<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74723_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Inspraakverordening provincie Limburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad van Limburg, 2005, 66</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening provincie Limburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 147; Procedureverordening Limburg 2000</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-09-16</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Statenstuk A-294</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inspraak</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>INSPRAAKVERORDENING PROVINCIE LIMBURG</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van provinciaal
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Inspraak wordt altijd verleend indien een wettelijk voorschrift daartoe
                            verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen inspraak wordt verleend: </al><lijst><li nr="a."><al> ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen;</al></li><li nr="b."><al> indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten;</al></li><li nr="c."><al> indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al> inzake de begroting, de tarieven voor provinciale
                                    dienstverlening en belastingen;</al></li><li nr="e."><al> indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet
                            bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij besluit van het bestuursorgaan kan voor een of meer
                            beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure dan de procedure van
                            afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Overgangsbepaling</titel></kop><al>Op besluiten tot het houden van inspraak die genomen zijn en op
                        inspraakprocedures die gestart zijn voor de datum van inwerkingtreding van
                        deze verordening blijven de bepalingen van de Procedureverordening Limburg
                        2000 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van de
                        Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening Provincie
                        Limburg.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Provinciale Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>L.P.J.M. Frissen, voorzitter, mr. J.B.J.M. Stijnen, griffier.</ondertekening><ondertekening>Uitgegeven, Maastricht 29 september 2005,</ondertekening><ondertekening>De Griffier der Staten van Limburg, mr. J.B.J.M. Stijnen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Artikel 1 Onderwerp van inspraak </tussenkop><al>Elk bestuursorgaan (Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de Commissaris
                    van de Koning) besluit ten aanzien van zijn eigen beleidsvoornemens of inspraak
                    wordt verleend bij de voorbereiding van provinciaal beleid. Elk bestuursorgaan
                    dat tot het nemen van een beleidsbeslissing bevoegd is, kan dus zijn eigen
                    beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. Met beleidsvoornemen is bedoeld het
                    voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het
                    gaat hierbij niet om de vaststelling van concrete besluiten of maatregelen. De
                    beslissing om al dan niet inspraak te verlenen is ‘een beslissing inzake de
                    procedure van de voorbereiding van een besluit’ zoals bedoeld in artikel 6:3
                    Awb. Tegen een dergelijke beslissing staat geen beroep open, tenzij deze
                    beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks
                    in zijn belang treft. Uiteraard wordt altijd inspraak verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. Verder is in dit artikel opgenomen
                    wanneer geen inspraak wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 2 Inspraakprocedure </tussenkop><al>In artikel 147 Provinciewet is bepaald, dat inspraak wordt verleend door
                    toepassing van afdeling 3.4 Awb, voorzover in de verordening niet anders is
                    bepaald. In deze verordening is, ter uniformering en deregulering, in beginsel
                    afdeling 3.4 Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In de artikelen 3:10
                    t/m 3:18 Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na ter inzage legging en
                    bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken
                    schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste
                    gevallen zal deze procedure passend zijn voor de inspraak. Omdat het in sommige
                    gevallen noodzakelijk of doelmatiger kan zijn inspraak volgens een andere
                    procedure te laten verlopen, is in deze verordening daartoe een voorziening
                    getroffen. Daardoor is het mogelijk om geheel of gedeeltelijk af te wijken van
                    de procedure van afdeling 3.4 Awb door andere procedureregels of een aangepaste
                    procedure van toepassing te verklaren. Een aanpassing zou bijvoorbeeld kunnen
                    zijn dat de zes wekentermijn, indien deze te lang wordt bevonden, bij een
                    besluit van het bestuursorgaan kan worden aangepast.</al><al>Voor bepaalde beleidsvoornemens is het noodzakelijk een andere wijze van
                    inspraak toe te passen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de beleidsvoornemens
                    in het kader van het Provinciaal Omgevings Plan: op de voorbereiding van het
                    Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de plannen die daarvan deel uit maken is de
                    procedure van artikel 4a van de Wet op de ruimtelijke ordening van toepassing.
                    Dit is de procedure die geldt voor het vaststellen van een streekplan. In het
                    POL is een aantal plannen, waaronder het streekplan, het milieubeleidsplan, het
                    waterhuishoudingsplan en verkeers- en vervoersplan, die formeel gezien als
                    zelfstandige plannen blijven bestaan, geheel of gedeeltelijk geïntegreerd. Omdat
                    voor het streekplan een zwaardere voorbereidingsprocedure is voorgeschreven
                    (ingevolge artikel 4a van de Wet op de ruimtelijke ordening) dient, gelet op het
                    integrale karakter van het POL, ook voor het POL zelf en voor en alle andere
                    plannen die in het POL zijn opgenomen de voorbereidingsprocedure van artikel 4a
                    van de Wet op de ruimtelijke ordening te worden voorgeschreven. Dit moet bij
                    wettelijk voorschrift dan wel bij besluit van het bestuursorgaan gebeuren.</al><al>Op grond van artikel 3:15 Awb zijn in het kader van de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure in beginsel uitsluitend belanghebbenden
                    inspraakgerechtigd. Het begrip belanghebbende is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd
                    en deze definitie heeft ook gelding voor regelgeving buiten de Awb. Van belang
                    is dat het hier niet alleen om persoonlijke belangen gaat, maar ook om
                    collectieve, algemene of ideële belangen, zodat bijvoorbeeld ook een
                    milieubeschermingsorganisatie belanghebbend kan zijn. Het tweede lid van 3:15
                    Awb opent de mogelijkheid bij wettelijk voorschrift of in het besluit waarin de
                    voorbereidingsprocedure van toepassing is verklaard, een ruimere kring van
                    personen als inspraakgerechtigden aan te merken. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>