry><al>max. periode:</al></entry><entry><al> t = 0 tot en met t = 6 </al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Bijlage 1 Gemiddelde woningbezetting basisgeneratie voor de woningvoorraadmethode voor nieuwbouwgebieden (referentielijn) </vet></al><al/><table frame="all"><tgroup cols="11"><colspec colname="col1" colwidth="2*"/><colspec colname="col2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colwidth="7*"/><colspec colname="col4" colwidth="2*"/><colspec colname="col5" colwidth="7*"/><colspec colname="col7" colwidth="2*"/><colspec colname="col8" colwidth="7*"/><colspec colname="col9" colwidth="13*"/><colspec colname="col10" colwidth="2*"/><colspec colname="col11" colwidth="7*"/><colspec colname="col12" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" namest="col2" nameend="col3"><al>Leeftijd woningen</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>Gemiddelde woningbezetting basisgeneratie</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>Leeftijd woningen</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>Gemiddelde woning bezitting basisgeneratie</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,280</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>14</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,270</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>2</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,370</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>15</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,260</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>3</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,420</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>16</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,250</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>4</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,460</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>17</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>5</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,480</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>18</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>6</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,500</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>19</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>7</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,490</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>20</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>8</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,450</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>21</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>9</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,410</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>22</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>10</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,370</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>23</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>11</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,340</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>24</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>12</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,310</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>25</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row><row><entry namest="col2" nameend="col3" colname="col1"><al>13</al></entry><entry colname="col4" namest="col2" nameend="col4"><al>0,290</al></entry><entry colname="col5" namest="col3" nameend="col4"><al>stabiel</al></entry><entry colname="col7" namest="col5" nameend="col7"><al>0,240</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De achtergrond bij de referentielijn is dat in nieuwbouwwijken grosso modo uit elke jaargang woningen (woningen in de wijk gebouwd in hetzelfde jaar) dezelfde aantallen kinderen per 100 woningen voorkomen. Met het veranderen van de ouderdom van de woning verandert ook het aantal kinderen in de basisgeneratie. De formule a16 geeft correctiefactoren aan die moeten worden gebruikt, indien de nieuwbouwwijk qua bebouwingstype (relatief veel eengezinswoningen juist meergezinswoningen) afwijkt van de gemiddelde nieuwbouwwijk waarop de referentielijn is gebaseerd. Ook staat in de formule a16 de correctie aangegeven die nodig is als het vruchtbaarheidsniveau van de gemeente flink afwijkt van het Nederlandse niveau.</al></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>III -</nr><titel> Criteria vaststellen capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte</titel></kop><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit </vet></al><al/><al><vet>A.1 Uitgangspunten</vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel geregistreerd.</al><al/><al><vet>A.1.1 School voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De capaciteit van een gebouw voor een school voor basisonderwijs[, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of voortgezet onderwijs] wordt vastgelegd in de bruto vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs geldt dat een eventueel aanwezig speellokaal niet in de capaciteitsbepaling wordt meegenomen. Als een speellokaal aanwezig is en de noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal, bedoeld in bijlage I, onder A.3.2, aanwezig is, wordt op de bruto vloeroppervlakte 90 vierkante meter in mindering gebracht.</al></li><li nr="3."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming heeft verleend.</al></li><li nr="4."><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw van het voortgezet onderwijs wordt vermeerderd met de bruto vloeroppervlakte van de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="5."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997 gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al><vet>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke bouwaard</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E, vastgesteld.</al><al/><al><vet>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk gebouw wordt afgestoten.</al><al/><al><vet>A.1.4 Terrein</vet></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet>A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari 2015 alle scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de omvang van de aanwezige inventaris.</al><al/><al><vet>A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al/><al><vet>A.1.6.1 Lokalen bewegingsonderwijs.</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al/><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster. Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt geregistreerd.</al><al/><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015 wordt geacht voldoende te zijn.</al><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al/><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen en is inclusief een speellokaal. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><lijst><li nr="1°."><al>bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al></li><li nr="2°."><al>verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van 6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond op een geheel getal;</al></li><li nr="3°."><al>als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80 procent van het aantal ingeschreven leerlingen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een afzonderlijke school. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = 250 + 7,35 * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al></li><li nr="2."><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.]</al></li></lijst><al><vet>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van de onderwijssoort, de categorie (speciaal of voortgezet speciaal), het type vestiging en het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al><al>R = V + f * L, waarbij</al><al>R = Ruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele vierkante meter.</al><al>V = Vaste voet in vierkante meter bruto vloeroppervlakte welke is voor:</al><lijst><li nr="-"><al>de hoofdvestigingen voor alle onderwijssoorten, uitgezonderd VSO-ZMLK, 370 vierkante meter, en</al></li><li nr="-"><al>de hoofdvestiging VSO-ZMLK, 250 vierkante meter.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Voor nevenvestigingen geldt geen vaste voet.</al><al>f = Factor (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling) overeenkomstig tabel 1, waarin is opgenomen een overzicht van f (vierkante meter bruto vloeroppervlakte per leerling), per onderwijssoort.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al></li><li nr="2."><al>Een eventueel speellokaal leidt tot een additionele ruimtebehoefte van 90 vierkante meter.</al></li></lijst><al><vet>Tabel 1 – Ruimtebehoefte (v)so</vet></al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="64*"/><colspec colname="col2" colwidth="9*"/><colspec colname="col3" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwijssoort</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>SO</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>VSO</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Slechthorende kinderen (SH)</al><al>Kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens </al><al>behoren tot dove of slechthorende kinderen (ES)</al><al>Visueel gehandicapten (VISG)</al><al>Langdurig zieke kinderen (LZ)</al><al>Zeer moeilijk opvoedbare kinderen (ZMOK)</al><al>Kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten (PI)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>12,2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dove kinderen (DO)</al><al>Lichamelijk gehandicapte kinderen LG)</al><al>Meervoudig gehandicapte kinderen (MG)<noot><noot.nr>6 </noot.nr><noot.al><cursief>Tenzij bij beschikking van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de N-factor anders dan 7 is vastgesteld. Voor SO-MG met N=2 geldt 56,75, voor VSO-MG met N=2 geldt 57,5, voor SO-MG met N=3 geldt 56,75 en voor VSO-MG met N=3 geldt 57,5.</cursief></noot.al></noot></al></entry><entry colname="col2"><al>13,8</al></entry><entry colname="col3"><al>15,5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Zeer moeilijk lerende kinderen (ZMLK)</al></entry><entry colname="col2"><al>8,8</al></entry><entry colname="col3"><al>9,2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.1.4 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald aan de hand van het ruimtebehoeftemodel. De totale ruimtebehoefte van een instelling voor voortgezet onderwijs is het totaal van twee componenten, te weten: </al><lijst><li nr="a."><al>een leerlinggebonden component, en</al></li><li nr="b."><al>een vaste voet.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De leerlinggebonden component wordt berekend door de in tabel 2.a opgenomen bruto vloeroppervlakten per leerling te vermenigvuldigen met het aantal leerlingen dat op de school voor voortgezet onderwijs staat ingeschreven. De leerlinggebonden component is afhankelijk van de soort onderwijs, de leerweg of de sector die de leerling volgt.</al></li><li nr="3."><al>De vaste voet is opgenomen in tabel 2.b. De vaste voet voor de hoofdvestiging van de instelling is 980 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Voor een nevenvestiging die op grond van een ministeriële beschikking in aanmerking komt voor aanvullende bekostiging in verband met spreidingsnoodzaak geldt een afzonderlijke vaste voet van 550 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Een tijdelijke nevenvestiging komt niet in aanmerking voor een vaste voet. Naast de vaste voet per instelling wordt per instelling een vaste voet toegekend op de vestiging voor die sectoren waar de beroepsgerichte leerweg(en) wordt aangeboden. Tevens geldt een vaste voet voor die vestiging waar praktijkonderwijs aanwezig is.</al></li><li nr="4."><al>De ruimtebehoefte is de som van:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkomst van de vermenigvuldiging van het aantal leerlingen per onderwijssoort met de bijbehorende normoppervlakten;</al></li><li nr="b."><al>de vaste voet per instelling, en</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een vaste voet per sector, uitgedrukt in bruto vierkante meter.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als dit noodzakelijk is voor het bepalen van de omvang van de toekenning, kan op basis van deze normering de leegstand in onderwijsruimten binnen een gebouw voor voortgezet onderwijs worden bepaald. Het ruimtebehoeftemodel kent een afzonderlijke normering voor het praktijkonderwijs. Het ruimtebehoeftemodel kent geen afzonderlijke normering voor een orthopedagogisch didactisch centrum. </al></li></lijst><al><vet>Tabel 2.a – Berekening leerlingafhankelijke ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</vet></al><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colwidth="13*"/><colspec colname="col3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg<noot><noot.nr>7 </noot.nr><noot.al><cursief>TLW = <cursief>theoretische leerweg</cursief></cursief></noot.al><noot.al><cursief><cursief><cursief>LWOO = </cursief></cursief></cursief><cursief>leerwegondersteunend onderwijs</cursief></noot.al><noot.al><cursief><cursief>GLW = </cursief></cursief><cursief>gemengde leerweg</cursief></noot.al><noot.al><cursief><cursief>BLW </cursief></cursief>= <cursief>beroepsgerichte leerweg (basis- of kader-)</cursief></noot.al></noot></al></entry><entry colname="col3"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col4"><al>BVO/leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>6,41</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>7,07</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,98</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>5,47</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,69</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>8,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>4,44</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>12,72</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,95</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>0,89</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,56</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>2,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col4"><al>5,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col4"><al>3,06</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table frame="all"><tgroup cols="7"><colspec colname="col1" colwidth="0*"/><colspec colname="col2" colwidth="10*"/><colspec colname="col3" colwidth="11*"/><colspec colname="col4" colwidth="8*"/><colspec colname="col5" colwidth="2*"/><colspec colname="col6" colwidth="9*"/><colspec colname="col7" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col2"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>5,33</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>2,10</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>BLW</al></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>4,71</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>4,22</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>4,85</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>5,53</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col3"><al>GLW</al></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>5,94</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>0,78</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>BLW</al></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>5,37</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>2,34</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>5,03</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>4,69</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col5"><al>4,41</al></entry></row><row><entry namest="col1" nameend="col2" colname="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4" namest="col3" nameend="col4"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col5"><al>7,72</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Tabel 2.b – Vaste voet per instelling voor het berekenen van de ruimtebehoefte voortgezet onderwijs</vet></al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colwidth="15*"/><colspec colname="col3" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Ruimtetype</al></entry><entry colname="col3"><al>Vaste voet</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoofdvestiging</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>980</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Nevenvestiging met spreidingsnoodzaak</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>550</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke nevenvestiging </al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-techniek BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>299</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-economie BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>196</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-zorg/welzijn BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>VMBO-landbouw BLW</al></entry><entry colname="col2"><al>Specifiek</al></entry><entry colname="col3"><al>117</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>Algemeen</al></entry><entry colname="col3"><al>306</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li><li nr="b."><al>voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, op 2,25 klokuur per week per groep leerlingen 6 jaar en ouder, en</al></li><li nr="c."><al>als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur per week voor de leerlingen 4 en 5 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Bij een school voor voortgezet onderwijs wordt de ruimtebehoefte bepaald op basis van het aantal lestijden bewegingsonderwijs. Hiervoor geldt als maximum het aantal lesuren dat overeenkomstig tabel 3 van het ruimtebehoeftemodel is berekend. Deze berekening is als volgt: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 460. Voor het leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs wordt een aangepaste formule gehanteerd: (aantal leerlingen * 32 * vierkante meter bruto vloeroppervlakte bewegingsonderwijs per leerling) ÷ 322.</al></li></lijst><al><vet>Tabel 3 – Uitgangspunten vaststellen ruimtebehoefte lokaal bewegingsonderwijs voortgezet onderwijs</vet></al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colwidth="14*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Onderwijssoort</al></entry><entry colname="col2"><al>Leerweg</al></entry><entry colname="col3"><al>BVO per </al><al>leerling</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Onderbouw (leerjaar 1 en 2)</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw AVO/VWO</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>0,78</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw theoretische leerweg</al></entry><entry colname="col2"><al>TLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw techniek</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw economie</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw zorg/welzijn</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bovenbouw landbouw</al></entry><entry colname="col2"><al>GLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>BLW</al></entry><entry colname="col3"><al>1,38</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>LWOO</al></entry><entry colname="col3"><al>1,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry colname="col2"><al>-</al></entry><entry colname="col3"><al>1,99</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte </vet></al><al/><al><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft bestaan.</al><al/><al><vet>C.1.1 Nieuwbouw, of vervangende nieuwbouw</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B vastgesteld.</al><al/><al><vet>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw, ingebruikneming of medegebruik wordt voor een:</al><lijst><li nr="a."><al>school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van:</al><lijst><li nr="1°."><al>55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening basisonderwijs;</al></li><li nr="2°."><al>50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening speciaal basisonderwijs;</al></li><li nr="3°."><al> 50 vierkante meter bruto vloeroppervlakte voor een voorziening voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>school voor voortgezet onderwijs wordt vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan tien procent van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 vierkante meter. Medegebruik wordt vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte en de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit verhoogd met 10%.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bedraagt de bruto vloeroppervlakte van een speellokaal, in aanvulling op het aantal meters bruto vloeroppervlakte bedoelt in het eerste lid, 90 vierkante meter.</al></li></lijst><al><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening moet het verschil:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een school voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte bedragen, en</al></li><li nr="b."><al>bij een school voor voortgezet onderwijs voldoen aan het gestelde onder C.1.2, eerste lid, onder b.</al></li></lijst><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening: </al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in deel D. </al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van:</al><lijst><li nr="1°."><al>onderwijsleerpakket en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en meubilair voor een school basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, en</al></li><li nr="2°."><al>leer- en hulpmiddelen en meubilair, of uitbreiding van de eerste aanschaf van leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs, is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>tegemoetkoming in eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair voor een school voor voortgezet onderwijs als gevolg van een inpandige aanpassing waarbij algemene of specifieke ruimte wordt omgezet in specifieke of werkplaatsruimte bedraagt het verschil tussen de vergoeding voor eerste inrichting van de bestaande ruimte en de vergoeding voor eerste inrichting van de te creëren ruimte.</al></li><li nr="d."><al>herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw, onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs vastgesteld op het verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid, vastgestelde ruimtebehoefte, en </al></li><li nr="b."><al>voor een school voor voortgezet onderwijs vastgesteld op de overeenkomstig B.2, tweede lid, vastgestelde ruimtebehoefte als de uitbreiding groter of gelijk is dan tien procent van de overeenkomstig deel A vastgestelde capaciteit.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs[, speciaal basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs] wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld in deel D, onder D.3. </al></li><li nr="3."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren. </al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld of wordt uitgebreid.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen </vet></al><al/><al><vet>D.1 Terreinoppervlakte </vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet speciaal onderwijs geldt voor het verharde gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf 200 leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al/><al><vet>D.2 Speellokaal </vet></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al/><al><vet>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is minstens 252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al><vet>Deel E – Meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen</vet></al><al/><al><vet>E.1</vet><vet>Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN 2580.</al><al/><al><vet>E.2</vet><vet>Aanvulling op de meetinstructie voor de schoolgebouwen</vet></al><al/><al><vet>E.2.1 (Speciaal) basisonderwijs en speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend van buitenaf bereikbaar zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het hart van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al><vet>E.2.2 Voortgezet onderwijs </vet></al><al>De bruto oppervlakte van een gebouw is de som van de bruto vloeroppervlakte van alle tot het gebouw behorende beloopbare binnenruimten. De bruto vloeroppervlakte wordt gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande buitenconstructies die de ruimten omhullen. Tot de bruto oppervlakte behoren eveneens: </al><lijst><li nr="a."><al>de oppervlakte van trapgaten, liftschachten, en leidingschachten op elk vloerniveau, en </al></li><li nr="b."><al>de oppervlakte van vrijstaande uitwendige kolommen, voor zover groter dan 0,5 vierkante meter. </al></li></lijst><al><vet>E.2.3 Uitzonderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend, ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen staande verdiepingen, fietsenstallingen. </al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend. </al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>IV -</nr><titel> Normbedragen voor vergoeding en indexering</titel></kop><al/><al><vet>Deel A – Indexering </vet></al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al/><al><vet>A.1 Nieuwbouw en uitbreiding</vet></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="A1i5a606ff7-0c08-4caf-9475-a1d6d591c3ca.png" type="foto" breedte="10cm" id="i5a606ff7-0c08-4caf-9475-a1d6d591c3ca" hoogte="4.58cm"/></plaatje></al><al/><al><vet>A.2 Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="A2i50ddce5e-832d-4599-a6ca-ffcae46d2923.png" type="foto" breedte="10cm" id="i50ddce5e-832d-4599-a6ca-ffcae46d2923" hoogte="3.73cm"/></plaatje></al><al/><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al/><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al/><al><vet>A. Nieuwbouw met permanente bouwaard </vet></al><al/><al><vet>A.1 Kostencomponenten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende kostencomponenten: </al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw;</al></li><li nr="d."><al>als het een school voor voortgezet onderwijs betreft, toeslag paalfundering;</al></li><li nr="e."><al>als het een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs betreft een toeslag voor het realiseren van een afzonderlijk speellokaal, en</al></li><li nr="f."><al>als het een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs betreft, toeslag voor het aanbrengen van een liftinstallatie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen bedoeld in paragraaf B.</al></li></lijst><al><vet>A.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het oude gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al/><al><vet>A.3.1 Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>A.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="60*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350 m<sup>2</sup> bvo<noot><noot.nr>8 </noot.nr><noot.al>Onder m<sup>2 </sup>bvo wordt hier en verder verstaan: vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</noot.al></noot></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 666.689,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><cursief><vet>A.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</vet></cursief></al><al><cursief>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </cursief></al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="60*"/><colspec colname="col2" colwidth="17*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><cursief>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 670 m<sup>2</sup> bvo, waarin niet</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>€ 1.080.237,73</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>€ 1.194,66</cursief></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><cursief>Toeslag voor elk speellokaal</cursief></al></entry><entry colname="col2"><al><cursief>€ 102.495,11</cursief></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>A.3.4 Bouwkosten school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs </vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag, voor de realisatie van de eerste 677 <sup>m2</sup> bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.039.554,13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.187,58</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 102.495,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag liftinstallatie als bij nieuwbouw een liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.742,02</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>A.3.5 Bouwkosten school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er is geen onderscheid in de normbedragen tussen nieuwbouw en uitbreiding. </al></li><li nr="2."><al>De sectieafhankelijke kosten bestaan voor projecten vanaf 460 vierkante meter bruto vloeroppervlak uit een vast bedrag per voorziening en een vast bedrag per sectie.</al></li><li nr="3."><al>Voor projecten kleiner dan 460 vierkante meter bruto vloeroppervlakte worden geen sectieafhankelijke kosten per project toegekend. Deze kosten zijn namelijk opgenomen in de bedragen voor de ruimteafhankelijke kosten per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="4."><al>De bedragen zijn opgenomen in de tabel met vaste bedragen per vierkante meter bruto vloeroppervlakte en vaste bedragen per voorziening.</al></li><li nr="5."><al>Voor het berekenen van de vergoeding voor de:</al><lijst><li nr="a."><al>ruimteafhankelijke kosten wordt het overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aantal vierkante meter per type ruimte van de voorziening, vermenigvuldigd met onderstaande bedragen per ruimtesoort:</al><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>&lt; 460 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al>&gt; 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 1.784,94</al></entry><entry><al>€ 1.059,30</al></entry><entry><al>€ 1.033,93</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen</al></entry><entry><al>€ 1.743,37</al></entry><entry><al>€ 1.410,24</al></entry><entry><al>€ 1.410,24</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 2.116,98</al></entry><entry><al>€ 1.783,86</al></entry><entry><al>€ 1.783,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="b."><al>sectieafhankelijke kosten wordt de vergoeding voor de algemene vaste voet of de vaste voet voor de algemene sectie of de werkplaatssectie, afhankelijk van de secties waaruit de overeenkomstig bijlage III, deel C, toegekende voorziening bestaat, verhoogd met de onderstaande bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry/><entry><al>&lt;460m2</al></entry><entry><al>&gt; 460 &lt;2.500 m<sup>2</sup></al></entry><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 2.500 m<sup>2</sup></al></entry></row><row><entry><al>Algemene en specifieke ruimte</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry namest="colC" nameend="colD"><al>€ 112.625,40</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen, exclusief consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 221.075,15</al></entry><entry><al>€ 308.617,49</al></entry></row><row><entry><al>Werkplaatsen consumptief</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry namest="colC" nameend="colD"><al>€ 40.877,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst></li><li nr="6."><al>Tot de algemene en specifieke ruimte behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>(uiterlijke) verzorging/mode en commercie: huishoudkunde, gezondheidskunde, uiterlijke verzorging, mode en commercie, en</al></li><li nr="b."><al>handel/verkoop/administratie: verkooppraktijk, kantoorpraktijk, etaleren.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Tot de werkplaatsen behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>techniek algemeen:</al><lijst><li nr="1°."><al>Bouwtechniek;</al></li><li nr="2°."><al>Machinale houtbewerking;</al></li><li nr="3°."><al>Meten;</al></li><li nr="4°."><al>Elektrotechniek;</al></li><li nr="5°."><al>installatietechniek;</al></li><li nr="6°."><al>lasserij;</al></li><li nr="7°."><al>Metaal;</al></li><li nr="8°."><al>Motorvoertuigentechniek, en</al></li><li nr="9°."><al>Mechanische techniek;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>consumptief: werkplaats consumptieve techniek;</al></li><li nr="c."><al>grafische techniek: werkplaats grafische techniek, en</al></li><li nr="d."><al>landbouw: groen-praktijk.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>De overige ruimten behoren tot de categorie algemene ruimte.</al></li></lijst><al><vet>A.3.6 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor de school voor voortgezet onderwijs is het bedrag van de normkosten gebaseerd op een standaardlocatie. Voor de volgende aanvullende investeringskosten wordt, indien noodzakelijk, een aanvullend bedrag beschikbaar gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>paalfundering, en</al></li><li nr="b."><al>bemaling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvullende vergoeding is afhankelijk van de benodigde paallengte in relatie met de omvang van de bouw in bruto vloeroppervlakte en wordt bepaald op basis van de volgende formules:</al><al>Nieuwbouw en uitbreiding &lt; 1000 m2</al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al> Paallengte 1 tot 15 meter </al></entry><entry><al>€ 3.283,18</al></entry><entry><al>+ (€ 17,23 * A)</al></entry></row><row><entry><al> Paallengte 15 tot 20 meter </al></entry><entry><al>€ 3.495,36 </al></entry><entry><al>+ (€ 29,24 * A)</al></entry></row><row><entry><al> Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry><al>€ 3.902,46</al></entry><entry><al>+ (€ 52,14 * A)</al></entry></row><row><entry/><entry><al/></entry><entry/></row><row><entry namest="colA" nameend="colB"><al> Uitbreiding ≥ 1000 m<vet><sup>2</sup></vet></al></entry></row><row><entry><al> Paallengte 1 tot 15 meter </al></entry><entry><al>€ 4.009,36</al></entry><entry><al>+ (€ 6,03 * A)</al></entry></row><row><entry><al> Paallengte 15 tot 20 meter </al></entry><entry><al>€ 5.229,55</al></entry><entry><al>+ (€ 15,66 * A)</al></entry></row><row><entry><al> Paallengte 20 meter of langer </al></entry><entry><al>€ 7.941,51</al></entry><entry><al>+ (€ 31,66 * A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="3."><al>Als de grondwaterstand minder dan 1 meter onder het maaiveld ligt, is bemaling noodzakelijk en wordt een aanvullend bedrag per vierkante meter goedgekeurde terreinoppervlakte toegekend. De vergoeding bedraagt € 11,18 per vierkante meter terrein.</al></li></lijst><al><vet>A.3.7 Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw school voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs plaatsvindt op dezelfde plaats, moet het desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond, worden hersteld en moeten de leerlingen verhuizen naar een tijdelijke, vervangende locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten is gebaseerd op een vast bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschool en een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 46,25</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 31,74</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Permanente bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 53,05</al></entry></row><row><entry><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 26,54</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li></lijst><al><vet>B. Uitbreiding met permanente bouwaard</vet></al><al/><al><vet>B.1 Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante meter bruto vloeroppervlakte en van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs tot 1000 vierkante meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A overeenkomstig van toepassing.</al><al/><al><vet>B.2 Kosten terrein</vet></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2 overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor uitbreiding benodigde terrein.</al><al/><al><vet>B.3.1 Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>B.3.2 Bouwkosten school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.630,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115 m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 65.086,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.300,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.3.3 Bouwkosten speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 105 m<sup>2</sup> bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.399,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 105 m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 66.932,83</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.326,45</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 117.048,33</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal, zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 215.200,42</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.3.4 Bouwkosten school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of speciaal of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 96 m<sup>2</sup> bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 90.931,93</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 50 tot 96 m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 60.621,29</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo, waarin niet begrepen een eventueel speellokaal</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.329,08</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m<sup>2</sup> bvo) in combinatie met uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 102.495,11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vergoeding voor elk afzonderlijk speellokaal (90 m<sup>2</sup> bvo), zonder gelijktijdige uitbreiding van de school</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 215.200,42</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toeslag liftinstallatie als bij uitbreiding een liftinstallatie inclusief een schacht wordt aangebracht</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 121.090,08</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>B.3.5 Toeslag paalfundering school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.6 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de vergoeding voor paalfundering en bemaling bij uitbreiding.</al><al/><al><vet>B.3.6 Toeslag voor het herstel van het terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op dezelfde plaats</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij uitbreiding.</al><al/><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al/><al><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd op de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw. </al></li></lijst><al><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig A.2.</al><al/><al><vet>C.3.1 Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van permanente hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al/><al><vet>C.3.2 Vergoeding basisschool [<cursief>en speciale school voor basisonderwijs</cursief>]</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool [<cursief>en een speciale school voor basisonderwijs</cursief>] wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="56*"/><colspec colname="col2" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2</sup> bvo of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.966,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.311,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 933,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>C.3.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 39.793,33</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 26.890,74</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 914,15</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen.</al></li></lijst><al><vet>C.3.4 Vergoeding school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de vergoedingsformule € 567,99 * A + € 39.049,94, waarbij A het overeenkomstig bijlage III, deel C, bepaalde aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte aan tijdelijke huisvesting is.</al><al/><al><vet>C.4.1 Uitbreiding van bestaande tijdelijke voorzieningen primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van terreinen. </al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw, herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing van de leerlingen.</al></li></lijst><al><vet>C.4.2 Vergoeding basisschool [<cursief>en speciale school voor basisonderwijs</cursief>]</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool [<cursief>en een speciale school voor basisonderwijs</cursief>] wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 21.341,49</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 14.227,66</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 977,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>C.4.3 Vergoeding school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs </vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of groter</al></entry><entry><al>€ 21.639,41</al></entry></row><row><entry><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80 m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 14.426,27</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 966,51</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>C.5 Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde gebouwen</vet></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al/><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al/><al><vet>D.1.1 Uitbreiding onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al/><al><vet>D.1.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 38.300,32</al></entry></row><row><entry><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry><al>€ 133,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>D.1.3 Vergoeding speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een speciale school voor basisonderwijs wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen: </al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Startbedrag</al></entry><entry><al>€ 81.259,53</al></entry></row><row><entry><al>Naast het startbedrag voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry><al>€ 138,61</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>D.1.4 Vergoeding school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen: </al><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col3"><al>Voor elke volgende m2 bvo</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-doven</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 136.914,55</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 238,99</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-sh</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 124.375,97</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 309,74</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-esm</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 115.897,11</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 154,02</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-visg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 164.481,07</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 293,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lz</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 104.887,65</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 144,84</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-lg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 123.482,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 282,37</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmlk</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 103.258,59</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 122,87</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-zmok</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 100.790,31</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 141,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-pi</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 101.681,28</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 153,39</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>SO/VSO-mg</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 125.025,87</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 125,29</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>D.1.5 Vergoeding speellokaal speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor onderwijsleerpakket en meubilair voor de inrichting van een speellokaal voor een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs bedraagt € 7.415,30.</al><al/><al><vet>D.2 School voor voortgezet onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor eerste inrichting leer- en hulpmiddelen en meubilair is gekoppeld aan de toe te kennen voorziening nieuwbouw, niet zijnde vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming, niet zijnde ingebruikneming ter vervanging van een bestaand gebouw. Aanspraak op deze vergoeding bestaat als de eerste inrichting nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd. De hoogte van de vergoeding wordt berekend door vast te stellen het verschil tussen de al toegekende vergoeding en de vergoeding die is vastgesteld op basis van de te realiseren bruto vloeroppervlakte per ruimtetype. De hoogte van de vergoeding per ruimtetype wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><al/><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al> Ruimtetype</al></entry><entry><al> Functie</al></entry><entry><al>m2</al></entry></row><row><entry><al> Algemeen</al></entry><entry/><entry><al>€ 158,06</al></entry></row><row><entry morerows="2"><al> Specifiek</al></entry><entry><al>(Uiterlijke) verzorging/mode en commercie</al></entry><entry><al>€ 369,42</al></entry></row><row><entry><al>Handel/verkoop/administratie</al></entry><entry><al>€ 225,99</al></entry></row><row><entry><al>Praktijkonderwijs</al></entry><entry><al>€ 303,42</al></entry></row><row><entry morerows="3"><al> Werkplaatsen</al></entry><entry><al>Techniek algemeen</al></entry><entry><al>€ 387,57</al></entry></row><row><entry><al>Consumptief</al></entry><entry><al>€ 750,55</al></entry></row><row><entry><al>Grafische techniek</al></entry><entry><al> € 1.434,94</al></entry></row><row><entry><al>Landbouw</al></entry><entry><al> € 0,00</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2."><al>Als in plaats van uitbreiding van het schoolgebouw medegebruik van een voor een school bestemd gebouw wordt gevorderd, wordt inventaris slechts toegekend als de inventaris in de voor medegebruik aangewezen ruimte ontbreekt of niet geschikt is.</al></li></lijst><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al/><al><vet>E.1 Bouwkosten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante meters bedraagt € 700.859,23 als deze op het schoolterrein gerealiseerd kan worden, of € 715.034,52 als deze op een afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn opgenomen de kosten van fundering op staal en inrichting van het terrein.</al></li><li nr="2."><al>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig gehandicapte leerlingen of zeer moeilijk lerende leerlingen wordt een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van deze toeslag is € 70.306,32.</al></li><li nr="3."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><table frame="all"><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Paallengte</al></entry><entry><al>Vergoeding</al></entry><entry><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry><al>1&lt;15m</al></entry><entry><al>€ 14.097,01</al></entry><entry><al>€ 17.774,32</al></entry></row><row><entry><al>15&lt;20m</al></entry><entry><al>€ 19.433,46</al></entry><entry><al>€ 4.616,04</al></entry></row><row><entry><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry><al>€ 27.293,44</al></entry><entry><al>€ 5.426,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.2 Uitbreiding</vet></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van 140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van de vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colwidth="16*"/><colspec colname="col3" colwidth="14*"/><colspec colname="col4" colwidth="16*"/><colspec colname="col5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Uitbreiding</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Normbedrag</al></entry><entry colname="col3" namest="col3" nameend="col5"><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry colname="col3"><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry colname="col4"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112 t/m 120 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 162.835,79</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6.310,99</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 10.930,99</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 17.870,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>121 t/m 150 m2</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 197.949,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.891,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 13.660,22</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 22.338,70</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.3.2 OLP/meubilair school voor basisonderwijs en speciaal basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs bedraagt € 51.310,54.</al><al/><al><vet>E.3.3 OLP/meubilair school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor speciaal onderwijs of voor voortgezet speciaal onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Schoolsoort</al></entry><entry><al>Bedrag in euro</al></entry></row><row><entry><al>SO-doven</al></entry><entry><al> € 40.917,05</al></entry></row><row><entry><al>SO-sh/esm</al></entry><entry><al> € 40.677,02</al></entry></row><row><entry><al>SO-visg</al></entry><entry><al> € 49.245,65</al></entry></row><row><entry><al>SO-lg/mg</al></entry><entry><al> € 53.943,88</al></entry></row><row><entry><al>SO-lz/pi</al></entry><entry><al> € 38.691,75</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmlk</al></entry><entry><al> € 38.691,75</al></entry></row><row><entry><al>SO-zmok</al></entry><entry><al> € 38.612,13</al></entry></row><row><entry><al>VSO-doven</al></entry><entry><al> € 47.970,54</al></entry></row><row><entry><al>VSO-sh/esm</al></entry><entry><al> € 49.222,23</al></entry></row><row><entry><al>VSO-visg</al></entry><entry><al> € 58.558,40</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lg/mg</al></entry><entry><al> € 60.075,30</al></entry></row><row><entry><al>VSO-lz/pi</al></entry><entry><al> € 47.277,37</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmlk</al></entry><entry><al> € 47.277,37</al></entry></row><row><entry><al>VSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 42.203,87</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-doven</al></entry><entry><al>€ 49.677,13</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-sh/esm</al></entry><entry><al>€ 53.253,05</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-visg</al></entry><entry><al>€ 60.768,46</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lg/mg</al></entry><entry><al>€ 61.710,46</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-lz/pi</al></entry><entry><al>€ 51.307,01</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmlk</al></entry><entry><al>€ 51.307,01</al></entry></row><row><entry><al>SOVSO-zmok</al></entry><entry><al>€ 42.682,77</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.3.4 Meubilair/leer- en hulpmiddelen school voor voortgezet onderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting meubilair of leer- en hulpmiddelen voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een school voor voortgezet onderwijs wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry/><entry><al><vet>Meubilair</vet></al></entry><entry><al><vet>Leer- en hulpmiddelen</vet></al></entry><entry><al><vet>Totaal</vet></al></entry></row><row><entry><al> Eerste lokaal</al></entry><entry><al>€ 1.083,67</al></entry><entry><al>€ 64.621,30</al></entry><entry><al>€ 65.704,97</al></entry></row><row><entry><al>Tweede lokaal</al></entry><entry><al>€ 1.083,67</al></entry><entry><al>€ 50.409,52</al></entry><entry><al>€ 51.393,19</al></entry></row><row><entry><al>Derde lokaal</al></entry><entry><al>€ 1.083,67</al></entry><entry><al>€ 21.915,70</al></entry><entry><al>€ 22.999,37</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 1</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 14.271,50</al></entry><entry><al>€ 14.271,50</al></entry></row><row><entry><al>Oefenplaats 2</al></entry><entry><al>€ 0,00</al></entry><entry><al>€ 1.647,45</al></entry><entry><al>€ 1.647,45</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>E.4 Medegebruik/huur van een niet-eigen voorziening</vet></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente, of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>De vergoeding van de feitelijke kosten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt gebaseerd op de door het college goedgekeurde offerte en verhoogd met 8 procent voor de kosten van technische advisering, voor zover het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder b en c.</al><al/><al><vet>G. Huur sportvelden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van de huur van een sportveld voor maximaal 8 weken per jaar. De vergoeding voor deze kosten bedraagt voor de periode van 8 weken € 20,94 per klokuur.</al></li><li nr="2."><al>Aanspraak op vergoeding als bedoeld in het eerste lid bestaat uitsluitend als de school voor voortgezet onderwijs niet beschikt over een eigen sportveld en geen gebruik maakt van een sportveld dat door de gemeente is gefinancierd.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><label>Bijlage</label><nr>V -</nr><titel> Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de aangevraagde voorziening</titel></kop><al/><al><vet>1.</vet><vet>Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11 vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al/><al><vet>2.</vet><vet>Onderscheid voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen: </al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of leer- en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en meubilair of leer- en hulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><al><vet>3.</vet><vet>Hoofd- en subprioriteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2, eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder herschikking van schoolgebouwen, en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs en sportterreinen opheft.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel> op de artikelen uit de verordening</titel></kop><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ (i.c. het schoolbestuur) en ‘aanvrager’ omvatten alle schoolbesturen die een volgens de wet bekostigde voorziening onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke nevenvestiging, dislocatie).</al><al/><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de WPO, WEC en WVO door het schoolbestuur bij ons kan worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent dat wij deze niet kunnen inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen, maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een schoolbestuur wenst, maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening. Dit gaat om voorzieningen waarvoor het schoolbestuur een vergoeding van de minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Wij wijzen een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100, eerste lid, onder a, van de WPO, artikel 98, onder a, van de WEC, artikel 76k, onder a, van de WVO.</al><al/><al>In het kader van lokaal maatwerk hebben wij de vrijheid om aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat wij geen uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO en WEC en artikel 77 van de WVO). Voor het bekostigen van de voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Verordening materiële financiële gelijkstelling Groesbeek 2015.</al><al/><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</cursief></al><lijst><li nr="1°"><al>Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al></li><li nr="2°"><al>Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de school. Het schoolbestuur komt voor het bekostigen van uitbreiding in aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al></li><li nr="3°"><al>Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en wij een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar hebben. Het kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de betreffende school. Een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs is bijv. niet automatisch geschikt voor het huisvesten van een speciale school voor basisonderwijs. Het in gebruik geven van een gebouw moet worden onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al></li><li nr="4°"><al>Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al></li><li nr="5°"><al>Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte van het terrein.</al></li><li nr="6/7°"><al>Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt in principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat wij een school hebben gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start van de school. In die situatie heeft het schoolbestuur nog aanspraak op bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het schoolbestuur in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C.</al></li><li nr="8°"><al>Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal bewegingsonderwijs die het schoolbestuur, dat juridisch eigenaar is, niet nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig is ingeroosterd.</al></li></lijst><al><cursief>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert, kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19 e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze voorziening past binnen het door ons college vastgestelde bekostigingsplafond.</al><al/><al>De gemeente is gehouden bij het ontvangen van een aanvraag voor het bekostigen van onderhoud als een constructiefout (= voorziening onderwijshuisvesting) deze aanvraag op zijn eigen merites te beoordelen en over de aanvraag een besluit te nemen. Het is de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om aan te tonen dat sprake is van een constructiefout en geen (achterstallig) onderhoud.</al><al/><al>In het verleden heeft het Rijk als constructiefouten beschouwd: ontwerpfouten, uitvoeringsfouten, wanprestatie van de aannemer, verkeerde keuze van bouwmaterialen en gebreken die voortkomen uit een van deze 4 fouten. Deze fouten moeten zich in principe voor het 20e levensjaar van het gebouw openbaren. Bij de beoordeling wordt bekeken of de betreffende constructie en materiaalkeuze gangbaar waren in de periode dat het gebouw werd gebouwd. Als dit niet het geval is wordt het gebrek niet als constructiefout aangemerkt.</al><al>In ieder geval is uit een uitspraak van de RvS<noot><noot.nr>9 </noot.nr><noot.al>RvS 28 mei 2003 (200203701/1)</noot.al></noot> duidelijk dat als het gebruikte materiaal bij aanleg voldoet aan de benodigde kwaliteit geen sprake kan zijn van een constructiefout. De uitspraak van de RvS heeft daarnaast tot gevolg dat het de taak van de gemeente is om bij (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en onderhoud te controleren of de tijdens de bouw aangebrachte voorzieningen voldoen aan de in het bestek opgenomen kwaliteit om achteraf niet geconfronteerd te worden met een claim op basis van een constructiefout.</al><al/><al><cursief>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Wij hebben ons voor deze zaken inclusief een ‘eigen risico’ verzekerd.</al><al/><al><cursief>Onderdeel d. Huur van een sportterrein</cursief></al><al>Deze voorziening is noodzakelijk als in de gemeente een school voor voortgezet onderwijs is gevestigd. Onder de voorwaarden genoemd in bijlage I, deel B, onder B.4 en bijlage IV, onder F kan een schoolbestuur in het voortgezet onderwijs aanspraak maken op een vergoeding voor het huren van een sportterrein voor buitensportactiviteiten. Voorwaarde is dat het schoolbestuur niet beschikt over een eigen sportterrein en geen gebruik kan maken van een met gemeentelijke middelen gerealiseerd sportterrein.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Op grond van de wet is het schoolbestuur voor de realisering van voorzieningen bouwheer. In verschillende gemeenten, waaronder de toenmalige gemeente Groesbeek, werd het bouwheerschap door het schoolbestuur overgedragen aan de gemeente.</al><al/><al>Gelet op het feit dat met ingang van 1 januari 2015 onderhoud en aanpassing volledig worden overgedragen aan de schoolbesturen, doet zich de vraag voor of de gemeente in de toekomst nog als bouwheer zou moeten optreden. Nu de volledige overdracht van onderhoud en aanpassing een feit wordt, ligt het voor de hand de in de wet verankerde bevoegdheidsverdeling in de toekomst te volgen en het bouwheerschap in handen te laten van het schoolbestuur. Voordeel hiervan is dat geen scheiding ontstaat tussen de verantwoordelijkheid voor de nieuwbouw en het daarop volgend onderhoud en aanpassing. Uitzondering op deze regel zou kunnen zijn als de bouw van een multifunctionele accommodatie aan de orde is. In die omstandigheid verdient het de voorkeur het bouwheerschap in handen te leggen van ons college.</al><al/><al>Om het bouwheerschap waar te kunnen maken, zal het schoolbestuur in staat moeten worden gesteld, indien sprake is van (ver)nieuwbouw of uitbreiding van een bestaande voorziening, de nodige voorbereidingen te kunnen treffen. Daarvoor is noodzakelijk dat een schoolbestuur beschikt over een voorbereidingskrediet. Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het schoolbestuur vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan. Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het voorbereidingskrediet stelt het schoolbestuur in de gelegenheid om een voor aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten plaatsvinden.</al><al>Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd. Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal vastgestelde investeringskrediet.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of op basis van feitelijke kosten. Wij hebben bij nieuwbouw, uitbreiding, toekenning van eerste inrichting en medegebruik gekozen voor normbedragen en bij de overige voorzieningen (het in gebruik nemen van bestaande gebouwen, verplaatsing van tijdelijke voorzieningen en beschikbaar stellen van een terrein) voor de feitelijke kosten.</al><al/><al>De normbedragen voor de voorzieningen nieuwbouw en uitbreiding die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in bijlage IV, deel B.</al><al>1. </al><al>2. Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het schoolbestuur aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag, onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de andere situatie een financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het schoolbestuur de beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor het is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>3. </al><al>4. Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook artikel 13, eerste lid).</al><al/><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het schoolbestuur aan ons college alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van de WPO, artikel 110 van de WEC en artikel 76w van de WVO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het schoolbestuur (o.a. naam en adres voorzitter en secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres school, telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen, stellen wij een formulier vast. Dit formulier wordt aan de schoolbesturen toegezonden. Wij kunnen in dit formulier de gegevens opnemen die al bij ons bekend zijn. Het schoolbestuur kan zich dan beperken tot het vermelden van de wijzigingen.</al><al>Gezien de ontwikkeling van de digitale werkomgeving, ligt het voor de hand, gebruik te maken van een digitale aanlevering en verwerking van aanvragen.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Artikel 6 bepaalt dat een aanvraag voor het programma wordt ingediend door middel van een door ons college vastgesteld aanvraagformulier. Door te werken met een (bij voorkeur digitaal) standaardformulier, worden de gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag (zie ook artikel 7) op een eenduidige wijze ontvangen. Dit vergroot de onderlinge vergelijkbaarheid van aanvragen. Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het overzicht de aanvragen worden opgenomen, die zijn ingediend voor het programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76c van de WVO en toelichting bij artikel 13).</al><al/><al>Ook in de situatie dat de gemeenteraad in overleg met de schoolbesturen een meerjarig huisvestingsbeleid (Integraal Huisvestingsplan, (IHP)) heeft vastgesteld (het zgn. ‘consensusmodel’) moet een aanvraag wordt ingediend. De reden is dat een IHP geen juridische status heeft.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolledige aanvraag </vet></al><al><cursief>Lid</cursief><cursief>1 </cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het schoolbestuur moet aanleveren willen wij de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van schoolbestuur en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het schoolbestuur bij de aanvraag een leerlingenprognose indient.</al><al/><al>In onderling overleg én na overeenstemming met de schoolbesturen kunnen wij overeenkomen dat wij een leerlingenprognose opstellen voor alle scholen in onze gemeente en dat deze leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van de aanvraag. Een schoolbestuur kan dan afzien van het laten opstellen van een leerlingenprognose. Van belang is, dat de schoolbesturen, nadat de leerlingenprognose is uitgebracht, de uitkomst overnemen. In de toelichting op bijlage II gaan wij nader op dit aspect in.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat wij het schoolbestuur in staat moeten stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluiten wij de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al/><al><cursief>Lid</cursief><cursief>3 </cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moeten wij tijdig beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is. De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen wij besluiten om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel verplicht ons om alle schoolbesturen een overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit overzicht hebben alle schoolbesturen inzicht in wat er aan aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de aanvragen.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</vet></al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Zijn wij na het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg plaats met het schoolbestuur. Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de kostenraming, bepalen wij de hoogte van de geraamde kosten die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend. Wij moeten in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is afgeweken van het bedrag dat door het schoolbestuur bij de aanvraag is overgelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</vet></al><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Wij zijn verplicht, voordat het programma en overzicht wordt vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met alle schoolbesturen. In plaats van een overleg met alle schoolbesturen kunnen wij besluiten het overleg in te richten per onderwijssector (primair, (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs). Het overleg over de voorzieningen huisvesting onderwijs kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve agenda. Het staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan het overleg deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte zijn van de schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg eventueel op kunnen reageren.</al><al/><al><cursief>Lid 5-8</cursief></al><al/><al>De leden 5-8 zijn gebaseerd op artikel 102, zesde lid, van de WPO, artikel 100, zesde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Zowel een schoolbestuur als ons college kan de Onderwijsraad advies vragen over het voornemen tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs. De leden 5 t/m 8 vermelden de procedure die moet worden gevolgd voor het vragen van dit advies. De adviesaanvraag moet betrekking hebben op de relatie tussen het voorgenomen besluit tot het vaststellen van het programma voorzieningen huisvesting onderwijs en de aspecten van vrijheid van richting en vrijheid van inrichting. Wij zijn in alle gevallen verplicht het verzoek om advies in te dienen bij de Onderwijsraad en dit verzoek goed te documenteren. Daarnaast moet het verzoek vergezeld gaan van alle stukken die relevant (kunnen) zijn voor de adviseur (artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). De Onderwijsraad stelt zich namelijk op het standpunt dat de adviestermijn van vier weken start vanaf het moment dat de Onderwijsraad beschikt over de stukken die hij relevant acht voor de advisering. Als de Onderwijsraad om advies wordt gevraagd is het van belang dat wij goed in de gaten houden dat hierdoor de besluitvorming geen ernstige vertraging oploopt.</al><al/><al>De Onderwijsraad brengt binnen vier weken, nadat de Onderwijsraad alle noodzakelijke informatie heeft ontvangen, zijn advies uit. Wij zenden het advies van de Onderwijsraad daarna zo spoedig mogelijk aan de schoolbesturen. Afhankelijk van het ontvangen advies wordt een nieuw bestuurlijk overleg vastgesteld. Op de wijze waarop de Onderwijsraad adviseert is van toepassing wat in algemene zin over het verstrekken van adviezen is geregeld in de Awb. In dit verband is vooral het bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 3:50 van belang. Zo kan op grond van artikel 3:6, tweede lid, ons college het programma voorzieningen huisvesting onderwijs vaststellen als de Onderwijsraad het advies niet binnen vier weken nadat de adviesaanvraag volledig is, uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 zijn wij gehouden, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van advies. Wanneer wij afwijken van het advies van de Onderwijsraad worden op grond van artikel 3:50 van de Awb de redenen daarvan vermeld in de motivering. Het vijfde lid bepaalt dat alle deelnemers aan het overleg in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van een (voorgenomen) verzoek om advies aan de Onderwijsraad. Dit omdat iedereen erbij gebaat is dat duidelijkheid bestaat over de beweegredenen bij een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te wenden. Dit laat uiteraard onverlet het recht van een individueel schoolbestuur of van ons college om de Onderwijsraad in te schakelen als de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. De zienswijzen van de schoolbesturen moeten schriftelijk worden vastgelegd omdat de Onderwijsraad bij het vormen van zijn oordeel over een verzoek om advies ook afwijkende meningen zal willen betrekken.</al><al/><al>Van een eventueel overleg, nadat het advies van de Onderwijsraad wordt ontvangen, wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat wordt toegevoegd aan de stukken die moeten leiden tot een besluit van ons college.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Tijdstip vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Wij zijn verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht.<noot><noot.nr>10 </noot.nr><noot.al>LJN BG8296, Raad van State, 200803033/1.</noot.al></noot> Het bekostigingsplafond staat los van het totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden gehonoreerd. Wij kunnen een bekostigingsplafond per onderwijssector of per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan.</al><al/><al><cursief>Lid</cursief><cursief>2 </cursief></al><al>Uitgangspunt van de verordening is dat het programma en, als dit noodzakelijk is, het overzicht worden vastgesteld voor 31 december van het lopende kalenderjaar. De datum van 31 december is geen fatale termijn. Wordt het programma en overzicht niet voor 31 december vastgesteld dan betekent dit niet dat alle aangevraagde voorzieningen automatisch voor bekostiging in aanmerking komen. Op grond van Artikel 6:2 van de Awb heeft het schoolbestuur, omdat wij niet tijdig een besluit hebben genomen, de mogelijkheid om in deze situatie de procedure van bezwaar en beroep te volgen. De overschrijding van de termijn heeft dus geen (financiële) gevolgen voor ons college.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond, programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 95 van de WPO, 93 van de WEC en 76f van de WVO vermelden de criteria die wij moeten hanteren bij het vaststellen van het programma voorziening huisvesting onderwijs. Het uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs is opgenomen in artikel 96 van de WPO, 94 van de WEC en 76g van de WVO. In dit artikel wordt bepaald op welke wijze het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de schoolbesturen wordt bekendgemaakt.</al><al/><al><cursief>Lid</cursief><cursief>1 </cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat de onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de uitvoering van de voorziening met ons moet plaatsvinden. Op grond van artikel 3:43 van de Awb moeten wij het besluit meedelen aan degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is in de verordening opgenomen dat het besluit aan alle schoolbesturen wordt verzonden.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als overzicht ter inzage worden gelegd.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te komen tot het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van deze afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject voorkomen.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO, artikel 93, achtste lid , van de WEC en artikel 76n van de WVO is opgenomen dat ons college binnen vier weken met het betrokken schoolbestuur in overleg treedt over de uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’ betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen betrekking hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor bijv. de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en wij daarnaast van mening zijn dat het indienen van het bouwplan en de desbetreffende begroting voor een op het programma opgenomen voorziening achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn o.a.:</al><lijst><li nr="1."><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het schoolbestuur optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel 103, eerste lid , van de WPO, artikel 101, eerste lid , van de WEC en artikel 76n, eerste lid, van de WVO. Het alternatief is dat wij de voorziening tot stand brengen (artikel 103, tweede lid, van de WPO, artikel 101, tweede lid, van de WEC en artikel 76n, tweede lid, van de WVO). In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="2."><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal vierkante meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="3."><al>het feit dat wij in de periode die is verlopen tussen het moment van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kunnen toetsen of zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen, waardoor het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het overleg wordt vastgelegd of wij gebruik maken van deze mogelijkheid, zodat wij, na ontvangst tot goedkeuring van het bouwplan en de kostenbegroting kunnen besluiten om de toegekende vergoeding te herzien;</al></li><li nr="4."><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over de besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het project (zie ook toelichting artikel 15);</al></li><li nr="5."><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure te volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor ons feitelijk niet relevant, omdat het schoolbestuur aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de aanbesteding wel relevant voor het bepalen voor de hoogte van het definitieve investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat voldaan wordt aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante Europese regelgeving.<noot><noot.nr>11 </noot.nr><noot.al>Enkele relevante begrippen zijn werken, diensten en leveringen. Onder de definitie ‘werken’ vallen bouwactiviteiten, zoals nieuwbouw, uitbreiding en dergelijke. Bijlage 1 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder de definitie ‘diensten’ vallen de door opdrachtnemers uit te voeren werkzaamheden als onderhoud en reparatie, vervoer, boekhouding en dergelijke, waarbij een eventuele levering van fysieke producten van bijkomende orde is ten opzichte van de omvang van de uit te voeren werkzaam- heden. Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG is hierbij beslissend. Onder de definitie ‘leveringen’ vallen de door leveranciers te leveren prestaties bij de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koop- optie, van fysieke producten, zoals meubilair of onderwijsleerpakket en dergelijke. Het gaat daarbij per definitie om activiteiten of werkzaamheden die niet zijn opgenomen in Bijlage 1 en/of Bijlage 2 van richtlijn 2004/18/EG.</noot.al></noot></al></li></lijst><al>Daarnaast is van toepassing wat de gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er geen Europese regelgeving van toepassing is.</al><al>1. </al><al>2. Onderstaand is een tabel opgenomen met een onderscheid naar datgene dat in het gemeentelijke aanbestedingsbeleid is opgenomen voor het opvragen van offertes en wat is opgenomen in de Europese richtlijnen. Bij aanbestedingen van opdrachten onder het Europese drempelbedrag<noot><noot.nr>12 </noot.nr><noot.al>In de richtlijn 2004/18/EG zijn drempelbedragen opgenomen. Deze drempelbedragen worden eenmaal in de twee jaar opnieuw vastgesteld door de Europese Commissie. Is de geraamde waarde van de op- dracht exclusief BTW gelijk aan of hoger dan het vastgestelde drempelbedrag dan moet Europees worden aanbesteed. De drempelbedragen voor de jaren 2014 en 2015 zijn vastgesteld en opgenomen in de tabel.</noot.al></noot> kunnen wij op verzoek van het schoolbestuur besluiten van het bepaalde in de tabel af te wijken.</al><al/><table frame="all"><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al><vet>Uitgangspunten</vet> <vet>aanbestedingsprocedu</vet><vet>re (genoemde bedragen zijn exclusief BTW), per 01-01-2015</vet></al><al><vet>Leveringen</vet></al></entry><entry><al><vet>Diensten</vet></al></entry><entry><al><vet>Werken</vet></al></entry><entry><al><vet>Aanbestedingsvorm</vet></al></entry></row><row><entry><al>&lt; € 20.000</al></entry><entry><al>&lt; € 20.000</al></entry><entry><al>&lt; € 20.000</al></entry><entry><al>Enkelvoudig onderhandse procedures</al></entry></row><row><entry><al>≥€ 20.000 &lt; € 50.000</al></entry><entry><al>≥€ 20.000 &lt; € 50.000</al></entry><entry><al>≥€ 20.000 &lt; € 50.000</al></entry><entry><al>Meervoudig onderhandse procedures (minimaal 2 offerten)</al></entry></row><row><entry><al>≥€ 50.000 &lt; € 100.000</al></entry><entry><al>≥€ 50.000 &lt; € 100.000</al></entry><entry><al>≥€ 50.000 &lt; € 350.000</al></entry><entry><al>Meervoudig onderhandse procedures (minimaal 3 offerten)</al></entry></row><row><entry><al>≥€ 100.000 &lt; € 207.000</al></entry><entry><al>≥€ 100.000 &lt; € 207.000</al></entry><entry><al>≥€ 350.000 &lt; € 5.186.000</al></entry><entry><al>Openbaar</al></entry></row><row><entry><al>≥ € 207.000</al></entry><entry><al>≥ € 207.000</al></entry><entry><al>≥ € 5.186.000</al></entry><entry><al>Europees</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de overeengekomen huurprijs vooraf aan ons ter goedkeuring worden voorgelegd.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening, is bepaald dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming bestaat over de wijze van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager niet in met het verslag, dan is nader overleg noodzakelijk met als doel alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook schriftelijk door beide partijen vastgelegd.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Wij kunnen in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden. Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer vergt. Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging een aanvang neemt.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag is opgenomen dan zijn wij de instantie die een definitief besluit neemt. Dit besluit delen wij mee aan het schoolbestuur. In het besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de aanvrager gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat wij hebben ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk plan naar het oordeel van ons college gezien de aard van de voorziening niet vereist is, kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid).</al><al/><al>Nadat wij de uitkomst van de aanbesteding hebben ontvangen, besluiten wij tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het overleg deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO, artikel 101 van de WEC en artikel 76n van de WVO en heeft een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Wij toetsen, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe ontwikkelingen en stellen het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="1."><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van de bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven beschikking (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en toegekende bvo).</al></li><li nr="2."><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen, wordt getoetst is afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd. Maakt het schoolbestuur aanspraak op:</al></li><li nr="3."><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst, omdat het schoolbestuur aanspraak maakt op het normbedrag en wij geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stellen;</al></li><li nr="4."><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De kostenbegroting die was ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk een raming van de kosten. Deze begroting had toen als functie te komen tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van de begroting die is ontvangen als onderdeel van de ingediende aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering van een voorziening die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de rol over van de begroting.</al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het schoolbestuur tevens op welk moment het schoolbestuur de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee de bekostiging.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als wij niet binnen de gestelde termijnen beslissen, wordt geacht de gevraagde goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager. Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stellen wij het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO, artikel 97, eerste lid, van de WEC en artikel 76j van de WVO.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste prijs maar de economisch meest voordelige inschrijving bepalend is. Dit is conform het uitgangspunt van de Aanbestedingswet 2012. Het college kan hiervan gemotiveerd afwijken.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO, artikel 100, vierde lid, van de WEC en artikel 76m van de WVO. Het geven wij de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht, hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="1."><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt uitbetaald;</al></li><li nr="2."><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat (automatische verwerking met valutadata in financiële administratie), en</al></li><li nr="3."><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de nota’s van het schoolbestuur.</al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever, tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de vergoeding door ons college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een relatie tussen college en schoolbestuur. Vanuit dit uitgangspunt is de formele lijn dat wij het bedrag aan het schoolbestuur betalen en het schoolbestuur het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het schoolbestuur ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle rekeningen die op het project betrekking hebben, of een accountantsverklaring.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De data 1 en 15 oktober zijn gekozen met het oog op het moment dat de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of dat de realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is:</al><lijst><li nr="1."><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet gehandhaafd, en</al></li><li nr="2."><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw moet worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang voor ons college, omdat wij na de genoemde data actie in de richting van de aanvrager kunnen ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat, als ons college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op een voorziening.</al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het schoolbestuur niet aan de gestelde termijnen kan voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen. Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="1."><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="2."><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="3."><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij ons college een verzoek in te dienen om de gestelde termijnen te verlengen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als wij dus niet tijdig beslissen is voor de aanvrager de in het eerste lid genoemde datum niet haalbaar.</al><al/><al><vet>Artikelen 17-21. Aanvragen met spoedeisend karakter</vet></al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs wordt belemmerd. Het schoolbestuur kan dan op grond van deze artikelen een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is, die op korte termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren komen in de omschrijving van aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="1."><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in een andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="2."><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen asbest), of</al></li><li nr="3."><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’ voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>dat een schoolbestuur verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6 van de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma, of</al></li><li nr="2."><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 17. Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch) worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de melding moet de aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Inhoud aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het schoolbestuur verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer kan vinden.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 19. Tijdstip beslissing</vet></al><al>Omdat de aanvraag een spoedeisend karakter heeft, wordt ook voor de beslistermijn een korte periode aangehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 20. Uitvoeren beslissing </vet></al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de bijlagen I tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In tegenstelling tot de reguliere procedure kunnen wij bij de spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste lid, van de WPO, artikel 96, tweede lid, van de WEC en artikel 98, eerste lid, van de WEC en artikel 76i, tweede lid, van de WVO en artikel 76k, eerste lid, van de WVO.</al><al/><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van toepassing.</al><al/><al><vet>Artikelen 21-27. Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 21-27 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO, artikel 100 van de WEC en artikel 76m van de WVO. Op grond hiervan moet de gemeenteraad bij verordening (i.c. verordening voorziening huisvesting onderwijs) een procedure vaststellen voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het gebruik door de eigen school.</al><al/><al>De artikelen 21 t/m 27 passen wij toe als wij een aanvraag van een schoolbestuur voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs hebben ontvangen. Wij kunnen besluiten dat de aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen, omdat door middel van medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 21. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven ons college de mogelijkheid om leegstand te vorderen op het moment dat wij op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw, vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school hebben ontvangen. Wij moeten twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.</al><al/><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Dit wordt alleen toegepast als een onderwijssector (bijv. voortgezet onderwijs) is ondergebracht bij een instelling die valt onder de Wet educatie en beroepsonderwijs. Naar het zich laat aanzien zal dit zich in onze gemeente niet voordoen.</al><al/><al><vet>Artikel 22. Omschrijving leegstand</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid gemaakt in leegstand bij een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat wij kunnen besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een school voor basisonderwijs toe te wijzen aan een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een school voor voortgezet onderwijs.</al><al/><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit waaraan een schoolbestuur een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek, overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een schoolbestuur een andere bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk onderwijsgebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal voor bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs kan op basis van het lesrooster per week maximaal 26 klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is.</al><al>Voor scholen voor het voortgezet onderwijs wordt voor het inroosteren uitgegaan van minimaal 32 lesuren<noot><noot.nr>13 </noot.nr><noot.al>In het voortgezet onderwijs wordt gehanteerd het begrip lesuren. Hierbij wordt uitgegaan van een lesuur van 50 minuten, met daarnaast 10 minuten voor het omkleden c.a. van de leerlingen. Voor het vaststellen van de capaciteit en de ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs voor het voortgezet onderwijs wordt zodoende gerekend met een klokuur.</noot.al></noot> en maximaal 40 lesuren, omdat voor het voortgezet onderwijs het aantal van 40 lesuren, gelet op de schooltijden voor het voortgezet onderwijs, de maximumgrens vormt. Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs minder dan 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs voor het verschil tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs] minder dan 26 klokuren of 26 klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voortgezet minder dan 40 klokuren ingeroosterd zijn medegebruik mogelijk is door:</al></li><li nr="-"><al>een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs mogelijk als de klokuren medegebruik passen binnen de 26 klokuren, en</al></li><li nr="-"><al>een school voor voortgezet onderwijs mogelijk voor de resterende klokuren tot een maximum van 40 lesuren.</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al/><al><vet>Artikel 23. Nalaten vorderen</vet></al><al>Dit artikel geeft de schoolbesturen de ruimte in onderling overleg medegebruik te regelen. Als de schoolbesturen een onderlinge regeling hebben getroffen, zijn er voor ons college geen reden om dat te doorkruisen, tenzij wij hebben vastgesteld dat de school die medegebruiker is, in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Als schoolbesturen medegebruik onderling hebben geregeld moeten wij hiervan in kennis worden gesteld. Wij moeten vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale situatie is gecreëerd.</al><al/><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen, wordt in onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluiten wij zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al/><al><vet>Artikel 24. Overleg en mededeling</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg over het programma. Voor beide schoolbesturen die betrokken zijn bij het voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een afzonderlijk besluit van ons college.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen, is geen termijn voor het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich meebrengen, dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden. Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de gelegenheid hebben, om de nodige maatregelen te treffen.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een schoolbestuur waarvan leegstand wordt gevorderd, moet de gelegenheid hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo kort mogelijk gehouden. Voordat wij het besluit tot vorderen hebben genomen, heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden met het schoolbestuur. Dit betekent dat het schoolbestuur in principe al in de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het schoolbestuur waarvan gevorderd wordt, moet weten waar het aan toe is. Om deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv. worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen, dat het vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt, als de leegstand voor de eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik gaat.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Vergoeding </vet></al><al>Bij medegebruik heeft het schoolbestuur dat ruimte in medegebruik geeft te maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De schoolbesturen moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik overeenkomen. Uitgangspunt is, dat de werkelijke exploitatiekosten worden vergoed. Dit is redelijk omdat het schoolbestuur dat medegebruiker is ook bij het gebruik van de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen. Deze werkelijke kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële instandhouding die het schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte subsidiëring van de medegebruiker en zet het schoolbestuur dat een gedeelte van de school in medegebruik heeft geven, de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die voor rekening van de school en de medegebruiker komen.</al><al>Als tussen de betrokkenen geen overeenstemming wordt bereikt dan moeten de partijen vaststellen welke procedure wordt gevolgd om te komen tot het vaststellen van het bedrag van de vergoeding. Overeengekomen kan bijvoorbeeld worden dat een onafhankelijke derde het definitieve vergoedingsbedrag bepaald.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Overleg en mededeling</vet></al><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het schoolbestuur in het overleg met ons college de gelegenheid krijgt om specifieke wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het schoolbestuur kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol spelen.</al><al/><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen ons college en schoolbestuur minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet onderwijsinstelling aan de orde is. Het schoolbestuur moet, voordat het instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het overleg en de activiteiten waarvoor het me- degebruik noodzakelijk is, kan het noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkun- dige maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de vergoeding ‘medege- bruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het schoolbestuur vrij om een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te sluiten bij de systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al/><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in het overleg tussen ons college en schoolbestuur door ons wordt vertegenwoordigd. Het is aan ons college om te besluiten of de beoogde medegebruiker al of niet deelneemt aan het overleg. Het schoolbestuur, ons college en de medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt gevormd door het besluit tot vordering door ons college.</al><al/><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, nemen wij een beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan worden.</al><al/><al><vet>Artikel 27. Verzoek toestemming college </vet></al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat wij een schoolgebouw waarvan het schoolbestuur juridisch eigenaar is, niet kunnen vorderen voor verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is uitsluitend de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Het schoolbestuur moet, als het (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan ons college toestemming voor de verhuur vragen. Zonder onze toestemming is een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Bij het aanvragen van de toestemming voor de verhuur moet het schoolbestuur ons inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur en de in de komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast betrekken wij bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat wij toestemming voor de verhuur verlenen, maar binnen de verhuurtermijn een aanvraag wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een schoolgebouw.</al><al/><al>Met de door het schoolbestuur verstrekte informatie toetsen wij het verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van de WPO, artikel 106, eerste lid, van de WEC en artikel 76s van de WVO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren als:</al><lijst><li nr="1."><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en 1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="2."><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de school.</al></li></lijst><al>Wij nemen bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor het onderwijs, dat wij deze ruimte dan vorderen. De wet bepaalt dat de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het voortijdig opzeggen van het huurcontract door het schoolbestuur, omdat wij gebruik maken van hun vorderingsrecht, liggen bij het schoolbestuur.</al><al/><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs bepaald worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw) vast. In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor ons college om aan de toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur een huur is verschuldigd, waarvan de hoogte door ons wordt vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is opgenomen. Deze huurvergoeding is wat anders dan de gebruiksvergoeding waarvan de hoogte door het schoolbestuur wordt vastgesteld en waar het schoolbestuur aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden afgedragen aan ons college als bijdrage in de investeringslasten van het schoolgebouw. De Raad van State heeft vastgesteld dat het college een huurvergoeding kan vragen onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>wij moeten kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van de huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het verlies aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="3."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan onderwijshuisvesting.<noot><noot.nr>14 </noot.nr><noot.al>LJN BK0803, Raad van State, 200901067/1/H2 en 201308827/1/A2.</noot.al></noot></al></li></lijst><al><vet>Artikel 28. Staat van onderhoud</vet></al><al><cursief>Overdracht</cursief></al><al>In artikel 110 van de WPO, artikel 108 van de WEC en artikel 76u van de WVO is geregeld in welke situatie en hoe moet worden omgegaan met de overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en-terrein aan ons college. Over het algemeen is de overdracht van het hele schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging (bijzonder onderwijs), het opheffen van de school (openbaar onderwijs) door de minister van OCW of als uitvloeisel van krimp van leerlingen en herschikking van bestaande voorzieningen. Overdracht door het schoolbestuur van een schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats als het schoolbestuur (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere locatie is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is, wordt in de door ons college en schoolbestuur gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij het einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden.</al><al/><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat van onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van overdracht.</al><al/><al><cursief>Beëindiging gebruik</cursief></al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen van het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een gebouw door het schoolbestuur en vergelijkbaar met de procedure die geldt bij eigendomsoverdracht.</al><al/><al><cursief>Achterstallig onderhoud</cursief></al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het schoolbestuur, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen, voordat het buiten gebruik wordt gesteld.</al><al/><al>Achterstallig onderhoud is in principe aan de orde als blijkt dat bepaalde zaken bouwkundig in zo’n slechte staat verkeren dat dit al had moeten zijn uitgevoerd, men constateert bijvoorbeeld vervolgschade. Is het onderhoud uitgevoerd op basis van een meerjarenonderhoudsplan, dan is over het algemeen geen sprake van achterstallig onderhoud.</al><al>Voorbeeld:</al><lijst><li nr="1."><al>in de meerjarenonderhoudsplanning (MOP) is opgenomen dat een schilderbeurt over één jaar moet worden uitgevoerd;</al></li><li nr="2."><al>uit de schouwing van het gebouw blijkt ook niet dat dit schilderwerk eigenlijk al had moeten plaatsvinden (MOP is en blijft een indicatie met een indicatief jaar van uitvoering),</al></li><li nr="3."><al>conclusie is dat er geen sprake is van achterstallig onderhoud.</al></li></lijst><al>Blijkt echter dat b.v. het schilderwerk in zo’n slechte staat verkeert dat het schilderwerk al had moeten zijn uitgevoerd of niet volgens het meerjarenonderhoudsplan is uitgevoerd, dan is sprake van een andere situatie en is sprake van achterstallig onderhoud.</al><al/><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Wij geven de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt, hebben wij overleg met het betrokken schoolbestuur over de inhoud van de opdracht en over de instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q. meningsverschillen ontstaan over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op grond van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het schoolbestuur gevraagd worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd).</al><al/><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt, dat bij het opmaken van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het schoolbestuur met deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen worden dat het schoolbestuur:</al><lijst><li nr="1."><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke onderhoud, of</al></li><li nr="2."><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan ons college betaalt, waarna wij de opdracht verstrekken.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal zijn. Er kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan. Alternatief is dat ons college zich wendt tot de burgerlijke rechter, op grond van het feit dat het schoolbestuur een onrechtmatige daad heeft gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al/><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit nog te laten vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op termijn bijv. te verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al/><al><vet>Artikel 29. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroosteren en gebruik </vet></al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het schoolbestuur of een derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van ons college om een rooster bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs van lokalen bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal klokuren. Het aantal klokuren is afhankelijk is van het aantal gymgroepen. Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen en het aantal formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als gevolg van mutaties in het aantal leerlingen. Voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader van het programma en de spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het verwerken van de jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs. Dit geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de bestaande capaciteit kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding of nieuwbouw van lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure opgenomen.</al><al/><al>Uitgangspunt van deze procedure is dat wij op basis van het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststellen en op basis van het aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan vaststellen. Stellen wij vast dat er te weinig capaciteit is, of dat een lokaal bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kunnen wij de procedure voor het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening starten. Door deze procedure hebben wij, als lokale overheid, tijdig zicht heeft op:</al><lijst><li nr="1."><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs, inclusief de accommodaties die op grond van de onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="2."><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="3."><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="4."><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs gebruikt wordt, en</al></li><li nr="5."><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>wij stellen voor 15 december op basis van de teldatum 1 oktober het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>wij stellen voor 31 december daaropvolgend een conceptrooster op; als basis kan dienen het rooster bewegingsonderwijs van het lopende schooljaar en daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties in het aantal gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>wij stellen de schoolbesturen voor 15 januari daaropvolgend in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de schoolbesturen reageren voor 1 maart op het aangeboden conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het schoolbestuur kan ons college vragen om voor de datum van 1 maart een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>wij stellen het rooster bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar vast voor 15 maart.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het schoolbestuur de mogelijkheid om meer klokuren bewegingsonderwijs aan te vragen dan door ons college genormeerd is vastgesteld. Wij kunnen dit verzoek honoreren als binnen de bestaande accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het schoolbestuur worden dan de kosten van deze extra klokuren doorberekend.</al><al/><al><vet>Artikel 31. Indexering</vet></al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het jaarlijks aanpassen van de normbedragen wordt gedelegeerd aan ons college. De uitgangspunten voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A. Het wettelijk verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een wijziging van de verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het toezenden van de voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop te reageren.</al><al/><al><vet>1.</vet><vet>Toelichting op de bijlagen, behorende bij de huisvestingsverordening</vet></al><al/><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria noodzaak aangevraagde voorzieningen</vet></al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen bewegingsonderwijs.</al><al/><al><vet>Deel A –Lesgebouwen</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven.</al><al/><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten. Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten. Ontvangen wij een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening voor een dislocatie, dan stellen wij, voordat het besluit deze aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="1."><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="2."><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="3."><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is op basis van het voorgaande een financiële afweging van ons college.</al><al/><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moeten wij beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="1."><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat ingeschreven;</al></li><li nr="2."><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="3."><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (= bruto vloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="4."><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="1."><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere voorziening goedgekeurd;</al></li><li nr="2."><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="3."><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt, onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand gebouw.</al><al/><al>A.1 Nieuwbouw </al><al>Nieuwbouw is noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al/><al>A.2 Vervangende bouw</al><al>Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn van een tweetal situaties, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw</al></li><li nr="2."><al>een herschikkingsoperatie</al></li></lijst><al><cursief>De slechte conditie (bouwkundige staat) van een gebouw.</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en om verschillen in de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis gesteld een rapportage op grond van NEN 2767. Uitgangspunt van deze methode is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en bevindingen worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in aanmerking komen, wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn. 'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een beginnende veroudering; Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar; Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk is.</al><al>Vervangende nieuwbouw heeft een relatie met onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw waarvoor het bevoegd gezag de bekostiging rechtstreeks van de minister van OCW ontvangt. Deze vergoeding is niet alleen bestemd voor activiteiten met een kortlopende cyclus, maar ook met een langlopende cyclus (bijv. vervangen kozijnen, leidingen). Dit betekent dat als er sprake is van een bouwkundige rapportage met conditie 5 of 6 moet worden vastgesteld of in de afgelopen jaren het onderhoud op een verantwoorde wijze heeft plaatsgevonden. Is het schoolbestuur op dit onderdeel nalatig geweest dan kan de aanvraag voor vervangende nieuwbouw worden afgewezen. Wordt in overleg tussen college en bevoegd gezag afgezien van het investeren in onderhoud en aanpassen van het schoolgebouw dan moeten afspraken gemaakt worden over het bekostigen van de totale investering, omdat het bevoegd gezag de voor onderhoud en aanpassen ontvangen middelen niet voor dit doel hoeft in te zetten.</al><al/><al><cursief>Een herschikkingsoperatie</cursief></al><al>Vervangende nieuwbouw kan het gevolg zijn een herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>schoolbesturen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil, eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere schoolgebouw kan worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt bereikt en dat het voor ons college een budgettair neutrale investering is, dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de verkoop van de bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur, gelden die het schoolbestuur van het rijk ontvangt voor het bekostigen van de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als medefinanciering worden ingezet.</al><al/><al>A.3 Uitbreiding</al><al>Uitbreiding wordt toegekend als de bestaande capaciteit van het schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is dan groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III). Het is aan ons te bepalen op welke wijze de gevraagde extra capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kunnen wij rekening houden met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding van het schoolgebouw bijv. medegebruik toekennen.</al><al/><al><vet>A4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>In gebruik nemen van een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Wij kunnen besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li></lijst><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op dit punt kunnen wij een afweging maken tussen het verplaatsen en het bekostigen van een nieuwe voorziening.</al><al/><al>A.6 Terrein</al><al>Terrein is een voorziening huisvesting onderwijs die niet automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd. Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening rekening mee gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het programma.</al><al/><al>A.7 Eerste </al><al>inrichting Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een school voor voortgezet onderwijs. Voor alle onderwijssectoren is de bekostiging van de eerste inrichting gekoppeld aan het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt toegekend.</al><al/><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw. Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de bruto vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke scholen is toegekend.</al><al/><al>A.8 Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van middelen.</al><al>Voordat wij besluiten tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht te hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol is).</al></li></lijst><al>In bijlage I bij de verordening hebben wij het aantal locaties waarnaar bij medegebruik van leegstand kan worden verwezen vastgesteld op twee. Wij hebben in dezelfde bijlage bij de verordening een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte die in aanmerking komt voor het medegebruik (de zgn. verwijsafstand) vastgesteld op 2 km, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg.</al><al/><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw van scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt vastgesteld op basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de berekende genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al>Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs is per definitie geschikt voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten, die een schoolbestuur met eigen middelen heeft bekostigd, maar waarvoor wij een vergoeding verstrekken (zogenaamde eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten die een schoolbestuur volledig met eigen middelen heeft gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al><vet>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe bewoner</vet></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen voor rekening van de gemeente.</al><al/><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefouten is een voorziening huisvesting onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend, is het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker van de constructiefout aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit verband speelt ook het moment waarop bekostiging voor een constructiefout wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad van State uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen van bekostiging lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel dat, gelet op de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud.<noot><noot.nr>15 </noot.nr><noot.al>LJN BJ7202, Raad van State, 200809152/1/H2.</noot.al></noot> Het herstel van een constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting onderwijs en komt voor rekening van het schoolbestuur als de constructiefout het gevolg is van nalatigheid van het schoolbestuur (artikel 100, tweede lid, van de WPO, artikel 98, tweede lid, van de WEC en artikel 76k, tweede lid, van de WVO.<noot><noot.nr>16 </noot.nr><noot.al>BX8979, Raad van State, 201200195/1/A2.</noot.al></noot></al><al/><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere omstandigheden is van toepassing als het schoolbestuur geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk, storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose daartoe aanleiding geeft. Ook kunnen wij in plaats van nieuwbouw een ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade veroorzaakt wordt door nalatigheid van het schoolbestuur (bijv. inbraak was mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van het schoolbestuur komen.</al><al/><al><vet>Deel B – Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan juridisch eigendom zijn van de gemeente, het schoolbestuur, of een derde.</al><al/><al><vet> B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikgeving</vet></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen is een relatie gelegd tussen het aantal klokuren dat moet worden ingeroosterd en de afstand tussen het schoolgebouw dat van het lokaal bewegingsonderwijs gebruik moet maken.</al><al/><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de gemeente financieel een goed alternatief is, kunnen wij besluiten in plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen voeren wij overleg met het schoolbestuur. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Verordening materiële financiële gelijkstelling onderwijs Groesbeek 2015.</al><al/><al>Voor het (voortgezet) speciaal onderwijs wordt aan een lokaal bewegingsonderwijs gelijkgesteld een lokaal voor motorische therapie en een schoolbad (watergewenningsbad of hydrotherapiebad). Deze laatste twee voorzieningen kunnen uitsluitend worden aangevraagd en bekostigd voor de onderwijssoorten waarvoor een dergelijke ruimte verplicht is:</al><lijst><li nr="-"><al>een hydrotherapiebad is noodzakelijk voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor lichamelijk gehandicapte kinderen en voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapte kinderen met een lichamelijke handicap, en</al></li><li nr="-"><al>een watergewenningsbad is noodzakelijk voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen en een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor meervoudig gehandicapten met zeer moeilijk lerende kinderen.</al></li></lijst><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>Aanvullend meubilair voor het inrichten van het lokaal bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal wordt vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging eerste inrichting verstrekt.</al><al/><al>B.5 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruik in een lokaal bewegingsonderwijs wordt vastgesteld op basis van het rooster bewegingsonderwijs dat wij hebben vastgesteld voor de scholen voor primair en speciaal of voortgezet speciaal onderwijs en het rooster bewegingsonderwijs dat het schoolbestuur van de school voor het voortgezet onderwijs heeft vastgesteld voor de school voor voortgezet onderwijs.</al><al/><al><vet>Bijlage II – Prognosecriteria</vet></al><al>Een onmisbaar onderdeel bij het plannen van huisvestingsvoorzieningen en bij het beoordelen van aanvragen zijn leerlingenprognoses. Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 18, eerste lid, is het schoolbestuur verplicht een leerlingenprognose over te leggen als een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de door de schoolbesturen aangevraagde voorziening en van belang voor het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs noodzakelijk is.</al><al/><al><cursief>Programma van eisen</cursief></al><al>De VNG heeft in samenwerking met de besturenorganisaties voor het openbaar en bijzonder onderwijs een programma van eisen voor het opstellen van een leerlingenprognose opgesteld. Het programma van eisen is zeer gedetailleerd, tot op het niveau van de vereiste rekenregels. De prognoseprogrammatuur moet voldoen aan deze eisen om te komen tot</al><al>de leerlingenprognose die op grond van de verordening wordt geëist. Het gaat dan om een beschrijving van definities, begrippen en formules die per onderwijssector leiden tot het hanteren van de juiste basisgeneraties en daarmee tot een geprognosticeerd aantal leerlingen van de school.</al><al>Het programma van eisen voor de leerlingenprognose wordt ook door de minister van OCW gehanteerd voor het beoordelen van een aanvraag voor het stichten van een nieuwe school (Plan van Scholen).</al><al/><al>Omdat bijlage II onderdeel is van de verordening maakt het vaststellen van het programma van eisen voor de leerlingenprognose onderdeel uit van het ’op overeenstemming gericht overleg’ op lokaal niveau. Het “Programma van eisen voor leerlingenprognose” maakt als afzonderlijke bijlage onderdeel uit van bijlage II.</al><al/><al><cursief>Integrale leerlingenprognose</cursief></al><al>Wij sluiten niet uit dat in samenspraak met de schoolbesturen wordt besloten het opstellen van de leerlingenprognose van ons te laten uitgaan. Voordeel hiervan is dat eenzelfde benadering wordt gekozen en voor de gehele gemeente een gelijkluidend beeld ontstaat. Over de opstelling van een dergelijke integrale leerlingenprognose zal in een bestuurlijk overleg overeenstemming moeten zijn bereikt.</al><al/><al>In bijlage II zijn weliswaar de criteria opgenomen die moeten worden betrokken bij de opstelling van de prognoses, maar zullen de verfijningen in overleg met de schoolbesturen moeten worden ingevuld. Het betreft onder meer de vaststelling van het herkomstgebied van de leerlingen, het aanleveren van schoolgebonden data en korte termijn gegevens van de scholen.</al><al/><al>Betrokken partijen moeten zich bewust zijn van het feit dat prognoses aannames blijven en bij de vertaling van de uitkomsten naar het huisvestingsbeleid deze uitkomsten richtinggevend zijn. Tegen die achtergrond is het van belang de prognoses met enige regelmaat te actualiseren om goed in te kunnen spelen op groei en krimp in de leerlingenstromen.</al><al>Nadat de prognoses in concept zijn opgesteld, zal aan de schoolbesturen om een reactie worden gevraagd. Afhankelijk van de reactie volgt al dan niet een bijstelling van het concept en zal tot slot instemming worden gevraagd van de schoolbesturen met de definitieve versie van de integrale leerlingenprognose.</al><al/><al><vet>Bijlage III – Beoordelingscriteria capaciteit, ruimtebehoefte en aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte die een schoolbestuur voor eigen rekening heeft gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze capaciteit wordt wel geregistreerd.</al><al/><al><vet>Deel A – Vaststellen capaciteit</vet></al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="1."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="2."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door ons college opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van artikel 5 van de verordening door de schoolbesturen aan ons college worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de gemeentelijke administratie beschikken wij over de meest actuele bruto vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie voor het vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het schoolbestuur ons vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Wij nemen over dit verzoek een besluit. Besluiten wij aan het verzoek van het schoolbestuur te voldoen, dan registreren wij zowel de totale bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het moment dat wij een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw ontvangen stellen wij vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al/><al><vet>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties </vet></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het schoolbestuur een besluit te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt overgedragen aan ons college, tenzij een van de locaties een gebouw is waarvoor wij een huurvergoeding betalen. Een schoolgebouw waarvoor wij een huurvergoeding betalen wordt als eerste buiten gebruik gesteld. Als wij van mening zijn dat het buiten gebruik stellen van een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen het schoolbestuur en ons college.</al><al/><al><vet> A.1.4 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al/><al><vet> A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het schoolgebouw, is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte. Uitgangspunt is dat op 1 januari 2015 de eerste inrichting is bekostigd, waarop het schoolbestuur tot die datum aanspraak maakte.</al><al/><al><vet> A.1.6 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs, of het aantal lesuren voor een school voor voortgezet kan worden ingeroosterd.</al><al/><al><vet> A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="1."><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="2."><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is gerealiseerd op het terrein van het schoolbestuur wordt het afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="3."><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="4."><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet afzonderlijk geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet> A.1.6.3 Inventaris </vet></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het bewegingsonderwijs.</al><al/><al><vet>Deel B – Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag op de school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze ruimtebehoefte noodzakelijk is.</al><al/><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs [, <cursief>een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs en een school voor voortgezet onderwijs</cursief>] wordt gebaseerd op het aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling. Een school voor voortgezet onderwijs maakt daarnaast aanspraak op een vaste voet, die afhankelijk is van:</al><lijst><li nr="-"><al>de aard van de vestiging, te weten een hoofd- of een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak, en</al></li><li nr="-"><al>de leerweg van de school voor vmbo of praktijkschool.</al></li></lijst><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal ongewogen leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven vermenigvuldigd met 5,03 m<sup>2</sup> per leerling. Op aanvullende ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’ staan ingeschreven. De aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de ‘gewichtensom’. De som van de basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte is de totale ruimtebehoefte.</al><al>Onderdeel van deze totale ruimtebehoefte is een speellokaal.</al><al/><al><vet> B.1.2 Speciale school voor basisonderwijs</vet></al><al>De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet (250 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal leerlingen dat op de speciale school voor basisonderwijs is ingeschreven, vermenigvuldigd met 7,35 m<sup>2</sup> per leerling.</al><al>Heeft de speciale school voor basisonderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m<sup>2</sup>.</al><al/><al><vet>B.1.3 School voor (voortgezet) speciaal onderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit een vaste voet en de som van het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling. Zowel de vaste voet als de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling zijn afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het vaststellen van de ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in een:</al><lijst><li nr="-"><al>school voor speciaal onderwijs (so);</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs (vso);</al></li><li nr="-"><al>school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (sovso);</al></li><li nr="-"><al>school voor speciaal onderwijs met een of meer afdelingen, en</al></li><li nr="-"><al>school voor voortgezet speciaal onderwijs met een of meer afdelingen.</al></li></lijst><al>De ruimtebehoefte bij een school een school voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs wordt vastgesteld op eenmaal de vaste voet, verhoogd met de uitkomst van de afzonderlijk berekende bruto vloeroppervlakte voor het aantal leerlingen van de so- en de vso-component en van de afdelingen. Is sprake van een of meer afdelingen, dan wordt het aantal leerlingen van een of meer afdelingen bij het aantal leerlingen van de so-component opgeteld.</al><al/><al>Heeft de school voor speciaal onderwijs aanspraak op een speellokaal, dan wordt de ruimtebehoefte verhoogd met 90 m<sup>2</sup>.</al><al/><al><vet> B.1.4 School voor voortgezet onderwijs </vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs kent uitsluitend de basisruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte bestaat uit een vaste voet, vermeerderd met de som van het aantal leerlingen vermenigvuldigd met</al><al>de m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte per leerling, die geldt voor de onderwijsrichting waarop de leerling staat ingeschreven. De vaste voet wordt toegekend voor de hoofdvestiging van de school voor voortgezet onderwijs en de nevenvestiging met spreidingsnoodzaak. Daarnaast wordt een vaste voet toegekend voor de afzonderlijke leerwegen in het vmbo. Of sprake is van een nevenvestiging met spreidingsnoodzaak wordt vastgesteld op basis van de door de minister van OCW aan het schoolbestuur afgegeven beschikking.</al><al/><al>Leerwegondersteunend onderwijs (Lwoo) of de gemengde leerweg kan de school voor voortgezet onderwijs uitsluitend aanbieden in relatie met de beroepsgerichte leerweg van een bepaalde afdeling of sector en kan uitsluitend worden aangeboden als de minister van OCW hiervoor toestemming heeft verleend. De school voor voortgezet onderwijs beschikt dan over de betreffende licenties.</al><al/><al><vet> B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs is afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die wij hanteren bij het vaststellen van de materiele vergoeding. Beschikt de school voor basisonderwijs, speciale school voor basisonderwijs, school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs niet over een speellokaal, dan bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al/><al><vet>Deel C – Vaststellen aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="2."><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="3."><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit – vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="4."><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de drempelwaarde<noot><noot.nr>17 </noot.nr><noot.al>Drempelwaarde:</noot.al><noot.al>- 55 m² bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening school voor basisonderwijs;</noot.al><noot.al>- 50 m² bruto vloeroppervlakte voor een permanente voorziening speciale school voor basison- derwijs of voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs;</noot.al><noot.al>- 40 m² bruto vloeroppervlakte voor een tijdelijke voorziening voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs en een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, en</noot.al><noot.al> - 10% van de bestaande capaciteit met een minimum van 100 m² voor een school voor voortgezet onderwijs.</noot.al></noot></al><lijst><li nr="1."><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al><lijst><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen voorziening,</al></li><li nr="-"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van stap 3.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als wij hiervoor toestemming verlenen, binnen het lokaal bewegingsonderwijs de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het schoolbestuur bereid is een huurvergoeding te betalen. Een speciale school voor basisonderwijs en een school voor speciaal onderwijs maken aanspraak op extra bruto vloeroppervlakte voor een speellokaal als deze scholen worden bezocht door leerlingen in de leeftijd tot zes jaar.</al><al/><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A).</al><al/><al>Heeft deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het vaststellen van het aantal m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw bekeken of het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze situatie zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit een vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten van een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw uit te breiden.</al><al/><al>In het voortgezet onderwijs bestaat pas aanspraak op bekostiging van de voorziening uitbreiding van het schoolgebouw als de gevraagde ruimtebehoefte minimaal tien procent hoger is dan de bruto vloeroppervlakte van de bestaande capaciteit. De wijze waarop de ruimtebehoefte wordt vastgesteld is afhankelijk van de onderwijssoort. Bij het toekennen van de voorziening uitbreiding wordt onderscheid gemaakt in de ‘voor blijvend’ en de ‘voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening’. Wordt toegekend:</al><lijst><li nr="1."><al> de voor blijvend gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend de totaal berekende aanvullende ruimtebehoefte, er wordt dus geen rekening gehouden met de drempel van 10%;</al></li><li nr="2."><al> de voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening, dan wordt toegekend het aantal m<sup>2</sup> dat de 10% overschrijdt, de aanvullende ruimtebehoefte tot 10% moet het schoolbestuur binnen de bestaande capaciteit opvangen<noot><noot.nr>18 </noot.nr><noot.al>LJN BW5954, Raad van State, 201107376/1/A2.</noot.al></noot>.</al></li></lijst><al><vet>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode van: korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik bestemde huisvesting; langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde huisvesting.</al><al/><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw. Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al/><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan worden gerealiseerd.</al><al/><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke oppervlakte voor een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of school voor voortgezet speciaal onderwijs is opgenomen in deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook.</al><al/><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving, medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze voorziening.</al><al/><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor schoolgebouwen.</al><al/><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen</vet></al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het schoolbestuur om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen. Daarbij moet het schoolbestuur wel voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit.</al><al/><al><vet>Bijlage IV – Normbedragen voor vergoeding en indexering</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPO, artikel 100, derde lid, van de WEC en artikel 76m, derde lid, van de WVO verplichten de gemeenteraad normen vast te stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op basis van normbedragen</al><al/><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak belasting (artikel 133 van de WPO, artikel 127 van de WEC en artikel 96c.1 van de WVO). Het bedrag dat de gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de opgelegde aanslag.</al><al/><al><vet>Deel A – Indexering</vet></al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de gemeenteraad gedelegeerd aan ons college (artikel 32 van de verordening).</al><al/><al><vet>Deel B – Normbedragen</vet></al><al/><al><vet>Vergoeding voorbereidingskrediet</vet></al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 13 van de verordening is de mogelijkheid opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een percentage van het normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage, of op een percentage van het geraamde bedrag van de feitelijke kosten. Nadat het definitieve bedrag van de bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen van de vergoeding het al beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde bekostiging.</al><al/><al><vet>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente bouwaard </vet></al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><lijst><li nr="1."><al>een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs opgebouwd uit een:</al></li><li nr="2."><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m² bruto vloeroppervlakte <cursief>en</cursief></al></li></lijst><al><cursief>2) </cursief>bedrag per m² bruto vloeroppervlakte<cursief>, </cursief>welk bedrag voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs afhankelijk is van de onderwijssector.</al><al>1. een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met spreidingsnoodzaak)</al><lijst><li nr="1."><al>2) bedrag per m² bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende bruto vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal specifiek en sectie specifiek).</al></li></lijst><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="1."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto vloeroppervlakte;</al></li><li nr="2."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="3."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al/><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend voor bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk kunnen variëren.</al><al/><al><vet> A.2 Kosten voor terreinen </vet></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop, aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor rekening van de gemeente komen</al><al/><al><vet> C. Tijdelijke voorziening </vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="2."><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="3."><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="1."><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente voorziening, en</al></li><li nr="2."><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan te kopen lokalen.</al><al/><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat gelet op de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan huur.</al></li></lijst><al><vet> D. Eerste inrichting </vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor basisonderwijs, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs bestaat uit een basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. Bij een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt zowel bij het basisbedrag als het bedrag per m<sup>2</sup> onderscheid gemaakt naar onderwijssoort.</al><al/><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van vergoeding bouwkosten (vervangende) nieuwbouw. Aanvullende bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen noodzakelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="2."><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet> E. Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in bedragen voor:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="2."><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="3."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al>Daarnaast hebben de scholen voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs voor LG- en MG-leerlingen aanspraak op een aanvullende bekostiging voor het vergroten van de entree en de was- en kleedruimte als deze lokalen bewegingsonderwijs niet toegankelijk zijn.</al><al/><al><vet> F. Vergoeding feitelijke kosten </vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a, en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van technische advisering.<noot><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>BD3606 Raad van State, 200705694/1.</noot.al></noot></al><al/><al><vet> G. Huur sportvelden</vet></al><al>Een school voor voortgezet onderwijs maakt aanspraak op een vergoeding van ons college voor het gebruik van een sportveld. Op deze vergoeding bestaat uitsluitend aanspraak als het sportveld niet is gerealiseerd met gemeentelijke middelen. De huurvergoeding is een vergoeding in de investeringskosten. Naast de vergoeding voor de investeringskosten die voor rekening van de gemeente komt kan de verhuurder aan de school voor voortgezet onderwijs in rekening brengen een vergoeding voor de exploitatiekosten. De hoogte van de exploitatiekosten wordt vastgesteld door degene die het sportveld beschikbaar stelt en deze kosten komen volledig voor rekening van het schoolbestuur.</al><al/><al>De gemeentelijke vergoeding is gebaseerd op de periode van 8 weken en wordt alleen vermenigvuldigd met het aantal lesuren dat de school voor voortgezet onderwijs van het sportveld gebruik maakt.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>