<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74708_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Bevoegdhedenverordening Provincie Limburg (onbekend)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Limburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad van Limburg, 2011, 52</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bevoegdhedenverordening provincie Limburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Aanbestedingsreglement Werken 2004</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit milieu-effectrapportage 1994</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-08</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-06-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1998-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BEVOEGDHEDENVERORDENING PROVINCIE LIMBURG</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>BESLUIT van Provinciale Staten d.d. 31 oktober 1997 (Prov. Blad 1997, nr.
                        50), gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten d.d. 8 september 2000
                        (Prov. Blad 2001, nr. 12), gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten d.d.
                        15 december 2000 (Prov. Blad 2001, nr. 1), gewijzigd bij besluit van
                        Gedeputeerde Staten d.d. 22 mei 2001 (Prov. Blad 2001, nr. 35). gewijzigd
                        bij besluit van Provinciale Staten d.d. 28 juni 2001 (Prov. Blad 2001, nr.
                        32),gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten d.d. 14 december 2001
                        (Prov. Blad 2001, nr. 63), gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten d.d.
                        7 februari 2003 (Prov. Blad 2003, nr. 12). Gewijzigd bij besluit van
                        Provinciale Staten d.d. 30 januari 2004 (Prov. Blad 2004, nr. 6). Gewijzigd
                        bij besluit van Provinciale Staten d.d. 2 april 2004 (Prov. Blad 2004, nr.
                        55). Gewijzigd bij besluit van Provinciale Staten d.d. 16 september 2005
                        (Prov. Blad 2005, nr.65).Laatstelijk gewijzigd bij besluit van Provinciale
                        Staten d.d. 8 oktober (Prov.Blad, 2011, nr. 52).</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1</titel></kop><structuurtekst><al>Paragraaf 1 Algemeen</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Vervallen.</al><al>Paragraaf 2 Opdrachtverlening</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Bij de vaststelling van beleidsregels op het gebied van aanbestedingen
                            nemen Gedeputeerde Staten de navolgende uitgangspunten in acht:</al><lijst><li nr="1."><al> Bij het plaatsen van opdrachten voor leveringen, diensten of
                                    werken wordt gebruik gemaakt van meervoudig onderhands
                                    aanbesteden waarbij minimaal drie offertes worden gevraagd. De
                                    mogelijkheid om openbaar aan te besteden blijft bestaan.
                                    Gedeputeerde Staten kunnen drempelbedragen vaststellen, waar
                                    beneden met een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande
                                    bekendmaking kan worden volstaan.</al></li><li nr="2."><al> Bij het plaatsen van opdrachten voor werken is het
                                    Aanbestedingsreglement Werken 2005 van toepassing, voorzover
                                    daarvan bij de uitnodiging tot inschrijving niet uitdrukkelijk
                                    wordt afgeweken.</al></li><li nr="3."><al> De in lid 1 genoemde drempelwaarden kunnen iedere twee jaar
                                    door Gedeputeerde Staten worden herzien.</al></li><li nr="4."><al> Een opdracht mag niet worden gesplitst met het oogmerk om bij
                                    of krachtens deze paragraaf gestelde regels te ontgaan.</al></li><li nr="5."><al> In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten gemotiveerd
                                    afwijken van voormelde uitgangspunten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Vervallen.</al><al>Paragraaf 3 Provinciale financiën Vervallen.</al><al>Paragraaf 4 Mandatering burgerrechtelijke bevoegdheden</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 Civielrechtelijke procedures</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Administratiefrechtelijke procedures</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15a Streekplanprocedures</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan Gedeputeerde Staten wordt opgedragen toepassing te geven aan de
                                gedachtenwisseling in het kader van de streekplanprocedure als
                                bedoeld in artikel 4a, vijfde lid van de Wet op de Ruimtelijke
                                Ordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan Gedeputeerde Staten wordt opgedragen de beslissing omtrent de
                                verdaging van de termijn waarbinnen een streekplan dient te worden
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15b</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16 Bevoegdheden op rechtspositioneel gebied</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Bevoegdheden m.b.t. de milieu-effectrapportage</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot het uitoefenen van alle
                            bevoegdheden verband houdende met de totstandkoming van de in het
                            Besluit milieu-effectrapportage 1994 genoemde rapporten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Onttrekking van wegen aan het openbaar verkeer</titel></kop><al>Aan Gedeputeerde Staten wordt de bevoegdheid overgedragen tot het nemen
                            van besluiten ex artikel 8 lid 2 van de Wegenwet tot onttrekking aan het
                            openbaar verkeer van wegen, die in beheer van de provincie zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Vaststelling restauratie uitvoeringsprogramma</titel></kop><al>Aan Gedeputeerde Staten wordt de bevoegdheid overgedragen om jaarlijks
                            het provinciaal restauratie uitvoeringsprogramma vast te stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19a Wijziging van de Subsidieverordening Limburg</titel></kop><al>Vervallen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19b Vaststelling Subsidieregeling Investeringsbudget
                                stedelijke vernieuwing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan Gedeputeerde Staten wordt de bevoegdheid overgedragen tot het
                                vaststellen en wijzigen van de Subsidieregeling investeringsbudget
                                stedelijke vernieuwing.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten doen mededeling van de vaststelling of
                                wijziging in de desbetreffende Statencommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vorige artikelen zijn niet van toepassing indien en voor zover
                                Provinciale Staten zich daarin bedoelde bevoegdheden uitdrukkelijk
                                hebben voorbehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Intrekking oude besluiten, overgangsbepaling</titel></kop><al>Met ingang van 1 januari 1998 worden de navolgende besluiten, voor zover
                            daarin bevoegdheden van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten zijn
                            over- dan wel opgedragen, ingetrokken:</al><lijst><li nr="a."><al> het besluit J-36 van 18 september 1969 tot overdracht van de
                                    bevoegdheid van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten
                                    inzake de bevoegdheid voor de provincie vaste geldleningen aan
                                    te gaan op met de geldgever overeen te komen voorwaarden tot ten
                                    hoogste een bedrag van ƒ 50.000.000,00 (afgerond €
                                    22.700.000,00;</al></li><li nr="b."><al> het besluit J-243 van Provinciale Staten d.d. 14 december 1978
                                    en 18 januari 1979 tot overdracht van de uitoefening van de in
                                    artikel 88 van de Provinciewet (oud) bedoelde macht aan
                                    Gedeputeerde Staten;</al></li><li nr="c."><al> het besluit I-503 van 20 februari 1986 tot overdracht van de
                                    bevoegdheid van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten
                                    inzake de advisering aan de minister van Onderwijs en Wetenschap
                                    in het kader van de Wet op het Voortgezet Onderwijs;</al></li><li nr="d."><al> het besluit J-471 van Provinciale Staten van 18 juni 1987 tot
                                    overdracht van bevoegdheden van Provinciale Staten aan
                                    Gedeputeerde Staten om van provinciewege de betaling van renten
                                    en aflossingen van door gezondheidsinstellingen aan te gane
                                    geldleningen t.b.v. de conversie van gegarandeerde geldleningen
                                    te waarborgen;</al></li><li nr="e."><al> het besluit K-13 van Provinciale Staten van 19 mei 1988 tot
                                    overdracht van bevoegdheden van Provinciale Staten inzake de
                                    milieu-effectrapportage aan Gedeputeerde Staten;</al></li><li nr="f."><al> artikel 15 van de Procedureverordening Limburg 1997;</al></li><li nr="g."><al> het besluit E-352 van Provinciale Staten van 15 september 1995
                                    inzake de overdracht van bevoegdheid van Provinciale Staten aan
                                    Gedeputeerde Staten tot het nemen van besluiten tot onttrekking
                                    van wegen aan het openbaar vervoer krachtens de Wegenwet;</al></li><li nr="h."><al> het besluit B-75 van Provinciale Staten d.d. 17-11-1995 inzake
                                    de overdracht van de bevoegdheid van Provinciale Staten aan
                                    Gedeputeerde Staten tot het vaststellen, aanvullen dan wel
                                    wijzigen van een aantal rechtspositieregelingen, voorzover dit
                                    een direct gevolg is van een wetswijziging terzake dan wel
                                    afspraken op sectorniveau;</al></li><li nr="i."><al> het besluit F-304 van Provinciale Staten d.d. 16 februari 1996
                                    inzake de garantieverklaringen voor ESF-projecten in Europese
                                    programma's;</al></li><li nr="j."><al> het besluit C-80 van Provinciale Staten d.d. 24 mei 1996 inzake
                                    garantieverklaringen voor het Groenfonds;</al></li><li nr="k."><al> het besluit J-708 van Provinciale Staten d.d. 15 november 1996
                                    inzake de tijdelijke belegging van middelen en het opnemen van
                                    kortlopende geldleningen;</al></li><li nr="l."><al> het besluit I-702 van Provinciale Staten d.d. 31 oktober 1997
                                    inzake de jaarlijkse vaststelling van het provinciaal
                                    restauratie uitvoeringsprogramma; met dien verstande, dat de
                                    besluiten hun gelding behouden met betrekking tot de besluiten
                                    en handelingen, die door of namens Gedeputeerde Staten voor 1
                                    januari 1998 krachtens deze besluiten rechtsgeldig zijn genomen
                                    respectievelijk verricht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Inwerkingtreding, citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 16 juni 2011. Zij kan
                            worden aangehaald als bevoegdhedenverordening provincie Limburg.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Gedeputeerde Staten voornoemd, L.J.P.M. Frissen, voorzitter mr. A.C.J.M. de
                        Kroon, secretaris Uitgegeven, 16 juni 2011 De secretaris, mr. A.C.J.M. de
                        Kroon</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al>1. Algemeen</al><al>Krachtens artikel 105 van de Provinciewet wordt de bevoegdheid tot regeling en
                    bestuur inzake de huishouding van de provincie aan het provinciaal bestuur
                    overgelaten. De bevoegdheden van het provinciaal bestuur zijn verdeeld over de
                    onderscheiden provinciale bestuursorganen, te weten Provinciale Staten,
                    Gedeputeerde Staten en commissaris van de Koningin. Aan Provinciale Staten komt
                    in beginsel de verordenende bevoegdheid toe. Artikel 143, lid 2, van de
                    Provinciewet bepaalt dat (naast deze verordenende bevoegdheid) de overige
                    bevoegdheden bedoeld in artikel 105 bij Provinciale Staten berusten, voor zover
                    zij niet bij of krachtens de wet aan Gedeputeerde Staten zijn toegekend. Daarmee
                    is het primaat van Provinciale Staten expliciet vastgelegd. Krachtens artikel
                    158 van de Provinciewet berust het dagelijks bestuur van de provincie in
                    beginsel bij Gedeputeerde Staten. Daarnaast zijn in artikel 158 van de
                    Provinciewet enkele bestuursbevoegdheden expliciet aan Gedeputeerde Staten
                    toegekend, die in het monistische stelsel nog toekwamen aan Provinciale Staten.
                    Voorheen waren die bestuursbevoegdheden gedelegeerd aan Gedeputeerde Staten door
                    middel van deze verordening. Het bij wet toekennen van een aantal
                    bestuursbevoegdheden aan Gedeputeerde Staten heeft tot gevolg dat een groot
                    aantal bepalingen van de Bevoegdhedenverordening ingevolge artikel 119
                    Provinciewet van rechtswege is komen te vervallen. 2. Bestaande
                    delegatiebesluiten Reeds onder vigeur van de voor 1 januari 1994 geldende
                    Provinciewet, maar ook daarna, is een groot aantal besluiten genomen waarbij
                    bevoegdheden van Provinciale Staten zijn gedelegeerd dan wel gemandateerd aan
                    Gedeputeerde Staten. Het betreft - voor zover thans geldend - twaalf in artikel
                    21 van de verordening vermelde besluiten, waarvan het oudste besluit dateert van
                    1969 en het jongste besluit van 1997. De bevoegdheden van Gedeputeerde Staten
                    zijn dus zeer versnipperd geregeld. Het verdient dan ook zowel om redenen van
                    duidelijkheid en actualiteit als uit een oogpunt van deregulering de voorkeur
                    deze besluiten te integreren in één besluit.</al><al>3. Nieuwe opzet Per 1 januari 1998 treedt de derde tranche van de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb) in werking. Hierin zijn algemene bepalingen inzake delegatie
                    en mandaat opgenomen. Naar aanleiding hiervan en gezien de hiervoor onder 1 en 2
                    vermelde redenen wordt thans een integraal bevoegdhedenbesluit vastgesteld.
                    Gekozen is voor de systematiek van een aanbouwverordening, waar desgewenst
                    bevoegdheidsbepalingen aan kunnen worden toegevoegd. Zo wordt voorkomen, dat er
                    na verloop van jaren weer diverse besluiten liggen, waarin op niet altijd even
                    consistente wijze bepalingen worden neergelegd met betrekking tot de
                    bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. Wat de gebruikte terminologie betreft zij
                    vermeld, dat - in lijn met de Awb - onderscheid wordt gemaakt tussen delegatie
                    en mandaat. Onder delegatie verstaat de Awb het overdragen door een
                    bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander,
                    die deze onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. Onder mandaat verstaat de
                    Awb de bevoegdheid om in naam (en onder verantwoordelijkheid van) een
                    bestuursorgaan besluiten te nemen. Het onderscheid wordt in de
                    bevoegdhedenverordening aangegeven door - conform het gebruik van de formele
                    wetgever - te spreken van het overdragen van bevoegdheden in geval van delegatie
                    en van het opdragen van bevoegdheden waar mandaat aan de orde is. Met de
                    verordening wordt inhoud gegeven aan het dagelijks bestuur als bedoeld in
                    artikel 158, eerste lid, sub a van de Provinciewet. De verordening beoogt, zoals
                    gezegd, een integraal kader te geven met betrekking tot de overdracht dan wel
                    opdracht van bevoegdheden door Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten.</al><al>4. Nadere uitwerking Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in een aantal
                    gevallen nadere regels te stellen met betrekking tot de uitoefening door of
                    namens Gedeputeerde Staten van de aan hen op- dan wel overgedragen bevoegdheden.
                    Met name betreft dat de kern van het provinciale aanbestedingen-beleid, het
                    financiële (treasury)beleid en de uitgangspunten ten aanzien van
                    garantstellingen. Met deze opzet wordt een verdeling tussen Provinciale Staten
                    en Gedeputeerde Staten beoogd, waarbij Provinciale Staten op hoofdlijnen sturen
                    en kaders stellen, waarbinnen Gedeputeerde Staten uitvoering kunnen geven aan
                    het geformuleerde beleid. Artikelsgewijze toelichting Daar waar de verordening
                    voor zich spreekt wordt geen nadere toelichting gegeven. Artikel 1 tot en met 4
                    Vervallen. Artikel 5 De bevoegdheid om opdrachten te verstrekken en
                    overeenkomsten aan te gaan namens de rechtspersoon Provincie Limburg komt
                    ingevolge artikel 158, eerste lid, sub e Provinciewet toe aan het college van
                    Gedeputeerde Staten. Dat impliceert, gelet op het gestelde in artikel artikel
                    4:81 Algemene wet bestuursrecht, dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn
                    beleidsregels in dat kader vast te stellen. Het vaststellen van beleidsregels
                    met betrekking tot aanbestedingen is derhalve een bevoegdheid van Gedeputeerde
                    Staten. Provinciale Staten zijn vanuit hun kaderstellende rol bevoegd om bij
                    verordening de kaders te bepalen waarbinnen de beleidsregels op het gebied van
                    aanbestedingen dienen te passen. Artikel 6 tot en met 14 Vervallen. Artikel 15
                    Vervallen. Artikel 15b Vervallen. Artikel 16 Vervallen. Artikel 17 Dit artikel
                    luidt conform het besluit van Provinciale Staten d.d. 19 mei 1988 (K-13).
                    Artikel 18 Dit artikel luidt conform het besluit van Provinciale Staten d.d. 15
                    september 1995 (E-352). Artikel 19 Dit artikel beoogt de delegatie, waarover
                    Provinciale Staten op 31 oktober 1997 (onder nr. I-702) hebben besloten ten
                    aanzien van de vaststelling van het provinciaal restauratie
                    uitvoeringsprogramma, per 1 januari 1998 te integreren in de
                    bevoegdhedenverordening. Artikel 19a Vervallen. Artikel 20 Dit artikel regelt de
                    beperkingen, die Provinciale Staten ten aanzien van de opdracht dan wel
                    overdracht van bevoegdheden kunnen stellen. Artikel 21 Dit artikel regelt de
                    intrekking van alle bestaande delegatie- en mandaatbesluiten van Provinciale
                    Staten aan het adres van Gedeputeerde Staten, aangezien alle bestaande
                    bevoegdheidsbepalingen (voor zover zij in stand moeten blijven) worden
                    geïncorporeerd in deze bevoegdhedenverordening. Uiteraard werkt de intrekking
                    alleen naar de toekomst en blijven de oude besluiten formele basis voor de
                    krachtens die besluiten voor 1 januari 1998 rechtsgeldig genomen besluiten
                    respectievelijk verrichte handelingen. Hierbij wordt met nadruk aangetekend, dat
                    de vermelde besluiten enkel hun gelding verliezen voor zover daarin bevoegdheden
                    van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten worden over- danwel opgedragen.
                    Waar verantwoording is afgelegd en geaccordeerd dan wel beleid is vastgesteld,
                    blijven de betreffende besluiten hun gelding behouden, tenzij daarvan in deze
                    verordening expliciet wordt afgeweken of totdat nieuw beleid wordt geformuleerd.
                    Dat geldt zowel voor de situaties, waarin in deze toelichting op de
                    bevoegdhedenverordening specifiek naar die besluiten wordt verwezen, als voor de
                    situaties, waarvoor dat niet met zoveel woorden is bepaald. Artikel 22 Dit
                    artikel regelt de inwerkingtreding van de bevoegdhedenverordening per 16 juni
                    2011. De bevoegdhedenverordening provincie Limburg wordt conform de artikelen
                    136 tot en met 138 van de Provinciewet bekendgemaakt door plaatsing in het
                    provinciaal blad. Tevens wordt zij ter inzage gelegd op het provinciehuis en
                    desgewenst voor eenieder in afschrift verkrijgbaar gesteld.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>