<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR7412_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van De Bilt</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">De Bilt</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Biltbuis 16-05-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van De Bilt</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 16</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-10-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2006-10-19</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>rv28-09-2006</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Met de inwerkingtreding van deze regeling komt het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van De Bilt van 25 maart 2002 te vervallen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van De Bilt</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente De Bilt;</vet></al><al>Gelezen het voorstel van de commissie bestuurlijke vernieuwing van 28
                        september 2006;</al><al>Gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;</al><al>Besluit: </al><al>vast te stellen het:</al><al><vet>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de
                            gemeenteraad van De Bilt</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;</al></li><li nr="b."><al>amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerp-verordening of
                                ontwerp-beslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden
                                opgenomen;</al></li><li nr="c."><al>subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement,
                                naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het
                                amendement, waarop het betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor
                                een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;</al></li><li nr="e."><al>voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                                vergadering;</al></li><li nr="f."><al>initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander
                                voorstel.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2 De voorzitter</vet></al><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van het reglement van orde;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3 De griffier</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></li><li nr="2."><al>Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een
                                door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.</al></li><li nr="3."><al>De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan
                                de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4 De secretaris </vet></al><al>De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering aanwezig
                        te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in
                        dit reglement.</al><al>Artikel 5 Het seniorenconvent</al><al>1 De raad heeft een seniorenconvent.</al><al>2 Het seniorenconvent bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. De
                        griffier of diens vervanger</al><al> is in elke vergadering van het seniorenconvent aanwezig.</al><al>3 Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij zijn
                        afwezigheid in het</al><al> seniorenconvent vervangt.</al><al>4 In de vergaderingen van het seniorenconvent komen onderwerpen van
                        informele aard of met een</al><al> vertrouwelijk karakter aan de orde. Het seniorenconvent is niet
                        besluitvormend.</al><al>5 De voorzitter roept het seniorenconvent bijeen op het tijdstip dat hem dit
                        wenselijk voorkomt of</al><al> indien ten minste twee fractievoorzitters hierom verzoeken.</al><al>6 De vergaderingen van het seniorenconvent zijn niet openbaar.</al><al><vet>Artikel 6 Het presidium</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad heeft een presidium.</al></li><li nr="2."><al>Het presidium bestaat uit de voorzitter, de plaatsvervangend
                                voorzitter, de commissievoorzitters en drie raadsleden. De griffier
                                en/of de plaatsvervangend griffier is in elke vergadering van het
                                presidium aanwezig.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter kan voorstellen de secretaris uit te nodigen voor het
                                presidium.</al></li><li nr="4."><al>Elk lid heeft één stem in het presidium.</al></li><li nr="5."><al>Het presidium stelt de agenda voor de vergadering van de raad vast.
                            </al></li><li nr="6."><al>Het presidium heeft, naast de taken opgenomen in de artikelen 9, 11,
                                12, 16, 21, 41, 43 en 44 van deze verordening, als taak
                                aanbevelingen te doen aan de raad inzake de organisatie van de
                                werkzaamheden van de raad en van zijn commissies.</al><al>Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders;
                                fracties</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming
                            wethouders</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                                commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                                onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
                                van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het
                                (centraal)stembureau. </al></li><li nr="2."><al>De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag
                                uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In
                                het verslag wordt ook melding gemaakt van een
                                minderheidsstandpunt.</al></li><li nr="3."><al>Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
                                de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                                samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></li><li nr="4."><al>In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter
                                een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad
                                waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed
                                of verklaring en belofte af te leggen.</al></li><li nr="5."><al>Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste
                                lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet
                                aan de eisen van de Gemeentewet. De werkwijze van deze commissie is
                                overeenkomstig het tweede lid. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 8 Fractie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer
                                slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke
                                fractie beschouwd.</al></li><li nr="2."><al>Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert
                                de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen
                                aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie
                                in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke
                                naam deze fractie in de raad wil voeren. </al></li><li nr="3."><al>De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens
                                plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan
                                de voorzitter.</al><lijst><li nr="a."><al>Indien:</al><lijst><li nr="–"><al>één of meer leden van een fractie als zelfstandige
                                                fractie gaan optreden;</al></li><li nr="–"><al>twee of meer fracties als één fractie gaan
                                                optreden;</al></li><li nr="–"><al>één of meer leden van een fractie zich aansluiten
                                                bij een andere fractie; </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al>wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de
                        voorzitter.</al><al>b.Met de onder a beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met
                        ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling
                        daarvan.</al><al>b.Hoofdstuk 3 Vergaderingen</al><al>b.<vet>Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</vet></al><al>b.<vet>Artikel 9 Vergaderfrequentie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op elke
                                laatste donderdag van de maand en vangen aan om 20.00 uur en worden
                                gehouden in het gemeentehuis.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie,
                                overleg met het presidium.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 10 Oproep</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter zendt bij voorkeur veertien dagen maar ten minste
                                zeven dagen voor een vergadering de leden van de raad een
                                schriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats
                                van de vergadering.</al></li><li nr="2."><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                                uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de
                                schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 11 Agenda</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de
                                schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een
                                vergadering een aanvullende agenda opstellen. Deze wordt met de
                                daarbijbehorende stukken aan de leden van de raad verzonden, en
                                openbaar gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de
                                vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of
                                van de agenda afvoeren.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar
                                een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies
                                vragen.</al></li><li nr="4."><al>Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad
                                de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 12 De wethouder </vet></al><al>b.Het presidium kan een of meer wethouders uitnodigen, al dan niet op
                        zijn/hun verzoek, om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de
                        beraadslagingen deel te nemen.</al><al>b.<vet>Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de
                                agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de
                                schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter inzage
                                gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken
                                ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de
                                leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.</al></li><li nr="2."><al>Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het
                                gemeentehuis gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede
                                lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze
                                stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de
                                griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.</al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 14 Openbare kennisgeving</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergadering wordt door aankondiging in de Biltse en Bilthovense
                                Courant en de Vierklankof op de voor afkondigingen in de gemeente
                                gebruikelijke wijze en door plaatsing op de gemeentelijke website
                                openbaar gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>De openbare kennisgeving vermeldt:</al><lijst><li nr="a."><al>de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige
                                        agenda van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de
                                        vergadering behorende stukken kan inzien;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden, indien
                                digitaal beschikbaar, op de website van de gemeente geplaatst.</al></li></lijst><al>b.<vet>Paragraaf 2 Orde der vergadering</vet></al><al>b.<vet>Artikel 15 Presentielijst</vet></al><al>b.Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de
                        presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de
                        voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.</al><al>b.<vet>Artikel 16 Zitplaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste
                                zitplaats, door de voorzitter na overleg in het presidium bij
                                aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad
                                aangewezen.</al></li><li nr="2."><al>Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                herzien na overleg in het presidium.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                    uitgenodigd<cursief>.</cursief></al></li></lijst><al>b.<vet>Artikel 17 Opening vergadering; quorum</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur met een
                                moment van bezinning, indien het daarvoor door de wet vereiste
                                aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig
                                is.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste
                                aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van
                                de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering,
                                met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.</al></li></lijst><al>Artikel 18 Spreekrecht burgers</al><al>1 Na de opening van de vergadering kunnen andere aanwezige burgers
                        gezamenlijk gedurende</al><al> maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde
                        onderwerpen.</al><al>2 Het woord kan niet gevoerd worden:</al><al> a over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op
                        de rechter openstaat</al><al> of heeft opengestaan;</al><al> b over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                        personen;</al><al> c indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of
                        kon worden ingediend;</al><al>d over geagendeerde onderwerpen waarover in een commissievergadering
                        gesproken kon worden op grond van artikel 16 van de Verordening op de
                        raadscommissies 2006.</al><al>3 Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt zich voor de
                        aanvang van de vergadering</al><al> bij de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en
                        het onderwerp waarover</al><al> hij het woord wil voeren.</al><al>4 De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter
                        kan van de volgorde</al><al> afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.</al><al>5 Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter
                        verdeelt de spreektijd evenredig</al><al> over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan
                        tevens in bijzondere gevallen</al><al> afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.</al><al>6 De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. De
                        voorzitter of een lid van</al><al> de raad doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de
                        burger.</al><al><vet>Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming</vet></al><al>Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de
                        voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming zal
                        beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst
                        aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming.</al><al><vet>Artikel 20 Verslag en besluitenlijst</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een presentielijst,
                                een kort verslag en de besluitenlijst van de vergadering.</al></li><li nr="2."><al>Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo mogelijk,
                                aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met de
                                schriftelijke oproep. Het conceptverslag wordt gelijktijdig aan de
                                overige personen die het woord gevoerd hebben, toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de secretaris
                                hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de raad te doen,
                                indien het conceptverslag onjuistheden bevat of niet duidelijk
                                weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot
                                verandering dient voor de aanvang van de vergadering bij de griffier
                                te worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de
                                        wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede
                                        van de leden die afwezig waren en overige personen die het
                                        woord gevoerd hebben;</al></li><li nr="b."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn
                                        geweest;</al></li><li nr="c."><al>een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding
                                        van de namen van de aanwezigen die het woord voerden;</al></li><li nr="d."><al>een overzicht van het verloop van elke stemming, met
                                        vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de
                                        leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de
                                        namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet
                                        van stemming hebben onthouden of zich bij het uitbrengen van
                                        hun stem hebben vergist;</al></li><li nr="e."><al>de tekst van de ter vergadering ingediende
                                        initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,
                                        amendementen en subamendementen;</al></li><li nr="f."><al>bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid
                                        van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in
                                        artikel 26 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de
                                        beraadslagingen.</al><lijst><li nr="5."><al>Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering
                                                vastgesteld, waarna dit door de voorzitter en de
                                                griffier wordt ondertekend.</al></li><li nr="6."><al>Aan de hand van het verslag wordt een besluitenlijst
                                                opgesteld. Voor zover de aard en de inhoud van de
                                                besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de
                                                besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de vergadering
                                                openbaar gemaakt door plaatsing in de Biltse en
                                                Bilthovense Courant en de Vierklank of op de voor
                                                afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en
                                                door plaatsing op de gemeentelijke website.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 21 Ingekomen stukken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst. Deze
                                lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en ter inzage
                                gelegd. Schriftelijke mededelingen van het college aan de raad
                                worden niet op de lijst ingekomen stukken geplaatst maar als
                                agendapunt ingebracht. </al></li><li nr="2."><al>Na de vaststelling van het verslag stelt de raad, op voorstel van
                                het presidium, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken
                                vast.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 22 Aantal spreektermijnen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al></li><li nr="2."><al>Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></li><li nr="3."><al>Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren
                                over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></li><li nr="4."><al>Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                        initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat
                                        amendement, die motie of dat voorstel.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of
                                voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken
                                over een voorstel van orde.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 23 Spreektijd</vet></al><al>Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de
                        leden.</al><al><vet>Artikel 24 Handhaving orde; schorsing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij</al><lijst><li nr="a."><al>de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van
                                        dit reglement te herinneren;</al></li><li nr="b."><al>een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de
                                        spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal
                                        afronden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen
                                veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een
                                andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de
                                orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen.
                                Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de
                                voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft,
                                over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.</al></li><li nr="3."><al>De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een
                                door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de
                                orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 25 Beraadslaging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel
                                afzonderlijk te beraadslagen.</al></li><li nr="2."><al>Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter
                                kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen
                                tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te
                                geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat
                                nadat de schorsingsperiode verstreken is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige
                                leden van de raad, de wethouder, de secretaris, de griffier en de
                                voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.</al></li><li nr="2."><al>Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één
                                der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten
                                aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt
                                genomen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 27 Stemverklaring</vet></al><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                        overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren. </al><al><vet>Artikel 28 Beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel
                                voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></li><li nr="2."><al>Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over
                                eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals
                                het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                gevraagd.</al></li><li nr="3."><al>Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt,
                                formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen
                                eindbeslissing.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen</vet></al><al><vet>Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                stemming is aangenomen.</al></li><li nr="2."><al>In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag
                                vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich
                                op grond van artikel 28 Gemeentewet van stemming te hebben
                                onthouden.</al></li><li nr="3."><al>Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                voorzitter daarvan mededeling.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam
                                op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat
                                daarvoor overeenkomstig artikel 19 is aangewezen. Vervolgens
                                geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.</al></li><li nr="5."><al>Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat
                                zich niet van deelneming aan de stemming op grond van artikel 28
                                Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.</al></li><li nr="6."><al>De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit
                                te spreken, zonder enige toevoeging.</al></li><li nr="7."><al>Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan
                                hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd
                                heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat
                                de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel
                                aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de
                                stemming brengt dit echter geen verandering.</al></li><li nr="8."><al>De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met
                                vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij
                                doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 30 Stemming over amendementen en moties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt
                                eerst over dat amendement gestemd.</al></li><li nr="2."><al>Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst
                                over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                amendement.</al></li><li nr="3."><al>Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig
                                voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin
                                hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest
                                verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming
                                wordt gebracht.</al></li><li nr="4."><al>Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                motie.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 31 Stemming over personen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht
                                of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet
                                plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot stembureau.</al></li><li nr="2."><al>Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de
                                Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje
                                in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.</al></li><li nr="3."><al>Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen,
                                voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de
                                voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op
                                één briefje.</al></li><li nr="4."><al>Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes
                                gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid
                                verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen
                                niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te
                                openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in
                                artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben
                                uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben
                                ingeleverd. </al></li><li nr="6."><al>In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de
                                raad, op voorstel van de voorzitter.</al></li><li nr="7."><al>Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na
                                vaststelling van de uitslag vernietigd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 32 Herstemming over personen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich
                                hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over
                                meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming
                                uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal
                                plaatshebben.</al></li><li nr="3."><al>Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                staken, beslist terstond het lot.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 33 Beslissing door het lot</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie
                                de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al></li><li nr="2."><al>Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                gedeponeerd en omgeschud.</al></li><li nr="3."><al>Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                gekozen.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 4 Rechten van leden </al><al><vet>Artikel 34 Amendementen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                                amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om
                                een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen,
                                waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen
                                beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door
                                leden van de raad, die de presentielijst getekend hebben en in de
                                vergadering aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al>Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                                amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te
                                stellen (subamendement).</al></li><li nr="3."><al>Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen
                                te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend,
                                tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van
                                het voorgestelde -oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan
                                worden volstaan.</al></li><li nr="4."><al>Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is
                                mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft
                                plaatsgevonden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 35 Moties</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al></li><li nr="2."><al>Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></li><li nr="3."><al>De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of
                                voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of
                                voorstel plaats.</al></li><li nr="4."><al>De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende
                                onderwerpen zijn behandeld.</al></li><li nr="5."><al>Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 36 Voorstellen van orde</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering
                                mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden
                                toegelicht.</al></li><li nr="2."><al>Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                betreffen.</al></li><li nr="3."><al>Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 37 Initiatiefvoorstel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen
                                worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende
                                vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden
                                is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de
                                daaropvolgende vergadering geplaatst. Bij vaststelling van de agenda
                                wordt het initiatiefvoorstel in stemming gebracht.</al></li><li nr="3."><al>De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda
                                voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de
                                raad oordeelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorstel met het oog op de orde van de vergadering
                                        tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp
                                        dient te worden behandeld; </al></li><li nr="b."><al>het voorstel eerst dient te worden behandeld in een
                                        raadscommissie;</al></li><li nr="c."><al>het voorstel voor advies naar het college dient te worden
                                        gezonden. In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering
                                        het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al><lijst><li nr="4."><al>De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en
                                                behandeling van een voorstel, niet zijnde een
                                                voorstel voor een verordening.</al></li><li nr="5."><al>Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende
                                                het ontslag van een wethouder, zijn de bepalingen in
                                                dit artikel niet van toepassing. Een dergelijk
                                                voorstel kan na instemming van de raad terstond aan
                                                de agenda toegevoegd worden.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 38 Collegevoorstel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een voorstel van het college aan de raad, dat vermeld staat op de
                                agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder
                                toestemming van de raad.</al></li><li nr="2."><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden,
                                bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw
                                geagendeerd wordt.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 39 Interpellatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in
                                naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste
                                48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de
                                voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving
                                van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de
                                te stellen vragen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de
                                vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na
                                indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De
                                raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de
                                interpellatie zal worden gehouden.</al></li><li nr="3."><al>De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                                leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                                eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 40 Schriftelijke vragen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De
                                vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen
                                wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt
                                verlangd. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde worden
                                per omgaande aan de indiener teruggestuurd.</al></li><li nr="2."><al>De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor
                                dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden
                                van de raad en het college of de burgemeester worden gebracht.</al></li><li nr="3."><al>Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende
                                raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen
                                kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college of
                                de burgemeester de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis,
                                waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal
                                plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.</al></li><li nr="4."><al>De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                                tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad
                                toegezonden.</al></li><li nr="5."><al>De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                                dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda
                                voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door
                                de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 41 Vragenuur </vet></al><al>1 De vergadering vangt aan met een vragenuur, tenzij er bij de voorzitter
                        geen vragen zijn ingediend.</al><al> In bijzondere gevallen kan het presidium bepalen dat het vragenuur op een
                        ander tijdstip wordt</al><al> gehouden. De voorzitter bepaalt per vergadering op welk tijdstip het
                        vragenuur eindigt.</al><al>2 Het lid dat tijdens het vragenuur vragen wil stellen, meldt dit onder
                        aanduiding van het onderwerp</al><al><vet>ten minste vierentwintig uur </vet>voor aanvang van de vergadering bij
                        de voorzitter. De voorzitter kan</al><al> weigeren een onderwerp tijdens het vragenuur aan de orde te stellen indien
                        hij het onderwerp niet</al><al> voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de
                        raadsvergadering van die </al><al> dag aan de orde komt.</al><al>3 De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen tijdens
                        het vragenuur aan de</al><al> orde worden gesteld. </al><al>4 De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller,
                        voor de wethouders c.q. de</al><al> burgemeester en voor de overige leden.</al><al>5 Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één of meer
                        vragen aan leden</al><al> van het college c.q. de burgemeester te stellen en een toelichting daarop
                        te geven.</al><al>6 Na de beantwoording door de leden van het college c.q. de burgemeester
                        krijgt de vragensteller</al><al> desgewenst het woord om aanvullende vragen te stellen.</al><al>7 Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden het woord verlenen om hetzij
                        aan de vragensteller,</al><al> hetzij aan de leden van het college c.q. de burgemeester vragen te stellen
                        over hetzelfde onderwerp.</al><al>8 Tijdens het vragenuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen
                        interrupties</al><al> toegelaten.</al><al><vet>Artikel 42 Inlichtingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst
                                van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de
                                burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een
                                afschrift van dit verzoek krijgen. </al></li><li nr="3."><al>De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></li><li nr="4."><al>De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 5 Begroting en rekening </al><al><vet>Artikel 43 Procedure begroting</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het
                        onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een
                        procedure die de raad, op voorstel van het presidium, vaststelt.</al><al><vet>Artikel 44 Procedure jaarrekening</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en
                        het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de
                        vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit
                        volgens een procedure die de raad, op voorstel van het presidium,
                        vaststelt.</al><al>Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties</al><al><vet>Artikel 45 Verslag en verantwoording</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                secretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het
                                algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een ander
                                gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in aansluiting op
                                de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het
                                sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het
                                algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste
                                bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de
                                desbetreffende commissie.</al></li><li nr="2."><al>Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van
                                schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 40, zijn van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
                                functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
                                De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel
                                39, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties
                                of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft
                                benoemd.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 7 Besloten vergadering</al><al><vet>Artikel 46 Algemeen</vet></al><al>Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                        overeenkomstige toepassing voorzover deze bepalingen niet strijdig zijn met
                        het besloten karakter van de vergadering.</al><al><vet>Artikel 47 Verslag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het verslag van een besloten vergadering wordt niet rondgedeeld,
                                maar ligt uitsluitend voor de leden ter inzage.</al></li><li nr="2."><al>Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering
                                ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad
                                een besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag. Het
                                vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier
                                ondertekend.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 48 Geheimhouding</vet></al><al>Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig
                        artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de
                        stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De raad kan besluiten
                        de geheimhouding op te heffen.</al><al><vet>Artikel 49 Opheffing geheimhouding</vet></al><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                        tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet
                        voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien daarom wordt
                        verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten
                        vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.</al><al>Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers</al><al><vet>Artikel 50 Toehoorders en pers</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen
                                bijwonen.</al></li><li nr="2."><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 51 Geluid- en beeldregistraties</vet></al><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid-
                        dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de
                        voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen
                        niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.</al><al><vet>Artikel 52 Verbod gebruik mobiele telefoons</vet></al><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                        vergadering het gebruik, alsmede het standby houden van mobiele telefoons of
                        andere communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen maken op de orde van de
                        vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet toegestaan.</al><al>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</al><al><vet>Artikel 53 Uitleg reglement</vet></al><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de
                        toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                        voorzitter.</al><al><vet>Artikel 54 Inwerkingtreding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Dit reglement treedt in werking op 1 november 2006. </al></li><li nr="2."><al>Op dat tijdstip vervalt het reglement van orde voor de vergaderingen
                                van de raad van de gemeente De Bilt vastgesteld bij raadsbesluit van
                                25 maart 2002.</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente De Bilt in zijn openbare
                        vergadering van 19 oktober 2006.</ondertekening><ondertekening>De gemeenteraad van gemeente De Bilt,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. drs. J.L. van Berkel mr. A. Tchernoff</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet> Toelichting modelreglement van orde voor de vergaderingen en andere
                        werkzaamheden van de gemeenteraad</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Onder ‘aanhangig’ wordt verstaan aan de orde/in behandeling zijnd. De
                    omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde als
                    in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet.</al><al><vet>Artikel 2 De voorzitter</vet></al><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                    Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel
                    77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het
                    raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de
                    burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in jaren
                    degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de
                    mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. Bij deze mogelijkheid zou
                    een voorzittersprofiel aan de uiteindelijke keuze ten grondslag dienen te
                    liggen. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de
                    Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter
                    zorgt hij onder andere voor de handhaving van de orde in de vergadering.</al><al><vet>Artikel 3 De griffier</vet></al><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De
                    griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad.
                    Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De Gemeentewet eist
                    dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In
                    het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22
                    Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met
                    betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging.
                    Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etcetera zijn niet
                    in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de
                    ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor
                    de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt.</al><al><vet>Artikel 4 De secretaris</vet></al><al>De secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college
                    en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan
                    het tevens wenselijk zijn dat de secretaris deelneemt aan de beraadslagingen van
                    de raad. De secretaris wordt echter benoemd en ontslagen door het college. Dit
                    houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te
                    zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het college de secretaris
                    opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te
                    nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep doen op kennis en
                    informatie, die de secretaris bezit of kan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen
                    aan een discussie over het functioneren van de ambtelijke organisatie.</al><al>Artikel 5 Het seniorenconvent</al><al>Naast het presidium functioneert een seniorenconvent of
                    fractievoorzittersoverleg waaraan vertrouwelijke mededelingen kunnen worden
                    gedaan c.q. waar politiek gevoelige zaken kunnen worden besproken. Het presidium
                    is besluitvormend ten aanzien van de agendavorming en de werkwijze van de
                    gemeenteraad. Het seniorenconvent is juist niet besluitvormend en bespreekt
                    slechts onderwerpen van vertrouwelijke of informele aard. Dit weerspiegelt zich
                    ook in de samenstelling van het seniorenconvent; alle fractievoorzitters en de
                    voorzitter van de gemeenteraad.</al><al><vet>Artikel 6 Het presidium</vet></al><al>Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol (vaststellen voorlopige
                    agenda, uitnodigen externen, wijzigen vergadermomenten e.d.). Het primaat ligt
                    expliciet bij de raad (artikel 125 lid 1 Grondwet). Wel is als aanvullende taak
                    opgenomen dat het presidium aanbevelingen doet aan de raad inzake de organisatie
                    van de werkzaamheden van de raad en zijn commissies. Hieronder vallen taken als:
                    het initiëren van een aanpassing van het reglement van orde, het instrueren van
                    de griffier en aanbevelingen doen aan de raad ter bevordering van het
                    dualiseringsproces.</al><al>De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig, omdat de
                    griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda
                    eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de
                    secretaris kan gewenst zijn, omdat de secretaris aandacht moet kunnen vragen
                    voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de
                    ambtelijke organisatie. Uiteraard is het aan de raad om te bepalen of het
                    opnemen van een lid dat de aanwezigheid van de secretaris in het presidium
                    mogelijk maakt, wenselijk wordt geacht in gedualiseerde verhoudingen. </al><al><vet>Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders;
                        fracties</vet></al><al><vet>Artikel 7 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming
                    wethouders</vet></al><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                    benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                    benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                    benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                    Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan
                    de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om
                    als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een
                    ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij bekleedt, een
                    uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (indien
                    niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten van
                    artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de
                    geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal
                    ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet) betrokken worden. In deze
                    code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane
                    nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengt verslag
                    uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk. </al><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter
                    een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat
                    de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het
                    onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing
                    of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de eerste samenkomst van de
                    nieuwe raad na verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet
                    uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.</al><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn
                    leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een
                    nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na een
                    raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de raad in
                    nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal
                    hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of
                    verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de
                    toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van de eed of
                    verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                    raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                    vastgelegd.</al><al>De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot
                    toelating als lid van de raad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet
                    dualisering gemeentebestuur in 2002.</al><al>Het vijfde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                    vloeit het geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder
                    geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet
                    geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan
                    een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen
                    voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het
                    raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de
                    hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek
                    naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een vijfde lid aan dit
                    artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder
                    van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incomptabiliteiten en
                    nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.</al><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                    geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2
                    Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van één
                    stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een nieuw
                    raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag immers niet meestemmen over zijn
                    eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het
                    kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat
                    de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.</al><al><vet>Artikel 8 Fracties</vet></al><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen,
                    worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd.
                    De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de
                    kandidatenlijst hadden staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in
                    de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan
                    echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft
                    staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de
                    aanduiding mee.</al><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten.
                    Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben.
                    Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met hun fractie hebben,
                    te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er nog vele redenen
                    denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling
                    van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de
                    voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet
                    opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan
                    of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van ons kiesstelsel
                    is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een
                    kandidaat wordt door de voorzitter van het stembureau benoemd). De Kieswet gaat
                    niet uit van politieke partijen, een zetel ‘hoort’ dan ook niet bij een partij
                    maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid
                    heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.
                    Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie
                    vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap
                    over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de
                    naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de
                    voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de
                    eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden
                    met de nieuwe situatie. </al><al>Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de nieuwe
                    fractie leden dient voor te dragen voor commissies, fractieondersteuning
                    etc.</al><al><vet>Hoofdstuk 3 Vergaderingen</vet></al><al><vet>Paragraaf 1 Tijd van vergaderen; voorbereidingen</vet></al><al><vet>Artikel 9 Tijd en plaats van vergaderen</vet></al><al>Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe
                    heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten
                    minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van
                    redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat de voorzitter
                    in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijk overleg
                    pleegt in het presidium. Op deze wijze houdt het presidium ook bij
                    vergaderingen, die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op
                    de datum, het tijdstip en de plaats van de vergadering. Het wijzigen van het
                    aanvangsuur is van gemeenschappelijk belang, omdat het merendeel van de
                    raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere (on)betaalde
                    functie.</al><al><vet>Artikel 10 Oproep </vet></al><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de
                    leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de voorzitter bij voorkeur veertien, maar in ieder
                    geval ten minste zeven dagen vóór een vergadering de leden een brief (de
                    schriftelijke oproep) stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. Deze
                    termijn is, bij de herziening van het reglement in 2006, gewijzigd van veertien
                    naar zeven dagen. In de praktijk worden diverse termijnen gehanteerd, gekozen is
                    om dezelfde termijn te hanteren als in de verordening op de raadscommissies. De
                    brief vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het tweede lid
                    stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                    uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet
                    bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De
                    in artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien
                    waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken.
                    Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst de stukken en oproep niet
                    per post maar per e-mail te versturen. </al><al><vet>Artikel 11 Agenda</vet></al><al>Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien (artikel 6). Het
                    versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 10. Dit is echter een
                    voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd
                    mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook
                    zicht heeft op de actualiteit. In een dergelijke spoedeisende situatie kan de
                    voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende
                    agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment,
                    maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering. Het derde lid
                    heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de
                    raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen via hun fractievoorzitter in het
                    presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij
                    aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda
                    toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele
                    raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling
                    van de agenda.</al><al>Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van
                    voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van
                    de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst dat de raad zich
                    over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de
                    mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het college
                    nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de raad op
                    verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling
                    van de agendapunten kan wijzigen.</al><al>Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste
                    plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden
                    initiatiefvoorstellen indienen. Het presidium kan voorstellen doen die te maken
                    hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad (zie artikel 5, lid
                    6). </al><al>Indien er niet voor gekozen is een agendacommissie in te stellen, dient het
                    eerste lid aangepast te worden. In dit geval stelt het presidium de voorlopige
                    agenda vast.</al><al><vet>Artikel 12 De wethouder </vet></al><al>Artikel 12 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid, van de
                    Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad
                    worden uitgenodigd om ter vergadering aanwezig te zijn. Het gebruik van het
                    werkwoord ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen
                    in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat een
                    dergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als een weigering
                    inlichtingen te verschaffen of verantwoording af te leggen; met alle mogelijke
                    onaangename politieke gevolgen van dien voor de betrokken wethouder. Gelet op de
                    frequentie van de raadsvergadering zullen veelal zaken uit alle portefeuilles
                    aan de orde komen, zodat in de praktijk dikwijls alle wethouders zullen worden
                    uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze vaak
                    deelnemen aan de beraadslagingen. Het kan echter wenselijk zijn, dat een
                    wethouder niet bij een vergadering aanwezig is als de raad een zelfstandige
                    afweging over een onderwerp of voorstel wil maken, de raad bijvoorbeeld over het
                    eigen functioneren van gedachten wil wisselen of bij de voorbereiding van een
                    besluit tot het houden van een onderzoek naar het door het college gevoerde
                    bestuur.</al><al>Bij de evaluatie van de dualisering merkt de stuurgroep Leemhuis op dat een
                    wethouder te allen tijde bij raadsvergaderingen aanwezig moet kunnen zijn. De
                    VNG vindt echter dat elke individuele gemeente dat zelf moet kunnen bepalen.
                    Voorlopig komt op dit punt geen actie in de vorm van een wetswijziging, hoewel
                    het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wel onderzoekt op
                    welke andere wijze invulling kan worden gegeven aan deze aanbeveling. </al><al>In het herziene reglement van 2006 is dit artikel gewijzigd. In het vorige model
                    was aangegeven dat de wethouder voorafgaand aan de vaststelling van de
                    voorlopige agenda kon verzoeken bij de vergadering aanwezig te zijn, waarop het
                    presidium hierover besliste. De praktische vraag is hoe de wethouder kan weten
                    wat er op de agenda gaat komen. Aangezien in de praktijk doorgaans e.e.a zich
                    wel regelt op informele manier is gekozen voor de huidige bepaling.</al><al><vet>Artikel 13 Ter inzage leggen van stukken</vet></al><al>In dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken, om de zogenaamde
                    ‘achterliggende’ stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt
                    gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.).</al><al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende
                    stukken, die bijvoorbeeld het voorstel tot het bouwen van een nieuwe bibliotheek
                    onderbouwen. Omdat raadsleden zich bezighouden met een groot aantal
                    verschillende onderwerpen en voorstellen, is het in de meeste gevallen niet
                    wenselijk dat raadsleden alle onderliggende stukken krijgen toegezonden.
                    Uiteraard dienen alle raadsleden en andere geïnteresseerden de mogelijkheid te
                    hebben om alle stukken desgewenst in te zien. Hiervoor hebben ze wel voldoende
                    tijd nodig. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de
                    schriftelijke oproep ter inzage gelegd.</al><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB).
                    Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of
                    ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door
                    de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten
                    komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s,
                    notulen, (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in
                    de zin van de WOB.</al><al>Het kan niet de bedoeling zijn, dat een lid van de raad of een ander het
                    originele stuk mee naar huis neemt. Dit zou betekenen dat andere raadsleden en
                    geïnteresseerden niet meer de mogelijkheid hebben om het document in te zien.
                    Een raadslid of een andere geïnteresseerde mag echter wel een kopie van een ter
                    inzage gelegd stuk maken.</al><al>De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt
                    dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de
                    voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter
                    inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage
                    aan hen verlenen.</al><al><vet>Artikel 14 Openbare kennisgeving</vet></al><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                    tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                    aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de
                    herziening van het reglement is tevens de verplichting opgenomen de agenda en
                    stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de
                    burger is dit gewenst. </al><al><vet>Paragraaf 2 Orde der vergadering</vet></al><al><vet>Artikel 15 Presentielijst</vet></al><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel
                    20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen
                    op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het
                    vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te
                    stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom
                    stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en ondertekent deze.
                    Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum
                    aanwezig was.</al><al><vet>Artikel 16 Zitplaatsen</vet></al><al>De griffier is overeenkomstig artikel 3a in elke vergadering aanwezig en heeft
                    daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het presidium de
                    indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond van artikel 8a
                    kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn. Ook
                    andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn.
                    De voorzitter is de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te
                    zorgen.</al><al><vet>Artikel 17 Opening vergadering</vet></al><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                    hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. In De Bilt
                    begint de voorzitter met een moment van bezinning. Artikel 20 van de Gemeentewet
                    voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal
                    leden niet op komt dagen.</al><al><vet>artikel 18 Spreekrecht burgers </vet></al><al>Na de opening van de vergadering kunnen aanwezige burgers gezamenlijk gedurende
                    maximaal dertig minuten het woord voeren over geagendeerde onderwerpen. Het
                    woord kan niet gevoerd worden:</al><lijst><li nr="a."><al> over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep op
                            de rechter openstaat of heeft opengestaan;</al></li><li nr="b."><al> over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                            personen;</al></li><li nr="c."><al> indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan
                            of kon worden ingediend.</al></li><li nr="d."><al> onderwerpen waarover al in een commissievergadering het woord gevoerd
                            kon worden.</al></li></lijst><al>Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit ten minste vijf
                    minuten voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij
                    zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil
                    voeren. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter
                    kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de
                    vergadering. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter
                    verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers
                    zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale
                    lengte van de spreektijd. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem
                    dit heeft verleend. De voorzitter of een lid van de raad doet een voorstel voor
                    de behandeling van de inbreng van de burger.</al><al><vet>Artikel 19 Primus bij hoofdelijke stemming</vet></al><al>Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan
                    het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                    vergadering, ook na een eventuele schorsing. Uiteraard is ook hier afwijking
                    mogelijk, bijvoorbeeld door te bepalen dat pas op het moment van stemming de
                    primus wordt bepaald. Zie ook artikel 28, vierde lid.</al><al><vet>Artikel 20 Verslag en besluitenlijst</vet></al><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop
                    het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In
                    de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting op een besluitenlijst
                    openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Bij de herziening van
                    het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit betreft de bepaling over de
                    besluitenlijst en het gebruik van de term verslag. Wat dit laatste betreft,
                    voorheen werd gesproken over notulen. Gekozen is om aan te sluiten bij de
                    terminologie van de Gemeentewet (artikel 23, vijfde lid) en de bepalingen in het
                    modelreglement van orde voor het college. </al><al>Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd
                    aan de leden en overige personen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders
                    (artikel 8a), de burgemeester, de griffier en de secretaris ook het woord kunnen
                    voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot verandering van het
                    verslag aan de raad doen. Een voorstel tot verandering dient voorafgaand aan de
                    vergadering schriftelijk te worden ingediend. Het is ook mogelijk om te bepalen
                    dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat het verslag wordt vastgesteld. Er is
                    hier gekozen om het voor de griffier zo praktisch mogelijk te regelen.</al><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                    griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van het verslag in ontvangst
                    te nemen, het verslag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te
                    ondertekenen Het is aan de raad om te beslissen of een voorgestelde wijziging of
                    aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet
                    vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State). Als
                    de secretaris aanwezig is, dient zijn naam, omdat het een belangrijke
                    functionaris blijft, vermeld te worden in het verslag. Hetzelfde geldt voor
                    wethouders.</al><al>Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van hetgeen de
                    leden hebben gezegd te bevatten. Ook hetgeen de overige aanwezigen zoals
                    bijvoorbeeld de aanwezige wethouders of de gemeentesecretaris of burgers zeggen
                    moet zakelijk samengevat worden. Dit betekent dat die sprekers ook in het
                    verslag genoemd moeten worden.</al><al>In het kader van de betrokkenheid van burgers bij de lokale politiek kunnen
                    gemeenten het indienen van burgerinitiatiefvoorstellen mogelijk maken (zie de
                    handreiking Burgerinitiatief van de Vernieuwingsimpuls). Met de inwerkingtreding
                    van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is de openbaarmaking van een
                    besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht gesteld vanaf 19 februari 2003.
                    Al eerder was in de Gemeentewet de verplichting voor het college opgenomen
                    (artikel 60), door middel van een amendement is dit nu ook voor de raad geregeld
                    in artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet. Tijdens de behandeling van dit
                    amendement in de Tweede Kamer is aangegeven dat de besluitenlijst op zo kort
                    mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is
                    vastgesteld aangezien de besluitenlijst ‘slechts’ een overzicht geeft van (alle)
                    door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de
                    Algemene wet bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek
                    af te leggen).</al><al> Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                    geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers,
                    de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een besluitenlijst.</al><al><vet>Artikel 21 Ingekomen stukken; mededelingen</vet></al><al>Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen
                    gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming,
                    steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een raadscommissie,
                    doorsturen naar het college etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de
                    voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot
                    inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te
                    worden voorbereid.</al><al>De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook
                    bij de raad binnen, maar worden in De Bilt niet als ingekomen stuk geagendeerd;
                    de mededelingen van het college vormen een apart punt op de raadsagenda. Verder
                    bewaakt de voorzitter de orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel van
                    het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. In eerdere
                    versies van het reglement was deze taak bij de voorzitter gelegd. Het is
                    logischer, nu er een presidium is, deze taak hier neer te leggen.</al><al><vet>Artikel 22 Aantal spreektermijnen</vet></al><al>Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                    nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat
                    de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                    veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng
                    van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. </al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een
                    verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte
                    reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.</al><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen,
                    maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde
                    onderwerp.</al><al><vet>Artikel 23 Spreektijd</vet></al><al>Het artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief
                    regels kan stellen over de spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit niet
                    voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het handhaven
                    van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in de omvang van
                    de spreektijd.</al><al><vet>Artikel 24 Handhaving orde; schorsing</vet></al><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn
                    interrupties toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan
                    interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen niet
                    bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om te
                    bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te
                    uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd
                    kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen
                    over hetgeen zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen. </al><al>Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op de
                    wethouders, de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren.
                    De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij hieraan geen gehoor geven,
                    kan hen het woord worden ontzegd.</al><al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een
                    spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan
                    de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat
                    lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang
                    tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter
                    blijft echter onverlet. Artikel 25 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet.
                    Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een op
                    feitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen
                    besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138).</al><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed-
                    of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor
                    wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar
                    de artikel 51 van dit reglement.</al><al><vet>Artikel 25 Beraadslaging</vet></al><al>Teneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat
                    in onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd.
                    In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid opgenomen.</al><al>Door de toevoeging ‘of een lid van de raad’ wordt ook raadsleden het recht
                    toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt
                    tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder
                    individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar dualisering,
                    aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en daarmee
                    agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken.</al><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede
                    termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt direct tot
                    stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde termijn toegevoegd
                    (zie artikel 22).</al><al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                    mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval indien
                    het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd
                    is.</al><al><vet>Artikel 26 Deelname aan de beraadslaging door anderen </vet></al><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                    geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt
                    dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging
                    mag deelnemen (bijvoorbeeld de voorzitter van de deelgemeenteraad aan de
                    beraadslaging over deelgemeente-aangelegenheden). </al><al>De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 12 bepalen dat de
                    griffier, de secretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. De
                    burgemeester heeft het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de
                    beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. De
                    strekking van artikel 25 blijft alleen onveranderd wanneer aan het eerste lid de
                    griffier, de wethouder en de secretaris worden toegevoegd. Daarmee blijft het
                    artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan de
                    beraadslagingen.</al><al>In het tweede lid wordt het begrip ‘beslissing’ gebruikt. Het gaat hier namelijk
                    niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. </al><al><vet>Artikel 27 Stemverklaring</vet></al><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van
                    een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen
                    worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden tot de stemming
                    begint.</al><al><vet>Artikel 28Beslissing</vet></al><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp
                    voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert
                    daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het
                    voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.</al><al><vet>Paragraaf 3 Procedures bij stemmingen</vet></al><al><vet>Artikel 29 Algemene bepalingen over stemming</vet></al><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                    stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling
                    van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan
                    wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt
                    hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke een
                    hoofdelijke stemming verplicht.</al><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien
                    de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden
                    tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van
                    artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht
                    stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar.
                    Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de
                    openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze
                    vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is geregeld in artikel
                    16.</al><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op
                    artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat
                    het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet
                    bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was
                    vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de
                    mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in
                    gemeenteraden. </al><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4
                    Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de
                    mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn
                    beschouwing van 19 mei 2003:</al><al>“de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                    individuele raadslid;</al><al>bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen
                    besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of
                    bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de
                    Kroon (artikel 268 Gemeentewet);</al><al>de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene
                    zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van
                    belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit
                    bijv. opnemen in de gedragscode);</al><al>uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet
                    wenselijk.”</al><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                    zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het
                    besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken,
                    wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al>In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de
                    openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt
                    aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt
                    meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond
                    van de Gemeentewet. Een elektronisch stemsysteem kan wel problemen opleveren bij
                    de geheime stemming over personen (artikel 31 Gemeentewet). Indien het een vrije
                    ronde betreft waar elk lid eigen kandidaten kan voordragen is dit met de huidige
                    systemen vaak niet mogelijk. Elektronische stemsystemen hebben een aantal
                    beveiligingsmechanismen. Hierdoor zal doorgaans maar één persoon gemachtigd zijn
                    om gegevens in te voeren. Bij vrije stemrondes over personen dient ieder raadlid
                    de mogelijkheid te hebben kandidaten voor te dragen.</al><al><vet>Artikel 30 Stemming over amendementen en moties</vet></al><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                    e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 33 en 34 van dit reglement. Voor alle
                    duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie
                    en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming
                    over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een
                    voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de
                    besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een
                    afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van
                    toepassing.</al><al><vet>Artikel 31 Stemming over personen</vet></al><al>Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen.
                    Voorheen was in artikel 31, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd over
                    de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk dient te
                    geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op deze wijze
                    zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij stembriefjes
                    te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook middels een elektronisch
                    stemsysteem stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd is.</al><al>Het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming doormiddel van een
                    behoorlijk ingevuld stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt
                    als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van
                    een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco
                    stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de
                    bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is
                    ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden
                    verstaan, is in de wet niet geregeld. </al><al>Bij de herziening van het reglement in 2006 is de bepaling wat wel en wat niet
                    onder een behoorlijk stembriefje valt geschrapt. De bepalingen zijn onnodig
                    gedetailleerd en zorgden in de praktijk regelmatig voor verwarring. Daarnaast
                    heeft de raad altijd het laatste woord in het geval van twijfel over een
                    behoorlijk stembriefje. </al><al>Indien er wel behoefte bestaat aan een uitwerking van wat onder een behoorlijk
                    stembriefje wordt verstaan kan de volgende bepalingen aan het vijfde lid worden
                    toegevoegd:</al><al><cursief>Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt
                        verstaan:</cursief></al><lijst><li nr="a."><al><cursief>een blanco ingevuld stembriefje;</cursief></al></li><li nr="b."><al><cursief>een ondertekend stembriefje;</cursief></al></li><li nr="c."><al><cursief>een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de
                                stemming verschillende vacatures betreft;</cursief></al></li><li nr="d."><al><cursief>een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht
                                betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is
                                voorgedragen;</cursief></al></li><li nr="e."><al><cursief>een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan
                                die waartoe de stemming is beperkt.</cursief></al></li></lijst><al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt
                    (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen
                    persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met daarachter de opties
                    ‘voor’ en ‘tegen’ vermeld. Het gaat hier overigens niet over de benoeming
                        <cursief>tot</cursief> raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat
                    in artikel 4 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan
                    het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald ambt. Een
                    voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de namen van de
                    voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en
                    ‘tegen’. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een
                    bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het
                    betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie ook toelichting bij artikel 28).
                    Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbevolen personen te worden vermeld
                    met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimte waar een
                    kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld. </al><al><vet>Artikel 32 Herstemming over personen</vet></al><al>De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term
                    ‘herstemming’ in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te voorkomen</al><al><vet>Artikel 33 Beslissing door het lot</vet></al><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31,
                    derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.</al><al><vet>Hoofdstuk 4 Rechten van leden</vet></al><al><vet>Artikel 34 Amendementen</vet></al><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit
                    artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in
                    het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van de
                    Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.</al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft (geen
                    drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de
                    raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de
                    controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo
                    in staat gesteld actief deel te nemen aan de effectuering van de controlerende,
                    vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad.</al><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college
                    of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een
                    amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit
                    amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een
                    (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig
                    is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee
                    termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere
                    beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn
                    (artikel 21).</al><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 29.
                    Voorstel tot splitsing van een voorgesteld beslissing kan, indien aangenomen,
                    meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander niet wordt
                    aanvaard.</al><al><vet>Artikel 35 Moties</vet></al><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                    gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan
                    om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard),
                    het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of
                    om het doen van een verzoek Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat
                    op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke
                    betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie
                    gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen
                    van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en
                    college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.</al><al>Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt,
                    dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over
                    een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in
                    afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het
                    onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een
                    niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering
                    plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 36 geregelde
                    initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de
                    vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen
                    ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
                    instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze
                    instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen
                    toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun
                    een moties in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening
                    van de inkadering en controle door de raad. </al><al><vet>Artikel 36 Voorstellen van orde </vet></al><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van
                    een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                    beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                    niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van toepassing).
                    Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor
                    een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure
                    van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 36).</al><al><vet>Artikel 37 Initiatiefvoorstellen</vet></al><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar
                    raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                    ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht
                    van initiatief toegekend.</al><al>In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede
                    lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welke wijze een
                    initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Het eerste
                    tot en met het derde lid van artikel 36 voorzien hierin. Artikel 147a, derde
                    lid, bepaalt in tegenstelling tot artikel 147a, tweede lid, dat voor andere
                    initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit
                    betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in
                    behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft
                    hiervoor – in aanvulling op de eerste drie leden voorschriften.</al><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                    vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor
                    dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
                    instrumenten. </al><al>Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het
                    individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft.
                    Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste
                    van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook
                    kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel
                    te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.</al><al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                    mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel echter
                    niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Aangezien het voor de hand
                    ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel
                    tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp te behandelen, is dit in
                    het derde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het
                    college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequenties
                    heeft kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te
                    leggen voor advies. De stuurgroep Leemhuis heeft in het evaluatierapport
                    dualisering de aanbeveling gedaan om het college de beleidsvoorbereiding te
                    laten doen en om de rol van het college bij initiatiefvoorstellen te versterken.
                    De VNG vindt het niet nodig om op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en het
                    college bij initiatiefvoorstellen een rol te geven. De positie van de raad, in
                    haar kaderstellende rol is het uitgangspunt. De tendens, dat het college meer
                    betrokken moet worden bij de beleidsvoorbereiding is evident. Toch dienen
                    gemeenten ervoor te waken dat het college de kaderstellende rol van de raad niet
                    gaat overnemen. De VNG heeft duidelijk aangegeven dat samenspel tussen beide
                    organen een oplossing is voor eventuele fricties. </al><al>Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel,
                    niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vierde
                    lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het algemeen
                    belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De raad bepaalt
                    of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke
                    ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van
                    de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking
                    die gericht is op het renoveren van achtergestelde woonwijken) of het
                    gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergarage in het centrum als enkele
                    maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt).</al><al>Het kamerlid Kalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over het
                    initiatiefrecht. De minister heeft aangegeven: “Het recht op initiatief houdt
                    niet in dat individuele raadsleden en raadsminderheden het recht moeten hebben
                    om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdt in dat zij in
                    beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raad
                    om, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de
                    agenda vast te stellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen
                    worden behandeld. Zou elk individueel raadslid het recht toekomen om
                    agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zou het effectief
                    functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij
                    herhaling onderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadmeerderheid niet
                    wenst te beraadslagen, kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren”. </al><al>Het vijfde lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid
                    geeft een wethouder na een motie van wantrouwen te ontslaan (artikel 49
                    Gemeentewet). In de oude Gemeentewet was een afkoelingstermijn van 30 dagen
                    opgenomen. Zonder de bepaling in het vijfde lid is deze ontslagmogelijkheid niet
                    mogelijk door de procedure regels van het reglement van orde.</al><al><vet>Artikel 38 Collegevoorstel</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de
                    enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen,
                    dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel heeft voorbereid,
                    betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan
                    intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het
                    voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier toestemming voor geven.</al><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander
                    voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een
                    verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor
                    advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken
                    het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De
                    raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel,
                    dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan
                    dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het
                    presidium overlaten.</al><al><vet>Artikel 39 Interpellatie</vet></al><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                    interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                    gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over
                    een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester
                    te vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig. </al><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                    controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                    raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een
                    effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
                    raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier
                    gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Minister
                    Pechtold heeft in een brief van 16 december 2005 aan de Groen-Links fractie in
                    Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft op eigen beleid te
                    ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat een
                    raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister
                    juicht dit echter niet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels
                    van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een
                    betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat.</al><al>In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is
                    het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte
                    worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede
                    lid wordt hiervoor gezorgd. De toelichting bij artikel 36 over de stuurgroep
                    Leemhuis en de (verplichte) aanwezigheid van collegeleden is ook op dit artikel
                    van toepassing.</al><al><vet>Artikel 40 Schriftelijke vragen</vet></al><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen
                    over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester
                    behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op
                    grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het
                    college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is. De
                    verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in
                    kennis te stellen, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan
                    plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de
                    burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het
                    bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan
                    antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad
                    anders kan beslissen.</al><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld
                    nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord
                    heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van
                    de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van
                    initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel
                    op de agenda van de raad te krijgen.</al><al><vet>Artikel 41 Vragenuur</vet></al><al>Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid,
                    van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een facultatieve
                    bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van een vragenuur en
                    daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het reglement van orde
                    wenselijk is. Wel kan het vragenuur bijdragen aan een vergroting van de
                    betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van
                    dualisering.</al><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenuur. Veelal
                    fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het
                    stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer
                    vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en
                    omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede
                    komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen
                    te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan
                    worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf
                    ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.</al><al>Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van
                    interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                    politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen
                    over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde
                    onderwerpen aan de orde komt. </al><al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het
                    door hen gevoerde bestuur. Het vragenuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de
                    raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de
                    burgers raadzaam om het vragenuur op een vast tijdstip te houden.</al><al>In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur voor vragen opgenomen
                    vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen
                    geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder zware karakter van het
                    vragenuur vergeleken met de interpellatie is gekozen voor een aanmeldingstermijn
                    van 24 uur (terwijl voor de interpellatie 48 uur geldt).</al><al><vet>Artikel 42 Inlichtingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                    inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de
                    raad.</al><al><vet>Hoofdstuk 5 Begroting en rekening</vet></al><al><vet>Artikel 43 Procedure begroting en artikel 43 Procedure
                    jaarrekening</vet></al><al>In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening
                    vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid
                    voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor de financiële
                    verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a Gemeentewet)
                    (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.</al><al><vet>Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties</vet></al><al><vet>Artikel 44 Verslag en verantwoording</vet></al><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of
                    de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                    gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat
                    bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze,
                    waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn
                    zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de
                    gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de
                    informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.</al><al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge
                    verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen). En wordt
                    aangegeven dat bespreking in een commissie kan plaatsvinden. Indien de gemeente
                    geen commissies heeft kan hier een ander daarvoor geëigend overlegorgaan worden
                    opgenomen.</al><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen
                    aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 37.</al><al>Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                    aansluit bij de regels voor inlichtingen.</al><al>Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op
                    andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd.
                    Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen,
                    zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vierde
                    lid.</al><al><vet>Hoofdstuk 7 Besloten vergadering</vet></al><al><vet>Artikel 45 Algemeen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                    toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                    onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van
                    stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                    verslag. </al><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover het
                    toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de
                    vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor
                    openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                    betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                    moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van
                    de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.</al><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het
                    sluiten van de deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering
                    wordt.</al><al><vet>Artikel 46 Verslag</vet></al><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                    Gemeentewet.</al><al>In overeenstemming met artikel 17 is de griffier verantwoordelijk voor het
                    verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook voor het verslag van een besloten
                    vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier. </al><al><vet>Artikel 47 Geheimhouding</vet></al><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege
                    onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens
                    artikel 25 jo artikel 55 van de Gemeentewet noodzakelijk.</al><al><vet>Artikel 48 Opheffing geheimhouding</vet></al><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                    geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven
                    te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de
                    Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft
                    opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd.
                    De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen
                    (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is
                    nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan
                    het principe van hoor en wederhoor.</al><al>Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, kan geheimhouding worden opgelegd
                    door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van
                    stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde
                    geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien
                    de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de
                    presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is
                    bezocht, wordt bekrachtigd.</al><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het
                    orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad
                    overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de
                    raad de geheimhouding wil opheffen.</al><al><vet>Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers</vet></al><al><vet>Artikel 49 Toehoorders en pers</vet></al><al>De hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste
                    en tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de
                    raad om toehoorders die de orde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding
                    in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen. </al><al><vet>Artikel 50 Geluid- en beeldregistraties</vet></al><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                    radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet
                    het geval als het een besloten vergadering betreft</al><al><vet>Artikel 51 Verbod gebruik mobiele telefoons</vet></al><al>Dit artikel 47 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele
                    telefoonverkeer werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter
                    onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit noodzakelijk maken, de voorzitter
                    aanwezigen toestemming kan geven zijn mobiele telefoon wel standby te laten
                    staan.</al><al><vet>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 52 Uitleg reglement</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><al><vet>Artikel 53 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>