<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73945_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Besluit van provinciale staten van Utrecht van 18 februari 2008, nr. 2008RGW01, en van provinciale staten van Zuid-Holland van 30 januari en 26 maart 2008 tot hernieuwde reglementering van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Utrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Utrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2015, 1738</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Waterschapswet, art. 6</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-04-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 5, 8, 10, 11, 12</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008RGW01</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>water, organisatie intern</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Besluit van provinciale staten van Utrecht van 18 februari 2008, nr. 2008RGW01, en van provinciale staten van Zuid-Holland van 30 januari en 26 maart 2008 tot hernieuwde reglementering van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale staten van Utrecht en van Zuid-Holland;</al><al>Op het voorstel van gedeputeerde staten van Utrecht en van Zuid-Holland;</al><al>Overwegende dat het wenselijk is dat als gevolg van een wijziging van de Waterschapswet
een nieuw reglement voor het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wordt
vastgesteld;</al><al>Gelet op artikel 6 Waterschapswet;</al><al>Besluiten:</al><al>vast te stellen het volgende reglement:</al><al>Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Dit reglement verstaat onder: 
- categorie bedrijven: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebouwde onroerende zaken in gebruik hebben als bedrijfsruimte; 
- categorie ingezetenen: categorie waartoe behoren degenen die hun werkelijke woonplaats in het waterschap hebben als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet; 
- categorie natuurterreinen: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen als bedoeld in artikel 116, onder c, van de wet; 
- categorie ongebouwd: categorie waartoe behoren degenen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen; 
- gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Utrecht, tenzij in het reglement anders is bepaald; 
- overgaand gebied: gebied dat bij de inwerkingtreding van dit reglement deel gaat uitmaken van het waterschap en dat als zodanig is aangegeven op de als bijlage 1 bij dit reglement behorende kaart; 
- watersysteem: samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken; 
- wet: Waterschapswet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Naam, gebied, zetel en taak van het waterschap</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Naam van het waterschap</titel></kop><al>Er is een waterschap met de naam Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verder aan te duiden als het waterschap.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Gebied van het waterschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het gebied van het waterschap is aangegeven op de als bijlage 2 bij dit reglement behorende kaart.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De grenzen van het in het eerste lid bedoelde gebied kunnen nader worden aangegeven op door gedeputeerde staten vast te stellen detailkaarten.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Van elk van de kaarten, bedoeld in het eerste en tweede lid, berust een exemplaar bij het waterschap en bij de provincies Utrecht en Zuid-Holland.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Zetel van het waterschap</titel></kop><al>Het algemeen bestuur bepaalt in welke gemeente het waterschap zijn zetel heeft.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Taak van het waterschap</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De taak van het waterschap is de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied, voorzover deze taak niet aan andere publiekrechtelijke lichamen is opgedragen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De taak, bedoeld in het eerste lid, omvat de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater, hieronder mede begrepen het stedelijk afvalwater dat afkomstig is vanuit het beheersgebied van een aangrenzende waterkwaliteitsbeheerder en dat krachtens artikel 15a, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren om doelmatigheidsredenen wordt gezuiverd op een zuiveringstechnisch werk dat in beheer is bij het waterschap. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur</titel></kop><paragraaf><kop><titel><vet> </vet></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6 Benaming bestuursorganen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het dagelijks bestuur wordt aangeduid als college van dijkgraaf en hoogheemraden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitter wordt aangeduid als dijkgraaf.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De leden van het dagelijks bestuur met uitzondering van de voorzitter worden aangeduid als hoogheemraden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1. Het algemeen bestuur</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Omvang algemeen bestuur</titel></kop><al>Het algemeen bestuur bestaat uit dertig leden. Hiervan vertegenwoordigen:</al><lijst><li nr="a."><al> drieëntwintig leden de categorie ingezetenen;</al></li><li nr="b."><al> drie leden de categorie ongebouwd;</al></li><li nr="c."><al> twee leden de categorie natuurterreinen;</al></li><li nr="d."><al> twee leden de categorie bedrijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor de categorie bedrijven worden twee vertegenwoordigers benoemd door de Kamer van Koophandel op voordracht van de regionale raad van de Regio Noordwest. Deze regio is aangeduid in het Besluit vaststelling regio's van 2 januari 2014 van de Kamer van koophandel (Stcrt 2014, 1215) </al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de categorie ongebouwd worden door de Land- en Tuinbouworganisatie Noord drie vertegenwoordigers benoemd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Reglement van orde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het reglement van orde worden in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, de openbaarheid van de vergaderingen, het vergader- en het besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden</titel></kop><artikel><kop><titel><vet>Arti</vet>kel 10 Omvang college van dijkgraaf en hoogheemraden</titel></kop><al>Het college van dijkgraaf en hoogheemraden bestaat uit de dijkgraaf en een door het algemeen bestuur te bepalen aantal hoogheemraden dat ten hoogste vijf bedraagt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Benoeming hoogheemraden.</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 41, tweede lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tot hoogheemraad benoemde wordt geacht de benoeming niet aan te nemen, indien op de tiende dag na kennisgeving van de benoeming door middel van een aangetekende brief nog geen mededeling van hem is ontvangen dat hij de benoeming aanvaardt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Wanneer de benoeming niet is aangenomen, geschiedt zo spoedig mogelijk een nieuwe benoeming.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De benoeming ter vervulling van een plaats die tussentijds openvalt, geschiedt zo spoedig mogelijk nadat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is vervuld, tenzij het algemeen bestuur besluit het aantal hoogheemraden te verminderen dan wel indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Ingang benoeming hoogheemraden</titel></kop><al>Vervalt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Ontslag op eigen initiatief</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een hoogheemraad kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vervanging hoogheemraden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij langdurige afwezigheid van een hoogheemraad, of indien een hoogheemraad met de waarneming van het ambt van dijkgraaf is belast, kan hij worden vervangen door een lid van het algemeen bestuur, aan te wijzen door het algemeen bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Degene die gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken voor een hoogheemraad heeft waargenomen, geniet een vergoeding ten bedrage van de voor dat lid vastgestelde bezoldiging. De vergoeding wordt verminderd met hetgeen als lid van het algemeen bestuur als vergoeding wordt ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Reglement van orde</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college van dijkgraaf en hoogheemraden stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast, dat aan het algemeen bestuur wordt toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In het reglement van orde worden voor de vergaderingen in ieder geval regels gesteld ten aanzien van de wijze van oproeping tot vergadering, het vergaderquorum, het besluitquorum, de handhaving van de orde tijdens de vergaderingen en de wijze waarop de stemmingen plaatsvinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Bevoegdheid tot intrekking bezwaar en beroep</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 86, vierde lid, van de wet wordt het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar slechts ingetrokken indien het algemeen bestuur daartoe expliciet beslist. Het dagelijks bestuur informeert het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk omtrent beslissingen als bedoeld in artikel 86, derde lid, van de wet.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3. De dijkgraaf</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 Benoeming dijkgraaf</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46, derde lid, van de wet, wordt opgemaakt, wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een open sollicitatieprocedure gevolgd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de aanbeveling uit meer dan één persoon bestaat, wordt over iedere plaats op de aanbeveling afzonderlijk gestemd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de toepassing van artikel 46, derde en vijfde lid, van de wet wordt onder gedeputeerde staten verstaan: gedeputeerde staten van Utrecht.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Samen met de aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf wordt een uittreksel uit de notulen van de gehouden stemming aan gedeputeerde staten gezonden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aflegging van de eed (verklaring en belofte), bedoeld in artikel 50 van de wet, vindt plaats in handen van de commissaris van de Koning in de provincie Utrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Woonplaats dijkgraaf</titel></kop><al>De dijkgraaf heeft zijn werkelijke woonplaats in het gebied van het waterschap.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4. De secretaris</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 Benoeming secretaris</titel></kop><al>De benoeming van de secretaris geschiedt op voordracht van het college van dijkgraaf en hoogheemraden.</al></artikel><artikel><kop><titel><vet>Artikel 20 Taken en bevoegdheden</vet></titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het algemeen bestuur stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de secretaris.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Artikel 33, eerste en tweede lid van de wet is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Toezicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Toezichtsbevoegdheid</titel></kop><al>Voor de toepassing van de bepalingen in de wet met betrekking tot het toezicht op het waterschapsbestuur, zijn gedeputeerde staten bevoegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><al><vet> </vet>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Toezending besluiten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het dagelijks bestuur zendt aan gedeputeerde staten:
    </al><lijst><li nr="a."><al> het ontwerp van het besluit tot vaststelling of wijziging van een keur, bedoeld in artikel 80, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="b."><al> besluiten tot oprichting of deelneming in een rechtspersoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het dagelijks bestuur zendt aan gedeputeerde staten van Utrecht en van Zuid-Holland het ontwerp van een calamiteitenplan, bedoeld in artikel 5.29, eerste lid, van de Waterwet, alsmede het vastgestelde plan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>
Artikel 24 Wijzigingen van beperkte strekking
Artikel 25 Intrekken reglementen
</titel></kop><al>Het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (1) en het Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2002 (2) worden ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Ten aanzien van de dijkgraaf die zijn functie bekleedt op de datum van inwerkingtreding van dit reglement blijft tot zijn ontslag artikel 48 van het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden van kracht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De artikelen 5 tot en met 52 van het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden blijven van kracht tot 8 januari 2009 voor de op het moment van inwerkingtreden van dit reglement zitting hebbende leden van het algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en hoogheemraden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor de belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2009 blijven de artikel en 70 en 71 van het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor overgaand gebied blijft het recht ten aanzien van de heffing of invordering van de omslagen en verontreinigingsheffing, zoals het gold vóór de datum van inwerkingtreding van dit reglement, tot 1 januari 2009 van toepassing. De bestuursorganen die tot de datum van inwerkingtreding van dit reglement bevoegd waren ten aanzien van de bedoelde heffing of invordering, oefenen de bevoegdheden tot 1 januari 2009 uit. Deze bestuursorganen blijven als enige bevoegd ten aanzien van de in de eerste volzin bedoelde belastingen, die betrekking hebben op belastingtijdvakken die zijn aangevangen vóór 1 januari 2009, en op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip hebben voor gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De op de dag, voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit reglement voor overgaand gebied geldende waterschapsbesluiten blijven van kracht zolang het bevoegde bestuursorgaan niet anders beslist. De bevoegde bestuursorganen oefenen met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit reglement de bevoegdheden die samenhangen met de in de eerste volzin bedoelde besluiten uit, zolang de besluiten hun rechtskracht behouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit reglement treedt in werking op 31 maart 2008.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Citeertitel</titel></kop><al>Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Goedgekeurd bij besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 maart 2008,
nr. HDJZ/WAT/2008-438</ondertekening><ondertekening>R.C. ROBBERTSEN, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>L.C.A.W. GRAAFHUIS, griffier.</ondertekening><ondertekening>Uitgegeven 24 april 2008</ondertekening><ondertekening>provinciale staten van Utrecht,</ondertekening><ondertekening>namens hen</ondertekening><ondertekening>H.H. SIETSMA, secretaris</ondertekening><ondertekening> </ondertekening><ondertekening> </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Toelichting op het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008</al><al>Sinds de totstandkoming van de Waterschapswet in 1991 hebben zich belangrijke ontwikkelingen
in het waterbeheer voorgedaan. Zo heeft het beleidsconcept integraal waterbeheer
zijn intrede gedaan. Dit betekent dat het waterbeheer gericht is op alle aspecten van watersystemen
in hun onderlinge samenhang. Daarnaast kenmerkt integraal waterbeheer zich door
de externe samenhang met het beheer van de relevante omgeving van het watersysteem.
Dit komt tot uitdrukking in de relaties met andere beleidsterreinen als natuur, milieu en
ruimtelijke ordening. Het waterbeheer richt zich steeds meer van object naar functie. De
afgelopen jaren heeft het waterbeheer tevens een sterke impuls gekregen door een aantal
externe ontwikkelingen. In 2000 is de Europese kaderrichtlijn water in werking getreden.
Deze kaderrichtlijn gaat ook uit van een watersysteembenadering, nu per (internationaal)
stroomgebied.</al><al>De hierboven geschetste ontwikkelingen hebben ook hun weerklank gevonden in de waterschapsorganisatie.
Dit komt tot uiting in de vorming van all-in waterschappen (waarbij het 
kwantiteitsbeheer, de zorg voor de waterkering en het waterkwaliteitsbeheer in dezelfde hand
gelegd zijn), maar vooral ook in de schaalvergroting van de waterschappen. Ten tijde van het
ontstaan van de Waterschapswet waren er nog ruim 200 waterschappen. Deze waren divers
van omvang en ook de taken varieerden. Er waren veel waterschappen waaraan slechts één
van de waterschapstaken was toebedeeld. Sommige provincies hadden zuiveringsschappen
ingesteld voor de uitvoering van de waterkwaliteitstaak, of hielden deze taak in eigen hand.
Inmiddels heeft een forse stroomlijning en opschaling plaatsgevonden. Sinds 1 januari 2005
telt Nederland nog 26 all-in waterschappen. De nieuwe Waterschapswet is afgestemd op
deze ontwikkelingen.
Zo worden bijvoorbeeld de taken waterkering en waterhuishouding niet meer afzonderlijk in
de wet genoemd en wordt voor deze taken niet meer in separate heffingen voorzien. Het onderscheid
aan taken en heffingen is in de huidige waterschapsstructuur niet meer relevant,
sterker nog, het past niet meer bij de hedendaagse praktijk van het (integrale) watersysteembeheer.</al><al>De wettelijke bevoegdheid waterschappen in te stellen en te reglementeren ligt bij provinciale
staten. Artikel 2 van de Waterschapswet bepaalt dat de bevoegdheid tot het opheffen en
het instellen van waterschappen, tot regeling van hun taken en inrichting en van de samenstelling
van hun besturen en tot de verdere reglementering van waterschappen aan provinciale
staten behoort en dat de uitoefening van deze bevoegdheid geschiedt bij provinciale
verordening. Omdat hier sprake is van een interprovinciaal waterschap, worden de bevoegdheden, op grond van artikel 6 van de Waterschapswet, gemeenschappelijk door provinciale
staten van Utrecht en van Zuid-Holland uitgeoefend.</al><al>Als gevolg van de herziene Waterschapswet moeten alle provinciale waterschapsreglementen
worden aangepast. De belangrijkste keuzes die voortvloeien uit de herziene Waterschapswet
richten zich op het volgende.</al><al>1. In het reglement moet de omvang van het algemeen bestuur worden bepaald. De wet
maximeert de omvang van het algemeen bestuur op 30 leden. Het minimum aantal
leden is 18.
2. In het reglement moet het aantal zetels voor de specifieke belangencategorieën
worden bepaald. De wet onderscheidt voor de bestuurssamenstelling drie specifieke
belangencategorieën te weten bedrijven, natuurterreinen en ongebouwd. De wet
geeft aan dat aan deze categorieën minimaal 7 en maximaal 9 zetels moeten worden
toegedeeld. Dit zijn de zogenoemde “geborgde zetels”. De overige zetels zijn voor de
categorie ingezetenen.
3. In het reglement moeten de organisaties aangewezen worden die de kandidaten voor
de geborgde zetels voor de specifieke belangencategorie ongebouwd benoemen.
4. Er moet een keuze worden gemaakt ten aanzien van het instellen van kiesdistricten.
De onderwerpen 1 tot en met 3 worden nader toegelicht bij de artikelsgewijze
toelichting. Op onderwerp 4 wordt ingegaan aan het slot van de algemene toelichting.</al><al>Naast de wijzigingen die voortvloeien uit de wet zijn de waterschapsreglementen interprovinciaal
geüniformeerd. Het onderhavige reglement is grotendeels gebaseerd op een
model-reglement dat door het IPO, in overleg met de Unie van Waterschappen, is opgesteld.
De aanpassingen van het reglement hebben door alle wijzigingen een dusdanige impact dat
er ten behoeve van de transparantie en de leesbaarheid voor is gekozen een geheel nieuw
reglement op te stellen.</al><al>Het onderhavige reglement schept in aansluiting op de Waterschapswet het kader voor het
nieuwe waterschap. Het beperkt zich tot de essentiële aspecten betreffende de inrichting en
het functioneren van het waterschap. De belangrijkste onderwerpen die worden geregeld,
zijn het gebied, de taak, het bestuur, de verdeling van de geborgde zetels over de specifieke
belangencategorieën, het aanwijzen van de organisaties die de vertegenwoordigers voor de
categorieën bedrijven en ongebouwd mogen benoemen en het toezicht. De kostentoedeling
en het kiesrecht worden thans uitputtend geregeld in de Waterschapswet en de daarbij
behorende Algemene maatregel van bestuur. De onderwerpen behoeven geen regeling meer
bij reglement.</al><al>Om een zo groot mogelijke invloed van de kiezer op het verkiezingsproces te waarborgen, is
afgezien van de mogelijkheid tot het instellen van kiesdistricten. Door het instellen van kiesdistricten wordt de invloed van de kiezer op de volgende manieren beperkt: 1.) de verdeling
van de zetels over het gebied wordt niet aan de kiezer overgelaten maar vooraf reglementair
bepaald; 2.) belangengroepen die in het gehele waterschap mee willen doen, hebben
te maken met extra eisen. Immers, zij moeten in meer kiesdistricten een lijst indienen. 3.)
Het verkiezingsproces wordt ingewikkelder en daardoor minder transparant voor de kiezer.
Bovendien maakt het instellen van kiesdistricten de organisatie van de verkiezingen ingewikkelder,
omdat er per kiesdistrict aparte verkiezingen moeten worden gehouden.</al><al>Artikelgewijze toelichting</al><al>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</al><al>Op grond van artikel 1, tweede lid van de Waterschapswet kunnen als “hoofdtaken” aan de
waterschappen de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van het afvalwater
op de voet van artikel 15a Wet verontreiniging oppervlaktewateren worden opgedragen. In
dit reglement is het begrip watersysteem nader gedefinieerd en is aansluiting gezocht bij de
terminologie van de Waterwet. De Waterwet is op 28 september 2006 aan de Tweede Kamer
aangeboden. Het zuiveren van het afvalwater is niet nader gedefinieerd omdat deze definitie
afdoende is geregeld in de Waterschapswet en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al>Hoofdstuk 2 Naam, gebied, zetel en taak van het waterschap</al><al>Artikel 3 Gebied van het waterschap</al><al>Bij het bepalen van het gebied van het waterschap is acht geslagen op het uitgangspunt
voor de bestuurlijke organisatie van de waterstaatszorg, dat bij de vorming van waterschappen
zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de waterstaatkundige eenheden. Een
waterstaatkundige eenheid bestaat uit een samenhangend stelsel van oppervlaktewateren en
gronden (inclusief mensen en gebouwen), die belang hebben bij de instandhouding van dat
stelsel.</al><al>Het gebied van het waterschap is op grond van een tussen het waterschap en het hoogheemraadschap
Amstel, Gooi en Vecht bereikte overeenstemming gewijzigd. De dorpskern
van Kockengen behoort nu in het geheel tot het gebied van het waterschap. De nieuwe grens
ligt ter hoogte van een nieuwe hoogwaterstuw op 11 meter ten noorden van de zijkant van de
Joostendammerbrug. Begin 2007 is met de bouw van deze hoogwaterstuw begonnen. Door
deze stuw kan de waterstand binnen de dorpskern Kockengen onafhankelijk van de Bijleveld
en de Grote Heicop gereguleerd worden zodat de nieuwe grens tevens de waterstaatkundig
logische grens vormt.
Het gebied dat overgaat naar het waterschap is aangegeven op de als bijlage 1 bij het reglement
behorende kaart.</al><al>Het gebied van het waterschap wordt aangegeven op de kaart die als bijlage 2 deel uitmaakt
van het reglement. Op de kaart zijn de grenzen van het waterschapsgebied zo eenduidig
mogelijk vastgelegd. Er kunnen gebiedsspecifieke situaties zijn waarbij het noodzakelijk is
de grens van het waterschapsgebied nauwkeuriger vast te stellen (bijvoorbeeld daar waar de
grens door bebouwd gebied loopt). In het reglement is de mogelijkheid opgenomen voor de
precieze aanduiding van de grenzen van het waterschapsgebied detailkaarten vast te stellen.
Het vaststellen van de detailkaarten is opgedragen aan gedeputeerde staten.</al><al>Artikel 5 Taak van het waterschap</al><al>In artikel 1, eerste lid van de Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen
vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. Deze
taak wordt vervolgens in het tweede lid nader gespecificeerd in de zorg voor het watersysteem
en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op de voet van artikel 15a van de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). In de Waterschapswet worden de zorg voor de
waterkering en de zorg voor de waterhuishouding dus niet meer als aparte taken onderscheiden.</al><al>In artikel 5 van het reglement is aangesloten bij de wet en de huidige situatie door aan het
waterschap de zorg voor het watersysteem en de zorg voor het zuiveren van afvalwater op te
dragen. De zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor
de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Onder de zorg voor de
waterhuishouding moet ook het regelen van de grondwaterstanden via het peilbeheer van
het oppervlaktewater worden gerekend. Het gebruik van de term “zorg voor het watersysteem”
benadrukt dat de tot op heden afzonderlijk benoemde taken een nauwe onderlinge
samenhang kennen en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. De toekenning van
“de zorg voor het watersysteem” aan het waterschap impliceert overigens niet dat alle zorg
voor het watersysteem of de watersystemen in het waterschapsgebied aan het waterschap
wordt toegekend. Ook andere overheden oefenen taken ter zake uit. In het eerste lid van
artikel 5 is daarom aangegeven dat het waterschap verantwoordelijk is voor de waterstaatkundige
verzorging van zijn gebied, voorzover deze taak niet bij andere publiekrechtelijke
lichamen berust.</al><al>Artikel 5, eerste lid, kent een duidelijke relatie met artikel 3:4, eerste lid van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). In artikel 3:4, eerste lid Awb is namelijk geregeld dat het
bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet
uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking
voortvloeit. Wanneer een bestuursorgaan van het waterschap derhalve een besluit of handeling
overweegt, dient het over te gaan tot een afweging van alle bij de concrete beslissing of
handeling betrokken belangen. Met artikel 5, eerste lid wordt aangegeven dat het waterschap
zich bij de belangenafweging primair moet laten leiden door de waterhuishoudkundige
belangen. Het zijn deze belangen die de doorslag moeten geven bij de besluitvorming.</al><al>In artikel 5, tweede lid, is ook de zuivering van afvalwater aan het waterschap opgedragen.
Sinds 2002 ligt de zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater via artikel 15a van de
Wet verontreiniging oppervlaktewateren al wettelijk bij het waterschap.</al><al>In artikel 5, derde lid, wordt het vaarwegbeheer zoals reeds bepaald in artikel 3, onder e van
het huidige Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden aan het waterschap
opgedragen.</al><al>Hoofdstuk 3 Samenstelling en inrichting van het waterschapsbestuur</al><al>Dit hoofdstuk geeft een aanvulling op de bepalingen in de Waterschapswet en het Rechtspositiebesluit
voorzitters waterschappen. De wet regelt onder meer de vereisten voor het
lidmaatschap van het bestuur, de verkiezingen, nevenfuncties, onverenigbare betrekkingen
en het afleggen van de eed (dan wel verklaring en belofte). Voorts bevat de wet bepalingen
over de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het college van dijkgraaf en hoogheemraden.
Het Rechtspositiebesluit voorzitters waterschappen bevat regels over rechtspositionele
aangelegenheden aangaande de dijkgraaf, zoals benoeming, schorsing, tijdelijk niet
uitoefenen van zijn functie, ontslag, uitkering bij ontslag en aanspraken in geval van ziekte.</al><al>Paragraaf 1 Het algemeen bestuur</al><al>Artikel 7 Omvang algemeen bestuur</al><al>In de Waterschapswet is, uit oogpunt van uniformering, maar ook vanwege doelmatigheid
en slagvaardigheid, de minimale en maximale omvang van het algemeen bestuur vastgelegd.
Het waterschapsbestuur kan bestaan uit minimaal achttien en maximaal dertig leden.</al><al>Om te garanderen dat daadwerkelijk alle belangencategorieën vertegenwoordigd zijn, dient
niet alleen de omvang van het bestuur te worden vast gesteld, maar ook het aantal zetels
dat daarbinnen toegekend wordt aan ieder van de specifieke categorieën. Op een totale
bestuursomvang van minimaal achttien en maximaal dertig zetels zijn zeven tot negen
zetels gereserveerd voor de specifieke categorieën gezamenlijk, waarbij iedere categorie
minimaal één zetel toegewezen krijgt om vertegenwoordiging zeker te stellen. De overige
zetels zijn voor de categorie ingezetenen. Met dit stelsel wordt verzekerd (“geborgd”) dat bij
de taakuitoefening door het waterschap met alle onderscheiden taakbelangen, de algemene
én de specifieke, rekening wordt gehouden. Deze benadering doet recht aan het functionele
karakter van het waterschap, dat zich daarmee onderscheidt van de organen van algemene
democratie.</al><al>In de memorie van toelichting (MvT) bij het wetsvoorstel zijn de belangen van de in het
wetsvoorstel onderscheiden categorieën van belanghebbenden als volgt omschreven.</al><al>De  hebben een algemeen belang bij het kunnen wonen, werken en recreëren
in het waterschapsgebied. Het kunnen wonen in het gebied vergt een bescherming van de
woning tegen wateroverlast en daarmee ook de bescherming van het economische belang
van de huiseigenaar. Door deze samenloop kunnen de ingezetenen de belangen van de huiseigenaren
mede vertegenwoordigen. Voorts vertegenwoordigt deze categorie het belang van
de lozers van huishoudelijk afvalwater.</al><al>De eigenaren van bedrijfsruimten () hebben een economisch belang bij de bescherming
van hun eigendom tegen wateroverlast. Tevens vertegenwoordigen zij het belang van
de lozers van bedrijfsafvalwater.</al><al>De eigenaren van agrarische en overige ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen
() hebben vanuit hun dagelijkse bedrijfsvoeringsbelangen een meer dan
gemiddeld belang bij peilbeheer en waterkwaliteit (beregening, irrigatie).</al><al>De eigenaren van  hebben belang bij de bescherming van de natuur- en landschappelijke waarden van hun terreinen. Dit raakt het kwantitatief en kwalitatief beheer van
het watersysteem.</al><al>Er zijn de volgende redenen om het aantal zetels voor de ingezetenen te bepalen op 23, het
maximum:
- de grote mate van veralgemenisering van de taakuitoefening door de waterschappen
(brede taakinvulling en grote verwevenheid met taken algemeen bestuur) rechtvaardigt
een maximale zeggenschap van de ingezetenen in het bestuur;
- het democratische gehalte van verkiezingen is het grootst wanneer de bezetting van een
zo groot mogelijk aantal zetels wordt bepaald door directe verkiezingen;
- naar mate er meer zetels te verdelen zijn, is het aantrekkelijker voor belangengroeperingen
om een lijst in te dienen. Het geïntroduceerde lijstenstelsel komt dan het meest tot
zijn recht;
- het betalingsaandeel van ingezetenen en woongebouwd bedraagt 79 %; dit rechtvaardigt
een zetelaandeel van 23 op een totaal aantal zetels van 30 (77%).</al><al>Deze keuze houdt in dat 7 zetels, het minimumaantal, overblijven voor de specifieke belangencategorieën.
Dit wordt niet bezwaarlijk geacht, omdat die groeperingen de mogelijkheid
hebben een lijst in te dienen. Zij hebben aldus via het democratische proces de mogelijkheid
hun positie in het waterschapsbestuur te versterken.</al><al>De verdeling van de zetels tussen de drie specifieke belangencategorie is in twee stappen
gebeurd: in eerste instantie is gekeken naar de onderlinge waardeverhouding van de onroerende
zaken behorende bij de verschillende categoriën. De daaruit voortvloeiende getallen
zijn in tweede instantie gecorrigeerd op grond van bestuurlijke overwegingen.</al><al>De verdeling van de 7 geborgde zetels is gebaseerd op de waarde in het economische
verkeer. De waarde in het economische verkeer vormt een goede weergave van het door het
waterschap te beschermen belang. Het gaat hierbij om een eenvoudige en transparante methode
om tot de bepaling van het belang te komen. Deze sluit bovendien aan bij de huidige
praktijk.</al><al>De eerste correctie vloeit voort uit de wettelijke bepaling dat elke belangencategorie minimaal
één zetel krijgt. Een en ander leidt tot een zetelverdeling van 3,6 zetels voor bedrijven,
2,4 zetels voor agrarisch en overig ongebouwd en 1 zetel voor natuurterreinen.</al><al>De tweede correctie: er zijn evenwel bestuurlijke overwegingen om deze verdeling te corrigeren
in: bedrijven 3 zetels, agrarisch en overig ongebouwd 3 zetels en natuurterreinen
1 zetel3. Deze correctie (bij agrarisch en overig ongebouwd afronding naar boven, bij
bedrijven afronding naar beneden) achten wij gerechtvaardigd vanwege het andersoortige
belang van agrarisch en overig ongebouwd, namelijk de grote mate van afhankelijkheid van
de bedrijfsvoering van de agrariërs bij de taakuitoefening door het waterschap. Een gelijke
verdeling van agrariërs en bedrijven past overigens goed bij het karakter van het gebied van
het waterschap. 50% van de oppervlakte van het waterschap bestaat uit stedelijk gebied en
50% uit landelijk gebied.</al><al>Artikel 8 Benoeming vertegenwoordigers geborgde zetels</al><al>Voor de categorie natuurterreinen is het Bosschap belast met de benoeming van kandidaten.
3 Bij amendement aangepast in: bedrijven 2 zetels, agrarisch en overig ongebouwd 2 zetels en natuurterreinen 2 zetels.
Nadere regeling van de benoeming van deze kandidaten in het reglement is niet noodzakelijk.</al><al>Voor de categorie ongebouwd is het aan de provincie overgelaten de organisatie(s) aan te
wijzen die de benoeming doet (doen). Bij de aanwijzing van de organisaties is rekening
gehouden met de verschillende te vertegenwoordigen belangen en de organisatiegraad.
Uit een oogpunt van transparantie en eenvoud is gekozen voor een beperkt aantal organisaties.
Om ook het systeem zo transparant en eenvoudig mogelijk te houden is er tevens
voor gekozen elke organisatie een vastgesteld aantal kandidaten te laten benoemen.
De provincie gaat er daarbij vanuit dat het voor zich spreekt dat de organisatie die de
vertegenwoordiger(s) voor de geborgde zetels mag benoemen andere kleine organisaties
met gelijkluidende belangen daarbij zoveel mogelijk betrekt.</al><al>Gelet daarop ligt het in de rede de Land- en Tuinbouworganisatie Noord (LTO-Noord) aan
te wijzen als benoemende organisatie voor de categorie agrarisch en overig ongebouwd.
De LTO-Noord heeft een landelijke dekkingsgraad van circa 60 %. Niet is gebleken dat
er andere representatieve organisaties zijn die binnen het gebied van het waterschap een
substantiële dekkingsgraad hebben.</al><al>Uit cijfers van het waterschap blijkt dat overig ongebouwd, te weten wegen en bouwgrond,
een hoge economische waarde heeft en om die reden in hoge mate bijdraagt aan de totale
economische waarde van de categorie agrarisch en overig ongebouwd. Het betalingsaandeel
van die subcategorie is echter maar zo’n 25% van het betalingsaandeel van de subcategorie
agrariërs. Om die reden is afgezien van aanwijzing van een benoemende organisatie
voor overig ongebouwd.</al><al>De selectie van de vertegenwoordigers is een verantwoordelijkheid van de benoemende
organisaties. De Waterschapswet geeft aan dat de organisaties die de vertegenwoordigers
mogen benoemen, de procedure die zij hanteren voor de selectie en benoeming tijdig
moeten vastleggen. Het waterschap zorgt vervolgens voor publicatie zodat het voor de
leden van de belangengroeperingen (maar ook voor andere betrokkenen) duidelijk is op
welke wijze de benoeming tot stand komt. Ook kunnen eventuele kandidaten hun interesse
op dat moment kenbaar maken. De benoeming is bindend, dat wil zeggen de status van de
benoemde kandidaten is gelijk aan die van gekozen kandidaten. Slechts de toetsing door
het algemeen bestuur op grond van artikel 24 van de Waterschapswet kan toelating tot het
algemeen bestuur verhinderen.</al><al>Artikel 9 Reglement van orde</al><al>De Waterschapswet geeft in de artikelen 35 tot en met 39 een aantal bepalingen over
openbare en besloten vergaderingen en over geheimhouding. Het algemeen bestuur stelt
een reglement van orde voor haar vergaderingen vast. Voor de invulling van dat reglement
verdient het aanbeveling zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regelingen, die de Gemeentewet
en de Provinciewet kennen omtrent onderwerpen van vergaderorde. Met name wordt
hierbij gedacht aan het vergaderquorum, het besluitquorum, de wijze van uitschrijven van
een nieuwe vergadering en het opstellen van de agenda, stemrecht van de leden, stemprocedures
en het bepalen van de stemuitslag.</al><al>Paragraaf 2. Het college van dijkgraaf en hoogheemraden</al><al>Artikel 10 Omvang college van dijkgraaf en hoogheemraden</al><al>Ten aanzien van de omvang van het college van dijkgraaf en hoogheemraden kan het
reglement alleen bepalen hoeveel leden het college van dijkgraaf en hoogheemraden ten
minste en ten hoogste telt. In verhouding tot de omvang van het algemeen bestuur en ter
voorkoming van versnippering van bestuurstaken is gekozen voor maximaal 4 hoogheemraden
plus de dijkgraaf. Meer dan 5 bestuursleden wordt niet doelmatig geacht. Van de
mogelijkheid die de wet biedt om een minimumaantal bestuursleden voor te schrijven, is
geen gebruik gemaakt.</al><al>In de vergadering van het algemeen bestuur vindt de benoeming plaats van de hoogheemraden.
De tot hoogheemraad benoemde wordt geacht zijn benoeming niet aan te nemen,
indien hij op de tiende dag nadat hij in kennis is gesteld van zijn benoeming zijn benoeming
niet heeft aanvaard. Aanvaarding van de benoeming dient te geschieden door middel van
een aangetekende brief. Hiermee wordt aangesloten bij het stelsel van fictieve weigering
zoals ook opgenomen in de Provinciewet en de Gemeentewet.</al><al>In artikel 41, tweede lid, van de Waterschapswet is bepaald dat de benoeming van de
hoogheemraden plaatsvindt uit het algemeen bestuur. Gedeputeerde staten kunnen hiervan
ontheffing verlenen indien het reglement die mogelijkheid biedt. In het tweede lid is deze
mogelijkheid aan gedeputeerde staten gegeven. Dit maakt het mogelijk om geschikte kandidaten
voor het college van dijkgraaf en hoogheemraden te vinden buiten de kring van het
algemeen bestuur. Hoogheemraden die op deze wijze zijn benoemd maken daarmee overigens
nog geen deel uit van het algemeen bestuur. Dat zou immers leiden tot een wijziging
van het aantal zetels van het algemeen bestuur. Voor de hoogheemraden die niet
tot het algemeen bestuur behoren gelden op grond van artikel 45 wel de eisen die aan de
verkiesbaarheid van leden van het algemeen bestuur worden gesteld alsmede
de imcompabiliteiten voor het lidmaatschap van het algemeen bestuur. Ook de verplichting
tot het afleggen van de eed of de belofte is op deze leden van het dagelijks bestuur van
toepassing. Wel moet worden geregeld dat deze hoogheemraden gelijktijdig met de andere
leden af treden. Artikel 41, derde lid, voorziet hierin door artikel 23 van overeenkomstige
toepassing te verklaren. Daarbij dient expliciet te worden opgemerkt dat de hoogheemraden
die via de ontheffing van artikel 41, tweede lid van de wet zijn toegetreden tot het college van
dijkgraaf en hoogheemraden alleen lid zijn van het college van dijkgraaf en hoogheemraden.
Zij mogen dus alleen de bevoegdheden uitoefenen die horen bij dit college. Ze zijn geen
lid van het algemeen bestuur en kunnen dan ook geen bevoegdheden uitoefenen van het
algemeen bestuur.</al><al>De invulling van een open gevallen plek in het college van dijkgraaf en hoogheemraden
geschiedt zo spoedig mogelijk. Dit kan anders zijn indien het algemeen bestuur besluit het
aantal leden van het dagelijks bestuur te verminderen.</al><al>Artikel 12 Ingang benoeming hoogheemraden</al><al>In dit artikel wordt het aanvangstijdstip van de benoeming van de hoogheemraden geregeld
alsmede de opvolging van het gehele college van dijkgraaf en hoogheemraden na de
verkiezingen.</al><al>Artikel 13 Ontslag op eigen initiatief</al><al>Dit artikel vormt een aanvulling op artikel 41 van de wet, waarin het ontslag van de hoogheemraden
summier wordt geregeld. De hoogheemraden, die hun ontslag nemen, geven
hiervan, om bewijsrechtelijke redenen, schriftelijk kennis aan het algemeen bestuur. Deze
bepaling komt overeen met de artikelen 42 en 43 van respectievelijk de Provinciewet en de
Gemeentewet. De Waterschapswet bevat terzake geen bepalingen. Uit de aard van de rechtshandeling
vloeit voort dat opzegging niet met terugwerkende kracht mogelijk is (vergelijk
artikel 43 Gemeentewet en 42 Provinciewet).</al><al>Artikel 14 Vervanging hoogheemraden</al><al>Hoogheemraden kunnen worden vervangen door leden van het algemeen bestuur. De
vervanging kan door het algemeen bestuur worden geregeld op verzoek van het college van
dijkgraaf en hoogheemraden, de betreffende hoogheemraad, of uit eigen beweging. Bepalend
is of de vervanging nodig is voor een goed functioneren van het betreffende bestuursorgaan.
Algemene regels kunnen hiervoor niet worden gegeven. Het tweede lid regelt de
vergoeding bij vervanging van de hoogheemraad.</al><al>Artikel 15 Reglement van orde</al><al>Het college van dijkgraaf en hoogheemraden stelt voor zijn vergaderingen en andere
werkzaamheden een reglement van orde vast. Een verschil tussen de vergaderingen van het
algemeen bestuur en het college van dijkgraaf en hoogheemraden is, dat de vergaderingen
van het college van dijkgraaf en hoogheemraden met gesloten deuren worden gehouden,
tenzij dit bestuur anders heeft bepaald. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan
regels geven over de openbaarheid van de vergaderingen van het college van dijkgraaf en
hoogheemraden (artikel 42 Waterschapswet).</al><al>Met de toevoeging van de woorden “en andere werkzaamheden” wordt aangesloten bij
wat daaromtrent in de praktijk is gegroeid en hetgeen is bepaald in de Provinciewet en de
Gemeentewet. In de reglementen van orde worden meer activiteiten geregeld dan alleen de
vergaderingen. Andere werkzaamheden kunnen betrekking hebben op de bekendmaking van
besluiten, de schriftelijke afdoening van zaken en de procedurele voorbereiding van de in het
college van dijkgraaf en hoogheemraden te bespreken nota’s.</al><al>Artikel 16 Bevoegdheid tot intrekking bezwaar en beroep</al><al>De beslissing van het college van dijkgraaf en hoogheemraden tot het instellen van beroep
of het maken van bezwaar behoeft niet de uitdrukkelijke bekrachtiging van het algemeen
bestuur.</al><al>Paragraaf 3. De dijkgraaf</al><al>Artikel 17 Benoeming dijkgraaf</al><al>Alvorens een aanbeveling voor de benoeming van de dijkgraaf als bedoeld in artikel 46,
derde lid, van de wet, wordt opgemaakt, wordt, behalve in het geval van herbenoeming, een
open sollicitatieprocedure gevolgd. Met een open sollicitatie wordt bedoeld een bekendmaking
in de daarvoor geëigende kranten en/of vakbladen.</al><al>Paragraaf 4. De secretaris</al><al>Artikelen 19 en 20 Benoeming, taken en bevoegdheden secretaris</al><al>De vervanging van de secretaris wordt geregeld door het algemeen bestuur. De secretaris
zelf is geen bestuursorgaan. Hij is eerste adviseur van het algemeen bestuur en het college
van dijkgraaf en hoogheemraden. In verband met die functie is het verbod tot het verrichten
van bepaalde handelingen, dat geldt voor leden van het algemeen bestuur, ook van toepassing verklaard op de secretaris. Het algemeen bestuur stelt nadere regels vast omtrent de
taak en de bevoegdheid van de secretaris. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Gemeentewet
(artikel 103, lid 2) en de Provinciewet (artikel 100, lid 2).</al><al>Hoofdstuk 4 Toezicht</al><al>Artikel 21 Toezichtsbevoegdheid</al><al>In verband met het interprovinciale karakter van het waterschap moet, ingevolge artikel 164
van de Waterschapswet, in het reglement een regeling over het toezicht worden opgenomen.
Aangezien het waterschapsgebied voor het grootste deel op het grondgebied van de
provincie Utrecht is gelegen, is het toezicht aan het college van gedeputeerde staten van die
provincie opgedragen. Het opdragen van het toezicht aan één bestuursorgaan sluit voorts
aan bij het advies “Interbestuurlijk toezicht herijkt” van de Bestuurlijke Werkgroep Alders.</al><al>Het toezicht moet hier in ruime zin worden opgevat. Het omvat bijvoorbeeld ook het (in het
artikel duidelijkheidshalve vermelde) beroep op gedeputeerde staten tegen besluiten van
het waterschapsbestuur en voorts de rol van gedeputeerde staten in het kader van taakverwaarlozing,
de begroting, de rekening, de waterschapsbelastingen en de benoeming van de
dijkgraaf.</al><al>Artikel 22 Goedkeuring peilbesluiten</al><al>De Waterschapswet geeft limitatief aan in welke gevallen vooraf toezicht kan worden uitgeoefend.
Wel blijft het voor gedeputeerde staten mogelijk om alle waterschapsbesluiten
die met het recht of met het algemeen belang in strijd zijn, achteraf te vernietigen (artikel
156 van de Waterschapswet). Toezicht kan worden onderscheiden in preventief toezicht
(bijvoorbeeld goedkeuring) en repressief toezicht (administratief beroep en vernietiging). De
Waterschapswet beperkt het aantal besluiten dat aan goedkeuring is onderworpen tot:
a. kostentoedelingsverordeningen (artikel 120 van de Waterschapswet);
b. overige besluiten door de wet aangewezen (artikel 148 van de Waterschapswet). Hiertoe
behoren onder meer beheersplannen op grond van de Wet op de waterhuishouding.</al><al>Daarnaast laat de wet de mogelijkheid open om bij reglement goedkeuring te eisen voor:
c. besluiten die betrekking hebben op de regeling van de waterbeheersing (onder andere
peilbesluiten);
d. besluiten tot de aanleg en verbetering van waterstaatswerken.</al><al>Er is voor gekozen het goedkeuringsvereiste voor peilbesluiten te continueren.
Bij het nemen van een peilbesluit is de in het waterhuishoudingsplan aangegeven functie
van de betrokken oppervlaktewateren van groot belang. In het licht van die functie moet een
afweging plaatsvinden van alle bij de waterhuishouding betrokken belangen. Bij die afweging
kunnen belangen in het geding zijn die niet primair door de waterbeheerder worden behartigd.
In verband daarmee wordt het van belang geacht dat de door het waterschapsbestuur
gemaakte belangenafweging wordt getoetst door gedeputeerde staten.
Voor het onder d genoemde besluit wordt de noodzaak van preventieve toetsing niet gezien.</al><al>Artikel 23 Meldingen</al><al>Voor besluiten die niet aan preventief toezicht zijn onderworpen geeft de Waterschapswet in
artikel 156 de mogelijkheid van schorsing, eventueel gevolgd door vernietiging. Gedeputeerde
staten kunnen hiertoe spontaan overgaan, danwel een ingediend verzoekschrift honoreren.
Het spontane vernietigingsrecht strekt zich uit over alle waterschapsbesluiten. De wet
noemt in artikel 153 – limitatief – de besluiten waartegen belanghebbenden beroep kunnen
instellen bij gedeputeerde staten.</al><al>Dit zijn:
a. besluiten omtrent de regeling van de waterbeheersing of tot de aanleg of verbetering van
waterstaatswerken die niet aan goedkeuring zijn onderworpen;
b. besluiten betreffende de legger;
c. besluiten betreffende de wijziging en vaststelling van de keur.</al><al>De regels die gelden voor de uitoefening van het schorsings- en vernietigingsrecht zijn in de
Waterschapswet beschreven. De criteria voor vernietiging zijn in strijd met het recht of het
algemeen belang. Om spontaan repressief toezicht mogelijk te maken ten aanzien van in
ieder geval de wezenlijke besluiten is een meldingsplicht vastgesteld.</al><al>Volgens de Waterschapswet moeten in ieder geval aan gedeputeerde staten worden toegezonden:
a. besluiten tot vaststelling of wijziging van de keur (artikel 80 van de Waterschapswet);
b. de begroting en begrotingswijzigingen (artikel 101 van de Waterschapswet);
c. de rekening (artikel 107 van de Waterschapswet);
d. de verordeningen met betrekking tot de organisatie van de administratie, het beheer en
de controle van de vermogenswaarden alsmede de verordening met regels over
periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde
bestuur (artikel 109b van de Waterschapswet).</al><al>Ook op grond van andere wetten bestaan voor de waterschappen verplichtingen tot toezending
van besluiten aan gedeputeerde staten. Het reglement vult de wettelijke
opsomming aan met een categorie die van wezenlijk belang is voor de taakuitoefening door
het waterschap en waarvan derhalve op provinciaal niveau kennis dient te bestaan, namelijk
de besluiten tot oprichting van of deelneming in een rechtspersoon.</al><al>Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen</al><al>Artikel 24 Wijzigingen van beperkte strekking</al><al>Artikel 6 van de Waterschapswet maakt het mogelijk bij een interprovinciaal waterschap
bij reglement te bepalen dat reglementswijzigingen van beperkte strekking kunnen worden
opgedragen aan één van de provinciale staten. Artikel 24 voorziet hierin. Alleen reglementswijzigingen
die aan goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat onderhevig zijn
moeten bij gemeenschappelijke besluitvorming plaatsvinden. Daarvan is sprake als de taken
of het gebied van het waterschap wordt gewijzigd.</al><al>Artikel 25 Intrekken reglementen</al><al>Het Kiesreglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2002 kan worden ingetrokken,
omdat het kiesrecht uitputtend in een algemene maatregel van bestuur (het Waterschapsbesluit)
zal worden geregeld.</al><al>Artikel 26 Overgangsrecht</al><al>In het eerste lid is bepaald dat de eis van artikel 18 dat de dijkgraaf zijn woonplaats in het
gebied van het waterschap heeft, niet van toepassing op de zittende dijkgraaf. Voor hem
blijft artikel 48 van het huidige Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden van
kracht. In dat artikel is de mogelijkheid opgenomen dat het algemeen bestuur ontheffing
kan verlenen van die verplichting.</al><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor de zittende leden van het algemeen en
dagelijks bestuur. Dit overgangsrecht is opgenomen om geen discrepantie te laten ontstaan
tussen de bestuurssamenstelling en de bepalingen in het reglement gedurende de periode
van 1 juni 2008 (datum inwerkingtreding reglement) tot aan 8 januari 2009 (de datum
waarop een nieuw algemeen bestuur aantreedt).</al><al>Gelet op de latere inwerkingtreding van de bepalingen over de kostentoedeling in de Wet
modernisering waterschapsbestel is in het derde lid overgangsrecht opgenomen voor de
kostentoedeling in de belastingtijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2009 (de datum
waarop de bepalingen over de kostentoedeling in de Wet modernisering waterschapsbestel
van kracht worden).
Het vierde lid bevat een overgangsregeling voor de heffing en invordering van de omslagen
en verontreinigingsheffing in overgaand gebied (zie de begripsbepaling in artikel 1 en de
daarbij behorende kaart). Een probleem van de inwerkingtredingsdatum van 31 maart 2008
is dat zonder overgangsregeling, voor de verontreinigingsheffing (een tijdvakheffing) het
belastingjaar 2008 zou worden gebroken en de aanslag voor de laatste negen maanden door
een ander waterschap zou moeten worden opgelegd en ingevorderd dan door het waterschap
dat in de eerste drie maanden daarvoor verantwoordelijk is. Door deze overgangsbepaling
wordt dit probleem opgelost. Bovendien wordt nu aangesloten bij de wijzigingen
in de belastingheffing als gevolg van de Wet modernisering waterschapsbestel. De eerste
volzin regelt dat in overgaand gebied de vóór de datum van inwerkingtreding geldende wettelijke
bepalingen van toepassing blijven. De tweede volzin regelt dat de bestuursorganen
bevoegd blijven. Op grond van de derde volzin blijven dezelfde bestuursorganen ook ná
2008 (als enige) bevoegd, ten aanzien van de verontreinigingsheffingen en omslagen die
betrekking hebben op de periode vóór 1 januari 2009.</al><al>Het vijfde lid laat voor de overgaande gebieden de bij de inwerkingtreding van het reglement
geldende besluiten van kracht totdat het bestuursorgaan van het nieuwe waterschap terzake
een nieuw besluit heeft genomen. De bestuursorganen van het nieuwe waterschap worden
bevoegd ten aanzien van deze besluiten. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor de ambtenaren
van het waterschap, die uit naam en onder verantwoordelijkheid van de bedoelde bestuursorganen
werkzaam zijn.</al><al>Artikel 27 Inwerkingtreding</al><al>In artikel VI van de Wet modernisering waterschapsbestel3 is bepaald dat de reglementen
voor de waterschappen vóór 1 april 2008 in overeenstemming moeten zijn gebracht met
die wet. In verband hiermee is de datum van inwerkingtreding van dit reglement op 31
maart 2008 gesteld.</al></nota-toelichting><bijlage><kop><titel> </titel></kop><al>(1) KB van 12 december 1994 (Stb. 1994, 867), laatstelijk gewijzigd bij besluiten van Provinciale Staten van Utrecht van16 oktober 2006 (Provinciaal blad 2006, 34) en van Zuid-Holland van 18 oktober 2006 (Provinciaal blad van Zuid-Holland 2006, 78)</al><al>(2) Provinciaal blad van Utrecht 2002, 36; Provinciaal blad van Zuid-Holland 2002, 76.</al><al>Provinciale staten van Utrecht zijn bevoegd tot wijziging van dit reglement, tenzij het desbetreffende besluit een regeling bevat van de in artikel 5, tweede lid van de wet genoemde onderwerpen.
 </al></bijlage></regeling></body></cvdr>