<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74688_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening, regelende de rechtspositie voor de leden van provinciale staten</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Fryslân</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Fryslân</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 1999, 44</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie leden provinciale staten provinsje Fryslân 1996</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 93</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1996-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1999-11-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>niet bekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening, regelende de rechtspositie voor de leden van provinciale staten</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale staten van Fryslân;</al><al>Gelet op artikel 93 van de Provinciewet, alsmede op de algemene maatregel
                        van bestuur van 22 maart 1994, houdende regels betreffende de rechtspositie
                        van staten- en commissieleden (Rechtspositiebesluit staten- en
                        commissieleden, Staatsblad 1994, 242;</al><al>BESLUITEN:</al><al>Vast te stellen de navolgende verordening, regelende de rechtspositie voor
                        de leden van provinciale staten.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> lid van provinciale staten: een lid van provinciale staten dat
                                    niet tevens lid is van gedeputeerde staten;</al></li><li nr="b."><al> besluit: Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden;
                                    besluit van 22 maart 1994, houdende regels betreffende de
                                    rechtspositie van staten en commissieleden (Staatsblad 1994,
                                    242);</al></li><li nr="c."><al> nabestaande: de weduwe, weduwnaar of nabestaande
                                    levenspartner(s) waarmee het overleden lid van provinciale
                                    staten samenwoonde op basis van een notarieel verleden
                                    samenlevingscontract.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aanspraak op uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Degene die tenminste twee jaren onafgebroken lid is geweest van
                                    provinciale staten, kan met ingang van de maand volgend op de
                                    maand van aftreden aanspraak maken op een uitkering ten laste
                                    van de provincie.</al></li><li nr="2."><al> De in lid 1 bedoelde aanspraak wordt uitsluitend geëffectueerd
                                    indien door belanghebbende daartoe binnen drie maanden na
                                    aftreden een schriftelijk verzoek wordt ingediend bij
                                    gedeputeerde staten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Duur van de uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.</titel></kop><al>De duur van de uitkering wordt bepaald op de helft van het aantal
                            volledige maanden gedurende welke het gewezen Statenlid het
                            statenlidmaatschap heeft vervuld, met dien verstande, dat maximale duur
                            een periode van twee jaar niet te boven gaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoogte van de uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De hoogte van de uitkering is maximaal: </al><lijst><li nr="a."><al> in het eerste jaar 80% en in het tweede jaar 70% van de
                                            vaste vergoeding voor de werkzaamheden van een statenlid
                                            per jaar indien het gewezen Statenlid twee volledige
                                            perioden van vier jaar zitting in provinciale staten
                                            heeft gehad;</al></li><li nr="b."><al> in het eerste jaar 60% en in het tweede jaar 55% van de
                                            vaste vergoeding voor de werkzaamheden van een statenlid
                                            per jaar indien het gewezen statenlid een volledige
                                            periode van vier jaar zitting in provinciale staten
                                            heeft gehad;</al></li><li nr="c."><al> In het eerste jaar 40% en voor de resterende periode
                                            35% van de vaste vergoeding voor de werkzaamheden van
                                            een statenlid, indien het gewezen Statenlid ten minste
                                            twee volledige jaren doch nog niet een volledige periode
                                            van vier jaar zitting in provinciale staten heeft
                                            gehad.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Bepalend voor de hoogte van de uitkering is de vaste vergoeding
                                    voor de werkzaamheden als lid van provinciale staten op het
                                    moment van aftreden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Korting wegens inkomsten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Inkomsten welke een lid van provinciale staten heeft op de dag
                                    waarop hij/zij ophoudt Statenlid te zijn, worden niet in
                                    mindering gebracht op zijn/haar uitkering als gewezen lid van
                                    provinciale staten.</al></li><li nr="2."><al> Nieuwe inkomsten of hogere inkomsten welke het gewezen lid van
                                    provinciale staten na de dag bedoeld in het eerste lid verwerft,
                                    worden met de uitkering verrekend over de periode waarop deze
                                    inkomsten betrekking hebben of geacht worden betrekking te
                                    hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.</titel></kop><al>Voor de toepassing van artikel 5 worden onder de daar vermelde inkomsten
                            verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al> winst uit onderneming;</al></li><li nr="-"><al> inkomsten uit of in verband met arbeid of het verrichten van
                                    andere diensten of aanneming van werk;</al></li><li nr="-"><al> een periodieke uitkering krachtens de Algemene
                                    Arbeidsongeschiktheidswet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.</titel></kop><al>Degene aan wie een uitkering is toegekend is verplicht van het
                            verkrijgen van nieuwe inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld in
                            artikel 5, lid 2, terstond mededeling te doen aan gedeputeerde staten
                            onder opgave, voor zover mogelijk, van de hoogte van deze (verwachte)
                            inkomsten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.</titel></kop><al>Degene aan wie een uitkering is toegekend geeft desgevraagd schriftelijk
                            alle informatie betreffende zijn/haar inkomsten die voor de uitvoering
                            van deze regeling nodig is , aan gedeputeerde staten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Betaling uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.</titel></kop><al>De uitkering wordt betaald in maandelijkse termijnen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Einde van de uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.</titel></kop><al>De uitkering eindigt:</al><lijst><li nr="a."><al> zodra de maximale duur van de uitkering, volgens artikel 3, is
                                    bereikt;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de maand, volgend op de maand waarin het gewezen
                                    lid van provinciale staten is overleden;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen lid wederom als lid
                                    van provinciale staten is beëdigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.</titel></kop><al>De artikelen 2 tot en met 8 zijn niet van toepassing indien een lid van
                            Provinciale Staten van het lidmaatschap vervallen is verklaard op grond
                            van artikel X 7 van de Kieswet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.</titel></kop><al>1. De betaling van de uitkering kan door gedeputeerde staten worden
                            geschorst en voor zolang belanghebbende niet de mededeling of de opgaven
                            doet als bedoeld in de artikelen 7 en 8.2. Indien de in het vorige lid
                            bedoelde verplichtingen alsnog worden nagekomen, wordt de uitkering over
                            de tijd van schorsing, met inachtneming van artikel 5, alsnog
                            uitbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Zo spoedig mogelijk na het overlijden van het lid van
                                    provinciale staten wordt aan de nabestaande ten laste van de
                                    provincie een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de vaste vergoeding
                                    voor werkzaamheden als Statenlid over een periode van drie
                                    maanden, zoals bedoeld in artikel 2 van het
                                    Rechtspositiebesluit, zoals deze gold ten tijde van
                                    overlijden.</al></li><li nr="2."><al> Indien de overledene geen nabestaande nalaat, geschiedt de in
                                    het vorige lid bedoelde uitkering ten behoede van de
                                    minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, danwel
                                    pleegkinderen. Ontbreken ook deze, dan geschiedt de uitkering
                                    indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige
                                    kinderen, broers of zusters, ten behoeve van deze
                                    betrekkingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aanvulling uitkering op grond van Werkloosheidswet</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> In het geval het lid van provinciale staten een uitkering op
                                    grond van de Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van
                                    artikel 20 van die wet ontstane korting op deze uitkering ten
                                    gevolge van het uitoefenen van het statenlidmaatschap, meer
                                    bedraagt dan de vergoeding voor de werkzaamheden die het lid van
                                    provinciale staten ontvangt als bedoeld in artikel 2 van het
                                    besluit, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie
                                    verhoogd tot het bedrag van de bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al> In het geval het lid van provinciale staten een uitkering op
                                    grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en
                                    onderzoekspersoneel ontvangt en de, na toepassing van artikel 6,
                                    vierde lid, van dat Besluit ontstane korting op deze uitkering
                                    ten gevolge van het uitoefenen van het statenlidmaatschap, meer
                                    bedraagt dan de vergoeding voor de werkzaamheden die het lid van
                                    provinciale staten ontvangt als bedoeld in artikel 2 van het
                                    besluit, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie
                                    verhoogd tot het bedrag van de bedoelde korting.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Vergoeding kosten scholing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15.</titel></kop><al>Aan een lid van provinciale staten wordt, na een daartoe ingediend
                            verzoek, een tegemoetkoming verleend in de kosten van scholing indien
                            het betreft vakinhoudelijke scholing welke, naar het oordeel van GS,
                            passend is om het statenlidmaatschap goed te kunnen vervullen, en voor
                            zover deze scholing niet door of vanwege de provincie wordt
                            georganiseerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16.</titel></kop><al>Onder de in artikel 15 genoemde scholing wordt verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al> scholing met betrekking tot zaken, welke behoren tot het
                                    provinciale takenpakket, alsmede met betrekking tot de
                                    instrumenten welke noodzakelijk zijn om die taken te kunnen
                                    uitvoeren;</al></li><li nr="b."><al> bijscholing met betrekking tot ontwikkelingen welke
                                    plaatsvinden, waarmee de provincie bij de uitoefening van de
                                    taken te maken heeft dan wel zal krijgen en waarvan het
                                    belangrijk is voor de statenleden daar kennis van te
                                    hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Uitbetaling van de in artikel 15 bedoelde vergoeding vindt
                                    plaats, nadat het lid van provinciale staten daartoe een
                                    schriftelijk verzoek bij gedeputeerde staten heeft ingediend en
                                    de daarop betrekking hebbende betalingsbewijzen heeft
                                    overlegd.</al></li><li nr="2."><al> Uitbetaalde tegemoetkomingen kunnen worden teruggevorderd
                                    indien het lid van provinciale staten de scholing niet volgt of
                                    vroegtijdig beëindigd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Tegemoetkoming kosten kinderopvang</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18.</titel></kop><al>Aan een lid van provinciale staten wordt, na een daartoe schriftelijk
                            bij gedeputeerde staten ingediend verzoek, een tegemoetkoming verleend
                            in de kosten van algemene en buitenschoolse opvang voor kinderen van 0
                            tot 12 jaar, indien de opvang noodzakelijk is in verband met de
                            vervulling van het statenlidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19.</titel></kop><al>De opvang dient plaats te vinden bij een door het Ministerie van
                            Welzijn, Volksgezondheid en Sport erkende kinderopvanginstelling, dan
                            wel via erkende gastouderopvang.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20.</titel></kop><al>Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten verband houdende met de
                            opvang gedurende de dagen waarop vergaderingen van provinciale staten
                            plaatsvinden, dan wel de dagen waarop vergaderingen van de commissies
                            uit de staten waarin het desbetreffende Statenlid zitting heeft, en wel
                            tot een maximum van 8 dagdelen per maand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21.</titel></kop><al>Het betreffende lid van provinciale staten betaalt over de kosten van
                            kinderopvang een eigen bijdrage ter hoogte van de daarvoor door het
                            ministerie van WVS jaarlijks vat te stellen normen, met dien verstande
                            dat boven een netto gezinsinkomen van f. 5.000,- per maand, de vaste
                            vergoeding als lid van provinciale staten daarin begrepen, geen
                            tegemoetkoming in de kosten plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22.</titel></kop><al>Uitbetaling van de in artikel 2 bedoelde vergoeding vindt plaats, nadat
                            het lid van provinciale staten de daarop betrekking hebbende
                            betalingsbewijzen heeft overlegd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23.</titel></kop><al>Met inachtneming van het gestelde in het Rechtspositiebesluit wordt in
                            bijzondere gevallen, waarin toepassing van deze verordening tot een naar
                            het oordeel van gedeputeerde staten onredelijke uitkomst leidt, door
                            gedeputeerde staten beslist.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24.</titel></kop><al>Deze verordening treedt inwerking met ingang van de dag na de datum van
                            uitgifte van het provinciaal blad waarin zij wordt geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25.</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening rechtspositie
                            leden provinciale staten provinsje Fryslân 1996.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Leeuwarden, 6 november 1996,</ondertekening><ondertekening>voorzitter, drs. L.M.L.H. A. Hermans</ondertekening><ondertekening>griffier, drs. G. van der Veen</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>