<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74505_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amstelveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, Officiële bekendmakingen, 2011, week 4, blz. 4</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 44, 95 tot en met 99 en 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0006535">Rechtspositiebesluit wethouders</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0006536">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-11</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>1e wijziging: toevoeging van een nieuw artikel 15, wijziging van de artikelen 2, 3, 16, 18, 19 en 26</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10-59</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden, die is vastgesteld door de raad op 25 april 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="d."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Scrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="e."><al>Verplaatsingskostenverordening 1989: Het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Strct 212;</al></li><li nr="f."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling Buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, STRCT
                                    181</al></li><li nr="h."><al>Raadslid: lid van de gemeenteraad;niet zijnde wethouder</al></li><li nr="i."><al>Griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="j."><al>Gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR RAADSLEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt met ingang van de dag van de beëdiging een
                            vergoeding voor de werkzaamheden toegekend die gelijk is aan het bedrag,
                            vermeld in artikel 2, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. Dit bedrag is gelijk aan het door de minister van
                            Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de gemeenteklasse 6
                            vastgestelde maximum. De vergoeding eindigt op het tijdstip van
                            beëindiging van het raadslidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt met ingang van de dag van de beëdiging een
                                vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                verbonden kosten gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 6,
                                vermeld in in tabel II, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van een raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, is in afwijking van het eerste lid de onkostenvergoeding
                                gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 6, vermeld in tabel III
                                van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergoeding eindigt op het tijdstip van beëindiging van het
                                raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid dat gedurende een gedeelte van het kalenderjaar lid is
                                geweest van de gemeenteraad ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de
                                artikelen 2 en 3, naar evenredigheid van het aantal dagen dat
                                hij/zij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van de gemeenteraad vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de noodzakelijk gemaakte reiskosten overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 4, onderdeel b van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een raadslid kan niet deelnemen aan de fietsregeling van de gemeente
                                Amstelveen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van reizen buiten het
                            grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid vergoed. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                griffier. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Computer/internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt voor de uitoefening van het raadslidmaatschap
                                computerapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het Raadslid ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk personeel geldende
                                spaarloonregeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van
                                die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                                levensloopregeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de
                                loonbelasting 1964</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien het
                                raadslid gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling .</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In het geval een raadslid een uitkering ontvangt in verband met gehele
                            of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid kan deze verzoeken de vergoeding
                            voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, te verlagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Aan een raadslid wordt geen tegemoetkoming in kosten van een
                            ziektekostenverzekering voorzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8 tot en met 12 blijven van toepassing
                                op het raadslid aan wie ingevolge artikel X van de kieswet tijdelijk
                                ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met
                                dien verstande dat de onkostenvergoeding die dit raadslid op grond
                                van artikel 3, eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van
                                het bedrag dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 8 en 10 tot en met 12 van deze verordening
                                zijn van toepassing op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter
                                vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X van de kieswet
                                tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling
                                of ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden met een functionele
                                beperking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge artikel 99 lid 2 Gemeentewet kan het college aan een lid
                                van de raad met een naar het oordeel van het college (structurele)
                                functionele beperking op aanvraag aan het raadswerk gerelateerde
                                voorzieningen toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend
                                verstaan:</al><al>a. vervoersvoorzieningen die ertoe strekken dat het raadslid,
                                bedoeld in het eerste lid, raads- en commissie- en
                                fractievergaderingen kan bijwonen;</al><al>b. intermediaire activiteiten ten behoeve van een raadslid met een
                                visuele, auditieve of motorische handicap;</al><al>c. noodzakelijke persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van
                                het raadswerk, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor
                                zijn beperkingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op voorzieningen die op grond van
                                wettelijke regelingen kunnen worden toegekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR WETHOUDERS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding toegekend voor de, aan de
                            uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is aan het bedrag
                            voor gemeenten van 18.001 inwoners en hoger, vermeld in artikel 25 van
                            het Rechtspositiebesluit wethouders. De vergoeding eindigt op het
                            tijdstip van beëindiging van het wethoudersschap.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder wordt voor het reizen tussen zijn woning en plaats van
                                tewerkstelling een tegemoetkoming verleend overeenkomstig het
                                bepaalde in artikel 3 van de Regeling rechtspositiebesluit
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een wethouder kan niet deelnemen aan de fietsregeling van de
                                gemeente Amstelveen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                                17 vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                                artikel 17 bedoelde reizen in het belang de gemeente gemaakt. </al><al> De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                        bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                        verblijfkosten overeenkomstig het bedrag, genoemd in artikel
                                        4, onderdeel b, van de ministeriële regeling als bedoeld in
                                        artikel 18, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit
                                        wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                wethouder gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor gemeentelijk
                                personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is
                                vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de
                                zakelijke reizen van de wethouder plaats overeenkomstig artikel 4a
                                van de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                                buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                                Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan in voorkomend geval voor reizen ten behoeve van de
                                gemeente gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur.
                                Onder dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede
                                verstaan een door de gemeente ingehuurde auto.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de wethouder ook
                                worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de
                                wethouder vervult uit hoofde van zijn ambt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wethouder op grond van artikel 17 een tegemoetkoming
                                ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast ter
                                grootte van: </al><lijst><li nr="a."><al>1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                        elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                        tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto;</al></li><li nr="b."><al>1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                        elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de plaats
                                        van tewerkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de wethouder voor reizen ten behoeve van in het tweede lid
                                bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de gemeentelijke dienstauto
                                en daarvoor van een derde ook een vergoeding van reiskosten ontvangt
                                wordt die vergoeding in de gemeentelijke kas gestort.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. Van een dergelijke dienstreis wordt vooraf
                                afmelding gemaakt aan het presidium. De gemeenteraad kan aan deze
                                toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                gemeentesecretaris. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke
                                informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening
                                van de gemeente als deelname vanbelang is in verband met de
                                uitoefening van het ambt van wethouder. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Computer/internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de wethouder wordt voor de uitoefening van het ambt
                                computerapparatuur in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent voor de bruikleen een bruikleenovereenkomst
                                met de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van zijn ambt een
                                mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de wethouder kiest voor een mobiele telefoon wordt de
                                component telefoonkosten in mindering gebracht op zijn vaste
                                onkostenvergoeding (9% van de onkostenvergoeding).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor het gemeentelijk
                                personeel geldende spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de levensloopregeling als bedoeld in
                                artikel 19b van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deelname aan de spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                wethouder gebruik maakt van de wettelijke levensloopregeling.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Reis-, pension- en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR COMMISSIELEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan het
                                door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 4 vastgestelde maximum.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie:</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                                niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                                benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen
                                van de commissie vergoed. </al><al> De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en een taxi:
                                        een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                        noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b van de
                                        Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfskosten ter zake van
                                reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                Regeling rechtspositie wethouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                                griffier. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en
                                een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de
                                gemeente als deelname van belang is in verband met de vervulling van
                                het commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Computerapparatuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een commissielid wordt voor de uitoefening van het
                                commissielidmaatschap computerapparatuur in bruikleen ter
                                beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid ondertekent een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>DE PROCEDURE VAN DECLARATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats op
                            declaratiebasis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><label>De declaratie van vooruit betaalde kosten</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 18,
                                20, en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier, waarvan
                                het model door het college is vastgesteld, indien deze kosten uit
                                eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                raadslid, onderscheidenlijk de wethouder of het commissielid dient
                                het declaratieformulier binnen 2 maanden bij de budgethouder
                                fractie, die declareert bij de griffier, onderscheidenlijk de
                                gemeentesecretaris of een door hem aangewezen ambtenaar in, onder
                                bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden die is
                            vastgesteld door de raad op 25 april 2007 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze regeling treedt in werking ingaande 1 oktober 2007 en werkt voor
                            wat betreft de artikelen 1 tot en met 12 en 26 tot en met 29 terug tot
                            en met 16 maart 2006 en voor wat betreft de artikelen 18 tot en met 25
                            ten aanzien van de beëdigde wethouders terug tot en met de dag van hun
                            beëdiging. Het artikel 32 werkt voor zover het betreft de leden van de
                            raad en commissieleden terug tot en met 16 maart 2006. Het artikel 32
                            werkt voor zover de beëdigde wethouders betreft terug tot en met de dag
                            van hun beëdiging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 28 november 2007.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>ALGEMEEN</tussenkop><al/><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al/><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening.
                    Wettelijk is voor wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                    (Appa) de uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                    aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders, raads-
                    en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                    rijksambtenaren, maar voorheen in verschillende regelingen waren opgenomen
                    waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen sinds 1
                    januari 2004 opgenomen in een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie
                    wethouders. In deze wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie
                    van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de
                    hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                    rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    bepaalde secundaire voorzieningen geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om
                    deze voorzieningen te treffen.</al><al/><tussenkop>Aanvullende informatie</tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie voor burgemeesters wordt niet op lokaal niveau
                    geregeld maar landelijk.Voor burgemeesters functioneert het georganiseerd
                    overleg burgemeesters (GO-burgemeesters) als platvorm voor het overleg over de
                    arbeidsvoorwaarden van burgemeesters. De VNG is hier niet bij betrokken. Wel
                    heeft de VNG de gebruikelijke adviestaak vanwege het algemeen belang van de
                    gemeenten. In dat kader heeft de VNG ook contact met het Nederlands Genootschap
                    van Burgemeesters (NGB).</al><al>De gemeenten worden over ontwikkelingen op het terrein van rechtspositie
                    burgemeester geïnformeerd door middel van circulaires van de ministerie van
                    Binnenlandse zaken en koninkrijksrelatie.</al><al/><tussenkop>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening.</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de wethouders
                    als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van de gemeente
                    (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit betekent dat de rechtspositionele
                    aanspraken voor zittende wethouders uitsluitend te vinden zijn in
                    respectievelijk de Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling
                    rechtspositie wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak
                    op een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers. Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                    commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet . Het tweede lid van
                    die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening aan raads- en
                    commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen en
                    tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel de goedkeuring van
                    gedeputeerde staten vereist. De rechtspositionele aanspraken voor raads- en
                    commissieleden zijn dan ook uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de
                    Gemeentewet, het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de
                    plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                    commissieleden.</al><al/><tussenkop>Afzonderlijke verordeningen</tussenkop><al>Sommige gemeenten geven er de voorkeur aan de lokale regeling voor wethouders en
                    voor raads- en commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen.
                    Daartegen bestaat geen bezwaar. In dat geval bestaat de Verordening
                    rechtspositie raads- en commissieleden uit de hoofdstukken I, II, IV, V en VI
                    van de voorbeeldverordening en de Verordening rechtspositie wethouders uit de
                    hoofdstukken I, III, V en VI van de voorbeeldverordening.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 26), waarbij is op te merken dat voor wethouders niets
                            is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6,16 t/m 20, 27
                            );</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige wethouder (artikel 25)</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            wethouders en raadsleden (artikelen 8, en 22) en faciliteiten in de vorm
                            van deelname van wethouders en raadsleden aan cursussen, congressen e.d.
                            (artikelen 7 en 21);</al></li><li nr="-"><al>een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, als voor zowel
                            wethouders als raadsleden, zoals de spaarloonregeling of
                            levensloopregeling (artikelen 9 en 24);</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikel 32).</al></li></lijst><al/><tussenkop>De arbeidsverhouding van de wethouder en het
                    raadslid</tussenkop><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het
                    raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als
                    werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. </al><al>Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en in onderhavige verordening.
                    Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder
                    de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de loonbelasting door
                    te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie hieronder).</al><tussenkop>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun
                    rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet-
                    en regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van
                    de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die als
                    dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de
                    werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van
                    het gemeentebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de
                    loonbelasting te opteren. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                    Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de gemeente van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</tussenkop><al/><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><al/><tussenkop>Opting in regeling</tussenkop><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de
                    sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                    geen premies sociale zekerheid ingehouden. </al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook vergoedingen die
                    niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd
                    toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding
                    resteert. . Het meest duidelijke voorbeeld is de onkostenvergoeding, die aan
                    raadsleden die gekozen hebben voor ‘opting-in’ als een bruto bedrag wordt
                    verstrekt. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling ontvangen
                    een lager bedrag dat vergelijkbaar is met het netto resultaat van de bruto
                    vergoeding. </al><al>Raadsleden kunnen ook deelnemen aan de spaarloonregeling of de
                    levensloopregeling. </al><al/><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het raadslid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard regeling
                    zullen dan ook over het lagere bedrag dat zij als onkostenvergoeding ontvangen
                    belasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen
                    tonen dat de vergoeding is besteed aan onkosten voortvloeiend uit het
                    raadslidmaatschap.</al><al>Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling en de levensloopregeling. </al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden
                    opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de
                    hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel
                    of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting (zie daarvoor hieronder de
                    toelichting op artikel 3).</al><al/><tussenkop>Eénmalige keuze per zittingsperiode</tussenkop><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor
                    de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om
                    voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                    en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene
                    als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode.
                    Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                    gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                    periode.</al><al/><tussenkop>De vergoedingssystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><al/><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                    bedrijfsvoering</tussenkop><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computerapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s; </al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d. </al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden
                    vergoed.</al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de wethouder of het raadslid
                    op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan aan de
                    gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed. </al><al>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen
                    worden vergoed</al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 16 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al/><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. </al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder
                    te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele
                    uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en
                    administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent
                    de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college. In die gedragscode is ook
                    het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                    opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures beschreven over
                    de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij te hanteren verdeling
                    van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om te gaan met interpretatie- of
                    meningsverschillen. </al><al/><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het
                    raadslid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit
                    het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. In
                    artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale bedrag. De
                    gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. De afwijking naar beneden kan op drie manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op een
                            percentage tussen 80 en 100 van het door de minister vastgestelde
                            maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt uitbetaald
                            als presentiegeld. Dat deel mag maximaal 20% van de raadsvergoeding
                            zijn;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen
                    raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere raadsvergoeding geldt voor
                    alle raadsleden.Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is
                    geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het
                    indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere
                    besluitvorming nodig als in de verordening in algemene zin is aangegeven dat de
                    raadsvergoeding gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een
                    percentage daarvan. </al><al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen kunnen sinds 1 januari 2006 verzoeken
                    hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                    lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze keuzemogelijkheid
                    moet bij verordening worden toegestaan en is opgenomen in artikel 11 van deze
                    verordening.</al><al/><tussenkop>Artikelen 3 en 16 vaste onkostenvergoeding</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder c.q. aan
                    het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis van
                    de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 21, 27 en 28). De
                    onkostenvergoeding is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. </al><al>De vaste kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is
                    het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    kostenvergoeding zonder de brutering. Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen
                    onderbouwen, blijft de raadsvergoeding onbelast. Wat niet kan worden aangetoond,
                    zal alsnog worden belast bij de aangifte Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald.
                    Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 14 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Ook de
                    onkostenvergoeding kan door de raad op een lager bedrag worden bepaald, dat
                    echter niet lager mag zijn dan 80% van het door de minister vastgestelde
                    maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening in algemene
                    zin is aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister te
                    bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al/><tussenkop>Artikel 5,6 en 27 reiskosten- en verblijfskosten raads-
                    en commissieleden</tussenkop><al>De gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor woon-werk-verkeer voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet als
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel een vergoeding van de reis- en verblijfskosten voor reizen
                    buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                    gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de Gemeentewet
                    echter wel een vergoeding worden gegeven de reis- en verblijfskosten in verband
                    met reizen binnen de gemeente.</al><al>Tot 2004 werd in de rechtspositiebesluiten verwezen naar, in dit geval, de
                    Reisregeling binnenland en de Reisregeling buitenland zoals die voor de sector
                    Rijk zijn vastgesteld. Sinds 1 januari 2004 is voor wethouders de ‘Regeling
                    rechtspositie wethouders’ en voor burgemeesters de ‘Regeling rechtspositie
                    burgemeesters’ ingevoerd. De vergoedingen in deze regelingen zijn in principe
                    dezelfde als in de genoemde reisregelingen zijn opgenomen, maar de minister van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door deze specifieke regelingen
                    voor politieke ambtsdragers de mogelijkheid meer op het ambt toegespitste
                    vergoedingen vast te stellen. De huidige regelingen voor burgemeesters en
                    wethouders kennen in beginsel dezelfde bedragen als de rijksregeling. De
                    vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet
                    nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een door het college vast te stellen uitvoeringsregeling.</al><al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden geen eigen
                    vergoedingsregeling is opgenomen, is in artikel 5, tweede lid, onderdeel b,
                    aansluiting gezocht bij de vergoedingsregeling voor wethouders, die, zoals
                    gezegd, overeenkomt met de vergoedingen in de Reisregeling binnenland. Daardoor
                    wordt het aantal regelingen waarnaar verwezen zou kunnen worden, beperkt. De
                    vergoeding van noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakt verblijfkosten is ook
                    voor raads- en commissieleden een lokale aangelegenheid die kan worden
                    vastgelegd in een door de raad vast te stellen uitvoeringsregeling, waarbij
                    aansluiting gezocht kan worden bij de uitvoeringsregeling voor de
                    wethouders.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al>Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals voor het rijkspersoneel geldt . De
                    vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer (geschiedt op basis waar
                    mogelijk 1<sup>e</sup> klasse) is onbelast. De kilometervergoeding is voor €
                    0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. In het Handboek
                    loonheffingen 2007 wordt over de kilometervergoeding opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing. </tussenkop><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere deel
                    belast. </al><al/><tussenkop>Artikelen 7 en 21 Cursus, congres, seminar of
                    symposium</tussenkop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de gemeente in het
                    gemeentelijk belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan het
                    individuele raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op
                    eigen initiatief deelneemt. Partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste
                    van de gemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het
                    algemeen belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn er
                    aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het
                    congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol
                    spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter
                    de aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor raadsleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikelen 8 en 22 Computerapparatuur</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het raadslidmaatschap en het ambt van wethouder wordt
                    een zgn. Thin cliënt ter beschikbaar gesteld. Met deze voorziening is er toegang
                    tot het gemeentelijke netwerk en de gemeentelijke software applicaties,
                    waaronder de Office-toepassingen. De aanlegkosten komen ten laste van de
                    gemeente. Ervan uitgaande dat deze oplossing slechts voor zakelijk gebruik
                    toelaat behoeft geen fiscale heffing te worden toegepast. Hierover is er een
                    definitieve bevestiging verkregen door de belastingdienst. De nadere voorwaarden
                    zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die het raadslid en de wethouder met
                    de gemeente sluit. Het model van die overeenkomst is door het college
                    vastgesteld. </al><al/><tussenkop>Artikel 9 en 24 Spaarloon/levensloop</tussenkop><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de spaarloonregeling dan wel aan de levensloopregeling. Een
                    combinatie van beide is niet toegestaan. Evenmin het mogelijk een
                    ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Het gaat hier niet om een rechtspositionele
                    aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.</al><al>Het levensloopsaldo kan niet omgezet worden in verlof, omdat raadsleden noch
                    wethouders in hun politieke functie verlof kennen. Het saldo valt bij
                    beëindiging van het ambt vrij en kan worden meegenomen naar een andere
                    levensloopregeling.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                    de gemeenteraad</tussenkop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan ook een ander
                    raadslid met de waarneming van het voorzitterschap belasten. In overeenstemming
                    met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in artikel 10 van de
                    verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen
                    het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag
                    van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de vaste
                    onkostenvergoeding.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven, worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe
                    leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een
                    grote teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of bij verhoging
                    van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van artikel 12 van het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen gemeenten hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 11 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het raadslid.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Compensatie korting
                    werkloosheidsuitkering</tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het raads- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat is
                    geregeld in artikel 12 van de verordening.</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                    zwangerschap en bevalling of ziekte</tussenkop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de
                    Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de
                    vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is
                    steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16
                    weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                    nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een
                    tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een
                    periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al/><al><cursief>Artikel 15 Voorzieningen voor raadsleden met een functionele
                        beperking</cursief>. </al><al>Raadsleden met een functionele berperking zullen via de voor hen beschikbare
                    wettelijke voorzieningen aanspraak hebben op voorzieningen die het mogelijk
                    maken met behulp daarvan zo veel mogelijk deel te nemen aan het arbeidsproces en
                    het maatschappelijk leven. Met behulp van deze voorzieningen is het ook mogelijk
                    dat zij zich ook buiten de eigen woonomgeving begeven. Denk daarbij aan voor
                    personen met een auditieve beperking aan geluidsversterkende hulpmiddelen. Voor
                    personen met een lichamelijke handicap zijn bijvoorbeeld hulpmiddelen
                    beschikbaar om zich te verplaatsen. Voor hen zijn ook wettelijk verplichte
                    voorzieningen in openbare gebouwen aanwezig om hen toegang tot deze gebouwen te
                    geven. Mensen met een visuele beperking hebben de beschikking over zowel vaste
                    als meeneembare hulpapparatuur om lezen, schrijven en communiceren mogelijk te
                    maken. Desondanks kunnen raads- en commissieleden met name beperkingen bij de
                    uitoefening van het raadslidmaatschap ondervinden omdat met name
                    niet-meeneembare voorzieningen in de gemeentelijke gebouwen en in het bijzonder
                    de ruimten, waar raadsleden hun taak uitoefenen, niet beschikbaar zijn. Het gaat
                    dan om bijvoorbeeld ringleidingen of een doventolk, een vergadertafel voor een
                    raadslid met een rolstoel of met een aangepaste stoel en voor raadsleden met een
                    visuele handicap ondersteuning voor het lezen van raadstukken en enige
                    administratieve ondersteuning (post en teksten scannen en digitaliseren,
                    archiveren en bestanden maken). Sommige van deze voorzieningen zijn vaak wel op
                    de werkplek beschikbaar, maar niet in de vergaderruimte van de raad.</al><al/><al>Voor zover de raadsleden gebruik maken van het openbaar vervoer kan de situatie
                    zich voordoen dat na afloop van de avondvergadering nauwelijks nog openbaar
                    vervoer beschikbaar is. In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    zijn daarvoor geen voorzieningen opgenomen. Ook de onkostenvergoeding is
                    ontoereikend om vervoer of persoonlijke ondersteuning te bekostigen. Een
                    aanvraag bij het UWV is niet mogelijk, omdat het raadslid geen werknemer is van
                    de gemeente Amstelveen en ook de WMO biedt onvoldoende mogelijkheden.</al><al>Artikel 99 lid 2 Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om bij verordening
                    vervoers- en intermediaire voorzieningen die niet meeneembaar zijn en
                    noodzakelijke persoonlijke ondersteuning ter beschikking te stellen. Het mogen
                    dan geen geldelijke vergoedingen of tegemoetkomingen zijn, maar voorzieningen en
                    verstrekkingen die rechtstreeks ten laste komen van de gemeente Amstelveen. De
                    raad treft deze voorzieningen bij verordening die de goedkeuring behoeft van de
                    gedeputeerde staten. Voor dit artikel van de verordening op basis van artikel
                    99, tweede lid is aansluiting gezocht bij artikel 35 van de Wet werk en inkomen
                    naar arbeidsvermogen (WIA).</al><al>In het eerste lid van artikel 15 is bepaald dat het college
                    de gewenste voorziening beoordeelt en toekent. De reden daarvan is met name
                    gelegen in het feit dat in artikel 160 van de Gemeentewet is bepaald dat alleen
                    het college bevoegd is te besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen.
                    Het sluiten van contracten met bijvoorbeeld een vervoerder behoort daartoe
                    respectievelijk het treffen van gebouweljike voorzieningen of de aanschaf van
                    meubilair. Het college kan ter beantwoording van de vraag of sprake is van een
                    structurele functionele beperking aansluiting zoeken bij het oordeel van het UWV
                    op grond waarvan het raadslid voor zijn beroepsmatig of anderszins uit te
                    oefenen activiteit al aanspraak heeft op wettelijke voorzieningen.</al><al>Het tweede lid van artikel 15 bevat een algemene opsomming van de voorzieningen
                    die beschikbaar kunnen worden gesteld. Het ligt voor de hand dat bijvoorbeeld
                    het beschikbaar stellen van vervoersvoorzieningen alleen noodzakelijk is wanneer
                    wanneer de normale voorzieningen redelijkerwijs niet meer beschikbaar zijn.Het
                    derde lid van artikel 15 bepaalt dat het niet mogelijk is via deze weg
                    voorzieningen beschikbaar te stellen die via andere wettelijke mogelijkheden
                    verkrijgbaar zijn. Het is niet de bedoeling dat de gemeente algemeen bruikbare
                    voorzieningen gaat verstrekken waar het betrokken raadslid op grond van andere
                    wettelijke regelingen voor zijn reguliere werk of voor deelname aan andere
                    maatschappelijke activiteiten ook al een voorziening kan krijgen. De voorziening
                    moet specifiek gericht zijn op deelname aan het raadswerk.</al><al/><tussenkop>Artikelen 17 en 18 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                    reiskosten</tussenkop><al>Voor wethouders is in artikel 17 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders. Bij
                    gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding in 2007 € 0,14 per
                    afgelegde kilometer. </al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer (geschiedt op basis waar mogelijk 1<sup>e</sup> klasse) of met
                    een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid gemaakt) en indien gemaakt met
                    de eigen personenauto in 2007 € 0,28 per afgelegde kilometer. De
                    kilometervergoeding is, voor zover die meer bedraagt dan € 0,19, belast. </al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal € 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. In het
                    Handboek loonheffingen 2007 (§ 18.5.3) wordt over de kilometervergoeding
                    opgemerkt:</al><tussenkop>Vergoedingen voor reiskosten die u naast de € 0,19 per kilometer betaalt,
                    zijn ook loon. Dat zijn bijvoorbeeld vergoedingen voor parkeer- en tolgelden,
                    voor (extra) afschrijving en slijtage aan de auto, voor het inbouwen van een
                    carkit of navigatiesysteem, voor extra benzineverbruik wegens gebruik van een
                    aanhangwagen of voor schade aan de auto. Vergoedingen voor parkeer-, veer- en
                    tolgelden en voor overeenkomstige verstrekkingen vallen onder de eindheffing. </tussenkop><al>De fiscus staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden
                    te salderen.</al><al>Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding voor
                    dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal € 0,19 per kilometer een verstrekte lagere vergoeding
                    dan € 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                    salderingsmogelijkheid moet wel in een formele vergoedingsregeling zijn
                    vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 18, tweede lid. Indien voor het
                    gemeentelijk personeel een salderingsregeling geldt wordt daarbij aangesloten.
                    Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt in ieder geval de
                    salderingsregeling voor het rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld wordt
                    toegelicht wat het vorenstaande betekent voor het salderen en de berekening van
                    de loonheffing over het bovenmatig deel van reiskostenvergoedingen.</al><al/><tussenkop>Voorbeeld</tussenkop><al>Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van zijn werkgever een
                    reiskostenvergoeding van in totaal € 2.240 bestaande uit:</al><lijst><li nr="-"><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x € 0,14 = € 1.400
                            en</al></li><li nr="-"><al>een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x € 0,28 = €
                            840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding € 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000 =
                    gemiddelde vergoeding per km van € 0,17 per kilometer. Na saldering blijft de
                    vergoeding onder de € 0,19 per km waardoor de totale reisvergoeding onbelast
                    blijft. Indien de werkgever het “bovenmatige’ gedeelte van € 0,09 van de
                    dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km x € 0,09 = € 270)
                    mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen: € 270. </al><al>Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd. Kilometers die
                    betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een vergoeding in
                    geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn afgelegd zonder dat
                    sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de betrokkene daarvoor
                    een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de saldering worden
                    betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het bovenmatig deel
                    dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening met de fiscus op
                    basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak, maar dient
                    uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe kalenderjaar.
                    Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of heel
                    kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend. In
                    verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze van
                    voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het bovenmatig
                    deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen dient te
                    worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers, vermeerderd
                    met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers. </al><al/><tussenkop>Artikel 19 Dienstauto</tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan wethouders. De
                    dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In dat geval vindt
                    wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten woon/werk. De
                    dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie.
                    De eventueel uit hoofde van die nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten
                    ter zake wordt in dat geval in de gemeentelijke kas gestort. De dienstauto is
                    niet beschikbaar voor privé-gebruik.</al><al>Fiscaal gezien moet het begrip privé-gebruik ruim worden opgevat. Het gebruik
                    van de dienstauto voor een nevenactiviteit die weliswaar wordt uitgeoefend
                    vanwege de vervulling van het politieke ambt, wordt aangemerkt als
                    privé-gebruik. Bijwonen van bijvoorbeeld vergaderingen van de VNG behoort tot
                    het privégebruik. Dit gebruik is slechts tot 150 km per jaar onbelast. Daarboven
                    wordt het privé-gebruik aangemerkt als loon in natura en is om die reden
                    belast.</al><al/><tussenkop>Artikelen 20 en 28 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de wethouder
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn nadere gedragsregels
                    vastgesteld. Daarbij gaat het om expliciete besluitvorming in het college over
                    buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden. </al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                    inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren van
                    een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van wethouders geldt mutaties ook voor buitenlandse excursies en
                    reizen van de gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 mobiele telefoon</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2007 zijn de vergoedingen of verstrekkingen van een
                    mobiele telefoon geheel onbelast als het zakelijk gebruik meer dan 10%
                    bedraagt.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component telefoonkosten opgenomen. Voor
                    deeltijdwethouders is dat 12% van de onkostenvergoeding en voor voltijd
                    wethouders 9%. Bij het verstrekken van een mobiele telefoon kan sprake zijn van
                    overbedeling. De component telefoonkosten kan om die reden verminderd worden.
                    Anderzijds is ook bij wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor
                    zakelijke doeleinden. Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijk bruto een
                    bedrag van € 25,-. Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component
                    telefoonkosten wordt gekort, deze korting tot een bedrag van € 25,- per maand
                    van de bruto onkostenvergoeding achterwege te laten.</al><al/><tussenkop>Artikel 24
                    Spaarloonregeling/levensloopregeling</tussenkop><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruik maken van de
                    spaarloonregeling dan wel de levensloopregeling. Wanneer de wethouder gebruik
                    maakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlof kennen, is het slechts mogelijk
                    dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap wordt
                    meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens plaatsvindt. </al><al/><tussenkop>Artikel 25 Reis- en pensionkosten en
                    verhuiskosten</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 24 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al/><tussenkop>Artikel 26 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    gemeentelijk belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij
                    gemeentelijke verordening bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en
                    Koninkrijkrelaties stelt jaarlijks per 1 januari het maximum vast zoals dat is
                    herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. In artikel 26,
                    eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de vergoeding te bepalen op het
                    door de minister vastgestelde maximum. De raad kan ook een lager bedrag
                    vaststellen. </al><al/><tussenkop>Artikelen 31 en 32 De procedure van
                    declaratie</tussenkop><al>In de artikelen 31 en 32 is aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze
                    aan de orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. </al><al>Declaratie van vooruitbetaalde kosten</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikelen 33 t/m 35 Citeertitel en
                    inwerkingtreding</tussenkop><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot en met het aantreden van de nieuwe gemeenteraad. In de meeste
                    gemeenten echter zijn de wethouders pas later benoemd. Ter voorkoming van
                    overgangsbepalingen voor de oude wethouders is gekozen voor intrekking van de
                    oude verordening. Deze intrekking vindt echter pas plaats op het moment van het
                    van kracht worden van de nieuwe verordening. De oude bepalingen hebben daardoor
                    nog steeds werking gehad tot en met het moment van aftreden van de wethouders
                    uit het oude college.</al><al>Bij de inwerkingtreding kan er voor worden gekozen deze bepalingen terugwerkende
                    kracht te verlenen tot het moment dat de nieuwe gemeenteraad werd beëdigd
                    respectievelijk de nieuwe wethouders zijn benoemd en beëdigd. Aangezien in de
                    meeste gemeenten de beëdiging van de nieuwe raad en de nieuwe wethouder niet in
                    dezelfde raadsvergadering heeft plaatsgevonden, is gekozen voor een
                    driedeling:</al><lijst><li nr="-"><al>inwerkingtreding voor de raads- en commissieleden met terugwerkende
                            kracht tot en met 16 maart 2006;</al></li><li nr="-"><al>inwerkingtreding voor de nieuwe wethouders met terugwerkende kracht tot
                            en met de dag van hun beëdiging. Voor deze formulering is gekozen zodat
                            voor de aftredende wethouders die op dezelfde dag van rechtswege zijn
                            ontslagen als hun opvolgers de benoeming hebben aangenomen, de oude
                            bepalingen van kracht blijven;</al></li><li nr="-"><al>om dezelfde reden is een splitsing gemaakt voor de inwerkingtreding van
                            hoofdstuk V over de procedure van declaratie.</al></li></lijst><al>Terugwerkende kracht is alleen toegestaan wanneer de nieuwe aanspraken geen
                    verslechtering inhouden van de op dat moment vigerende verordening. De nieuwe
                    verordening kent geen verslechteringen, ook niet ten aanzien van de bepalingen
                    over de computer. Immers de bepalingen daaromtrent uit de vorige verordening
                    zijn van rechtswege buiten toepassing mede als gevolg van de terugwerkende
                    kracht die is verleend aan de wijziging van de grondslag voor artikel 27a uit
                    het Rechtspositiebesluit wethouders en artikel 7a uit het Rechtspositiebesluit
                    raads- en commissieleden (Stb. 2006, 8).</al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die gehanteerde
                    benaming is gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening
                    rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>