<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR74132_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:creator><dcterms:modified>2000-01-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oss</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oss Actueel 12-01-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2000-01-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010-96</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gemeenteraad</al><al/><al/><al/><al>Onderwerp: Volgnummer 2010-96</al><al>Vaststellen Verordening Wmo 2011 Dienst/afdeling SCEMO</al><al/><al>De raad van de gemeente Oss;</al><al/><al>gezien het voorstel van de Stuurgroep Oss-Lith d.d. 23 november 2010,</al><al>besluit: vast te stellen de navolgende verordening:</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>Compensatieplicht: de opdracht aan het gemeentebestuur om
                                    personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige
                                    uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in
                                    staat tot maatschappelijke participatie. De compensatieplicht
                                    heeft tenminste betrekking op zelfredzaamheid en deelname aan
                                    het normale maatschappelijk verkeer te weten:</al></li><li nr="o"><al>het kunnen voeren van een huishouden;</al></li><li nr="o"><al>het normale gebruik van een woning;</al></li><li nr="o"><al>het zich kunnen verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="o"><al>het zich lokaal kunnen verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="o"><al>het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden
                                    bij regionale, bovenregionale en landelijke
                                    vervoerssystemen;</al></li><li nr="o"><al>het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                                    onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen
                                    deelnemen aan het lokale sociaal maatschappelijk leven.</al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                    uitvoeren van activiteiten;</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                                    problemen, beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van
                                    activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden,
                                    bij het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen in en
                                    om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
                                    en bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan
                                    aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet.;</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                                    financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li><li nr="h."><al>Voorziening: een voorziening die verschaft wordt in het kader
                                    van deze verordening is een voorziening die gericht is op het
                                    opheffen dan wel verminderen van beperkingen en/of belemmeringen
                                    die een individu ondervindt bij zijn zelfredzaamheid of zijn
                                    normale deelname aan het maatschappelijke verkeer. De
                                    voorziening beoogt altijd beperkingen en/of belemmeringen te
                                    compenseren om een functioneringsniveau mogelijk te maken dat
                                    vergelijkbaar is met iemand die de bedoelde voorzieningen niet
                                    nodig heeft.</al></li><li nr="i."><al>Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="j."><al>Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate
                                    oplossing biedt;</al></li><li nr="k."><al>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het
                                    college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een voorziening in natura, een
                                    financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget betaald
                                    moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning van toepassing zijn;</al></li><li nr="l."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="m."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag zoals bedoeld in artikel
                                    6 en 6 a van de wet waarmee de aanvrager een of meer aan hem te
                                    verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in deze
                                    verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                    gestelde regels van toepassing zijn;</al></li><li nr="n."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="o."><al>Forfaitair bedrag; een door de gemeente vastgesteld bedrag dat
                                    als tegemoetkoming wordt verstrekt en dat niet evenredig is aan
                                    de werkelijk gemaakte kosten.</al></li><li nr="p."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon
                                    als de aanvrager behorend.</al></li><li nr="q."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven
                                    voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten
                                    van een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="r."><al>Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te betalen bijdrage,
                                    gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de verstrekking van
                                    een voorziening door de aanvrager wordt bespaard omdat deze
                                    verstrekte voorziening een algemeen gebruikelijke voorziening
                                    vervangt dan wel kan vervangen.</al></li><li nr="s."><al>Leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde personen die al
                                    dan niet tezamen met een of meer ongehuwde personen duurzaam een
                                    huishouden voeren, dan wel uit een meerderjarige ongehuwde
                                    persoon die met een of meer ongehuwde personen duurzaam een
                                    huishouden voert. Onder gehuwde personen worden ook begrepen de
                                    ongehuwd samenwonenden en andere volwassenen die met elkaar
                                    en/of met minder- dan wel meerderjarige kinderen
                                    samenwonen.</al></li><li nr="t."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een woning bewoont.</al></li><li nr="u."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is.</al></li><li nr="v."><al>ICF-classificatie: de International Classification of
                                    Functioning, Disability and Health, een uniform begrippenkader,
                                    wordt in de WMO gebruikt als afwegingskader en als grondslag om
                                    de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                                    stellen ofwel te typeren.</al></li><li nr="w."><al>Hulp bij het huishouden: onder huishoudelijke hulp wordt
                                    verstaan het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten
                                    op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband
                                    met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening
                                    of beperking, een verstandelijke, lichamelijk of zintuiglijk
                                    handicap of psychosociaal probleem die leidt tot het
                                    disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van een
                                    persoon dan wel de leefeenheid waartoe een persoon behoort, te
                                    verlenen door een instelling of via een PGB.Hulp in het
                                    huishouden kan plaatsvinden op grond van de indicatie
                                    Huishoudelijke Verzorging 1 (HH1) dan wel Huishoudelijke
                                    Verzorging 2 (HH2).</al></li><li nr="x."><al>Inkomen:</al><lijst><li nr="1."><al>het netto-inkomen;</al></li><li nr="2."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de ouders of
                                            pleegouder van de ondersteuningsbehoevende, indien de
                                            ondersteuningsbehoevende jonger is dan 18 jaar en geen
                                            echtgenoot heeft in de zin van artikel 1 lid 2 tot en
                                            met 7 van de wet;</al></li><li nr="3."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de
                                            ondersteuningsbehoevende en zijn echtgenoot, indien de
                                            ondersteuningsbehoevende een echtgenoot heeft in de zin
                                            van artikel 1 lid 2 tot en met 7 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="y."><al>Norminkomen: de normen, genoemd in paragraaf 3.2 van de Wet werk
                                    en bijstand, omgerekend tot een bedrag per kalenderjaar, waarbij
                                    deze normen voor een belanghebbende van 21 jaar of ouder doch
                                    jonger dan 65 jaar die een alleenstaande of een alleenstaande
                                    ouder is, en die niet in een inrichting verblijft, eerst zijn
                                    verhoogd met de toeslag, genoemd in artikel 25 lid 2 van de Wet
                                    werk en bijstand, en de normen van een alleenstaande of gehuwde,
                                    die in een inrichting verblijft, eerst zijn verhoogd met de
                                    bedragen, genoemd in artikel 23 lid 2 van de Wet werk en
                                    bijstand;</al></li><li nr="z."><al>Huishoudelijke Verzorging 1 en 2 (HH1 en HH2): indicatie van het
                                    soort huishoudelijke werkzaamheden in de categorie HH1
                                    (huishoudelijke werkzaamheden)dan wel HH2 (huishoudelijke
                                    werkzaamheden en organisatie van het huishouden), zoals
                                    omschreven in de toelichting in de verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de adequaat
                                        goedkoopste voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li><li nr="d."><al>het aantoonbare beperkingen betreft op grond van ziekte of
                                        gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                                        problemen,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Oss;</al></li><li nr="c."><al>vervallen</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="e."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="f."><al>voorzover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="g."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="h."><al>voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of
                                        privaatrechtelijke overeenkomst aanspraak bestaat op een
                                        voorziening</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de keuze tussen deze voorzieningen wordt
                            geboden aan de hand van de in het <cursief>Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Oss</cursief> neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst gemeente Oss van toepassing behalve wanneer de
                            voorziening in eigendom wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het <cursief>Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss</cursief> in de
                            beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 lid 1 en 6
                                a van de wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget wordt, met
                                        uitzondering van het persoonsgebonden budget voor vergoeding
                                        van een arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de
                                        Wet op de loonbelasting 1964, afgeleid van de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie te verstrekken voorziening
                                        in natura;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss;</al></li><li nr="d."><al>op het persoonsgebonden budget is de Overeenkomst
                                        persoonsgebonden budget gemeente Oss van toepassing.</al></li><li nr="e."><al>Vervallen</al></li><li nr="f."><al>het persoonsgebonden budget wordt indien nodig aangevuld met
                                        een vergoeding voor instandhoudingkosten, zoals vastgelegd
                                        in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                        Oss,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking ten behoeve van een persoonsgebonden budget voor
                                vervoers-, woon- en rolstoelvoorzieningen wordt een programma van
                                eisen verstrekt waarin aangegeven is aan welke vereisten de met het
                                persoonsgebonden budget te verwerven voorziening dient te
                                voldoen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden budget
                                ter beschikking gesteld door storting op de rekening van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college gaat in de regel steekproefsgewijs na of het verstrekte
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het
                                verstrekt is.</al><al> De budgethouder is verplicht de daarvoor noodzakelijke stukken,
                                zoals genoemd in het B<cursief>esluit maatschappelijke ondersteuning
                                    gemeente Oss</cursief> , op verzoek van het college per omgaande
                                te verstrekken. Het betreft hier dan:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Na ontvangst van de in het vorige lid bedoelde bescheiden wordt door
                                het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het persoonsgebonden
                                budget geheel of ten dele terug te vorderen of te verrekenen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De wijze van controle bij de verstrekking van persoonsgebonden
                                budgetten zal nader worden geregeld in de <cursief>Beleidsregels
                                    Wmo.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening op grond van de wet
                            voor hulp bij het huishouden is de aanvrager een eigen bijdrage
                            verschuldigd welke wordt afgestemd op het inkomen. Het college legt in
                            het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Oss</cursief> de omvang van deze eigen inbreng vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Recht op hulp bij het huishouden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.
                                    onderdeel 4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 8 onder a.
                                    en b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of
                                            een chronisch psychisch probleem dan wel een chronisch
                                            psychosociaal probleem; of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li></lijst></li></lijst><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                            maken.</al><al>2.In afwijking van artikel 2, eerste lid onder a. kan het college onder
                            bepaalde omstandigheden een huishoudelijke voorziening verstrekken,
                            indien er geen langdurige noodzaak is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 9 komt een persoon als
                                bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van
                                de wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de
                                leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer
                                huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te
                                verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het indiceren van hulp bij het huishouden zal met betrekking tot
                                het inschakelen van huisgenoten bij huishoudelijk werk eerst een
                                toets plaatsvinden of deze taken door de betreffende huisgenoten
                                adequaat kunnen worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het uitvoeren van de in het tweede lid genoemde toets zullen met
                                name individuele omstandigheden, reële mogelijkheden en beperkingen
                                van de huisgenoot worden meegewogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt
                                uitgedrukt in uren, afgerond op halve uren, per week. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vervallen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die per tijdseenheid van een uur, zoals genoemd in artikel
                            11, in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, worden
                            jaarlijks door het college vastgesteld en vastgelegd in het
                                <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Oss</cursief>.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen die een persoon
                            ondervindt bij het normale gebruik van zijn woonruimte, te verstrekken
                            woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Recht op individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>1.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 13, onder a. b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            op grond van ziekte of gebrek of een chronisch psychisch probleem dan
                            wel een chronisch psychosociaal probleem een aanpassing aan de woning
                            noodzakelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De in artikel 13 onder a., b. en c. genoemde voorzieningen kunnen
                                bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                        woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                        herinrichtingskosten;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie</al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="g."><al>huurderving;</al></li><li nr="h."><al>het verwijderen van voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het 1<sup>e</sup> lid onder b genoemde voorziening kan onder
                                andere bestaan uit woningsanering in verband met astmatische
                                klachten en huisstofmijtallergie dan wel uit rolstoeltapijt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15,1<sup>e</sup> lid onder c. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek of een
                                chronisch psychisch probleem dan wel een chronisch psychosociaal
                                probleem het normale gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15, 1<sup>e</sup> lid onder a. en b.. in aanmerking worden gebracht
                                wanneer de in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is,
                                niet de adequaat goedkoopste voorziening is dan wel verhuizing niet
                                gewenst is op grond van de criteria als opgenomen in de
                                    <cursief>Beleidsregels Wmo gemeente Oss 2010</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                15, 1<sup>e</sup> lid onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                sprake is van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van
                                ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd
                                gedrag tot gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan
                                leiden tot een situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder, die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, kan het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>het treffen van voorzieningen aan hotels/pensions,
                                    trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
                                    vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;</al></li><li nr="b."><al>het treffen van voorzieningen in specifiek op mensen met
                                    beperkingen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen
                                    in gemeenschappelijke ruimten dan wel voorzieningen die bij
                                    nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                                    meegenomen kunnen worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt verstaan dat de aanvrager de woonkamer,
                                het toilet en een eenvoudige slaapvoorziening op gelijkvloers niveau
                                kan bereiken en gebruiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is
                                    van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het
                                    normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of gebrek
                                    of een chronisch psychisch probleem dan wel een chronisch
                                    psychosociaal probleem geen aanleiding bestond en er geen andere
                                    belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                    beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning,
                                    tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend
                                    door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                    ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                    extra trapleuningen;</al></li><li nr="d."><al>De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, </al></li><li nr="e."><al>De aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruime die niet
                                    geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden; </al></li><li nr="f."><al>De aanvrager verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                    instelling gericht op het verstrekken van zorg; </al></li><li nr="g."><al>er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale
                                    gebruik van de woning zijn ondervonden; </al></li><li nr="h."><al>de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning
                                    voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                                    materialen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding
                            van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient op grond van het in
                            het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Oss</cursief> door het college vastgelegde afschrijvingsschema te
                            worden terugbetaald.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening eventueel aangevuld met een forfaitaire
                                    vervoerskostenvergoeding;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming voor een vervoersvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder a vermelde
                                voorziening (collectief vervoer) in aanmerking worden gebracht
                                indien aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of een
                                chronisch psychisch probleem dan wel een chronisch psychosociaal
                                probleem</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruik van het openbaar vervoer of</al></li><li nr="b."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de persoon als bedoeld in het eerste lid kan naast een algemene
                                voorziening in de vorm van een collectieve vervoersvoorziening
                                eveneens een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 22 onder b
                                worden toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22, onder b, c, en d vermelde
                            voorzieningen in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                            beperkingen op grond van ziekte of gebrek , een chronisch psychisch
                            probleem of een chronisch psychosociaal probleem dan wel individuele
                            sociale factoren het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in
                            artikel 22, onder a., onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Inkomensgrenzen vervoersvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het inkomen van een aanvrager hoger is dan 1½ x het
                                norminkomen, wordt geen <onderstreept>vervoersvoorziening in
                                    natura</onderstreept> als bedoeld in artikel 22 onder b. in de
                                vorm van een bruikleenauto dan wel een vervoersvoorziening in natura
                                in de vorm van een snorfiets of een fiets met trapondersteuning
                                verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het inkomen zoals bedoeld in artikel 1.1, onder b, van de
                                Verordening voorzieningen gehandicapten hoger is dan 1½ x het
                                norminkomen, wordt geen financiële tegemoetkoming als bedoeld in
                                artikel 22 onder c. verstrekt in de kosten van een
                                vervoersvoorziening in de vorm van het gebruik van taxi,
                                rolstoeltaxi, eigen auto of bruikleenauto, dan wel een
                                vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                                voor de aanschaf van een snorfiets of fiets met
                                trapondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het inkomen van een aanvrager hoger is dan 1½ x het
                                norminkomen, wordt geen persoonsgebonden budget als bedoeld in
                                artikel 22 onder d. verstrekt in de kosten van een
                                vervoersvoorziening in de vorm van een bruikleenauto, in de vorm van
                                een snorfiets of fiets met trapondersteuning, dan wel in de vorm van
                                het forfaitaire bedrag ten behoeve van de aanschaf van een gesloten
                                buitenwagen, (rolstoeltoegankelijke) auto dan wel rolstoelbus zoals
                                omschreven in artikel 8, 1<sup>e</sup> lid van het <cursief>Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning</cursief>.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het inkomen van een aanvrager hoger is dan 1½ x het
                                norminkomen, wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt in de
                                vorm van een forfaitair bedrag naast de vervoersvoorziening in de
                                vorm van collectief vervoer.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van hetgeen is gesteld in het eerste, tweede en derde
                                lid zal, in gezinssituaties waarin sprake is van meer dan een
                                gehandicapte, geen van de in het eerste lid genoemde voorzieningen
                                worden verstrekt, indien het inkomen hoger is dan 2,25 x het
                                norminkomen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking tot hetgeen is gesteld in het tweede lid van dit
                                besluit, kan bij overschrijding van het norminkomen tot een in het
                                    <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning Oss</cursief>
                                genoemd maximum bedrag een gedeeltelijke financiële tegemoetkoming
                                voor het gebruik van een taxi, rolstoeltaxi, eigen auto en
                                bruikleenauto worden toegekend (de glijdende schaal).</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien het inkomen hoger is dan 1,5 x het norminkomen vermeerderd
                                met het maximum bedrag als vermeld in het <cursief>Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning Oss</cursief> wordt men
                                uitgesloten van het recht om tegen betaling van een tarief
                                vergelijkbaar met het openbaar vervoer tarief gebruik te maken van
                                een vervoersvoorziening in de vorm van collectief vervoer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid wordt rekening
                                gehouden met de vervoersbehoefte buiten de directe woon- of
                                leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                                alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek
                                voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een
                                omvang per jaar van 1500 kilometer met een bandbreedte tot 2000
                                kilometer mogelijk maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    sportrolstoel;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget voor een sportvoorziening, anders
                                    dan een sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Recht op rolstoelvoorziening en sportrolstoel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder a. en
                                b. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek dagelijks
                                zittend verplaatsen in en rond de woning noodzakelijk maken en
                                hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 27, onder c. en d. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder
                                sportrolstoel of andere sportvoorziening onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 28, lid 1 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het daartoe ingerichte loket
                            van de gemeente Oss, in welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen
                            betreffende de wet als ook aanvragen zorg inzake de Algemene Wet
                            Bijzondere Ziektekosten kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip ter verstrekking van
                                        nadere informatie;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te betalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen horen
                                        en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een door hen daartoe aangewezen adviesinstantie om
                                advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend die nog
                                        niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening
                                        heeft ingediend en het een voorziening betreft waarvan de
                                        kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                            <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Oss</cursief> te boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen
                                adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen
                                die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                    <cursief>International Classification of Functions, Disabilities
                                    and Health</cursief>, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                chronisch psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt in het <cursief>Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Oss</cursief> regels vast omtrent de
                                wijze waarop de verkrijging van individuele voorzieningen
                                samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het samenhangend afstemmen van de individuele voorzieningen
                                wordt tevens een onderzoek verricht naar de situatie van de
                                aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het samenhangend afstemmen van de individuele voorzieningen
                                hanteert de gemeente de in de toelichting op de verordening
                                neergelegde visie <cursief>Uitvoeringsprotocol WMO individuele
                                    voorzieningen Oss.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist</al><al> waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een
                                        andere beslissing zou </al><al> zijn genomen.</al></li><li nr="c."><al>De voorziening niet met het doel wordt gebruikt waarvoor zij
                                        is verstrekt dan wel in het geheel niet wordt gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet
                                is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval het recht op een voorziening is ingetrokken of herzien kan
                                een op basis daarvan reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of
                                persoonsgebonden budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken of herzien kan deze voorziening worden teruggevorderd
                                indien de voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende <cursief>Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss </cursief>geldende
                            bedragen verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de
                            prijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per <vet>3
                                jaar</vet> geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft
                            wordt deze verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na 2
                            jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een
                            verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening
                            in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 13 januari
                                2011.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <cursief>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss
                                    2010</cursief>, vastgesteld in de vergadering van 11 februari
                                2010, wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding als bedoeld
                                in het vorige lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <cursief>Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss 2011.</cursief></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 3 januari 2011</ondertekening><ondertekening>De gemeenteraad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. P.H.A. van den Akker H.W.M. Klitsie.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Coll:</al><al/><al>Bekend gemaakt d.d. 12 januari 2011</al><al>Bron: Oss Actueel </al><al>In werking getreden d.d. 13 januari 2011</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning Oss</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Aan de invoering van de Wmo per 1 januari 2007 is een behandeling voorafgegaan
                    die door de vele amendementen de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook de <cursief>Wet
                        maatschappelijke ondersteuning</cursief> is een wet die verdere invulling
                    behoeft en uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij
                    de <cursief>Wet maatschappelijke ondersteuning </cursief>is dan bovendien nog
                    sprake van het gegeven dat het kernbegrip van de wet, de zogenaamde
                        c<onderstreept>ompensatieplicht</onderstreept>, bij amendement aan de wet is
                    toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale begrip ontbreekt,
                    met het gevolg dat de toelichting op het amendement uitgangspunt is voor de
                    vormgeving van dit compensatieplicht.</al><al>De <cursief>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        Oss</cursief> geeft invulling aan de in de <cursief>Wet maatschappelijke
                        ondersteuning</cursief> gegeven opdracht regels te stellen bij verordening.
                    In deze verordening is vorm gegeven aan de compensatieplicht zonder de regels
                    van de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> en de regels rond de
                    functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet een vacuüm te laten
                    ontstaan, te meer daar het <onderstreept>overgangsrecht</onderstreept> zoals
                    geregeld in de Wmo bestaande cliënten maximaal één jaar het behoud van de oude
                    rechten op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Wet
                    voorzieningen gehandicapten biedt.</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 5, 6, 15, 19
                    en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de <cursief>Welzijnswet</cursief> en
                    voorzieningen uit de AWBZ en de Wvg bij elkaar. Voorzieningen uit de
                        <cursief>Welzijnswet</cursief> worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. </al><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss</cursief>. De
                    beleidsregels (in Oss bekend als het <cursief>Handboek Wvg</cursief>) worden
                    opgenomen in een vernieuwd handboek WMO.</al><al/><al/><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De kern van de <cursief>Wet maatschappelijke ondersteuning</cursief> wordt
                    gevormd door het begrip <vet>“compensatieplicht</vet>“. Dit begrip is bij
                    amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatieplicht is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid en
                    de Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><al>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te worden.</al><al>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de voorkeur van
                    de Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de Wmo, zodat
                    de wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de Wmo een
                    Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                    bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                    beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad h et niet gewenst een
                    wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking
                    op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de
                    uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak
                    (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend
                    (bijvoorbeeld openbaar vervoer).</al><al>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een verplichting om
                    bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken (zorgplicht), maar te
                    omschrijven in termen van het te bereiken resultaat (compensatieplicht), kan
                    onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht geldt. Om die reden is het
                    volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te nemen wanneer sprake is van
                    een gelijkwaardige uitgangspositie van burgers. Dat is immers het resultaat
                    waarop de gemeente, ook in rechte, kan worden aangesproken. Dit betekent dat
                    geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘zelfredzaamheid’ en
                    ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke activiteiten moet iemand
                    daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</al><al>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te nemen is
                    het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor
                    de indicatiestelling.”</al><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in met
                    name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe
                    de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in
                    ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                    van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                    kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                    bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere
                    mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Health (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.</al><al>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit artikel bij
                    wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke structuur
                    van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen
                    over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van burgers en
                    cliënten daarbij.”</al><al>De uitleg van het begrip “compensatieplicht”wordt in de gemeente Oss nog verder
                    uitgewerkt door het opnemen van het <cursief>Uitvoeringsprotocol WMO individuele
                        voorzieningen Oss</cursief> in de verordening (onder artikel 33,
                    3<sup>e</sup> lid). Het betreft hier de doelstellingen uit het <cursief>Protocol
                        Wvg</cursief> die door de gemeente bij de uitvoering van de WMO worden
                    overgenomen. </al><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatieplicht in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1.1. aanhef en onder b.</al><al>De compensatieplicht geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening
                    onder de vervoersvoorzieningen het begrip algemene voorzieningen opgenomen. Dit
                    type voorziening kwam in de Wvg al voor onder de noemer “collectief vervoer”. In
                    deze verordening wordt het begrip algemene voorziening
                        <onderstreept>alleen</onderstreept> geïntroduceerd voor de
                    vervoersvoorzieningen. Het is mogelijk dat de gemeente in de toekomst ook bij de
                    andere individuele voorzieningen algemene voorzieningen invoert.</al><al>Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen kan
                    organiseren, inkopen en ter beschikking stellen, los van of vooruitlopend op
                    individuele aanvragen terzake. Het zal in de regel gaan om steunpunten, depots,
                    pools, waar de betreffende voorzieningen op voorraad worden gehouden, al of niet
                    op wijkniveau. Algemene voorzieningen kunnen mogelijk in de toekomst in de regel
                    met een minimum aan procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een
                    lichte toegangstoets en zonder eigen bijdragen. Het specifieke van deze
                    voorzieningen is gelegen in het algemene aanbod en de voordelen van deze
                    algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele oplossing van de problemen,
                    zonder bureaucratie en zonder eigen bijdragen. In plaats van de soms complexe
                    advisering wordt in dit kader van het veel lichtere begrip toegangsbeoordeling
                    gebruik gemaakt.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Ad a. (WMO)</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de <cursief>Wet
                        maatschappelijke ondersteuning</cursief> opgenomen citeertitel van de
                    wet.</al><tussenkop>Ad b. (Compensatieplicht)</tussenkop><al>De compensatieplicht is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan
                    het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van
                    dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving
                    van het cruciale begrip compensatieplicht ontbreekt. Daarom staat de
                    begripsomschrijving van de compensatieplicht in de verordening. Voor de
                    begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de <cursief>Raad
                        voor de Volksgezondheid en de Zorg</cursief>, de ‘uitvinder’ van de
                    compensatieplicht. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik
                    gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft de termen
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel “beperkingen op
                    grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel 1, lid 1, onder a. van de
                    Wvg.</al><al>De prestatie van het college gaat uit van de persoonlijke problematiek van de
                    aanvrager. De compensatie is een prestatie die leidt tot omstandigheden waarin
                    de aanvrager zelfredzaam is en de mogelijkheid heeft maatschappelijk te kunnen
                    participeren doordat beperkingen en belemmeringen zijn opgeheven. Wanneer er in
                    redelijkheid vastgesteld kan worden, dat door het college niet aan de
                    compensatie voldaan kan worden, kan er sprake zijn van een AWBZ indicatie. In
                    dat geval bemiddelt het college bij het verkrijgen van de AWBZ voorziening.</al><al>Bij het bepalen en omschrijven van de prestatie die van het college verwacht
                    wordt in het kader van de compensatieplicht geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>bij het bepalen van de compensatie houdt het college rekening met
                            persoonskenmerken, behoeften en wensen van de aanvrager, de
                            omstandigheden waarin de aanvrager verkeert; en de capaciteit van de
                            aanvrager om uit oogpunt van kosten zelf in maatregelen te
                            voorzien.</al></li><li nr="b."><al>bij het bepalen van de compensatie gaat het college in op de motivering
                            van betrokkene.</al></li><li nr="c."><al>het bepalen van de compensatie houdt een typering van de problematiek
                            van de aanvrager in en de gevolgen hiervan voor zijn zelfredzaamheid en
                            maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="d."><al>het college dient aan te geven in hoeverre de maatregelen bijdragen aan
                            het zelfstandig functioneren en bevorderen dan wel behoud van
                            zelfstandigheid en deelname aan het maatschappelijk verkeer
                            gelijkwaardig aan het functioneren van iemand zonder beperkingen of
                            belemmeringen in vergelijkbare omstandigheden.</al></li></lijst><al>Bovenstaande criteria zijn vrijwel identiek aan de in 2003 geformuleerde
                    criteria op grond van het <cursief>Protocol Wvg</cursief> en aan het thans
                    gehanteerde <cursief>Uitvoeringsprotocol WMO individuele voorzieningen
                        Oss</cursief>.</al><al>Een aanvrager heeft geen aanspraak op individuele Wmo - compensatiemaatregelen,
                    wanneer het compensatieniveau om zelfredzaam te blijven vergelijkbaar wordt met
                    een AWBZ indicatie. In dat geval prevaleert de AWBZ als voorliggende
                    voorziening. Met betrekking tot de economische zelfredzaamheid geldt de Wet Werk
                    en Bijstand (WWB) als voorliggende voorziening. Voor de deelname aan sociale
                    verbanden zoals onderwijs en werk gelden bestaande overheidsmaatregelen op de
                    betrokken levensgebieden als voorliggende voorzieningen.</al><al>Het college biedt aan de persoon die aanspraak heeft op een individuele
                    voorziening de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het
                    ontvangen van een hiermee vergelijkbaar budget, tenzij hiertegen overwegende
                    bezwaren bestaan.</al><tussenkop>Ad c. (Beperkingen)</tussenkop><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de <cursief>International
                        Classification of Functioning, Disability, and Health</cursief>, opgesteld
                    door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van
                    de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel
                    genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Health (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als
                    grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen
                    vast te stellen.”</al><al>Het ICF beschrijft de mens vanuit 3 perspectieven. Het perspectief van de mens
                    als organisme, als lichaam (de stoornissen); het perspectief van het menselijk
                    handelen en de activiteiten (de beperkingen) en het perspectief van participatie
                    en deelname aan het maatschappelijk verkeer en biedt daarmee een
                    “standaardtaal”en een schema voor de beschrijving van het menselijk
                    functioneren.</al><al>Factoren die het functioneren van mensen kunnen beïnvloeden bestaan uit medische
                    factoren (ziekte, aandoening, letsel); persoonlijke factoren (leeftijd,
                    opleiding, voedingsgewoonten) en externe factoren.</al><tussenkop>Ad d. (Persoon met beperkingen)</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in
                    verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief criterium
                    nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de <cursief>Wet
                        voorzieningen gehandicapten</cursief> ten aanzien van dit onderdeel op dit
                    begrip van toepassing. Aan deze formulering is de doelgroep “personen met een
                    chronisch psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is
                    afkomstig uit de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><tussenkop>Ad. e. (Mantelzorger)</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet). Opvallend in artikel 4 van de <cursief>WMO</cursief> is de opname van
                    mantelzorgers en vrijwilligers als specifieke doelgroepen voor de
                    compensatieplicht van een gemeente. De Wmo schept ruimte voor drie gemeentelijke
                    benaderingen om een mantelzorger te compenseren: </al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente ontlast een mantelzorger door het bevorderen van
                            zelfredzaamheid van diegene waar de mantelzorger voor zorgt. Het
                            bevorderen van de zelfredzaamheid heeft een verlichting van het werk van
                            de mantelzorger tot gevolg.</al></li><li nr="b."><al>de gemeente compenseert beperkingen, die een mantelzorger ondervindt bij
                            zijn eigen werkzaamheden. Denk hier bijvoorbeeld aan een te zware taak
                            voor de mantelzorger om iemand in en uit bad te tillen.</al></li><li nr="c."><al>De gemeente voorkomt dat een mantelzorger overbelast raakt.
                            Overbelasting kan voorkomen omdat de mantelzorger het huis niet meer
                            uitkomt. En ook voor mantelzorgers is participatie in de zin van het
                            ontmoeten van anderen en deelname aan sociale verbanden van belang. De
                            gemeente kan dan bijvoorbeeld zorg dragen voor goede vervanging van de
                            mantelzorger, zonder nieuwe aanvraag of indicatie. Ook kan een gemeente
                            contacten tussen mantelzorgers stimuleren.</al></li></lijst><tussenkop>Ad f. (Zelfredzaamheid)</tussenkop><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder genoemde
                    amendement-</al><al>Miltenburg c.s., dat het compensatieplicht aan de wet heeft toegevoegd. Onder
                        <cursief>zelfredzaamheid</cursief></al><al>wordt verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële
                    vermogen om zelf </al><al>voorzieningen te treffen.</al><tussenkop>Ad g. (Maatschappelijke participatie)</tussenkop><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatieplicht aan de
                    wet heeft toegevoegd. Onder <cursief>normale deelname aan het maatschappelijk
                        verkeer</cursief> wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren van een
                    huishouden, het normale gebruik van een woning, het zich in en om de woning
                    kunnen verplaatsen, het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan
                    worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen;
                    het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale
                    verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale
                    sociaal-maatschappelijke leven.</al><tussenkop>Ad h. (Voorziening)</tussenkop><al>Een verstrekking die gericht is op het opheffen dan wel verminderen van
                    beperkingen en/of belemmeringen die een individu ondervindt bij zijn
                    zelfredzaamheid of zijn normale deelname aan het maatschappelijke verkeer. De
                    voorziening beoogt altijd beperkingen en/of belemmeringen te compenseren om een
                    functioneringsniveau mogelijk te maken dat vergelijkbaar is met iemand die de
                    bedoelde voorzieningen niet nodig heeft. De voorziening kan een algemene
                    voorziening dan wel een individuele voorziening zijn.</al><tussenkop>Ad i. (Algemene voorziening)</tussenkop><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. </al><al>De enige algemene voorziening die de gemeente Oss nu kent is het collectief
                    vraagafhankelijke vervoer. Bij de overige individuele voorzieningen zijn de
                    algemene voorzieningen (en het primaat daarvan) niet opgenomen.</al><tussenkop>Ad j. (Individuele voorziening)</tussenkop><al>Een voorziening welke specifiek op de aanvrager is afgestemd.</al><tussenkop>Ad k. (Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten)</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet. Deze
                    kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van artikel
                    15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels kunnen
                    worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel van het
                    vaststellen van het (landelijke) <cursief>Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning</cursief>. In dit Besluit wordt bepaald wat de ruimte is die
                    gemeentebesturen hebben voor het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe
                    willen overgaan. In Oss zal de eigen bijdrage worden opgenomen in het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning Oss</cursief>.</al><tussenkop>Ad l. (Voorziening in natura)</tussenkop><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Ad m. (Persoonsgebonden budget)</tussenkop><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag zoals bedoeld in artikel 6 en 6 a van de
                    wet dat de aanvrager onder door het college bepaalde voorwaarden mag besteden
                    aan een compenserende voorziening naar zijn keuze. Een persoonsgebonden budget
                    is in de regel gekoppeld aan de tegenwaarde van de betreffende voorziening.
                    Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende voorzieningen
                    en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss.</cursief></al><tussenkop>Ad n. (Financiële tegemoetkoming)</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven, bedoeld als <cursief>tegemoetkoming</cursief> in de
                    kosten. Hierin wijkt een financiële tegemoetkoming dus af van een
                    persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>Ad o. Forfaitair bedrag</tussenkop><al>Een door de gemeente vastgesteld bedrag als tegemoetkoming in een door de
                    aanvrager gemaakte kosten. Oss kent persoonsgebonden budgetten (bij de
                    vervoersvoorzieningen) die – in afwijking van de gebruikelijke v aststelling van
                    deze vorm van verstrekking – bestaan uit een forfaitair bedrag. Het betreft hier
                    de uit de Wvg afkomstige “persoonsgebonden budgetten”(feitelijk financiële
                    tegemoetkomingen) welke de gemeente in de vorm van een persoonsgebonden budget
                    verstrekte voor de aanschaf van een auto of rolstoelbus. </al><tussenkop>Ad p. (Algemeen gebruikelijk)</tussenkop><al>Evenals onder de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> het geval
                    was, is het ook onder <cursief>de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    </cursief>niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen
                    verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder
                    zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als
                    algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen
                    gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van wat naar geldende maatschappelijke
                    normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van de aanvrager
                    behoort. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor
                    verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel
                    specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen
                    gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de
                    wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                    jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om
                    voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de
                        <cursief>Wet maatschappelijke ondersteuning</cursief> terug, zie hieronder,
                    onder p. </al><tussenkop>Ad q. (Meerkosten)</tussenkop><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociale probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><tussenkop>Ad r. (Besparingsbijdrage)</tussenkop><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt zou sprake kunnen zijn van besparing; er hoeft immers
                    geen algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie
                    van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als
                    besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat
                    de regels op dat gebied niet van toepassing zijn. Oss past momenteel geen
                    besparingsbijdragen toe.</al><tussenkop>Ad s. (Leefeenheid) </tussenkop><al>Met deze definitie worden alle bewoners van één adres die samen een duurzaam
                    huishouden voeren inbegrepen in het begrip leefeenheid. Indien er sprake is van
                    kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden
                    c.q. de leefeenheid gerekend. Een soortgelijke positie wordt ingenomen door
                    mensen die omwille van hun zorgbehoefte op één adres ieder zelfstandig wonen
                    zoals het geval is bij woongemeenschappen van kloosterlingen, ouderen of
                    gehandicapten. Ook hier is dus geen sprake van een leefeenheid.</al><tussenkop>Ad t. (Huisgenoot)</tussenkop><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg (CIZ) werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de
                    AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg</al><tussenkop>Ad u. (Budgethouder)</tussenkop><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><tussenkop>Ad v. (ICF-classificatie)</tussenkop><al>Een ander belangrijk begrip voor de Wmo is de International Classification of
                    Functioning, Disability and Health (ICF). Dit begrip is een internationale
                    classificatie van stoornissen, beperkingen en handicaps. In de ICF wordt het
                    menselijk functioneren vanuit drie perspectieven bekeken:</al><lijst><li nr="1."><al>het functioneren en de eigenschappen van het lichaam</al></li><li nr="2."><al>het functioneren als het uitvoeren van activiteiten of gedrag</al></li><li nr="3."><al>de deelname aan levensgebieden (het sociaal maatschappelijk leven).</al></li></lijst><al>Wanneer iemand gezond is of wanneer iemand ziek is, heeft dat altijd invloed op
                    deze drie perspectieven. </al><al>De ICF gaat ook over twee groepen factoren, namelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>persoonlijke factoren die betrekking hebben op onveranderbare
                            eigenschappen van een persoon</al></li><li nr="2."><al>externe factoren die samen zijn omgeving vormen.</al></li></lijst><al>Al deze factoren hebben invloed op het functioneren. Met het begrippenkader uit
                    de ICF kunnen de persoon en zijn situatie integraal in beeld worden gebracht.
                    Alle relevante aspecten passeren de revue. Hierdoor ontstaat er een
                    objectiveerbaar beeld over de beperkingen en belemmeringen om te participeren. </al><al>In de ICF gaat het om de beschrijving van het functioneren en welzijn van
                    mensen. Het bijzondere karakter van de ICF is dat het geschikt is voor het
                    beschrijven van zowel mensen met en zonder beperkingen en hun omstandigheden. </al><al>Het gebruik van de ICF als begrippenkader heeft nog andere voordelen. Ook kunnen
                    afwijkingen van wat normaal is op een rij gezet worden. Van zelfredzaamheid en
                    normale deelname is sprake in de ICF wanneer:</al><lijst><li nr="·"><al>iemand geen moeite heeft met of beperkingen ondervindt bij de uitvoering
                            van activiteiten</al></li><li nr="·"><al>iemand geen belemmeringen ondervindt bij zijn participatie aan
                            verschillende levensgebieden. </al></li></lijst><al>Het beschrijven van de afwijking van een norm noemt de ICF het typeren van het
                    functioneren. Door het typeren per activiteit wordt een beeld gevormd van de
                    problemen. Een vergelijkbare toepassing van de ICF wordt gebruikt bij het
                    uitwerken van oplossingen. </al><al>Door het normale als norm te nemen, is er een algemene maat voor compensatie:
                    het weg nemen van het verschil tussen normaal functioneren en het functioneren
                    met een beperking is de feitelijke compensatieplicht van een gemeente.</al><al>Essentieel is verder dat de gemeente de regie heeft over een complex geheel van
                    oplossingen. Hiervoor biedt de ICF eveneens uitkomst De verschillende
                    disciplines, vakgebieden of gemeentelijke beleidsterreinen, die bij de
                    maatregelen betrokken zijn, moeten met elkaar kunnen communiceren. Zonder
                    eenheid van taal (in dit geval de ICF als begrippenkader) is de regie van het
                    college onbegonnen werk. Dit speelt niet alleen bij de toegang tot
                    voorzieningen, maar ook bij de uitvoering.</al><al>De ICF biedt de mogelijkheid tot eenduidige communicatie tussen verschillende
                    disciplines binnen een gemeente. Maar ook kan eenduidige communicatie plaats
                    vinden tussen de gemeente en mensen, die betrokken zijn bij de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Voor de voorzieningen in de AWBZ wordt de ICF
                    namelijk ook gebruikt als classificatiesysteem.</al><tussenkop>Ad w. (categorieën HH1 en HH2)</tussenkop><al>Huishoudelijke hulp werd door het CIZ ingedeeld in de categorieën HH1 en HH2.
                    Deze indeling is door de gemeente overgenomen. De gemeente gebruikt deze
                    indeling al bij de indicatie en stelt dan al vast welke categorie huishoudelijke
                    verzorging van toepassing is. Bij hulp in de huishouding wordt uitgegaan van de
                    volgende activiteiten: <cursief>huishoudelijke werkzaamheden; organisatie van
                        het huishouden </cursief>en<cursief> hulp bij ontregelde huishouding in
                        verband met een psychische stoornis.</cursief></al><al>Onder HH1 (huishoudelijke werkzaamheden) vallen de volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="·"><al>schoonmaken </al></li><li nr="·"><al>licht huishoudelijk werk </al></li><li nr="·"><al>zwaar huishoudelijke werk </al></li><li nr="·"><al>de was doen </al></li><li nr="·"><al>huishoudelijke spullen in orde houden </al></li></lijst><al>Onder HH2 (organisatie van het huishouden) vallen activiteiten als: </al><lijst><li nr="·"><al>andere helpen in huis met zelfverzorging</al></li><li nr="·"><al> boodschappen doen </al></li><li nr="·"><al>broodmaaltijd / warme maaltijden bereiden </al></li><li nr="·"><al>anderen helpen in huis bij bereiden maaltijd </al></li><li nr="·"><al>dagelijkse organisatie van het huishouden</al></li></lijst><al>Activiteiten bij hulp bij ontregelde huishouding in verband met een psychische
                    stoornis zijn onder meer:</al><lijst><li nr="·"><al>psychosociale begeleiding </al></li><li nr="·"><al>advies, instructie en voorlichting</al></li></lijst><tussenkop>Ad x: inkomen</tussenkop><al>De gemeenteraad is bevoegd om ten aanzien van diverse soorten voorzieningen
                    inkomensgrenzen te stellen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 5 WMO. In
                    dit artikel is bepaald dat de gemeenteraad nadere voorwaarden kan stellen
                    waaronder personen die aanspraak hebben op individuele voorzieningen hier
                    daadwerkelijk recht op hebben. Het stellen van inkomensgrenzen kan zo’n
                    voorwaarde zijn. Onder de Wvg is het stellen van inkomensgrenzen geaccepteerd
                    door de CRvB. Deze jurisprudentie moet van overeenkomstige toepassing worden
                    geacht onder de Wmo.</al><al>Het stellen van inkomensgrenzen houdt in dat de betreffende voorzieningen niet
                    worden verstrekt aan belanghebbenden met een inkomen boven de inkomensgrens. Ook
                    in dit kader speelt het inkomensbegrip een rol. Immers, zonder definitie van het
                    begrip inkomen kan er niet getoetst worden aan de inkomensgrens. Dit
                    inkomensbegrip is niet wettelijk vastgelegd. De gemeente is dus vrij in de
                    invulling van het inkomensbegrip voor de toetsing aan inkomensgrenzen. Hiervoor
                    zijn er twee mogelijkheden te onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>het inkomensbegrip van het (landelijke) Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning hanteren (dat wordt gebruikt bij het vaststellen van een
                            eigen bijdrage of eigen aandeel), of </al></li><li nr="·"><al>een eigen invulling geven aan het inkomensbegrip.</al></li></lijst><al>In de verordening is met betrekking tot het vaststellen van de inkomensgrenzen
                    gekozen om aansluiting te zoeken bij het inkomensbegrip in het kader van de Wvg.
                    De voordelen zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>er wordt uitgegaan van een actueel inkomen; </al></li><li nr="·"><al>door aansluiting bij de Wvg-praktijk wordt een voor de uitvoering (en
                            bestaande cliënten) bekend inkomensbegrip gehanteerd.</al></li></lijst><al>In feite is dus sprake van twee inkomensbegrippen: een bruto-inkomen conform de
                    uitgangspunten van het Besluit maatschappelijke ondersteuning uitgaande van het
                    bruto verzamelinkomen over het peiljaar (2 jaar voor datum aanvraag) en een
                    netto (en actueel) inkomen voor het vaststellen van de inkomensgrenzen.</al><tussenkop>Ad y: norminkomen</tussenkop><al>Het norminkomen is gebaseerd op de Wet werk en bijstand.</al><tussenkop>Ad z: HH1 en HV 2</tussenkop><al>Zie onder w.</al><tussenkop>Artikel 2 Beperkingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 Lid 1</tussenkop><al>Ad a.</al><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de <cursief>Verordening Wet
                        voorzieningen gehandicapten </cursief>en aan de wet aangepast. Wat langdurig
                    noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd
                    uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal
                    ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de
                    beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide
                    genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische
                    wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus
                    redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager.
                    In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de
                    betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal
                    kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                    wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval
                    opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch
                    adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is van een
                    langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor
                    langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel
                    gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is
                    verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal
                    van situatie tot situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al>Ad b.:</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Eigenschappen die
                    kostenverhogend werken <cursief>zonder</cursief> dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord,
                    maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard
                    wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is dan de
                    adequaat goedkoopste voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil
                    uit eigen middelen te betalen. Het begrip adequaat goedkoopst geeft het college
                    mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><al>Ad c. </al><al>Vervallen. </al><al> Ad d.</al><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voorzover sprake is van aantoonbare
                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek, hieronder wordt eveneens verstaan
                    chronische psychische en psychosociale problemen</al><tussenkop>Artikel 2 lid 2</tussenkop><al>Ad a. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven in principe niet te worden verstrekt. Dit
                    beginsel wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving
                    (AAW/WAO, Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die
                    is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel
                    1, onder p. van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de – financiële - situatie van de aanvrager een
                    rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de
                    aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al>Uitgaande van het <cursief>Uitvoeringsprotocol WMO individuele voorzieningen Oss
                    </cursief>is het begrip algemeen gebruikelijk <cursief>sec</cursief> geen reden
                    een aanvraag af te wijzen. Er moet dan sprake zijn van meerdere factoren. Op
                    grond van het protocol bestaat de voorkeur het begrip algemeen gebruikelijk te
                    relateren aan hetgeen een niet-gehandicapt personen in vergelijkbare (waaronder
                    ook financiële vergelijkbare) omstandigheden als regel tot hun
                    aanschaffingspatroon kunnen rekenen. Uitgangspunt bij toekenning moet het
                    indicatieadvies zijn op basis waarvan wordt vastgesteld welke voorziening in een
                    bepaalde situatie adequaat is.</al><al>Ad b.</al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de <cursief>Wet voorzieningen
                        gehandicapten</cursief>, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt
                    dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen,
                    hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Dit artikel moet
                    opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar
                    de aanvrager niet woonachtig is.</al><al>Ad c.</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de <cursief>Verordening Wet voorzieningen
                        gehandicapten</cursief>, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte
                    materialen voor problemen zorgen. </al><al>Ad d.</al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden..</al><al>Ad e.</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder e. genoemde bepaling bedoeld.</al><al>Ad f. en g.</al><al>In artikel 2 lid 2, onder f. en g. geeft de verordening een tweetal gronden voor
                    weigering aan. Onder f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als adequaat
                    goedkoopste voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd,
                    met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de
                    woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere
                    urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook
                    voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de
                    verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                    hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                    situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop- huur- of
                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><al>Ad h.</al><al>De Wmo biedt ondersteuning in al die gevallen waar geen voorliggende voorziening
                    is. Bij een </al><al>aanvraag om een voorziening zal worden beoordeeld of en in welke mate een
                    voorziening in het</al><al>kader van de Wmo aanwezig is die door de aanvrager kan worden afgedwongen. Kan
                    de ondersteuningsvrager dus aanspraak maken op een andere wettelijke regeling of
                    privaatrechtelijke overeenkomst wordt de gevraagde voorziening niet verstrekt.
                    Zo kan iemand die door het toedoen van een ander aangewezen raakt op
                    voorzieningen mogelijk een vergoeding claimen en daarmee vervalt het recht op
                    een voorziening op grond van de Wmo. Een ander voorbeeld is indien een aanvrager
                    aanspraak maakt op een sloopvergoeding vanuit een woningbouwvereniging, deze
                    vergoeding is voorliggend op een aanvraag verhuiskostenvergoeding.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele
                    voorzieningen.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3 Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget
                    en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren
                    bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget.
                    Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid:
                    namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere
                    aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss</cursief>
                    uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 4 Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het college
                    eigenaar blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in
                    natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het
                    verlenen vaan maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet
                    worden overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan gekozen
                    worden voor het door de gemeente zelf verlenen van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is er uiteraard niet een
                    dergelijke overeenkomst nodig.</al><tussenkop>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al><tussenkop>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 lid 1 en 6 a van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij
                    toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een
                    persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen (zoals Oss
                    die bij de vervoersvoorzieningen kent) vallen niet onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget (met
                    uitzondering van het persoonsgebonden budget voor vergoeding van een
                    arbeidsverhouding als bedoeld artikel 5 lid 2 van de Wet op de loonbelasting
                    1964) in de regel is gekoppeld aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken
                    adequaat goedkoopste voorziening. Er moet immers een referentiebedrag zijn,
                    waarop het persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. “Adequaat goedkoopst”
                    is een objectief vaststelbaar referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag
                    worden vastgesteld voor de instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de
                    diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling worden gegeven in het
                        <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss</cursief>.</al><al>Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden
                    budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende
                    persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen - naast de al
                    bestaande “persoonsgebonden budgetten” (feitelijk financiële tegemoetkomingen in
                    de vorm van een forfaitair bedrag) die Oss al in het kader van de Wvg
                    verstrekte. Daarbij zullen, ter bevordering van de rechtsgelijkheid, eenduidige
                    richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in
                    het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss </cursief>en de
                    beleidsregels. </al><al>Verder is onder d. , bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te
                    voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden waaronder het
                    persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al><al>Sub e. Vervallen</al><al>Onder f is bepaald dat het persoonsgebonden budget aangevuld kan worden met een
                    vergoeding voor instandhoudingkosten. Invulling van deze richtlijn vindt plaats
                    in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Oss </cursief>en
                    de beleidsregels. </al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er bij de vervoers-, woon- en
                    rolstoelvoorzieningen een programma van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt
                    aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven
                    voorziening moet voldoen. Het programma van eisen is dus een belangrijk
                    document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen
                    hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 van artikel 6 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het
                    persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen
                    door het college nadere regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling
                    in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er
                    twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de
                    gemeente worden beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingbedragen.</al><al>Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    opgevraagd bij de budgethouder. De onder a. bedoelde factuur is nodig in
                    situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Onder b. is een betalingsbewijs
                    genoemd, dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen nota is,
                    bijvoorbeeld bij een tweede-handsaankoop bij een particulier of uitbetaling aan
                    een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden heeft
                    verleend. Onder c. is genoemd een salarisadministratie; die kan noodzakelijk
                    zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten
                    van hulp bij het huishouden.</al><al>Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is het toegekende
                    persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen, dan dient de in
                    hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><tussenkop>Artikel 7 Eigen bijdragen en eigen aandeel. </tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast van
                    deze mogelijkheid gebruik te <cursief>kunnen</cursief> maken, zoals opgedragen
                    in artikel 15 lid 1 van de wet. Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit
                    wordt uitgevoerd door het college in het <cursief>Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning</cursief> wordt vastgelegd. De Raad heeft hierbij ingevolge
                    deze Algemene Maatregel van Bestuur de mogelijkheid binnen de grenzen die de
                    AMvB van Bestuur stelt de verschillende bedragen vast te stellen. Deze bedragen
                    zijn in het <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning Oss</cursief> worden
                    opgenomen. <vet>Hoofdstuk 3</vet><vet> Hulp bij het huishouden</vet></al><tussenkop>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden</tussenkop><al/><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de <cursief>Wet
                        voorzieningen gehandicapten</cursief> bestaande woonvoorzieningen onder dit
                    begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘<onderstreept>hulp bij het huishouden</onderstreept>’
                    geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in Oss in twee vormen als voorziening worden
                    aangeboden. </al><al>Onder a. wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Onder b. is genoemd
                    het persoonsgebonden budget (PGB) voor hulp bij het huishouden. Met dit PGB moet
                    de aanvrager zelf hulp inhuren.</al><tussenkop>Artikel 9 Recht op hulp bij het huishouden</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In artikel 9 lid 1 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men
                            gebruik kan maken van een individuele voorziening voor hulp bij het
                            huishouden. In aanmerking komen in eerste instantie personen met een
                                <vet>aantoonbare </vet>beperking conform de ICF-classificatie op
                            grond van ziekte of gebrek of een chronisch psychisch probleem dan wel
                            een chronisch psychosociaal probleem . Verder komen in aanmerking
                            mantelzorgers in het kader van de zogenaamde respijtzorg. Het is daarbij
                            niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de mantelzorger
                            wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die de
                            mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk. De individuele voorziening
                            kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een persoongebonden
                            budget. Het college bepaalt wanneer iemand voor een persoonsgebonden
                            budget in aanmerking kan komen. Deze criteria zijn vastgelegd in
                                <cursief>het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Oss.</cursief></al></li><li nr="2."><al>In artikel 9, 2<sup>e</sup> lid wordt bepaald dat in bepaalde situaties
                            ook huishoudelijke hulp kan worden ingezet wanneer geen sprake is van
                            het criterium “langdurig noodzakelijk”. Het betreft hier bijvoorbeeld
                            situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden
                            nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of
                            bij een ontregeld huishouden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt
                            allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de
                            leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al
                            onder de AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de
                            jaren ’90 van de vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door
                            middel van dergelijke gebruikelijke zorg <cursief>adequaat
                            </cursief>kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                            huishouden.</al></li><li nr="2."><al>Het tweede lid is opgenomen om te waarborgen dat eerst een onderzoek
                            naar de geschiktheid van de huisgenoten om huishoudelijke taken over te
                            nemen. De verordening van Oss wijkt hierin af van de modelverordening
                            van de VNG die een dergelijke bepaling niet heeft. De aanwezigheid van
                            een partner houdt niet <onderstreept>per definitie</onderstreept> in dat
                            deze alle taken kan overnemen. Ook bij de aanwezigheid van kinderen
                            dient niet sec naar de leeftijd gekeken te worden om vast te stellen wat
                            het aandeel in huishoudelijke hulp kan zijn maar dienen eveneens
                            persoonlijke factoren (spankracht van het betreffende kind, school etc.)
                            te worden gewogen.</al></li><li nr="3."><al>Het derde lid stelt met welke factoren rekening dient te worden
                            gehouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt
                            nader uitgewerkt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met
                            gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een
                            voorziening voor hulp bij het huishouden.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop><al>1.Omdat hulp bij het huishouden uiteindelijk altijd in de vorm van
                    dienstverlening zal worden verstrekt, moet de omvang in tijd worden vastgesteld.
                    De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt uitgedrukt in uren,
                    afgerond op halve uren, per week. Deze concrete tijdseenheden hebben als
                    voordeel dat er voor zowel gemeente als aanvrager duidelijkheid is over de
                    omvang van het aantal uren en de bekostiging daarvan.</al><tussenkop>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. Jaarlijkse vastlegging houdt verband met
                    prijsindexering, zoals genoemd in artikel 35.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 13 Woonvoorzieningen</tussenkop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in drie hoofdvormen:</al><al>Ad a. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden bij
                    voorkeur niet in de vorm van financiële tegemoetkoming verstrekt, bijvoorbeeld
                    de losse tillift of een douchestoel. </al><al>Ad b.: het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een
                    verhuiskostenvergoeding;</al><al>Ad c.: de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                    soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in
                    artikel 7 lid 2 van de wet.</al><tussenkop>Artikel 14 Recht op individuele woonvoorzieningen</tussenkop><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden opgelost
                    met een algemene voorziening. Als een algemene voorziening niet volstaat als
                    oplossing ofwel niet aanwezig is in de gemeente (zoals in Oss het geval is),
                    moet het probleem middels een individuele voorziening worden opgelost; dat kan
                    zijn een woonvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget.</al><tussenkop>Artikel 15 Soorten woonvoorzieningen</tussenkop><al>Ad a. en b.:</al><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. astmatische
                    klachten en huisstofmijtallergie verstaan worden. Ook kan onder deze categorie
                    worden begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchen welke niet nagelvast
                    aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee
                    categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening
                    in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik
                    mogelijk is.</al><al>Ad c.</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het college maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding
                    is, volgens de jurisprudentie op grond van de voormalige Wvg van de Centrale
                    Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen
                    in direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten
                    van de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank,
                    onveiligheidsgevoelens, overlast (hoe reëel deze ook zijn) etc. zijn bij de
                    besluitvorming van secondair belang. Uitgangspunt van het gemeentelijke beleid
                    is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste
                    woningen in de gemeente. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen ook een financiële tegemoetkoming verlenen ten
                    behoeve van het vrijmaken van een reeds aangepaste woning. Het moge duidelijk
                    zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee maal een vergoeding voor
                    verhuizing en inrichting kan worden verstrekt: allereerst aan degene die de
                    woning vrijmaakt en vervolgens aan de gehandicapte die naar de vrijgemaakte
                    woning verhuist. De totaalkosten hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de
                    afweging of er een tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt zal worden dan
                    wel een woning aangepast moet worden.</al><al>Ad d.</al><al>Omdat met de <cursief>Wet maatschappelijke ondersteuning</cursief> niet wordt
                    beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen
                        <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> te verbreden, noch om dat
                    te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een
                    uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1,
                    onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm
                    van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.</al><al>Ad e.</al><al>De kosten van onderhoud, periodieke keuring en reparatie van bepaalde
                    voorvoorzieningen (bijvoorbeeld trapliften) komen in aanmerking voor een
                    financiële tegemoetkoming. Een en ander is opgenomen in het <cursief>Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning Oss</cursief>.</al><al>Ad f.</al><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                    noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden
                    verstrekt.</al><al>Ad g.</al><al>Het beleid is gericht op hergebruik van aangepaste woningen. Het zoeken naar een
                    geschikte kandidaat i.c. een gehandicapte die op de betreffende voorziening is
                    aangewezen, kan vertraging in de verhuur tot gevolg hebben. Door de eigenaar van
                    de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde huurinkomsten te verlenen
                    kan bevorderd worden, dat de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor
                    gehandicapten. De duur van de tegemoetkoming is maximaal 6 maanden. De hoogte
                    van de toekenning is opgenomen in het <cursief>Besluitmaatschappelijke
                        ondersteuning Oss.</cursief></al><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald
                    percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de verhuurder
                    het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand dat de woning leeg staat
                    mag dit als normaal beschouwd worden. </al><al>Ad h.</al><al>In uitzonderlijke gevallen kan ertoe worden overgegaan om tegemoet te komen aan
                    de risico's die een verhuurder loopt indien de band tussen de woning en de
                    gehandicapte verbroken wordt en er niet binnen een redelijke termijn een
                    geschikte kandidaat kan worden gevonden voor de woning, door alsnog een bijdrage
                    in de kosten van het verwijderen van de voorziening geven. </al><tussenkop>Artikel 16 Primaat van de verhuizing</tussenkop><al>Al onder de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> gold de regel dat
                    bij een aanvraag voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar
                    een andere woning een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de
                    verhuizing. In feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel
                    wordt gekozen voor de adequaat goedkoopste voorziening. De mogelijkheid tot het
                    hanteren van het primaat van de verhuizing is onder de <cursief>Wet
                        voorzieningen gehandicapten</cursief> in de jurisprudentie erkend, zij het
                    dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten
                    de financiële gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare
                    financiële grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden.
                    Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan
                    worden gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde
                    termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht moet hebben op de woningvoorraad
                    om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen die medisch
                    verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte aangepaste of
                    goedkoper aan te passen woning. </al><al>Ook diverse andere relevante aspecten, nader uitgewerkt in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval. In Oss houdt dit in dat naast bovengenoemde criteria ook rekening wordt
                    gehouden met andere omstandigheden, zoals sociale factoren, opgebouwde
                    mantelzorg, het toekomstbeeld van de ziekte en sociaal-medische aspecten (een
                    lijst van criteria zal worden opgenomen in de
                        <cursief>Beleidsregels</cursief><cursief> WMO</cursief> van de gemeente
                    Oss).</al><al>Indien, nadat alle factoren in de overweging zijn meegenomen, tot de conclusie
                    wordt gekomen dat verhuizing de adequaat goedkoopste oplossing is, dan heeft bij
                    het verstrekken van de</al><al> woonvoorziening de vergoeding voor verhuis- en (her)-inrichtingskosten het
                    primaat.</al><tussenkop>Artikel 17 Primaat van de losse woonunit</tussenkop><al>Onder de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> konden gemeenten
                    woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren
                    bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de <cursief>Wet
                        maatschappelijke ondersteuning</cursief> vervalt deze mogelijkheid en zullen
                    de kosten voor rekening van de gemeenten komen. Als het gaat om grote
                    aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de
                    huisvesting van mensen met beperkingen, kan de investering over een langere
                    periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in
                    principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In situaties waarin de
                    mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, kan aan het gebruik van een
                    dergelijke unit voorrang worden gegeven op grond van deze bepaling. </al><tussenkop>Artikel 18 Uitsluitingen</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de <cursief>Wet op de
                        huurtoeslag</cursief> ook als zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering
                    zijn aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en
                    worden apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen
                    woonvoorzieningen verstrekt in hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                    tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur. Ook
                    worden geen voorzieningen getroffen in specifiek op mensen met beperkingen
                    gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                    ruimten en worden geen woonvoorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of
                    renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al><tussenkop>Artikel 19 Hoofdverblijf</tussenkop><al>1<sup>e</sup> Lid</al><al>In tegenstelling tot de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> wordt
                    in de wet niet expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen
                    geldt voor de inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel
                    een aanwijzing in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien
                    het feit dat er met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de
                    Wet voorzieningen gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft, heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen
                    voor situaties waarin de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in
                    die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken, zie ook artikel 20, onder b.</al><al>Artikel 19, de leden 2, 3, 4 en 5</al><al>Onder de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> waren AWBZ-bewoners
                    uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering
                    hierop werd door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een
                    woonruimte voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering was
                    gebaseerd op de verordening. Omdat met de wet niet wordt beoogd om de omvang van
                    de onder de Wet voorzieningen gehandicapten geregelde zorgplicht in te krimpen
                    of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in de
                    verordening opgenomen in artikel 19. Onder het bezoekbaar maken van de
                    woonruimte wordt in deze verordening verstaan dat de gehandicapte de woonkamer,
                    een eenvoudige slaapvoorziening op gelijkvloers niveau en één toilet kan
                    bereiken en gebruiken.</al><tussenkop>Artikel 20 Beperkingen</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    20.</al><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege (bijvoorbeeld)
                    echtscheiding of het aanvaarden van werk elders.</al><al> Ad. b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 19, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. </al><al>Voor de toepassing van deze weigeringgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of relatief eenvoudig aan te
                    passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije
                    sector en zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar
                    burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                    verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                    verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de
                        <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten </cursief>gold, zijn er
                    uitzonderingen gemaakt voor de in de verordening genoemde voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten. De opsomming is limitatief, dat wil zeggen dat er
                    niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in de verordening is genoemd.</al><al>Ad d.</al><al>In feite gaat het bij verhuizing vanuit het ouderlijk huis of vanuit een
                    vergelijkbare situatie naar een zelfstandige woonruimte om een algemeen
                    gebruikelijke verhuizing. Een dergelijke verhuizing staat dus op zichzelf los
                    van de beperkingen die men heeft. Ook zal verhuisd moeten worden naar een zo
                    adequaat mogelijke woning. Voorzieningen aan de woning waarheen vanuit het
                    ouderlijk huis wordt verhuisd zijn uiteraard wel mogelijk, mits verhuisd is naar
                    de op dat moment beschikbare meest geschikte woning.</al><al>Ad e.</al><al>Woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen ook niet –
                    als hoofdverblijf – adequaat gemaakt worden. Daarvoor zal dus per definitie geen
                    woonvoorziening worden verstrekt;</al><al>aanpassen leidt niet tot een adequate situatie en verhuizen vanuit een
                    dergelijke woning naar een woning die wel geschikt is om het gehele jaar te
                    bewonen kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Ook zonder beperking zal
                    men immers moeten verhuizen naar een woning de wel het gehele jaar bewoonbaar
                    is.</al><al>Ad f.</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren, en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook
                    al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning
                    geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de
                    verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men
                    verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al><al>Ad g.</al><al>Werden in de verlaten woonruimte geen problemen ondervonden met het normale
                    gebruik van de woning dan was er geen in de beperking, in relatie tot de
                    bouwkundige staat van de woning, gelegen oorzaak voor de verhuizing en is er
                    geen ruimte voor een verhuiskostenvergoeding.</al><al>Ad h.:</al><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen. Het is daarbij zaak onderscheid te maken tussen de
                    constructie, waarbij een bepaald materiaal is toegepast, en de aard van het
                    gebruikte materiaal zelf.</al><tussenkop>Artikel 21 Terugbetaling bij verkoop</tussenkop><al>De <cursief>Verordening Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> bevatte een
                    zogenaamde anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug
                    en heeft als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum al
                    vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van
                    de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een
                    concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een
                    afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze
                    bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten
                    baten.</al><al>Om te voorkomen dat eindeloze discussies ontstaan over de hoogte van de toename
                    van de waarde van de woning, zal op het moment dat de voorziening wordt
                    getroffen bepaald moeten worden wat de stijging in waarde is als gevolg van die
                    aanpassing. Ook moet op dat moment vastgesteld worden welk bedrag de
                    gehandicapte aan de gemeente moet terugstorten op moment van verkoop. </al><al>Rekening dient te worden gehouden met de kosten die met een dergelijke taxatie
                    gemoeid zijn. </al><al>De kosten van een taxatie zijn subsidiabel op grond van de verordening.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 22 Vormen van te verstrekken voorzieningen</tussenkop><al>Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening (CVV) is al bekend in de vorm van het
                    collectief vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de
                        <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> heeft ontwikkeld. </al><al>Door een hoogwaardig systeem van aanvullend openbaar vervoer op te zetten
                    voldoet de gemeente in belangrijke mate aan haar zorgplicht ten aanzien van het
                    vervoer buitenshuis. Het collectief systeem van vraagafhankelijk vervoer behoeft
                    niet in alle vervoersbehoeften van de gehandicapte te voorzien en is tevens geen
                    kostendekkende voorziening. Een dergelijk systeem dient wel aan een aantal
                    voorwaarden te voldoen. De volgende kenmerken spelen een rol bij de beoordeling
                    van een systeem:</al><lijst><li nr="1."><al>Het systeem dient te functioneren op de tijden die zoveel mogelijk een
                            relatie hebben met de tijden waarop het bestaande openbare vervoer ook
                            functioneert; mensen met een handicap dienen zoveel mogelijk gelijke
                            reismogelijkheden te hebben als mensen zonder handicap. Deze tijden
                            zullen in de praktijk liggen tussen 9.00 en 23.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het systeem dient mensen met een handicap voor de deur op te halen en
                            naar de deur van bestemming te brengen (met andere woorden een van
                            deur-tot-deur-systeem), of van deur naar halte (bijvoorbeeld het
                            station) te brengen (met andere woorden een deur-tot-halte-systeem). Ook
                            vervoer met behulp van zogenaamde serviceroutes (halte-tot–halte, maar
                            met een fijnmazig netwerk en halten op voor de doelgroep relevante
                            plaatsen) kan onderdeel uitmaken van het systeem.</al></li><li nr="3."><al>Het systeem dient geschikt te zijn voor mensen met een handicap. Dat wil
                            zeggen dat rekening gehouden wordt met mensen die moeite hebben met
                            zitten en dat ook rolstoelen en scootermobielen meegenomen kunnen worden
                            of personen vervoerd kunnen worden gezeten in een rolstoel.</al></li><li nr="4."><al>Het systeem dient oproepgestuurd te zijn: bij vooraanmelding dient de
                            vooraanmeldingstijd tot maximaal één uur beperkt te blijven; eventueel
                            kan het systeem ook gebruik maken van bloktijden bij
                            halte-tot-deur-vervoer (het voertuig staat op bepaalde tijdstippen bij
                            vaste haltes).</al></li><li nr="5."><al>Als het systeem aansluit op andere systemen dient een overstap bij het
                            aanmeldingstelefoontje gemeld en geregeld te kunnen worden.</al></li><li nr="6."><al>De kosten voor de gebruiker van een dergelijk systeem dienen in relatie
                            te staan tot de kosten van het overig openbaar vervoer (dus voor
                            WMO-gerechtigden gelijk aan het tarief van de reguliere
                            O.V.-strippenkaart).</al></li></lijst><al>Ad b.</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de <cursief>Wet voorzieningen
                        gehandicapten</cursief>. In de <cursief>Beleidsregels</cursief><cursief>
                        WMO</cursief> (waarin het verstrekkingenbeleid is opgenomen) wordt
                    uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in
                    aanmerking komt. </al><al>Ad c.</al><al>Het betreft hier de in de regel forfaitaire tegemoetkomingen voor de kosten van
                    het gebruik van vervoer (bijvoorbeeld een taxikostenvergoeding).</al><al>Ad d.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de <cursief>Wet voorzieningen
                        gehandicapten</cursief> is het persoonsgebonden budget. De gemeente Oss
                    kende overigens al (een vorm van) persoonsgebonden budgetten bij de
                    vervoersvoorzieningen. De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden
                    budget door het college wordt in het <cursief>Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Oss</cursief> uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 23 Het recht op een algemene voorziening</tussenkop><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de beperkingen van de persoon in
                    relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend zijn voor
                    de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor een
                    voorziening terzake. </al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een functionele beperking
                    niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan
                    worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden. </al><tussenkop>Artikel 24 Het primaat van de collectieve vervoersvoorziening</tussenkop><al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. en d. van artikel 22.
                    Men kan voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><al>a indien men door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek , een
                    chronisch psychisch probleem of een chronisch psychosociaal probleem dan wel
                    individuele sociale factoren geen gebruik kan maken van een collectieve
                    vervoersvoorziening of; </al><al>b indien er geen algemene voorziening aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in <onderstreept>aanvulling
                        op</onderstreept> het gebruik van een collectief systeem verstrekt kunnen
                    worden. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van
                    de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel
                    zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter). <cursief>Alleen
                    </cursief>collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate
                    voorziening.</al><al>Gehandicapten komen voor de individuele verstrekkingen c.q. individuele
                    financiële</al><al> tegemoetkomingen in aanmerking indien de gehandicapte door aantoonbare
                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek , een chronisch psychisch probleem of
                    een chronisch psychosociaal probleem dan wel individuele sociale factoren geen
                    gebruik kan maken van het collectief aanvullend </al><al>vervoerssysteem. </al><al>Op grond van het Osse beleid is CVV vanwege aantoonbare <vet>medische</vet>
                    beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek met name niet adequaat in de
                    volgende situaties:</al><lijst><li nr="–"><al>bij ernstige incontinentieproblemen. Hierbij dient wel vastgesteld te
                            zijn dat betrokkene ondanks pogingen om hier maatregelen voor te
                            treffen, bijvoorbeeld via contact met incontinentieverpleegkundige of
                            internist en/of gebruik van adequaat incontinentiemateriaal, er
                            desondanks op onaanvaardbaar niveau hinder van ondervindt; </al></li><li nr="–"><al>bij ernstige gedragsproblemen ten gevolge van een verstandelijke
                            handicap, zoals storend en/of agressief gedrag;</al></li><li nr="–"><al>bij infectiegevaar; </al></li><li nr="–"><al>als iemand verzorgt dient te worden tijdens de rit.</al></li></lijst><al>CVV is op grond van <vet>sociale factoren</vet> in ieder geval niet adequaat
                    voor de volgende gebruikers:</al><lijst><li nr="–"><al>Gezinnen met één of meer thuiswonende kinderen met een vervoersindicatie
                            dan wel gezinnen met één of twee ouders met een vervoersindicatie met
                            inwonende kinderen onder de 21 jaar;</al></li><li nr="–"><al>De groep gebruikers die op basis van een persoonsgebondenbudget (PGB)
                            een eigen auto hebben aangeschaft. Deze groep behoudt voor de duur van
                            het PGB een individuele vervoerskostenvergoeding.</al></li><li nr="–"><al>Mensen die vervoerd worden naar een vorm van dagverzorging welke niet in
                            de CVV-regio ligt. </al></li><li nr="–"><al>Mensen met een (afgeschreven) bruikleenauto die een CVV-indicatie
                            kregen.</al></li><li nr="–"><al>De groep mensen met een korte loopafstand waarbij een voorziening in
                            natura (scootermobiel e.d.) geen oplossing biedt<vet>.</vet> Het betreft
                            hier cliënten die met name korte afstanden afleggen (ook recreatief)
                            waarbij CVV niet adequaat is;</al></li><li nr="–"><al>De groep mensen met een vervoersindicatie waarvan een gezinslid in de
                            eerste graad in een instelling buiten de regio verblijft (bezoek);</al></li><li nr="–"><al>WMO-gerechtigden die <cursief>vrijwilligerswerk</cursief> verrichten
                            waarbij het aannemelijk is dat dit niet kan worden voorgezet met
                            gebruikmaking van het CVV dan wel een vervoersvoorziening in natura
                            (bijvoorbeeld een scootermobiel). Het is aannemelijk dat CVV in deze
                            gevallen niet adequaat is wanneer het grotere afstanden betreft en de
                            tijdsfactor van belang is. Ook het gegeven dat men op een dag meerdere
                            locaties moet bezoeken (mantelzorg) kan een factor zijn. </al></li></lijst><al>CVV was tot voor kort ook niet geïndiceerd voor de groep gebruikers voor wie CVV
                    is geïndiceerd mits men wordt vervoerd in een personenauto. Sinds sprake is van
                    een andere aanbieder kan vervoer per personenauto wel worden gegarandeerd zodat
                    deze categorie uit de lijst met contra-indicaties is verwijderd.</al><al>Naast bovengenoemde categorieën waarbij CVV <cursief>in ieder geval</cursief>
                    niet adequaat is op grond van sociale factoren bestaat ook de mogelijkheid dat
                    CVV op grond van <vet><cursief>individuele</cursief></vet> sociale factoren
                    inadequaat is. Hiervoor is het in de toelichting op de verordening opgenomen
                        <cursief>Uitvoeringsprotocol WMO individuele voorzieningen Oss</cursief> een
                    hulpmiddel.</al><tussenkop>Artikel 25 De inkomensgrenzen</tussenkop><al>Het betreft hier de inkomensgrenzen welke ook onder de werking van de Wvg werden
                    toegepast.</al><al>In artikel 25, 1, 2<sup>e</sup> en 3<sup>e</sup> lid is vastgelegd dat er boven
                    een bepaalde inkomensgrens geen vervoerskostenvergoeding in natura, financiële
                    tegemoetkoming dan wel een persoonsgebonden budget voor het gebruik van een
                    (bruikleen)auto’s of (rolstoel)taxi’s wordt verstrekt. Ook de
                        <cursief>verstrekking</cursief> van een bruikleenauto valt hieronder.
                    Uitdrukkelijk opgenomen is de Snorfiets of de fiets met trapondersteuning. </al><al>De inkomensgrenzen zijn mede gebaseerd op de Aaw-systematiek (de voorloper van
                    de Wvg). Hier gold een inkomensgrens waarboven deze voorzieningen niet meer
                    werden vergoed op grond van het uitgangspunt dat boven deze grens mensen in het
                    algemeen de kosten van een auto of een taxi geacht worden zelf te kunnen dragen.
                    Voor het gemeentelijk beleid wordt uitgegaan van een grens van 1,5 x het
                    norminkomen. Deze inkomensgrens komt voor gehuwden ongeveer overeen met de oude
                    Aaw-inkomensgrens. </al><al>Bij de tegemoetkoming in de vorm van een autoaanpassing en de tegemoetkoming
                    voor de aanschaf van een ander verplaatsingsmiddel geldt geen inkomensgrens. De
                    inkomensgrens is evenmin van toepassing bij de verstrekking in natura van een
                    open elektrische buitenwagen (scootermobiel), van een (al dan niet aangepaste)
                    gesloten buitenwagen of van een ander verplaatsingsmiddel.</al><al>In het 4<sup>e</sup> lid van artikel 25 is vastgelegd dat boven de in het
                    1<sup>er, </sup>2<sup>e</sup> en 3<sup>e</sup> lid genoemde inkomensgrens geen
                    recht bestaat op het forfaitaire bedrag wat naast deelname aan het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer wordt verstrekt. Er bestaat dan nog wél recht op
                    deelname aan het collectief vraagafhankelijk vervoer – zie het gestelde in
                    artikel 25, 8<sup>e</sup> lid.</al><al>In het 5<sup>e</sup> lid van artikel 25 wordt voor bijzondere gevallen een
                    hogere inkomensgrens gecreëerd. Dit doet zich voor wanneer binnen één gezin
                    sprake is van meerdere gehandicapte gezinsleden die een beroep op een
                    vervoersvoorziening doen.</al><al>In artikel 25, 6<sup>e</sup> lid wordt de zogenaamde “glijdende schaal”
                    geïntroduceerd, waardoor gehandicapten met een inkomen net boven 1,5 x het
                    norminkomen, die een vervoerskostenvergoeding ontvangen ofwel voor de eerste
                    keer aanvragen, niet meteen hun vervoerskostenvergoeding geheel verliezen ofwel
                    nog voor een gedeeltelijke vergoeding in aanmerking kunnen komen.</al><al>In artikel 25, 7<sup>e</sup><sup>e</sup> lid is geregeld dat boven anderhalf
                    maal het norminkomen verhoogd met het maximale inkomen dat men op grond van de
                    glijdende schaal als genoemd in het 6<sup>e</sup> lid extra mag genieten geen
                    recht meer bestaat op deelname aan het collectief vervoer op grond van een
                    WMO-vervoerspas. </al><tussenkop>Artikel 26 Omvang in gebied en in kilometers</tussenkop><al>Onder de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> is de zorgplicht
                    voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het kader van het leven van alledag
                    in de directe woon- of leefomgeving; de wet spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder
                    c. over “het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel”. Dit lijkt nog beperkter
                    te zijn dan de zorgplicht onder de <cursief>Wet voorzieningen
                        gehandicapten</cursief>, maar aangezien met de <cursief>Wet maatschappelijke
                        ondersteuning </cursief>niet is beoogd de reikwijdte van de <cursief>Wet
                        voorzieningen gehandicapten</cursief> te beperken of uit te breiden, is er
                    geen reden om aan te nemen dat de alleen de letterlijk lokale verplaatsingen
                    onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in artikel 26 wordt uitgegaan van de
                    eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering vervoersbehoefte buiten de
                    directe woon- of leefomgeving in een situatie waarin een bovenregionaal contact
                    alleen door de aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de
                    aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten in dat een vervoersvoorziening of een
                    combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis
                    minimaal 1.500-2.000 kilometer af te leggen. Deze jurisprudentie wordt hier
                    vastgelegd, aangezien met de wet niet wordt beoogd de werkingssfeer van de
                        <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief><onderstreept>uit te
                        breiden</onderstreept>.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Rolstoelen</tussenkop><tussenkop>Artikel 27 Diverse typen rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>Onder de <cursief>Wet voorzieningen gehandicapten</cursief> waren rolstoelen in
                    de wet zelf als aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de <cursief>Wet
                        maatschappelijke ondersteuning</cursief> is dat niet het geval, maar
                    aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen,
                    wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij
                    het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd
                    kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt
                    hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel
                    zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch
                    aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel
                    beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt
                    onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een
                    rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als
                    voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de <cursief>Wet voorzieningen</cursief> gehandicapten was de
                    sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële
                    tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de
                    verordening werd verstrekt.</al><al>Onder a. en b. betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend
                    gebruik, terwijl onder c. de sportrolstoel en een andere sportvoorziening voor
                    gehandicapten wordt genoemd.</al><tussenkop>Artikel 28 Rolstoelgebruik en sportrolstoel of
                    sportvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel in natura of in
                    de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt zal worden als de rolstoel
                    voor het dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch
                    noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een
                    rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                    noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de
                    beleidsregels.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarnaast kent Oss ook nog de verstrekking van
                    persoonsgebonden budgetten voor de aanschaf van andere, specifiek voor
                    gehandicapten ontwikkelde sportvoorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 29 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    AWBZ-bewoners</tussenkop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende Awbz-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling. </al><tussenkop>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                    besluiten</tussenkop><tussenkop>Artikel 30 Gebruik aanvraagformulier</tussenkop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.</al><tussenkop>Artikel 31 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten</tussenkop><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien zal de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moeten worden. </al><tussenkop>Artikel 32 Inlichtingen, onderzoek, advies</tussenkop><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de Verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                    college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of nader
                    bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                    beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de <cursief>Wet voorzieningen
                        gehandicapten</cursief> is in de wet niet geregeld dat er een adviseur
                    benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter
                    soms onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen
                    om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet
                    opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende,
                    zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een eenduidige vermelding onmogelijk
                    maakt. </al><al>Advies dient bij voorkeur te worden gevraagd wanneer het een eerste aanvraag
                    door de betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het
                    wellicht om een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit
                    proces reeds eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op
                    het moment van de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het
                    begin duidelijk geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de
                    betrokken aanvrager. Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar
                    deze wet voor diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van
                    eerste aanvraag. Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn
                    geheel niet bekend is bij deze wet.</al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder b., kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen (m)moa’s.</al><al> Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al><al>Lid 3 Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 32 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Health (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><tussenkop>Artikel 33 Samenhangende afstemming</tussenkop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de
                    toelichting op artikel 31 van deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om
                    uitvoeringsbeleid, vandaar de delegatiebepaling in het eerste lid. </al><al>In het tweede lid is een specifieke onderzoeksverplichting aan het college
                    opgelegd.</al><al>In artikel 3 is het uitvoeringsprotocol WMO opgenomen. Uit dit protocol blijkt
                    dat een voorziening doeltreffend, doelmatig en afgestemd is op de specifieke
                    situatie van cliënt wanneer is voldaan aan bepaalde criteria . </al><al>Het betreft hier de bepalingen uit het voordien door de gemeente Oss gehanteerde
                        <cursief>Protocol Wvg</cursief> welke bij de invoering van de WMO
                    ongewijzigd door de gemeente Oss worden overgenomen bij de uitvoering van de
                    individuele voorzieningen van de WMO. </al><al>Deze uitgangspunten zijn dat:</al><lijst><li nr="·"><al>De voorziening de beperking opheft of deze tot de hoogst mogelijke graad
                            compenseert en de mogelijkheid biedt om volwaardig maatschappelijk te
                            participeren; </al></li><li nr="·"><al>De voorziening is gericht op de cliënt en zijn specifieke situatie. Dit
                            houdt in dat uitgegaan wordt van de persoonlijke omstandigheden,
                            voorkeuren en keuzes van de cliënt. Hierbij gaat het in ieder geval
                            om:</al></li></lijst><al>a Fysieke en mentale omstandigheden die samenhangen met de ziekte of handicap,
                    in het bijzonder progressief verloop;</al><al>b De gezinssituatie, de leefsituatie en de directe en sociale omgeving;</al><al>c De vraag of cliënt van mantelzorg gebruik wil maken en, indien dit het geval
                    is, de vraag of de mantelzorg fysiek en mentaal zo min mogelijk kan worden
                    belast;</al><al>d Levensbeschouwelijke activiteiten;</al><al>e Sociale en culturele activiteiten, vrijwilligerswerk en educatie;</al><al>f Sociale contacten, familiecontacten en andere contacten;</al><al>g Normen, waarden en gebruiken van de cliënt;</al><al> Ontwikkelingen in de tijd met betrekking tot onder a tot en met g genoemde
                    omstandigheden;</al><lijst><li nr="·"><al>De toegekende voorziening er op gericht is om voor de cliënt een gelijke
                            of zo goed mogelijke vergelijkbare positie te creëren als een persoon
                            zonder beperkingen heeft. Het gaat daarbij om het gebied van leven,
                            verzorgen, slapen, leren, werken en andere activiteiten die mensen
                            verrichten; </al></li><li nr="·"><al>De cliënt met de toegekende voorziening de verschillende sociale rollen
                            volwaardig kan vervullen zoals bijvoorbeeld de rol van partner, ouder,
                            buurtbewoner; </al></li><li nr="·"><al>De voorziening is gericht op het versterken van de zelfstandigheid en
                            zelfregie van de aanvrager in plaats van afhankelijkheid van de ander;
                        </al></li><li nr="·"><al>De toegekende voorziening de mogelijkheid biedt om normaal van de woning
                            gebruik te maken, waarbij in ieder geval gelet wordt op leven,
                            verzorgen, het verrichten van geregelde huishoudelijke taken, slapen,
                            bezoek ontvangen, ontspannen, leren en werken; </al></li><li nr="·"><al>De toegekende voorziening uitgaat van de diversiteit van de
                            vervoersbehoefte van de cliënt waarbij het dan gaat om de alledaagse
                            activiteiten, zoals het doen van boodschappen en winkelen, het
                            onderhouden van sociale contacten en het uitoefenen van recreatieve
                            activiteiten; </al></li><li nr="·"><al>In de toegekende voorziening de meerkosten, die de cliënt ten opzichte
                            van een persoon in een overigens vergelijkbare situatie heeft, zijn
                            inbegrepen. </al><al>Artikel 34 Wijzigingen in de situatie.</al><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te
                            worden in al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of
                            te verstrekken voorzieningen.</al><al>Artikel 35 Intrekking van een voorziening</al><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan
                            voorwaarden. Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in
                            de passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de
                            beschikkingsvoorwaarden duidelijk te vermelden in een beschikking. Het
                            is daarom raadzaam om een belanghebbende te wijzen op de voorwaarden die
                            het recht op de voorziening met zich meebrengen. Daarnaast is het
                            belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting
                            om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht er
                            sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                            voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de
                            beschikking een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht
                            op) een voorziening , omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op
                            onbekendheid met de feiten. </al><al>Artikel 36 Terugvordering</al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen,
                            wat reden is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat
                            er anders geen juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen.
                            Indien er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd
                            (voorziening in natura) is, kan het college de voorziening geheel of
                            gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op
                            de voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen
                            executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de <cursief>Wet werk en
                                bijstand</cursief> het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake
                            van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde
                            betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de
                            wettelijke basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten
                            verbonden, met name in gevallen waarin de vordering hoger is dan €
                            5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij de rechtbank
                            noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                            dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder
                            verplichte procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder
                            geval gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager
                            sprake is van verwijtbaarheid.Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens
                            heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering
                            van een voorziening in natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in
                            gebreke blijft zijn eigen bijdrage binnen de gestelde termijn en na
                            aanmaning te voldoen. Het is raadzaam vooraf een inschatting te maken
                            van de kosten en te verwachten baten, gezien de mogelijke kosten van een
                            civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen gekeken worden
                            naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                            mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                            deurwaarder.</al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                            vergoeding binnen zes maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor
                            de bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze
                            betaling ook worden teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen
                            waarbij de uitbetaling van de tegemoetkoming of de vergoeding aan de
                            aanschaf van de voorziening voorafgaat. Bij woningaanpassingen zal dit
                            in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling pas dan plaatsvindt
                            nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 36 is dus niet van
                            toepassing op woningaanpassingen.</al></li></lijst><tussenkop>hoofdstuk 8 Slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 37 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 38 Indexering</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde <cursief>Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Oss</cursief>, te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze
                    verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur
                    bepaalt in artikel 4.4, lid 1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen
                    jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden
                    gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in
                    bedragen in deze verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren.</al><tussenkop>Artikel 39 Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel dient het gemeentelijk beleid periodiek geëvalueerd te
                    worden. <vet>De raad besluit ruim voor de evaluatie welke variabelen worden
                        getoetst</vet>. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de
                    gemeenteraad neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder
                    de bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de
                    evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau
                    te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te leiden tot aanpassing
                    van de verordening of van de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikelen 40 en 41 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>