<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74529_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kinderopvang gemeentelijke en bijzondere doelgroepen Oisterwijk 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oisterwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Nieuwsklok 24-02-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kinderopvang gemeentelijke en bijzondere doelgroepen Oisterwijk 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0017252&amp;artikel=25">Wet Kinderopvang</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kinderopvang gemeentelijke en bijzondere doelgroepen Oisterwijk 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening kinderopvang gemeentelijke en bijzondere
                        doelgroepen Oisterwijk 2010, luidende als volgt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>§</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en daarop berustende regelingen wordt verstaan
                                onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                        van Oisterwijk; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang; </al></li><li nr="c."><al>Inburgeringsbehoeftigen: diegenen die: </al><lijst><li nr="o"><al>ouder zijn dan 15 jaar,</al></li><li nr="o"><al>gedurende minder dan acht jaren tijdens de
                                                leerplichtige leeftijd in Nederland hebben verbleven
                                                en niet beschikken over diploma’s, certificaten of
                                                andere documenten, als bedoeld in artikel 2.3 van
                                                het Besluit inburgering,</al></li><li nr="o"><al>niet volledig leerplichtig zijn,</al></li><li nr="o"><al>dan wel een opleiding volgen waarvan de afronding
                                                leidt tot uitreiking van een diploma, certificaat of
                                                document, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit
                                                inburgering,</al></li><li nr="o"><al>geen inburgeringsovereenkomst hebben afgesloten op
                                                grond van de Regeling inburgering allochtone vrouwen
                                                niet-G31 2006, de Regeling inburgering allochtone
                                                vrouwen G31 2006, dan wel het extensieve deel van de
                                                Pilot inburgering allochtone vrouwen Taal Totaal en
                                                niet eerder een overeenkomst hebben afgesloten op
                                                grond van de onderhavige regeling;</al></li><li nr="o"><al>een overeenkomst inburgeringsprogramma vrijwillige
                                                inburgering hebben ondertekend</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Sociaal medische indicatie: een lichamelijke,
                                                zintuiglijke, verstandelijke of psychische beperking
                                                bij de ouder of het kind, die kinderopvang
                                                noodzakelijk maakt.</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: iemand uit de directe omgeving die
                                                langdurige zorg verleent, niet in het kader van een
                                                hulpverlenend beroep, aan een hulpbehoevende,
                                                waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit
                                                uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                                                huisgenoten voor elkaar overstijgt. De zorg omvat
                                                meer dan 8 uur per week en duurt langer dan 3
                                                maanden. Mantelzorg omvat niet de alledaagse zorg.
                                            </al></li><li nr="f."><al>Toetsingsinkomen: het inkomen zoals bedoeld in
                                                artikel 7 van de wet en het bepaalde in artikel 6
                                                van het Besluit kinderopvangtoeslag en
                                                tegemoetkoming in kosten kinderopvang en artikel 1
                                                van de Regeling indexering kinderopvang en de
                                                daarbij behorende bijlage<cursief>.</cursief></al></li><li nr="g."><al>Berekeningsjaar: het actuele kalenderjaar waarop de
                                                tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="h."><al>Burgerservicenummer: het nummer als bedoeld in
                                                artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene
                                                bepalingen burgerservicenummer (Wabb);</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2.</nr><titel>GEMEENTELIJKE EIGEN DOELGROEPEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>inburgeringsbehoeftigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ouders die vallen onder de doelgroep Inburgeringsbehoeftigen en
                                    waarvoor door de gemeente de noodzaak tot kinderopvang of
                                    naschoolse opvang is vastgesteld, komen in aanmerking voor een
                                    tegemoetkoming in de kosten kinderopvang. Hierbij wordt rekening
                                    gehouden met de aantoonbare mogelijkheden van de aanvrager om
                                    zelf in kinderopvang te voorzien of met een andere passende
                                    voorziening waar de ouder redelijkerwijs gebruik van zou kunnen
                                    maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de ouders wordt een bijdrage in de kosten van kinderopvang
                                    gevraagd afhankelijk van het toetsingsinkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de bepaling van de hoogte van deze bijdrage wordt de tabel
                                    gebruikt voor het betreffende kalenderjaar, zoals opgenomen in
                                    het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in kosten
                                    kinderopvang en de Regeling indexering kinderopvang en de
                                    daarbij behorende bijlage<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Sociaal medische indicatie en mantelzorg.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ouders waarvoor een noodzaak tot kinderopvang of naschoolse
                                    opvang is vastgesteld als gevolg van sociale of medische
                                    noodzakelijkheid zoals beschreven in artikel 1 sub d van deze
                                    Verordening, komen in aanmerking voor een tegemoetkoming van de
                                    kosten kinderopvang. Hierbij wordt rekening gehouden met de
                                    aantoonbare mogelijkheden van de aanvrager om zelf in
                                    kinderopvang te voorzien of met een andere passende voorziening
                                    waar de ouder redelijkerwijs gebruik van zou kunnen maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De mantelzorger, zoals omschreven onder artikel 1 sub e van deze
                                    Verordening, komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de
                                    kosten van kinderopvang als de noodzaak tot kinderopvang of
                                    naschoolse opvang voortkomt vanuit de activiteiten als
                                    mantelzorger. Hierbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare
                                    mogelijkheden van de aanvrager om zelf in kinderopvang te
                                    voorzien of met een andere passende voorziening waar de ouder
                                    redelijkerwijs gebruik van zou kunnen maken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wijst een onafhankelijke instantie aan voor het
                                    vaststellen van de noodzakelijkheid van de kinderopvang als
                                    bedoeld in het eerste en tweede lid. Indien bij de aanvraag al
                                    voldoende en onafhankelijke bewijsstukken zijn verstrekt ter
                                    onderbouwing van deze noodzaak, zal afgezien worden van een
                                    adviesaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van de ouders wordt een bijdrage in de kosten van kinderopvang
                                    gevraagd afhankelijk van het toetsingsinkomen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de bepaling van de hoogte van deze bijdrage wordt de tabel
                                    gebruikt voor het betreffende kalenderjaar, zoals opgenomen in
                                    het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming in kosten
                                    kinderopvang, de Regeling indexering kinderopvang en de daarbij
                                    behorende bijlage. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3.</nr><titel>AANVRAAG VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van
                                    kinderopvang bevat: </al><lijst><li nr="a)"><al>naam, adres en burgerservicenummer van de ouder; </al></li><li nr="b)"><al>indien van toepassing : naam en burgerservicenummer van
                                            de partner en, als dit een ander adres is dan het adres
                                            van de ouder: het adres van de partner; </al></li><li nr="c)"><al>naam, geboortedatum en burgerservicenummer van het kind
                                            of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming
                                            betrekking heeft; </al></li><li nr="d)"><al>een offerte of contract van het kindercentrum of
                                            gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen,
                                            waarin in ieder geval per kind wordt aangegeven: het
                                            aantal uren kinderopvang per week, de kostprijs per uur
                                            en de aanvangsdatum van de opvang; </al></li><li nr="e)"><al>gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt
                                            dat de ouder behoort tot de groep personen als bedoeld
                                            in artikel 2 en/of 3 van deze Verordening en artikel 22
                                            van de wet; </al></li><li nr="f)"><al>overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen
                                            besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college bepaalt dat voor de aanvraag gebruik gemaakt wordt
                                    van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                                    aanvraagformulier. </al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvrager een partner heeft, wordt de aanvraag mede
                                    ondertekend door de partner. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4.</nr><titel>VOORLOPIGE VERLENING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college besluit over de aanvraag binnen acht weken na
                                    ontvangst van alle benodigde gegevens. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de in het vorige lid bedoelde termijn met ten
                                    hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager
                                    hiervan schriftelijk in kennis. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Weigeringgrond</titel></kop><al>Het college weigert de tegemoetkoming indien de aanvrager niet
                                behoort tot de personen als bedoeld in artikel 2 en/of 3 van deze
                                verordening en artikel 22 van de wet. </al><al>Als de aanvrager behoort tot één van de doelgroepen zoals bedoeld in
                                artikel 2 en/of 3 van deze Verordening, weigert het college de
                                tegemoetkoming als de aanvrager aantoonbaar zelf in kinderopvang kan
                                voorzien of als er een andere passende voorziening is waar een
                                beroep op gedaan kan worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop
                                    de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst
                                    is genomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op deze datum nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de
                                    tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de
                                    kinderopvang zal plaatsvinden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                    berekeningsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de
                                    tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>Het college verstrekt de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang per week dat naar het oordeel van het college voor de
                                ouder redelijkerwijs noodzakelijk is voor de combinatie van
                                arbeid/opleiding en zorg, dan wel die noodzakelijk is als gevolg van
                                de sociaal medische indicatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten
                                    van kinderopvang bevat in ieder geval: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de vaststelling dat de ouder tot een van de gemeentelijke
                                    doelgroepen behoort;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de
                                    tegemoetkoming betrekking heeft;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar
                                    de kinderopvang plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per week waarvoor de
                                    tegemoetkoming wordt verleend;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de verplichtingen van de ouder.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als de aanvraag betrekking heeft op een persoon bedoeld in
                                    artikel 3 bevat het besluit tevens: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>of er al dan niet sprake is van een indicatie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>wat de geldigheidsduur van de indicatie is;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>wie de geïndiceerde personen zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in
                                    maandelijkse termijnen uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van
                                    bevoorschotting. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5.</nr><titel>DEFINITIEVE VASTSTELLING VAN DE TEGEMOETKOMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                    overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                    periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend afwijkt
                                    van het berekeningsjaar, verstrekt de ouder binnen vier weken na
                                    afloop van het berekeningssjaar een overzicht van de feitelijke
                                    kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt de definitieve tegemoetkoming binnen acht
                                    weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen
                                    vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde
                                    voorschotten; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Teveel betaalde voorschotten worden zo mogelijk verrekend met
                                    lopende tegemoetkomingen / voorschotten dan wel teruggevorderd
                                    op grond van het bepaalde in de wet. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6.</nr><titel>VERPLICHTINGEN VAN DE OUDER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of partner doet het college onmiddellijk na het bekend
                                    worden daarvan uit eigen beweging mededeling van alle
                                    inlichtingen en gegevens die redelijkerwijs van invloed kunnen
                                    zijn op de hoogte van de tegemoetkoming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd het college, binnen
                                    een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens
                                    van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte
                                    van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de ouder of partner de gegevens, zoals genoemd in artikel
                                    14 van deze Verordening niet, niet tijdig of niet volledig heeft
                                    verstrekt en hen dit te verwijten valt, dan kan het college het
                                    recht op de tegemoetkoming voor de duur van ten minste acht
                                    weken opschorten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet mededeling van deze opschorting en nodigt de
                                    ouder of partner uit om het verzuim te herstellen binnen een
                                    gestelde termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de ouder of partner het verzuim niet binnen de gestelde
                                    termijn herstelt, kan het college het recht op de tegemoetkoming
                                    intrekken vanaf het moment dat het recht is opgeschort.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan het besluit tot verlening van de tegemoetkoming
                                    of het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming intrekken
                                    of ten nadele van de ontvanger wijzigen in de situaties als
                                    bedoeld in Afdeling 4.2.5 en 4.2.6 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (Awb);</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ten onrechte of teveel betaalde tegemoetkoming
                                    terugvorderen conform het bepaalde in artikel 38 van de wet en
                                    het bepaalde in titel 4.4 van de Awb;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Bewaarplicht</titel></kop><al>De ouder bewaart alle bewijsstukken die aan de verstrekking van de
                                tegemoetkoming ten grondslag liggen tenminste gedurende vijf jaar na
                                de vaststelling en stelt deze op verzoek ter beschikking aan het
                                college voor controledoeleinden. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van
                                de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitvoering en nadere regels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                    college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan met betrekking tot de uitvoering van deze
                                    verordening nadere beleidsregels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening treedt in werking één dag na publicatie en werkt
                                terug tot 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening kinderopvang
                                gemeentelijke en bijzondere doelgroepen Oisterwijk 2010</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><nota-toelichting><al/><al/><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al><vet>1. Inleiding</vet></al><al>Op 1 januari 2005 is de Wet kinderopvang (verder Wk) in werking
                                getreden. De Wk heeft tot doel het ouders of verzorgers
                                gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren. Er wordt
                                uitgegaan van een tripartiete verdeling van de kosten: 1/3 deel
                                ouders, 1/3 deel werkgevers en 1/3 deel overheid. Niet alleen mensen
                                die werken kunnen een beroep doen op de Wk. Een aantal andere in de
                                wet benoemde doelgroepen kunnen een beroep doen op de gemeente voor
                                het betalen van een deel van de kosten die zij maken voor
                                kinderopvang. De vergoeding door de gemeente van een deel van de
                                kosten voor kinderopvang wordt aangeduid met de term “tegemoetkoming
                                kosten kinderopvang”. </al><al>Artikel 25 van de Wk bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                                regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze
                                regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en
                                de vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft
                                uitvoering aan deze wettelijke opdracht. </al><al><vet>2. Karakter van de tegemoetkoming</vet></al><al>De tegemoetkoming is een subsidie in de zin van artikel 4:21 van de
                                Algemene wet bestuursrecht (Awb), te weten: een aanspraak op
                                financiële middelen door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op
                                een bepaalde activiteit van de aanvrager. Dit betekent dat de regels
                                die de Awb stelt over subsidies van toepassing zijn op de
                                tegemoetkomingen. De gemeente Oisterwijk beschikt over een Algemene
                                subsidieverordening, genaamd Algemene Subsidieverordening 2009. De
                                Verordening kinderopvang gemeentelijke en bijzondere doelgroepen
                                Oisterwijk 2010 staat los van deze Algemene subsidieverordening
                                omdat het hier een wettelijke verplichting betreft. Derhalve is de
                                Algemene subsidieverordening 2009 niet van toepassing op de
                                verstrekking van tegemoetkomingen in de kosten van
                                kinderopvang.</al><al><vet>3. De gemeentelijk doelgroepen</vet></al><al>In artikel 22 van de Wk zijn de gemeentelijke doelgroepen opgenomen.
                                In dit artikel worden de doelgroepen aangeduid die aanspraak kunnen
                                maken op een tegemoetkoming van de gemeente om arbeid en zorg te
                                kunnen combineren. Daarbij moet het begrip ‘arbeid’ ruim worden
                                opgevat. Ook het volgen van een traject in het kader van
                                arbeidsinschakeling of het volgen van een scholing of cursus valt er
                                onder. Naast deze wettelijke gemeentelijke doelgroepen worden er in
                                de Verordening doelgroepen voor de gemeente benoemd, die niet in de
                                wet als zodanig zijn opgenomen. Ten aanzien van de doelgroep met een
                                sociaal medische indicatie was dit in het oorspronkelijke
                                wetsvoorstel opgenomen, maar deze bepalingen zijn nooit in werking
                                getreden. Daarnaast zijn de doelgroepen “inburgeringsbehoeftigen” en
                                “mantelzorgers” opgenomen. Indien aan de voorwaarden wordt voldaan,
                                maken deze doelgroepen ook aanspraak op een tegemoetkoming in de
                                kosten van kinderopvang.</al><al><vet>4. Hoofdlijnen van het proces van verstrekking van de
                                    tegemoetkomingen</vet></al><al>In deze verordening zijn de hoofdlijnen van het proces van
                                verstrekking van de tegemoetkomingen door de gemeente vastgelegd.
                                Daarbij zijn twee uitgangspunten gehanteerd. Het eerste uitgangspunt
                                is dat de uitvoeringslasten voor zowel de gemeente als de aanvragers
                                van de tegemoetkoming zo beperkt mogelijk moeten zijn. Het tweede
                                uitgangspunt is dat de gemeentelijke uitgaven die gemoeid zijn met
                                de verstrekking van de tegemoetkomingen zo goed mogelijk beheersbaar
                                zijn. </al><al><cursief>Tegemoetkomingen voor de duur van een berekeningsjaar
                                    (meestal kalenderjaar) </cursief></al><al>Een tegemoetkoming wordt in principe verstrekt voor de duur van één
                                kalenderjaar. Daarmee wordt aangesloten bij de wijze waarop de
                                betalingen door de Belastingsdienst worden gedaan. Dit betekent dat
                                een tegemoetkoming elk jaar opnieuw moet worden aangevraagd.
                                Uitzondering wordt gemaakt voor de situaties waarin bij de aanvraag
                                reeds duidelijk is dat de aanspraak op de tegemoetkoming beperkt is
                                tot een bepaalde periode (bijvoorbeeld de duur van een
                                reïntegratietraject die in het trajectplan is vastgelegd of de datum
                                waarop het kind naar de basisschool gaat of de basisschool verlaat).
                                Uit praktisch oogpunt zullen de ouders niet ieder jaar opnieuw een
                                aanvraag hoeven in te dienen, maar zal een heronderzoek uitgevoerd
                                worden naar het voortgezet recht op de tegemoetkoming, waarna deze
                                wederom voor de duur van een berekeningsjaar zal worden voortgezet,
                                tenzij op voorhand duidelijk is dat de periode van noodzaak korter
                                zal zijn.</al><al><cursief>Verstrekking van de tegemoetkoming in twee stappen
                                </cursief></al><al>De verstrekking van de tegemoetkoming vindt plaats in twee stappen.
                                Hiermee wordt aangesloten bij de Awb. </al><al>De eerste stap is de beschikking tot het verlenen van de
                                tegemoetkoming. Deze beschikking geeft de ontvanger van de
                                tegemoetkoming een voorwaardelijke aanspraak op de tegemoetkoming
                                tot een vastgesteld maximumbedrag. De aanspraak is voorwaardelijk
                                omdat op het moment dat de beschikking wordt gegeven nog niet zeker
                                is dat de aanvrager daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang
                                en zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. Ondanks het
                                voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening wel een
                                rechtens afdwingbare aanspraak. </al><al>De tweede stap is de beschikking tot het vaststellen van de
                                tegemoetkoming. In deze beschikking wordt, achteraf, vastgesteld in
                                hoeverre de ontvanger aan de gestelde voorwaarden heeft voldaan en
                                hoeveel het uiteindelijke bedrag van de tegemoetkoming is. Met het
                                vaststellen van de tegemoetkoming wordt de tegemoetkoming
                                definitief. Voordat de tegemoetkoming wordt vastgesteld zal de
                                gemeente onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming
                                door gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen
                                bij de ouders van een kindcentrum of gastouderbureau op te
                                vragen.</al><al><cursief>Bepalingen om de beheersbaarheid van de gemeentelijke
                                    uitgaven te bevorderen </cursief></al><al>De gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang is
                                geen "open-einde financiering". Voor de doelgroep “sociaal medische
                                indicatie” wordt door het rijk een extra vergoeding uit het
                                gemeentefonds verstrekt.</al><al>Ten aanzien van de gemeentelijk toegevoegde doelgroepen
                                “inburgeringsbehoeftigen” en “mantelzorgers” heeft te gelden dat een
                                tegemoetkoming voor kinderopvang wordt verstrekt, tenzij het budget
                                voor de gemeentelijke doelgroep niet meer toereikend is. Om grip te
                                houden op de kosten die het gevolg zijn van de verstrekking van de
                                tegemoetkomingen, zijn in de Verordening ook de volgende bepalingen
                                opgenomen: </al><al>·De omvang van de aanspraak van ouders op een tegemoetkoming van de
                                gemeente </al><al>wordt aan beperkingen gebonden. In de Verordening is bepaald dat de
                                tegemoetkoming wordt verstrekt voor het aantal uren kinderopvang per
                                week dat naar het oordeel van het college voor de ouder
                                redelijkerwijs noodzakelijk is om de combinatie van arbeid en zorg
                                mogelijk te maken. De wens van de ouder is hier dus niet bepalend. </al><lijst><li nr="·"><al>Er worden geen tegemoetkomingen met terugwerkende kracht
                                        verstrekt. Een gemeentelijke tegemoetkoming wordt op zijn
                                        vroegst verstrekt met ingang van datum waarop de aanvraag is
                                        ingediend. </al></li><li nr="·"><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als er ook
                                        feitelijk kinderopvang plaats vindt.</al></li><li nr="·"><al>Voor de gemeentelijke doelgroepen geldt hierbij aanvullend
                                        de bepaling, dat er eerst een beroep wordt gedaan op de
                                        zelfredzaamheid van de aanvrager. De gemeente compenseert
                                        alleen als de aanvrager aantoonbaar zelf geen regelingen kan
                                        treffen voor de opvang van de kinderen.</al></li></lijst><al><vet>AANWIJZEN VAN EIGEN DOELGROEPEN </vet></al><al>De gemeente kan er voor kiezen om naast de doelgroepen die in de wet
                                zijn benoemd eigen doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen
                                maken op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Dit is
                                gebeurd in de artikelen 2 en 3 van de verordening, te weten voor de
                                inburgeringsbehoeftigen, ouders met een sociaal medische indicatie
                                en mantelzorgers. </al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in de artikelen 1 en 2 van de Wk zijn ook van
                                toepassing op deze verordening. </al><al>Voor wat betreft het begrip “mantelzorger” is aangesloten bij de
                                definitie “mantelzorg”, zoals genoemd in artikel 1, sub b van de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Verder spreken de definities
                                in dit artikel voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>inburgeringsbehoeftigen</titel></kop><al>Met de invoering van de Wet Inburgering (WI) is de gemeentelijke
                                doelgroep “oudkomers”, zoals deze was opgenomen in de Verordening
                                deels opgenomen in de Wet kinderopvang onder de wettelijke doelgroep
                                inburgeringsplichtingen. </al><al>Inburgeringsbehoeftigen zijn ook als gemeentelijke doelgroep
                                benoemd. Indien de gemeente voor deze doelgroep een
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wordt aangeboden,
                                horen ook de bijkomende kosten zoals bijvoorbeeld kinderopvang
                                hierbij. Van de ouders wordt een bijdrage in de kosten kinderopvang
                                gevraagd afhankelijk van het gezinsinkomen. Voor de bepaling van de
                                hoogte van deze ouderbijdrage wordt aangesloten bij het bepaalde in
                                het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkoming en kosten
                                kinderopvang en artikel 1 van de Regeling indexering kinderopvang en
                                de daarbij behorende bijlage.</al><al>Daarnaast wordt expliciet bekeken in hoeverre men zelf kinderopvang
                                kan regelen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Sociaal medische indicatie en mantelzorg</titel></kop><al>Ouders en verzorgers waarvoor vastgesteld is dat er kinderopvang
                                nodig is als gevolg van sociale en/of medische problemen, komen in
                                aanmerking voor de vergoeding van de kosten kinderopvang. Dit geldt
                                ook voor mantelzorgers.</al><al>De gemeente vraagt een onafhankelijk instituut advies hieromtrent,
                                tenzij er al gegevens liggen waaruit deze noodzaak blijkt
                                (bijvoorbeeld een rapport MEE, centrum voor jeugd en gezin etc.).
                                Van de ouders wordt een bijdrage in de kosten kinderopvang gevraagd
                                afhankelijk van het gezinsinkomen. </al><al>Voor de bepaling van de hoogte van deze ouderbijdrage wordt
                                aangesloten bij het bepaalde in het Besluit kinderopvangtoeslag en
                                tegemoetkoming en kosten kinderopvang en artikel 1 van de Regeling
                                indexering kinderopvang en de daarbij behorende bijlage.</al><al>Er wordt expliciet bekeken in hoeverre men zelf kinderopvang kan
                                regelen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Te verstrekken gegevens bij de aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming van de gemeente wordt door de ouder aangevraagd
                                bij het college (artikel 26 Wet kinderopvang). Het moet dan gaan om
                                het college van de gemeente waar de ouder woont (artikel 22, derde
                                lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet schriftelijk worden
                                ingediend (artikel 4:1 Awb). Voor het indienen van de aanvraag is
                                een formulier ontwikkeld (artikel 4:4 van de Awb). </al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een berekeningsjaar wordt
                                verstrekt (artikelen 1, sub f en 8 van de Verordening) moet deze elk
                                jaar opnieuw worden aangevraagd. Om de lasten voor zowel aanvragers
                                als gemeente zo beperkt mogelijk te houden, wordt een heronderzoek
                                uitgevoerd naar het voortdurend recht op de tegemoetkoming. Hierbij
                                zal veel als mogelijk aangesloten worden bij de systematiek zoals
                                gebruikelijk bij de WWB.</al><al>Een wijziging van de tegemoetkoming in verband met de verhoging van
                                het aantal uren of dagdelen kinderopvang zal wel aangevraagd moeten
                                worden.</al><al>Onderdeel d van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een
                                offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                                kinderopvang gaat verzorgen moet worden gevoegd. Dit betekent dat de
                                aanvraag voor een tegemoetkoming pas bij de gemeente kan worden
                                ingediend als de ouder over een offerte of contract beschikt. Op
                                basis van de offerte of het contract kan de gemeente de hoogte van
                                de tegemoetkoming vaststellen. In de praktijk komt het er op neer
                                dat deze offerte vaak aangevraagd wordt door de medewerkers van de
                                gemeente en is dit alleen in theorie een mogelijkheid.</al><al> Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat
                                verzorgen, moet ingeschreven staan in het kinderopvangregister
                                (artikel 5, eerst lid, Wk). Dit kan zijn het gemeentelijk dan wel
                                het landelijke register na de wetswijziging 2010. </al><al>Onderdeel e van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag gegevens
                                of een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd waaruit blijkt dat de
                                ouder behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In een aantal
                                gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar die gegevens,
                                omdat de gemeente al over die gegevens beschikt. Denk hierbij aan
                                personen die al bekend zijn bij de gemeente vanwege een lopende
                                uitkering. Personen die nog niet bekend zijn bij de gemeente (zoals
                                bijvoorbeeld studenten, personen die een beroep doen op SMI of
                                mantelzorgers) zullen relevante gegevens moeten aandragen. Denk
                                hierbij aan een bewijs van inschrijving van de opleiding of gegevens
                                van een behandelend arts. In de uitvoeringsrichtlijnen zal voor alle
                                doelgroepen beschreven worden welke gegevens dit betreft. </al><al>In het derde lid wordt bepaald dat, indien de aanvrager een partner
                                heeft, deze partner de aanvraag mede-ondertekend. Deze bepaling is
                                volledigheidshalve in de Verordening opgenomen. De verplichting is
                                reeds neergelegd in artikel 26, derde lid, van de Wk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beslistermijn verlening tegemoetkoming</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het college een besluit moet nemen over de
                                aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                                tegemoetkoming. Dus niet alleen voor nieuwe aanvragen, maar ook voor
                                aanvragen die een voortzetting van een tegemoetkoming betreffen en
                                voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in verband met
                                verhoging van de uurprijs van kinderopvang of uitbreiding van de
                                omvang van de kinderopvang. In de Verordening is gekozen voor een
                                beslistermijn van ten hoogste acht weken die eventueel met vier
                                weken kan worden verlengd. De beslistermijn van acht weken heeft ook
                                gevolgen voor de datum waarbinnen aanvragen voor een voortgezette
                                tegemoetkoming moeten worden aangevraagd. Om er zeker van te zijn
                                dat de tegemoetkoming na 1 januari kan worden voortgezet, zullen
                                ouders hun aanvraag minimaal acht weken vóór 1 januari bij de
                                gemeente moeten indienen. Via een heronderzoeksplan kan dit
                                praktisch geregeld worden.</al><al>Het feit dat het college een termijn van acht weken heeft om te
                                beslissen over een aanvraag voor een tegemoetkoming wil uiteraard
                                niet zeggen dat het college deze termijn ook in alle gevallen moet
                                benutten. De gemeente zal ernaar streven de behandelingstermijn van
                                aanvragen zo kort mogelijk te houden en met name aanvragen waar
                                spoed mee geboden is direct af te handelen. Door middel van
                                mandatering van de beslissingsbevoegdheid kan de besluitvorming
                                worden versneld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Weigeringsgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringsgronden in dit artikel kent de Awb ook een aantal
                                gronden om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze
                                weigeringsgronden zijn van toepassing. </al><al>Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan worden geweigerd
                                als een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie
                                        verbonden verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                        verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte
                                        activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten,
                                        voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van
                                        belang zijn. </al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening
                                voorts in ieder geval kan worden geweigerd als de aanvrager: </al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige
                                        gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze
                                        gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou
                                        hebben geleid, of </al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                                        verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                        natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel
                                        een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor
                                de kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor
                                een tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt
                                door de gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de
                                vormvereisten van artikel 4:1, 4:2 en 4:4 van de Awb. Dit betekent
                                dat een aanvraag: </al><lijst><li nr="·"><al>schriftelijk moet worden ingediend middels het ontworpen
                                        aanvraagformulier;</al></li><li nr="·"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="·"><al>de naam en adres van aanvrager moet bevatten;</al></li><li nr="·"><al>een aanduiding geven van wat er wordt gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment
                                waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling
                                van de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het
                                besluit tot verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling
                                vindt dan met terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de
                                aanvraag in ontvangst is genomen. De ingangsdatum van verstrekking
                                van de tegemoetkoming is ook van toepassing op aanvragen voor
                                uitbreiding van het aantal uren kinderopvang. De verhoogde
                                tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het moment dat de aanvraag
                                daarvoor door het college in ontvangst is genomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar
                                verleend, het berekeningsjaar. Hier wordt aansluiting gezocht met
                                het berekeningsjaar van de belastingdienst. Voor aanvragen die in de
                                loop van een jaar worden toegekend, geldt dat de tegemoetkoming
                                wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende jaar. Dit
                                betekent in theorie dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw
                                een aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten
                                indienen. </al><al>Het college kan de tegemoetkoming voor een andere periode
                                vaststellen. Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een
                                bepaalde periode recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als
                                deze een reïntegratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door
                                de periode van verstrekking van de tegemoetkoming te koppelen aan de
                                duur van het reïntegratietraject (of een andere vorm van arbeid),
                                hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking van de
                                tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel
                                ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op
                                een tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang
                                en niet de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van
                                de criteria die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep
                                behoort, heeft deze recht op een gemeentelijke tegemoetkoming. De
                                wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor
                                de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de
                                wet waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig
                                heeft in verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling
                                in de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming
                                enigszins beperkt. Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om
                                bij de gemeentelijke doelgroep individueel te beoordelen hoeveel
                                kinderopvang de ouder </al><al>redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid of scholing die hij verricht
                                te kunnen combineren met zorgtaken. Bij het bepalen van de omvang
                                van de kinderopvang die redelijkerwijs nodig is zal ook rekening
                                moeten worden gehouden met omstandigheden als een handicap of
                                chronische ziekte van de ouder(s) of een beperking die de huiselijke
                                situatie meebrengt voor de goede en gezonde ontwikkeling van het
                                kind. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inhoud van de beschikking</titel></kop><al>· Onderdeel e bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het
                                    bedrag van de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de
                                    beschikking moet onder andere de wijze van uitbetaling van de
                                    tegemoetkoming worden vermeld (onderdeel f).</al><al>· Onderdeel g schrijft voor dat in de beschikking de
                                    verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij moet aan
                                    de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="o"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de
                                            periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het
                                            college een overzicht te verstrekken van de feitelijke
                                            kosten van kinderopvang over deze periode;</al></li><li nr="o"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28,
                                            eerste tot en met derde lid Wk. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats van in de vorm van maandelijkse
                                voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de
                                tegemoetkoming waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in
                                twaalf gelijke delen (indien de aanvraag het gehele berekeningsjaar
                                betreft). </al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming in principe uit aan de ouder.
                                De ouder kan, al dan niet op verzoek van het kindercentrum of het
                                gastouderbureau, de gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks
                                aan dat kindercentrum of gastouderbureau te doen. Deze machtiging
                                verandert juridisch gezien niets aan de verhouding tussen de
                                gemeente en de ouder. Ook al wordt het bedrag gestort op de rekening
                                van het kindercentrum of gastouderbureau, blijft er sprake van een
                                betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan de ouder. </al><al>Het tweede lid geeft het college de bevoegdheid om nadere
                                voorschriften te stellen over de wijze van bevoorschotting van de
                                tegemoetkoming. Deze zullen er op gericht zijn om een zo eenvoudig
                                mogelijke administratie te verkrijgen. Een mogelijk kan zijn om te
                                streven naar rechtstreekse betalingen aan de kindercentra waardoor
                                achteraf geen verrekeningen meer nodig zijn. Is dit laatste niet
                                mogelijk, dan wordt een voorschot alleen betaald op basis van een
                                factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het college een
                                subsidie (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen.
                                Ambtshalve vaststellen houdt in dat het college op eigen initiatief
                                de tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot
                                het vaststellen van de tegemoetkoming bij het college in te dienen. </al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de
                                periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een
                                overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze
                                periode te verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar
                                is verleend, moet het overzicht van de kosten uiterlijk vier weken
                                na 31 december bij het college te worden ingediend. Het overzicht
                                van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat door het
                                kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een verzameling
                                van maandoverzichten. Het college heeft vervolgens acht weken de
                                tijd om de tegemoetkoming definitief vast te stellen. In deze
                                periode kan de gemeente een onderzoek doen naar de rechtmatigheid
                                van de tegemoetkoming door gegevens van de ouders te controleren en
                                eventueel inlichtingen bij de houders van een kindcentrum of
                                gastouderbureau op te vragen. </al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt
                                bepaald wat precies het bedrag is waar de ouder die de
                                tegemoetkoming heeft aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze
                                die is opgenomen in de beschikking tot verlening van de
                                tegemoetkoming geldt als het uitgangspunt voor het vaststellen van
                                de tegemoetkoming. Dit betekent dat de tegemoetkoming wordt
                                vastgesteld op basis </al><al>van het aantal uren kinderopvang dat in de beschikking tot verlening
                                van de tegemoetkoming is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren.
                                In de beschikking tot vaststelling van de tegemoetkoming kan wel
                                worden uitgegaan van een lager aantal uren, maar niet van een hoger
                                aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het college de
                                tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen
                                kan ook betekenen op nul vaststellen. Het college heeft deze
                                bevoegdheid op grond van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op
                                grond van het tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld
                                als: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
                                        geheel hebben plaatsgevonden; </al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de
                                        subsidie verbonden verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                        subsidieverlening zou hebben geleid, of </al></li><li nr="d."><al>de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                        subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Het derde
                                        lid van artikel 4:46 luidt: ‘Voor zover het bedrag van de
                                        subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de
                                        activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten
                                        die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden
                                        beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in
                                        aanmerking genomen’. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te
                                betalen deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een
                                hoger bedrag heeft uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de
                                gemeente het te veel betaalde bedrag terugvorderen. Terugvordering
                                is geregeld in artikel 38 Wk (zie ook de toelichting bij artikel
                                14). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in
                                artikel 28, eerste tot en met derde lid van de Wk. Het vierde lid
                                van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders van een
                                kindercentrum of gastouderbureau. Deze bepaling luidt: ‘De houder
                                verstrekt desgevraagd aan het college van burgemeester en wethouders
                                alle gegevens en inlichtingen die voor de aanspraak van een ouder op
                                de tegemoetkoming van belang zijn’. </al><al>Er kunnen verschillende vormen van schending van de
                                inlichtingenplicht worden onderscheiden o.a. : </al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;
                                    </al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder
                                        heeft geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot
                                        gemeentelijke doelgroep). </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>onjuiste gegevens of onvoldoende medewerking.</titel></kop><al>Alvorens over te gaan tot de maatregelen, zoals onderstaand
                                omschreven, doet het college onderzoek naar de schending van de
                                inlichtingenplicht en wordt de ouder in de gelegenheid gesteld om
                                het verzuim te herstellen. De tegemoetkoming wordt voor maximaal
                                acht weken opgeschort. Als de ouder er niet in slaagt het verzuim te
                                herstellen, kan het recht op de tegemoetkoming worden ingetrokken
                                vanaf het moment van opschorting (conform werkwijze WWB)</al><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan
                                ten onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog
                                bedrag, kan het college een bestuurlijke boete aan de betreffende
                                ouder op te leggen op basis van de wet. </al><al><vet>Intrekken van de beschikking en terugvorderen van de
                                    tegemoetkoming </vet></al><al>In de Awb en in deze Verordening is geregeld op welke gronden een
                                subsidie (een tegemoetkoming in de terminologie van de Wk) kan
                                worden ingetrokken en teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties
                                worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld
                                    </al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.
                                    </al></li></lijst><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken
                                    of wijzigen van de beschikking tot verlening van de
                                    tegemoetkoming (artikel 4:48 Awb) </cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het college de
                                beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten
                                nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet
                                        of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;
                                    </al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                        verbonden verplichtingen; </al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige
                                        gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                        volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag
                                        tot verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid; </al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en
                                        de ontvanger dit wist of behoorde te weten. </al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip
                                waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of
                                wijziging anders is bepaald. </al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56 Awb)
                                </cursief></al><al>Het college hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel
                                tot dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is
                                ingetrokken of gewijzigd. Het college kan al eerder besluiten de
                                betaling van de tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel
                                4:56 Awb kan het college de verplichting tot betaling van een
                                voorschot opschorten met ingang van de dag waarop het college aan de
                                ouder schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er
                                grond bestaat om de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                                in te trekken of te wijzigen. Deze opschorting duurt tot en met de
                                dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is
                                bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het
                                ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken. </al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of
                                    wijzigen van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel
                                    4:49 Abw) </cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het college in bepaalde
                                gevallen </al><al>bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de tegemoetkoming in
                                te trekken of ten nadele van de ontvanger van de tegemoetkoming te
                                wijzigen. Het gaat om de volgende gevallen: </al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het
                                        college bij de vaststelling van de tegemoetkoming
                                        redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond
                                        waarvan de tegemoetkoming lager dan overeenkomstig de
                                        verlening van de tegemoetkoming zou zijn vastgesteld; </al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de
                                        ontvanger van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te
                                        weten; </al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling
                                        van de tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de
                                        tegemoetkoming verbonden verplichtingen. </al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten
                                nadele van de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn
                                verstreken sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt. </al><al><vet>De bestuurlijke boete </vet></al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het
                                college in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete aan de ouder
                                opleggen. De bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wk
                                en titel 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Een bestuurlijke
                                boete is een bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke
                                verplichting tot betaling van een geldsom (artikel 5:40, eerste lid
                                van de Awb). </al><al>Het college kan een bestuurlijke boete opleggen, indien een ouder
                                zijn inlichtingenplicht niet nakomt. Daarnaast kan een bestuurlijke
                                boete worden opgelegd aan de houder als bedoeld in artikel 1 van de
                                Wk. Voorafgaand aan het opleggen van een boete dient eerst een
                                kennisgeving betreffende het voornemen tot het opleggen van een
                                boete aan de ouder/houder te worden toegezonden (artikel 80 van de
                                Wk).</al><al>De maximale hoogte van de bestuurlijke boete is vastgelegd in de Wk.
                                Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete zal het
                                college maatwerk moeten leveren. </al><al>Artikel 5:46 van de Awb bepaalt dat de hoogte van de boete wordt
                                afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate waarin de
                                overtreding de ouder/houder verweten en zo nodig met de
                                omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. . Van het
                                opleggen van een bestuurlijke boete wordt in elk geval afgezien
                                voorzover de overtreding de ouder/houder niet kan worden verweten
                                (artikel 5:41 van de Awb). </al><al> In de Awb is geregeld in welke gevallen het college géén
                                bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende
                                situaties: -de overtreder is overleden (artikel 5:42 Awb); -de
                                overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                bestuurlijke boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een
                                bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie (artikel 5:43 van
                                de Awb; ne bis in idem-beginsel); </al><al>-er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                plaatsgevonden (artikel 5:45 van de Awb).</al><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld
                                in de artikelen 72 en 80 van de Wk en het bepaalde in titel 5.4 van
                                de Awb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Bewaarplicht</titel></kop><al>Met het oog op de mogelijkheid van de gemeente om ook na de
                                vaststelling van de tegemoetkoming te controleren of de
                                tegemoetkoming rechtmatig is verstrekt, is in dit artikel een
                                bewaarplicht opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 17 Hardheidsclausule </label></kop><al>De hardheidsclausule maakt het mogelijk om in gevallen dat
                                toepassing van de verordening tot een onbillijke uitkomst zou leiden
                                af te wijken van deze regelingen. Dit betekent tevens dat bij ieder
                                negatief besluit onderzocht zal moeten worden of de individuele
                                omstandigheden toepassing van de hardheidsclausule noodzakelijk
                                maken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 18 Uitvoering en nadere regels </label></kop><al>Anders dan de hardheidsclausule geeft dit artikel ruimte om in
                                onvoorziene omstandigheden adequaat te kunnen handelen. Deze ruimte
                                is nodig omdat op voorhand niet te overzien is welke situaties zich
                                zullen aandienen. Ook is opgenomen dat het college nadere
                                beleidsregels kan vaststellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld op welk moment de verordening in werking
                                treedt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>