<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR740985_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening 2025</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:type scheme="overheidop:Rubriek">algemeen verbindend voorschrift (verordening)</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hof van Twente</dcterms:creator><dcterms:modified>2025-06-24</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-271854">gmb-2025-271854</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening 2025</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">N.v.t.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2025-04-01</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2025-06-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Algemene plaatselijke verordening 2025</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>openbare orde en veiligheid</overheidrg:onderwerp></cvdripm></meta><body><intitule> Algemene plaatselijke verordening 2025</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><nr/><titel/></kop><al/><al/><al/><al/><al>De raad van de gemeente Hof van Twente;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders;</al><al/><al><vet>besluit</vet>:</al><al/><al>vast te stellen de navolgende <vet>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING HOF VAN</vet></al><al><vet>TWENTE 2025</vet></al><al/><al><vet>Inhoudsopgave</vet></al><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</al><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>Artikel 1:7 Termijnen</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al><al/><al>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</al><al>Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden</al><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al>Afdeling 2 Betoging</al><al>Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)</al><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen)</al><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen)</al><al>Afdeling 3 Verspreiden van gedrukte stukken</al><al>Artikel 2:6 Beperking verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen</al><al>Afdeling 4 Vertoningen op de weg</al><al>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen)</al><al>Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen)</al><al>Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke</al><al>Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van de weg</al><al>Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats</al><al>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen</al><al>van een weg</al><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg (vergunningplicht)</al><al>Afdeling 6 Veiligheid op de weg</al><al>Artikel 2:13 Veroorzaken gladheid</al><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</al><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</al><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke</al><al>Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke</al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (Vervallen)</al><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</al><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</al><al>Afdeling 7 Evenementen</al><al>Artikel 2:24 Definities</al><al>Artikel 2:25 Evenementenvergunning</al><al>Artikel 2:25a Termijn aanvraag evenementenvergunning</al><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring</al><al>Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen</al><al>Artikel 2:27 Definitie</al><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting</al><al>Artikel 2:29 Sluitingstijd</al><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><al>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</al><al>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</al><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>Afdeling 8a Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet</al><al>Artikel 2:34a Definities</al><al>Artikel 2:34b Regulering para commerciële rechtspersonen</al><al>Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven (Vervallen)</al><al>Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden (Vervallen)</al><al>Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven</al><al>Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’</al><al>Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten</al><al>Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf</al><al>Artikel 2:35 Definitie</al><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</al><al>Artikel 2:37 Nachtregister</al><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</al><al>Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden</al><al>Artikel 2:38a Definities</al><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</al><al>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</al><al>Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</al><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden</al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke</al><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke</al><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</al><al>Artikel 2:48a Lachgasverbod (vervallen)</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</al><al>Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen</al><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen</al><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterreinen en dergelijke</al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen</al><al>Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats</al><al>Artikel 2:55 Reddingsmiddelen</al><al>Artikel 2:56 Aanstootgevend gedrag</al><al>Artikel 2:57 Loslopende honden</al><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</al><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</al><al>Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein</al><al>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (Vervallen)</al><al>Artikel 2:61 Wilde dieren (Vervallen)</al><al>Artikel 2:62 Loslopend vee</al><al>Artikel 2:63 Duiven</al><al>Artikel 2:64 Bijen</al><al>Artikel 2:65 Bedelarij</al><al>Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</al><al>Artikel 2:66 Definitie</al><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</al><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht</al><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (Vervallen)</al><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (Vervallen)</al><al>Afdeling 13 Vuurwerk</al><al>Artikel 2:71 Definitie</al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de</al><al>verkoopdagen</al><al>Artikel 2:73 Gebruiken van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al><al>Artikel 2:73a Begripsomschrijvingen carbidschieten</al><al>Artikel 2:73b Carbidschieten</al><al>Artikel 2:73c Bij zich hebben van carbid</al><al>Artikel 2:73d Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling</al><al>Artikel 2:73e Ontheffing</al><al>Artikel 2:73f Toepasselijkheid</al><al>Artikel 2:73g Gebruik klaphamer, knalhamer of knalijzer</al><al>Afdeling 14 Drugsoverlast</al><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</al><al>Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik</al><al>Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden, cameratoezicht op</al><al>openbare plaatsen en gebiedsontzegging</al><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</al><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen</al><al>Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet</al><al>Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf</al><al>Afdeling 16 Ondermijning</al><al>Artikel 2:81 Begripsbeschrijving</al><al>Artikel 2:82 Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt voor</al><al>bepaalde bedrijvigheid</al><al>Artikel 2:83 Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of gebouw</al><al>Artikel 2:84 Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of</al><al>gebouw</al><al>Artikel 2:85 Bijzondere weigeringsgronden</al><al>Artikel 2:86 Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging</al><al>Artikel 2:87 Bestaande bedrijven</al><al>Artikel 2:88 Sluiting bedrijf</al><al/><al>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</al><al>Afdeling 1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al><al>Afdeling 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d.</al><al>Artikel 3:4 Vergunningsplicht seksinrichting of escortbedrijf</al><al>Artikel 3:5 Eisen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden</al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</al><al>Artikel 3:8 Verplichtingen exploitant en beheerder</al><al>Artikel 3:9 Raam- en straatprostitutie</al><al>Artikel 3:10 Sekswinkels</al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische</al><al>goederen, afbeeldingen e.d.</al><al>Afdeling 3 Beslistermijn; weigeringsgronden</al><al>Artikel 3:12 Beslistermijn/tenaamstelling en geldigheidsduur</al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</al><al>Artikel 3:14 Intrekkingsgronden</al><al>Artikel 3:15 Sluiting</al><al>Afdeling 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</al><al>Artikel 3:16 Wijziging of beëindiging exploitatie</al><al>Artikel 3:17 Wijziging of beëindiging beheer</al><al>Afdeling 5 Overgangsbepalingen</al><al>Artikel 3:18 Overgangsbepalingen (Vervallen)</al><al/><al>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN</al><al>ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</al><al>Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting</al><al>Artikel 4:1 Definities</al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><al>Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten</al><al>Artikel 4:4 Verbod oplaten ballonnen</al><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek (Vervallen)</al><al>Artikel 4:5a Traditioneel schieten (Vervallen)</al><al>Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht</al><al>Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren (Vervallen)</al><al>Artikel 4:5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</al><al>Artikel 4:5e Geluidhinder door vrachtauto’s</al><al>Artikel 4:5f Routering</al><al>Artikel 4:6 Overige geluidshinder</al><al>Artikel 4:6a Mosquito (Vervallen)</al><al>Afdeling 2 Bodem-, weg-, en milieuverontreiniging</al><al>Artikel 4:7 Straatvegen</al><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en</al><al>putten buiten gebouwen</al><al>Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden</al><al>Artikel 4:10 Definities</al><al>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (Vervallen)</al><al>Artikel 4:12 Kapverbod (Vervallen)</al><al>Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</al><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (Vervallen)</al><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al><al>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (Vervallen)</al><al>Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 4:17 Definitie</al><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</al><al/><al>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER</al><al>GEMEENTE</al><al>Afdeling 1 Parkeerexcessen</al><al>Artikel 5:1 Begripsomschrijving (Vervallen)</al><al>Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen</al><al>Artikel 5:7 Reclamevoertuigen</al><al>Artikel 5:8 Grote voertuigen</al><al>Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen</al><al>Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan (Vervallen)</al><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><al>Artikel 5:12 Overlast van fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen</al><al>Artikel 5:12a Weesfietsen en fietswrakken</al><al>Afdeling 2 Collecteren</al><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</al><al>Afdeling 3 Venten</al><al>Artikel 5:14 Definitie</al><al>Artikel 5:15 Ventverbod</al><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting (Vervallen)</al><al>Afdeling 4 Standplaatsen</al><al>Artikel 5:17 Definitie</al><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</al><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</al><al>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht (Vervallen)</al><al>Afdeling 5 Snuffelmarkten</al><al>Artikel 5:22 Definitie</al><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</al><al>Afdeling 6 Openbaar water</al><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><al>Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen</al><al>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats (Vervallen)</al><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats (Vervallen)</al><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</al><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</al><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</al><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</al><al>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden</al><al>Artikel 5:31a Begripsbepalingen (Vervallen)</al><al>Artikel 5:32 Crossterreinen</al><al>Artikel 5:33 Beperkingen verkeer in natuurgebieden</al><al>Afdeling 8 Verbod vuur te stoken</al><al>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur</al><al>te stoken</al><al>Afdeling 9 Verstrooiing van as</al><al>Artikel 5:35 Definitie</al><al>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</al><al>Artikel 5:37 Hinder of overlast</al><al/><al>HOOFDSTUK 6 SANCTIE-, OVERGANGS-, EN SLOTBEPALINGEN</al><al>Artikel 6:1 Sanctiebepaling</al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al><al>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening</al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</al><al>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</al><al>Artikel 6:7 Citeertitel</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 1:1 Definities</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>- bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart in bijlage 1 bij</al><al>deze verordening;</al><al>- beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij</al><al>de Omgevingswet;</al><al>- bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten</al><al>aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet.</al><al>- bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.</al><al>- bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994;</al><al>- college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al>- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;</al><al>- handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee</al><al>kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;</al><al>- motorvoertuig: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al><al>- openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk</al><al>zijn;</al><al>- openbare plaats: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare</al><al>manifestaties;</al><al>- parkeren: wat daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en</al><al>verkeerstekens 1990;</al><al>- rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft op grond van eigendom,</al><al>bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;</al><al>- voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement</al><al>verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals</al><al>kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al><al>- weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994.</al><al/><al>Artikel 1:2 Beslistermijn</al><al>1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing</al><al>binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.</al><al>2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.</al><al>3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.</al><al/><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</al><al>1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan zes</al><al>weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan</al><al>het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al><al>2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan</al><al>de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twintig weken.</al><al/><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</al><al>1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden</al><al>verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het</al><al>belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al><al>2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan</al><al>verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al>3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of op grond van deze verordening</al><al>anders is bepaald.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.</al><al>Artikel 1:6 Intrekking, wijziging of schorsing van vergunning of ontheffing</al><al>1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, gewijzigd of geschorst als:</al><al>a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;</al><al>b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na</al><al>het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is</al><al>vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of</al><al>ontheffing is vereist;</al><al>c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn</al><al>of worden nagekomen;</al><al>d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende</al><al>een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn,</al><al>binnen een redelijke termijn; of</al><al>e. de houder dit verzoekt.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.</al><al>Artikel 1:7 Termijnen</al><al>1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of</al><al>ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen</al><al>verzet.</al><al>2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor</al><al>onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal</al><al>mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</al><al>1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:</al><al>a. de openbare orde;</al><al>b. de openbare veiligheid;</al><al>c. de volksgezondheid;</al><al>d. de bescherming van het milieu.</al><al>2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag niet aan de</al><al>daarvoor vastgestelde indieningstermijnen voldoet en daardoor de behandeling van de</al><al>aanvraag niet mogelijk is.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1 BESTRIJDING VAN ONGEREGELDHEDEN</vet></al><al/><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig</al><al>op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al><al>2. Degene die op een openbare plaats:</al><al>a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te</al><al>ontstaan;</al><al>b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor</al><al>ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of</al><al>c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;</al><al>d. is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de</al><al>door hem aangewezen richting te verwijderen.</al><al>3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het</al><al>bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van</al><al>ongeregeldheden zijn afgezet.</al><al>4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.</al><al>5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en</al><al>levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al><al/><al><vet>AFDELING 2 BETOGING</vet></al><al/><al>Artikel 2:2 Optochten</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><al>1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden,</al><al>waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet</al><al>openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste</al><al>één week voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al><al>2. De kennisgeving bevat:</al><al>a. naam en adres van degene die de betoging houdt;</al><al>b. het doel van de betoging;</al><al>c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van</al><al>beëindiging;</al><al>d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route;</al><al>e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en</al><al>f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop</al><al>te bevorderen.</al><al>3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de</al><al>kennisgeving is vermeld.</al><al>4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een</al><al>zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan</al><al>uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur.</al><al>5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in</al><al>behandeling nemen buiten deze termijn.</al><al/><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 3 VERSPREIDEN VAN GEDRUKTE STUKKEN</vet></al><al/><al>Artikel 2:6 Beperking verspreiden geschreven of gedrukte stukken of</al><al>afbeeldingen</al><al>1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te</al><al>verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare</al><al>plaatsen.</al><al>2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis</al><al>bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.</al><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/><al><vet>AFDELING 4 VERTONINGEN OP DE WEG</vet></al><al/><al>Artikel 2:7 Feest muziek en wedstrijd e.d.</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2:8 Dienstverlening</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke</al><al>1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar,</al><al>filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de</al><al>openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen</al><al>openbare plaatsen.</al><al>2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.</al><al>3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/><al><vet>AFDELING 5 BRUIKBAARHEID EN AANZIEN VAN DE WEG</vet></al><al/><al>Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats</al><al>Algemene regel met ontheffingsmogelijkheid</al><al>1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan in</al><al>overeenstemming met de publieke functie daarvan, als dat gebruik:</al><al>a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg</al><al>belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor</al><al>het beheer of onderhoud van de weg; of</al><al>b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.</al><al>2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake</al><al>wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1.20 meter wordt gelaten op voetpaden</al><al>en van 3.50 meter op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.</al><al>3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere</al><al>regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.</al><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod</al><al>5. (Vervallen)</al><al>6. Het verbod is niet van toepassing op:</al><al>a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al><al>b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;</al><al>c. reclame-uitingen die voldoen aan het ‘Reclamebeleid’.</al><al>d. overige gevallen waarin op grond van een wettelijke regeling een vergunning voor het</al><al>gebruik van de weg is verleend.</al><al>7. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingsgebiedenactiviteiten met betrekking</al><al>tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de</al><al>Omgevingswet, het omgevingsplan, provinciale omgevingsverordening of</al><al>waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994.</al><al>8. Het college kan nadere regels stellen op grond van dit artikel.</al><al>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en</al><al>veranderen van een weg</al><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een</al><al>weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te</al><al>spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering</al><al>te brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al><al>2. (Vervallen)</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of</al><al>openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.</al><al>4. Het verbod is ook niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking</al><al>tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de</al><al>Omgevingswet, het omgevingsplan, provinciale omgevingsverodening of</al><al>waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de</al><al>Wegenverkeersweg 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij</al><al>of op grond van de Telecommunicatiewet</al><al>5. (Vervallen)</al><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg Vergunningplicht</al><al>1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te</al><al>maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.</al><al>2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 van deze verordening wordt de vergunning</al><al>slechts geweigerd:</al><al>a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;</al><al>b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;</al><al>c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of</al><al>d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt</al><al>ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare</al><al>parkeerplaats of het openbaar groen.</al><al>e. indien de uitweg niet leidt naar een particulier terrein;</al><al>f. indien de beschikbare breedte van de parkeergelegenheid op eigen terrein kleiner is</al><al>dan 2,25 meter;</al><al>g. indien de beschikbare lengte van de parkeergelegenheid op eigen terrein kleiner is</al><al>dan 5,00 meter;</al><al>h. wanneer er alleen in de voortuin geparkeerd kan worden.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot</al><al>een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de</al><al>Omgevingswet, het omgevingsplan, provinciale omgevingsverordening of</al><al>waterschapsverordening.</al><al>4. Het college kan nadere regels stellen op grond van dit artikel.</al><al/><al><vet>AFDELING 6 VEILIGHEID OP DE WEG</vet></al><al/><al>Artikel 2:13 Veroorzaken gladheid</al><al>1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te</al><al>laten lopen.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door</al><al>artikel 427, aanhef en onder 4 e, van het Wetboek van Strafrecht, of artikel 5 van de</al><al>Wegenverkeerswet.</al><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</al><al>1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze:</al><al>a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en</al><al>b. onmiddellijk te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf.</al><al>2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats</al><al>achter te laten.</al><al>3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt</al><al>voorzien bij of op grond van de Omgevingswet.</al><al/><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze</al><al>dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of</al><al>gevaar ontstaat.</al><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke</al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan</al><al>of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen,</al><al>onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><al/><al>Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke</al><al>1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen</al><al>van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers</al><al>opleveren.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427,</al><al>aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al><al>1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden of binnen een afstand van dertig</al><al>meter daarvan:</al><al>a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;</al><al>b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten</al><al>vallen, weg te werpen of te laten liggen.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,</al><al>aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>3. Het verbod in het eerste lid, onder a, is ook niet van toepassing voor zover het roken</al><al>plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al><al>1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel</al><al>van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe</al><al>voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte</al><al>van de weg.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe</al><al>voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van</al><al>de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.</al><al>3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al><al>4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt</al><al>voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>5. Het college kan nadere regels bepalen op grond van dit artikel.</al><al/><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al>1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk</al><al>voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare</al><al>verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10</al><al>van de Omgevingswet.</al><al/><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</al><al>1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor</al><al>stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen,</al><al>opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken,</al><al>hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de</al><al>bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de</al><al>hoogspanningslijn.</al><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</al><al>1. Het is verboden:</al><al>a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te</al><al>versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar</al><al>te brengen;</al><al>b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a</al><al>bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere</al><al>wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek</al><al>van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.</al><al/><al><vet>AFDELING 7 EVENEMENTEN</vet></al><al>Artikel 2:24 Definities</al><al>1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke</al><al>verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><al>a. bioscoop- en theatervoorstellingen;</al><al>b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de</al><al>Gemeentewet en artikel 5:22;</al><al>c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>d. activiteiten binnen een inrichting in de zin van de Alcoholwet;</al><al>e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare</al><al>manifestaties;</al><al>f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39 van deze verordening;</al><al>g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid,</al><al>onder f.</al><al>2. Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al>a. een herdenkingsplechtigheid;</al><al>b. een braderie;</al><al>c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;</al><al>d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;</al><al>e. een straatfeest of buurtbarbecue;</al><al>f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of - gala’s;</al><al>g. een vuurwerkshow.</al><al>h. een voetbalwedstijd waarbij ten minste één betaald-voetbalorganisatie is betrokken.</al><al>3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een evenement waarbij:</al><al>a. het aantal gelijktijdig aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen en er</al><al>maximaal 50 personen tegelijkertijd in een tent of ander bouwwerk aanwezig mogen</al><al>zijn;</al><al>b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 en 00.30 uur;</al><al>c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 08.00 uur of na 24.00 uur, dan wel in dit</al><al>tijdsbestek alleen achtergrondmuziek hoorbaar is tot 55 dB(A) / 70 dB (C) (tot 19.00</al><al>uur) en 50 dB(A) / 65 dB (C) (van 19.00 tot 24.00 uur) gemeten op 20 meter van de</al><al>geluidsbron</al><al>d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of</al><al>anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en</al><al>e. er slechts 3 kleine objecten worden geplaatst, waarvan 1 object met een oppervlakte</al><al>van maximaal 50 vierkante meter en de andere 2 objecten van maximaal 10</al><al>vierkante meter per object</al><al>f. onder klein evenement wordt tevens verstaan wandel- en/of fietstochten, die</al><al>plaatsvinden bij daglicht, zonder wedstrijdelement, waarbij geen verkeersmaatregelen</al><al>moeten worden genomen en waarbij niet meer dan 250 deelnemers zijn.</al><al>Artikel 2:25 Evenementenvergunning</al><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een</al><al>evenement te organiseren.</al><al>2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3</al><al>van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd</al><al>voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op</al><al>grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening</al><al>overige plaatsen.</al><al>3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, zoals bedoeld in artikel 2:24 lid 3</al><al>APV, als de organisator ten minste 30 werkdagen voorafgaand aan het evenement</al><al>daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester door middel van een vastgesteld</al><al>meldingsformulier.</al><al>4. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein</al><al>evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare</al><al>orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.</al><al>5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin</al><al>voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.</al><al>6. Het derde lid is niet van toepassing op een op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder f,</al><al>aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.</al><al>7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een</al><al>vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de</al><al>organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht</al><al>levensgedrag is.</al><al>8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>9. De burgemeester kan nadere regels stellen op grond van dit artikel.</al><al/><al>Artikel 2:25a Termijn aanvraag evenementenvergunning</al><al>1. In afwijking van artikel 1:7 APV wordt de aanvraagtermijn voor het indienen van een</al><al>vergunning voor een evenement als bedoeld in artikel 2:24 APV gesteld op 6 weken voor</al><al>een A-evenement en 13 weken voor een B- of C-evenement. Bij nieuwe C- evenementen</al><al>dient de aanvraag tenminste 20 weken van te voren zijn ingediend.</al><al>2. Mocht het aanvraagformulier evenementenvergunning niet conform de indieningstermijn,</al><al>zoals opgenomen in artikel 2:25a lid 1, zijn ingediend, dan kan het bestuursorgaan</al><al>besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen.</al><al/><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring</al><al>1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al>2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te</al><al>vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of</al><al>bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of</al><al>werkzaamheid in strijd met de openbare orde.</al><al>3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht</al><al/><al><vet>AFDELING 8 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 2:27 Definitie</al><al>1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension,</al><al>bed &amp; breakfast, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, afhaalcentrum,</al><al>shishalounge of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte</al><al>waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of</al><al>(alcoholhoudende) dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe</al><al>consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.</al><al>2. Een ruimte die is gelegen buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting, maar</al><al>behoort tot deze openbare inrichting en waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden,</al><al>waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe</al><al>consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een</al><al>terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.</al><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting</al><al>1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de</al><al>burgemeester.</al><al>2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in</al><al>strijd is met het omgevingsplan.</al><al>3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts</al><al>geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:</al><al>a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare</al><al>orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of</al><al>b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.</al><al>4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:</al><al>a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van</al><al>de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al><al>b. zorginstelling;</al><al>c. museum; of</al><al>d. bedrijfskantine of -restaurant.</al><al>5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan</al><al>openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet,</al><al>als:</al><al>a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling</al><al>geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -</al><al>handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of</al><al>b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden</al><al>voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.</al><al>6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld</al><al>in het vijfde lid, onder a.</al><al>7. Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de</al><al>Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet</al><al>van toepassing.</al><al>Artikel 2:29 Sluitingstijd</al><al>1. Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 24:00 uur en</al><al>06:00 uur.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid is het voor de houder van een horeca-inrichting met de</al><al>aanduiding horeca categorie 2 en 3 (zoals bepaald in het ter plaatse geldende</al><al>Omgevingsplan) verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers</al><al>toe te laten of te laten verblijven tussen 02.00 uur en 06.00 uur.</al><al>3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of</al><al>bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.</al><al>4. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel is het de houder van</al><al>een horecabedrijf niet toegestaan een bij dit bedrijf behorend terras of andere</al><al>aanhorigheden na 01.00 uur voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe</al><al>te laten of te laten verblijven.</al><al>5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd.</al><al>6. Voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de</al><al>Winkeltijdenwet, voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit</al><al>vormen van de winkelactiviteit, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.</al><al>7. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de</al><al>Wet milieubeheer is voorzien.</al><al>8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>9. De burgemeester kan nadere regels stellen op grond van het vijfde lid van dit artikel.</al><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in</al><al>geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk</al><al>andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet</al><al>voorziet.</al><al/><al>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</al><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><al>a. De orde te verstoren;</al><al>b. Zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de</al><al>inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit op grond van artikel 2:30, eerste</al><al>lid;</al><al>c. Op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken</al><al>van het terras (bijvoorbeeld verstrekking middels een tappunt aan voorbijgangers).</al><al>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</al><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij</al><al>algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van</al><al>Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft,</al><al>verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.</al><al/><al>Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is</al><al>in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de</al><al>artikelen 2:29 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>AFDELING 8A BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS</vet></al><al><vet>BEDOELD IN DE ALCOHOLWET</vet></al><al/><al>Artikel 2:34a Definities</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- alcoholhoudende drank;</al><al>- horecabedrijf;</al><al>- horecalokaliteit;</al><al>- inrichting;</al><al>- para commerciële rechtspersoon;</al><al>- sterke drank;</al><al>- slijtersbedrijf;</al><al>- zwak-alcoholhoudende drank;</al><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.</al><al/><al>Artikel 2:34b Regulering para commerciële rechtspersonen</al><al>1. Een para commercieel rechtspersoon die zich richt op het organiseren van activiteiten</al><al>waarbij het faciliteren van sociale interactie een voorname rol speelt kan</al><al>alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken gedurende de periode beginnende met 1</al><al>uur voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van activiteiten passende</al><al>binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende para commerciële</al><al>rechtspersoon, onverminderd artikel 2.29 APV.</al><al>2. Overige para commerciële rechtspersonen kunnen, onverminderd artikel 2.29 APV,</al><al>alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor de aanvang en tot</al><al>uiterlijk 1 uur na afloop van een activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de</al><al>statutaire doelen van de rechtspersoon.</al><al>3. Een para commercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens</al><al>bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen die</al><al>niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken</al><al>zijn wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.</al><al>Artikel 2:34c Beperkingen voor horecabedrijven</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:34d Koppeling toegang aan leeftijden</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:34e Beperkingen voor andere detailhandel dan slijtersbedrijven</al><al>Het is verboden bedrijfsmatig of gratis zwak-alcoholhoudende drank ter plaatse te</al><al>verstrekken vanuit winkels, warenhuizen en andere locaties en ruimten als bedoeld in artikel</al><al>18 tweede lid en artikel 19 tweede lid onder a van de Alcoholwet.</al><al>Artikel 2:34f Verbod ‘happy hours’</al><al>Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of gratis</al><al>alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een</al><al>periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt</al><al>gevraagd.</al><al/><al>Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten</al><al>1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste</al><al>lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren</al><al>van een proeverij in hun slijtlokaliteit.</al><al>2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de</al><al>Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.</al><al/><al><vet>AFDELING 9 TOEZICHT OP INRICHTINGEN TOT HET VERSCHAFFEN VAN</vet></al><al><vet>NACHTVERBLIJF</vet></al><al>Artikel 2:35 Definitie</al><al>In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de</al><al>uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of</al><al>gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.</al><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding</al><al>van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te</al><al>geven aan de burgemeester.</al><al>Artikel 2:37 Nachtregister</al><al>De houder van een inrichting dan wel ieder ander die bedrijfsmatig kamers verhuurt en/of</al><al>anderszins overnachting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als</al><al>bedoeld in artikel 4.3.8. van het wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens</al><al>het door de burgemeester vastgestelde model.</al><al/><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of</al><al>feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag</al><al>van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.</al><al/><al><vet>AFDELING 10 TOEZICHT OP SPEELGELEGENHEDEN</vet></al><al/><al>Artikel 2:38a Definities</al><al>1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek</al><al>toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig</al><al>is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld</al><al>inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al><al>2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn</al><al>omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet.</al><al/><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</al><al>1. Het is verboden een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de</al><al>kansspelen.</al><al>Artikel 2:40 Kansspelautomaten</al><al>1. In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a. Wet: de Wet op de kansspelen;</al><al>b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet;</al><al>c. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet;</al><al>d. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet.</al><al>2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.</al><al>3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.</al><al/><al><vet>AFDELING 11 MAATREGELEN TEGEN OVERLAST EN BALDADIGHEID</vet></al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</al><al>1. Het is verboden een op grond van artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning,</al><al>een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf</al><al>te betreden.</al><al>2. Het is verboden een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een</al><al>niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf,</al><al>een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al><al>3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of</al><al>het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.</al><al/><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden</al><al>1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf</al><al>die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.</al><al>2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een</al><al>openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar</al><al>is:</al><al>a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen</al><al>aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al><al>b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te</al><al>brengen of te doen aanbrengen.</al><al>3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt</al><al>op grond van wettelijk voorschrift.</al><al>4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een</al><al>opsporingsambtenaar op diens eerste vordering direct ter inzage af te geven.</al><al>5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen.</al><al>6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van</al><al>handelsreclame.</al><al>7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en</al><al>bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.</al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke</al><al>1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,</al><al>kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet</al><al>zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.</al><al/><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te</al><al>hebben.</al><al>2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij</al><al>zich te hebben een tas of andere voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het</al><al>plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn</al><al>bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen,</al><al>onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te</al><al>vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al><al/><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke</al><al>1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de</al><al>gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken,</al><al>grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of</al><al>openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.</al><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke</al><al>1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de</al><al>berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden</al><al>redelijkerwijs wordt vereist.</al><al>2. Dit verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een</al><al>weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><al>1. Het is verboden op een openbare plaats:</al><al>a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie,</al><al>openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting,</al><al>verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemt straatmeubilair;</al><al>b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig</al><al>overlast of hinder veroorzaakt.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen</al><al>424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet</al><al>1994.</al><al/><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</al><al>1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een</al><al>openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,</al><al>alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met</al><al>alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op:</al><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de</al><al>Alcoholwet;</al><al>b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een</al><al>ontheffing geldt op grond van artikel 35 van de Alcoholwet.</al><al/><al>Artikel 2:48a Lachgasverbod (vervallen)</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><al>1. Het is verboden zonder redelijk doel:</al><al>a. zich in een portiek of poort op te houden;</al><al>b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al><al>2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw,</al><al>appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor</al><al>publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor</al><al>gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te</al><al>houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of</al><al>te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten</al><al>worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer,</al><al>parkeergarages en rijwielstallingen.</al><al/><al>Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen</al><al>1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan</al><al>grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende</al><al>erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij</al><al>zich te hebben.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet</al><al>voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.</al><al>3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2</al><al>van de Wet wapens en munitie.</al><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen</al><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten</al><al>staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang</al><al>van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat</al><al>gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt. Het verbod geldt ook voor</al><al>trottoir en voetpad.</al><al/><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en</al><al>dergelijke</al><al>Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen</al><al>met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester</al><al>aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt</al><al>gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen</al><al>1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of</al><al>woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die</al><al>zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.</al><al>2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een</al><al>persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.</al><al>Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats</al><al>1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare</al><al>plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als</al><al>slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden:</al><al>a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden.</al><al>b. in andere gevallen dan genoemd onder a voor zover:</al><al>1°. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;</al><al>2°. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of</al><al>3°. het woon- of leefklimaat wordt aangetast.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>3. Het verbod geldt niet:</al><al>a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel</al><al>5:25 is toegestaan;</al><al>b. voor woonwagens met een woonbestemming;</al><al>c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede</al><al>bestemd;</al><al>d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.</al><al>Artikel 2:55 Reddingsmiddelen</al><al>Het is verboden een voor het redden van personen bestemd en daartoe aangebracht</al><al>voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te</al><al>maken.</al><al>Artikel 2:56 Aanstootgevend gedrag</al><al>1. Het is verboden zich op een openbare plaats te bevinden met het kennelijke doel contact</al><al>te zoeken tot het verrichten van handelingen van seksuele aard, die uit het oogpunt van</al><al>openbare zedelijkheid kennelijk oneerbaar of aanstootgevend zijn of redelijkerwijs kan</al><al>worden geacht te zijn.</al><al>2. Het verbod gesteld in het eerste lid is niet van toepassing op de als zodanig aangewezen</al><al>en aangeduide terreinen en onder door het college eventueel nader te stellen</al><al>voorwaarden.</al><al/><al>Artikel 2:57 Loslopende honden</al><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te</al><al>laten lopen:</al><al>a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte</al><al>kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college</al><al>aangewezen plaats;</al><al>b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;</al><al>c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond</al><al>niet is aangelijnd;</al><al>d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander</al><al>identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.</al><al>2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen</al><al>plaatsen.</al><al>3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of</al><al>houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale</al><al>hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot</al><al>geleidehond of sociale hulphond.</al><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</al><al>1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te</al><al>zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich</al><al>vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.</al><al>3. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al><al/><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</al><al>1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht,</al><al>kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en</al><al>muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of</al><al>op het terrein van een ander.</al><al>2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te</al><al>houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste</al><al>1,50 meter.</al><al>3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te</al><al>houden van een muilkorf die:</al><al>a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;</al><al>b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat</al><al>verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en</al><al>c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de</al><al>korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de</al><al>korf aanwezig zijn.</al><al>4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in</al><al>het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag</al><al>verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een</al><al>chipreader afleesbaar is.</al><al>Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein</al><al>1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder</al><al>muilkorf te laten loslopen als de burgemeester heeft meegedeeld dat hij de hond</al><al>gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en</al><al>verdedigingswerk.</al><al>2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:</al><al>a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester</al><al>duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;</al><al>b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te</al><al>betreden; en</al><al>c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond</al><al>niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.</al><al/><al>Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:61 Wilde dieren</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2:62 Loslopend vee</al><al>De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in</al><al>een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke</al><al>veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit</al><al>vee die weg niet kan bereiken.</al><al>Artikel 2:63 Duiven</al><al>1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen</al><al>uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt</al><al>tussen 1 maart en 1 juni.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.</al><al>3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de</al><al>provinciale omgevingsverordening</al><al>4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/><al>Artikel 2:64 Bijen</al><al>1. Het is verboden bijen te houden:</al><al>a. binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waarin</al><al>overdag mensen verblijven;</al><al>b. binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al><al>2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de</al><al>bijenhouder die rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.</al><al>3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op</al><al>beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij</al><al>of op grond van Omgevingswet, het omgevingsplan, provinciale omgevingsverordening</al><al>of waterschapsverordening.</al><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>5. Op de aanvraag om ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht</al><al>(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Artikel 2:65 Bedelarij</al><al>Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het</al><al>college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.</al><al/><al><vet>AFDELING 12 BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN</vet></al><al/><al>Artikel 2:66 Definitie</al><al>In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene</al><al>maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</al><al>1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde</al><al>goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de</al><al>burgemeester gewaarmerkt register, en daarin direct op te nemen:</al><al>a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;</al><al>b. de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al><al>c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort,</al><al>merk en nummer van het goed;</al><al>d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en</al><al>e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.</al><al>2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.</al><al>3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van</al><al>Strafrecht</al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><al>1. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:</al><al>a. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het</al><al>adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;</al><al>b. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen;</al><al>c. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al><al>d. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor</al><al>de rechthebbende verloren is gegaan.</al><al>2. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;</al><al>3. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de</al><al>aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;</al><al>4. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden</al><al>in de staat waarin het goed verkregen is.</al><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 13 VUURWERK</vet></al><al/><al>Artikel 2:71 Definitie</al><al>In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van</al><al>artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag</al><al>worden gesteld voor particulier gebruik.</al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de</al><al>verkoopdagen</al><al>1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk</al><al>ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden,</al><al>zonder vergunning van het college.</al><al>2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al/><al>Artikel 2:73 Consumentvuurwerk</al><al>1. Het is verboden om consumentenvuurwerk behorende tot de categorie F3 in bezit te</al><al>hebben, bij zich te dragen, te verkopen of tot ontbranding te brengen.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op de vuurwerkcategorieën F1 en F2.</al><al>3. Het verbod is ook niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,</al><al>aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>4. Het is enkel toegestaan vuurwerk af te steken vanaf 18.00 uur op 31 december tot 02.00</al><al>uur op 1 januari.</al><al>Artikel 2:73a Begripsomschrijvingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a. bus: een al dan niet originele melkbus, of een andere bus van staal of ijzer, een</al><al>container, een opslagvat, een buis of een ander daarmee gelijk te stellen voorwerp;</al><al>b. carbidschieten: het in een bus op explosieve wijze verbranden van acetyleengas</al><al>afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water of van een</al><al>gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen.</al><al>Artikel 2:73b Vrijstelling verbod</al><al>1. Carbidschieten in de open lucht is verboden.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde geldt niet indien carbidschieten plaatsvindt op 31 december</al><al>tussen 10.00 en 16.00 uur buiten de bebouwde kom, mits:</al><al>a. daarbij gebruik wordt gemaakt van een bus met een inhoud van ten hoogste 30 liter.</al><al>b. daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het</al><al>carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat daardoor gevaar,</al><al>schade of hinder kan optreden voor personen of voor de omgeving;</al><al>c. degene die het carbidschieten verricht, een schriftelijke toestemming daartoe kan</al><al>overleggen van de eigenaar van het terrein van waaraf wordt geschoten;</al><al>d. de plaats op het terrein van waaraf wordt geschoten is gelegen:</al><al>1. op een afstand van ten minste 75 meter van woonbebouwing;</al><al>2. op een afstand van ten minste 150 meter van inrichtingen voor de intramurale</al><al>zorg;</al><al>3. op een afstand van ten minste 150 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor</al><al>het houden van dieren;</al><al>4. op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied;</al><al>e. wordt geschoten in een richting welke tegengesteld is aan de richting waarin de</al><al>dichtstbijzijnde woonbebouwing is gelegen;</al><al>f. het vrijschootsveld ten minste 75 meter is en hierin geen verharde openbare wegen</al><al>of paden liggen;</al><al>g. er geen busdeksels of andere gevaarzettende voorwerpen worden weggeschoten;</al><al>h. het gebruik van (voet)ballen of andere afsluitingen zodanig is dat daardoor geen</al><al>schade aan mens, dier of goed kan worden veroorzaakt;</al><al>i. het terrein van waaraf wordt geschoten is afgezet met linten of ander vergelijkbaar</al><al>materiaal;</al><al>j. binnen een cirkel met een straal van 100 meter rond de plaats waar het</al><al>carbidschieten plaatsvindt, in totaal niet meer dan zes bussen voor het carbidschieten</al><al>worden gebruikt dan wel gebruiksklaar voor carbidschieten aanwezig worden</al><al>gehouden;</al><al>k. de bussen zodanig stevig in de bodem, in een frame of op andere wijze zijn</al><al>verankerd, dat terugslag wordt voorkomen;</al><al>l. het carbidschieten plaatsvindt door een persoon van ten minste 16 jaar oud die niet</al><al>verkeert onder invloed van alcohol of drugs;</al><al>m. teneinde de veiligheid van het publiek en de eigen veiligheid te waarborgen, toezicht</al><al>op het carbidschieten wordt gehouden door ten minste één persoon van ten minste</al><al>18 jaar oud die niet verkeert onder invloed van alcohol of drugs;</al><al>Artikel 2:73c Bij zich hebben van carbid</al><al>1. Het is verboden op of aan de weg carbid bij zich te hebben op andere dagen dan op 31</al><al>december tussen 10.00 en 16.00 uur.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degenen aan wie carbid is</al><al>afgeleverd, gedurende de tijd die nodig is om thuis te komen, noch op degene die</al><al>aannemelijk maakt dat hij het carbid nodig heeft in de uitoefening van beroep of bedrijf.</al><al>Artikel 2:73d Aanwijzing gebieden zonder vrijstelling.</al><al>Het college kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast of in het belang van de</al><al>natuurbescherming, een of meer gedeelten van de gemeente of een of meer bepaalde</al><al>plaatsen aanwijzen waar het gestelde in artikel 2:73c niet van toepassing is.</al><al>Artikel 2:73e Ontheffing</al><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het artikel 2:73b lid 1</al><al>gestelde verbod.</al><al>Artikel 2:73f Toepasselijkheid</al><al>Deze afdeling is niet van toepassing voor zover de Wet milieubeheer, de Wet algemene</al><al>bepalingen omgevingsrecht, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de</al><al>Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.</al><al>Artikel 2:73g Gebruik klaphamer, knalhamer of knalijzer</al><al>1. Het is verboden om op een openbare plaats gebruik te maken van een klaphamer,</al><al>knalhamer of knalijzer waarbij door middel van een poeder zoals een mengsel van</al><al>zwavel en kaliumchloraat, kaliumnitraat of kaliumcarbonaat, een knal of ontploffing wordt</al><al>veroorzaakt.</al><al>2. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de</al><al>Wet milieubeheer, de Wet precursoren en voor explosieven, de Omgevingswet, de Wet</al><al>wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>AFDELING 14 DRUGSOVERLAST</vet></al><al/><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op</al><al>te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de</al><al>artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te</al><al>verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al/><al>Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik</al><al>Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek</al><al>toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop</al><al>gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of</al><al>ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.</al><al>Artikel 2:74b Verzameling van personen in verband met harddrugs of heling</al><al>1. Het is verboden op of aan wegen die door de burgemeester zijn aangewezen (zij</al><al>bijgevoegd besluit), omdat de openbare orde dit in verband met het openlijk gebruik van</al><al>of de handel in harddrugs of heling naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, deel te nemen</al><al>aan een verzameling van meer dan 4 personen waarvan redelijkerwijs kan worden</al><al>aangenomen dat de verzameling verband houdt met het gebruik van of de handel in</al><al>harddrugs dan wel heling.</al><al>2. De aanwijzing van wegen, zoals bedoel in het eerste lid wordt gegeven voor ten hoogste</al><al>zes maanden, welke termijn kan worden verlengd.</al><al>3. Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht om</al><al>op verzoek van een ambtenaar van de politie of buitengewone opsporingsambtenaren de</al><al>plaats te verlaten.</al><al>Artikel 2:74c Verblijfsontzeggingen in verband met harddrugs</al><al>1. Degene die in een gebied, dat door de burgemeester is aangewezen (zie bijgevoegd</al><al>besluit), omdat naar zijn oordeel de openbare orde in dat gebied ernstig is verstoord door</al><al>de aanwezigheid van verslaafden en/of handelaren in harddrugs, zich gedraagt in strijd</al><al>met:</al><al>a. De artikelen 2:1, 2:49 en 2:54 voor zover de gedragingen in verband staan met</al><al>harddrugs.</al><al>b. Artikel 2:74 (drugshandel op straat);</al><al>c. Artikel 2:74b (verzameling personen i.v.m. harddrugs of heling);</al><al>2. Degene die messen of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt zoals</al><al>verboden in de Wet wapens en munitie, openlijk voorhanden heeft, is verplicht zich direct</al><al>uit een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid, te</al><al>verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van vierentwintig uur niet te bevinden</al><al>nadat de burgemeester hem daartoe een bevel heeft gegeven.</al><al>3. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste</al><al>lid in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste drie</al><al>ordeverstorende gedragingen heeft begaan, is verplicht zich direct uit dat gebied te</al><al>verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van één maand niet te bevinden nadat</al><al>de burgemeester hem daartoe een bevel heeft gegeven.</al><al>4. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste</al><al>lid overeenkomstig het derde lid een bevel van de burgemeester heeft gekregen zich te</al><al>verwijderen uit dat gebied en die in een aaneengesloten periode van ten hoogte één jaar</al><al>weer een ordeverstorende gedraging heeft begaan, is verplicht zich direct uit dat gebied</al><al>te verwijderen en zich daar gedurende twee maanden niet te bevinden nadat de</al><al>burgemeester hem daartoe een bevel heeft gegeven.</al><al>5. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste</al><al>lid overeenkomstig het vierde lid een bevel van de burgemeester heeft gekregen zich te</al><al>verwijderen uit dat gebied en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één</al><al>jaar weer een ordeverstorende gedraging heeft begaan, is verplicht zich direct uit dat</al><al>gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van drie maanden niet te</al><al>bevinden nadat de burgemeester hem daartoe een bevel heeft gegeven.</al><al>6. Onder ordeverstorende gedragingen als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid worden</al><al>verstaan de gedragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede het niet</al><al>voldoen aan een opgelegd verwijderingsbevel, geweldsdelicten en diefstallen uit auto’s</al><al>op of aan de weg, voor zover een verband bestaat tussen het delict en harddrugs.</al><al/><al><vet>AFDELING 15 BESTUURLIJKE OPHOUDING, VEILIGHEIDSRISICOGEBIEDEN,</vet></al><al><vet>CAMERATOEZICHT OP OPENBARE PLAATSEN EN GEBIEDSONTZEGGING</vet></al><al/><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het</al><al>tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem</al><al>aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50,</al><al>2:54, 2:73, 2:74 en 2:74a groepsgewijs niet naleven.</al><al/><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van</al><al>de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het</al><al>ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek</al><al>openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><al>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot</al><al>plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een</al><al>openbare plaats.</al><al>2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere - door het</al><al>college aan te wijzen – openbare plaatsen.</al><al>Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen</al><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken</al><al>van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat,</al><al>de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een</al><al>persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een</al><al>tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde</al><al>delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.</al><al>2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een</al><al>persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat</al><al>lid en die binnen 6 maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of</al><al>openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om</al><al>gedurende ten hoogste 8 weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een</al><al>openbare plaats aanwezig te zijn.</al><al>3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als</al><al>hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk</al><al>oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk</al><al>verbod.</al><al>4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd</al><al>verbod.</al><al>5. Als de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld</al><al>in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de</al><al>burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als</al><al>bedoeld in het eerste of tweede lid.</al><al>Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet</al><al>1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in</al><al>gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf</al><al>of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke</al><al>hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.</al><al>2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste</al><al>lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:</al><al>a. geluid-, licht-, rook- of geurhinder;</al><al>b. hinder van dieren;</al><al>c. hinder van afval;</al><al>d. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig</al><al>zijn;</al><al>e. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;</al><al>f. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.</al><al>Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf</al><al>1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking</al><al>van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele</al><al>of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat</al><al>gebouw behorend erf.</al><al>2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel</al><al>13b van de Opiumwet voorziet.</al><al>3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het</al><al>voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.</al><al>4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft,</al><al>zolang de sluiting van kracht is.</al><al>5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop</al><al>te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming</al><al>van de burgemeester.</al><al>6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en</al><al>omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat</al><al>geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal</al><al>plaatsvinden.</al><al/><al><vet>AFDELING 16 Ondermijning</vet></al><al>Artikel 2:81 Begripsbeschrijving</al><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al>a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van</al><al>toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke</al><al>persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;</al><al>b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke</al><al>leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;</al><al>c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk</al><al>gebouw, of daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als</al><al>zodanig in gebruik is.</al><al>Artikel 2:82 Aanwijzing gebied, straat of gebouw waar vergunningplicht geldt</al><al>voor bepaalde bedrijvigheid</al><al>1. In het belang van de openbare orde en veiligheid, het woon- en leefklimaat of als er</al><al>bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de burgemeester een gebied,</al><al>straat, gebouw of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod van artikel 2:83</al><al>van toepassing is. Een aanwijzing kan zich tot één of meer bedrijfsactiviteiten beperken.</al><al>2. De burgemeester wijst in het besluit de activiteiten aan waarvoor de vergunningplicht</al><al>geldt en geeft desgewenst aan welke specifieke voorwaarden aan de vergunningplicht</al><al>worden verbonden.</al><al>3. De burgemeester kan de aanwijzing intrekken zodra deze bedrijfsmatige activiteiten naar</al><al>zijn oordeel niet langer de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten</al><al>of anderszins ondermijning veroorzaken.</al><al>Artikel 2:83 Exploitatie van een bedrijf in een aangewezen gebied, straat of</al><al>gebouw</al><al>Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen in</al><al>een door de burgemeester aangewezen gebouw of gebied voor de door de burgemeester</al><al>benoemde bedrijfsactiviteiten zoals bedoeld in artikel 2:82.</al><al>Artikel 2:84 Aanvraag vergunning bedrijf in een aangewezen gebied, straat of</al><al>gebouw</al><al>1. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant.</al><al>2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de</al><al>burgemeester vastgesteld formulier</al><al>3. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag kan hij</al><al>verlangen dat aanvullende gegevens worden overlegd.</al><al>4. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van</al><al>de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag</al><al>indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering</al><al>van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een</al><al>vergunning vervalt, wanneer de vergunning, strekkende tot vervanging van</al><al>eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.</al><al>Artikel 2:85 Bijzondere weigeringsgronden</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning weigeren als:</al><al>a. naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van het bedrijf of de openbare</al><al>orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed of er om andere redenen sprake is van</al><al>ondermijning door het bedrijf;</al><al>b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed</al><al>of dreigt te worden beïnvloed;</al><al>c. de wijze van bedrijfsvoering daartoe aanleiding geeft;</al><al>d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in</al><al>de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;</al><al>e. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;</al><al>f. er aanwijzingen zijn dat in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of de</al><al>Vreemdelingenwet 2000;</al><al>g. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.</al><al>Artikel 2:86 Bijzondere gronden voor intrekking en wijziging</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld</al><al>in het derde lid intrekken of wijzigen indien;</al><al>a. het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of</al><al>b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig</al><al>wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of</al><al>c. de voorwaarden uit de vergunning niet worden nageleefd; of</al><al>d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of</al><al>e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij</al><al>activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat</al><al>strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt</al><al>beïnvloed; of</al><al>f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of</al><al>g. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een</al><al>gewijzigde exploitatie; of</al><al>h. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de</al><al>vergunning vermelde in overeenstemming is; of</al><al>i. er aanwijzingen zijn dat er in strijd wordt gehandeld met de Wet arbeid vreemdelingen of</al><al>de Vreemdelingenwet 2000;</al><al>j. indien de vestiging of exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.</al><al>Artikel 2:87 Bestaande bedrijven</al><al>Voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten die op het tijdstip van de aanwijzing reeds</al><al>worden uitgeoefend stelt de burgemeester een termijn vast waarop de vergunningplicht als</al><al>bedoeld in artikel 2:83 in werking treedt.</al><al>Artikel 2:88 Sluiting bedrijf</al><al>1. Indien een bedrijf in strijd met artikel 2:83 wordt geëxploiteerd of indien een van de</al><al>situaties als bedoeld in artikel 2:86 sub a tot en met j, van toepassing is, kan de</al><al>burgemeester voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten van het bedrijf</al><al>bevelen.</al><al>2. Het is een ieder verboden een gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.</al><al>3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden</al><al>feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1. BEGRIPSBEPALINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al>- prostitutie: het zich beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen met</al><al>of voor een ander tegen vergoeding;</al><al>- prostituee: degene die zich beschikbaar stelt voor het verrichten van seksuele</al><al>handelingen met of voor een ander tegen vergoeding;</al><al>- seksuele handeling: in ieder geval een aanraking van de geslachtsorganen welke niet</al><al>medisch is, en lust- of gemoedstoestand opwekkend is;</al><al>- seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of</al><al>in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, seksuele handelingen worden verricht, of</al><al>vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting</al><al>worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een</al><al>inrichting voorzien van een darkroom, een seksclub, een parenclub, een erotisch café,</al><al>een prostitutiehotel, een privé-huis of een prostitutiebedrijf waaronder een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie;</al><al>- escortbedrijf: een bedrijf waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is,</al><al>bemiddeld wordt in prostitutie, die op een andere plaats wordt uitgeoefend dan waar de</al><al>bemiddeling plaatsvindt;</al><al>- sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk zaken</al><al>van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of</al><al>verhuurd;</al><al>- exploitant: de natuurlijke persoon, of de natuurlijke persoon die bestuurder is van een</al><al>rechtspersoon, voor wiens rekening en risico een seksinrichting of escortbedrijf wordt</al><al>geëxploiteerd;</al><al>- beheerder: de door de exploitant aangestelde natuurlijke persoon die de algemene en</al><al>onmiddellijke leiding geeft aan een seksinrichting, escortbedrijf of sekswinkel;</al><al>- bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:</al><al>- de exploitant;</al><al>- de beheerder;</al><al>- de prostituee;</al><al>- het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al><al>- de toezichthouder aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening;</al><al>- een andere persoon wiens aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen</al><al>noodzakelijk is.</al><al>- geschiktheidsverklaring: besluit van het college waaruit blijkt dat het pand waarin de</al><al>seksinrichting wordt gevestigd voldoet aan de op grond van artikel 3.1.3 vastgestelde</al><al>nadere regels.</al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het</al><al>betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in</al><al>artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><al/><al>Artikel 3:3 Nadere regels</al><al>Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening</al><al>van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al><al/><al><vet>AFDELING 2 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE EN DERGELIJKE</vet></al><al/><al>Artikel 3:4 Vergunningplicht seksinrichting of escortbedrijf</al><al>1. Het is verboden een seksinrichting respectievelijk escortbedrijf te exploiteren of te</al><al>wijzigen zonder vergunning van de burgemeester respectievelijk het college.</al><al>2. Het college kan het aantal te verlenen vergunningen aan een maximum binden.</al><al>3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld, dan wel bij de</al><al>aanvraag wordt in ieder geval gevoegd:</al><al>a. de persoonsgegevens van de exploitant;</al><al>b. de persoonsgegevens van de beheerder;</al><al>c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al>d. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte</al><al>bestemd voor de seksinrichting of het escortbedrijf;</al><al>e. een plattegrond van de inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop</al><al>duidelijk het aantal werkruimten is aangegeven;</al><al>f. de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een</al><al>situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000;</al><al>g. een lijst met telefoonnummers en/of websites waarmee c.q. waarop de exploitatie zal</al><al>plaatsvinden;</al><al>h. het aantal werkzame prostituees;</al><al>i. een bedrijfsplan, waarin in ieder geval beschreven de maatregelen die waarborgen</al><al>dat tegen de prostituees geen enkele dwang wordt uitgeoefend en die tevens de</al><al>veiligheid van de prostituees waarborgen. Het bedrijfsplan beschrijft tevens de</al><al>geneeskundige zorg en voorlichting op het gebied van beroepsgerelateerde ziektes</al><al>ten behoeve van bij het bedrijf werkzame prostituees.</al><al>j. in geval van een seksinrichting, de door het college afgegeven</al><al>geschiktheidsverklaring;</al><al>k. indien van toepassing een kopie van de Alcoholwetvergunning, voorheen Drank- en</al><al>Horecavergunning;</al><al>l. indien van toepassing, een origineel bewijs van inschrijving in het handelsregister van</al><al>de Kamer van Koophandel alsmede ingeval van een rechtspersoon de statuten van</al><al>de betreffende rechtspersoon;</al><al>m. indien van toepassing een bewijs van inschrijving bij de belastingdienst ten aanzien</al><al>van loon-, inkomsten- en/of omzetbelastingen, met bijbehorende BTW- nummer(s).</al><al>4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve</al><al>fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Artikel 3:5 Eisen exploitant en beheerder</al><al>1. De exploitant en de beheerder:</al><al>a. staat niet onder curatele;</al><al>b. is niet ontzet uit de ouderlijke macht of voogdij;</al><al>c. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag, en</al><al>d. heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt.</al><al>2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet:</al><al>a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch</al><al>ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van</al><al>Strafrecht ter beschikking gesteld;</al><al>b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke</al><al>vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de</al><al>drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint</al><al>Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar</al><al>Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid</al><al>van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al><al>c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk</al><al>veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een</al><al>andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van</al><al>Strafrecht, wegens dan wel mede wegens, overtreding van:</al><al>1. bepalingen gesteld bij of op grond van de Alcoholwet, de Opiumwet, de</al><al>Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;</al><al>2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a,</al><al>273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het</al><al>Wetboek van Strafrecht;</al><al>3. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel</al><al>163 van de Wegenverkeerswet 1994;</al><al>4. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;</al><al>5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al><al>6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al>3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijkgesteld:</al><al>a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van</al><al>het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet</al><al>inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al><al>b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.</al><al>4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><al>a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op</al><al>de aanvraag van de vergunning;</al><al>b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking</al><al>van deze vergunning.</al><al>5. De exploitant en de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder</al><al>geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor tenminste een maand door het</al><al>bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning genoemd in artikel 3:4,</al><al>eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.</al><al/><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden</al><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin</al><al>bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 en 11.00 uur.</al><al>2. De burgemeester kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een</al><al>afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al><al>3. Het is verboden zich als bezoeker in een seksinrichting te bevinden op tijden waarop de</al><al>seksinrichting voor het publiek gesloten dient te zijn.</al><al>4. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin</al><al>geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde</al><al>voorschriften.</al><al/><al/><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</al><al>1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van</al><al>strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan de burgemeester, te zijner</al><al>beoordeling:</al><al>a. tijdelijk andere dan de op grond van artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende</al><al>sluitingsuren vaststellen;</al><al>b. van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele</al><al>sluiting bevelen.</al><al>2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de</al><al>burgemeester het in het eerste lid bedoelde besluit bekend overeenkomstig artikel 3:42</al><al>Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Artikel 3:8 Verplichtingen exploitant en beheerder</al><al>1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de in</al><al>de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.</al><al>2. Het is verboden een escortbedrijf in bedrijf te hebben zonder dat de in de vergunning</al><al>vermelde exploitant of beheerder op de plaats waar de bemiddeling plaatsvindt,</al><al>aanwezig is.</al><al>3. De exploitant en de beheerder van een seksinrichting of escortbedrijf, dienen er</al><al>voortdurend op toe te zien dat tijdens of in verband met de exploitatie waarvoor de</al><al>vergunning is verleend er:</al><al>a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de</al><al>titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke</al><al>vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van</al><al>het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie, en</al><al>b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of op grond van</al><al>de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;</al><al>c. geen prostitutie wordt uitgeoefend door een minderjarige prostituee;</al><al>d. geen personen jonger dan 18 jaar toegang tot de seksinrichting wordt verleend.</al><al>4. De exploitant en de beheerder treffen maatregelen ter voorkoming van feiten genoemd in</al><al>het derde lid.</al><al>5. De exploitant en de beheerder dienen er zorg voor te dragen dat dagelijks een actuele</al><al>bedrijfsadministratie bij wordt gehouden, dat deze administratie in het bedrijf aanwezig is</al><al>en op eerste vordering van een ambtenaar belast met toezicht op het bepaalde in dit</al><al>hoofdstuk of op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage wordt</al><al>afgegeven.</al><al>6. Het bevoegde orgaan kan nadere regels stellen ten aanzien van wat in de</al><al>bedrijfsadministratie wordt opgenomen.</al><al>Artikel 3:9 Raam- en straatprostitutie.</al><al>Het is verboden:</al><al>a. door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, op of aan de weg, op of in</al><al>voor het publieke toegankelijke plaatsen (winkels daaronder begrepen), in</al><al>deuropeningen, dan wel zich binnenshuis bevindende zichtbaar voor het publiek, iemand</al><al>tot prostitutie uit te nodigen of aan te lokken, dan wel op deze uitnodiging of uitlokking in</al><al>te gaan;</al><al>b. op of zichtbaar vanaf de weg ontuchtige handelingen te verrichten, indien dit kennelijk</al><al>geschiedt in het kader van prostitutie.</al><al>c. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door</al><al>politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te</al><al>verwijderen.</al><al>Artikel 3:10 Sekswinkels</al><al>1. Het is verboden, zonder vergunning van de burgemeester, een sekswinkel te exploiteren</al><al>of te wijzigen, in door het college, in het belang van de openbare orde of de woon- en</al><al>leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.</al><al>2. Indien door het college gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste</al><al>lid, dan zijn artikel 3:4 lid 3 sub a tot en met e, sub h, artikel 3:5, artikel 3:8 lid 1 en lid 2,</al><al>en de afdelingen 3.3, 3.4, en 3.5 van overeenkomstige toepassing.</al><al>3. Indien door het college gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste</al><al>lid, dan is het verbod op een al bestaande sekswinkel niet van toepassing:</al><al>a. gedurende 12 weken nadat het college gebruik heeft gemaakt van die bevoegdheid;</al><al>b. na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn</al><al>een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft ingediend,</al><al>totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen.</al><al>4. Gedurende een periode genoemd in het derde lid, kan de burgemeester met het oog op</al><al>de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het</al><al>treffen van in die aanschrijving vermelde voorziening.</al><al>5. Indien door het college gebruik is gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste</al><al>lid, dan is de weigeringsgrond genoemd in artikel 3:13, eerste lid, onder b, op een reeds</al><al>bestaande sekswinkel niet van toepassing, voor zover de perso(o)n(en) die deze</al><al>sekswinkel exploiteerde(n), de exploitatie daarvan sindsdien onafgebroken heeft of</al><al>hebben voortgezet en de bruto vloeroppervlakte van deze sekswinkel sindsdien</al><al>ongewijzigd is gebleven.</al><al>6. Deze bepaling is niet van toepassing indien ná voormelde dag tevens een andere</al><al>persoon of andere personen de exploitatie van een in dit lid bedoelde sekswinkel op zich</al><al>heeft of hebben genomen.</al><al>7. Het is de exploitant van een sekswinkel verboden, toe te laten, dat in de winkel</al><al>aanwezige of werkzame personen aan bezoekers aanbieden om met hen tegen</al><al>vergoeding seksuele handelingen te verrichten.</al><al>8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve</al><al>fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotischpornografische goederen, afbeeldingen e.d.</al><al>1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop zaken,</al><al>opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van</al><al>erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><al>a. indien het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt</al><al>dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare</al><al>orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;</al><al>b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van</al><al>de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.</al><al>2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen,</al><al>aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of</al><al>geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten</al><al>en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al/><al/><al><vet>AFDELING 3 BESLISSINGSTERMIJN; WEIGERINGSGRONDEN</vet></al><al/><al>Artikel 3:12 Beslistermijn/tenaamstelling en geldigheidsduur</al><al>1. Het besluit op de aanvraag om een vergunning wordt genomen binnen twaalf weken na</al><al>de dag waarop de aanvraag is ontvangen.</al><al>2. Het besluit kan voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd, hiervan wordt</al><al>mededeling gedaan aan de aanvrager.</al><al>3. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant, is gebonden aan het bedrijf</al><al>en aan het adres waarvoor zij is verleend en is niet overdraagbaar.</al><al>4. De vergunning wordt op naam gezet van de exploitant en de beheerder.</al><al>5. De vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste 3 jaar. Uiterlijk 12</al><al>weken voor het verstrijken van de termijn dient de exploitant een nieuwe aanvraag te</al><al>hebben ingediend.</al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</al><al>1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als:</al><al>a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;</al><al>b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of</al><al>zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag</al><al>is;</al><al>c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;</al><al>d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de</al><al>aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;</al><al>e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met</al><al>aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;</al><al>f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of</al><al>zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben</al><al>bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben</al><al>bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het</al><al>bepaalde bij of op grond van de Vreemdelingenwet 2000;</al><al>g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de</al><al>vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot</al><al>een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;</al><al>h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de</al><al>vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of</al><al>strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete</al><al>van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,</al><al>onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding</al><al>van:</al><al>1. bepalingen, gesteld bij of op grond van de Alcoholwet, de Opiumwet, de</al><al>Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze</al><al>verordening;</al><al>2. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met</al><al>420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;</al><al>3. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;</al><al>4. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de</al><al>Wegenverkeerswet 1994;</al><al>5. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of</al><al>6. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al><al>i. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt;</al><al>j. voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het</al><al>omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan [of een aanwijzing</al><al>als bedoeld in artikel 3:4].</al><al>2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld:</al><al>a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;</al><al>b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van</al><al>het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet</al><al>inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.</al><al>3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking</al><al>van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze</al><al>vergunning.</al><al>4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h,</al><al>telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.</al><al>Artikel 3:14 Intrekkingsgronden</al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6, kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd,</al><al>gedeeltelijk of geheel worden ingetrokken indien:</al><al>a. de in de vergunning vermelde exploitant of beheerder niet feitelijk de exploitatie en het</al><al>beheer voert;</al><al>b. de exploitant of beheerder de nadere regels bedoeld in artikel 3:3 overtreedt, dan wel niet</al><al>of niet langer voldoet aan het gestelde in afdeling 3.2;</al><al>c. de exploitant of beheerder de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;</al><al>d. er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang</al><al>van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de voor hem,</al><al>namens hem, onder zijn leiding, of door zijn bemiddeling, werkzame personen, alsmede</al><al>ter bescherming van de volksgezondheid;</al><al>e. aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid</al><al>kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting of het escortbedrijf, die</al><al>een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woonof leefklimaat;</al><al>f. zich anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie</al><al>gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of</al><al>leefklimaat in de omgeving;</al><al>g. aan een exploitant meerdere vergunningen zijn verleend en een van deze vergunningen</al><al>op grond van lid 1 sub a tot en met f, wordt ingetrokken. Datzelfde kan indien een in een</al><al>andere gemeente verleende vergunning is ingetrokken.</al><al>Artikel 3:15 Sluiting</al><al>1. De burgemeester kan een seksinrichting, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten</al><al>verklaren, indien:</al><al>a. de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;</al><al>b. de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden</al><al>voorschriften;</al><al>c. naar zijn oordeel, een van de in artikel 3:14 genoemde situaties waarin intrekking van</al><al>de vergunning mogelijk is, zich voordoet.</al><al>2. De sluiting wordt bekendgemaakt door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op</al><al>of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op</al><al>het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.</al><al>3. Eenieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt</al><al>aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.</al><al>4. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden daarin bezoekers toe</al><al>te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is.</al><al>5. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te</al><al>bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.</al><al>6. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbenden(n) worden</al><al>opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe</al><al>aanleiding geven en naar het oordeel van het bevoegde orgaan, voldoende garanties</al><al>aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal</al><al>plaatsvinden.</al><al>7. Het college kan op de gronden zoals vermeld in lid 1 een escortbedrijf, al dan niet voor</al><al>een bepaalde duur, gesloten verklaren tenzij het bedrijf gevestigd is in een woning. Het</al><al>bepaalde in lid 2 tot en met 6 is van overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><vet>AFDELING 4 BEËINDIGING EXPLOITATIE; WIJZIGING BEHEER</vet></al><al/><al>Artikel 3:16 Wijziging of beëindiging exploitatie</al><al>1. Elke wijziging in de bedrijfsvoering of van de exploitatievorm dient schriftelijk en direct te</al><al>worden medegedeeld aan het bevoegde orgaan.</al><al>2. De vergunning vervalt zodra de op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie</al><al>feitelijk beëindigt.</al><al>3. Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, meldt de</al><al>exploitant dat schriftelijk.</al><al>4. In afwijking van het bepaalde in lid 2 en 3 vervalt, behoudens zwaarwegende</al><al>omstandigheden en feiten, de vergunning verleend voor een sekswinkel niet indien, bij de</al><al>wijziging bedoeld in lid 1, aangegeven is dat de bedrijfsactiviteiten door een ander</al><al>worden voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning binnen 2 weken na de</al><al>mededeling is ingediend totdat op de aanvraag een besluit is genomen.</al><al>Artikel 3:17 Wijziging of beëindiging beheer</al><al>1. Indien een beheerder het beheer feitelijk beëindigt, meldt de exploitant dat uiterlijk binnen</al><al>een week na de feitelijke beëindiging schriftelijk aan het bevoegde orgaan.</al><al>2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien op aanvraag van</al><al>de exploitant is besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het</al><al>beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al>3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer reeds voorlopig</al><al>worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als</al><al>bedoeld in het tweede lid heeft ingediend en, met betrekking tot de nieuwe beheerder,</al><al>door de politie een positief advies is uitgebracht.</al><al/><al/><al/><al/><al><vet>AFDELING 5 OVERGANGSBEPALING</vet></al><al/><al>Artikel 3:18 Overgangsbepalingen</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN</vet></al><al><vet>ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1 GELUIDHINDER EN VERLICHTING</vet></al><al/><al>Artikel 4:1 Definities</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde</al><al>direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;</al><al>- collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen</al><al>is verbonden;</al><al>- gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het</al><al>Activiteitenbesluit milieubeheer;</al><al>- gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het</al><al>Activiteitenbesluit milieubeheer;</al><al>- houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of</al><al>anderszins een inrichting drijft;</al><al>- incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal</al><al>inrichtingen;</al><al>- inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer,</al><al>zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet,</al><al>met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op</al><al>inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;</al><al>- onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</al><al/><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><al>1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het</al><al>Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor Rosen Montag (Carnaval),</al><al>1e en 2e paasdag, Koningsdag en Koningsnacht, Hemelvaartsdag, 1e en 2e pinksterdag,</al><al>2e kerstdag en oudjaarsnacht.</al><al>2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de</al><al>buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer</al><al>gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten</al><al>gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.</al><al>3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de</al><al>aanwijzing slechts geldt in een of meer van de volgende delen:</al><al>a. één of meer in dat besluit aangeduide soorten inrichtingen;</al><al>b. één of meer in dat besluit aangegeven gedeelten van de gemeente.</al><al>4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw</al><al>kalenderjaar bekend.</al><al>5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een</al><al>festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al><al>6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer</al><al>dan 65 dB(A) en 78 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte</al><al>van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand</al><al>LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut.</al><al>7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en wordt niet</al><al>gecorrigeerd met 10 dB (A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de</al><al>bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</al><al>8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek</al><al>hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van</al><al>het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 24.00 uur buiten de</al><al>inrichting en 01.30 uur binnen de inrichting beëindigd.</al><al/><al>Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten</al><al>1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar</al><al>incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17,</al><al>2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van</al><al>toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang</al><al>van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.</al><al>2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per</al><al>kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer</al><al>aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het</al><al>Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting</al><al>ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft</al><al>gedaan aan het college.</al><al>3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.</al><al>4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is</al><al>ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al><al>5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder</al><al>van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was,</al><al>terstond toestaat.</al><al>6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer</al><al>dan 65 dB(A) en 78 dB(C) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte</al><al>van 1,5 meter. Onder het equivalente geluidsniveau wordt verstaan, het in de meterstand</al><al>LAeq (“Fast”) gemeten niveau gedurende minimaal één minuut.</al><al>7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en wordt niet</al><al>gecorrigeerd met 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de</al><al>bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.</al><al>8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van muziek hoger</al><al>dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het</al><al>Activiteitenbesluit milieubeheer, uiterlijk om 24.00 uur buiten en om 01.30 uur binnen het</al><al>bebouwde gedeelte van de inrichting beëindigd.</al><al>9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de</al><al>inrichting en niet voor de buitenruimte.</al><al>10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten,</al><al>behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.</al><al/><al>Artikel 4:4 Verbod oplaten ballonnen</al><al>1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht</al><al>afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten</al><al>stijgen;</al><al>2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion,</al><al>Thaise wensballon, papierballon, geluksballon etc.</al><al>3. Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon, bedoeld voor</al><al>personenvervoer.</al><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 4:5a Traditioneel schieten</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht</al><al>1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of</al><al>machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of</al><al>overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op</al><al>het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van</al><al>geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het</al><al>college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.</al><al>4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:</al><al>a. het maximale geluidsniveau;</al><al>b. de situering van geluidsbronnen;</al><al>c. de frequentie en tijden van gebruik.</al><al>5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of op grond van</al><al>de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit</al><al>of de provinciale omgevingsverordening.</al><al>Artikel 4:5c Geluidhinder door dieren</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 4:5d Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen</al><al>Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te</al><al>gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder</al><al>ontstaat.</al><al/><al>Artikel 4:5e Geluidhinder door vrachtauto’s</al><al>1. Het is verboden buiten een inrichting een vrachtauto als bedoeld in artikel 1 van het</al><al>Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 op zodanige wijze te laden of te</al><al>lossen dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder</al><al>wordt veroorzaakt.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al/><al>Artikel 4:5f Routering</al><al>1. Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:5e,</al><al>waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500</al><al>kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of</al><al>een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan</al><al>door het college aangewezen weg te rijden.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</al><al>1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of</al><al>geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een</al><al>omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of op grond van</al><al>de Omgevingswet, het omgevingsplan, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties,</al><al>het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.</al><al>Artikel 4:6a Mosquito</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 2 BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</vet></al><al/><al>Artikel 4:7 Straatvegen</al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de</al><al>gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig</al><al>ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al><al/><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte</al><al>te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al/><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en</al><al>putten buiten gebouwen</al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich</al><al>niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de</al><al>gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al/><al><vet>AFDELING 3 HET BEWAREN VAN HOUTOPSTANDEN</vet></al><al/><al>Artikel 4:10 Definities</al><al>1. In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>- houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al><al>- hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.</al><al>2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten,</al><al>alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of</al><al>ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al><al/><al>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 4:12 Kapverbod</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 4 MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al/><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al><al>1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de</al><al>gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade</al><al>aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van</al><al>de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding</al><al>van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of</al><al>stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:</al><al>a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of</al><al>onderdelen daarvan;</al><al>b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al><al>c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het</al><al>plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of</al><al>anderszins voor een commercieel doel; of</al><al>d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling</al><al>ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en</al><al>oude metalen.</al><al>2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al><al>3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of op grond van de</al><al>Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.</al><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al><al>1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren</al><al>door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in</al><al>gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing in alle gevallen waarin een omgevingsvergunning is</al><al>verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.</al><al>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 5 KAMPEREN BUITEN KAMPEERTERREINEN</vet></al><al/><al>Artikel 4:17 Definitie</al><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen</al><al>of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor</al><al>recreatief nachtverblijf.</al><al>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of</al><al>geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is</al><al>bestemd of mede bestemd.</al><al>2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de</al><al>rechthebbende op een terrein.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het</al><al>belang van de bescherming van:</al><al>a. natuur en landschap; of</al><al>b. een stadsgezicht.</al><al/><al>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</al><al>1. Artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al><al>2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd</al><al>in artikel 4:18, vierde lid.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER</vet></al><al><vet>GEMEENTE</vet></al><al/><al><vet>AFDELING 1 PARKEEREXCESSEN</vet></al><al/><al>Artikel 5:1 Begripsomschrijvingen</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke</al><al>1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:</al><al>a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of</al><al>b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.</al><al>2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:</al><al>a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in</al><al>totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt</al><al>wordt voor deze werkzaamheden; of</al><al>b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.</al><al>3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt</al><al>voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><al>a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te</al><al>parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van</al><al>deze voertuigen;</al><al>b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al><al>4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</al><al>1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met</al><al>het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen</al><al>gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de</al><al>weg te parkeren.</al><al/><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</al><al>1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en/of</al><al>in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of op grond van</al><al>de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.</al><al/><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen</al><al>1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan</al><al>verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><al>a. Langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen en buiten de bebouwde</al><al>kom op de weg te plaatsen of te hebben;</al><al>b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel</al><al>schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en</al><al>onder a.</al><al>3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot</al><al>een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de provinciale</al><al>omgevingsverordening.</al><al>4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>Artikel 5:7 Reclamevoertuigen</al><al>1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op</al><al>de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al><al>2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Artikel 5:8 Grote voertuigen</al><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer</al><al>dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college</al><al>aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van</al><al>de gemeente.</al><al>2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer</al><al>dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn</al><al>oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.</al><al>3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans</al><al>en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende</al><al>dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</al><al>4. Het tweede lid is ook niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag,</al><al>dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al><al>5. Het college kan ontheffing verlenen van de verboden.</al><al>6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen</al><al>1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan</al><al>6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor</al><al>bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor</al><al>het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt</al><al>belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor</al><al>het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter</al><al>plaatse noodzakelijk is.</al><al/><al>Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen</al><al>1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van</al><al>gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten</al><al>staan.</al><al>2. Dit verbod is niet van toepassing op:</al><al>a. de weg;</al><al>b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een</al><al>bestuursorgaan of openbaar lichaam;</al><al>c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel</al><al>zijn bestemd.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>Artikel 5:12 Overlast van fietsen, bromfietsen en gehandicaptenvoertuigen</al><al>1. Het is verboden een fiets, bromfiets of gehandicaptenvoertuig te parkeren als daardoor:</al><al>a. op de weg de doorgang wordt gehinderd of belemmerd;</al><al>b. de veiligheid of de doorstroming van of het uitzicht voor het verkeer wordt gehinderd;</al><al>c. schade wordt veroorzaakt aan de openbare ruimte of aan het uiterlijk aanzien van de</al><al>gemeente;</al><al>d. voor een bewoner of gebruiker van het gebouw waartegen of waarvoor de fiets,</al><al>bromfiets of het gehandicaptenvoertuig staat geparkeerd de doorgang of het uitzicht</al><al>wordt belemmerd en dit tegen de uitdrukkelijk verklaarde wil van die bewoner of</al><al>gebruiker is.</al><al>2. Het college kan in het belang van de veiligheid en ter voorkoming van hinder een gebied</al><al>aanwijzen waarin fietsen of bromfietsen uitsluitend in een daarvoor bestemde voorziening</al><al>mogen worden geplaatst.</al><al>3. Het is verboden om een fiets of bromfiets in een gebied als bedoeld in het tweede lid</al><al>buiten een daarvoor bestemde voorziening te plaatsen.</al><al/><al>Artikel 5:12a Weesfietsen en fietswrakken</al><al>Het is verboden:</al><al>1. in een door het college daarvoor aangewezen parkeervoorziening, fietsen of bromfietsen</al><al>langer dan een door het college aangewezen periode te laten staan (weesfietsen)</al><al>2. Fietsen, bromfietsen of snorfietsen die rij technisch in onvoldoende staat van onderhoud</al><al>en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeren op of aan de weg te laten staan</al><al>(fietswrakken).</al><al/><al><vet>AFDELING 2 COLLECTEREN</vet></al><al/><al>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving</al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of</al><al>goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al><al>2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden</al><al>van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel</al><al>bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te</al><al>kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele</al><al>voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al><al>3. Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.</al><al>4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al>5. Het college kan nadere regels stellen op grond van dit artikel.</al><al/><al><vet>AFDELING 3 VENTEN</vet></al><al/><al>Artikel 5:14 Definitie</al><al>1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan het in de uitoefening van de ambulante</al><al>handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een</al><al>openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.</al><al>2. Onder venten wordt niet verstaan:</al><al>a. het aan huis afleveren van goederen in het kader van de exploitatie van een winkel</al><al>als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;</al><al>b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden</al><al>van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef</al><al>en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;</al><al>c. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden</al><al>van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.</al><al/><al>Artikel 5:15 Ventverbod</al><al>1. Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, openbare veiligheid,</al><al>verkeersveiligheid, volksgezondheid en het milieu in gevaar komt.</al><al>2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zondagen op</al><al>maandag tot en met zaterdag tussen 21.00 en 08.00 uur.</al><al>3. Bij het venten moet, naast het bepaalde in het eerste lid, worden voldaan aan de</al><al>volgende algemene regels:</al><al>a. Het innemen van een standplaats is niet toegestaan.</al><al>b. Bij het venten mag geen gebruik worden gemaakt van geluidsversterkende</al><al>apparatuur.</al><al>c. Het is niet toegestaan om zonder schriftelijke toestemming van de vergunninghouder</al><al>(organisator evenement) te venten op een weg waar een evenement plaatsvindt.</al><al>4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door</al><al>artikel 5 van de Wegenverkeerswet.</al><al/><al>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 4 STANDPLAATSEN</vet></al><al/><al>Artikel 5:17 Definitie</al><al>1. In deze afdeling wordt onder standplaats verstaan het vanaf een vaste plaats op een</al><al>openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren</al><al>van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam,</al><al>een wagen of een tafel.</al><al>2. Onder standplaats wordt niet verstaan:</al><al>a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,</al><al>aanhef en onder g, van de Gemeentewet;</al><al>b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><al/><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te</al><al>hebben.</al><al>2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.</al><al>3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:</al><al>a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan</al><al>redelijke eisen van welstand; of</al><al>b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden</al><al>in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een</al><al>dwingende reden van algemeen belang.</al><al>4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al/><al>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</al><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder</al><al>vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</al><al>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</al><al>1. Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met</al><al>betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond</al><al>van de Omgevingswet, het omgevingsplan of de provinciale omgevingsverordening.</al><al>2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op</al><al>bouwwerken.</al><al/><al>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht</al><al>(Vervallen)</al><al/><al><vet>AFDELING 5 SNUFFELMARKTEN</vet></al><al/><al>Artikel 5:22 Definitie</al><al>1. In deze afdeling wordt onder snuffelmarkt verstaan een markt in een voor het publiek</al><al>toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden</al><al>verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf standplaatsen.</al><al>2. Onder snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al><al>a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van</al><al>de Gemeentewet;</al><al>b. een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al><al>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</al><al>Meldingsplicht</al><al>1. Het is verboden een snuffelmarkt te organiseren:</al><al>a. wegens strijd met het omgevingsplan.</al><al>b. als de burgemeester het organiseren van de snuffelmarkt verboden heeft in het</al><al>belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het</al><al>milieu; of</al><al>c. als degene die voornemens is een snuffelmarkt te organiseren daarvan niet tevoren</al><al>melding heeft gedaan.</al><al>2. De organisator doet de melding als bedoeld in het eerste lid, onder c, binnen 6 weken</al><al>voorafgaand aan de snuffelmarkt met vermelding van:</al><al>a. naam en adres van de organisator;</al><al>b. adres van het gebouw waar de snuffelmarkt gehouden wordt;</al><al>c. de dagen en tijdstippen waarop de snuffelmarkt wordt gehouden;</al><al>d. de frequentie van het houden van de snuffelmarkt;</al><al>e. het soort van goederen en diensten dat wordt aangeboden en verhandeld;</al><al>f. het aantal standplaatsen; en</al><al>g. het te verwachten aantal bezoekers.</al><al>3. De snuffelmarkt kan worden gehouden als de burgemeester niet binnen 2 weken na</al><al>ontvangst van de melding heeft beslist dat het organiseren van de snuffelmarkt wordt</al><al>verboden in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de</al><al>volksgezondheid of het milieu. De burgemeester geeft daarvan binnen 2 weken na</al><al>ontvangst van de melding aan de organisator met opgaaf van redenen bericht.</al><al>4. Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en</al><al>voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al><al/><al><vet>AFDELING 6 OPENBAAR WATER</vet></al><al/><al>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><al>1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water</al><al>te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving,</al><al>constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het</al><al>openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een</al><al>belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al><al>2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een</al><al>permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk</al><al>twee weken tevoren een melding aan het college.</al><al>3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een</al><al>beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.</al><al>4. Van de melding wordt kennis gegeven op de voor de gemeente gebruikelijke wijze van</al><al>bekendmaking.</al><al>5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot</al><al>een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de Omgevingswet,</al><al>het omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening</al><al>of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de</al><al>Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of op grond</al><al>van de Telecommunicatiewet.</al><al>Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen</al><al>1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een</al><al>ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen</al><al>gedeelten van openbaar water.</al><al>2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met</al><al>dan wel voor een vaartuig op niet op grond van het eerste lid aangewezen gedeelten van</al><al>openbaar water:</al><al>a. nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,</al><al>veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;</al><al>b. beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot</al><al>een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of op grond van de Omgevingswet,</al><al>het omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening</al><al>of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het</al><al>overige bepaalde bij of op grond van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het</al><al>Binnenvaartpolitiereglement.</al><al>4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met</al><al>betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de</al><al>openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de</al><al>gemeente.</al><al>5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven</al><al>aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op</al><al>te volgen.</al><al>Artikel 5:26 Aanwijzing ligplaats</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</al><al>1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de</al><al>toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,</al><al>beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,</al><al>gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek</al><al>van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening</al><al>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water</al><al>aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik</al><al>ongeschikt te maken.</al><al>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</al><al>1. Het is aan eenieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt,</al><al>verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar</al><al>kan ondervinden.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het</al><al>Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of</al><al>op grond van de Omgevingswet.</al><al>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</al><al>1. Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan een vaartuig in openbaar</al><al>water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al><al>2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan</al><al>een openbaar water, los te maken.</al><al/><al><vet>AFDELING 7 CROSSTERREINEN EN GEMOTORISEERD EN RUITERVERKEER IN</vet></al><al><vet> NATUURGEBIEDEN</vet></al><al/><al>Artikel 5:31a Begripsbepalingen</al><al>(Vervallen)</al><al/><al>Artikel 5:32 Crossterreinen</al><al>1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets</al><al>te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een</al><al>wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te</al><al>nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe</al><al>aanwezig te hebben.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college</al><al>kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:</al><al>a. het voorkomen of beperken van overlast;</al><al>b. het behoud, het in stand houden en beschermen van fysieke omgevingswaarden, als</al><al>natuur, bodem, water en lucht, die deze hebben voor mens, dier en plant en ter</al><al>bescherming van andere milieuwaarden;</al><al>c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en</al><al>ritten of van het publiek.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de</al><al>Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of</al><al>het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al><al>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</al><al>1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen</al><al>of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een</al><al>motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al><al>2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college</al><al>kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:</al><al>a. het voorkomen van overlast;</al><al>b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al><al>c. de veiligheid van het publiek.</al><al>3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:</al><al>a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere op</al><al>grond van artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens</al><al>1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al><al>b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen</al><al>als in het eerste lid bedoeld;</al><al>c. die worden gebruikt in verband met werken die op grond van wettelijk voorschrift</al><al>moeten worden uitgevoerd;</al><al>d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn</al><al>binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al><al>e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d</al><al>bedoelde personen.</al><al>4. Het verbod is ook niet van toepassing:</al><al>a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;</al><al>b. binnen de bij of op grond van de provinciale omgevingsverordening aangewezen</al><al>stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of op grond van die verordening</al><al>zijn aangewezen als toestel.</al><al>5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al/><al><vet>AFDELING 8 VERBOD VUUR TE STOKEN</vet></al><al/><al>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins</al><al>vuur te stoken</al><al>1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin</al><al>van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de</al><al>inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te</al><al>hebben.</al><al>2. Mits geen sprake is van gevaar, overlast, hinder of schade voor de omgeving, is het</al><al>verbod niet van toepassing op:</al><al>a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al><al>b. enkel gebruik van schoon en droog hout;</al><al>c. vuur voor koken, bakken en braden.</al><al>3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.</al><al>4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter</al><al>bescherming van de flora en fauna.</al><al>5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,</al><al>aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale</al><al>omgevingsverordening.</al><al/><al><vet>AFDELING 9 VERSTROOIING VAN AS</vet></al><al/><al>Artikel 5:35 Definitie</al><al>In deze afdeling wordt onder incidentele asverstrooiing verstaan het verstrooien van as als</al><al>bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n)</al><al>gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.</al><al/><al>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</al><al>1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al><al>a. verharde delen van de weg;</al><al>b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al><al>2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die</al><al>genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al><al>3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de as-bus op grond</al><al>van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het</al><al>eerste lid, onder a.</al><al>4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet</al><al>bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/><al>Artikel 5:37 Hinder of overlast</al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor</al><al>derden.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6 SANCTIE-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al/><al>Artikel 6:1 Sanctiebepaling</al><al>1. Overtreding van alle verbodsbepalingen, gegeven voorschriften en beperkingen in de</al><al>hoofdstukken 2 tot en met 5 (uitgezonderd de in artikel 6:1 onder 2 genoemde artikelen)</al><al>en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen worden</al><al>gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede</al><al>categorie.</al><al>2. Overtreding van het bij of op grond van de volgende artikelen bepaalde en de daarbij op</al><al>grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een</al><al>geldboete van de eerste categorie: 2:45, 2:46, 2:51, 2:52, 2:64, 5:11, 5:12, 5:12a.</al><al>3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische</al><al>delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of op grond van de artikelen</al><al>2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningsplichtige activiteit op grond van</al><al>artikel 2:12 eerste lid.</al><al>4. In geval van overtreding van de op grond van artikel 3, derde lid, van de Wet</al><al>veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van</al><al>ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.</al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders</al><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bij of op grond van deze verordening bepaalde</al><al>zijn belast: de toezichthouders en de buitengewoon opsporingsambtenaren van de</al><al>gemeente Hof van Twente en de opsporingsambtenaren van de politie eenheid Oost.</al><al>2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht</al><al>belasten.</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de</al><al>bij of op grond van deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van</al><al>de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van</al><al>personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de</al><al>bewoner.</al><al>Artikel 6:4 Overgangsbepaling</al><al>Besluiten, genomen op grond van de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het</al><al>moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening</al><al>overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen op grond van deze</al><al>verordening.</al><al/><al>Artikel 6:5 Inwerkingtreding</al><al>1. De Algemene plaatselijke verordening 2024 komt te vervallen op de dag dat de</al><al>Algemene plaatselijke verordening 2025 in werking treedt.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.</al><al>Artikel 6:6 Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING</al><al>HOF VAN TWENTE 2025.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hof van Twente</al><al>d.d. 1 april 2025.</al><al/><al>De raad van Hof van Twente,</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>H.M. Meerman drs. H.A.M. Nauta-van Moorsel MPM</al><al/><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>