<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74717_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Eerste wijzigingsregeling Gemeenschappelijke Regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2015, 6</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Eerste wijzigingsregeling Gemeenschappelijke Regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2013Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, Wet gemeenschappelijke regelingen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-07-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie, financieel beheer</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Onbekend</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Eerste wijzigingsregeling Gemeenschappelijke Regeling Zuidelijke Rekenkamer
            Noord-Brabant en Limburg 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> de rekenkamer: het gemeenschappelijke orgaan, bedoeld in artikel 2
                                van deze regeling;</al></li><li nr="b."><al> provincie: aan de regeling deelnemende provincie;</al></li><li nr="c."><al> Provinciale Staten: Provinciale Staten van de aan de regeling
                                deelnemende provincies;</al></li><li nr="d."><al> Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de aan de regeling
                                deelnemende provincies.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Gemeenschappelijk orgaan Zuidelijke Rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er is een gemeenschappelijk orgaan: Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant
                            en Limburg, nader aan te duiden als Zuidelijke Rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Met betrekking tot de personele kosten is de kassiersfunctie ten
                            aanzien van de rekenkamer belegd bij de provincie Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De provincie Noord-Brabant treedt namens de deelnemende provincies op
                            als eerste aanspreekpunt voor de rekenkamer in zaken die voortvloeien
                            uit de uitvoering van de aan de Zuidelijke Rekenkamer op te dragen
                            taak.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Taak en bevoegdheden rekenkamer </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenkamer is een onafhankelijk orgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het gemeenschappelijke orgaan heeft, als vastgelegd in hoofdstuk XIA van
                            de Provinciewet, tot taak het onderzoeken van de doelmatigheid, de
                            doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het provinciebestuur
                            gevoerde bestuur, niet zijnde de controle van de jaarrekening die
                            jaarlijks door de accountant wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd de bevoegdheid van de rekenkamer, als vastgesteld in
                            hoofdstuk XIA van de provinciewet, is de rekenkamer bevoegd ten dienste
                            van haar onderzoek advies van deskundigen in te winnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Publiek en privaatrechtelijke rechtshandelingen </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant dragen er zorg voor dat aan de
                            voorzitter van de rekenkamer de bevoegdheid wordt toegekend te besluiten
                            tot publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen ter
                            uitvoering van de aan de rekenkamer opgedragen taak, voor zover
                            betrekking hebbend op de financiële bedrijfsvoering van de
                            rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Commissaris van de Koningin in Noord-Brabant draagt er zorg voor,
                            dat aan de voorzitter van de rekenkamer de bevoegdheid wordt toegekend
                            tot vertegenwoordiging bij het verrichten van publieksrechtelijke en
                            privaatrechtelijke rechtshandelingen ter uitvoering van de aan de
                            rekenkamer opgedragen taak.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De voorzitter van de rekenkamer kan de directeur/secretaris machtigen
                            de bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, uit te
                            oefenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Samenstelling en benoeming leden rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De rekenkamer bestaat uit drie leden, daaronder begrepen het door
                            Provinciale Staten tot voorzitter benoemde lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De leden van de rekenkamer kiezen uit hun midden een plaatsvervangende
                            voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Provinciale Staten besluiten maximaal eenmaal tot herbenoeming van een
                            lid.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voordat de leden van de rekenkamer de eed of belofte, bedoeld in
                            artikel 79g van de Provinciewet afleggen, leggen zij aan Provinciale
                            Staten een door hen ondertekende verklaringover vermeldende alle
                            openbare betrekkingen en andere functies die zij vervullen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Openbaarmaking van de verklaring, bedoeld in het vierde lid, geschiedt
                            door ter inzage legging op de provinciehuizen van de provincies.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De verklaring, bedoeld in het vijfde lid, wordt jaarlijks voor 1
                            januari te worden geactualiseerd en aan Provinciale Staten
                            gezonden.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Het afleggen van de eed of belofte, bedoeld in het vierde lid,
                            geschiedt in de vergadering van Provinciale Staten van die deelnemende
                            provincie die als laatste een besluit neemt over de benoeming van de
                            leden van de rekenkamer.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Rechtspositie leden rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De leden en de voorzitter van de rekenkamer genieten een bezoldiging
                            ter grootte van tien, respectievelijk twintig procent van de bezoldiging
                            van een gedeputeerde, bedoeld in artikel 43, eerste lid, van de
                            Provinciewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De leden en de voorzitter van de rekenkamer ontvangen voor de overige
                            aan de uitoefening van hun functie verbonden kosten een
                            onkostenvergoeding ter grootte van tien, respectievelijk twintig procent
                            van de onkostenvergoeding die een gedeputeerde op grond van artikel 43,
                            tweede lid, van de Provinciewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De leden van de rekenkamer ontvangen voor de noodzakelijk gemaakte
                            reis- en verblijfkosten een vergoeding overeenkomstig de artikelen 5 en
                            6 van de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en
                            commissieleden van de provincie Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De uitgaven, gedaan overeenkomstig het eerste tot en met derde lid,
                            komen ten laste van de middelen van de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid, geniet een lid dan wel de voorzitter
                            geen bezoldiging gedurende de periode dat Provinciale Staten het
                            desbetreffende lid of de voorzitter krachtens artikel 79d van de
                            Provinciewet op non-activiteit stellen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd, kunnen
                            Provinciale Staten besluiten de niet genoten geldelijke vergoeding
                            alsnog geheel of gedeeltelijk uit te betalen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Bureau van de rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er is een bureau van de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant benoemen op voordracht van de
                            voorzitter van de rekenkamer de ambtenaren die nodig zijn voor een goede
                            uitoefening van de werkzaamheden van de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant benoemen op bindende voordracht
                            van de voorzitter van de rekenkamer een van de ambtenaren, bedoeld in
                            het tweede lid, in de functie van directeur/secretaris.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De kosten die voortvloeien uit de benoemingen, bedoeld in het vorige
                            lid, komen ten laste van de middelen van de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De directeur/secretaris van de rekenkamer is tevens belast met de
                            dagelijkse leiding van het bureau van de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De directeur/secretaris is verantwoording schuldig aan de voorzitter
                            van de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De overige ambtenaren, die werkzaamheden verrichten voor de rekenkamer,
                            zijn ter zake van die werkzaamheden uitsluitend verantwoording schuldig
                            aan de directeur/secretaris.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant ontslaan, op voordracht van de
                            voorzitter van de rekenkamer, ambtenaren van de rekenkamer uit hun
                            functie.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De Collectieve Arbeidsvoorwaarden Provincies, zoals die gelden voor de
                            ambtenaren in dienst van de provincie Noord-Brabant, zijn van
                            overeenkomstige toepassing op de ambtenaren, bedoeld in het tweede lid
                            van dit artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Begroting van de rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten stellen, na overleg met de rekenkamer, voor een
                            periode van zes jaar een vast bedrag per jaar taakstellend beschikbaar
                            voor een goede uitvoering van de in artikel 3 het tweede lid omschreven
                            taak.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De rekenkamer stelt jaarlijks, met inachtneming van de beschikbaar
                            gestelde middelen, bedoeld in het eerste lid, voor 1 december een
                            jaarbegroting voor het komende jaar vast en stuurt deze ter vaststelling
                            aan Provinciale Staten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op basis van de door PS vastgestelde begroting van de rekenkamer worden
                            op 100% voorschotbasis door de deelnemende provincies de middelen van
                            het komende begrotingsjaar beschikbaar gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De deelnemende provincies delen in gelijke mate in de te bevoorschotten
                            middelen en stellen jaarlijks voor 31 december hun aandeel in de
                            bevoorschotting beschikbaar aan de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Artikel 48, vijfde lid, juncto eerste, derde en vierde lid van de Wet
                            gemeenschappelijke regelingen is niet van toepassing op wijzigingen van
                            de begroting indien deze wijzigingen kunnen worden gerealiseerd binnen
                            de in het eerste lid bedoelde middelen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien in enig jaar blijkt dat de totale lasten lager zijn dan de voor
                            dat jaar ter beschikking gestelde middelen, wordt het overschot in
                            mindering gebracht op de middelen die voor het daarop volgende jaar op
                            grond van het eerste lid beschikbaar zouden worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> De Zuidelijke Rekenkamer mag, ten behoeve van de uitvoering van de in
                            artikel 3 omschreven taak, beschikken over een bedrijfsreserve ter
                            grootte van maximaal 5% van de jaarlijkse bijdrage.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Deze reserve wordt, in afwijking van lid 6, gevormd of aangevuld uit
                            overschotten van de bijdragen in voorgaande jaren tot het maximale
                            percentage uit lid 7.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Verantwoording van de rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Rekening houdende met het gestelde in artikel 8, delen de deelnemende
                            provincies in gelijke mate in de feitelijke kosten van de
                            rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Jaarlijks declareert de rekenkamer vóór 1 april de werkelijk gemaakte
                            kosten uit het voorgaande begrotingsjaar bij de deelnemende provincies
                            op basis van in het eerste lid van dit artikel bedoelde verdeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Inhoudelijke verslaglegging</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Jaarlijks brengt de rekenkamer ter kennis van Provinciale Staten: </al><lijst><li nr="a. "><al>voor 1 april het verslag, zoals bedoeld in artikel 186, derde
                                    lid, van de Provinciewet, en</al></li><li nr="b."><al> voor 1 december een onderzoeksprogramma voor het komende
                                    jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het verslag, bedoeld in het eerste lid, onder a, schenkt de
                            rekenkamer naast haar werkzaamheden eveneens aandacht aan de
                            implementatie van de besluiten, die door Provinciale Staten over haar
                            aanbevelingen zijn genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Programmaraad rekenkamer</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Er is een programmaraad voor de rekenkamer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De programmaraad bestaat uit drie Statenleden per deelnemende
                            provincie, te benoemen door en uit Provinciale Staten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De leden kiezen uit hun midden een voorzitter en een plaatsvervangende
                            voorzitter van de programmaraad.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De leden van de programmaraad van elk van de deelnemende provincies
                            worden ondersteund door hun respectievelijke griffier.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De programmaraad heeft als taak: </al><lijst><li nr="a."><al> het aan de rekenkamer doen van aanbevelingen over het door de
                                    rekenkamer voorgenomen onderzoeksprogramma;</al></li><li nr="b. "><al>het voor de leden van de rekenkamer op verzoek fungeren als
                                    klankbord.</al></li><li nr="c."><al> het geven van advies aan Provinciale Staten inzake de
                                    vaststelling van de begroting voor het komende begrotingsjaar en
                                    de inhoudelijke en bedrijfsmatige verantwoording over het
                                    afgelopen begrotingsjaar van de rekenkamer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Werkwijze van de rekenkamer </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten van elk van de deelnemende provincies kunnen via de
                            programmaraad een onderwerp voor onderzoek door de rekenkamer
                            voordragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De rekenkamer bepaalt zelf, gehoord de programmaraad, naar welke
                            onderwerpen zij onderzoek wil verrichten en welke methodieken zij
                            daarbij hanteert.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een provincie kan de rekenkamer verzoeken ten behoeve van deze
                            provincie aanvullende onderzoeken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De kosten van aanvullende activiteiten die de rekenkamer op grond van
                            het derde lid verricht, komen volledig voor rekening van de
                            desbetreffende provincie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In het onderzoeksprogramma wordt naar onderwerp aangegeven: </al><lijst><li nr="a."><al> de afbakening van het onderzoeksterrein;</al></li><li nr="b."><al> de formulering van de onderzoeksopdracht;</al></li><li nr="c."><al> de eventuele randvoorwaarden;</al></li><li nr="d."><al> de planning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Ten behoeve van de wijze waarop de rekenkamer haar onderzoek uitvoert,
                            stelt de rekenkamer een onderzoeksprotocol vast.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Dit onderzoeksprotocol wordt ter kennis gebracht van Provinciale
                            Staten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Archiefzorg rekenkamer</titel></kop><al>Op de zorg voor de archiefbescheiden van de rekenkamer is de
                        Archiefverordening van de provincie Noord-Brabant 1996, voor zover
                        betrekking hebbend op de zorg voor de archiefbescheiden van overeenkomstige
                        toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Toetreding en uittreding provincies</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Toetreding tot deze gemeenschappelijke regeling staat slechts open voor
                            provincies.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Toetreding van nieuwe deelnemers behoeft de instemming van Provinciale
                            Staten, die daaraan voorwaarden kunnen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Elke deelnemende provincie kan bij besluit van Provinciale Staten van
                            die provincie besluiten tot uittreden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het voorgaande lid wordt uiterlijk drie
                            maanden vóór het einde van het kalenderjaar kennis gegeven aan de
                            overige deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het jaar
                            volgend op de datum van het in het derde lid bedoelde
                            uittredingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Provinciale Staten bepalen in onderling overleg de financiële en
                            overige gevolgen van de uittreding.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien het overleg, bedoeld in het zesde lid, niet leidt tot
                            overeenstemming, leggen Provinciale Staten het geschil voor een bindend
                            advies voor aan een onafhankelijke commissie.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Provinciale Staten wijzen elk een onafhankelijke deskundige aan als lid
                            van de in het vorige lid bedoelde commissie van advies, die tezamen een
                            derde deskundige als voorzitter aanwijzen.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> De commissie, bedoeld in het zevende lid, brengt een bindend advies
                            uit.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Wijziging, intrekking en opheffing </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten kunnen besluiten tot wijziging of intrekking van
                            deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Provinciale Staten kunnen besluiten tot opheffing van het
                            gemeenschappelijke orgaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Ter regeling van de financiële en personele gevolgen van de opheffing
                            voor de provincies, stellen Provinciale Staten een liquidatieplan
                            op.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Bij het ontbreken van overeenstemming over het liquidatieplan is artikel
                            14, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Evaluatie </titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten evalueren iedere zes jaar het functioneren van het
                            gemeenschappelijke orgaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De evaluatie, bedoeld in het eerste lid, vindt voor de eerste maal
                            plaats in 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Intrekking</titel></kop><al>De Gemeenschappelijke regeling gemeenschappelijke provinciale rekenkamer
                        Noord-Brabant en Limburg (Zuidelijke Rekenkamer) wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van
                        uitgifte van het Provinciaal Blad van de provincie Limburg waarin zij wordt
                        geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Citeertitel</titel></kop><al>Deze regeling wordt aangehaald als: Eerste wijzigingsregeling
                        Gemeenschappelijke regeling Zuidelijke Rekenkamer Noord-Brabant en Limburg
                        2013.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>  Maastricht, d.d. 4 juli 2014</ondertekening><ondertekening>Provinciale Staten voornoemd</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, dhr. drs. Th.J.F.M. Bovens</ondertekening><ondertekening>de griffier, mw. drs. J.J. Braam</ondertekening><ondertekening>Uitgegeven:</ondertekening><ondertekening>de griffier, mw. drs. J.J. Braam</ondertekening><ondertekening>Maastricht, 22 januari 2015 </ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>