<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74699_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele voorzieningen en besluit college 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Nieuwsklok 23-12-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0020031">WMO</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele voorzieningen en besluit college 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordenin</vet><vet>g individuele voorzieningen</vet></al><al><vet>Gemeente Oisterwijk 2011</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>– Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                                verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);</al></li><li nr="b."><al>Besluit: het besluit individuele voorzieningen (Biv) waarin
                                        door het college (jaarlijks) nadere regels gesteld worden
                                        ten aanzien van de voorwaarden waaronder een voorziening
                                        wordt verstrekt en de bijbehorende bedragen;</al></li><li nr="c."><al>Beleidsregels Wmo: door het college vastgestelde
                                        (uitvoerings)richtlijnen individuele voorzieningen Wmo.</al></li><li nr="d."><al>Doelgroep: mensen met een verstandelijke of lichamelijke
                                        beperking, een chronisch psychisch probleem en mensen met
                                        een psychosociaal probleem; mantelzorgers en
                                        vrijwilligers.</al></li><li nr="e."><al>Compensatieplicht: opdracht aan het college om de doelgroep
                                        Wmo door het treffen van voorzieningen een zodanige
                                        uitgangspositie te verschaffen, dat zij in aanvaardbare mate
                                        zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                                        participatie.</al></li><li nr="f."><al>College: burgemeester en wethouders van Oisterwijk.</al></li><li nr="g."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                        uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="h."><al>Persoon met beperkingen: persoon die ten gevolgen van ziekte
                                        of gebrek, inclusief een chronisch psychisch en een
                                        psychosociaal probleem, aantoonbare beperkingen ondervindt
                                        bij de maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="i."><al>Zelfredzaamheid: lichamelijke, verstandelijke, geestelijke
                                        of financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die
                                        normale deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk
                                        maken.</al></li><li nr="j."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                        maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                        huishouden; het normale gebruik van de woning; het zich in
                                        en om de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen
                                        dat aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale
                                        en landelijke vervoerssystemen; het ontmoeten van andere
                                        mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden
                                        om op die manier deel te nemen aan het lokale
                                        maatschappelijke leven.</al></li><li nr="k."><al>Rolstoelvoorziening: voorziening die de persoon met
                                        beperkingen - zijnde een verstandelijke of lichamelijke
                                        beperking - in staat stelt zich in en om de woning te
                                        verplaatsen en waarvan het rijden de primaire functie
                                        is.</al></li><li nr="l."><al>Aanvrager: een persoon behorend tot de doelgroep Wmo, die
                                        een individuele voorziening aanvraagt.</al></li><li nr="m."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als
                                        bedoeld in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet.</al></li><li nr="n."><al>Algemene voorziening: een voorziening, die wordt geleverd op
                                        basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                        toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                        compenserende oplossing biedt voor de beperkingen die een
                                        persoon ondervindt. </al></li><li nr="o."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel
                                        wordt aangeboden wanneer een algemene voorziening geen
                                        compenserende oplossing biedt.</al></li><li nr="p."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen
                                        tot het gangbare gebruiks-, bestedings,- en
                                        verzorgingspatroon van een persoon als de aanvrager
                                        behorend.</al></li><li nr="q."><al>Eigen bijdrage: een bij de verlening van een voorziening in
                                        natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget voor
                                        rekening van de aanvrager komende wettelijke bijdrage die
                                        vastgesteld en geïnd wordt door het CAK.</al></li><li nr="r."><al>Eigen aandeel: een door het college te berekenen eigen
                                        aandeel in de kosten dat, bij een verstrekking van een
                                        financiële tegemoetkoming, voor de aanvrager blijft. Het
                                        eigen aandeel wordt opgelegd en geïnd door het CAK.</al></li><li nr="s."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                        huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt
                                        verstrekt.</al></li><li nr="t."><al>Voorziening anders dan in natura: een voorziening in de vorm
                                        van een PGB of financiële vergoeding waarmee een aanvrager
                                        de individuele voorziening zelf kan kopen.</al></li><li nr="u."><al>Persoonsgebonden budget (pgb): een geldbedrag waarmee de
                                        aanvrager een of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan
                                        verwerven en waarop de in deze verordening en het besluit
                                        (Biv) te stellen regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="v."><al>Vergelijkbaar en toereikend persoonsgebonden budget:
                                        vergelijkbaar houdt in dat de aanvrager dezelfde
                                        ondersteuning moet kunnen inkopen als de aanvrager die kiest
                                        voor zorg in natura. Toereikend betekent dat de aanvrager
                                        minimaal moet kunnen voldoen aan de wettelijke
                                        verplichtingen, zoals het minimumloon.</al></li><li nr="w."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten
                                        van een voorziening die kan worden afgestemd op het inkomen
                                        van de aanvrager;</al></li><li nr="x."><al>Financiële vergoeding: een vergoeding bedoeld voor hulp bij
                                        het huishouden uitgevoerd door een alfahulp</al></li><li nr="y."><al>Norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet
                                        werk en bijstand (WWB), omgerekend tot een bedrag per
                                        kalenderjaar, waarbij deze normen:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>voor een aanvrager van 21 tot 65 jaar die een alleenstaande
                                        of een alleenstaande ouder is, en die niet in een inrichting
                                        verblijft, eerst zijn verhoogd met de toeslag, genoemd in
                                        artikel 25 lid 2 van de WWB;</al></li><li nr="-"><al>voor een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde, die
                                        in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de
                                        bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2 van de WWB.</al><lijst><li nr="z."><al>Inkomen: het netto inkomen over het kalenderjaar
                                                waarover de aanvraag wordt ingediend. De werkwijze
                                                bij vaststelling van het netto inkomen is uitgewerkt
                                                in het Biv;</al></li><li nr="aa."><al>Medische noodzaak: een door een indicatiesteller of
                                                externe arts/adviseur vastgestelde noodzaak om tot
                                                verstrekking over te gaan van één of meerdere
                                                voorzieningen met als doel de door aanvrager ervaren
                                                beperkingen te compenseren;</al></li><li nr="bb."><al>Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt
                                                voor permanente bewoning, waar de aanvrager zijn
                                                vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de
                                                gemeentelijke basisadministratie ingeschreven staat
                                                of ingeschreven zal staan, of het feitelijke
                                                woonadres als de aanvrager iemand met een briefadres
                                                is;</al></li><li nr="cc."><al>Gebruikelijke zorg: de normale, dagelijkse
                                                ondersteuning die huisgenoten geacht worden elkaar
                                                onderling te bieden omdat ze een gezamenlijk
                                                huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                                                verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren
                                                van dat huishouden. Bij hulp bij het huishouden
                                                geldt dat wanneer een of meerdere meerderjarige
                                                huisgenoten in staat zijn het huishoudelijk werk te
                                                verrichten, omdat zij geen last ondervinden van
                                                medische, psychische en/of sociale problemen, er
                                                geen aanspraak bestaat op een voorziening;</al></li><li nr="dd."><al>Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(n) van een
                                                woongebouw, niet behorende tot de woning, bestemd en
                                                noodzakelijk om de woning van de aanvrager te
                                                bereiken (entree, portiek, galerij e.d.); </al></li><li nr="ee."><al>Goedkoopst compenserend: de goedkoopste voorziening
                                                van mogelijk diverse compenserende voorzieningen.
                                                Compenserend betekent dat wanneer meer voorzieningen
                                                als compensatie voor de vastgestelde beperkingen
                                                kunnen worden aangemerkt, de goedkoopste voorziening
                                                kan worden verstrekt. De voorziening dient voor de
                                                aanvrager in ieder geval doelmatig en doeltreffend
                                                te zijn; </al></li><li nr="ff."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de
                                                aanvrager duurzaam een gemeenschappelijke
                                                huishouding voert;</al></li><li nr="gg."><al>Leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwden die
                                                al dan niet tezamen met een of meer minderjarige(n)
                                                duurzaam in familiebetrekking een huishouden voert,
                                                dan wel uit een ongehuwd meerderjarige die met een
                                                of meer minderjarige(n) in familiebetrekking
                                                duurzaam een huishouden voert;</al></li><li nr="hh."><al>Anti-revaliderend: een voorziening die gevraagd
                                                wordt voor het opheffen van beperkingen, maar
                                                waaruit medisch advies blijkt dat deze niet
                                                compenserend is en zelfs het revalidatieproces
                                                tegenwerkt.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet en
                                de Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>– Bevoegdheid college</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen in het Besluit
                            individuele voorzieningen (Biv).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>- Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening wordt alleen toegekend wanneer:</al><lijst><li nr="a"><al>de voorziening langdurig noodzakelijk is, met uitzondering
                                        van hulp bij het huishouden, welke ook voor korte duur kan
                                        worden geïndiceerd;</al></li><li nr="b"><al>de aanvrager door de beperkingen als genoemd onder f van dit
                                        artikel, niet in aanvaardbare mate in staat is om:</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>een huishouden te voeren;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de woning op normale wijze te gebruiken;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>zich te verplaatsen in en om de woning;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>mensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te
                                gaan;</al><lijst><li nr="c"><al>de voorziening, naar objectieve maatstaven gemeten, als
                                        goedkoopst compenserende voorziening kan worden aangemerkt;
                                    </al></li><li nr="d"><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht; </al></li><li nr="e"><al>de aanvrager woonachtig is in de gemeente Oisterwijk; </al></li><li nr="f"><al>de aanvrager een verstandelijke of lichamelijke beperking,
                                        een chronisch psychisch probleem en een psychosociaal
                                        probleem heeft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert een voorziening:</al><lijst><li nr="a"><al>wanneer de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is. In het Biv worden de algemeen
                                        gebruikelijke voorzieningen vastgelegd;</al></li><li nr="b"><al>voor zover op grond van een andere wettelijke bepaling
                                        aanspraak op een voorziening bestaat;</al></li><li nr="c"><al>wanneer een voorziening als waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft eerder is verleend en de normale afschrijvingsduur
                                        voor die voorziening nog niet is verstreken, tenzij de
                                        eerder verleende voorziening geheel of gedeeltelijk verloren
                                        is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de
                                        aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="d"><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt, tenzij het college schriftelijk toestemming heeft
                                        verleend voor het maken van de kosten;</al></li><li nr="e"><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f"><al>wanneer en voor zover op grond van de verstrekte gegevens
                                        niet kan worden vastgesteld dat recht op een voorziening
                                        bestaat;</al></li><li nr="g"><al>indien een voorziening niet noodzakelijk is vanwege
                                        redelijkerwijs te vergen medewerking van de aanvrager zelf
                                        of van anderen in diens omgeving (gebruikelijke zorg), om
                                        bij te dragen aan een oplossing voor het zich voordoende
                                        probleem;</al></li><li nr="h"><al>aan personen die verblijven in een instelling die ingevolge
                                        de Wet toelating zorginstellingen (AWBZ en
                                        Zorgverzekeringswet) is toegelaten, uitzondering hierop zijn
                                        rolstoelvoorzieningen.</al></li><li nr="i"><al>Wanneer uit medisch advies blijkt dat de gevraagde
                                        voorziening anti-revaliderend is en daarmee de beperking in
                                        stand houdt of doet verergeren. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Vormen van individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>– Keuzevrijheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele voorziening kan door het college verstrekt
                                worden</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>In natura</al></li><li nr="b."><al>Anders dan in natura, in de vorm van een: </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>persoonsgebonden budget; </al></li><li nr="-"><al>financiële vergoeding voor alfahulp;</al></li><li nr="-"><al>financiële tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt vast wanneer de bij wet verplichte keuze tussen
                                een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget of
                                financiële vergoeding, niet wordt geboden. Nadere regels staan in
                                het Biv.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college licht aanvragers vooraf in duidelijke en begrijpelijke
                                bewoordingen in over de gevolgen van de keuze voor een individuele
                                voorziening in natura, een persoonsgebonden budget of een financiële
                                vergoeding voor alfahulp. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>– Voorziening in natura</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening in natura kan worden verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>in eigendom;</al></li><li nr="b."><al>in huur;</al></li><li nr="c."><al>als persoonlijke dienstverlening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de verstrekking van een voorziening in natura is de aanvrager
                                gehouden aan de voorwaarden die gelden op grond van de
                                dienstverleningsovereenkomst of de huurovereenkomst, gesloten tussen
                                de leverancier en de aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>– Voorziening anders dan in natura</titel></kop><al>Een voorziening anders dan in natura kan worden verstrekt als:</al><lijst><li nr="a."><al>persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="b."><al>financiële vergoeding voor alfahulp;</al></li><li nr="c."><al>financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>- Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoonsgebonden budget wordt verstrekt wanneer voldaan is aan
                                de eisen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het Pgb voor het inkopen van een individuele voorziening
                                        is;</al></li><li nr="b."><al>er een ondertekende zorgovereenkomst is tussen aanvrager en
                                        zorgverlener (bij hulp bij het huishouden);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De omvang van het Pgb is de tegenwaarde van de goedkoopst
                                compenserende te verstrekken voorziening in natura, eventueel
                                aangevuld met een eenmalig bedrag voor onderhoud, reparatie en
                                keuring, zoals vastgelegd in het Biv; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de beschikking tot toekenning van een persoonsgebonden budget
                                worden de omvang en de looptijd ervan vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij een Pgb voor een hulpmiddel of traplift wordt in de beschikking
                                een programma van eisen opgenomen waarin staat aan welke vereisten
                                de aan te schaffen voorziening tenminste moet voldoen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het Pgb wordt pas uitbetaald na verzending van de beschikking en het
                                inleveren van een ondertekende zorgovereenkomst (bij HbH).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan controleren of het Pgb besteed is aan het doel
                                waarvoor het is verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>- Financiële vergoeding voor alfahulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De financiële vergoeding wordt uitsluitend verstrekt voor hulp bij
                                het huishouden, type 1 (HbH1), te weten schoonmaakwerkzaamheden
                                uitgevoerd door een alfahulp.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De financiële vergoeding wordt verstrekt in de vorm van alfacheques
                                waarmee de huishoudelijke hulp per uur kan worden betaald;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Eén alfacheque vertegenwoordigt één uur hulp bij het
                                huishouden;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Nadere regels over de financiële vergoeding zijn opgenomen in het
                                Biv.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>- Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Anders dan een Pgb is een financiële tegemoetkoming niet kostendekkend.
                            Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming is aanvrager een
                            eigen aandeel verschuldigd.</al><al>Een financiële tegemoetkoming wordt verstrekt voor een:</al><lijst><li nr="-"><al>autoaanpassing;</al></li><li nr="-"><al>bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>woonvoorziening in de vorm van woningsanering bij plotselinge
                                    allergie;</al></li><li nr="-"><al>gebruik eigen auto (geen eigen aandeel);</al></li><li nr="-"><al>verhuis- en inrichtingskosten (geen eigen aandeel)</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>– Inkomensgegevens aanvrager</titel></kop><al>Bij diverse voorzieningen is het inkomen van de aanvrager en eventuele
                            partner (verzamelinkomen) van belang. In het Biv is dit nader
                            uitgewerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>– Eigen bijdrage</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen in natura of als Pgb
                            is de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd voor:</al><lijst><li nr="a."><al>Hulp bij het huishouden</al></li><li nr="b."><al>Verplaatsingsmiddel (niet zijnde Regiotaxi);</al></li><li nr="c."><al>Niet bouwkundige of niet woontechnische (roerende)
                                    woonvoorziening</al></li><li nr="d."><al>Niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening wanneer
                                    aanvrager geen huiseigenaar is (huurder)</al></li><li nr="2."><al>Vaststelling en inning van de eigen bijdrage vindt plaats door
                                    het Centraal Administratiekantoor (CAK).</al></li><li nr="3."><al>Bij een Pgb wordt de eigen bijdrage niet ingehouden. Dit
                                    betekent dat de aanvrager, evenals bij zorg in natura, geld moet
                                    reserveren om de eigen bijdrage te betalen.</al></li><li nr="4."><al>De hoogte van de eigen bijdrage wordt vastgesteld op basis van
                                    het verzamelinkomen van de aanvrager en zijn eventuele
                                    partner.</al></li><li nr="5."><al>Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd aan personen jonger dan 18
                                    jaar.</al></li><li nr="6."><al>Het college legt in het Biv nadere regels vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>– Eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen in de vorm van een
                                financiële tegemoetkoming is de aanvrager een eigen aandeel
                                verschuldigd voor een:</al><lijst><li nr="a)"><al>autoaanpassing</al></li><li nr="b)"><al>bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c)"><al>woningsanering in verband met een plotseling optredende
                                        allergie;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eigen aandeel wordt berekend door de gemeente en vervolgens
                                opgelegd en geïnd door het CAK. Bij samenloop van eigen bijdrage en
                                eigen aandeel heeft de eigen bijdrage voorrang op het eigen
                                aandeel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college legt in het Biv nadere regels vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>–Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>– Keuzevrijheid</titel></kop><al>Hulp bij het huishouden wordt uitsluitend verstrekt ter compensatie van
                            beperkingen die het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden
                            belemmeren en er geen meerderjarige huisgenoten aanwezig zijn die de
                            werkzaamheden over kunnen nemen. Hulp bij het huishouden, kan door het
                            college verstrekt worden: </al><lijst><li nr="a."><al>in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="c."><al>een financiële vergoeding voor alfahulp.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>– Aanspraak op de voorziening</titel></kop><al>Een aanvrager kan voor hulp bij het huishouden in aanmerking komen
                            wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken
                                    onmogelijk is door ziekte of gebrek inclusief chronische
                                    psychische en psychosociale problemen of</al></li><li nr="b."><al>de persoon problemen ondervindt door gedeeltelijke, gehele of
                                    dreigende uitval van de mantelzorg (respijtzorg). </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>- Weigeringsgronden</titel></kop><al>1.Het college weigert hulp bij het huishouden:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer tot de leefeenheid waar de aanvrager deel van uitmaakt
                                    een of meer meerderjarige huisgenoten behoren die in staat zijn
                                    het huishoudelijk werk te verrichten. Dit is van toepassing
                                    zolang er geen onevenredig beroep wordt gedaan op de draaglast
                                    en de draagkracht van aanvrager en zijn huisgenoten; </al></li><li nr="b."><al>wanneer de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen; met
                                    uitzondering van vakantiewoningen die rechtmatig en permanent
                                    bewoond worden. Voorwaarden staan in het Biv; </al></li><li nr="c."><al>wanneer de aanvrager verblijft in een AWBZ-instelling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>– Omvang van de voorziening</titel></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt bepaald door de aard
                                van de beperkingen en de gezinssituatie van aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in uren en
                                minuten per week, met een maximum van 16 uur per week.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>Een indicatie voor hulp bij het huishouden is maximaal 5 jaar geldig
                                of tot wanneer de beperkingen zodanig veranderen dat een nieuwe
                                indicatie noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>– Voorziening in natura</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt keuze uit verschillende zorgaanbieders. In het Biv
                                worden deze aanbieders genoemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De door het college gecontracteerde zorgaanbieders bieden aan de
                                persoon die kiest voor zorg in natura; overname van huishoudelijke
                                werkzaamheden en ondersteuning bij de organisatie van de
                                werkzaamheden. Ook een signaleringsfunctie is inbegrepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>– Persoonsgebonden budget (Pgb)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanvrager ontvangt een geldbedrag om de voorziening aan te schaffen
                                of de hulp in te kopen (bij HbH). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van het Pgb is toereikend om tot een met zorg of een
                                voorziening in natura vergelijkbaar resultaat te komen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvrager sluit een zorgovereenkomst met een niet door het college
                                gecontracteerde zorgaanbieder (bij HbH).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Er wordt een gedifferentieerd tarief gebruikt voor HbH. Er wordt
                                onderscheid gemaakt tussen formele zorg (van een professionele
                                zorgaanbieder) en informele zorg (van een niet-professionele
                                zorgaanbieder, zoals familielid, buur, kennis e.d.).</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De hoogte van een Pgb voor formele zorg (HbH) is gebaseerd op een
                                uurtarief dat gangbaar is bij een door het college gecontracteerde
                                zorgaanbieder.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De hoogte van een Pgb voor informele zorg (HbH) is afgeleid van het
                                wettelijk minimumloon. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bedragen voor het Pgb worden in het Biv vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college weigert een Pgb voor hulp bij het huishouden voor
                                ontregelde huishoudens (HbH3).</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college weigert een Pgb wanneer er sprake is van een financiële
                                situatie waardoor de aanvrager niet over het Pgb zou kunnen
                                beschikken. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het college weigert een Pgb voor een kindervoorziening.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Wanneer het college een Pgb weigert wordt een voorziening in natura
                                verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>– Financiële vergoeding voor alfahulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanvrager sluit een overeenkomst met een alfahulp. Aanvrager
                                ontvangt geen geld, maar alfacheques om de geleverde hulp te
                                betalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het uurtarief voor alfahulp is vastgelegd in het Biv.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Financiële vergoeding voor alfahulp is alleen mogelijk voor
                                huishoudelijke hulp, categorie 1 (HbH1). Voor andere categorieën is
                                dit niet mogelijk.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>– Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>Het college verstrekt woonvoorzieningen ter compensatie van ergonomische
                            beperkingen die iemand ondervindt bij het normale gebruik van de
                            elementaire woonruimten (woonkamer, in gebruik zijnde slaapkamers,
                            keuken en sanitaire ruimtes) en het uitvoeren van de algemene dagelijkse
                            levensverrichtingen (maaltijdbereiding, was doen). </al><al>Een woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een voorziening in natura;</al><lijst><li nr="a"><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="b"><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische (roerende)
                                            woonvoorziening;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>een persoonsgebonden budget voor een niet bouwkundige of niet
                                    woontechnische (roerende) woonvoorziening;</al></li><li nr="3."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten voor:</al><lijst><li nr="a"><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening
                                            (woningaanpassing);</al></li><li nr="b"><al>verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="c"><al>onderhoud, keuring en reparatie van een in een woning
                                            aangebrachte voorziening;</al></li><li nr="d"><al>huurderving;</al></li><li nr="e"><al>sanering van de woning in verband met een plotseling
                                            optredende allergie. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>– Recht op woonvoorzieningen</titel></kop><al>Een aanvrager heeft recht op een woonvoorziening wanneer aantoonbare
                            ergonomische beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek een aanpassing
                            aan de woning noodzakelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>– Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het college weigert een woonvoorziening wanneer:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager zijn hoofdverblijf niet heeft of zal hebben in de
                                    woonruimte waarvoor de voorziening aangevraagd is;</al></li><li nr="b."><al>de voorziening aangevraagd wordt op een moment dat, op basis van
                                    leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat
                                    deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van
                                    een onverwacht optredende noodzaak;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening betrekking heeft op een luxer niveau dan het
                                    niveau van voorzieningen in de sociale woningbouw;</al></li><li nr="d."><al>de beperking of het probleem niet in de woning zelf (waaronder
                                    de toegankelijkheid van de woning) wordt ondervonden;</al></li><li nr="e."><al>de aanvraag voortkomt uit een verhuizing zonder dat hiervoor
                                    aanleiding bestond vanwege ergonomische belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning als gevolg van ziekte of
                                    gebrek;</al></li><li nr="f."><al>de aanvraag voortkomt uit een verhuizing waarvoor geen
                                    belangrijke reden aanwezig is. Belangrijke redenen zijn:
                                    baanaanvaarding elders, huwelijk of samenwonen;</al></li><li nr="g."><al>de aanvraag verband houdt met een verhuizing en deze verhuizing
                                    dan wel de acceptatie van de nieuwe woning heeft plaatsgevonden
                                    voordat het college heeft besloten op de aanvraag, tenzij het
                                    college schriftelijk toestemming heeft verleend voor de
                                    verhuizing of acceptatie;</al></li><li nr="h."><al>de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de aanvrager
                                    niet verhuist naar de voor hem op dat moment beschikbare meest
                                    adequate woning, tenzij het college schriftelijk toestemming
                                    heeft verleend voor de verhuizing;</al></li><li nr="i."><al>de aanvraag een voorziening voor verhuis- en inrichtingskosten
                                    betreft en aanvrager:</al><lijst><li nr="-"><al>voor het eerst zelfstandig gaat wonen;</al></li><li nr="-"><al>verhuist naar een woning die niet bedoeld is om het hele
                                            jaar bewoond te worden;</al></li><li nr="-"><al>verhuist naar een AWBZ-instelling;</al></li><li nr="-"><al>niet verhuist naar de meest adequate woning gezien zijn
                                            ergonomische belemmeringen;</al></li></lijst></li><li nr="j."><al>de aanvraag betrekking heeft op een voorziening in een
                                    AWBZ-instelling;</al></li><li nr="k."><al>de aanvraag betrekking heeft op hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, vakantiewoningen en tweede woningen, met
                                    uitzondering van de vakantiewoningen die rechtmatig en permanent
                                    bewoond worden;</al></li><li nr="l."><al>de te treffen voorziening bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
                                    noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; </al></li><li nr="m."><al>de aanvraag betrekking heeft op voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische deuropeners,
                                    hellingbanen en extra trapleningen. Een voorziening wordt enkel
                                    verstrekt als de ruimte zonder de voorziening voor de aanvrager
                                    ontoegankelijk blijft;</al></li><li nr="n."><al>wanneer de voorziening anti-revaliderend is;</al></li><li nr="o."><al>bij achterstallig onderhoud en een voorziening gevraagd wordt
                                    ter renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd;</al></li><li nr="p."><al>De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>– Primaat van verhuizen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager kan uitsluitend voor een woonvoorziening in aanmerking
                                komen als verhuizing niet mogelijk of niet de goedkoopst
                                compenserende oplossing is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het primaat van verhuizen wordt afgeweken wanneer de
                                noodzakelijke aanpassingskosten beneden een bedrag liggen, dat is
                                opgenomen in het Biv.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager die in aanmerking komt voor het primaat van verhuizen,
                                maar die niet wil verhuizen en op eigen kosten zijn woning wil aan
                                passen, kan voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen.
                                Het bedrag staat in het Biv. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanvrager die in aanmerking komt voor het primaat van verhuizen,
                                maar binnen een redelijke termijn geen geschikte woning vindt, komt
                                alsnog in aanmerking voor een woonvoorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>– Bezoekbaar maken woning</titel></kop><al>Een woonvoorziening kan worden verstrekt aan de partner of ouder(s) van
                            een persoon die geen hoofdverblijf heeft in de woning, wanneer de
                            voorziening bedoeld is om één woning bezoekbaar te maken. Dit geldt
                            wanneer de partner of het kind zijn hoofdverblijf heeft in een
                            AWBZ-instelling. Bezoekbaar maken bestaat uit het toegankelijk en
                            bruikbaar maken van de woonkamer en één toilet door de persoon met
                            beperkingen. De woonvoorziening wordt verstrekt aan de eigenaar van de
                            woning. In het Biv zijn nadere regels gesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>– Woonvoorziening en andere voorzieningen</titel></kop><al>De scootmobiel of elektrische rolstoel dient gestald te worden in een
                            daarvoor geschikte overdekte, geventileerde (alleen bij natte accu's) en
                            van elektrische aansluiting voorziene ruimte. Doorgaans is een
                            dergelijke ruimte bij een woning aanwezig (schuur, berging, garage,
                            hal).</al><lijst><li nr="1."><al>Het ontbreken van een stallingsruimte of elektrische aansluiting
                                    kan aanleiding zijn om een woonvoorziening te verstrekken,
                                    waarmee wordt voorzien in realisatie of de kosten van een
                                    dergelijke voorziening. Dit geldt ook voor het aanpassen van een
                                    toegangsweg (pad of stoep) tot de toegangsdeur van de woning of
                                    stalling.</al></li><li nr="2."><al>Voor woonvoorzieningen is aanvrager een eigen bijdrage
                                    verschuldigd. Omdat deze kosten voortvloeien uit het verstrekken
                                    van een scootmobiel of elektrische rolstoel geldt hierop een
                                    uitzondering en is aanvrager geen eigen bijdrage verschuldigd.
                                </al></li><li nr="3."><al>Bovengenoemde woonvoorzieningen worden verstrekt in de vorm van
                                    een voorziening in natura (bij huurders) of een persoonsgebonden
                                    budget (bij woningeigenaren). </al></li><li nr="4."><al>Wanneer het technisch niet mogelijk is om een stalling of
                                    elektrische aansluiting te realiseren mag het college de
                                    vervoersvoorziening weigeren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>– Primaat van de herplaatsbare woonunit</titel></kop><al>Wanneer een aanvrager een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening
                            in de vorm van een aan- of uitbouw aan zijn woning in eigendom
                            aanvraagt, en aanvrager een beperkte levensverwachting heeft, kan het
                            college een herplaatsbare losse woonunit in huur verstrekken. Ook
                            wanneer een woning eigendom is van een verhuurder die niet bereid is
                            deze woning duurzaam aan te laten passen, kan het college een
                            herplaatsbare losse woonunit in huur verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>– Tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvrager komt in aanmerking voor een tegemoetkoming van verhuis-
                                en herinrichtingskosten wanneer er verhuisd wordt naar een geschikte
                                woning, tenzij de verhuizing is aan te merken als algemeen
                                gebruikelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon, niet zijnde de aanvrager, kan in aanmerking komen voor
                                een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten wanneer
                                deze op verzoek van de gemeente, een woning vrijmaakt voor een
                                persoon met een beperking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>– Voorziening voor huurderving</titel></kop><al>Het college kan voor de duur van maximaal zes maanden een voorziening
                            voor huurderving verlenen aan de eigenaar van een woning met als doel
                            deze woning (opnieuw) ter beschikking van een persoon met een beperking
                            te laten komen. De voorziening voor huurderving is nooit hoger dan de
                            huurtoeslag grens (conform artikel 13 lid 1 van de Wet op de
                            huurtoeslag).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>– Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Het college verstrekt alleen een bedrag voor onderhoud, keuring en
                            reparatie voor voorzieningen die op grond van de wet zijn verstrekt. In
                            het Biv zijn de bedragen opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>– Gemeenschappelijke ruimte</titel></kop><al>Er worden door het college uitsluitend woonvoorzieningen aan
                            gemeenschappelijke ruimte verstrekt wanneer de toegankelijkheid van de
                            woning van aanvrager in het geding is. Alleen noodzakelijke aanpassingen
                            aan portieken, galerijen en entrees van woongebouwen worden verstrekt.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>– Woonvoorzieningen zelf realiseerbaar</titel></kop><al>Het college hanteert een limitatieve lijst van woonvoorzieningen die
                            door aanvrager zelf te realiseren zijn. Het gaat om eenvoudige
                            hulpmiddelen die zelf aan te schaffen zijn. Deze hulpmiddelen worden
                            niet op grond van deze verordening verstrekt. Nadere regels staan in het
                            Biv vermeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>– Vervoersvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>– Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Het college verstrekt vervoersvoorzieningen ter compensatie van
                            beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen. Deze bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>een vervoersvoorziening in natura voor:</al><lijst><li nr="a"><al>een collectief systeem van aanvullend al dan niet
                                            openbaar vervoer;</al></li><li nr="b"><al>een scootmobiel en hiermee verbandhoudende
                                            gebruikskosten;</al></li><li nr="c"><al>een ander verplaatsingsmiddel dan hierboven
                                            genoemd;</al></li><li nr="d"><al>aanpassingen van een eerder verstrekt
                                            verplaatsingsmiddel.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening voor: </al><lijst><li nr="a"><al>een scootmobiel en hiermee verbandhoudende
                                            gebruikskosten;</al></li><li nr="b"><al>een ander verplaatsingsmiddel dan de hierboven
                                            genoemd;</al></li><li nr="c"><al>aanpassingen van een eerder verstrekt
                                            verplaatsingsmiddel.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>een financiële tegemoetkoming voor:</al><lijst><li nr="a"><al>een autoaanpassing;</al></li><li nr="b"><al>vervoer per eigen auto;</al></li><li nr="c"><al>vervoer per rolstoeltaxi.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>– Recht op vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvrager kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen
                                wanneer aantoonbare beperkingen op grond van ziekte en gebrek het
                                gebruik van het openbaar vervoer of bereiken van het openbaar
                                vervoer onmogelijk maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvrager kan voor een individuele vervoersvoorziening in
                                aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                                of gebrek het gebruik van het collectief vervoer onmogelijk
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>een scootmobiel of ander verplaatsingsmiddel kan in aanvulling op
                                het collectief vervoer verstrekt worden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het inkomen van een ongehuwde of het gezamenlijk inkomen van
                                gehuwde of samenwonende personen meer bedraagt dan het in het Biv
                                voor de diverse categorieën genoemde inkomensgrenzen, komt aanvrager
                                niet in aanmerking voor het collectief vervoer of een financiële
                                tegemoetkoming voor gebruik eigen auto.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>– Primaat van collectief vervoer</titel></kop><al>Het gebruik van het collectief vervoer gaat voor het verstrekken van
                            individuele vervoersvoorzieningen. Een aanvrager kan alleen voor een
                            autoaanpassing of een financiële tegemoetkoming voor gebruik eigen auto
                            in aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen het gebruik van een
                            collectief systeem onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>– Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de verlening van een vervoersvoorziening kan rekening worden
                                gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>de individuele vervoersbehoefte van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de mate waarin de vervoersvoorziening in de individuele
                                        vervoersbehoefte kan voorzien; en</al></li><li nr="c."><al>de mate waarin de vervoersbehoeften van partners
                                        samenvallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er wordt geen vervoersvoorziening verstrekt wanneer het
                                (verzamel)inkomen van aanvrager hoger is dan de inkomensgrens van
                                1,5 maal het norminkomen. In het Biv is dit nader vastgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college beëindigt de verstrekte vervoersvoorzieningen wanneer er
                                sprake is van onvoldoende of ondeskundig gebruik. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>– Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken voorziening wordt bij de vervoersbehoefte voor
                                maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de
                                verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van
                                het leven van alledag, tenzij zich de situatie voordoet dat het gaat
                                om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager
                                zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vervoersvoorziening in natura in de vorm van een collectief
                                systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer wordt toegekend
                                onder de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a"><al>in het Biv bepaalt het college, binnen de grenzen van de
                                        wet, de omvang van de voorziening, waaronder onder meer
                                        begrepen het te bereizen gebied; </al></li><li nr="b"><al>de voorziening dient uitsluitend voor de verplaatsingen in
                                        de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven
                                        van alledag;</al></li><li nr="c"><al>de voorziening mag ook worden gebruikt voor het bezoek aan
                                        ziekenhuis, arts, fysiotherapeut en revalidatiecentrum e.d.
                                        binnen het vervoersgebied; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het Biv zijn hierover nadere bepalingen opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>– Combinatie van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Wanneer de aanvrager beschikt over een eigen auto, komt de aanvrager
                            niet in aanmerking voor het collectief vervoer tegen het gereduceerd
                            tarief. Het college gaat er van uit dat de aanvrager kan voorzien in
                            zijn vervoersbehoefte met eigen auto. Een collectieve
                            vervoersvoorziening als aanvullende vervoersvoorziening wordt hiermee
                            uitgesloten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>– Autoaanpassing</titel></kop><al>Het college verstrekt een financiële tegemoetkoming in de kosten van de
                            aanpassing van de eigen auto van een rolstoelgebonden aanvrager wanneer
                            er om medische redenen geen gebruik gemaakt kan worden van het openbaar
                            of collectief vervoer. Voorwaarden zijn opgenomen in het Biv. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>– Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>– Verplaatsingsvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr=""><al>1.een algemene rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="2."><al>een rolstoelvoorziening in natura:</al><lijst><li nr="a"><al>een handbewogen rolstoel;</al></li><li nr="b"><al>een elektrische rolstoel; </al></li><li nr="c"><al>aanpassingen aan een rolstoel; </al></li><li nr="d"><al>een kindervoorziening (rolstoel of aangepaste
                                            duwwandelwagen);</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li></lijst><al>a een handbewogen rolstoel;</al><al>b een elektrische rolstoel;</al><al>c aanpassingen aan een rolstoel;</al><al>4.een financiële tegemoetkoming voor een sporthulpmiddel of
                            sportrolstoel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>– Primaat algemene rolstoelvoorziening</titel></kop><al>Het college verleent geen verplaatsingsvoorziening wanneer een rolstoel
                            voor het zich incidenteel zittend verplaatsen in en rondom de woning
                            noodzakelijk is en de algemene voorziening genoemd in artikel 6.1 onder
                            1 beschikbaar is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3–</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvrager kan voor een rolstoel in aanmerking komen wanneer
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek frequent
                                zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ of een andere
                                wettelijke regeling geen compenserende oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verleent geen rolstoelvoorziening voor incidenteel
                                gebruik.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvrager die verblijft in een instelling komt uitsluitend voor
                                een rolstoel in aanmerking wanneer hij geen recht heeft op een
                                rolstoel verstrekt op grond van de AWBZ.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er wordt geen pgb verstrekt voor kindervoorzieningen. Het
                                verstrekken van een Pgb is vanwege de korte gebruiksduur (vanwege
                                hun groei) economisch niet rendabel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>– Sportrolstoel of sporthulpmiddel</titel></kop><al>De aanvrager kan voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komen,
                            wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    sporten zonder sporthulpmiddel of sportrolstoel onmogelijk
                                    maken;</al></li><li nr="b."><al>aan de toepasselijke voorwaarden wordt voldaan. Deze zijn in het
                                    Biv vastgelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>– Verplaatsingsvoorzieningen zelf realiseerbaar</titel></kop><al>Het college hanteert een limitatieve lijst van loophulpmiddelen die door
                            aanvrager zelf te realiseren zijn. Het gaat om eenvoudige
                            loophulpmiddelen die zelf aan te schaffen zijn. Deze hulpmiddelen worden
                            niet op grond van de verordening verstrekt. Nadere regels staan in het
                            Biv.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>- Het verkrijgen van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>– Aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college ter
                            beschikking gesteld formulier. Bij de aanvraag kan de aanvrager om
                            bewijsstukken gevraagd worden, zoals vastgelegd in het Biv.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>– Inlichtingen en onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hem aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te (doen) verschaffen die noodzakelijk
                                zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, de aanvrager: </al><lijst><li nr="a"><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;
                                    </al></li><li nr="b"><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>– Extern advies</titel></kop><al>1.Het college kan een daartoe door hem aangewezen adviesinstantie in
                            voorkomende gevallen om advies vragen wanneer:</al><al>a dit nodig geacht wordt, gelet op het vaststellen van de beperkingen
                            van de aanvra- ger;</al><al>b het handelt om een eerste aanvraag van een persoon in het kader van
                            deze verordening;</al><al>c een bouwkundig advies gewenst is bij een bouwkundige of woontechnische
                            woonvoorziening;</al><al>d de aanvraag complex is;</al><al>e de aanvrager een bezwaarschrift heeft ingediend en naar het oordeel
                            van het college een deskundig medisch advies gewenst is;</al><al>f het college dat in andere gevallen gewenst vindt.</al><al>2.Bij de advisering wordt door de adviseur gebruik gemaakt van de
                            systematiek zoals neergelegd in de International Classification of
                            Functions, Disabilities and Impairment, de zogenaamde
                            ICF-classificatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>– Beschikking</titel></kop><al>Het besluit van het college op een aanvraag voor een verstrekking wordt
                            vastgelegd in een beschikking. In de beschikking wordt gemotiveerd
                            aangegeven waarom een aanvrager wel of niet voor een voorziening in
                            aanmerking komt en wat de voorziening voor de persoon met beperkingen
                            bijdraagt aan de bevordering van de zelfredzaamheid en maatschappelijke
                            participatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>– Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>De aanvrager aan wie op grond van deze verordening een voorziening wordt
                            verleend, is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden, waarvan
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                            voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>– Heronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd regelmatig een heronderzoek te verrichten
                                naar de voortzetting van het recht op een voorziening van belang
                                zijnde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkwijze wordt in het Biv nader omschreven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>– Opschorting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de aanvrager de voor het behoud van een (periodiek)
                                persoonsgebonden budget voor HbH van belang zijnde gegevens of
                                bewijsstukken niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt en
                                hem dit te verwijten valt of wanneer aanvrager onvoldoende
                                medewerking verleent aan het onderzoek, schort het college het recht
                                op de voorziening op vanaf de dag van het verzuim.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college meldt de opschorting schriftelijk aan aanvrager en
                                nodigt hem uit binnen een door haar te stellen termijn het verzuim
                                te herstellen. Verdere betalingen worden geblokkeerd totdat de
                                gevraagde gegevens of bewijsstukken zijn ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de aanvrager het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
                                gestelde termijn, beëindigt het college na het verstrijken van deze
                                termijn de voorziening met ingang van de eerste dag waarover het
                                recht op de voorziening is opgeschort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>– Intrekking en beëindiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college trekt een besluit genomen op grond van deze
                                    verordening geheel of gedeeltelijk in, wanneer: </al><lijst><li nr="a"><al>niet of niet langer is voldaan aan de voorwaarden of
                                            verplichtingen gesteld bij of krachtens de wet of deze
                                            verordening;</al></li><li nr="b"><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                            gegevens zodanig onjuist zijn dat, waren de juiste
                                            gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                            genomen; </al></li><li nr="c"><al>op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst of
                                            verbintenis alsnog een vergoeding voor de voorziening is
                                            verstrekt;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De voorziening wordt beëindigd wanneer:</al></li></lijst><al>e aanvrager zijn hoofdverblijf niet meer in de gemeente heeft;</al><al>f een nieuw, vervangend middel wordt toegekend;</al><al>g aanvrager overlijdt (1<sup>e</sup> dag na overlijden);</al><al>h aanvrager verhuist (1<sup>e</sup> dag na verhuizing);</al><al>i gebleken is dat de voorziening niet langer noodzakelijk is.</al><al>3.Een Pgb of financiële tegemoetkoming wordt ingetrokken c.q. beëindigd
                            wanneer:</al><al>a de budgethouder hier zelf schriftelijk om verzoekt;</al><al>b blijkt dat het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            gebruikt voor de aankoop waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden;</al><al>c niet binnen zes maanden uitvoering is gegeven aan het besluit;</al><al>d de aanvrager de gestelde voorwaarden niet nakomt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>– Intrekken aanvraag</titel></kop><al>Wanneer de aanvrager zijn of haar aanvraag schriftelijk intrekt voordat
                            het college hierop heeft beschikt, wordt de aanvraag als afgedaan
                            beschouwd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.10</nr><titel>– Terugbetalingsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt een terugbetalingsverplichting op wanneer zij het
                                besluit waarbij de verleende voorziening is toegekend, heeft
                                ingetrokken en er sinds de datum van het besluit nog geen vijf jaren
                                zijn verstreken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle ingevolge deze verordening terug te betalen bedragen worden
                                verhoogd met de wettelijke rente.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>– Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>– Afwijken van bepalingen: hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                                of de woningeigenaar afwijken van hetgeen bij of krachtens deze
                                verordening is bepaald, indien strikte toepassing daarvan tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kan het college
                                advies vragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>– Beslissing college</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van de Wet betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>– Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de bij of krachtens deze
                            verordening geldende bedragen verhogen of verlagen conform de
                            prijsontwikkeling op basis van de consumentenprijsindex alle huishoudens
                            van het Centraal bureau voor de Statistiek. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>– Evaluatie</titel></kop><al>Het door het college gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd of
                            zoveel eerder als wenselijk is gelet op de landelijke ontwikkelingen met
                            betrekking tot de Wmo. Wanneer nodig wordt deze verordening aangepast.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>– Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 en
                            vervangt de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Oisterwijk 2009.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>– Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            voorzieningen gemeente Oisterwijk 2011.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Oisterwijk</ondertekening><ondertekening>Op 23 december 2010. </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Nelleke van Wijk drs. Hans Janssen</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>- Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen nader verklaard. </al><al>p.Algemeen gebruikelijk: Een voorziening is algemeen gebruikelijk
                            wanneer het voor iemand zonder beperkingen in een vergelijkbare positie
                            (wat betreft leeftijd, inkomen, bestedingspatroon) als de aanvrager, een
                            gangbare voorziening is of zou kunnen zijn. Het is onder de Wmo
                            toegestaan om bepaalde voorzieningen als algemeen gebruikelijk aan te
                            merken. Hiervoor kan door de gemeente een niet-limitatieve lijst worden
                            gehanteerd.</al><al>Enkele voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>een thermostatische (douche)mengkraan</al></li><li nr="-"><al>keramische- en inductiekookplaat</al></li><li nr="-"><al>douchekop op glijstang</al></li><li nr="-"><al>fiets met hulpmotor</al></li><li nr="-"><al>fiets met lage instap</al></li><li nr="-"><al>fiets met trapondersteuning</al></li><li nr="-"><al>vervanging van douche, keuken of badkamer </al></li><li nr="-"><al>verhoogde toiletpot</al></li></lijst><al>Het is niet de bedoeling van de wet dat het college voorzieningen
                            verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook
                            zonder zijn beperking zou kunnen beschikken. Wat in een concrete
                            situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van
                            geldende maatschappelijke normen van het moment van aanvraag. Het kan in
                            sommige gevallen wel gaan om voorzieningen die specifiek voor een
                            beperking worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke
                            karakter toch niet vergoed worden. Bij het beantwoorden van de vraag of
                            de voorzieningen algemeen gebruikelijk zijn wordt de afweging gemaakt of
                            het gaat om voorzieningen die:</al><lijst><li nr="·"><al>in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="·"><al>niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met beperkingen;</al></li><li nr="·"><al>niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                    hetzelfde doel;</al></li><li nr="·"><al>voor iemand zonder beperking in een financieel vergelijkbare
                                    positie tot het normale aanschaffingspatroon kan worden
                                    gerekend.</al></li><li nr="u."><al>Persoonsgebonden budget: in de wet is opgenomen dat het
                                    persoonsgebonden budget vergelijkbaar moet zijn met een
                                    voorziening in natura. Bij het persoonsgebonden budget voor hulp
                                    bij het huishouden wordt rekening gehouden met de soort zorg die
                                    geboden wordt. Hierbij wordt informele zorg (van familielid,
                                    buur of kennis) en formele zorg onderscheiden (zorg van een
                                    professionele zorgaanbieder). Voor informele zorg is een lager
                                    tarief van toepassing (gebaseerd op het minimumuurloon) en voor
                                    formele zorg een marktconform tarief. Hierbij wordt aangesloten
                                    bij het uurtarief van een gecontracteerde zorgaanbieder.
                                    Bedragen staan in het Biv.</al></li></lijst><al>bb. Hoofdverblijf: de compensatieplicht strekt zich uit tot de inwoners
                            van de gemeente; de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                            geeft hierover uitsluitsel. De verordening regelt met de zinsnede “en op
                            welk adres de aanvrager in de gemeentelijke basisadministratie staat
                            ingeschreven of zal staan ingeschreven” de mogelijkheid aanvragen in te
                            dienen bij de gemeente waar men nog niet woont. </al><al>Een aanvraag voor een woningaanpassing moet worden ingediend in de
                            gemeente waar de woning staat. Ook een aanvraag voor het bezoekbaar
                            maken van een woning voor de aanvrager die in een AWBZ instelling
                            verblijft, wordt gedaan in de gemeente waar de woning staat. Hierbij
                            vraagt de eigenaar of huurder van de te bezoeken woning om een
                            woningaanpassing. Dit kan de partner of ouder(s) betreffen van een
                            persoon die in een AWBZ-instelling verblijft. Wanneer de aan te passen
                            woning gehuurd wordt moet vooraf om toestemming aan de eigenaar van de
                            woning gevraagd worden (woonstichting, particulier verhuurder). </al><al>Een verhuiskostenvergoeding moet worden aangevraagd bij de gemeente
                            waaruit men vertrekt.</al><al>cc. Gebruikelijke zorg: hierin is opgenomen dat het om een of meer
                            meerderjarige huisgenoten moet gaan. Reden hiervoor is dat alleen van
                            personen van 18 jaar of ouder verwacht kan worden dat zij alle
                            huishoudelijke taken overnemen. Dit neemt echter niet weg dat jongere
                            huisgenoten ook taken kunnen overnemen, zoals de was in de wasmand doen,
                            tafel afruimen en dergelijke, maar dit kan geen reden zijn om hulp bij
                            het huishouden te weigeren. Dit kan wel wanneer het een meerderjarige
                            huisgenoot betreft (die in staat is alle huishoudelijke taken over te
                            nemen).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>– Bevoegdheid college</titel></kop><al>In dit artikel is de bevoegdheid van het college geregeld met betrekking
                            tot de vaststelling van het Besluit individuele voorzieningen (Biv).
                            Deze regels zijn een gedetailleerde uitwerking van het beleid, zoals dat
                            in deze verordening is vastgelegd. Door deze bevoegdheid te leggen bij
                            het college, wordt bereikt dat regels in overeenstemming met de
                            maatschappelijke werkelijkheid kunnen worden aangepast, zonder dat dit
                            ogenblikkelijk leidt tot een procedure tot bijstelling van de
                            verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>– Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><al>Artikel 1.3 lid 1 geeft voorwaarden aan, die betrekking hebben op het
                            toekennen van een voorziening.</al><al>a.Langdurig noodzakelijk:</al><al>Voorzieningen dienen langdurig noodzakelijk te zijn om belemmeringen op
                            het gebied van het voeren van een huishouden, het normale gebruik van de
                            woning, het zich in en om de woning verplaatsen en het ontmoeten van
                            andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden, op te
                            heffen. </al><al>Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere tijd
                            aangewezen moet zijn op een desbetreffende voorziening. Voor langere
                            tijd betekent in iedere geval dat wie tijdelijk een voorziening nodig
                            heeft, bijvoorbeeld door een ongeval, terwijl vast staat dat beperkingen
                            of problemen van voorbijgaande aard zijn, niet in aanmerking komt. </al><al>Voor deze groep is de uitleen van hulpmiddelen (maximaal zes maanden) de
                            aangewezen voorziening. Waar de grens ligt tussen kortdurend en
                            langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. De prognose is van
                            groot belang. Luidt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de
                            benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag
                            men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                            verbetering in toestand en periodes van terugval elkaar opvolgen, kan
                            echter worden uitgegaan van een langdurige noodzaak. Uitzondering is de
                            hulp bij het huishouden die in sommige gevallen voor korte duur kan
                            worden geïndiceerd, bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname. </al><al>c.Goedkoopst compenserend:</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt
                            dienen naar objectieve maatstaven zowel de goedkoopste als de meest
                            compenserende voorziening te zijn. Met nadruk wordt hier gesteld dat met
                            het begrip compenserend bedoeld wordt “volgens objectieve maatstaven nog
                            toereikend”. Naast datgene wat de aanvrager als compenserend beschouwt
                            mee zal moeten wegen in de beoordeling van het compenserend zijn van de
                            voorziening, zal ook het kostencriterium een rol spelen bij de
                            uiteindelijke beoordeling. Voor wat betreft het kwaliteitsniveau wordt
                            bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau aangesloten. Het
                            begrip goedkoop moet bij de beoordeling niet in absolute zin worden
                            uitgelegd. Zo kan een in aanschaf duurdere voorziening bijvoorbeeld
                            langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn (zie CRvB 08-10-2003,,
                            nr. 02/1128 WVG).</al><al>Eigenschappen die kostenverhogend werken en niet noodzakelijk zijn,
                            zullen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wel kan het voorkomen
                            dat de belanghebbende een duurdere of meer compenserende voorziening
                            wenst dan geïndiceerd en de meerkosten daarvan zelf wil betalen.</al><al>d.Op het individu gericht:</al><al>Met uitzondering van collectief vervoer moet een voorziening in
                            overwegende mate op het individu gericht zijn. Het collectief vervoer is
                            het voorbeeld van een collectieve voorziening die op basis van een
                            individuele aanvraag wordt toegekend door de gemeente. </al><al>e.Woonachtig in de gemeente Oisterwijk:</al><al>In de wet is geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                            compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen,
                            hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel is
                            opgenomen om te voorkomen dat er aanvragen ingediend worden bij
                            gemeenten waar de aanvrager niet woont.</al><al>Lid 2 van artikel 1.3 geeft situaties weer waarin een voorziening wordt
                            geweigerd.</al><lijst><li nr="a."><al> De grens tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat niet wordt
                                    bepaald aan de hand van algemeen maatschappelijke normen. Deze
                                    normen verschuiven in de tijd; zo zullen voorzieningen die op
                                    het ene moment als een Wmo-voorziening aangemerkt worden, na
                                    verloop van tijd als algemeen gebruikelijk aangemerkt kunnen
                                    worden. Ook inkomen kan hierin een belangrijke rol spelen. Een
                                    aantal voorzieningen is in alle gevallen algemeen gebruikelijk,
                                    zoals een fiets met hulpmotor, fiets met trapondersteuning,
                                    e-bike. In het Biv is een lijst opgenomen van wat in ieder geval
                                    algemeen gebruikelijk is. Bij het hanteren van het begrip
                                    'algemeen gebruikelijk' wordt aangesloten bij
                                    jurisprudentie.</al></li><li nr="b."><al> Hier wordt aangegeven dat voorzieningen niet worden verstrekt
                                    als er een andere wettelijke regeling bestaat, op grond waarvan
                                    men aanspraak kan maken op de aangevraagde voorziening. Deze
                                    bepaling is ontleend aan artikel 2 Wmo waarin wordt aangegeven
                                    dat andere rechten voor gaan. Dit geldt voor rechten op de WWB,
                                    de AWBZ, de Wet op de jeugdzorg en de wet Wia. Ook kan de
                                    gemeente voorwaarden verbinden aan het verlenen van een
                                    voorziening. Deze voorwaarden kunnen erop gericht zijn dat de
                                    klant zijn claim op de (vergoeding van de) voorziening bij een
                                    ander kan leggen. Hierbij is maatwerk het uitgangspunt. Het gaat
                                    hierbij niet alleen om wettelijke regelingen, maar ook om
                                    privaatrechtelijke aanspraken. Zo kan iemand die door het
                                    toedoen van een ander aangewezen raakt op voorzieningen mogelijk
                                    een vergoeding claimen en daarmee vervalt het recht op een
                                    voorziening op grond van de Wmo. In de periode tijdens het
                                    voeren van de eventuele procedure ter verkrijging van een
                                    dergelijke vergoeding bestaat een tijdelijk recht op een
                                    voorziening. Bij toewijzing van de claim vervalt dit recht en
                                    worden de gemaakte kosten teruggevorderd. Het gaat hierbij onder
                                    andere om afspraken die de gemeente heeft gemaakt met
                                    wooncorporaties. Als op grond van deze afspraken de
                                    woningaanpassing voor rekening van de woningeigenaar komt, gaat
                                    het om een voorliggende voorziening die niet op basis van deze
                                    verordening wordt vergoed. </al></li><li nr="c."><al>De aanvraag kan worden geweigerd als het gaat om een vergoeding
                                    of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het
                                    de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                                    bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid,
                                    dus niet indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander
                                    aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden
                                    of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor
                                    aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een
                                    andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor
                                    de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de
                                    opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij
                                    brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al></li><li nr="d."><al> Gedoeld wordt op de situatie dat de aanvrager een voorziening
                                    aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer
                                    heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te
                                    verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken
                                    voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden
                                    geweigerd. Dit betekent dat werkzaamheden voor woningaanpassing
                                    pas mogen aanvangen nadat het college een beslissing over de
                                    aanvraag heeft genomen. Pas op dat moment heeft het college alle
                                    op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op
                                    grond hiervan een besluit genomen over de te treffen
                                    voorziening. Door deze regeling wordt voorkomen dat een
                                    voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet
                                    overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                                    compenserende voorziening beschouwen. Het college kan
                                    bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de
                                    woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare
                                    aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet
                                    noodzakelijk is.</al></li><li nr="e."><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en
                                    vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan,
                                    die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het
                                    optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt.
                                </al></li><li nr="f."><al>Het gaat hierbij zowel om het ontbreken van gegevens of het niet
                                    meewerken aan een extern onderzoek, waardoor het niet mogelijk
                                    is om de noodzaak vast te stellen.</al></li><li nr="g."><al>Een uitwerking hiervan wordt gegeven in gebruikelijke zorg
                                    waarbij wordt rekening gehouden met het vaststellen van het
                                    recht op huishoudelijke hulp.</al></li><li nr="h."><al> Met instellingen die ingevolge de Wet toelating
                                    zorginstellingen zijn toegelaten, worden bedoeld alle
                                    instellingen die door de AWBZ of de Zorgverzekeringswet worden
                                    gefinancierd. Het gaat hierbij om bejaarden-, verzorgings-,
                                    verpleeg- en ziekenhuizen, maar ook revalidatiecentra en
                                    instellingen voor begeleid wonen (RIBW en dergelijke). </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Vormen van individuele voorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>– Keuzevrijheid</titel></kop><al>Hier worden de keuzevrijheid en de voorzieningen benoemd.</al><lijst><li nr="1."><al>De eerste mogelijkheid is de voorziening in natura. Daarmee
                                    wordt bedoeld dat de gemeente de aanvrager een voorziening
                                    verstrekt die hij of zij kant en klaar krijgt. Met de
                                    voorziening die betrokkene in natura krijgt moet het probleem
                                    voldoende gecompenseerd zijn.</al></li><li nr="2."><al>De tweede mogelijkheid is de in artikel 6 van de wet Wmo
                                    verplicht gestelde mogelijkheid een alternatief te ontvangen in
                                    de vorm van een persoonsgebonden budget. Na een wetswijziging
                                    die sinds 1 januari 2010 van kracht is, zijn er voor het
                                    persoonsgebonden budget als het gaat om hulp bij het huishouden
                                    twee mogelijkheden om dit in te vullen: als Pgb en als
                                    financiële vergoeding voor alfahulp. </al></li><li nr="3."><al>De derde mogelijkheid van verstrekking is de financiële
                                    tegemoetkoming, zo blijkt uit artikel 7, lid 2 wet Wmo:
                                        <cursief>‘Een persoonsgebonden budget en een financiële
                                        tegemoe</cursief><cursief>t</cursief><cursief>koming voor
                                        een bouwkundige of</cursief><cursief>woontechnische ingreep
                                        in of aan een woonruimte wordt verleend aan de eigenaar van
                                        de</cursief><cursief>woonruimte. Artikel 6 is van
                                        overeenkomstige toepassing’.</cursief> Als het gaat om
                                    bouwkundige woonvoorzieningen is de gemeente verplicht om een
                                    financiële tegemoetkoming uit te betalen aan de eigenaar van de
                                    woning. Een dergelijke financiële tegemoetkoming kan alleen al
                                    om die reden geen persoonsgebonden budget zijn. Dat gaat immers
                                    rechtstreeks naar de aanvrager. Ook is soms sprake van een
                                    financiële tegemoetkoming bij een taxi- of
                                    rolstoeltaxikostenvergoeding op declaratiebasis.</al></li></lijst><al>Het onderscheid tussen de begrippen financiële tegemoetkoming en
                            persoonsgebonden budget is niet altijd even duidelijk. Dat wordt nog
                            ingewikkelder gemaakt, doordat soms een financiële tegemoetkoming als
                            forfaitaire financiële tegemoetkoming verstrekt wordt. De verschillen
                            tussen een financiële tegemoetkoming, een forfaitaire financiële
                            tegemoetkoming en een persoonsgebonden budget zijn als volgt aan te
                            geven:</al><al>Een financiële tegemoetkoming is een bedrag bedoeld om een individuele
                            voorziening mee te</al><al>realiseren. Het begrip financiële tegemoetkoming wordt in de wet
                            gebruikt in artikel 7 lid 2 waar gesproken wordt over een financiële
                            tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan
                            een woonruimte. Een financiële tegemoetkoming kan afhankelijk worden
                            gesteld van het inkomen van de aanvrager. De aanvrager betaalt dan mee
                            en dat wordt een eigen aandeel genoemd. Samen met dit eigen aandeel zal
                            een financiële tegemoetkoming kostendekkend zijn, tenzij er nog een
                            algemeen gebruikelijk deel in het bedrag zit. </al><al>Een forfaitaire financiële tegemoetkoming is een bedrag dat los van de
                            werkelijke kosten en meestal los van het inkomen wordt vastgesteld. Het
                            is dus geen kostendekkend bedrag en zal meestal niet op het inkomen van
                            de aanvrager worden afgestemd. Te denken valt aan een
                            verhuiskostenvergoeding of een auto- of taxikostenvergoeding. Ook hier
                            kan eventueel wel rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk
                            deel, zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>- Voorziening in natura</titel></kop><al>1. Voorziening in natura: Het doel van deze bepaling is het vastleggen
                                van de rechten en plichten van het college en de aanvrager. </al><al>2. Opgemerkt wordt dat reeds sprake is van een overeenkomst indien de
                                factuur van de leverancier door de klant voor ontvangst van de
                                voorziening c.q. het middel wordt getekend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>– Voorziening anders dan in natura</titel></kop><al>Het gaat hier om een voorziening in de vorm van geld (Pgb of financiële
                            tegemoetkoming) of financiële vergoeding in de vorm van alfacheques voor
                            HbH.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>- Persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget is een vorm waarin een toegekende
                            voorziening wordt verstrekt. Een aanvrager maakt de keuze tussen een
                            voorziening in natura of een persoonsgebonden budget, wanneer dit op de
                            voorziening van toepassing is. Collectieve of algemene voorzieningen
                            vallen niet onder deze eis.Dat betekent dat bij deze
                            voorzieningen geen persoonsgebonden budget verstrekt wordt. De Centrale
                            Raad van Beroep onderschrijft dit in diverse uitspraken. Voor deze
                            voorzieningen geldt ook de eigen bijdrage systematiek niet. </al><al>De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels bepaald dat collectief
                            vervoer een individuele</al><al>voorziening is (als de gebruiker een indicatie nodig heeft), waarvoor in
                            principe het verplichte</al><al>alternatief van een persoonsgebonden budget bestaat. Daar mag in
                            individuele gevallen vanaf</al><al>worden geweken als duidelijk is dat het collectief vervoer ook in de
                            situatie van betrokkene</al><al>leidt tot een adequate compensatie. Ook aantoonbare
                            efficiencyoverwegingen mogen een rol</al><al>spelen. De afweging of daar sprake van is zal altijd gemaakt moeten
                            worden.</al><al><cursief>Het college bepaalt de omvang van het persoonsgebonden
                                budget.</cursief></al><al>Hierbij zijn twee mogelijkheden te onderscheiden: het
                            persoonsgebonden</al><al>budget voor hulp bij het huishouden en het persoonsgebonden budget
                            voor</al><al>voorzieningen, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen,
                            vervoersvoorzieningen en rolstoelen.</al><al>Bij hulp bij het huishouden gaat het om de betaling van tijd aan
                            zorgverleners. De uitbetaling zal dan ook plaats vinden per uur of een
                            gedeelte daarvan. Het uurbedrag wordt door het college vastgesteld en
                            kan aangepast worden aan de economische ontwikkelingen. Het bedrag wordt
                            vastgelegd in het Biv. Bepaald is in artikel 6 lid 1 wet Wmo dat het
                            uurbedrag vergelijkbaar met zorg in natura moet zijn en bovendien
                            toereikend. Dat betekent dat het bedrag tenminste het minimumloonbedrag
                            zal moeten zijn. Het college heeft gekozen voor drie verschillende
                            basistarieven voor het Pgb HbH, al naar gelang het beoogde gebruik. Voor
                            de zwaardere hulp worden deze bedragen opgehoogd.</al><al>Wat betreft de voorzieningen maakt het college per toekenning een
                            berekening . Daarbij moet</al><al>het bedrag voldoende zijn om de voorziening aan te schaffen en de
                            beperkingen voldoende te compenseren.</al><al>De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden
                            verstrekt zijn daarbij</al><al>uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte.
                            Daarbij kunnen bedragen</al><al>geteld worden voor instandhoudingskosten (onderhoud, reparatie) van de
                            voorziening, voor zover daar sprake van kan zijn. Deze bedragen kunnen
                            bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van
                            de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij
                            verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van
                            kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote
                            hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt
                            doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de
                            bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan
                            verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen
                            worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met
                            korting zal kunnen worden aangeschaft. Is dat niet het geval dan zal
                            beoordeeld moeten worden of niet het volledige bedrag zonder korting
                            vergoed zal moeten worden omdat anders het te bereiken resultaat
                            onbereikbaar wordt. Verder zal worden uitgegaan van de situatie die er
                            zou zijn als de voorziening in natura zou worden verstrekt. Zou dat een
                            nieuwe voorziening zijn of een voorziening die verstrekt zou worden uit
                            depot. In de eerste situatie wordt het bedrag bepaald op een nieuwe
                            voorziening, met korting. In het tweede geval wordt het bedrag bepaald
                            op het bedrag dat het zou kosten om de voorziening uit depot aan te
                            schaffen.</al><al>Lid 1 regelt de voorwaarden voor het persoonsgebonden budget. Wanneer
                            vaststaat dat voor aanvrager de keuze voor een Pgb, onder meer met het
                            ook op nakoming van de verplichtingen, onverantwoord is, wordt deze
                            voorziening geweigerd.</al><al>Lid 2 regelt de omvang van het persoonsgebonden budget. Dit is gekoppeld
                            aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst compenserende natura
                            voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn waarop het
                            persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Goedkoopst compenserend”
                            is een objectief vaststelbaar referentiepunt. Vervolgens kan een
                            aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de instandhoudingskosten
                            (onderhoud, reparatie van de voorziening) indien van toepassing. Meer
                            informatie hierover is opgenomen in het Biv. </al><al>Lid 3 bepaalt dat de belangrijkste aspecten van het persoonsgebonden
                            budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat om de
                            omvang ervan (de hoogte van het budget), maar ook de periode
                            (indicatieperiode HbH of verwachte gebruiksduur voorziening) waarover
                            het wordt toegekend. </al><al>Lid 4 is de algemene eis neergelegd dat er een programma van eisen wordt
                            vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het
                            persoonsgebonden budget te verwerven voorziening tenminste moet voldoen.
                            Het programma van eisen is een belangrijk document; als hieraan niet
                            wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de verantwoording van het
                            budget of wordt een ongeschikte (onvoldoende compenserende) voorziening
                            gekocht. </al><al>Lid 5 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het persoonsgebonden
                            budget. Over de wijze van betaling zijn door het college nadere regels
                            gesteld. Het gaat om de termijnen voor een Pgb bestemd voor hulp bij het
                            huishouden. Deze zijn opgenomen in het Biv. </al><al>Lid 6 regelt dat het aan het college is om te bepalen hoe die controle
                            plaatsvindt. Het college is verantwoordelijk voor de rechtmatige en
                            doelmatige besteding van gelden op grond van de wet en heeft de
                            bevoegdheid om te bepalen hoe en hoe vaak er wordt gecontroleerd of
                            persoonsgebonden budgetten worden besteedt conform de voorwaarden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>- Financiële vergoeding voor alfahulp</titel></kop><al>De financiële vergoeding voor alfahulp is geen voorziening in de vorm
                            van geld, zoals het Pgb of de financiële tegemoetkoming. Het gaat hier
                            om het verstrekken van zogenoemde “alfacheques” voor huishoudelijke hulp
                            geleverd door een alfahulp. Eén cheque vertegenwoordigt één uur
                            huishoudelijke hulp. Het tarief is gebaseerd op het wettelijk
                            minimumloon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>– Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Het aantal mogelijkheden voor een financiële tegemoetkoming is beperkt:
                            het zal gaan om</al><al>een bouwkundige woonvoorziening, uit te betalen aan de eigenaar van de
                            woning, een</al><al>verhuiskostenvergoeding, of een financiële tegemoetkoming voor gebruik
                            van een taxi of een</al><al>rolstoeltaxi. De financiële tegemoetkoming zal zo groot zijn dat de aan
                            te schaffen voorziening</al><al>hiermee aangeschaft kan worden. Dit kan onder aftrek van een zogenaamd
                            eigen aandeel, te</al><al>vergelijken met de eigen bijdrage. Ook bij een financiële tegemoetkoming
                            zal de beschikking</al><al>waarin dit bedrag wordt toegekend voorwaarden kunnen bevatten over de
                            besteding van de</al><al>financiële tegemoetkoming. Over een financiële tegemoetkoming moet
                            verantwoording worden afgelegd over de besteding ervan, tenzij het om
                            een forfaitair bedrag gaat: een forfaitair bedrag voor een verhuizing
                            kan vrij worden besteed, mits er daadwerkelijk verhuisd wordt.</al><al>De financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige of woontechnische
                            ingreep in of aan een huurwoning wordt niet verleend aan de aanvrager
                            maar aan de eigenaar van de woning. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>- Eigen bijdrage</titel></kop><al>In dit artikel stelt het college vast van deze mogelijkheid gebruik te
                            maken, zoals in artikel 15 lid 1 van de wet. </al><al>De verordening regelt wanneer bij een persoonsgebonden budget een eigen
                            bijdrage</al><al>verschuldigd is. Deze eigen bijdrage wordt berekend door het Centraal
                            Administratie Kantoor (CAK). Het CAK werkt met verzamelinkomens vanuit
                            een peiljaar, welk jaar twee jaar voor het lopende jaar ligt. Dit is
                            noodzakelijk om over de verzamelinkomens, die afkomstig zijn van de
                            Belastingdienst, te kunnen beschikken. Dit betekent dat er soms een
                            voorlopige vaststelling zal plaatsvinden en achteraf een definitieve
                            vaststelling. Het in mindering brengen van eigen bijdragen of een eigen
                            aandeel is daardoor niet mogelijk. Al deze activiteiten zullen door het
                            CAK worden uitgevoerd. Een eigen bijdrage voor een persoonsgebonden
                            budget (of een financiële tegemoetkoming met een eigen aandeel) mag elke
                            4 weken gevraagd worden, maar mag nooit de grens die in het besluit is
                            vastgelegd, te boven gaan. Ook mag een eigen bijdrage de kostprijs van
                            de voorziening niet te boven gaan.</al><al>Wordt een persoonsgebonden budget (of een financiële tegemoetkoming met
                            een eigen</al><al>aandeel) verstrekt voor een voorziening die in huur wordt verstrekt, dan
                            mag de eigen bijdrage niet meer dan 39 perioden van 4 weken worden
                            opgelegd. </al><al>Gaat het om een Pgb voor een doorlopende voorziening die niet in
                            eigendom wordt verstrekt, dan mag de eigen bijdrage worden opgelegd
                            zolang als de voorziening wordt gebruikt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>– Eigen aandeel</titel></kop><al>Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                            tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van aanvrager: het eigen
                            aandeel.</al><al><vet><cursief>Schema 1 - De duur van oplegging van eigen aandeel /
                                    e</cursief></vet><vet><cursief>i</cursief></vet><vet><cursief>gen
                                    bijdrage </cursief></vet></al><al>Voorziening Eigen bijdrage/aandeel Duur periode:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="33*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Hulp bij het huishouden</al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen bijdrage</al></entry><entry colname="col3"><al>Per 4 weken voor gehele verstrekkingsduur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Roerende woonvoorzieningen (Niet bouwkundige of niet
                                                woontechnische woonvoorziening)</al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen bijdrage</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal 39 perioden van 4 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Bouwkundige of woontechnische woonvoorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen aandeel</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal 91 perioden van 4 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Verplaatsingsmiddel (excl. Regiotaxi)</al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen bijdrage</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal 91 perioden van 4 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Aanpassing eigen auto</al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen aandeel</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal 91 perioden van 4 weken</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woningsanering</al></entry><entry colname="col2"><al>Eigen aandeel</al></entry><entry colname="col3"><al>Maximaal 91 perioden van 4 weken</al></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><titel>Voorbeelden:</titel></kop><al>Bouw- of woontechnische woonvoorziening: aangepaste keuken, traplift,
                            aanpassen van een badkamer, drempels verwijderen, elektrische
                            deuropener, toegankelijk en bereikbaar maken van de woning.</al><al>Niet bouwtechnische of niet woontechnische woonvoorziening: douchezitje,
                            mobiele tillift, douchebrancard.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>-Hulp bij het huishouden</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>- Keuzevrijheid</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de keuzevrijheid die een aanvrager heeft, bestaande
                            uit een voorziening in natura, uit een persoonsgebonden budget of een
                            financiële vergoeding voor alfahulp. </al><al>Als de burger ondersteuning in natura wenst, regelt de gemeente de
                            voorziening voor de burger door het sluiten van contracten met een
                            zorgaanbieder. De burger is hiermee uitsluitend de ontvanger van de
                            voorziening en mag op geen enkele wijze worden geconfronteerd met enige
                            verantwoordelijkheid als werkgever of opdrachtgever. </al><al>Het is belangrijk dat de burger daadwerkelijk weet waarvoor hij kiest.
                            Daarom regelt de wet de geïnformeerde toestemming. Gemeenten zijn
                            verplicht om burgers in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen te
                            informeren over de consequenties van de keuze die de burger maakt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>– Aanspraak op de voorziening</titel></kop><al>Hulp bij het huishouden is gericht op motiveren, aansturen, instrueren,
                            ondersteunen bij, of overnemen van huishoudelijke taken in relatie tot
                            (dreigend) disfunctioneren van het huishouden, de veiligheid van en de
                            regie over het huishouden. Het gaat daarbij heel praktisch om: de
                            essentiële hygiëne van de huishouding: schone bedden, kleding, sanitair,
                            vloeren, stofzuigen en dweilen; verzorgen van dieren en planten en
                            incidentele werkzaamheden als het schoonhouden van ramen, kasten, en
                            dergelijke.</al><al>Hierbij worden de volgende categorieën hulp onderscheiden:</al><al>a.<vet>HBH 1: alleen schoonmaakwerkzaamheden</vet>. </al><al>De uit te voeren werkzaamheden bestaan uit de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>licht poetswerk in huis (bijvoorbeeld: kamers
                                            opruimen);</al></li><li nr="-"><al>zwaar huishoudelijk werk (bijvoorbeeld: stofzuigen,
                                            schoonmaken wc en badkamer);</al></li><li nr="-"><al>het doen van de was; </al></li><li nr="-"><al>huishoudelijke spullen in orde houden.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al><vet>HBH 2: Schoonmaakwerkzaamheden</vet><vet>met organisatie
                                        van het huishouden</vet></al></li></lijst><al>De uit te voeren werkzaamheden in deze categorie bestaan naast licht en
                            zwaar huishoudelijk werk, het doen van de was en in orde houden van
                            huishoudelijke spullen, uit: </al><lijst><li nr="-"><al>boodschappen doen;</al><lijst><li nr="-"><al>broodmaaltijd bereiden;</al></li><li nr="-"><al>warme maaltijd bereiden;</al></li><li nr="-"><al>anderen helpen in huis met zelfverzorging (verzorging
                                            van kinderen);</al></li><li nr="-"><al>anderen helpen in huis bij het bereiden van de
                                            maaltijd;</al></li><li nr="-"><al>dagelijkse organisatie van het huishouden (bijvoorbeeld
                                            eenvoudige administratieve werkzaamheden).</al></li></lijst></li><li nr="c."><al><vet>HBH 3: Schoonmaakwerkzaamheden en hulp bij ontregelde
                                        huishouding</vet></al></li></lijst><al>De werkzaamheden in deze categorie bestaan naast de bovenstaande lichte
                            ondersteuning in het huishouden en de huishoudelijke werkzaamheden, uit
                            de volgende onderdelen:</al><lijst><li nr="-"><al>eenvoudige psychosociale begeleiding, tevens observeren;</al></li><li nr="-"><al>advies, instructie, voorlichting gericht op het huishouden.</al></li></lijst><al>Voorwaarden:</al><al>a.De eerste voorwaarde om in aanmerking te komen voor hulp bij het
                            huishouden is dat er sprake is van aantoonbare beperkingen of problemen
                            op grond van ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en
                            psychosociale problemen die ervoor zorgen dat de aanvrager niet in staat
                            is een huishouden te voeren.</al><al>Uitgangspunt is dat men primair zelf verantwoordelijk is voor het eigen
                            huishouden, de eigen gezondheid, levensstijl en de wijze waarop het
                            huishouden wordt gevoerd. De Wmo is ter aanvulling op de eigen
                            mogelijkheden. Dit betekent dat van een gezin wordt verwacht dat, bij
                            uitval van één van de leefeenheden, gestreefd wordt naar een
                            herverdeling van de huishoudelijke taken binnen dit gezin. Redenen als
                            ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijk werk willen en/ of kunnen
                            (in de zin van “niet geleerd hebben”) verrichten’ leiden niet tot een
                            indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Als het nodig is
                            kan er een indicatie worden gesteld voor 6 weken hulp bij het huishouden
                            voor het aanleren van huishoudelijke taken en/ of het leren
                            (efficiënter) organiseren van het huishouden. Het college stelt een
                            Protocol indicatiestelling hulp bij het huishouden vast.</al><al>Opvang van jonge kinderen behoort tot de gebruikelijke zorg.
                            Voorliggende voorzieningen zijn hierbij formele of informele
                            kinderopvang (kinderdagverblijf, gastouder, oppas) en voor-, tussen- en
                            naschoolse opvang.</al><al>b.Het kan voorkomen dat een mantelzorger en/of gebruikelijke
                            zorgverlener een aantal weken van zijn zorg ontheven wil worden.
                            Hiervoor wordt respijtzorg geboden. Dit is zorg die verleend wordt op
                            basis van een zeer summiere indicatie. Beoordeeld moet worden of de
                            zorgvrager niet in staat is de niet-uitstelbare taken te verrichten.
                            Respijtzorg wordt verleend als zorg in natura voor maximaal vier weken
                            per jaar. De zorgvrager is geen eigen bijdrage verschuldigd. Respijtzorg
                            kan ook worden ingezet als er sprake is van een gezamenlijke huishouding
                            waarbij de gebruikelijke zorg door een huisgenoot (bijvoorbeeld een
                            meerderjarig inwonend kind) wordt verricht en de huisgenoot tijdelijk
                            deze zorg niet kan bieden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>- Persoonsgebonden budget (Pgb)</titel></kop><al>Er wordt geen Pgb verstrekt wanneer er sprake is van een:</al><lijst><li nr="-"><al>financiële situatie waardoor aanvrager niet over het Pgb zou
                                    kunnen beschikken, zoals schulden, beslag op tegoeden en
                                    dergelijke.</al></li><li nr="-"><al>situatie waarin er twijfel bestaat over budgetbeheer, denk
                                    hierbij aan psychiatrische problemen of
                                    verslavingsproblematiek.</al></li><li nr="-"><al>ontregeld huishouden waarvoor HbH3 wordt aangevraagd. De
                                    noodzaak voor HbH3 wordt ingegeven door een gebrek aan regie en
                                    organisatievermogen.</al></li><li nr="-"><al>aanvraag voor een kindervoorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>– Financiële vergoeding voor alfahulp</titel></kop><al>De alfahulp wordt betaald met de alfacheque. De administratie en
                            bemiddeling tussen aanvrager en alfahulp wordt door een externe
                            organisatie (18k) geregeld. De gemeente heeft een verzekering voor
                            wettelijke aansprakelijkheid afgesloten bij de Sociale Verzekeringsbank
                            (SVB). De kosten hiervoor worden door de gemeente betaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>- Woonvoorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>– Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                            Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                            verstrekt, zijn in beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of luxere
                            voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Garages bijvoorbeeld
                            vallen daarom niet onder dit niveau. Ook bij hulp bij het uitvoeren van
                            algemeen dagelijkse levensverrichtingen speelt deze bepaling een rol.
                            Wanneer bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het
                            feit dat men in een veel grotere of luxere woning woont, geeft deze
                            bepaling een duidelijke grens aan.</al><al>1a.Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening
                            (woningaanpassingen)</al><al>Bij een voorziening in natura of financiële tegemoetkoming voor
                            woningaanpassingen gaat het om bouwkundige woningaanpassingen die de
                            aantoonbare beperkingen van de aanvrager compenseren. </al><al>1b.Een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening:</al><al>Het gaat bij een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening
                            om aanpassingen van de woning die niet nagelvast worden bevestigd, de
                            zogenaamde roerende woonvoorzieningen. In de praktijk gaat het
                            voornamelijk om hulpmiddelen in de keuken, badkamer en toilet. Denk
                            hierbij aan een douchekruk of -stoel, een badlift of losse
                            toiletverhoger. Ook de mobiele patiëntenlift valt onder dit begrip.
                            Specifiek voor kleine kinderen vallen ook een aangepaste aankleedtafel
                            of box onder de roerende woonvoorzieningen. Ook de kosten
                            woning-sanering in verband met bijvoorbeeld een allergische aandoening
                            vallen hieronder.</al><al>3b.Verhuis- en herinrichtingskosten</al><al>Het college kan besluiten om een financiële tegemoetkoming te
                            verstrekken in de verhuis- en herinrichtingskosten, als verhuisd wordt
                            naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning. Als
                            aangepaste of aanpasbare woningen beschikbaar zijn wordt uit
                            doelmatigheidsoverwegingen de voorkeur gegeven aan verhuizen boven
                            aanpassen van de huidige woonruimte van de aanvrager. Tevens moet bij de
                            afweging tussen verhuizen of aanpassen rekening worden gehouden met de
                            financiële en sociale omstandigheden waarin de aanvrager zich bevindt
                            zoals de aanwezigheid van een eigen woning of van mantelzorg. Bij een
                            eigen woning moet worden afgewogen hoe de huidige woonlasten (mogelijk
                            een grotendeels afgeloste hypotheek) zich verhouden ten opzichte van de
                            lasten van een nieuwe (huur)woning.</al><al>De gemeente maakt de afweging of zij een financiële tegemoetkoming voor
                            verhuis- en herinrichtingskosten geeft of dat de woning van de aanvrager
                            aangepast moet worden. </al><al>Uitgangspunt van beleid is dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de
                            voorraad aangepaste woningen in de gemeente. Om deze reden is tevens
                            gekozen deze voorziening niet afhankelijk te stellen van het inkomen.
                            Daarnaast kunnen afspraken gemaakt worden met wooncorporaties in verband
                            met een betere doorstroming in deze gevallen. </al><al>Niet-aanvragers, die een woning voor een aanvrager vrij moeten maken,
                            kunnen ook in aanmerking worden gebracht voor een verhuis- en
                            herinrichtingskostenvergoeding. Om zo doelmatig mogelijk met de
                            aangepaste voorraad woningen om te kunnen gaan kan het wenselijk zijn
                            dat als de band tussen de aanvrager en woning is verbroken (bijvoorbeeld
                            door overlijden van de aanvrager) deze woning opnieuw aan een andere
                            aanvrager wordt toegewezen. In dat geval zullen de achterblijvende
                            huurders worden gestimuleerd naar een andere woonruimte te verhuizen.
                            Het college kan, ook ambtshalve, besluiten om een financiële
                            tegemoetkoming te verstrekken ten behoeve van het vrijmaken van een
                            aangepaste woning. Het verlenen van een verhuis- en
                            herinrichtingskostentegemoetkoming kan dan als stimuleringsmaatregel
                            gezien worden. </al><al>De financiële tegemoetkoming is een vast bedrag. Als een woning wordt
                            vrijgemaakt, kan er tweemaal een tegemoetkoming voor verhuizing en
                            herinrichting worden verstrekt: allereerst aan degene die de woning
                            vrijmaakt en vervolgens aan de aanvrager die naar de vrijgemaakte woning
                            verhuist. De totaalkosten hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de
                            afweging of er een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten
                            verstrekt zal worden, dan wel een woning aangepast moet worden.</al><al>3c.Onderhoud, keuring en reparatie</al><al>Deze kosten worden vergoed om de gebruiksduur van de voorziening te
                            verlengen. Wij hanteren een gebruiksduur van 7 jaar bij een traplift,
                            rolstoel, fietsvoorziening en scootmobiel. Bij kindervoorzieningen kan
                            deze lager zijn, daarom is hiervoor geen Pgb mogelijk. </al><al>3d.Huurderving</al><al>Wanneer een aangepaste woning vrijkomt (door verhuizing of overlijden
                            van de bewoner), wordt deze woning aan een aanvrager met beperkingen
                            toegewezen. In het geval dat er voor de woning niet onmiddellijk een
                            nieuwe huurder is, of dat de woning verder aangepast moet worden om de
                            belemmeringen van de nieuwe bewoner te compenseren, kan een bedrag
                            worden vergoed aan de eigenaar van de woning. </al><al>3e.Woningsanering</al><al>Het wegnemen van vocht en tocht valt niet onder de compensatieplicht van
                            de Wmo. Dit houdt niet in dat belemmeringen die voortvloeien uit een
                            allergische aandoening niet op grond van de wet weggenomen kunnen
                            worden. Bij woningsanering worden in principe alleen de artikelen in de
                            slaapkamer vervangen, in uitzonderingsgevallen en bij kinderen tot en
                            met 4 jaar is het mogelijk ook de woonkamer te saneren. De financiële
                            tegemoetkoming wordt één keer per aanvrager verstrekt, omdat er vanuit
                            wordt gegaan dat wanneer men bekend is met een allergie men hierbij
                            aankopen rekening houdt. Artikelen ouder dan 8 jaar worden niet
                            vervangen, omdat de afschrijvingstermijn 8 jaar is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>- Recht op woonvoorzieningen</titel></kop><al>De beperkingen die een persoon ondervindt bij het normale gebruik van de
                            woning worden gecompenseerd via woonvoorzieningen. Primair zal gekeken
                            worden of verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen dat een
                            geschikte woning beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar komt.
                            Onder geschikte woning dient hier begrepen te worden een woning die met
                            betrekkelijk lage investeringen volledig aangepast kan worden. Is geen
                            geschikte woning beschikbaar dan kan het college besluiten één van de
                            andere voorzieningen te verstrekken. Overigens kunnen hierbij ook andere
                            omstandigheden een rol spelen, zoals opgebouwde mantelzorg en
                            dergelijke.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>- Weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="b."><al>met een onverwacht intredende noodzaak wordt onder andere
                                    bedoeld een acute ziekte die of een ongeval dat belemmeringen
                                    tot gevolg heeft. Onder b wordt onder andere gedoeld op
                                    verhuiskostenvergoedingen. Veel verhuizingen zijn als algemeen
                                    gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                                    heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis
                                    naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar
                                    een kleinere woning, omdat de eengezinswoning te bewerkelijk is
                                    geworden en kinderen reeds zelfstandig wonen.</al><al> Mogelijk kunnen in bepaalde situaties ook andere voorzieningen
                                    dan verhuiskostenvergoedingen geweigerd worden op basis van deze
                                    bepaling. Daarbij moet worden gedacht aan situaties waarin
                                    gemeenten ouderen tijdig wijzen op de eigen verantwoordelijkheid
                                    en naar de mogelijkheid om een woning te zoeken die bij de
                                    leeftijd past. Als men dan, ondanks het feit dat men
                                    ondubbelzinnig is gewezen op de eigen verantwoordelijkheid en de
                                    mogelijkheden er zijn, desondanks geen maatregelen neemt en men
                                    komt in een ongeschikte woning voor voorzienbare woonproblemen
                                    te staan, dan kunnen ook andere woonvoorzieningen dan
                                    verhuiskostenvergoedingen worden geweigerd. De grondslag voor
                                    deze bepaling is gelegen in artikel 4 lid 2 Wmo, waarin wordt
                                    gesteld dat geen recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat
                                    voor zover men zelf in staat is om oplossingen te realiseren. In
                                    dit geval gaat het om preventieve oplossingen voor voorzienbare
                                    problemen. </al></li><li nr="e."><al>met verhuizing waartoe op grond van belemmeringen geen
                                    aanleiding bestond wordt be-</al></li></lijst><al>doeld een verhuizing zonder medische reden, maar omdat men daar zin in
                            heeft, kleiner wil wonen, in een andere omgeving wil wonen en
                            dergelijke. </al><lijst><li nr="f."><al>met belangrijke reden wordt bedoeld baanaanvaarding elders,
                                    huwelijk of samenwonen. Hierdoor wordt verhuisd zonder medische
                                    reden, maar wel met een duidelijk persoonlijk belang: een nieuwe
                                    baan of het bestendigen van een relatie.</al></li><li nr="h."><al>het gaat hierbij om een verhuizing naar een niet-adequate
                                    woning. Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in
                                    relatie tot die beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt
                                    mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men zo maar een
                                    ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening voor
                                    aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier
                                    overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar
                                    ook op alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken
                                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het tekenen van een koop-,
                                    huur- of erfpachtcontract.</al></li><li nr="i."><al>-Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen
                                    kunnen ook niet – als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden.
                                    Daarvoor zal dus per definitie geen woonvoorziening worden
                                    verstrekt; aanpassen leidt niet tot een adequate situatie en
                                    verhuizen vanuit een dergelijke woning naar een woning die wel
                                    geschikt is om het gehele jaar te bewonen kan als algemeen
                                    gebruikelijk worden beschouwd. Ook zonder handicap zal men
                                    immers moeten verhuizen naar een woning de wel het gehele jaar
                                    bewoonbaar is. </al></li><li nr="-"><al>De Wmo is onder meer gericht op het behoud c.q. het bevorderen
                                    van de zelfstandigheid en is als opvolger van de Wvg ook bedoeld
                                    voor mensen die nog zelfstandig kunnen blijven wonen. Op het
                                    moment dat men verhuist naar een AWBZ-instelling, valt men
                                    feitelijk buiten de Wmo-doelgroep, omdat het, ook met
                                    ondersteuning, niet meer mogelijk is zelfstandig een huishouden
                                    te voeren.</al></li><li nr="-"><al>Vakantiewoningen die rechtmatig en permanent bewoond worden
                                    kunnen mogelijk aangepast worden wanneer hiertoe noodzaak is.
                                    Voorwaarden zijn hierbij dat de aanvrager in bezit is van een
                                    gedoogvergunning van de gemeente (rechtmatig verblijf), op het
                                    adres van de vakantiewoning ingeschreven staat in het GBA
                                    (permanent) en niet over een andere woning beschikt of kan
                                    beschikken (hoofdverblijf).</al></li><li nr="-"><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of
                                    vanuit een vergelijkbare situatie naar een zelfstandige
                                    woonruimte om een algemeen gebruikelijke verhuizing. Een
                                    dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf los van de
                                    beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar
                                    een zo adequaat mogelijke woning. Voorzieningen aan de woning
                                    waarheen vanuit het ouderlijk huis wordt verhuisd zijn uiteraard
                                    wel mogelijk, mits verhuisd is naar de op dat moment beschikbare
                                    meest geschikte woning.</al></li><li nr="m."><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                                    hoofdzaak zijn gericht</al></li></lijst><al> op het individu en op diens eigen woonruimte, worden in beginsel geen
                            voorzieningen</al><al> in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. De opsomming </al><al> is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden
                            verstrekt dan er in de</al><al> verordening is genoemd. Toegankelijkheidsproblemen zullen dan in de
                            regel wel op</al><al> andere wijze gecompenseerd moeten worden, mogelijk door toepassing van
                            het </al><al> primaat van de verhuizing. </al><al> Voor woningen die specifiek bestemd zijn voor mensen met een beperking
                            of ouderen worden geen voorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke
                            ruimten. Het gaat hierbij uitsluitend om voorzieningen aan entrees en
                            portieken, zoals hellingbanen, automatische deuropeners, en extra
                            trapleuningen.</al><al>o.Bij aanvragers die een huurwoning bewonen, moet overeenstemming
                            bestaan tussen huurder en verhuurder over de financiering van het niet
                            voor vergoeding in aanmerking komende deel van de investering. Deze
                            overeenstemming kan bestaan uit een doorberekening in de huur of
                            afspraken over rente en aflossing van een door de verhuurder aan de
                            huurder verstrekte lening of een andere wijze van financieren door de
                            aanvrager zelf.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>– Primaat van verhuizen</titel></kop><al>Er dient bij het opleggen van het primaat een goede afweging gemaakt te
                            worden. Er zijn redenen om af te wijken van het primaat van verhuizen.
                            Hier is sprake van wanneer:</al><lijst><li nr="·"><al>door de verhuizing het netwerk van de aanvrager komt te
                                    vervallen en er kans is op een sociaal isolement;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van mantelzorg en deze door verhuizing teniet wordt
                                    gedaan;</al></li><li nr="·"><al>er sprake is van een eigen woning en verhuizing naar een andere
                                    woning onevenredig hogere maandlasten (huur, duurdere
                                    koopwoning) tot gevolg heeft; </al></li><li nr="·"><al>Als redelijke termijn wordt een zoekperiode van zes maanden
                                    gehanteerd;</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>– Bezoekbaar maken woning</titel></kop><al>Het is mogelijk voorzieningen te treffen voor één woning waar een
                            persoon met beperkingen, die zijn hoofdverblijf heeft in een
                            AWBZ-instelling, vaak verblijft. Het gaat dan om de woning van de
                            ouder(s) of partner van betrokkene. Aanvrager is de woningeigenaar of
                            huurder van de woning. Hiervoor is de toestemming van de eigenaar van
                            die woning noodzakelijk. Omdat de aanvrager daar korte tijd verblijft
                            (op bezoek is), vindt geen volledige maar een gedeeltelijke aanpassing
                            van de woning plaats. </al><al>Volgens jurisprudentie van de CRvB kan een gemeente ten aanzien van
                            bezoekbaar maken nooit gedwongen worden meer dan het limitatief
                            opgesomde te verstrekken of de hardheidsclausule te gebruiken.</al><al>In het geval dat de ouders van de aanvrager ieder in een afzonderlijke
                            woning binnen de gemeentegrenzen wonen als gevolg van echtscheiding,
                            wordt die woning aangepast die door de aanvrager het meest bezocht
                            wordt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>– Woonvoorziening en andere voorzieningen</titel></kop><al>Dit artikel regelt de samenloop van meedere voorzieningen. Wanneer een
                            aanvrager een scootmobiel toegekend krijgt en er geen
                            stallingsmogelijkheid is, is het aan het college om te onderzoeken of
                            deze te realiseren is en wanneer dit mogelijk blijkt, deze te
                            realiseren. Alleen wanneer het technisch onmogelijk is een
                            stallingsmogelijkheid te creëren of een berging aan te passen, mag het
                            college de vervoersvoorziening (scootmobiel) weigeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>– Primaat van de herplaatsbare woonunit</titel></kop><al>Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw verhuurd
                            worden aan mensen met beperkingen, kan de investering over een langere
                            periode worden afgeschreven. In gevallen waarin dit niet speelt, of
                            wanneer de woning eigendom is van een persoon met een beperkte
                            levensverwachting, wordt in principe een losse woonunit verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>– Tegemoetkoming verhuis en herinrichtingskosten</titel></kop><al>In het geval dat de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
                            komt hij/zij niet in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming voor
                            verhuis- en herinrichtingskosten. Kosten die voortvloeien uit een keuze
                            om zelfstandig te gaan wonen behoren tot de algemeen gebruikelijke
                            kosten. Een noodzakelijke woningaanpassing kan mogelijk wel worden
                            gerealiseerd.</al><al>Uit jurisprudentie blijkt dat diverse verhuissituaties inmiddels als
                            algemeen gebruikelijk worden aangemerkt. Een bekend voorbeeld zijn
                            ouderen die, wanneer de kinderen uit huis zijn, verhuizen naar een
                            kleinere (etage)woning. Een dergelijke stap wordt als algemeen
                            gebruikelijk aangemerkt, passend bij de overgang tot een volgende
                            levensfase waarbij men rekening houdt met mogelijke toekomstige
                            beperkingen (zie uitspraken Rechtbank Breda 05-02-2009, nr 08/3194 Wmo
                            en Rechtbank Roermond 22-08-2008, nr AWB 08/127).</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een
                            verhuiskosten-/herinrichtingskosten-vergoeding heeft gegeven, komt een
                            aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de
                            gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                            compenserend is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Het hoeft hier
                            uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie
                            waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                            voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop-, huur- of
                            erfpachtovereenkomst voor de te betrekken woning.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>- Voorziening voor huurderving</titel></kop><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de
                            gederfde huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat de
                            aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor aanvragers. Een algemene
                            termijn die redelijk wordt geacht is zes maanden. In de exploitatie van
                            een woning wordt rekening gehouden met een bepaald percentage
                            huurderving.</al><al>Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder het normale
                            risico van leegstand loopt. De eerste maand dat de woning leeg staat mag
                            dit als normaal worden beschouwd. </al><al>De financiële tegemoetkoming is afhankelijk van het werkelijke
                            huurbedrag. De maximale vergoeding is gesteld op de maximale huur die
                            geldt op grond van de Wet op de huurtoeslag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>- Onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>De hoogte van deze tegemoetkoming staat in het Biv vermeld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>– Gemeenschappelijke ruimte</titel></kop><al>In dit artikel staat welke woonvoorzieningen voor de gemeenschappelijke
                            ruimte gerealiseerd kunnen worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>– Woonvoorzieningen zelf realiseerbaar</titel></kop><al>Omdat bepaalde eenvoudige woonvoorzieningen tegenwoordig overal en tegen
                            relatief lage kosten te koop zijn, stelt het college een limitatieve
                            lijst vast van eenvoudige woonvoorzieningen (hulpmiddelen) die zelf aan
                            te schaffen zijn. Er wordt voor deze hulpmiddelen geen voorziening op
                            grond van deze verordening verstrekt.</al><al>Het gaat hierbij om: toiletverhogers, badplanken, losse douche- of
                            toiletstoelen en wandbeugels bij bad, douche en toilet. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Vervoersvoorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>- Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Wanneer het openbaar vervoer, voor iemand met een langdurige functionele
                            beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een
                            vervoersvoorziening. </al><al>1a.Collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer</al><al>Het systeem van collectief vervoer is voor iedereen toegankelijk, ook
                            wanneer een aanvrager geen recht heeft op collectief vervoer tegen
                            gereduceerd tarief op grond van de Wmo. Er geldt een regulier, hoger
                            tarief voor personen die geen indicatie hebben voor collectief vervoer
                            tegen gereduceerd tarief.</al><al>1b.Een scootmobiel en hiermee verbandhoudende gebruikskosten</al><al>Een vervoersvoorziening als een scootmobiel of fietsvoorziening kan
                            worden verstrekt als aanvulling op het collectief vervoer dan wel een
                            taxi- of autokostenvergoeding. Het gaat hier om vervoersvoorzieningen
                            die voorzien in de vervoersbehoefte op korte (rolstoel, aangepaste
                            duwwandelwagen) en middellange (scootmobiel, fietsvoorziening) afstand. </al><al>Het college kan indien noodzakelijk een financiële tegemoetkoming
                            verstrekken in de kosten van rijlessen met een scootmobiel wanneer deze
                            kosten niet vergoed worden door de zorgverzekeraar (ergotherapie). Dit
                            is ook mogelijk gedurende de proefperiode van een maand die gebruikt
                            wordt om de scootmobiel uit te proberen. </al><al>1c.Een verplaatsingsmiddel</al><al>Bij een pgb of voorziening in natura voor een verplaatsingsmiddel wordt
                            met name de mogelijkheid gelaten aangepaste rijwielen (o.a.
                            driewielfietsen) te verstrekken. Ook een fietskar geschikt voor een
                            zitkuipje (orthese) of fietsvoorziening voor een kind (bijvoorbeeld
                            kinderdriewielfiets of co-pilot) vallen hieronder. Deze voorziening kan
                            in aanvulling op het collectief vervoer worden verstrekt.</al><al>3a.Aanpassing eigen auto</al><al>Bij een financiële tegemoetkoming voor de aanpassing van de eigen auto
                            gaat het niet om het aanschaffen van een aangepaste auto maar wordt de
                            eigen auto zodanig aangepast dat de beperking(en) die de aanvrager
                            ervaart bij het vervoer per auto, worden weggenomen. Hierbij is wel het
                            primaat van collectief vervoer van toepassing. Alleen wanneer er om
                            medische redenen niet met het collectief vervoer gereisd kan worden, kan
                            aanvrager in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor
                            een autoaanpassing.</al><al>3b.Financiële tegemoetkoming voor vervoer per eigen auto</al><al>Wanneer de aanvrager een indicatie heeft voor een vervoersvoorziening
                            maar géén gebruik kan maken van het collectief vervoer, bestaat de
                            mogelijkheid om een financiële tegemoetkoming te verkrijgen. Uit de
                            indicatiestelling moet blijken voor welke vorm van vervoer de aanvrager
                            in aanmerking dient te komen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5.3 – Primaat van collectief vervoer</label></kop><al>Het primaat ligt bij het collectief vervoer. Slechts wanneer aanvrager
                            hier om medische redenen geen gebruik van kan maken bestaat er recht op
                            een of meer van de vervoersvoorzieningen. Er moet dan wel sprake zijn
                            van een vervoersbehoefte waarin het collectief vervoer niet voorziet
                            (primaat) en een ernstig beperkte loopafstand waardoor men aangewezen is
                            op een vervoersvoorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>– Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><al>Bij het vaststellen van de hoogte van de vervoerskostenvoorziening wordt
                            rekening gehouden met de individuele vervoersbehoefte en de mate waarin
                            collectief vervoer en/of een voorziening in natura hierin kan voorzien.
                            Er zal eerst moeten worden vastgesteld of er sprake is van een
                            uitzonderlijke vervoersbehoefte en vervolgens wordt beoordeeld in welke
                            mate collectief vervoer en/of een voorziening in natura in die
                            vervoersbehoefte kan voorzien. </al><al>Wanneer beide partners een vervoersvoorziening behoeven, kan, in het
                            geval dat de behoeften van de partners samenvallen, volstaan worden met
                            een enkele voorziening. Dit om te voorkomen dat men een
                            vervoerskostenvergoeding krijgt die niet in relatie staat tot
                            vervoerskostenvergoeding die anderen ontvangen. Vallen de behoeften niet
                            samen, of slechts ten dele, dan kan twee maal een
                            vervoerskostenvergoeding worden verstrekt tot een bepaald maximum. De
                            hoogte van dit maximum is vastgelegd in het Biv.</al><al>Verder wordt in het Biv bepaald dat er boven de inkomensgrens geen recht
                            bestaat op collectief vervoer of een financiële tegemoetkoming.
                            Uitgangspunt hierbij is dat boven de inkomensgrens mensen in het
                            algemeen de kosten van een auto of collectief vervoer geacht worden zelf
                            te kunnen betalen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>– Omvang in gebied en kilometers</titel></kop><al>De omvang in gebied en kilometers is voor het collectief vervoer is
                            vastgelegd op vijf OV-zones.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.7</nr><titel>– Autoaanpassing</titel></kop><al>In dit artikel wordt bepaald dat het collectief vervoer als goedkoopst
                            compenserende voorziening geldt. Mocht uit medisch onderzoek blijken dat
                            het collectief vervoer niet adequaat of compenserend is (dat wil zeggen
                            dat aanvrager er geen gebruik van kan maken door zijn ziekte of
                            beperking), dan kan aanvrager in aanmerking komen voor een financiële
                            tegemoetkoming voor een autoaanpassing. De werkwijze is vastgelegd in
                            het Biv.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>– Verplaatsingsvoorzieningen</titel></kop><al>De eerste voorwaarde om in aanmerking te komen voor een voorziening is
                            dat er sprake moet zijn van aantoonbare beperkingen of problemen op
                            grond van ziekte of gebrek die het verplaatsen in en om de woning
                            belemmeren. De voorziening wordt verstrekt om de ondervonden problemen
                            met het verplaatsen te compenseren.</al><al>2a/b. Voor een rolstoel moet men (om medisch aantoonbare redenen) in
                            belangrijke mate aangewezen zijn op zittend verplaatsen. Tenslotte
                            moeten andere loophulpmiddelen onvoldoende uitkomst bieden. De noodzaak
                            tot zittend verplaatsen hoeft niet de gehele dag, maar wel in
                            belangrijke mate, aanwezig te zijn. </al><lijst><li nr="2c."><al>Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de
                                    verplaatsingsvoorziening. Vaak zullen aanpassingen
                                    tegelijkertijd met de rolstoel worden gerealiseerd. Het kan
                                    echter ook voorkomen dat aanpassingen aan rolstoelen
                                    afzonderlijk van de rolstoel worden aangevraagd en worden
                                    verleend. Wanneer hiervoor een aanvraag wordt ingediend, moet
                                    beoordeeld worden of de voorziening nog niet is afgeschreven en
                                    met de gevraagde aanpassingen adequaat wordt/blijft.</al></li><li nr="4."><al>Voor een sportrolstoel of sporthulpmiddel kan een aanvrager in
                                    aanmerking komen die in het dagelijks leven van loophulpen
                                    gebruik maakt, maar zonder sportrolstoel niet in staat is tot
                                    sportbeoefening. Sportrolstoelen en sporthulpmiddelen worden
                                    verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Hierbij
                                    wordt naast de eenmalige financiële tegemoetkoming ook een
                                    jaarlijkse vergoeding voor onderhoud en reparatie
                                    verstrekt.</al></li><li nr="2d."><al>Kindervoorziening</al></li></lijst><al>Deze voorziening is in natura te verstrekken. Het gaat hierbij om een
                            kinderrolstoel, maar ook de aangepaste duwwandelwagen/ buggy valt hier
                            onder. Ook zitorthesen voor een rolstoel, fietskar of autostoel vallen
                            onder de kindervoorzieningen. Voor kindervoorzieningen wordt geen eigen
                            bijdrage gevraagd omdat in de wet staat dat dit bij personen van 18 jaar
                            en ouder mogelijk is. Kindervoorzieningen worden uitsluitend in natura
                            verstrekt omdat vanwege de groei van kinderen vaker een nieuwe
                            voorziening nodig is. Een Pgb is daarom economisch niet rendabel. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>– Primaat algemene rolstoelvoorziening</titel></kop><al>De algemene rolstoelvoorziening gaat voor een individuele
                            rolstoelvoorziening. Hieronder valt de rolstoel uit een rolstoelpool,
                            een rolstoel van de uitleen die voor maximaal 6 maanden geleend kan
                            worden en andere bestaande en toegankelijke rolstoelvoorzieningen zoals
                            aanwezig bij dierentuinen, pretparken en dergelijke.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>– Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><al>1.Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan
                            AWBZ-bewoners bestaat alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de
                            AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en
                            dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een AWBZ-bewoner niet aan deze
                            voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er
                            door de gemeente een rolstoel worden verstrekt op grond van de Wmo.</al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen
                            erkenning voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een
                            verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling” als het ware inkoopt bij
                            een voor die functie wél erkende instelling. Het “verzorgingshuis met
                            verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin in de
                            instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de
                            instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar
                            alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op
                            een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                            functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                            AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende
                            AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de
                            erkenning van de andere instelling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>– Sportrolstoel of sporthulpmiddel</titel></kop><al>Een sportrolstoel of sporthulpmiddel, in principe altijd te verstrekken
                            als een forfaitaire financiële tegemoetkoming inclusief een bedrag voor
                            onderhoud en reparatie, wordt verstrekt als zonder de sportrolstoel of
                            sporthulpmiddel sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn. </al><al>In een uitspraak heeft Rechtbank Amsterdam (19-02-2009, nr. AWB 08/175
                            Wmo) zich uitgelaten over de weigering van het college om een
                            sporthulpmiddel in het kader van de Wmo te verstrekken. De Wmo is
                            gericht op maatschappelijke participatie van personen. De deelname aan
                            sportieve activiteiten neemt in het maatschappelijk leven een
                            belangrijke plaats in en moet naar het oordeel van de rechtbank worden
                            gezien als manier om het zelfstandig functioneren en de deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer van personen met beperkingen te bevorderen.
                        </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>–Verplaatsingsvoorziening zelf realiseerbaar</titel></kop><al>Omdat bepaalde eenvoudige verplaatsingsvoorzieningen tegenwoordig overal
                            en tegen relatief lage kosten te koop zijn, stelt het college een
                            limitatieve lijst vast van eenvoudige loophulpmiddelen die zelf aan te
                            schaffen zijn. Er wordt voor deze hulpmiddelen geen voorziening op grond
                            van deze verordening verstrekt.</al><al>Het gaat hierbij om rollators, krukken en loophulpen (looprekken, drie-
                            of vierpootwandelstokken en dergelijke).</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het verkrijgen van een voorziening</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>– Aanvraag</titel></kop><al>Het aanvraagformulier moet gedateerd en ondertekend zijn door
                            aanvrager.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>– Inlichtingen en onderzoek</titel></kop><al>Het college is bevoegd de aanvrager op te roepen in persoon te
                            verschijnen en te ondervragen op een door het college te bepalen plaats
                            en tijdstip en te laten onderzoeken en/of ondervragen door een of meer
                            daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in
                            het belang moet zijn van de aanvraag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>– Extern advies</titel></kop><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal
                            artikelen enige algemene bepalingen over externe advisering. </al><al>Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze
                            afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of
                            krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een
                            bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. De gemeente dient één of
                            meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te
                            brengen. In het Biv is opgenomen wie de adviseurs zijn. </al><al>In uitzonderlijke gevallen kan vooruitlopend op een schriftelijk advies
                            een besluit worden genomen op basis van een mondeling advies. Een
                            afwijzing om medische redenen kan uiteraard alleen maar op basis van een
                            schriftelijk medisch advies. Met name wanneer de aard van de aandoening
                            niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog
                            eenvoudige aanvraag leiden tot verdere aanvragen, zonder dat duidelijk
                            is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs
                            tot invaliderende effecten voor de aanvrager en onnodige kosten voor de
                            gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal
                            zogeheten medisch moeilijk objectiveerbare aandoeningen (moa’s).</al><al>Tot slot vraagt het college advies wanneer dit wordt gewenst. Door deze
                            bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het
                            is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd
                            wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol
                            zou kunnen spelen. </al><al>Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                            noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders
                            dan de aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet
                            bestuursrecht buiten behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de –vaak privacygevoelige– gegevens moet
                            de gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit
                            de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 2 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                            zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze
                            bepaling is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de
                            toelichting op amendement 65, waarin staat “Voor de gemeentelijke
                            uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                            Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                            begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan
                            voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.” Dit wordt verder
                            uitgewerkt in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning.</al><al>Omdat bij de indicatiestelling van de AWBZ eveneens van deze
                            classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de
                            ICF-classificatie afstemming tussen de AWBZ en deze wet
                            vergemakkelijken.</al><al>Wanneer de aanvrager onvoldoende gegevens verstrekt over bijvoorbeeld
                            zijn medische situatie of geen medewerking verleent aan een medisch
                            onderzoek door een medisch adviseur, kan er niet vastgesteld worden of
                            er recht op een voorziening bestaat.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>- Intrekking en beëindiging</titel></kop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan
                            voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in
                            de passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de
                            beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het
                            is daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die
                            het recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het
                            belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting
                            om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht er
                            sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                            voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de
                            beschikking een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht
                            op) een voorziening, omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op
                            onbekendheid met de feiten. </al><al>Lid 3. Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming, een
                            gemaximeerde vergoeding of een persoonsgebonden budget binnen zes
                            maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                            voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling worden
                            teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling
                            van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de
                            voorziening voorafgaat. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.10</nr><titel>- Terugbetalingsverplichting</titel></kop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen,
                            wat reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat
                            er anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen.
                            Wanneer er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd
                            (voorziening in natura), kan het college een terugbetalingsverplichting
                            opleggen. </al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugbetalingsverplichting in ieder
                            geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager
                            sprake is van verwijtbaarheid. Wanneer deze bewust verkeerde gegevens
                            heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>- Afwijken van bepalingen: hardheidsclausule</titel></kop><al>In dit artikel is bepaald dat het college in bijzondere gevallen ten
                            gunste van de aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze
                            verordening, zo nodig na het inwinnen van advies. Afwijken op grond van
                            dit artikel kan uiteraard alleen maar ten gunste van de aanvrager en
                            nimmer ten nadele. </al><al>Verder is met nadruk opgenomen: in bijzondere gevallen. Het gebruik
                            maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een
                            uitzondering en niet als een regel. Daarom moet in verband met
                            precedentwerking altijd duidelijk aangeven worden waarom in een bepaalde
                            situatie van de verordening wordt afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>- Beslissingen college</titel></kop><al>Dit artikel geeft de gemeente de bevoegdheid een besluit te nemen in die
                            gevallen waarin niet voorzien is middels deze verordening. Het gebruik
                            maken van dit artikel moet beschouwd worden als een uitzondering en niet
                            als een regel. Daarom moet in verband met precedentwerking altijd
                            duidelijk aangegeven worden waarom in een bepaalde situatie van de
                            verordening wordt afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>- Indexering</titel></kop><al>Deze bepaling maakt het mogelijk om alle bedragen genoemd in het op de
                            Viv gebaseerde Biv te indexeren. Indexering voor de meeste van de op
                            deze verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                            CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van
                            Bestuur bepaalt in artikel 4.4, lid 1 dat ook de bedragen van de eigen
                            bijdragen jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de
                            gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>- Evaluatie</titel></kop><al>Met de landelijke ontwikkelingen wordt in het bijzonder gedoeld op de
                            ontwikkeling van jurisprudentie en wijziging in de wet- en regelgeving
                            van de Wmo. </al><al>Burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk;</al><al>Overwegen dat het wenselijk is regels op te stellen met betrekking tot
                            de voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Deze
                            regels zijn vastgelegd in het Besluit individuele voorzieningen (Biv)
                            gemeente Oisterwijk 2011.</al><al>Gelet op de “Verordening individuele voorzieningen gemeente Oisterwijk
                            2011”;</al><al><vet>Besluiten:</vet></al><lijst><li nr="·"><al>Het Besluit individuele voorzieningen (Biv) gemeente Oisterwijk
                                    2011 behorende bij de Verordening individuele voorzieningen
                                    gemeente Oisterwijk 2011 vast te stellen. </al></li><li nr="·"><al>Het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Oisterwijk 2010 behorende bij de Verordening
                                    individuele voorzieningen gemeente Oisterwijk 2009 in te
                                    trekken. </al></li><li nr="·"><al>Te bepalen dat het besluit in werking treedt op 1 januari
                                    2011.</al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders van Oisterwijk</al><al>de secretaris, de burgemeester,</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><al> Inhoudsopgave</al><al>Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
                    ___________________________________________ 4</al><al>Artikel 1.1 – Begripsbepalingen 4</al><al>Artikel 1.2 – Bevoegdheid college 6</al><al>Artikel 1.3 – Voorwaarden en weigeringsgronden 6</al><al>Hoofdstuk 2 - Vormen van individuele
                    voorzieningen_______________________________ 8</al><al>Artikel 2.1 – Keuzevrijheid 8</al><al>Artikel 2.2 – Voorziening in natura 8</al><al>Artikel 2.3 – Voorziening anders dan in natura 8</al><al>Artikel 2.4 – Persoonsgebonden budget 8</al><al>Artikel 2.5 – Financiële vergoeding voor alfahulp 9</al><al>Artikel 2.6 – Financiële tegemoetkoming 9</al><al>Artikel 2.7 – Inkomensgegevens aanvrager 9</al><al>Artikel 2.8 – Eigen bijdrage 9</al><al>Artikel 2.9 – Eigen aandeel 10</al><al>Hoofdstuk 3 –Hulp bij het huishouden
                    __________________________________________11</al><al>Artikel 3.1 – Keuzevrijheid
                    _________________________________________________ 11</al><al>Artikel 3.2 – Aanspraak op de voorziening 11</al><al>Artikel 3.3 – Weigeringsgronden 11</al><al>Artikel 3.4 – Omvang van de voorziening 11</al><al>Artikel 3.5 – Voorziening in natura 11</al><al>Artikel 3.6 – Persoonsgebonden budget (pgb) 12</al><al>Artikel 3.7 – Financiële vergoeding voor alfahulp 12</al><al>Hoofdstuk 4 –
                    Woonvoorzieningen______________________________________________13</al><al>Artikel 4.1 – Vormen van woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 4.2 – Recht op woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 4.3 – Weigeringsgronden 13</al><al>Artikel 4.4 – Primaat van verhuizen 14</al><al>Artikel 4.5 – Bezoekbaar maken woning 14</al><al>Artikel 4.6 – Woonvoorziening en andere voorzieningen 14</al><al>Artikel 4.7 – Primaat van de herplaatsbare woonunit 15</al><al>Artikel 4.8 – Tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten
                    ____________________ 15</al><al>Artikel 4.9 – Voorziening voor huurderving 14</al><al>Artikel 4.10 – Onderhoud, keuring en reparatie 14</al><al> Artikel 4.11 – Gemeenschappelijke ruimte 15</al><al>Artikel 4.12 – Woonvoorzieningen zelf realiseerbaar 16</al><al> Hoofdstuk 5 – Vervoersvoorzieningen
                    _________________________________________ 17 </al><al>Artikel 5.1 – Vormen van vervoersvoorzieningen 17</al><al>Artikel 5.2 – Recht op vervoersvoorzieningen 17</al><al>Artikel 5.3 – Primaat van collectief vervoer 17</al><al>Artikel 5.4 – Voorwaarden en weigeringsgronden 17</al><al>Artikel 5.5 – Omvang in gebied en in kilometers 18</al><al>Artikel 5.6 – Combinatie van
                    vervoersvoorzieningen______________________________18</al><al>Artikel 5.7 – Autoaanpassing
                    ________________________________________________18</al><al>Hoofdstuk 6 – Verplaatsen in en rond de
                    woning__________________________________ 19</al><al>Artikel 6.1 – Verplaatsingsvoorzieningen
                    ______________________________________19</al><al>Artikel 6.2 – Primaat algemene rolstoelvoorziening 19</al><al>Artikel 6.3 – Voorwaarden en
                    weigeringsgronden________________________________ 19</al><al>Artikel 6.4 – Sportrolstoel of sporthulpmiddel
                    ___________________________________19</al><al>Artikel 6.5 – Verplaatsingsvoorziening zelf realiseerbaar 19</al><al>Hoofdstuk 7 - Het verkrijgen van een woorziening
                    ________________________________20</al><al> Artikel 7.1 - Aanvraag___________________
                    __________________________________20 </al><al>Artikel 7.2 – Inlichtingen en onderzoek 20</al><al>Artikel 7.3 – Extern advies 20</al><al>Artikel 7.4 – Beschikking 20</al><al>Artikel 7.5 – Wijziging in de situatie 20</al><al>Artikel 7.6 – Heronderzoek 21</al><al>Artikel 7.7 – Opschorting 21</al><al>Artikel 7.8 – Intrekken en beëindiging 21</al><al>Artikel 7.9 – Intrekken aanvraag 21</al><al>Artikel 7.10 - Terugbetalingsverplichting
                    _______________________________________22</al><al>Hoofdstuk 8 – Slotbepalingen
                    _________________________________________________ 23</al><al>Artikel 8.1 – Afwijken van bepalingen: hardheidsclausule 23</al><al>Artikel 8.2 – Beslissing college 23</al><al>Artikel 8.3 – Indexering 23</al><al>Artikel 8.4 – Evaluatie 23</al><al>Artikel 8.5 – Inwerkingtreding 23</al><al>Artikel 8.6 – Citeertitel 23</al><al>Artikelsgewijze toelichting op de verordening
                    ____________________________________ 23</al></bijlage></regeling></body></cvdr>