<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74366_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Barneveld</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Barneveld Vandaag, 22-12-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening werk en bijstand</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-05-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening bij benadering</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nr: …</al><al>De raad van de gemeente Barneveld;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders Barneveld d.d. …</al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en op artikelen 8 en 8a van de Wet
                        werk en bijstand;</al><al>besluit :</al><al>vast te stellen de Verordening tot wijziging van de Verordening werk en
                        bijstand 2010.</al><al>a. op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel a en
                        artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Wet werk en bijstand verplicht is
                        om regels te stellen voor de ondersteuning in de arbeidsinschakeling en het
                        aanbieden van voorzieningen daarvoor (re-integratie);</al><al>b. op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel b en
                        artikel 18 van de Wet werk</al><al>en bijstand verplicht is om regels te stellen voor de afstemming van de
                        bijstand indien een bijstandsgerechtigde naar het oordeel van het college
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening
                        in het bestaan dan wel de uit de Wet werk en bijstand en de Wet structuur
                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of
                        onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
                        ernstig misdragen (afstemming);</al><al>c. op grond van artikel 8 lid 1 onder c en artikel 30, lid 1 van de Wet werk
                        en bijstand dient vast te stellen voor welke categorieën de norm wordt
                        verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
                        verhoging of verlaging wordt bepaald (toeslagen en verlagingen);</al><al>d. op grond van het bepaalde in artikel 8a van de Wet werk en bijstand
                        verplicht is om regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van bijstand alsmede bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                        gebruik van de wet (handhaving).</al><al>BESLUIT :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening werk en bijstand 2010:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>1. Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>2. Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. wet: de Wet werk en bijstand;</al><al>b. college: het college van burgemeester en wethouders van
                            Barneveld;</al><al>c. belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                            betrokken; indien het een gezin betreft wordt onder belanghebbende elk
                            van de gezinsleden verstaan</al><al>d. uitkeringsgerechtigde: degene die algemene bijstand ontvangt op grond
                            van de wet;</al><al>e. bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan en/of bijzondere bijstand;</al><al>f. UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al><al>g. WSW: Wet sociale Werkvoorziening;</al><al>h. Wet SUWI: Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;</al><al>i. Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 2 RE-iNTEGRATIE</titel></kop><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 1 algemene BEPALINGEN over re-integratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Begripsomschrijvingen re-integratie</titel></kop><al>1. Onder uitkeringsgerechtigde wordt in dit hoofdstuk mede verstaan
                                degene die een uitkering ontvangt op grond van het Besluit
                                bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004);</al><al>2. In dit hoofdstuk wordt verder verstaan onder:</al><al>a. niet-uitkeringsgerechtigde (nugger): de persoon bedoeld in
                                artikel 6 eerste lid onder a van de wet;</al><al>b. anw-er: personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op
                                grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw);</al><al>c. algemeen geaccepteerde arbeid: iedere vorm van betaalde arbeid,
                                niet zijnde werk in de Wsw en werk dat gewetensbezwaren oproept dan
                                wel in strijd met de zeden dan wel illegaal is;</al><al>d. voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                onder a van de wet;</al><al>e. ondersteuning: ondersteuning als bedoeld in artikel 7 eerste lid
                                onder a van de wet;</al><al>f. traject: een aaneenschakeling van
                                re-integratie-instrumenten;</al><al>g. re-integratie-instrumenten: de instrumenten die het college ter
                                beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in
                                artikel 7 van de wet;</al><al>h. arbeidsinschakeling: arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel
                                6 eerste lid onder b van de wet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Doelgroep</titel></kop><al>Tot de doelgroep van dit hoofdstuk behoren uitkeringsgerechtigden,
                                personen met een uitkering verstrekt door het UWV die binnen 2
                                maanden de volledige uitkeringsduur bereiken en aansluitend
                                aanspraak hebben op bijstand, personen die op de wachtlijst staan
                                als bedoeld in artikel 12 van de WSW, Anw-ers, nuggers, alsmede
                                personen bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, in de
                                leeftijd van 18 tot 65 jaar die woonachtig zijn in de gemeente
                                Barneveld volgens artikel 40, eerste lid van de wet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Opdracht aan het college</titel></kop><al>1. Het college biedt aan personen die behoren tot de doelgroep
                                ondersteuning aan bij de</al><al>arbeidsinschakeling en, voor zover het college dit noodzakelijk
                                acht, biedt het college een</al><al>voorziening aan gericht op die arbeidsinschakeling.</al><al>2. De ondersteuning is gericht op de kortste weg naar duurzame
                                reguliere arbeid. Indien het</al><al>verkrijgen van reguliere arbeid voorlopig niet haalbaar wordt
                                geacht, is de ondersteuning gericht op zelfstandige maatschappelijke
                                participatie ter voorbereiding op een feitelijk
                                re-integratietraject, gericht op arbeidsinschakeling of gericht op
                                het voorkomen van sociaal isolement.</al><al>3. Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                aan ondersteuning en voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Inzet van de ondersteuning</titel></kop><al>1. Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een
                                traject, waarbij zonodig re-integratie-instrumenten kunnen worden
                                ingezet.</al><al>2. Bij de inzet van re-integratie-instrumenten wordt gekozen voor
                                dat instrument dat beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is
                                voor het doel dat beoogd wordt.</al><al>3. Re-integratie-instrumenten die gericht zijn op de
                                arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het
                                vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al><al>4. Het college weigert de inzet van een voorziening indien de
                                persoon uit de doelgroep</al><al>aanspraak kan maken of beroep kan doen op een voorziening buiten de
                                wet om die naar</al><al>het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan de
                                arbeidsinschakeling.</al><al>5. Het besluit van het college een voorziening aan te bieden dan wel
                                een voorziening te</al><al>weigeren wordt vastgelegd in een beschikking.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Onderzoek</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van een persoon voor wie een voorziening
                                wordt ingezet of voor wie een voorziening wordt overwogen een
                                onderzoek (laten) instellen naar de mogelijkheden van de persoon in
                                verband met arbeidsinschakeling en deelname aan voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Verplichtingen van belanghebbende</titel></kop><al>1. Onverminderd andere verplichtingen die voortvloeien uit wet of
                                regelgeving gelden voor</al><al>personen uit de doelgroep de volgende verplichtingen:</al><al>a. naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen;</al><al>b. ervoor te zorgen dat hij als werkzoekende geregistreerd is bij
                                het UWV en geregistreerd blijft, indien hem daartoe het recht
                                toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet SUWI;</al><al>c. algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al><al>d. na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al><al>e. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening,
                                waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar
                                zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al><al>f het meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een
                                plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet;</al><al>g. medewerking te verlenen aan begeleiding en controle van
                                ziekteverzuim;</al><al>h. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                                maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten.</al><al>2. Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die
                                voortvloeien uit de wet en deze</al><al>verordening, aan een voorziening nadere verplichtingen verbinden.
                                Het college neemt deze</al><al>verplichtingen op in de beschikking als bedoeld in artikel 5, vijfde
                                lid.</al><al>3. Het college kan aan de uitkeringsgerechtigde ontheffing geven van
                                een of meer verplichtingen genoemd in het eerste lid.</al><al>4. Bij beleidsregels stelt het college nadere regels vast omtrent
                                het derde lid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Handhaving</titel></kop><al>1. Indien een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 1 tweede
                                lid onder d en artikel 2 eerste lid , die deelneemt aan een
                                voorziening, niet voldoet aan het gestelde in 9 eerste lid van de
                                wet en artikel 7, kan het college de uitkering verlagen conform
                                hetgeen hierover is bepaald in hoofdstuk 3 van deze
                                verordening.</al><al>2. Indien de belanghebbende, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde
                                als bedoeld in artikel 1 tweede lid onder d en artikel 2 eerste lid
                                , die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het
                                gestelde in artikel 9 van de wet en artikel 7, kan het college de
                                kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk
                                terugvorderen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Beleidsplan</titel></kop><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                beleidsplan vaststellen, waarin beleidsprioriteiten worden
                                aangegeven, alsmede de hoogte en wijze van financiering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>1. Het college kan een voorziening beëindigen:</al><al>a. indien de belanghebbende die aan de voorziening deelneemt zijn
                                verplichting als bedoeld in de artikelen 9, 17, 55 van de wet niet
                                nakomt;</al><al>b. indien de belanghebbende die deelneemt niet meer behoort tot de
                                doelgroep;</al><al>c. indien de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt,
                                waarbij niet volledig gebruik wordt gemaakt van deze
                                voorziening;</al><al>d. indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.</al><al>2. Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de
                                voorzieningen, bedoeld in de artikelen 10 tot en met 24, nadere
                                regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Zelfstandig ondernemerschap</titel></kop><al>Indien de belanghebbende voornemens is een zelfstandig bedrijf te
                                starten kan het college voorzieningen</al><al>welke daarop gericht zijn verlenen, voor zover de plannen naar het
                                oordeel van het college een redelijke</al><al>kans van slagen hebben.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Re-integratie niet-uitkeringsgerechtigden</titel></kop><al>1. Belanghebbenden als bedoeld in artikel 6 eerste lid onder a van
                                de wet die tot de doelgroep van dit hoofdstuk behoren kunnen gebruik
                                maken van een re-integratietraject</al><al>2. Voor de noodzakelijke kosten van de re-integratie wordt aan
                                belanghebbenden als bedoeld in artikel 6 eerste lid onder a van de
                                wet een renteloze lening verstrekt.</al><al>3. Bij uitvoeringsbesluit stelt het college nadere regels vast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12a Tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><al>1. Het college kan in verband met de invulling en uitvoering van de
                                tegenprestatie naar vermogen afspraken maken met derden, waaronder
                                werkgevers en vrijwilligersorganisaties.</al><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit regels vaststellen over de
                                invulling en uitvoering van de tegenprestatie naar vermogen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 2 RE-iNTEGRATIEVOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13 Sociale activering en arbeidsactivering</titel></kop><al>1. Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep als
                                onderdeel van een re-integratietraject activiteiten aanbieden in het
                                kader van sociale activering en arbeidsactivering.</al><al>2. Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van
                                maatschappelijk nuttige activiteiten ter</al><al>voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling of
                                gericht op het voorkomen van sociaal isolement.</al><al>3. Onder arbeidsactivering wordt verstaan een traject van in
                                principe maximaal twee jaar met inzet van zo min mogelijk middelen,
                                gericht op een duurzame inzet op de reguliere arbeidsmarkt waarbij
                                rekening wordt gehouden met de ontwikkeling op de reguliere
                                arbeidsmarkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Algemene bepalingen over ondersteuning en
                                voorzieningen</titel></kop><al>1. Ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bestaan uit
                                praktische hulp, advies,</al><al>doorverwijzing naar andere organisaties of uit het aanbieden van één
                                of meerdere</al><al>voorzieningen die gelijktijdig of achtereenvolgend ingezet kunnen
                                worden.</al><al>2. Het college kan in ieder geval de volgende voorzieningen
                                aanbieden:</al><al>a. werkstages</al><al>b. detacheringsbanen</al><al>c. loonkostensubsidies</al><al>d. scholing</al><al>e. inkomensvrijlating</al><al>f. premies</al><al>g. Work First</al><al>h. voorzieningen gericht op nazorg</al><al>i. schuldhulpverlening</al><al>j. overige voorzieningen</al><al>3. In afwijking van het tweede lid, worden de volgende voorzieningen
                                niet ingezet voor de belanghebbende die jonger is dan 27 jaar:</al><al>a. onbeloonde additionele arbeid;</al><al>b. premies voor werkaanvaarding of scholing;</al><al>c. vrijlating van inkomsten, en</al><al>d. onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Werkstages</titel></kop><al>1. Het college kan personen die behoren tot de doelgroep een
                                werkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>2. Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel
                                het leren functioneren in een</al><al>arbeidsrelatie.</al><al>3. Het college plaatst de belanghebbende alleen indien door zijn
                                plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing
                                plaatsvindt.</al><al>4. In een schriftelijke overeenkomst wordt tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Detacheringsbanen</titel></kop><al>1. Het college kan personen die behoren tot de doelgroep een
                                dienstverband voor in principe maximaal twee jaar aanbieden, gericht
                                op arbeidsinschakeling. Dit dienstverband wordt alleen aangeboden
                                indien het bijdraagt aan de toeleiding van de uitkeringsgerechtigde
                                naar de reguliere arbeidsmarkt.</al><al>2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie.</al><al>3. Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing
                                de concurrentieverhoudingen niet</al><al>onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen
                                verdringing plaatsvindt.</al><al>4. De inleenvergoeding wordt afgestemd op de
                                productiviteit/loonwaarde van de gedetacheerde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Loonkostensubsidies gericht op re-integratie</titel></kop><al>1. Het college kan tijdelijke en aflopende subsidies verstrekken aan
                                werkgevers die met personen die behoren tot de doelgroep een
                                arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling, waarbij
                                de hoogte van de subsidie mede wordt bepaald op basis van de
                                productiviteit/loonwaarde van de belanghebbende;</al><al>2. Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van
                                de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de
                                subsidie worden verbonden.</al><al>3. Minimaal eenmaal per jaar wordt in overleg met de werknemer en de
                                werkgever bezien welke</al><al>mogelijkheden er voor de werknemer zijn voor
                                arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Scholing</titel></kop><al>1. Het college kan personen die behoren tot de doelgroep een
                                vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling of
                                maatschappelijke participatie.</al><al>2. Voor zover de belanghebbende conform artikel 10a van de wet
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden verricht, en niet beschikt
                                    over een startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van
                                    die werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing
                                    of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op
                                    inschakeling in het arbeidsproces.</al><al>3. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de
                                    doelgroepen, de vorm van scholing en de voorwaarden waaraan
                                    scholing moet voldoen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Work First</titel></kop><al>Het college kan de personen die behoren tot de doelgroep die
                                    geen afstand tot de arbeidsmarkt heeft en</al><al>bij de re-integratieconsulent in een bemiddeling zit, de tijd
                                    tot het aanvaarden van een reguliere baan</al><al>maatschappelijk nuttig te laten vervullen. De duur van de
                                    activiteiten bedragen minimaal 1 week en</al><al>maximaal 3 maanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Premies</titel></kop><al>1. Het college kan aan uitkeringsgerechtigden een premie activering,
                                een premie deeltijdwerk en een werkaanvaardingspremie
                                toekennen.</al><al>2. Het college verstrekt een premie activering aan de
                                uitkeringsgerechtigde die conform artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verrichten.</al><al>3. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de
                                doelgroepen, de hoogte van de premies en de verdere
                                voorwaarden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Inkomstenvrijlating</titel></kop><al>In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in
                                artikel 31 tweede lid onder o van de wet, is sprake van een
                                vrijlating die bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan een belanghebbende die algemeen geaccepteerde
                                arbeid heeft aanvaard,</al><al>voorzieningen bieden gericht op nazorg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Schuldhulpverlening</titel></kop><al>1. Het college kan aan personen die behoren tot de doelgroep voor
                                wie een voorziening wordt ingezet, schuldhulpverlening aanbieden als
                                dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor de
                                re-integratie.</al><al>2 De in het eerste lid bedoelde personen zijn verplicht mee te
                                werken aan een door het college aangeboden
                                schuldhulpverleningstraject.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Overige vergoedingen</titel></kop><al>1. Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die
                                gemaakt zijn in het kader van de</al><al>re-integratie.</al><al>2. Geen aanspraak op de in het eerste lid genoemde vergoeding
                                bestaat indien een beroep gedaan kan worden op een voorliggende
                                voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht voor de
                                belanghebbende toereikend en passend te zijn.</al><al>3. Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de vorm, de
                                hoogte van de vergoeding en de verdere voorwaarden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 3 AFSTEMMING</titel></kop><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 1 algemene bepalingen over afstemming</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25 Begripsomschrijvingen afstemming</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a. afstemming: het verlagen van de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag op grond van</al><al>artikel 18, tweede lid, van de wet;</al><al>b. bijstandsuitkering: de norm als bedoeld in paragraaf 3.2 van de
                                wet, verhoogd of verlaagd</al><al>conform Hoofdstuk 4 Toeslagen en verlagingen. Voor zelfstandigen van
                                18 tot 27 jaar die een Bbz-uitkering ontvangen of hebben ontvangen
                                wordt onder ‘bijstandsuitkering’ verstaan de uitkering die op grond
                                van artikel 78f, tweede lid, van de wet op hen van toepassing
                                is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Het verlagen van de bijstandsuitkering</titel></kop><al>1. Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet SUWI
                                voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder
                                begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt
                                de bijstandsuitkering overeenkomstig deze verordening verlaagd.</al><al>2. De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al><al>3. Het college kan de verlaging in afwijking van de bepalingen van
                                deze verordening hoger of lager vaststellen als de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                                omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>1. De verlaging wordt toegepast op de bijstandsuitkering.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien:</al><al>a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                toepassing van artikel 12 van de wet of,</al><al>b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                recht op bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag, daartoe
                                aanleiding geeft.</al><al>3. Het college stelt de duur en het percentage vast waarmee de
                                bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag wordt verlaagd.</al><al>4. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor het levensonderhoud krachtens het Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Het besluit tot afstemming</titel></kop><al>In het besluit tot afstemming worden in ieder geval vermeld: de
                                reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage
                                waarmee de bijstandsuitkering wordt verlaagd en - indien van
                                toepassing – de reden om af te wijken van een standaardverlaging als
                                bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Horen van belanghebbende</titel></kop><al>1. Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende in
                                de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al><al>2. Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><al>a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al><al>b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al><al>c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                college of van een derde aan wie het college met toepassing van
                                artikel 7 vijfde lid van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet;</al><al>d. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                                ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; of</al><al>e. de verlaging wordt toegepast wegens zeer ernstige misdragingen
                                als bedoeld in artikel 39 eerste lid.</al><al>3. De belanghebbende die in aanmerking komt voor een afstemming als
                                bedoeld in artikel 39 tweede lid is niet langer verplicht terzake
                                van die gedraging enige verklaring af te leggen, voor zover het de
                                afstemming betreft. De belanghebbende wordt hiervan in kennis
                                gesteld voordat hem mondeling om informatie wordt gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Afzien van verlaging van de bijstandsuitkering</titel></kop><al>1. Het college ziet af van verlaging van de bijstandsuitkering
                                indien:</al><al>a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al><al>b. de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                gedraging door het college heeft</al><al>plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten
                                onrechte bijstand is verleend. Verlaging van de bijstandsuitkering
                                wegens schending van de inlichtingenplicht vindt niet plaats na
                                verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                plaatsgevonden.</al><al>2. Het college kan van verlaging van de bijstandsuitkering afzien
                                indien zij daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al><al>3. Indien het college afziet van verlaging van de bijstandsuitkering
                                op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al><al>4. Van verlaging van de bijstandsuitkering kan het college afzien en
                                volstaan met het geven van een</al><al>schriftelijke waarschuwing indien de gedraging niet heeft geleid tot
                                het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand,
                                tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting
                                plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de
                                datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing is gegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald wordt de verlaging
                                toegepast met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot verlaging van de
                                bijstandsuitkering aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij
                                wordt uitgegaan van de geldende bijstandsnorm ten tijde van de
                                gedraging.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de geldende bijstandsnorm ten tijde van de
                                gedraging.</al><al>3. In afwijking van het eerste lid kan de verlaging, voor zover het
                                zelfstandigen betreft die een uitkering voor het levensonderhoud in
                                de vorm van een geldlening op grond van het Bbz hebben ontvangen,
                                met terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al><al>4. Indien de verlaging als gevolg van beëindiging van de uitkering
                                niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 31,
                                eerste en tweede lid van deze verordening, kan de afstemming bij
                                wijze van herziening worden opgelegd over de bijstand welke
                                belanghebbende heeft ontvangen gedurende, en aansluitend op, de
                                periode dat belanghebbende afstemmingswaardig gedrag heeft vertoond.
                                Het bedrag dat als gevolg van de herziening van het recht op
                                bijstand teveel is betaald, kan van belanghebbende worden
                                teruggevorderd.</al><al>5. Een verlaging wordt voor een bepaalde tijd toegepast of totdat de
                                belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld. Een verlaging die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd door het
                                college heroverwogen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                                als genoemd in artikel 26, eerste lid inhouden, verlaagt het college
                                de bijstand:</al><al>a. met het hoogste percentage dat bij de afzonderlijke gedraging
                                hoort, indien er een rechtstreeks verband tussen de gedragingen
                                is;</al><al>b. met het percentage dat de som is van de percentages behorend bij
                                de verschillende gedragingen, indien de gedragingen los staan van
                                elkaar.</al><al>2. De bijstand kan niet met meer dan 100 procent per maand worden
                                verlaagd. Indien de som van de percentages van de verlaging meer dan
                                100 procent bedraagt, wordt de bijstandsuitkering van de volgende
                                maand verlaagd met het restant van het percentage van de
                                verlaging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 (Herhaalde) Recidive</titel></kop><al>1. Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit tot verlaging van de
                                bijstandsuitkering, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                gedraging van dezelfde of hogere categorie, dan wel van een
                                gedraging als omschreven in paragraaf 3 en 4, wordt de duur van de
                                verlaging verdubbeld. Met een besluit waarmee een verlaging is
                                toegepast wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 30, tweede lid of
                                het geven van een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel
                                30 vierde lid.</al><al>2. Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit tot verlaging van de
                                bijstandsuitkering, waarbij het eerste lid van dit artikel is
                                toegepast, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde of hogere categorie, duurt de verlaging totdat de
                                belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 2 GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET
                            VERKRIJGEN OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 34 Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond
                                van artikel 9 van de</al><al>wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de
                                volgende categorieën:</al><al>1. Eerste categorie:</al><al>a. het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;</al><al>b. het niet ondertekenen of het niet aan het college verstrekken van
                                het ondertekende trajectplan;</al><al>2. Tweede categorie:</al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen of te aanvaarden;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan begeleiding en
                                controle van ziekteverzuim.</al><al>3. Derde categorie:</al><al>a. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het
                                college aangeboden voorziening en het niet of in onvoldoende mate
                                meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                arbeidsinschakeling en deelname aan voorzieningen;</al><al>c. het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van
                                een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de wet.</al><al>4. Vierde categorie:</al><al>a. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al><al>b. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Onverminderd artikel 26, tweede lid, wordt de verlaging vastgesteld
                                op:</al><al>a. tien procent van de bijstandsuitkering gedurende twee maanden bij
                                gedragingen van de eerste categorie;</al><al>b. twintig procent van de bijstandsuitkering gedurende twee maanden
                                bij gedragingen van de tweede categorie;</al><al>c. veertig procent van de bijstandsuitkering gedurende twee maanden
                                bij gedragingen van de derde categorie;</al><al>d. honderd procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij
                                gedragingen van de vierde categorie.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 3 NIET NAKOMEN VAN DE INLICHTINGENPLICHT</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 36 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                met gevolgen voor de bijstand of re-integratiemiddelen</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 38,
                                tweede lid van het Bbz heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                                te hoog bedrag verlenen van bijstand of het inzetten van
                                re-integratiemiddelen, vindt verlaging plaats.</al><al>2. Onverminderd artikel 26, tweede en derde lid, wordt de verlaging
                                op de volgende wijze vastgesteld:</al><al>a. tien procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij
                                een benadelingsbedrag tot</al><al>€ 2.000,-;</al><al>b. twintig procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand bij
                                een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-;</al><al>c. twintig procent van de bijstandsuitkering gedurende twee maanden
                                bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 8.000,-;</al><al>d. veertig procent van de bijstandsuitkering gedurende drie maanden
                                bij een benadelingsbedrag van € 8.000,- of meer,-.</al><al>3. Van een afstemming wordt afgezien:</al><al>a. zodra terzake van de gedraging strafvervolging is ingesteld en
                                het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen;</al><al>b. zodra het recht tot strafvervolging is vervallen, doordat het
                                Openbaar Ministerie een schikking met belanghebbende heeft
                                getroffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                zonder gevolgen voor de bijstand of re-integratiemiddelen</titel></kop><al>1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 38,
                                tweede lid van het Bbz niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot
                                een te hoog bedrag verlenen van bijstand of het inzetten van
                                re-integratiemiddelen, bedraagt de verlaging, onverminderd artikel
                                26, tweede lid, en artikel 27, derde lid, 5 procent van de
                                bijstandsuitkering gedurende één maand.</al><al>2. Er is in ieder geval sprake van het niet behoorlijk nakomen van
                                de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet of
                                artikel 38, tweede lid van het Bbz, wanneer wijzigingen niet binnen
                                7 dagen worden doorgegeven door middel van het
                                mutatieformulier.</al><al>3. Van het toepassen van de verlaging bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 4 OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 38 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende voorafgaand aan of tijdens de
                                bijstandsverlening een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt
                                afhankelijk van de omstandigheden een verlaging toegepast van
                                maximaal 100 procent van de bijstandsuitkering gedurende één
                                maand.</al><al>2. Onder ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan’ wordt in ieder geval begrepen het op
                                onverantwoorde wijze besteden van vermogen, ontslagname of door
                                eigen toedoen ontslagen worden, het niet tijdig aanvragen van een
                                voorliggende voorziening, het onvoldoende solliciteren voorafgaand
                                aan de bijstandsverlening, het doen van een schenking, voorafgaand
                                aan of tijdens de bijstandsverlening, voorzover bijstandsverlening
                                redelijkerwijs was te voorzien en het niet of onvoldoende verzekerd
                                zijn tegen gebruikelijke risico’s, zoals brand, ziekte of wettelijke
                                aansprakelijkheid.</al><al>3. Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de</al><al>voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid, van de</al><al>wet, in die zin dat het toegestane verblijf in het buitenland door
                                belanghebbende is overschreden, wordt een verlaging toegepast van 10
                                procent van de bijstandsuitkering, gedurende een maand voor elke
                                week of deel van een week, waarmee het toegestane verblijf in het
                                buitenland door belanghebbende is overschreden, met een maximum van
                                3 maanden bij de eerste overschrijding in een kalenderjaar. Bij een
                                tweede overschrijding binnen een kalenderjaar kan de duur of de
                                hoogte van de toe te passen afstemming worden verdubbeld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38a Plicht tot tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende niet of onvoldoende bereid is de door het
                                college opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden
                                te verrichten wordt een verlaging toegepast van 20% van de
                                bijstandsuitkering voor de duur van twee maanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                het college of zijn ambtenaren of de personen die werken in opdracht
                                van het college, onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                                houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 26, tweede lid, de
                                bijstanduitkering verlaagd met 100 procent gedurende een maand.</al><al>2. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                het college of zijn ambtenaren of de personen die werken in opdracht
                                van het college, onder omstandigheden die
                                    <onderstreept>geen</onderstreept> rechtstreeks verband houden
                                met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid
                                van de wet, wordt onverminderd artikel 26, tweede lid, de
                                bijstanduitkering verlaagd met 50 procent gedurende een maand.</al><al>3. Er is in ieder geval sprake van een zeer ernstige misdraging
                                indien belanghebbende de toegang tot het stadhuis is ontzegd, dan
                                wel aangifte wordt gedaan bij de politie, dan wel geleden schade
                                veroorzaakt door</al><al>belanghebbende wordt verhaald.</al><al>Artikel 40 Niet nakomen nadere verplichtingen</al><al>1. Indien een belanghebbende een of meerdere nadere verplichtingen,
                                zoals bedoeld in artikel</al><al>55 en 57 van de wet, niet nakomt, wordt een verlaging
                                toegepast.</al><al>2. Onverminderd artikel 26, tweede lid en derde lid, wordt de
                                verlaging vastgesteld op 10</al><al>procent van de bijstandsuitkering gedurende een maand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39a Onvoldoende de Nederlandse taal beheersen</titel></kop><al>Indien naar het oordeel van het college een redelijk vermoeden
                                bestaat dat belanghebbende niet of niet in voldoende mate de
                                Nederlandse taal beheerst, verlaagt het college de bijstand zoals
                                aangegeven in artikel 18 vierde tot en met dertiende lid van de
                                wet.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39b Intrekking ontheffing plicht tot arbeidsinschakeling
                                alleenstaande ouders</titel></kop><al>Indien de ontheffing, bedoeld in artikel 9a, eerste lid van de wet,
                                op grond van artikel 9a, vijfde lid, onderdeel d van de wet is
                                ingetrokken, wordt een verlaging toegepast van 20% van de
                                bijstandsuitkering voor de duur van twee maanden.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 4 TOESLAGEN EN VERLAGINGEN</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 INLEIDENDE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 41 begripsomschrijvingen toeslagen en verlagingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>a. norm: het bedrag als bedoeld in artikel 21 van de wet;</al><al>b. woonkosten: 1. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                geldende</al><al>huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag (wet van 24 april
                                1997, Stb. 1997, 197)</al><al>2. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag</al><al>per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van
                                de woning verschuldigde netto hypotheekrente, de in verband met het
                                in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten (het
                                rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaakbelasting, de
                                opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en de
                                erfpachtcanon) en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag aan
                                onderhoud;</al><al>c.</al><al>medebewoning: de situatie waarin naast belanghebbende(n) één of meer
                                anderen hun</al><al>hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als de alleenstaande, de
                                alleenstaande ouder of gezin;</al><al>hoofdverblijf in dezelfde woning hebben als de alleenstaande, de
                                alleenstaande ouder of gehuwden;</al><al>d. beroepsmatige</al><al>verzorging: verzorging of verpleging in een inrichting als bedoeld
                                in de wet.</al><al>e. gezinsnorm: de bijstandsnorm voor een gezin zoals bedoeld in
                                artikel 21 van de wet</al><al>onder c van de wet;</al><al>f. schoolverlater: de persoon die bijstand aanvraagt, indien hij in
                                de zes maanden</al><al>voorafgaand aan de toekenning van de algemene bijstand recent de
                                deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding,
                                waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de
                                onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de
                                Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Het aanmerken
                                als schoolverlater eindigt zes maanden na het beëindigen van
                                voornoemd onderwijs of beroepsopleiding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 42 Categorieën</titel></kop><al>1. Voor de belanghebbende aan wie bijstand kan worden verleend,
                                geldt een categorieaanduiding.</al><al>De categorieën worden aangeduid als:</al><al>a. alleenstaande;</al><al>b. alleenstaande ouder; en</al><al>c. gezin</al><al>3. De bepalingen in dit hoofdstuk hebben uitsluitend betrekking op
                                belanghebbenden van 21 tot 65 jaar en op alle leden die behoren tot
                                een gezin</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 2 CRITERIA VOOR ALLEENSTAANDEN EN ALLEENSTAANDE
                            OUDERS</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 43 Toeslagen</titel></kop><al>1. De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt
                                verhoogd met een toeslag van</al><al>20% van de gezinsnorm indien in dezelfde woning geen anderen hun
                                hoofdverblijf hebben.</al><al>2. De norm voor de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt
                                eveneens verhoogd met een</al><al>toeslag van 20% van de gezinsnorm indien:</al><al>a. Als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volledig
                                of in belangrijke mate achterwege blijft;</al><al>b. Uitsluitend één of meer kinderen van 18 jaar of ouder, die gelet
                                op artikel 4, tweede lid van de wet niet tot het gezin behoren, hun
                                hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.</al><al>3. De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder wordt
                                verhoogd met een toeslag</al><al>van 10% van de gezinsnorm indien er sprake is van medebewoning,
                                anders dan genoemd</al><al>in het tweede lid.</al><al>4. De norm wordt niet verhoogd met een toeslag, indien de
                                alleenstaande of de alleenstaande</al><al>ouder is aan te merken als een schoolverlater.</al><al>5. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                alleenstaande van 21 jaar in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft op nihil gesteld</al><al>6. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de
                                alleenstaande van 22 jaar in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft vastgesteld op 10% van de gezinsnorm</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 44 Ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De norm wordt niet verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande
                                of alleenstaande ouder geen</al><al>woonkosten heeft.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 3 CRITERIA VOOR EEN GEZIN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 45 Verlagingen</titel></kop><al>1. De norm voor een gezin wordt indien sprake is van medebewoning
                                verlaagd met 10% van de gezinsnorm, tenzij:</al><al>a. Als gevolg van de medebewoning beroepsmatige verzorging volledig
                                of in belangrijke mate achterwege blijft;</al><al>b. Uitsluitend één of meer kinderen van 18 jaar of ouder, die gelet
                                op artikel 4, tweede lid van de wet niet tot het gezin behoren, hun
                                hoofdverblijf hebben in de dezelfde woning.</al><al>2. De norm voor een gezin wordt verlaagd met 10% van de gezinsnorm
                                indien één van</al><al>de gezinsleden als schoolverlater is aan te merken.</al><al>3. De norm voor een gezin wordt verlaagd met 20% van de gezinsnorm
                                indien twee of meer gezinsleden als schoolverlaters zijn aan te
                                merken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 46 Ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De norm wordt verlaagd met 20% van de gezinsnorm indien het gezin
                                geen woonkosten heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 47 Cumulatie</titel></kop><al>Na toepassing van de artikelen 45 en 46 van deze verordening
                                bedraagt de uitkering voor een gezin</al><al>minimaal 80% van de gezinsnorm, tenzij er sprake is van een
                                verlaging van de uitkering op grond</al><al>van hoofdstuk 3 van deze verordening.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 5 HANDHAVING</titel></kop><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 1</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 48 Begripsomschrijving fraude</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder fraude: het verstrekken van
                                onjuiste en onvolledige gegevens dan wel het verzwijgen of niet
                                (tijdig) verstrekken van voor de bepaling van het recht op uitkering
                                relevante gegevens met als gevolg dat er uitkering geheel of
                                gedeeltelijk ten onrechte is of wordt verstrekt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 2 Fraudepreventie- en repressie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 49 Beleidsplan hoogwaardige handhaving</titel></kop><al>1. Het college stelt een beleidsplan Hoogwaardige Handhaving vast.
                                Daarin wordt vastgelegd welke</al><al>preventieve en repressieve maatregelen worden genomen
                                respectievelijk gericht op het voorkomen of het bestrijden van
                                fraude;</al><al>2. De preventieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig
                                informeren van (toekomstige) klanten en het optimaliseren van de
                                dienstverlening;</al><al>3. De repressieve maatregelen zijn gericht op het vroegtijdig
                                constateren en afhandelen van fraude en geconstateerde fraude
                                daadwerkelijk sanctioneren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 50 Validering van gegevens</titel></kop><al>1. Het college onderzoekt de bij de aanvraag en heronderzoeken
                                overgelegde gegevens;</al><al>2. Het college voert bestandsvergelijkingen uit waarbij actuele
                                gegevens worden gecontroleerd. Op grond hiervan kunnen
                                bijstandsuitkeringen na verificatie aan veranderde omstandigheden
                                worden aangepast.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 3 Gevolgen van fraude</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 51 Afstemming</titel></kop><al>Indien belanghebbende gevraagd dan wel ongevraagd onjuiste,
                                onvolledige, niet tijdig of in het geheel geen inlichtingen
                                verstrekt, die van belang zijn of kunnen zijn voor de hoogte, de
                                duur of de voortzetting van de bijstand of arbeidsinschakeling,
                                verlaagt het college de bijstand, in overeenstemming met het
                                bepaalde in hoofdstuk 3 van deze verordening, onverminderd de
                                mogelijkheid tot terugvordering van de eventueel ten onrechte
                                ontvangen bijstand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 52 Terugvordering</titel></kop><al>1. Bijstand die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend
                                als gevolg van het niet nakomen van de inlichtingenplicht zoals
                                omschreven in artikel 17 van de Wet werk en bijstand wordt
                                teruggevorderd overeenkomstig de beleidsregels Terugvordering en
                                Verhaal;</al><al>2. De wijze van terug- en invordering en het geheel of gedeeltelijk
                                afzien daarvan worden vastgelegd in de beleidsregels Terugvordering
                                en Verhaal.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 53 Aangifte bij het Openbaar Ministerie</titel></kop><al>Als het fraudebedrag de aangiftegrens sociale zekerheidsfraude
                                overschrijdt, wordt door of namens het college proces -verbaal
                                opgemaakt en aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie,
                                onverminderd de mogelijkheid tot terugvordering van de ten onrechte
                                ontvangen bijstand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>PARAGRAAF 4 Controle</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 54 Controle tijdens en na beëindiging van de
                                bijstand</titel></kop><al>Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de
                                uitkering te controleren, evenals</al><al>onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen
                                door het college nader te bepalen</al><al>termijnen en neemt op basis daarvan besluiten met betrekking tot de
                                rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college
                                en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                daarvan.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 55 Controlemiddelen</titel></kop><al>1. In het beleidsplan Hoogwaardige Handhaving kan het college de
                                wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij
                                inconsistenties;</al><al>2. Het college maakt ter controle voorts gebruik van
                                bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen
                                die daaruit voortkomen;</al><al>3. Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn
                                voor het recht op bijstand.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 56 Onvoorziene omstandigheden</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 57 Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                                afwijken van de bepalingen van deze verordening als toepassing
                                daarvan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 58 Mandaatregeling SVB</titel></kop><al>In afwijking van de bepalingen in hoofdstuk 3 is op de
                                uitkeringsgerechtigden die op grond van mandaatregeling van de
                                Sociale verzekeringsbank (SVB) een uitkering ingevolge de WWB
                                ontvangen, de ministeriële regeling Maatregelenbesluit
                                Socialezekerheidswetten (Staatscourant 2007, 304) van
                                toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 58a Overgangsrecht</titel></kop><al>1. De in hoofdstuk 4 gestelde regels, zoals die luidden op de dag
                                voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijven van
                                toepassing op de persoon die op de dag voor de inwerkingtreding
                                daarvan recht heeft op algemene bijstand.</al><al>2. Dit artikel vervalt zes maanden na zijn inwerkingtreding.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 59 Inwerkingtreding</titel></kop><al>1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2010.</al><al>2. Op die datum wordt de Verordening werk en bijstand, vastgesteld
                                op 16 december 2008, ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 60 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening werk en
                                bijstand 2012”</al><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de
                                ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand en samenvoeging van die wet
                                met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van
                                deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                                verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ in werking
                                treedt.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 22 december 2011</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting bij de Verordening werk en bijstand 2010</al><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al>De regering acht het wenselijk om de eigen verantwoordelijkheid ten behoeve van
                    deelname aan het arbeidsproces en maatschappelijke activiteiten aan te scherpen,
                    om het belang van scholing als essentieel element voor een goede uitgangspositie
                    op de arbeidsmarkt te benadrukken en bij te dragen aan een versterking van de
                    balans tussen rechten en plichten.</al><al>Dit heeft geleid tot een wetsvoorstel tot wijziging van de Wet werk en bijstand
                    (WWB) en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren (WIJ)
                    gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de
                    eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden.</al><al>Het voorstel strekt ertoe de WWB aan te passen. Het pakket van maatregelen heeft
                    tot doel het versterken van het activerende karakter van de WWB. Dit gebeurt
                    enerzijds door het aanscherpen van de verplichtingen waaraan
                    uitkeringsgerechtigden moeten voldoen, anderzijds door een aantal maatregelen te
                    treffen waardoor de vangnetfunctie van de WWB wordt versterkt.</al><al>In de gewijzigde Wet werk en bijstand is de verordeningsplicht van de
                    gemeenteraad uitgebreid met de volgende onderdelen:</al><al>1. het verlenen van de bijzondere bijstand, bedoeld in artikel 35, vijfde
                    lid;</al><al>2. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 9a, twaalfde lid.</al><al>Voor de uitvoering van de WWB bestaan al een aantal verordeningen. In de
                    Verordening werk en bijstand 2010 is uitvoering gegeven aan de
                    verordeningsplicht met betrekking tot:</al><al>a. het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a
                    van de wet;</al><al>b. het verlagen van de bijstand, bedoeld in artikel 18, tweede lid van de
                    wet;</al><al>c. c. het verhogen en verlagen van de norm, bedoeld in artikel 30 van de
                    wet;</al><al>d. de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de wet;</al><al>e. de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid van de wet;</al><al>f. de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een uitkering alsmede van
                    misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet in het kader van het financiële
                    beheer.</al><al>Door de wijziging van de bestaande Wet werk en bijstand moet de bestaande
                    Verordening werk en bijstand 2010 worden gewijzigd.</al><al>Uitgangspunt van deze verordening tot wijziging van de verordening is dat
                    daarmee wordt voldaan aan de verordeningsplicht van de gewijzigde WWB, inclusief
                    de uitbreiding zoals genoemd onder 2.</al><al>De regels met betrekking tot scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 10a
                    vijfde lid van de wet en de regels met betrekking tot de premie, als bedoeld in
                    artikel 10a, zesde lid van de wet staan in hoofdstuk 2 van de Verordening werk
                    en bijstand 2010. Deze regels hoeven niet te worden aangepast.</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel 1 en 2</al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    werk en bijstand.</al><al>Artikel 3</al><al>In dit artikel wordt aangegeven voor welke personen het college de
                    re-integratietaak heeft en</al><al>wie recht heeft op de noodzakelijke ondersteuning. Via de verwijzing naar
                    artikel 40 lid 1 WWB wordt aangegeven dat alleen inwoners van de gemeente
                    Barneveld tot de doelgroep behoren. Daarbij is voor de duidelijkheid aangegeven
                    dat nuggers die zich minder dan 15 uur per week beschikbaar stellen voor de
                    arbeidsmarkt, nuggers (of diens partner) met een inkomen boven de 200% van de
                    van toepassing zijnde bijstandsnorm of nuggers (of diens parnter en/of
                    minderjarige kinderen) met een saldi op de lopende rekeningen en spaarrekeningen
                    dat uitstijgt boven de vermogensgrens (artikel 34, lid 3 WWB) geen recht hebben
                    op ondersteuning.</al><al>Het vaststellen van een minimum aantal beschikbare uren en een maximaal inkomen
                    een vermogen is wenselijk om te voorkomen dat er sprake zou zijn van een scheve
                    verhouding tussen arbeidsinzet enerzijds en kosten voor re-integratie
                    anderzijds.Let op: personen die een uitkering van het UWV ontvangen en daarnaast
                    een aanvullende uitkering op grond van de WWB behoren wel tot de doelgroep.</al><al>In het kader van de Wet Participatiebudget (WPB) is ervoor gekozen om ook
                    personen met een uitkering verstrekt door het UWV een voorziening aan te bieden,
                    wanneer zij binnen 2 maanden de volledige uitkeringsduur bereiken. Ook personen
                    die op de wachtlijst staan voor een sociale werkplaats in het kader van de Wet
                    sociale Werkvoorziening kunnen een re-integratie worden aangeboden. Daarnaast is
                    het mogelijk de personen die binnen 6 maanden na volledig uitstroomt uit de WWB
                    dreigen werkloos te worden, een voorziening aan te bieden.</al><al>Artikel 4</al><al>Artikel 7 van de WWB geeft het college de verantwoordelijkheid ondersteuning
                    gericht op</al><al>arbeidsinschakeling te bieden. Hoewel de leden van de doelgroep aanspraak kunnen
                    maken op</al><al>een voorziening, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier
                    zoals de</al><al>persoon in kwestie dit het liefst zou zien. Het doel van het beleid is waar
                    mogelijk personen</al><al>die tot de doelgroep behoren te helpen regulier werk te vinden en daar waar dat
                    (nog) niet</al><al>kan alles in het werk te stellen om belemmeringen weg te nemen, uitstroomkansen
                    te</al><al>vergroten en ondertussen sociaal isolement te voorkomen. Het is aan het college
                    om te</al><al>zorgen voor een voldoende aanbod van voorzieningen, waarbij zij te maken krijgen
                    met</al><al>beperkte financiële middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is
                    van een</al><al>veelheid aan sociaal-economische factoren.</al><al>Artikel 4 lid 1</al><al>De personen uit de doelgroep hebben van rechtswege aanspraak op ondersteuning.
                    De</al><al>gemeente heeft ervoor gekozen deze aanspraak te vertalen als recht op
                    ondersteuning bij de</al><al>arbeidsinschakeling. Dat laat onverlet dat het het college is, dat bepaalt of en
                    welke</al><al>voorziening ingezet wordt.</al><al>Artikel 4 lid 2</al><al>Bij de inzet van voorzieningen wordt gekozen voor die voorzieningen die via de
                    kortst mogelijke weg en met inzet van zo min mogelijk middelen adequaat en
                    toereikend zijn voor het doel dat beoogd wordt.</al><al>Artikel 4 lid 3</al><al>Het derde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk belanghebbenden ondersteund
                    kunnen worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient
                    altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al><al>Artikel 5</al><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                    diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                    re-integratie-instrumenten. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of
                    doorverwijzing naar andere instanties.</al><al>Artikel 5 lid 2</al><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de mogelijkheden en capaciteiten van de belanghebbende.</al><al>Artikel 5 lid 3</al><al>Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden
                    van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Bovendien worden de
                    instrumenten alleen ingezet als aan de hand van onderzoek is gebleken dat door
                    de inzet van die instrumenten het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid
                    binnen afzienbare tijd mogelijk wordt. Re-integratie moet bovendien de kortste
                    weg naar arbeid zijn. De inhoud van het traject wordt, voordat tot het traject
                    wordt besloten, besproken met de belanghebbende, waarna het trajectplan door
                    beide partijen ondertekend wordt.</al><al>Artikel 5 lid 4</al><al>Het college weigert tevens een voorziening als een beroep kan worden gedaan op
                    een voorliggende voorziening bijvoorbeeld indien een persoon uit de doelgroep
                    voor de gewenste</al><al>opleiding een beroep kan doen op studiefinanciering.</al><al>Artikel 5 lid 5</al><al>Een toekenning of weigering van een voorziening wordt in een beschikking
                    vastgelegd. Deze</al><al>beslissing is vatbaar voor bezwaar en beroep.</al><al>Artikel 6</al><al>Het college kan ten behoeve van een persoon voor wie een voorziening wordt
                    ingezet of voor wie een voorziening wordt overwogen een onderzoek (laten)
                    instellen naar de mogelijkheden van de persoon in verband met
                    arbeidsinschakeling en deelname aan voorzieningen. Hierbij worden de
                    competenties/belemmeringen van de klant in kaart gebracht die direct gerelateerd
                    zijn aan werk of op andere leefgebieden die het weer aan het werk gaan in de weg
                    staan. Een onderzoek naar de beroepskeuze mogelijkheden maakt hier deel
                    vanuit.</al><al>Artikel 7</al><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Daarnaast is een aantal verplichtingen opgenomen in de
                    verordening die afgeleid zijn van artikel 9 van de wet en direct verband houden
                    met de plicht tot arbeidsinschakeling.</al><al>Naast de verplichtingen genoemd in de wet of regelgeving en de verordening kan
                    het college aanvullende verplichtingen opleggen. Dat is met name van belang bij
                    niet-uitkeringsgerechtigden. Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen
                    van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden.</al><al>Artikel 9, eerste lid onderdeel b van de WWB is uitgebreid met de verplichting
                    voor de belanghebbende die jonger is dan 27 om mee te werken aan het opstellen,
                    uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak. De inhoud en de vorm van dit
                    plan van aanpak wordt omschreven in het nieuwe artikel 44a. Omdat dit een
                    wijziging is ten opzichte van de bestaande WWB, is artikel 7 van de bestaande
                    verordening op dit punt worden gewijzigd.</al><al>Verder is artikel 9, eerste lid van de WWB uitgebreid met onderdeel c, waarin
                    geregeld is dat de belanghebbende verplicht is naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid naar vermogen een tegenprestatie te leveren, wanneer dit door
                    het college wordt opgedragen. Hiermee krijgen gemeenten ruimere bevoegdheid om
                    uitkeringsgerechtigden te laten participeren. Gemeenten kunnen gebruik maken van
                    de mogelijkheid een tegenprestatie te vergen. Deze bevoegdheid van het college
                    is als verplichting opgenomen in artikel 7 van de Verordening. Het college van
                    Barneveld zal, afhankelijk van de situatie, wel een tegenprestatie vergen van
                    uitkeringsgerechtigden.</al><al>In het vierde lid is aangegeven dat het college bevoegd is de
                    uitkeringsgerechtigde ontheffing te verlenen van bepaalde verplichtingen genoemd
                    in het eerste lid. Deze bevoegdheid vindt zijn oorsprong in artikel 9 tweede lid
                    van de wet. In beleidsregels wordt aangegeven in welke gevallen het mogelijk is
                    om de uitkeringsgerechtigde te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.</al><al>Artikel 8</al><al>Het eerste lid biedt de verbinding met hoofdstuk 3 van de verordening. Dit
                    hoofdstuk regelt het afstemmen van de uitkering, indien de uitkeringsgerechtigde
                    niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze afstemming bestaat uit het verlagen
                    van de uitkering met een bepaald percentage.</al><al>Echter, voor belanghebbenden zonder uitkering, ANW-ers en belanghebbenden in
                    gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel.
                    Daarom is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de
                    gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn terug kan vorderen.</al><al>Artikel 9</al><al>De WWB vraagt aan het college om het re-integratiebeleid in een verordening vast
                    te leggen. Gekozen is voor de systematiek van een procedurele verordening. Deze
                    bevat de wettelijke bepalingen en procedures, maar geen invulling van het
                    beleid. Het beleid is vastgelegd in het bij de verordening behorende
                    beleidsplan, dat onderdeel is van het afdelingsplan. Het voordeel van een
                    procedureel ingerichte verordening is flexibiliteit: het beleid kan verder
                    ontwikkeld en/of bijgesteld worden zonder dat de verordening aangepast moet
                    worden.</al><al>Artikel 10</al><al>Artikel 10 lid 1</al><al>Het eerste lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al>Artikel 10 lid 2</al><al>Het tweede lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten.</al><al>Artikel 11</al><al>Uitstroom in de vorm van arbeidsinschakeling vindt doorgaans plaats in de vorm
                    van het aanvaarden van werk in loondienst. Het starten van een eigen bedrijf kan
                    ook een vorm van uitstroom zijn. Zeker nu een aantal bepalingen hieromtrent, die
                    in de Abw voorkwamen, niet meer in de WWB zijn opgenomen kan door middel van dit
                    artikel in de verordening ruimte worden geboden aan kansrijke initiatieven. Zo
                    kan gedacht worden aan het toestaan om voorbereidingsactiviteiten te ontplooien,
                    het verlenen van een ontheffing van de verplichtingen om te komen tot
                    arbeidsinschakeling en misschien ook wel een opleiding of iets dergelijks. In
                    alle gevallen moet er sprake zijn van individueel maatwerk.</al><al>Artikel 12</al><al>Dit artikel regelt de re-integratie van niet-uitkeringsgerechtigden (Nuggers),
                    die tot de doelgroep behoren. In artikel 3 van de verordening is bepaald welke
                    nuggers in aanmerking kunnen komen voor een voorziening.</al><al>Lid twee biedt de mogelijkheid aan hen een renteloze lening te verstrekken. In
                    de trajectovereenkomst die met de Nugger wordt gesloten wordt dit opgenomen. Bij
                    uitvoeringsbesluit stelt het college hiervoor nadere regels vaststellen.</al><al>Artikel 12a</al><al>Om de plicht tot tegenprestatie naar vermogen te kunnen uitvoeren is het van
                    belang dat er afspraken worden gemaakt met onder andere werkgevers en
                    werkgeversorganisaties. Artikel 12a maakt het mogelijk dat het college afspraken
                    maakt met derden, ter uitvoering van de plicht tot tegenprestatie.</al><al>In het uitvoeringsbesluit wordt vastgesteld hoe deze tegenprestatie vorm gegeven
                    wordt.</al><al>Artikel 13</al><al>Volgens de WWB dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te zijn op
                    arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een
                    te hoog gegrepen doel. Voor deze belanghebbenden staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop.</al><al>Gezien de beperkte middelen uit het werkdeel in relatie tot de omvang van de
                    doelgroep, kan het een overweging zijn onderscheid te maken tussen sociale
                    activering als onderdeel van een re-integratietraject, als voorbereiding op
                    arbeidsinschakeling, en sociale activering gericht op het laten participeren van
                    de belanghebbende in de maatschappij. De gemeente kan besluiten alle kosten die
                    gemaakt worden voor de laatste activiteit niet te betalen uit het werkdeel van
                    de WWB, maar uit bijvoorbeeld welzijnsmiddelen.</al><al>Bovengenoemd onderscheid komt terug in de bepalingen over sociale activering. In
                    het eerste lid kan daarom de zinsnede “als onderdeel van een
                    re-integratietraject” toegevoegd worden. In het tweede lid, dat een omschrijving
                    geeft van het begrip ‘sociale activering’, kan dan besloten worden dat deze
                    voorziening ook gericht kan zijn op het voorkomen van sociaal isolement. Bij
                    arbeidsactivering als re-integratie-instrument kunnen ook bepalingen opgenomen
                    worden over de maximale termijn waarbinnen deze activiteiten plaatsvinden.</al><al>Artikel 14</al><al>Dit artikel strekt ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle
                    voorzieningen,</al><al>ook die voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. In het
                    productenboek zijn de voorzieningen nader uitgewerkt.</al><al>Tevens wordt aangegeven dat ondersteuning niet perse de inzet van een
                    voorziening behoeft in te houden. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of
                    doorverwijzing naar andere instanties. Indien er een voorziening ingezet wordt,
                    kan dat een van de genoemde voorzieningen zijn die genoemd staan in lid 2 maar
                    dat hoeft niet perse aangezien dit geen limitatieve opsomming is.</al><al>Voor de belanghebbende die jonger is dan 27 jaar kunnen bepaalde voorzieningen
                    niet worden toegepast. Deze uitzonderingen vloeien voort uit de wet. Zo is in
                    artikel 7, achtste lid bepaald dat ondersteuning bij arbeidschakeling door
                    middel van artikel 10a (participatieplaatsen) niet van toepassing is op de
                    persoon die jonger is dan 27 jaar. Verder is artikel 31, tweede lid onderdelen j
                    (premie), k (onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk), n en r (vrijlating van
                    inkomsten) niet van toepassing voor de persoon die jonger is dan 27 jaar. Dit is
                    bepaald in artikel 31, vijfde lid van de wet. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat
                    de genoemde voorzieningen niet kunnen worden ingezet voor jongeren, omdat hun
                    afstand tot de arbeidsmarkt nog niet zodanig groot is dat dergelijke
                    voorzieningen beschikbaar zouden moeten worden gesteld.</al><al>Artikel 15</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkstage, om
                    het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is met name van
                    belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is van een
                    arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                    opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de cliënt wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al>Het derde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of
                    dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Het college kan
                    dit doen door expliciet na te gaan dat het werk dat verricht gaat worden niet
                    productief is, of dat er geen recent ontslag heeft plaatsgevonden.</al><al>In het vierde lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst (stageovereenkomst) wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel
                    van de stage worden opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze
                    schriftelijke overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een
                    werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding. De werkstage is mogelijk
                    met behoud van uitkering.</al><al>Artikel 16</al><al>De WWB houdt de mogelijkheid open om belanghebbenden een dienstverband aan te
                    bieden, om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In de verordening zijn
                    de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen als uitstroominstrument
                    vormgegeven worden. Er is sprake van duurzame uitstroom bij het beëindigen van
                    de bijstandsafhankelijkheid door middel van het verkrijgen van reguliere arbeid
                    gedurende tenminste zes maanden.</al><al>Het eerste lid biedt de mogelijk tot het aangaan van het dienstverband voor in
                    principe maximaal twee jaar.</al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof, de inhoud van het werk, etcetera.</al><al>Voor het derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                    werkstages.</al><al>Artikel 17</al><al>Het instrument loonkostensubsidies gericht op re-integratie in het kader van de
                    WWB zijn geheel vormvrij. Het beleid van de gemeente komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van de subsidie (eventueel gekoppeld aan de mate van productiviteit), de
                    termijn en de aan de subsidie verbonden verplichtingen (b.v. bieden van scholing
                    en begeleiding). Naast de reguliere loonkostensubsidie kan de gemeente ervoor
                    kiezen de onderneming die de werknemer aansluitend in vaste dienst neemt een
                    aanvullende subsidie of bonus toe te kennen.</al><al>Artikel 18</al><al>Scholing is een van de re-integratie-instrumenten die uiteindelijk moeten leiden
                    tot uitstroom naar werk. Scholing komt pas aan de orde als het vinden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid niet lukt.</al><al>Artikel 18 lid 2</al><al>Als gevolg van de invoering van de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP) is
                    aan het college de verplichting opgelegd om aan personen zonder een
                    startkwalificatie na 6 maanden scholing aan te bieden. Deze verplichting is
                    opgenomen in artikel 10a van de WWB .</al><al>Artikel 18 lid 3</al><al>In het derde lid is aangegeven dat het college bij uitvoeringsbesluit nadere
                    regels vaststelt over de doelgroepen, de vorm van scholing en de voorwaarden
                    waaraan scholing moet voldoen.</al><al>Artikel 19</al><al>De Work First heeft tot doel de belanghebbende die geen afstand tot de
                    arbeidsmarkt heeft en de bij de re-integratieconsulent in een
                    bemiddelingstraject zit, de tijd tot het aanvaarden van een reguliere baan
                    maatschappelijk nuttig te laten vervullen. Een neveneffect is dat de
                    belanghebbende zich realiseert dat in ruil voor een uitkering inspanning van
                    hem/haar wordt geëist. Ondertussen werkt de belanghebbende aan het verder
                    vergroten van zijn/haar competenties op de arbeidsmarkt.</al><al>Artikel 20</al><al>In artikel 31 lid 2 sub j WWB is geregeld dat jaarlijks een premie kan worden
                    verstrekt. Deze premie is onbelast, en telt dus ook niet mee bij de toepassing
                    van inkomensafhankelijke regelingen. Dit is alleen het geval als in datzelfde
                    jaar geen onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk is verstrekt.</al><al>De gemeente stemt haar premiebeleid af op de verschillende activiteiten die in
                    het kader van activering verricht worden en daarbij de hoogte van de premie
                    laten variëren. Belanghebbenden kunnen in aanmerking komen voor een premie
                    activering, premie deeltijd en/of een werkaanvaardingspremie.</al><al>De WWB regelt in art. 31 lid 2 sub k de maximale onkostenvergoedingen bij het
                    verrichten van vrijwilligerswerk. Ook deze zijn onbelast en werken niet door bij
                    inkomensafhankelijke regelingen. Ook hier kan de gemeente variëren in
                    hoogte.</al><al>Artikel 20 lid 2</al><al>Als gevolg van de invoering van de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP) is
                    aan het college de verplichting opgelegd om aan personen die gedurende zes
                    maanden additionele werkzaamheden hebben verricht een premie activering toe te
                    kennen. Voorwaarde is wel dat de belanghebbende in die zes maanden voldoende
                    heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het
                    arbeidsproces. Deze verplichting is opgenomen in artikel 10a van de wet .</al><al>Artikel 20 lid 3</al><al>Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels over de doelgroepen en de hoogte
                    van de premies en de verdere voorwaarden.</al><al>Artikel 21</al><al>Met dit artikel wordt geregeld dat maximaal gebruik wordt gemaakt van de
                    vrijlating van inkomsten bij parttime arbeid zoals aangegeven in artikel 31
                    tweede lid onder o van de WWB.</al><al>Artikel 22</al><al>Mede gezien de beperkte budgetten is het belangrijk ervoor te zorgen dat
                    cliënten na uitstroom niet na een korte periode terugvallen in de uitkering. De
                    gemeente kan ertoe besluiten veel aandacht te besteden aan nazorg, met als doel
                    een werkelijk duurzame plaatsing te realiseren. Bij dit artikel is ervan
                    uitgegaan dat nazorg geboden kan worden ná acceptatie van algemeen geaccepteerde
                    arbeid, dus niet bij gesubsidieerde arbeid. Bij gesubsidieerde arbeid maakt
                    begeleiding en advisering normaal gesproken al onderdeel uit van het
                    traject.</al><al>Artikel 23</al><al>In dit artikel is bepaald dat de gemeente aan cliënten die een traject volgen
                    schuldhulpverlening kan aanbieden, zodat het hebben van schulden geen
                    belemmering vormen voor het re-integratietraject. Bij re-integratie moet in een
                    zo vroeg mogelijk stadium aan de schuldenproblematiek worden gewerkt. Als dat
                    niet gebeurt, is de kans groot dat de re-integratie niet slaagt. De
                    schuldenproblematiek kan het leven van de schuldenaar zo beheersen dat hij zich
                    onvoldoende kan concentreren op werk of het zoeken naar werk. Veel werkgevers
                    zitten bovendien niet te wachten op medewerkers met schulden. Door middel van
                    schuldhulpverlening wordt de situatie van de schuldenaar gestabiliseerd en
                    krijgt hij de rust om zich op een betaalde baan en andere zaken te kunnen
                    richten.</al><al>Artikel 24</al><al>Het is denkbaar dat de gemeente, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan
                    bijdragen.</al><al>In het tweede lid is aangegeven dat geen aanspraak bestaat op de in het eerste
                    lid genoemde kosten, als de belanghebbende een beroep kan doen op een
                    voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel wordt geacht toereikend en
                    passend te zijn. Soms komt het voor dat de werkgever bepaalde kosten vergoedt.
                    In dat geval mogen die kosten niet uit het re-integratiebudget worden
                    vergoed.</al><al>In het derde lid is aangegeven dat regels over de vorm, de hoogte van de
                    vergoeding en de verdere voorwaarden in een uitvoeringsbesluit worden
                    geregeld.</al><al>Hoofdstuk 3: Afstemming</al><al>Artikelen 8, eerste lid onder b van WWB bevat de opdracht aan gemeenten om bij
                    verordening regels vast te stellen met betrekking tot verlagen van de bijstand
                    bedoeld in artikel 18 van WWB. In tweede lid van artikel 18 van de WWB wordt een
                    directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen van
                    uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de
                    plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit
                    betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden
                    nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering
                    verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting.
                    Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af
                    van zo’n verlaging.</al><al>Per 1 juli 2011 is deze verordening ook van toepassing op de verlening van
                    bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).
                    Het gaat hierbij primair om de verlening van algemene bijstand voor het
                    levensonderhoud, en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                    woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm
                    staat in artikel 1, onderdeel g, Bbz.</al><al>Deze verordening is hiervoor met ingang van 1 juli 2011 aangepast. De in dit
                    hoofdstuk genoemde gedragingen die leiden tot een verlaging van de uitkering
                    (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige misdragingen)
                    zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een verlaging. Artikel 18,
                    tweede lid, van de wet is onverkort van toepassing op het Bbz.</al><al>Artikel 1 en 25</al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijvingen in de WWB.</al><al>Artikel 26</al><al>Artikel 26 lid 1</al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                    het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit twee
                    soorten verplichtingen:</al><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze
                    te aanvaarden; en</al><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening
                    gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.</al><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een uitkeringsgerechtigde rust
                    de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                    mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling
                    of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en
                    omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij
                    wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden
                    verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij
                    ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van
                    toepassing is.</al><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                    uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan
                    uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:</al><al>het toestaan van huisbezoek;</al><al>het meewerken aan een medisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                    de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig
                    misdragen’.</al><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV te
                    verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 28,
                    tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen
                    beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan de UWV, waarvan hem
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht
                    op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur
                    van de bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en
                    omstandigheden door de UWV kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk
                    voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit
                    bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële
                    regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.</al><al>Artikel 26 lid 2 en 3</al><al>In hoofdstuk 3 van de verordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                    schending van een verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de
                    vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In het tweede
                    lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen verlaging af
                    te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
                    verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op
                    te leggen verlaging zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                    van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking van de
                    standaardverlaging kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit
                    betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet worden
                    toegepast, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen: -
                    Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. - Stap 2: vaststellen van de
                    verwijtbaarheid. - Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                    uitkeringsgerechtigde.</al><al>Bij het vaststellen van de verwijtbaarheid kan de volgende richtlijn worden
                    gehanteerd:</al><al>1. niet verwijtbaar: geen maatregel;</al><al>2. licht verwijtbaar: halvering van het percentage van de
                    standaardmaatregel;</al><al>3. verwijtbaar: standaard maatregel;</al><al>4. ernstig verwijtbaar: anderhalf maal het percentage van de
                    standaardmaatregel;</al><al>5. zeer ernstig verwijtbaar: verdubbeling van het percentage van de
                    standaardmaatregel.</al><al>Artikel 27</al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt toegepast over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                    inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al>Artikel 27 lid 2</al><al>Sub a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een inkomensvoorziening op grond van de
                    Wet investeren in jongeren (WIJ) , die indien noodzakelijk wordt aangevuld door
                    middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud.
                    Indien de verlaging alleen op de lage rijksnorm wordt toegepast, zou dit leiden
                    tot rechtsongelijkheid ten opzichte overige inkomensvoorzienings- en
                    bijstandsgerechtigden. Sub b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college
                    in incidentele gevallen de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                    verlaagt. Er moet dan wel een verband bestaan (verwijtbaarheid) tussen de
                    gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                    langdurigheidstoeslag. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor wanneer iemand
                    te laat een aanvraag voor huurtoeslag indient. In dat geval wordt een verlaging
                    toegepast op de bijzondere bijstand (woonkostentoeslag in dit geval).</al><al>In het derde lid is bepaald dat de duur en de percentage van de verlaging worden
                    in het individuele geval bepaald.</al><al>Artikel 28</al><al>Verlaging van de bijstandsuitkering vindt plaats op basis van een besluit.
                    Wanneer de verlaging bij een lopende uitkering wordt toegepast, wordt een
                    besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op grond van artikel 45 WWB
                    genomen. Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een
                    besluit tot herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid).
                    Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep worden
                    aangetekend. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval
                    moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet
                    bestuursrecht (Awb). Een besluit moet kenbaar zijn en van een deugdelijke
                    motivering zijn voorzien.</al><al>Artikel 29</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb).</al><al>In het kader van het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel (zoals
                    geformuleerd in artikel 3:2 en 3:4 Awb) wordt in het eerste lid het horen van de
                    belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd, in beginsel
                    voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de hoorplicht.</al><al>In het derde lid is aangegeven dat de gemeente bij bepaalde gedragingen aan
                    degene die zich misdraagt de cautie zal moeten geven, dat wil zeggen hem moeten
                    wijzen op het zwijgrecht. Iemand moet ervan op de hoogte worden gesteld dat hij
                    mag zwijgen en dat hij niet hoeft mee te werken aan het opgelegd krijgen van een
                    dergelijke sanctie.</al><al>Artikel 30</al><al>Artikel 30 lid 1</al><al>Sub a. Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
                    ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Indien belanghebbende op
                    de hoogte is van het eventuele voornemen tot het opleggen van een verlaging (of
                    van het onderzoek dat daarnaar wordt verricht), wordt belanghebbende
                    schriftelijk op de hoogte gebracht van dat besluit.</al><al>Sub b. Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat
                    de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden wordt onder b.
                    geregeld dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan
                    één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Voor gedragingen die een schending van
                    de informatieplicht inhouden en als gevolg waarvan ten onrechte bijstand is
                    verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is verleend, geldt in de verordening
                    een verjaringstermijn van vijf jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand
                    gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente
                    vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag)
                    vast te stellen.</al><al>Artikel 30 lid 2</al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het toepassen van een
                    verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd.</al><al>Artikel 30 lid 3</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van verlaging
                    wegens dringende redenen is van belang in verband met het voorkomen van een
                    misdraging in de toekomst; in dat geval zou er sprake zijn van recidive.</al><al>Artikel 30 lid 4</al><al>Er kunnen zich situaties voordoen waarbij een verlaging van de
                    bijstandsuitkering als onrechtvaardig wordt ervaren. Het betreft hier de
                    situatie dat de verwijtbare gedraging niet heeft geleid tot een te hoog bedrag
                    verlenen van de bijstand. Met andere woorden, de belanghebbende heeft alleen
                    zichzelf of niemand anders benadeeld. Hier valt ook de de zogenaamde
                    ‘nulfraude’: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder
                    dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeeld van
                    nulfraude is het niet opgeven van een vermogensbestanddeel onder de
                    vermogensgrens. Dit lid strekt ertoe de gemeente de mogelijkheid te bieden bij
                    een dergelijke overtreding van het opleggen van een verlaging af te zien en in
                    plaats daarvan een schriftelijke waarschuwing te geven. Gekozen is voor een
                    bevoegdheid tot oplegging van een waarschuwing, omdat de aanwezigheid moet
                    blijven een sanctie te treffen, indien de concrete situatie daartoe aanleiding
                    geeft. Te denken valt hierbij met name aan de poging tot fraude die ontdekt
                    wordt voordat de uitbetaling heeft plaatsgevonden (een overtreding leidend tot
                    nulfraude).</al><al>Het kunnen waarschuwen is niet onbeperkt. Het kan niet als een overtreding
                    binnen een periode van twee jaar reeds eerder is begaan en daarvoor een
                    waarschuwing is gegeven. De waarschuwing wordt schriftelijk afgegeven. Daardoor
                    weet de belanghebbende dat bij een volgende overtreding van dezelfde
                    verplichting (of een gedraging van een hogere categorie) binnen genoemde periode
                    van twee jaar een sanctie volgt, die ingevolge artikel 33 eerste lid verdubbeld
                    kan worden. De waarschuwing is een besluit, waartegen bezwaar kan worden
                    gemaakt. Dit laat onverlet de mogelijkheid van het opleggen van een maatregel
                    geheel of gedeeltelijk af te zien op grond van dringende redenen.</al><al>Artikel 31</al><al>Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: 1. met
                    terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de uitkering; of 2.
                    door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                    maand(en).</al><al>Artikel 31 lid 1</al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Er hoeft in dat geval niet overgegaan te worden tot
                    herziening van de bijstand om vervolgens het te veel betaalde bedrag aan
                    bijstand terug te vorderen. Wanneer het verlagen van de lopende
                    bijstandsuitkering niet mogelijk is, wordt bij de bepaling van de mate van
                    verlaging uitgegaan van de uitkeringsnorm zoals die gold ten tijde van de
                    gedraging.</al><al>Artikel 31 lid 2</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.</al><al>Een besluit van het college om een verlaging met terugwerkende kracht toe te
                    passen moet gezien worden als een bijzondere vorm van herziening. Het
                    verlagingsbesluit maakt dat hetgeen meer aan bijstand was verleend, moet worden
                    beschouwd als ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand en kan
                    worden teruggevorderd op grond van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB.</al><al>Artikel 31 lid 3</al><al>Wanneer de uitkering van de belanghebbende is beëindigd, maar de uitkering moet
                    worden verlaagd als gevolg van een afstemmingswaardige gedraging, wordt het
                    recht op bijstand vanwege deze afstemming herzien. Het terugvorderingsbesluit
                    wordt gebaseerd op dit afstemmingsbesluit.</al><al>Artikel 31 lid 4</al><al>In principe wordt een verlaging voor bepaalde tijd toegepast. Door een verlaging
                    voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde waar hij
                    aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de verlaging is
                    getroffen opnieuw een verlaging opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart
                    besluit nodig.</al><al>In sommige situaties is het raadzaam om de afstemming toe te passen voor
                    onbepaalde tijd totdat de belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld. Dit
                    kan het geval zijn bij herhaaldelijk niet nakomen van verplichtingen verbonden
                    aan re-integratie. Deze mogelijkheid is opgenomen in artikel 33 tweede lid.</al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden toegepast, dan zal
                    het college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                    geregeld in artikel 18, derde lid WWB. Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die
                    herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het
                    besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te
                    worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                    beoordelen of het redelijk is dat de toegepaste verlaging wordt gecontinueerd.
                    Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert,
                    maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                    voldoet.</al><al>Artikel 32</al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. Een voorbeeld
                    van gedragingen die rechtstreeks verband houden met elkaar is wanneer iemand te
                    laat terugkomt van vakantie en daardoor een aangeboden passende functie
                    misloopt. De bijstand kan niet met meer dan 100 procent per maand worden
                    verlaagd. Indien de som van de percentages van de verlaging meer dan 100 procent
                    bedraagt, wordt de verlaging over twee maanden uitgesmeerd, dus de
                    bijstandsuitkering van de volgende maand wordt verlaagd met het restant van de
                    percentage van de verlaging.</al><al>Artikel 33 lid 1</al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is toegepast, bekend is gemaakt.</al><al>Het college zal altijd na moeten gaan of er sprake is van recidive. Indien een
                    belanghebbende voorheen in een andere gemeente woonde, moet het college bij die
                    andere gemeente informatie inwinnen.</al><al>Artikel 33 lid 2</al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar
                    gedrag vertoont (herhaalde recidive), zal de hoogte en de duur van de verlaging
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. Indien nodig duurt de afstemming voort totdat
                    de belanghebbende de tekortkoming heeft hersteld. Dit is met name een goed
                    instrument bij re-integratie.</al><al>Artikel 34</al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vijf categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit zoals dat onder de Abw gold. De reden hiervoor is
                    dat de WWB, in tegenstelling tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving
                    van de plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de
                    verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van
                    de individuele bijstandsgerechtigde.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te doen blijven.</al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het
                    (standaard) trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als bijlage bij
                    het besluit tot toekenning of voortzetting van de bijstand meegestuurd.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep.</al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder
                    ook sociale activering verplicht kan worden gesteld.</al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid
                    niet behouden. (Er zijn ook andere redenen waardoor iemand een beroep moet doen
                    op bijstand, waarvoor eveneens een afstemming geldt van 100%; (zie artikel 38).
                    Ook als iemand meer dan eens niet verschijnt op oproepen in het kader van
                    re-integratievoorzieningen levert dit een afstemming op van 100 %.</al><al>Voor de belanghebbende die jonger is dan 27 jaar geldt een extra verplichting,
                    namelijk dat hij meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan
                    van aanpak, als bedoeld in artikel 44a van de WWB. Zowel het college als de
                    belanghebbende is gehouden de in het plan van aanpak vastgelegde afspraken (lees
                    verplichtingen) na te komen. De belanghebbende kan het college aanspreken of een
                    procedure bij de burgerlijke rechter aanspannen, als het college bepaalde
                    afspraken uit het plan van aanpak niet nakomt. Wanneer de belanghebbende zich
                    niet houdt aan de afspraken, kan het college de bijstandsuitkering verlagen. Om
                    dit mogelijk te maken is artikel 34 van de verordening gewijzigd.</al><al>Zelfstandigen</al><al>Ten aanzien van de in dit hoofdstuk opgenomen gedragingen en verlaging, met
                    betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van algemeen
                    geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het
                    volgende:</al><al>• De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen voor
                    de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid, maar die ten
                    minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet kan uitoefenen
                    (artikel 38, derde lid Bbz).</al><al>• De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de partner
                    van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende
                    is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of
                    fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.
                    Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de meewerkuren in
                    het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.</al><al>Artikel 35</al><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Artikel 36 lid 1</al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit</al><al>eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan
                    hem</al><al>redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
                    arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De ernst van de gedraging komt tot
                    uitdrukking in de hoogte van het</al><al>bruto bedrag dat door de gemeente te veel aan bijstand is verstrekt of de hoogte
                    van de re-integratiemiddelen die ten onrechte is ingezet. Deze verplichting
                    geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden
                    vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte
                    gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen
                    administraties. Bij ministeriële regeling (Regeling SUWI) wordt bepaald voor
                    welke gegevens de tweede zin van toepassing is.</al><al>Voor zelfstandigen gelden daarnaast andere verplichtingen:</al><al>In artikel 38, tweede lid van het Bbz is bepaald dat de zelfstandige aan wie
                    bijstand wordt verleend verplicht is naar behoren een administratie te voeren en
                    deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar waarin
                    bijstand is verleend, aan het college te overleggen. Die plicht geldt ook als de
                    gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te
                    beoordelen in het geval verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde is.</al><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid Bbz dat het college de
                    bijstand van de zelfstandige terugvordert voor zover de bijstand ten onrechte of
                    tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg van het niet nakomen van de
                    verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In artikel 47 Bbz is opgenomen
                    dat het college kosten van bijstand in de vorm van een geldlening terugvordert,
                    indien de zelfstandige de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet
                    of niet behoorlijk nakomt. Het college is onder toepassing van beide artikelen
                    gehouden de geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige
                    terug te vorderen, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt
                    nagekomen. Er is in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een
                    verlaging op grond van deze verordening toe te passen: de gehele jaaruitkering
                    wordt immers al teruggevorderd.</al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan
                    ook gen aanleiding voor een verlaging, nog daargelaten dat een verlaging niet op
                    een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd.</al><al>Artikel 36 lid 2</al><al>De hoogte van de maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van
                    de</al><al>inlichtingenplicht wordt vastgesteld in vier, in zwaarte oplopende, categorieën
                    in hoogte en</al><al>duur afhankelijk van de hoogte van het bedrag waarmee de gemeente is benadeeld.
                    Een</al><al>dergelijke categorie-indeling geeft zowel voor de burgers van de gemeente
                    Barneveld als voor</al><al>de uitvoeringsinstantie duidelijkheid.</al><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie</al><al>Onder het huidige boeteregime bestaat de verplichting voor gemeenten om
                    proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie
                    indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 10.000,-
                    (de aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is de bedoeling dat deze
                    taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft bestaan, ook al kent de WWB de
                    bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het niet nakomen
                    van de inlichtingenplicht) een maatregel moeten opleggen.</al><al>Het doen van aangifte wegens fraude sluit overigens het opleggen van een
                    maatregel niet uit. Beide sancties kunnen samen gaan.</al><al>Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de maatregel
                    die is opgelegd door het bestuursorgaan. Dit is het principe van ‘anrechnung’.
                    Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot het opleggen van een
                    maatregel, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’
                    beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige gedraging dan
                    bij beslissing van één enkele overheidsorgaan) kan zich daar tegen verzetten. De
                    centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente) verleden geregeld
                    uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al><al>Artikel 37</al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Het college zal moeten
                    vaststellen wat het onder ‘onverwijld’ verstaat. Immers, de inlichtingen moeten
                        <onderstreept>tijdig</onderstreept> worden verstrekt. Op het
                    mutatieformulier WWB/WIJ/IOAZ/IOAW/BBZ is in ieder geval aangegeven dat
                    belanghebbende de gegevens binnen 7 dagen moet inleveren. In het tweede lid is
                    daarom ook aangegeven dat er sprake is van schending van het inlichtingenplicht,
                    als wijzigingen niet binnen 7 dagen zijn doorgegeven door middel van het
                    mutatieformulier. Hierdoor kan er geen verwarring ontstaan over de termijn
                    waarbinnen inlichtingen moeten worden verstrekt. Het opzettelijk verzwijgen van
                    relevante informatie tegenover de gemeente, met het oogmerk een (hogere)
                    uitkering te krijgen (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van
                    artikel 17 van de wet.</al><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de gemeente
                    worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van de
                    uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de
                    situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van
                    de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Bij het
                    niet-verstrekken van gegevens die noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de
                    rechtmatigheid van de uitkering is verlaging derhalve niet aan de orde.</al><al>Voor zelfstandigen gelden daarnaast andere verplichtingen:</al><al>In artikel 38, tweede lid van het Bbz is bepaald dat de zelfstandige aan wie
                    bijstand wordt verleend verplicht is naar behoren een administratie te voeren en
                    deze op eigen initiatief binnen 6 maanden na afloop van het boekjaar waarin
                    bijstand is verleend, aan het college te overleggen. Die plicht geldt ook als de
                    gemeente om de administratie vraagt, bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te
                    beoordelen in het geval verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde is.</al><al>Artikel 38</al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het verlagen van de bijstandsuitkering. Een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken.</al><al>In het tweede lid is een aantal voorbeelden van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid genoemd. Maar daarnaast kunnen ook andere gedragingen
                    leiden tot verlaging van de bijstand wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid. In het eerste lid is aangegeven dat de uitkering,
                    afhankelijk van de omstandigheden, wordt verlaagd met maximaal 100% van de
                    bijstandsnorm. Dit impliceert dat de verlaging ook lager kan zijn.</al><al>In het derde lid is een afwijkend percentage voor het tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid opgenomen wanneer de belanghebbende langer dan de
                    toegestane periode in het buitenland verblijft. Omdat een verlaging van 100% van
                    de uitkering in dit geval niet reëel is, is gekozen voor een verlaging van 10%
                    van de bijstandsnorm. Daarbij is aangegeven dat uitkering voor de duur van een
                    maand wordt verlaagd voor elke week of deel van een week waarmee het toegestane
                    verblijf is overschreden. In dit geval wordt bij een deel van een week verstaan
                    meer dan 3 dagen. Ter illustratie volgen hieronder 2 voorbeelden: Iemand die een
                    week en 3 dagen te lang in het buitenland verblijft wordt afgestemd met 10%
                    gedurende 1 maand.</al><al>Iemand die een week en 4 dagen in het buitenland verblijft wordt afgestemd met
                    10% gedurende 2 maanden.</al><al>Artikel 38a</al><al>Door artikel 38a op te nemen in de verordening, wordt mogelijk gemaakt de
                    bijstandsuitkering van de belanghebbende te verlagen, wanneer hij niet bereid is
                    naast of in aanvulling op reguliere arbeid naar vermogen een door het college
                    opgedragen tegenprestatie te leveren. Gelet op de aard van de verplichting, is
                    aansluiting gezocht bij het tweede categorie van de re-integratieverplichtingen,
                    bedoeld in artikel 34 van de verordening. Dit betekent dat de bijstandsuitkering
                    wordt verlaagd met 20% gedurende 2 maanden, wanneer de belanghebbende niet
                    bereid is een opgedragen tegenprestatie te leveren.</al><al>Artikel 39 lid 1</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen de bijstandsuitkering verlagen indien er
                    een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen
                    voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat
                    in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van WWB.</al><al>Artikel 39 lid 2</al><al>In het tweede lid is bepaald dat gemeenten de bijstandsuitkering kunnen verlagen
                    ook indien er geen verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke)
                    belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een
                    uitkering. Het beledigen of mishandelen van een ambtenaar houdt geen
                    rechtstreeks verband met de uitvoering van WWB, maar wordt wel gezien als het
                    ‘zeer ernstige misdragen’ jegens het college.</al><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een verlaging. Er kan dus geen verlaging worden toegepast als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk de uitkering te
                    verlagen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht
                    op arbeidsinschakeling (artikel 34, derde lid, van deze verordening). </al><al>Artikel 39 lid 3</al><al>Om te voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over wat een zeer ernstige
                    misdraging is, is er gekozen voor het benoemen van afzonderlijke acties. In de
                    handreiking van Divosa die rond agressiebeheersing is uitgebracht, wordt de aard
                    van het agressief gedrag gekoppeld aan drie “acties”: ontzegging toegang
                    stadhuis, aangifte bij de politie en verhaal van schade. Als er sprake is van
                    één van deze drie “acties“, dan is er in ieder geval sprake van een zeer
                    ernstige misdraging en wordt er dus op grond van de WWB een verlaging toegepast.
                    Maar daarnaast kunnen ander acties natuurlijk ook leiden tot verlaging van de
                    bijstand. Dat moet per geval worden beoordeeld.</al><al>Artikel 39a</al><al>In artikel 18 vierde lid e.v. van de wet is bepaald dat het college de bijstand
                    verlaagt wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat de belanghebbende niet of
                    niet in voldoende mate de Nederlands taal beheerst. De wijze waarop dat gebeurt
                    is al in de wet (artikel 18, vijfde tot en met dertiende lid) geregeld.
                    Volledigheidshalve is in deze regeling bepaald dat genoemde bepalingen uit de
                    wet worden toegepast, wanneer genoemde situatie zich voordoet.</al><al>Artikel 39b</al><al>De alleenstaande ouder met kinderen tot 5 jaar kan op grond van artikel 9a,
                    eerste lid van de wet ontheffing van de sollicitatieplicht, bedoeld in artikel
                    9, eerste lid onderdeel a van de wet, krijgen. De belanghebbende heeft in dat
                    geval nog wel de re-integratieplicht, bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel
                    b van de wet. Wanneer uit houding en gedragingen van de belanghebbende blijkt
                    dat hij deze verplichtingen niet wil komen, trekt het college de verleende
                    ontheffing in (artikel 9, vijfde lid van de wet). Op grond van artikel 9a,
                    twaalfde lid moet het college de bijstandsuitkering in een dergelijke situatie
                    verlagen. Met deze wijziging van de verordening wordt het percentage en de duur
                    van de verlaging bepaald. Er is aansluiting gezocht bij het tweede categorie van
                    de re-integratieverplichtingen. Dit betekent dat de bijstandsuitkering wordt
                    verlaagd met 20% gedurende 2 maanden, wanneer de belanghebbende niet bereid is
                    een opgedragen tegenprestatie te leveren.</al><al>Artikel 40</al><al>Wanneer aan de belanghebbende bepaalde verplichtingen worden opgelegd, die niet
                    expliciet zijn genoemd in de wet of hoofdstuk 2 van de verordening, en hij komt
                    deze verplichtingen niet na, dan is dit ook een afstemmingswaardige gedraging.
                    De uitkering wordt dan verlaagd met 10% van de norm voor de duur van 1
                    maand.</al><al>Hoofdstuk 4: Toeslagen en verlagingen</al><al>Inleiding</al><al>Als gevolg van het van kracht worden van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft de
                    gemeente Barneveld het plaatselijke beleid voor het verstrekken van toeslagen en
                    het toepassen van verlagingen op de landelijk genormeerde algemene bijstand in
                    de Verordening toeslagen en verlagingen vastgelegd. Ook is in de wet opgenomen
                    dat de regels voor het verhogen of verlagen van de norm bij verordening moeten
                    worden vastgelegd (door de gemeenteraad). In hoofdstuk 4 van de verordening zijn
                    de regels over toeslagen en verlagingen opgenomen.</al><al>Hoofdstuk 4 van de verordening is van toepassing op personen van 27 jaar of
                    ouder, doch jonger dan 65 jaar. Voor bijstandsgerechtigden die 65 jaar en ouder
                    zijn, gelden aparte, wettelijke regels. Jongeren van 18 tot 27 jaar behoren
                    komen op grond van de WIJ in aanmerking voor een inkomensvoorziening, al dan
                    niet verhoogd met een toeslag.</al><al>Artikel 1 en 41 Begripsomschrijvingen</al><al>De begrippen die in de verordening zijn gehanteerd hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB.</al><al>a. norm</al><al>In artikel 21 tot en met 24 van de wet is het bedrag van de norm per
                    kalendermaand vastgesteld voor de wettelijke categorieën belanghebbenden. Omdat
                    deze verordening niet van toepassing is op personen, die jonger dan 27 jaar of
                    65 jaar en ouder zijn, gaat het in de praktijk om de normen genoemd in artikel
                    21 van de wet.</al><al>b. woonkosten</al><al>Deze omschrijving is nog altijd ontleend aan de oude Algemene Bijstandswet.</al><al>Hiermee is aansluiting gezocht bij de huidige werkwijze. Voor de woonkosten van
                    een huurwoning wordt aangesloten bij de minimum huurgrens die de Wet op de
                    huurtoeslag hanteert. Voor de woonkosten van een eigen woning wordt rekening
                    gehouden met de te betalen netto- hypotheekrente en de zakelijke lasten, die
                    noodzakelijkerwijs aan het hebben van een eigen woning verbonden zijn. Voor wat
                    betreft de hypotheekrente gaat het hierbij om de rente voor het deel van de
                    hypotheek, dat is afgesloten voor de financiering van de woning. Rente verbonden
                    aan een deel van de hypotheek, dat betrekking heeft op -bijvoorbeeld- de
                    financiering van duurzame gebruiksgoederen, wordt niet tot de woonkosten
                    gerekend.</al><al>c. medebewoning</al><al>Indien volgens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens of feitelijk
                    één of meerdere perso(o)n(en), die niet beho(o)r(t)(en) tot het gezin van de
                    belanghebbende, zijn hoofdverblijf in de woning van belanghebbende heeft, is er
                    sprake van medebewoning. Onder gezin wordt verstaan de eventuele ouders, partner
                    en/of kind(eren).</al><al>d. Beroepsmatige verzorging</al><al>Met beroepsmatige hulpverlening wordt gedoeld op verzorging of verpleging in een
                    inrichting. Indicatiestelling vindt plaats door onderzoek van een medisch
                    adviseur, tenzij een en ander genoegzaam uit de feitelijke omstandigheden
                    afgeleid kan worden. In de oude verordening kwam dit begrip niet als zodanig
                    voor.</al><al>Artikel 42</al><al>Omdat de gewijzigde WWB geen gehuwdennorm meer kent zijn de termen gehuwden, en
                    gehuwdennorm in de verordening gewijzigd in: gezin, gezinsnorm, gezinsleden en
                    een gezin.</al><al>Artikel 30 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt voor welke
                    categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd. De categorie-indeling is
                    gebaseerd op de wet. De begrippen zijn nader uitgelegd in artikel 4 van de wet.
                    De alleenstaande en alleenstaande ouder kunnen in aanmerking komen voor een
                    toeslag die maximaal 20% van de gezinsnorm bedraagt. De norm voor een gezin kan
                    in bepaalde, hieronder beschreven omstandigheden, met eenzelfde bedrag verlaagd
                    worden.</al><al>Artikel 43 lid 1</al><al>Bij de vaststelling van de landelijke norm voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder is de wetgever uitgegaan van de veronderstelling dat
                    belanghebbende de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. Indien dit niet
                    het geval is, wordt de norm verhoogd met een toeslag. Voor het bepalen van de
                    hoogte van de toeslag worden alle extra algemeen noodzakelijke bestaanskosten in
                    aanmerking genomen die de alleenstaande of de alleenstaande ouder heeft ten
                    opzichte van degene, die met zijn partner een gezamenlijke huishouding voert.
                    Artikel 30, lid 2 van de wet schrijft voor dat de toeslag, onverminderd het
                    bepaalde in artikel 27, 28 en 29 van de wet, voor de alleenstaande en de
                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen in wiens woning geen
                    ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt bepaald op het maximumbedrag. De maximale
                    toeslag komt neer op het bedrag genoemd in artikel 25, lid 2 van de wet. Dit
                    bedrag komt overeen met 20% van de gezinsnorm.</al><al>Artikel 43 lid 2</al><al>Dit lid geeft een aantal uitzonderingen op de regel van het eerste lid dat
                    alleen recht op de maximale toeslag bestaat, indien alleen de belanghebbende
                    zijn hoofdverblijf in zijn woning heeft.</al><al>De bedoeling van de eerste uitzondering is te voorkomen, dat men als gevolg van
                    financiële consequenties zou afzien van het in huis nemen van een zorgbehoevende
                    of dat de belanghebbende als zorgbehoevende zou afzien van het in huis nemen van
                    een ander als verzorgende. De belanghebbende of de ander zou dan op verzorging
                    in een verzorgingstehuis, verpleeginrichting of andere inrichting zijn
                    aangewezen. Dit komt niet overeen met het streven om zorgbehoeftigen zo lang en
                    zoveel als mogelijk zelfstandig te laten functioneren en wonen. Dat de
                    zorgbehoevende ondanks de medebewoning aangewezen blijft of wordt op
                    professionele thuiszorg, die de zorgverlenende medebewoner ondersteunt, doet
                    niet af aan het recht op een toeslag. Deze uitzondering is in de oude
                    verordening niet als zodanig opgenomen, doch sluit thans aan bij hetgeen in veel
                    gemeenten gebruikelijk is.</al><al>Indien één of meer kinderen jonger dan 21 jaar hun hoofdverblijf hebben bij de
                    ouder blijft de toeslag eveneens 20% van de gezinsnorm. Veelal hebben deze
                    jongeren een laag inkomen zoals studiefinanciering, of een bijstandsuitkering.
                    Als gevolg daarvan gaat het delen van de bestaanskosten vaak moeizaam.</al><al>Wanneer kinderen van 21 jaar of ouder hun hoofdverblijf op hetzelfde adres als
                    hun ouder hebben en die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten
                    hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs,
                    genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000, wordt ook de
                    maximale toeslag van 20% van de gezinsnorm toegekend. In artikel 25, eerste lid,
                    van de WWB wordt bepaald dat algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan van
                    een alleenstaande of een alleenstaande ouder in ieder geval niet gedeeld kunnen
                    worden met een thuisinwonend kind van 18 jaar of ouder die ten hoogste een in
                    aanmerking te nemen inkomen heeft van het bedrag voor levensonderhoud op grond
                    van de WSF.</al><al>Artikel 43 lid 3</al><al>In deze verordening wordt uitgegaan van een minimum toeslag, wanneer één of
                    meerdere perso(o)n(en), die niet tot het gezin van de belanghebbende
                    beho(o)r(t)(en), zijn hoofdverblijf in de woning van belanghebbende heeft.
                    Aangezien sprake is van schaalvoordelen voor deze categorie personen in
                    vergelijking met personen, die hun woning niet delen met anderen, wordt de
                    maximum toeslag gehalveerd en bedraagt 10% van de gezinsnorm. Op welke wijze de
                    voordelen van het delen van de bestaanskosten exact doorwerken tussen de
                    verschillende medebewoners onderling is voor de uitvoering van de wet niet van
                    belang. Deze toeslag is dus ook van toepassing op zowel ouders als hun inwonende
                    kinderen, die 21 jaar of ouder zijn en geen opleiding volgen zoals bedoeld in de
                    Wet studiefinanciering 2000 of hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                    onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al><al>Met andere woorden: voor het bepalen van de toeslag is niet doorslaggevend dat
                    iemand de kosten daadwerkelijk betaalt. Ook als een kind bij de ouders inwoont
                    en geen enkele bijdrage (in welke vorm ook) betaalt krijgt betrokkene gewoon een
                    toeslag.</al><al>Artikel 43 lid 4</al><al>Op grond van artikel 28 van de wet bestaat de mogelijkheid om de landelijke norm
                    of toeslag lager vast te stellen als de belanghebbende recent zijn scholing of
                    beroepsopleiding heeft beëindigd. De bijstandsuitkering ligt - veelal
                    aanmerkelijk - hoger dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van
                    studiefinanciering gelden. Waar de belanghebbende tijdens de studieperiode de
                    bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering,
                    nemen zijn noodzakelijke kosten niet onmiddellijk toe als hij zijn studie
                    beëindigt en als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt. De hoogte van de
                    noodzakelijke bestaanskosten tijdens de studie veranderen niet door een
                    bijbaantje of stagevergoeding. Daarom spelen de inkomsten hieruit geen rol bij
                    de bepaling van de uitkeringshoogte van de schoolverlater. De verlaging van de
                    bijstandsuitkering kan slechts plaatsvinden in de periode van een half jaar na
                    de beëindiging van de scholing of beroepsopleiding.</al><al>In twee situaties kan de hoogte van de uitkering lager zijn dan de
                    studiefinanciering, te weten ten aanzien van de uitwonende alleenstaande ouder
                    of de uitwonende gehuwde, waarvan beide partners schoolverlater zijn. In dat
                    geval kan aan de hand van de concrete situatie worden beoordeeld of toepassing
                    van de hardheidsclausule aangewezen is. Het mag er immers niet toe leiden dat
                    mens als gevolg van studiebeëindiging niet meer in de kosten van levensonderhoud
                    kan voldoen.</al><al>Als tijdstip van beëindiging geldt de eerste dag van de maand waarin geen
                    aanspraak meer bestaat op een toelage in het kader van de Wet Studiefinanciering
                    dan wel de eerste dag van de maand volgend op die waarin het onderwijs of de
                    beroepsopleiding daadwerkelijk beëindigd is.</al><al>Omdat (alleenstaande) ouders met meerderjarige kinderen tot het gezin behoren en
                    daardoor een gezamenlijke gezinsuitkering ontvangen, zijn de onderdelen b en c
                    van de artikelen 43, tweede lid en artikel 45, tweede lid uit de verordening
                    overbodig. Daarom zijn genoemde onderdelen uit de verordening verwijderd. In
                    beide artikelen is een nieuw onderdeel b toegevoegd. Met deze toevoeging wordt
                    voorkomen dat het inwonen van het niet tot het gezin behorende meerderjarige
                    kind gevolgen heeft voor de <onderstreept>uitkeringsnorm</onderstreept> van het
                    gezin of de alleenstaande(ouder). Let op: het inkomen van dit kind heeft wel
                    invloed op de <onderstreept>bijstandsuitkering</onderstreept> (artikel 32, derde
                    lid WWB)!</al><al>In de leden 5 en 6 van artikel 43 zijn afwijkende toeslagen voor 21- en
                    22-jarigen opgenomen, omdat het college van oordeel is dat het verstrekken van
                    een toeslag gezien de hoogte van het minimumloon een drempel zou kunnen zijn om
                    werk te aanvaarden.</al><al>Artikel 44</al><al>De bijstandsuitkering wordt geacht voldoende te zijn om in de algemeen
                    noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen
                    maken daar deel van uit. Indien de belanghebbende geen woonkosten heeft als
                    gevolg van zijn woonsituatie heeft de gemeente de bevoegdheid (de norm) of de
                    toeslag lager vast te stellen. Hiervan is sprake als er een woning wordt bewoond
                    waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld krakers. Het kan ook zijn
                    dat er een woning wordt bewoond waaraan voor de uitkeringsgerechtigde geen
                    woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld wanneer een derde de woonlasten betaalt,
                    zoals een onderhoudsplichtige. Indien er geen woonkosten zijn wordt de norm niet
                    verhoogd met een toeslag. De belanghebbende blijft als gevolg van dit artikel in
                    ieder geval beschikken over de landelijke norm.</al><al>Artikel 45</al><al>Terwijl in artikel 43 voor de alleenstaande en alleenstaande ouder sprake is van
                    verhoging van de landelijke norm met een toeslag, is - gelet op de systematiek
                    van de wet - bij een gezin sprake van een verlaging van de norm. Dit is dezelfde
                    systematiek als omschreven bij de alleenstaande en alleenstaande ouder. Dit
                    geldt ook indien één van de dan wel beide gehuwden als schoolverlater is/zijn
                    aan te merken.</al><al>Zie toelichting artikel 43!</al><al>Artikel 46</al><al>De bijstandsuitkering voor een gezin wordt geacht voldoende te zijn om in de
                    algemeen noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het
                    wonen maken daar deel van uit. Indien de belanghebbende geen woonkosten heeft
                    als gevolg van zijn woonsituatie heeft de gemeente de bevoegdheid (de norm) of
                    de toeslag lager vast te stellen. Hiervan is sprake als er een woning wordt
                    bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld krakers. Het kan
                    ook zijn dat er een woning wordt bewoond waaraan voor de uitkeringsgerechtigde
                    geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld wanneer een derde de woonlasten
                    betaalt, zoals een onderhoudsplichtige. Op grond van dit artikel wordt de
                    uitkering verlaagd met 20% van de gezinsnorm.</al><al>Artikel 47</al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden zoals genoemd in de
                    artikelen 45 en 46, dient rekening gehouden te worden met de effecten van een
                    cumulatie van verlagingen. Door dit artikel wordt cumulatie voorkomen, waardoor
                    de uitkering voldoende is om in de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan te
                    voorzien.</al><al>Hoofdstuk 5: Handhaving</al><al>In dit hoofdstuk zijn regels te zijn opgenomen voor de bestrijding van het ten
                    onrechte ontvangen van uitkering alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Hier ligt tevens een relatie met de sancties, zoals vastgelegd in de hoofdstuk 3
                    van deze verordening, die een gemeente een belanghebbende op kan leggen indien
                    deze persoon ernstig tekortkomend gedrag vertoont.</al><al>Artikel 48</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 49</al><al>In het Beleidsplan Hoogwaardige Handhaving zijn de preventieve en repressieve
                    maatregelen opgenomen gericht op het voorkomen en bestrijden van fraude.</al><al>Gekozen is om het concept ‘Hoogwaardig Handhaven’ als referentie te gebruiken.
                    Dit instrumentarium is ontwikkeld door het Ministerie van SZW om gemeenten te
                    ondersteunen bij het vorm en inhoud geven aan een integrale handhavingpraktijk.
                    Het instrumentarium bestaat uit een combinatie van preventieve en repressieve
                    elementen. Het uiteindelijke doel van het instrument Hoogwaardig Handhaven is
                    dat (potentiële) cliënten de wet- en regelgeving uit zichzelf naleven.</al><al>Artikel 50</al><al>Deze artikelen behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 51</al><al>Met dit artikel wordt een relatie gelegd met het opleggen van een afstemming,
                    zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven.</al><al>Artikel 52</al><al>Bepaald wordt dat ten onrechte verstrekte uitkering, als gevolg van het niet
                    nakomen van de inlichtingenplicht moet worden teruggevorderd. Met dit artikel
                    wordt tevens een link gelegd met de Beleidsregels terugvordering en verhaal. In
                    deze Beleidsregels is de wijze van terug- en invordering geregeld.</al><al>Artikel 53</al><al>Zie toelichting bij artikel 36 tweede lid.</al><al>Artikel 54 en 55</al><al>In deze artikelen is de plicht en de wijze van controle geregeld. De gemeente is
                    verplicht om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren.</al><al>Hoofdstuk 6: Slotbepaling</al><al>Artikel 57</al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als strikte
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt. Bij het afwijken van de
                    bepalingen kunnen de rechten van belanghebbende op basis van deze verordening
                    niet worden aangetast.</al><al>Artikel 58</al><al>Per 1 januari 2010 is de uitvoering van de WWB voor 65 plussers opgedragen aan
                    de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Voor afstemming van de uitkering maakt de SVB
                    gebruik van de ministeriele regeling Maatregelenbesluit
                    Socialeverzekeringswetten. Omdat dit besluit slechts kan worden toegepast nadat
                    de gemeenteraad de verordening heeft aangepast, is deze bepaling opgenomen in de
                    verordening.</al><al>Artikel 58a</al><al>In artikel 78s van de wet is bepaald dat de persoon die op de dag voor
                    inwerkingtreding van deze wet een zelfstandig recht op algemene bijstand heeft,
                    het recht op algemene bijstand gedurende de zes maanden na inwerkingtreding van
                    deze wet niet eindigt, als gevolg van de nieuwe definitie van het gezin. Dit
                    geldt ook voor de jongeren die een inkomensvoorziening op grond van de WIJ
                    ontvangen en deze als gevolg van het bereiken van de leeftijd van 27 jaar is
                    omgezet in een algemene bijstand op grond van de WWB. Daarom is in dit artikel
                    geregeld dat de bepalingen van dit hoofdstuk van de verordening zoals die voor
                    inwerkingtreding van deze regeling luiden, van toepassing blijven op de
                    belanghebbende die op dat moment recht op algemene bijstand heeft. Na zes
                    maanden zijn alle inkomensvoorzieningen omgezet in een algemeen bijstand, zodat
                    dit artikel niet meer nodig is. daarom kan dit artikel na zes maanden
                    vervallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>