<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73849_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-3172.html">Provinciaal blad, 2016, 3172</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 143</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-05-25</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-06-03</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-06-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>statenvoorstel 1345527</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de Verordening Rechtspositie Staten- en burgerleden en andere commissieleden Provincie Flevoland 2016.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale staten van Flevoland,</al><al>besluiten: vast te stellen navolgende; Verordening rechtspositie
                        gedeputeerden, staten- en commissleden</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Provinciewet;</al></li><li nr="b."><al> Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk Besluit van
                                    22 maart 1994, Stb. 241;</al></li><li nr="c. "><al>Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 242;</al></li><li nr="d."><al> Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart
                                    1993, Stb. 144;</al></li><li nr="e."><al> Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="f."><al> statenlid: lid van provinciale staten, niet zijnde
                                    gedeputeerde;</al></li><li nr="g."><al> Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="h."><al> griffier: de griffier, bedoeld in artikel 97, eerste lid, van
                                    de Provinciewet;</al></li><li nr="i."><al> provinciesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 97,
                                    eerste lid, van de Provinciewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Voorzieningen voor statenleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>Aan het statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van
                                het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ten aanzien van een statenlid van wie de arbeidsverhouding
                                ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de
                                loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als
                                dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste
                                lid een onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag,
                                vermeld in artikel 2, vierde lid, van het Rechtspositiebesluit
                                staten- en commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks ingevolge
                                artikel 2, vijfde lid, van genoemd Rechtspositiebesluit wordt
                                herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar
                                statenlid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen van
                                vergaderingen van provinciale staten en van een commissie, alsmede
                                de reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie
                                gemaakte reizen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b. "><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                        Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid worden tijdens zijn zakelijk verblijf op het
                                provinciehuis maaltijden en consumpties vanwege de provincie
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke
                                verblijfkosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie
                                gemaakte reizen dan die voor het bijwonen op het provinciehuis van
                                vergaderingen van provinciale staten en van een commissie, tot ten
                                hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het Reisbesluit
                                binnenland.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De kosten van deelname van een statenlid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de
                                provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie
                                als deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                                statenlidmaatschap.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het presidium van provinciale staten neemt een beslissing omtrent
                                de in het vorige lid bedoelde aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag stellen gedeputeerde staten het statenlid ten laste van
                                de provincie voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde staten een statenlid
                                op aanvraag voor de uitoefening van het statenlidmaatschap een
                                tegemoetkoming voor: </al><lijst><li nr="a."><al> aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software, of</al></li><li nr="b."><al> gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                        software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor zover er sprake is van: </al><lijst><li nr="a. "><al>een belastingheffing in verband met een ten laste van de
                                        provincie ter beschikking gestelde computer, bijbehorende
                                        apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al> een tegemoetkoming voor de aanschaf of het gebruik van de
                                        eigen computer, bijbehorende apparatuur en software als
                                        bedoeld in het tweede lid, ontvangt het statenlid ten laste
                                        van de provincie op aanvraag per jaar een tegemoetkoming van
                                        30% van de aanschafwaarde daarvan voor een periode van
                                        maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van
                                        de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur
                                        en software welke gedeputeerde staten aan statenleden in
                                        bruikleen ter beschikking stellen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op aanvraag ontvangt het statenlid een vast bedrag ter vergoeding
                                van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor
                                de in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur.
                                Gedeputeerde staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin
                                bedoelde bedrag van de vergoeding vast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het statenlid ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen
                                het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Spaarloonregeling</titel></kop><al>Het statenlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef
                            en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing
                            van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op aanvraag
                            deelnemen aan de voor het provinciaal personeel geldende
                            spaarloonregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlagen gedeputeerde staten de vergoeding voor de
                            werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een statenlid een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In het geval een statenlid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de provincie
                                verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In het geval dat een statenlid een uitkering op grond van het
                                Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en
                                de na toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                provinciale staten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer
                                dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van provinciale staten
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het statenlid ontvangt een aanvullende vergoeding voor de kosten
                                van een ziektekostenverzekering van Euro 175 per jaar. De betaling
                                van de vergoeding geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien de nominale eindejaarsuitkering van het personeel werkzaam
                                bij de sector Rijk wijziging ondergaat wordt het in het eerste lid
                                genoemde bedrag naar evenredigheid gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14A</titel></kop><al>De voormalige statenleden die op 1 juli 2012 nog recht hebben op
                            wachtgeld conform de geschrapte artikelen 14, 15, 16 en 17 van de
                            Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden 2008,
                            blijven dat recht behouden totdat de termijn is verstreken (uiterlijk 1
                            april 2013).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 De verplichting om werk te zoeken PM</titel></kop><al>(Het betreft een vergelijkbare bepaling als welke voor gedeputeerden zal
                            worden opgenomen in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers) (Zie
                            wetsvoorstel 30 424 tot wijziging van o.a. de Algemene pensioenwet
                            politieke ambtsdragers.)</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Betaling van de uitkering bij aftreden</titel></kop><al>De uitkering bij aftreden wordt in maandelijkse termijnen
                            uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Opschorting en einde van de uitkering bij
                                aftreden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De uitkering bij aftreden eindigt: </al><lijst><li nr="a."><al> op de dag waarop de uitkeringsduur is verstreken;</al></li><li nr="b."><al> met ingang van de maand, volgend op die waarop het gewezen
                                        statenlid is overleden;</al></li><li nr="c."><al> met ingang van de maand, volgend op die waarop de leeftijd
                                        van 65 jaar wordt bereikt;</al></li><li nr="d. "><al>met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid weer als
                                        statenlid is beëdigd;</al></li><li nr="e."><al> met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid als lid
                                        van gedeputeerde staten is beëdigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen de uitbetaling van de uitkering bij
                                aftreden opschorten voor zolang het gewe zen statenlid niet heeft
                                voldaan aan zijn in artikel 17, vierde en vijfde lid, bedoelde
                                verplichting. Indien de in artikel 17, vierde en vijfde lid,
                                bedoelde verplichting alsnog wordt nagekomen wordt de uitkering bij
                                aftreden over de tijd van de opschorting, met inachtneming van
                                artikel 17, alsnog uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In geval van overlijden van het statenlid wordt aan de weduwe of
                                weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                                leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden, welke het statenlid laatstelijk
                                genoot over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen
                                weduwe of weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam
                                gescheiden leefde nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de
                                minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige
                                kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de
                                opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                                aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van het
                                inkomen van het statenlid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
                                mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede
                                degene met wie het overleden statenlid ongehuwd samenleefde en een
                                gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3,
                                derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Dit artikel is niet van toepassing op een statenlid dat is benoemd
                                in de plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk
                                ontslag van een statenlid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte
                                ingevolge artikel X 12 van de Kieswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De artikelen 2 tot en met 4, 7 tot en met 21, 38 en 40 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het statenlid aan wie ingevolge
                                artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                onkostenvergoeding die dit statenlid op grond van artikel 3, eerste
                                of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag dat op
                                grond van die bepalingen van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een tijdelijk ontslag als bedoeld in artikel X 10 van de Kieswet
                                wordt niet aangemerkt als een aftreden als bedoeld in de artikelen
                                14 tot en met 20.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Voorzieningen voor gedeputeerden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan de gedeputeerde wordt een onkostenvergoeding toegekend voor
                                overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk
                                is aan het bedrag, vermeld in artikel 21, eerste lid, van het
                                Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals dit bedrag jaarlijks door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
                                herzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid is de onkostenvergoeding voor
                                overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten 93% van het
                                voor hem ingevolge het eerste lid geldende bedrag indien de
                                gedeputeerde op grond van artikel 31 een mobiele telefoon in
                                bruikleen ter beschikking is gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De gedeputeerde wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                            van tewerkstelling naar keuze:</al><lijst><li nr="a. "><al>een openbaar vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse
                                    verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                                    overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële regeling als
                                    bedoeld in artikel 19, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit
                                    gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Zakelijke reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in
                                artikel 24, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere
                                dan de in artikel 24 bedoelde reizen ten behoeve van de provincie
                                gemaakt. De vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a. "><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van
                                        artikel 24, onderdeel a;</al></li><li nr="b. "><al>bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel
                                        b, van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19,
                                        tweede lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan de gedeputeerde aan wie ingevolge artikel 24 een openbaar
                                vervoerjaarkaart is verstrekt worden de in het eerste lid, onderdeel
                                b, bedoelde reiskosten alleen vergoed als met het openbaar vervoer
                                niet of slechts met aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                                gedeputeerde gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor provinciaal
                                personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is
                                vastgesteld vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de
                                zakelijke reizen van de gedeputeerde plaats overeenkomstig artikel
                                4a van de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                                buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                                Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde
                                Verplaatsingskostenregeling 1989.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Dienstauto</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De gedeputeerde kan voor reizen ten behoeve van de provincie
                                gebruik maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder
                                dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan
                                een door de provincie ingehuurde auto.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de gedeputeerde ook
                                worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling, voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de
                                gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt en nevenfuncties die
                                op grond van artikel 3.7 van de gedragscode voor gedeputeerden van
                                te voren aan het college van Gedeputeerde Staten zijn gemeld. Voor
                                deze laatste categorie nevenfuncties geldt een maximum aantal
                                onbelaste kilometers van 500 op jaarbasis.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien de gedeputeerde op grond van artikel 24 een tegemoetkoming
                                ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van
                                tewerkstelling wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast ter
                                grootte van: </al><lijst><li nr="a."><al> 1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand
                                        voor elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                        tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto;</al></li><li nr="b."><al> 1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand
                                        voor elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de
                                        plaats van tewerkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                        tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                        dienstauto.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de gedeputeerde ingevolge artikel 24 een openbaar
                                vervoerjaarkaart is verstrekt wordt bij gebruik van een dienstauto
                                voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling een
                                korting op zijn bezoldiging toegepast overeenkomstig het bepaalde in
                                de onderdelen a en b van het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van in het tweede
                                lid bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de provinciale
                                dienstauto en daarvoor van een derde ook een vergoeding van
                                reiskosten ontvangt wordt die vergoeding in de provinciale kas
                                gestort.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de vaststelling van het onderscheid tussen en het aantal privé
                                en zakelijke kilometers worden de met de dienstauto gemaakte reizen
                                en de daarbij afgelegde kilometers geregistreerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Verblijfkosten</titel></kop><al>De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 25 volledig
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van gedeputeerde staten vereist. Provinciale staten kunnen aan deze
                                toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De kosten van deelname van een gedeputeerde aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door
                                of namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De gedeputeerde die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden
                                of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie
                                als deelname van belang is in verband met de uitoefening van het
                                ambt van gedeputeerde.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op aanvraag worden de gedeputeerde ten laste van de provincie voor
                                de uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                                software in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met een
                                ten laste van de provincie ter beschikking gestelde computer,
                                bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid.,
                                verlenen gedeputeerde staten de gedeputeerde op aanvraag per jaar
                                een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                                periode van maximaal drie jaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde staten de gedeputeerde
                                op aanvraag voor de uitoefening van het ambt een tegemoetkoming voor
                                de aanschaf of gebruik van een eigen computer, bijbehorende
                                apparatuur en software. De tegemoetkoming bedraagt per jaar 30% van
                                de aanschafwaarde daarvan voor een periode van maximaal drie jaar.
                                Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van de aanschafwaarde van de
                                computer, bijbehorende apparatuur en software welke aan de
                                gedeputeerden in bruikleen ter beschikking worden gesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op aanvraag ontvangt de gedeputeerde een vast bedrag ter vergoeding
                                van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor
                                de in het eerste of derde lid genoemde computerapparatuur.
                                Gedeputeerde staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin
                                bedoelde bedrag van de vergoeding vast.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De gedeputeerde ondertekent voor de bruikleen een
                                bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten stellen
                                het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                                regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn ambt
                                een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met
                                de provincie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst
                                vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op de bezoldiging van de gedeputeerde die de mobiele telefoon mede
                                gebruikt voor privé-doeleinden kan voor dit privé-gebruik een nader
                                door gedeputeerde staten te bepalen bedrag worden ingehouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Spaarloonregeling</titel></kop><al>De gedeputeerde kan op aanvraag deelnemen aan de voor het provinciaal
                            personeel geldende spaarloonregeling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                            provincie beschikt heeft ten laste van de provincie aanspraak op
                            vergoeding van:</al><lijst><li nr="a."><al> reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede
                                    lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al></li><li nr="b. "><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële
                                    regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het
                                    Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><paragraaf><kop><titel>§ Voorzieningen voor Statencommissieleden (artikel 80
                                Provinciewet)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 31 Vergoeding voor het bijwonen van
                                    vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                                    vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een
                                    vergoeding die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 13
                                    van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals
                                    dit bedrag jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt
                                    herzien.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
                                    die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet
                                    ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                    commissie </al><lijst><li nr="a. "><al>als statenlid of gedeputeerde;</al></li><li nr="b. "><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van
                                            een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van
                                            een functie bij een instelling die grotendeels van
                                            overheidswege wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al> als vertegenwoordiger van een belanghebbende
                                            instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn
                                            lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate
                                            het provinciaal belang dient.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of
                                    gedeputeerde is en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot
                                    lid van de commissie is benoemd worden de reiskosten voor het
                                    bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed. De
                                    vergoeding betreft de vergoeding zoals genoemd in artikel 5 van
                                    deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aan het lid, zoals in het eerste lid bedoeld, worden de
                                    verblijfkosten vergoed op basis van artikel 6 van deze
                                    verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 33 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>De kosten van deelname van een statencommissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door
                                of namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de provincie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Computer en internetverbinding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvraag stellen gedeputeerde staten het commissielid ten
                                    laste van de provincie voor de uitoefening van het
                                    commissielidmaatschap een computer, bijbehorende apparatuur en
                                    software in bruikleen ter beschikking.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                                    beschikking is gesteld, verlenen gedeputeerde staten een
                                    commissielid op aanvraag voor de uitoefening van het
                                    statenlidmaatschap een tegemoetkoming voor: </al><lijst><li nr="a."><al> aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                            software, of</al></li><li nr="b."><al> gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur
                                            en software.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op aanvraag ontvangt het commissielid een vast bedrag ter
                                    vergoeding van de aanleg- en abonnementskosten voor de
                                    internetverbinding voor de in het eerste of tweede lid genoemde
                                    computerapparatuur. Gedeputeerde staten stellen de hoogte van
                                    het in de eerste volzin bedoelde bedrag van de vergoeding
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Het commissielid ondertekent voor de bruikleen een
                                    bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde staten
                                    stellen het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde staten kunnen ter uitvoering van dit artikel
                                    nadere regels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale staten kunnen een commissie uit provinciale staten
                                    toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het
                                    buitenland. Provinciale staten kunnen aan de toestemming
                                    voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of
                                    vanwege de provincie georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                    rekening van de provincie.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>§ Voorzieningen voor Bestuurs- en andere commissieleden (art. 81
                                en 82 Provinciewet)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 36 Vergoeding voor het bijwonen van
                                    vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De leden en de plaatsvervangend leden van commissies: </al><lijst><li nr="a. "><al>die vanwege hun bijzondere beroepsmatige deskundigheid
                                            op het taakgebied van de commissie voor deel neming aan
                                            haar werkzaamheden zijn aangetrokken en;</al></li><li nr="b."><al> ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan
                                            worden in een redelijke verhouding te staan tot de
                                            zwaarte van hun taak en de omvang van de door hun te
                                            verrichten arbeid,</al><al/><al> ontvangen een vergoeding van 250% van het bedrag,
                                            vermeld in artikel 13 van het Rechtspositiebesluit
                                            staten- en commissieleden, zoals dit bedrag jaarlijks
                                            ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid genieten de voorzitters - bij
                                    vergaderingen waarbij zij daadwerkelijk de functie van
                                    voorzitter vervullen - en de plaatsvervangend voorzitters van de
                                    commissies, bedoeld in het vierde lid, 300% van de vergoeding
                                    als bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene
                                    die als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de
                                    werkzaamheden als bedoeld in artikel 94 van de Provinciewet
                                    ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                    commissie </al><lijst><li nr="a."><al> als statenlid of gedeputeerde;</al></li><li nr="b."><al> uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van
                                            een ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van
                                            een functie bij een instelling die grotendeels van
                                            overheidswege wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al> als vertegenwoordiger van een belanghebbende
                                            instelling, organisatie of groepering, tenzij zijn
                                            lidmaatschap van de commissie tevens in belangrijke mate
                                            het provinciaal belang dient.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of
                                    gedeputeerde is en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot
                                    lid van de commissie is benoemd worden de reiskosten voor het
                                    bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed. De
                                    vergoeding betreft: </al><lijst><li nr="a."><al> bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van
                                            een taxi: een volledige vergoeding van de in
                                            redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al> bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                            Reisregeling binnenland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De voorzitters van de commissie ontvangen conform het gestelde
                                    in het eerste lid een vergoeding van de reiskosten die door hen
                                    moeten worden gemaakt in verband met de voorbereiding van de
                                    vergaderingen van hun commissies.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden
                                    vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het
                                    bijwonen en het van de vergaderingen van de commissie tot ten
                                    hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het
                                    Reisbesluit binnenland.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde voorzitters van de commissie
                                    worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor de
                                    voorbereiding van de vergadering van hun commissie tot ten
                                    hoogste de bedragen, vastgesteld bij of krachtens het
                                    Reisbesluit binnenland.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 38 Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr="a. "><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b. "><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie;
                                    of</al></li><li nr="c."><al> een provinciale creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 25,
                                27, 28, 33 en 37 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteld, indien
                                deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. Het
                                statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                                declaratieformulier binnen 2 maanden bij de griffier,
                                onderscheidenlijk de provinciesecretaris of een door hem aangewezen
                                ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 40 Rechtstreekse facturering bij de provincie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 25, 27, 28, 29
                                en 33 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord
                                ondertekende factuur aan de provincie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door gedeputeerde staten is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                                begeleidingsformulier en de factuur binnen 2 maanden in bij de
                                griffier, onderscheidenlijk de provinciesecretaris of de door hem
                                aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 41 Gebruik creditcard</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 25, 27, 28 en
                                33 kan plaatsvinden door gebruikmaking van de provinciale
                                creditcard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een provinciale creditcard wordt de gedeputeerde op aanvraag in
                                bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die
                                voor vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in
                                aanmerking komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen
                                voorwaarden worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De provinciesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking
                                en intrekking van provinciale creditcards. Bij de aanvraag wordt
                                aangegeven of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant
                                geld gewenst wordt.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door gedeputeerde staten is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 2 maanden
                                ingediend bij de provinciesecretaris of de door hem aangewezen
                                ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Bij beëindiging van het ambt van gedeputeerde wordt de creditcard
                                onverwijld ingeleverd.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de
                                betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de
                                provincie. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt mits is
                                voldaan aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de
                                provincie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk Vl Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 42 Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                                    gedeputeerden, staten- en commissieleden en vervangt de
                                    Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en
                                    commissieleden provincie Flevoland 2003.</al></li><li nr="2. "><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                    2008. De artikelen 8 en 30 treden met terugwerkende kracht in
                                    werking per 1 januari 2005. Artikel 13 inzake de
                                    ziektekostenvoorziening werkt terug tot 1 januari 2006.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van provinciale staten van
                        Flevoland , d.d. 10 januari 2008</al></slotformulering><ondertekening>griffier, voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMEEN</titel></kop><tussenkop>Wettelijke regelingen</tussenkop><al>De regeling van de rechtspositie van gedeputeerden, statenleden en leden van
                    provinciale commissies vindt op drie niveaus plaats, te weten bij wet, AMvB en
                    provinciale verordening. Wettelijk is voor gedeputeerden in de Algemene
                    pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en het
                    pensioen geregeld. Voor statenleden is de tijdelijke vervanging bij zwangerschap
                    en bevalling of ziekte wettelijk geregeld (en nader rechtspositioneel geregeld
                    in de artikelen 14, tweede lid, 21, derde lid en 22 van deze verordening).
                    Verder zijn er algemene wettelijke voorzieningen voor werkenden die ook gelden
                    voor gedeputeerden en statenleden. Een goed voorbeeld daarvan is de
                    kinderopvang. In de Provinciewet is aangegeven dat de nadere invulling van de
                    rechtspositie van gedeputeerden, staten- en commissieleden moet worden geregeld
                    bij AMvB. Daartoe zijn totstandgekomen het Rechtspositiebesluit gedeputeerden en
                    het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden. Daarin zijn alle voor de
                    rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen,
                    zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen,
                    zijn in beide rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende
                    bepalingen. Voor secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld de verstrekking
                    van een OV-jaarkaart en de uitkering bij aftreden als statenlid, geldt dat de
                    provincie de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen.</al><tussenkop>Hoofdlijnen provinciale verordening</tussenkop><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                    gedeputeerden, statenleden en leden van provinciale commissies. De grondslag
                    hiervoor is te vinden in de Provinciewet en genoemde rechtspositiebesluiten.
                    Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend genieten de
                    gedeputeerden als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten laste van
                    de provincie (artikel 43 van de Provinciewet). Een soortgelijke bepaling is in
                    artikel 96 van de Provinciewet opgenomen voor staten- en commissieleden. Het
                    tweede lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij provinciale verordening
                    aan staten- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van vergoedingen
                    en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is wel ministeriële
                    goedkeuring vereist.</al><tussenkop>De verordening bevat bepalingen inzake:</tussenkop><lijst><li nr="1."><al> de beloning voor de werkzaamheden van staten- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 34), waarbij is op te merken dat voor gedeputeerden
                            niets is opgenomen omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al></li><li nr="2."><al> een vaste algemene onkostenvergoeding voor gedeputeerden en statenleden
                            (artikelen 3 en 23);</al></li><li nr="3."><al> reis- en verblijfkosten van gedeputeerden, staten- en commissieleden,
                            waarbij voor gedeputeerden een onderscheid is gemaakt tussen
                            woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 5, 6, 24 t/m 28, 35 en
                            37);</al></li><li nr="4."><al> reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                            verhuisplichtige gedeputeerde (artikel 33);</al></li><li nr="5."><al> beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                            gedeputeerden en statenleden (artikelen 8, 30 en 31) en faciliteiten in
                            de vorm van deelname van gedeputeerden en statenleden aan cursussen,
                            congressen e.d. (artikelen 7 en 29);</al></li><li nr="6."><al> een aantal secundaire voorzieningen voor statenleden, zoals een
                            uitkering bij aftreden en overlijden (artikelen 14 t/m 21) en voor zowel
                            gedeputeerden als statenleden, zoals de spaarloonregeling (artikelen 9
                            en 32);</al></li><li nr="7."><al> de procedure van declareren (artikelen 38 t/m 41).</al></li></lijst><tussenkop>De arbeidsverhouding van de gedeputeerde en het statenlid</tussenkop><al>Statenleden zijn niet in dienstbetrekking bij de provincie. De provincie is dus
                    niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de
                    werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Statenleden
                    worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en
                    hebben derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de provincie
                    van de over de statenvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in
                    de kosten van de basisverzekering. Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen
                    getroffen in het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden en in
                    onderhavige verordening. Omdat er geen dienstbetrekking met de provincie is
                    vallen statenleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun
                    inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een statenlid
                    opteren voor de loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap
                    (zie hieronder).</al><al>Gedeputeerden zijn sinds de dualisering van het provinciebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van die wet. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de
                    toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding
                    die als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat gedeputeerden direct
                    onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen. Er is sinds de
                    dualisering van het provinciebestuur derhalve geen mogelijkheid meer om wel of
                    niet voor de loonbelasting te opteren. Gedeputeerden vallen niet onder de
                    werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                    pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na afreden en ouderdoms- en
                    nabestaandenpensioen zijn voor gedeputeerden geregeld in de Algemene pensioenwet
                    politieke ambtsdragers. Gedeputeerden zijn werknemers in de zin van de
                    Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet recht op vergoeding
                    door de provincie van de over hun bezoldiging verschuldigde inkomensafhankelijke
                    bijdrage in de kosten van de basisverzekering.</al><tussenkop>De loon- en inkomstenbelasting</tussenkop><tussenkop>Opting in regeling</tussenkop><al>Statenleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het statenlid kan met de
                    provincie overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de 'opting in
                    regeling' genoemd. De administratie van de provincie is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de provincie en het statenlid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem dan draagt de provincie de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het statenlid
                    hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt
                    kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de provincie onder voorwaarden bepaalde
                    vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen
                    beschikbaar stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en
                    verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen. Er zijn ook
                    vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt, zoals de vaste
                    algemene onkostenvergoeding. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend
                    waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert.
                    Ook kan betrokkene deelnemen in de spaarloonregeling die er voor het provinciaal
                    personeel is.</al><tussenkop>Fiscale standaardpositie</tussenkop><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het statenlid dat
                    hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet.
                    In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                    ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                    mindering brengen. De verstrekking van een OV-jaarkaart behoort dan ook in
                    beginsel tot de te belasten voordelen. Zij kunnen niet deelnemen aan de
                    spaarloonregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                    resultaat). De provincie dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen (bijvoorbeeld een OV-jaarkaart) moeten naar de waarde in
                    het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik
                    leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het
                    verschil uit of het statenlid wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting
                    (zie daarvoor hieronder de toelichting op artikel 3). Zoals hierboven naar voren
                    is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het
                    statenlid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te
                    opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor
                    de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen
                    op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting
                    hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende
                    de zittingsperiode voor de resterende periode.</al><tussenkop>De vergoedingssystematiek</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de provincie ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de
                    provincie. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter
                    behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                    wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="1."><al> welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuurskosten);</al></li><li nr="2."><al> welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="3."><al> kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="4."><al> voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto) vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende.</al><tussenkop>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de bedrijfsvoering</tussenkop><lijst><li nr="1."><al> bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="2."><al> zakelijk gebruik van dienstauto's;</al></li><li nr="3."><al> deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de gedeputeerde
                    of het statenlid maar worden direct door de provincie voldaan en de
                    voorzieningen worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer.</al><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen
                    worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de gedeputeerde of het
                    statenlid op basis van declaratie worden vergoed. Deze kunnen, als is voldaan
                    aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden vergoed.</al><tussenkop>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet onbelast
                    kunnen worden vergoed</tussenkop><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto) kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 23 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor statenleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt dezelfde
                    systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen verrekenen
                    worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><tussenkop>Controle en verantwoording</tussenkop><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe dienen enerzijds
                    inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het vergoedingen- en
                    voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke verantwoording van het
                    daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodige
                    discussies plaatsvinden omtrent het gebruik van onkostenregelingen of
                    voorzieningen door provinciebestuurders en over de eventueel verschuldigde
                    belasting. Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen
                    uitoefenen zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering
                    van de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                    financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan
                    bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de beheers- en
                    controleverordening vastgestelde regels, een aantal belangrijke procedures
                    vastgelegd over rechtstreekse facturering van functionele uitgaven, declaratie
                    van vooruit betaalde kosten en het gebruik van creditcards. Daarnaast zijn er in
                    de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van
                    computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                    uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een gedragscode
                    ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. Daarbij gaat het onder
                    meer om afspraken omtrent de bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor
                    bespreking en zonodig besluitvorming in het college van gedeputeerde staten. In
                    die gedragscode is ook het beleid rond buitenlandse reizen en de bekostiging van
                    zakendiners met derden opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve
                    procedures beschreven over de afwikkeling van declaraties en facturen en de
                    daarbij te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om
                    te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.</al><tussenkop>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</tussenkop><tussenkop>Artikel 2 vergoeding voor de werkzaamheden van het statenlid</tussenkop><al>In het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden is geregeld dat
                    statenleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de
                    vergoeding wordt bij provinciale verordening bepaald. Wel is in het
                    Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    aangegeven. In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale
                    bedrag. Het bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het
                    wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de provincie geen nadere besluitvorming nodig omdat het
                    bedrag van de vergoeding is gekoppeld aan het maximumbedrag dat jaarlijks wordt
                    bijgesteld.</al><tussenkop>Artikelen 3 en 23 vaste onkostenvergoeding</tussenkop><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van gedeputeerde c.q.
                    aan het statenlidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is opgebouwd op basis
                    van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="1."><al> representatie</al></li><li nr="2. "><al>vakliteratuur</al></li><li nr="3."><al> contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="4."><al> telefoonkosten</al></li><li nr="5."><al> bureaukosten, porti</al></li><li nr="6. "><al>zakelijke giften</al></li><li nr="7."><al> bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="8. "><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="9."><al> excursies.</al></li></lijst><al>Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten fax/pc en
                    cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf dat tijdstip specifieke
                    voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8, 29 en 30). De onkostenvergoeding
                    is in verband hiermee vanaf die datum neerwaarts bijgesteld. De vaste
                    kostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden verstrekt.
                    Om netto het bedrag van de vaste kostenvergoeding gelijk te houden is het
                    (neerwaarts bijgestelde) bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%.
                    Deze brutering heeft echter geen betrekking op statenleden die niet hebben
                    geopteerd voor het loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden
                    van de werkelijk gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij
                    ontvangen de vaste kostenvergoeding zonder de brutering.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij provinciale verordening bepaald. Wel
                    is in de rechtspositiebesluiten voor gedeputeerden en statenleden het maximale
                    bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 23 is de hoogte
                    van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. Het bedrag van de
                    kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari herzien aan
                    de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de provincie geen nadere
                    besluitvorming nodig omdat het bedrag van de kostenvergoeding is gekoppeld aan
                    het maximumbedrag dat jaarlijks wordt bijgesteld.</al><al>In de vaste kostenvergoeding zit ook een component telefoonkosten. Indien de
                    provincie voor zakelijk gebruik een mobiele telefoon aan een gedeputeerde
                    beschikbaar stelt moet er een korting worden toegepast op die vaste
                    kostenvergoeding om te voorkomen dat voor dezelfde zakelijke telefoonkosten
                    zowel in natura (mobiele telefoon in bruikleen) als in geld (via de vaste
                    kostenvergoeding) een voorziening ten laste van de provincie is getroffen. Dat
                    is geregeld in artikel 23, tweede lid. Voor alle gedeputeerden aan wie de
                    provincie een mobiele telefoon beschikbaar heeft gesteld geldt dezelfde
                    korting.</al><tussenkop>Artikel 5 reiskosten statenleden</tussenkop><al>In dit artikel is het recht op vergoeding van reiskosten voor statenleden
                    geregeld. De grondslag hiervoor is te vinden in de Provinciewet. Vergoed kunnen
                    worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen
                    een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt (in 2007: Euro
                    0,37 p peildatum 1 januari 2007 is de verhoging van de kilometervergoeding van
                    Euro 0,28 naar Euro 0,37 nog niet geformaliseerd. De verhoging zal terugwerken
                    tot en met 1 januari 2006 bij gebruik van de eigen auto). De vergoeding van de
                    reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De kilometervergoeding is voor
                    Euro 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. Kilometervergoedingen
                    die hoger zijn dan Euro 0,19 zijn voor dat hogere deel belast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 6 Verblijfkosten statenleden</tussenkop><al>Dit artikel regelt de vergoeding van verblijfkosten. De grondslag hiervoor is te
                    vinden in de Provinciewet. De vergoeding kan worden toegekend als het statenlid
                    een staten- of commissievergadering bijwoont maar ook ingeval van dienstreizen.
                    Daarvoor gelden dezelfde maxima als voor het rijkspersoneel. Ook is het mogelijk
                    maaltijden en consumpties bij zakelijk verblijf op het provinciehuis te
                    verstrekken.</al><al>Een vergoeding of verstrekking van maaltijden is onbelast als de vergoeding of
                    verstrekking een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft. Daarvan is niet
                    zonder meer sprake bij deelname aan staten- en commissievergaderingen, maar wel
                    bij tot in de avond doorlopende vergaderingen waardoor men niet op de gewone
                    tijd kan eten, alsmede tijdens dienstreizen. Als het zakelijk karakter van niet
                    meer dan bijkomstig belang is moet de vergoeding of de waarde in het economisch
                    verkeer van de verstrekking tot het loon worden gerekend. Bij verstrekkingen in
                    de vorm van maaltijden in bedrijfskantines met een privé-karakter wordt de
                    waarde van een kantinemaaltijd vastgesteld op een forfaitair bedrag. Als de
                    maaltijd in de bedrijfskantine een meer dan bijkomstig zakelijk karakter heeft
                    geldt de hoofdregel. De vergoeding of verstrekking van maximaal 80 maaltijden
                    per kalenderjaar is dan onbelast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 7, 29 en 36 Cursus, congres, seminar of symposium</tussenkop><al>Zoals hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht
                    en komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de provincie. Zij zijn in
                    verband hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald. Een onderscheid is
                    gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of vanwege de provincie in
                    het provinciaal belang zijn georganiseerd en cursussen, congressen e.d. waaraan
                    het individuele statenlid in verband met de vervulling van het
                    statenlidmaatschap op eigen initiatief deelneemt. In het laatste geval zijn er
                    aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus of het
                    congres en een kostenspecificatie). Hierbij kan de fractievoorzitter een rol
                    spelen. In het aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter
                    de aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding c.q.
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. Voor statenleden die niet hebben
                    geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                    de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                    opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende
                    randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikelen 8, 30 en 37 Computer en internetverbinding</tussenkop><al>Voor de uitoefening van het staten- en commissielidmaatschap en het ambt van
                    gedeputeerde wordt op aanvraag om niet een computer met bijbehorende apparatuur
                    en software in bruikleen beschikbaar gesteld. Bijbehorende apparatuur is
                    apparatuur die is bestemd om aan de computer te worden gekoppeld om informatie
                    uit te wisselen. Voorbeelden hiervan zijn een modem, een printer, een fax en een
                    digitale fotocamera. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                    bruikleenovereenkomst die het staten- en commissielid en de gedeputeerde met de
                    provincie sluit. Het model van die overeenkomst is door gedeputeerde staten
                    vastgesteld. De grondslag voor deze faciliteit is te vinden in de
                    rechtspositiebesluiten voor gedeputeerden en staten- en commissieleden. Zoals
                    hierboven al aangegeven is deze voorziening in de bedrijfsvoering gebracht en
                    komen de kosten rechtstreeks voor rekening van de provincie. Zij zijn in verband
                    hiermee uit de vaste kostenvergoeding gehaald.</al><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software alleen
                    onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld indien deze geheel
                    of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. Er wordt van uitgegaan dat
                    gedeputeerden en staten- en commissieleden de computer niet geheel of nagenoeg
                    geheel zakelijk zullen gebruiken. Dat betekent dat zowel de vergoeding, de
                    verstrekking als de terbeschikkingstelling van computerapparatuur en de daaraan
                    gekoppelde tegemoetkoming zal worden belast. In verband hiermee vindt er
                    gedurende de afschrijvingsperiode van drie jaar voor de door de provincie
                    beschikbaar gestelde computer een fiscale bijtelling plaats van 30% van de
                    waarde in het economisch verkeer op het moment van eerste ingebruikneming. Na
                    het derde jaar wordt de waarde op nihil gesteld. Geregeld is dat de provincie op
                    aanvraag 30% van de aanschafprijs vergoedt gedurende de drie jaar dat i.v.m. het
                    beschikbaar stellen van de computer belasting is verschuldigd. Het
                    belastingnadeel wordt met andere woorden in die 3 jaar gecompenseerd. Daarbij
                    wordt omwille van een uniforme en eenvoudige uitvoering uitgegaan van een voor
                    ieder gelijk belastingnadeel. Dat kan voor statenleden met een laag
                    belastingtarief een gering voordeel zijn. De vergoeding ter compensatie van het
                    belastingnadeel is overigens belast. Deze compensatie geldt niet voor
                    commissieleden omdat er vanuit wordt gegaan dat bij hen het daadwerkelijke
                    zakelijke gebruik beduidend lager ligt dan bij statenleden en gedeputeerden.
                    Indien een computer tijdens het kalenderjaar wordt verstrekt geldt in het eerste
                    en vierde kalenderjaar een vergoeding naar evenredigheid van het aantal
                    kalendermaanden waarin de computer beschikbaar is gesteld. Het is ook mogelijk
                    om een dergelijke vergoeding te geven voor de aanschaf of het gebruik van een
                    eigen computer. Daarbij wordt uitgegaan van ten hoogste de aanschafwaarde van de
                    computer die de provincie ter beschikking stelt.</al><al>De aanleg- en abonnementskosten van de internetvoorziening komen ten laste van
                    de provincie. Gedeputeerde staten stellen hiervoor een voor ieder gelijk vast
                    bedrag vast. Hier is er van uitgegaan dat de internetverbinding voor meer s=dan
                    10% zakelijk gebruikt wordt. De verstrekte vergoeding is in dat geval
                    onbelast.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al>Gezien de grote variëteit aan mogelijkheden, de snelle ontwikkelingen op
                    ICT-gebied en de verschillende behoeften in provincies zijn er niet allerlei
                    aanvullende regelingen op detailniveau opgenomen, maar is in het zesde lid aan
                    gedeputeerde staten de bevoegdheid gegeven om nadere (huishoudelijke) regels
                    vast te stellen om maatwerk te leveren op het niveau van de individuele
                    provincie. Daarbij kan worden gedacht aan het regelen van de frequentie van het
                    beroep dat op de voorziening kan worden gedaan (bijv. maximering van de
                    vergoeding van aanschaf/gebruik van de PC tot 3 jaar per zittingsperiode), of
                    aan regeling van het moment waarop moet worden gekozen uit de soorten
                    voorzieningen (bruikleen of vergoeding bij aanschaf c.q. gebruik van de eigen
                    PC), bijv. eenmaal bij aanvang van de statenperiode.</al><tussenkop>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                    arbeidsongeschiktheid</tussenkop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat provinciale staten en gemeenteraden een brede afspiegeling van de bevolking
                    dienen te vormen. Om deze reden moeten drempels om statenlid of raadslid te
                    worden of te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene
                    principe dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal
                    leiden tot verlaging of intrekking van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke uitkering is bedoeld
                    om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan verdienvermogen
                    te vergoeden. Voor staten- en raadsleden kan dit ertoe leiden dat een geringe
                    verhoging van het inkomen door een staten- of raadsvergoeding een grote
                    teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                    arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de anticumulatieregeling. Dit kan
                    zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raads- of statenzetel of bij
                    verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van het
                    Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden kunnen provincies hiervoor een
                    voorziening treffen. Die is te vinden in artikel 10 van de verordening. Daarin
                    is geregeld dat op aanvraag een statenlid een lagere vergoeding voor de
                    werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal
                    leiden tot een verlaging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van
                    het statenlid.</al><tussenkop>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</tussenkop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit werkloosheid onderwijs- en
                    onderzoekpersoneel kent een soortgelijke bepaling. De hoogte van het inkomen uit
                    de nieuwe betrekking is daarbij niet relevant. Indien derhalve iemand tot
                    statenlid wordt gekozen, zal de WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren
                    dat het UWV voor het staten- lidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze
                    verlaging van de WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden
                    zal er een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden biedt provincies de mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dat
                    is geregeld in artikel 11 van de verordening</al><tussenkop>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van provinciale
                    staten</tussenkop><al>In artikel 75 van de Provinciewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                    provinciale staten bij verhindering of ontstentenis van de commissaris van de
                    Koningin wordt waargenomen door het langstzittende statenlid. Provinciale staten
                    kunnen ook een ander statenlid met de waarneming van het voorzitterschap
                    belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden is in artikel 12 van de verordening geregeld dat bij een
                    onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende statenlid over de
                    tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de
                    werkzaamheden en van de in artikel 3 bedoelde vaste onkostenvergoeding.</al><tussenkop>Artikel 13 Ziektekostenvoorziening</tussenkop><al>Statenleden hebben recht op een tegemoetkoming in de ziektekosten. Het bedrag
                    van die tegemoetkoming is afgestemd op die voor het provinciepersoneel. De
                    tegemoetkoming is geïndexeerd (door koppeling aan de ontwikkeling van de
                    nominale eindejaarsuitkering van rijksambtenaren). De over de statenvergoeding
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ziektekosten wordt niet
                    vergoed.</al><tussenkop>Artikelen 14 t/m 20 Uitkering bij aftreden als statenlid</tussenkop><al>De artikelen 14 t/m 20 bevatten een sobere uitkeringsregeling voor statenleden
                    na hun aftreden. Het betreft een in tijd begrensde overbruggingsregeling ingeval
                    van aantoonbare inkomstenderving. Gezien het specifieke karakter van het
                    politieke ambt van statenlid is de reden (en eventuele verwijtbaarheid) van hun
                    aftreden niet relevant voor het recht op een uitkering.</al><al>De regeling is bestemd voor statenleden zonder (ander) betaald werk of met werk
                    met beperkte inkomsten. In verband hiermee is er een strenge kortingsregeling
                    opgenomen die voorkomt dat in de praktijk na aftreden ook statenleden die
                    daarnaast al een volledige betaalde hoofdbetrekking vervullen en dus niet hoeven
                    te zoeken naar betaald werk, in aanmerking komen voor een uitkering. Gekort
                    worden alle inkomsten die uitgaan boven het wettelijk minimumloon, inclusief
                    vakantie-uitkering. Die bedraagt vanaf 1 januari 2007 op jaarbasis &#x80; 16.858,37.
                    Als het gaat om nieuwe inkomsten of hogere inkomsten uit bestaande activiteiten
                    worden die steeds volledig gekort (ook al bedragen alle inkomsten tezamen minder
                    dan het wettelijk minimumloon).Inkomsten uit vermogen worden, net als bij andere
                    gewezen politieke ambtsdragers, niet gekort. De uitkering wordt alleen op
                    aanvraag verstrekt. Een statenlid kan dus afzien van het recht op een uitkering
                    als hij vindt dat voor een uitkering, gezien de omvang van eventuele inkomsten
                    uit vermogen, geen reële noodzaak bestaat.</al><al>De uitkeringsduur is, in overeenstemming met het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden, bepaald op ten hoogste 2 jaar. Voor deze maximale uitkeringsduur
                    komen diegenen in aanmerking die ten minste een volle zittingsperiode (van 4
                    jaar) statenlid zijn geweest. In verband hiermee is geregeld dat de
                    uitkeringsduur gelijk is aan de helft van de periode van het statenlidmaatschap.
                    Er geldt een periode van ten minste 6 maanden statenlidmaatschap als
                    referte-eis. Daarmee bedraagt de uitkeringsduur in de praktijk steeds ten minste
                    3 maanden.</al><al>In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden
                    bedraagt de uitkering in het eerste jaar 80% en daarna 70% van de vergoeding
                    voor de werkzaamheden. De uitkering is geïndexeerd: zij is gekoppeld aan de
                    ontwikkeling van de vergoeding voor de werkzaamheden die jaarlijks wordt
                    herzien.</al><al>[Van gewezen statenleden die een beroep op de uitkeringsregeling doen mag worden
                    gevergd dat zij zoeken naar betaald werk waardoor zij niet of minder afhankelijk
                    zijn van een uitkering ten laste van de provincie. Er is daarom een verplichting
                    opgenomen om werk te zoeken. Een dergelijke verplichting is sinds kort ook voor
                    leden van gedeputeerde staten opgenomen in de Algemene pensioenwet politieke
                    ambtsdragers. Die regeling is ontleend aan de verplichtingen en sancties ter
                    zake die voor werkloze werknemers zijn opgenomen in de Werkloosheidswet. De
                    regeling voor statenleden sluit daarop aan. Wie zijn verplichtingen niet nakomt
                    loopt het risico dat het recht op uitkering geheel of gedeeltelijk vervalt.
                    (.)</al><tussenkop>Artikel 21 Uitkering bij overlijden</tussenkop><al>Bij overlijden van het statenlid bestaat er voor de nagelaten betrekkingen recht
                    op een overlijdensuitkering ter grootte van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    welke het statenlid over de laatste drie maanden genoot. Deze voorziening sluit
                    aan bij die voor gedeputeerden.</al><tussenkop>Artikelen 14, tweede lid, onderdeel d., 21, derde lid, en 22
                    Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of
                    ziekte</tussenkop><al>Vanaf 11 oktober 2006 is wettelijk de tijdelijke vervanging van
                    volksvertegenwoordigers wegens zwangerschap en bevalling of ziekte geregeld. De
                    wettelijke regeling geldt voor leden van de Tweede en Eerste Kamer en voor
                    raads- en statenleden. Het statenlid dat van deze wettelijke regeling gebruik
                    wil maken wordt op diens verzoek tijdelijk ontslag verleend voor een vaste
                    termijn van 16 weken en wordt in die periode vervangen. Na afloop van de 16
                    weken herleeft het statenlidmaatschap van rechtswege. Er vindt dan geen
                    hernieuwd onderzoek naar de geloofsbrieven plaats en de eed hoeft niet hernieuwd
                    te worden afgelegd. Een opeenvolging van vervanging bijvoorbeeld wegens
                    zwangerschap en bevalling en daarna wegens ziekte is mogelijk. Er moet dan
                    opnieuw een verzoek worden gedaan. Vervanging is beperkt tot drie perioden van
                    16 weken. De vervanger wordt tijdelijk maar volwaardig lid van provinciale
                    staten. Betrokkene wordt op dezelfde wijze verkozen en staat dus op dezelfde
                    kandidatenlijst. Er vindt onderzoek van de geloofsbrieven plaats en de eed moet
                    worden afgelegd. De rechtspositionele voorzieningen i.v.m. de tijdelijke
                    vervanging van statenleden is geregeld in het Rechtspositiebesluit en
                    doorvertaald in de artikelen 14, tweede lid, onderdeel d., 21, derde lid, en 22
                    van deze verordening. Dat betreft zowel de aanspraken van het vervangen
                    statenlid als van degene die als tijdelijke vervanger wordt aangesteld. Voor het
                    vervangen statenlid blijft de financiële rechtspositie zoveel mogelijk dezelfde.
                    Zo blijven bijvoorbeeld de vergoeding voor werkzaamheden en de voorzieningen
                    voor computer- en communicatieapparatuur ongewijzigd. Omdat reis- en
                    verblijfkosten direct verbonden zijn aan de daadwerkelijke uitoefening van het
                    statenlidmaatschap blijven vergoedingen daarvoor gedurende de periode van
                    tijdelijk ontslag achterwege. De vaste onkostenvergoeding vervalt niet in die
                    periode maar wordt gehalveerd. De vaste onkostenvergoeding ziet immers voor een
                    deel op uitgaven met een doorlopend karakter, zoals uitgaven voor abonnementen,
                    contributies e.d. Degene die tijdelijk het statenlid vervangt is in de periode
                    van vervanging volwaardig statenlid en de rechtspositionele voorziening zijn
                    daarom onverkort van toepassing. Dat geldt alleen niet voor de
                    wachtgeldaanspraken. Gezien de voorzienbaar beperkte periode van vervanging komt
                    de vervanger na aftreden hiervoor niet in aanmerking. Een en ander zal overigens
                    niet snel spelen omdat voor het recht op wachtgeld is vereist dat betrokkene
                    direct vóór aftreden minimaal 6 maanden statenlid is geweest. Evenmin komt de
                    vervanger in aanmerking voor de financiële voorzieningen bij overlijden.</al><tussenkop>Artikelen 24 en 25 Reiskosten woon/werk en zakelijke
                    reiskosten</tussenkop><al>Voor gedeputeerden is in artikel 24 een belastingvrije vergoeding voor het
                    woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het
                    Rechtspositiebesluit gedeputeerden. Bij gebruik van de eigen personenauto
                    bedraagt de vergoeding in 2007 &#x80; 0,14 per afgelegde kilometer. In plaats daarvan
                    kan de gedeputeerde ook een OV-jaarkaart 1e of 2e klasse worden verstrekt.</al><al>Ingevolge artikel 25 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto in 2007 Euro 0,37 (Op
                    peildatum 1 januari 2007 is de verhoging van de kilometervergoeding van Euro
                    0,28 naar Euro 0,37 nog niet geformaliseerd. De verhoging zal terugwerken tot en
                    met 1 januari 2006.) per afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor
                    zover die meer bedraagt dan Euro 0,19, belast. Als een OV-jaarkaart is verstrekt
                    zijn er uiteraard geen reiskosten met openbare middelen van vervoer te
                    declareren. Zakelijke reiskosten met eigen middelen van vervoer worden in dat
                    geval alleen bij hoge uitzondering vergoed, als met het openbaar vervoer niet of
                    slechts met aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.</al><al>Voor zakelijke kilometers (waaronder mede te verstaan de kilometers voor het
                    woon/werkverkeer) kan, zoals gezegd, een onbelaste vergoeding worden verleend
                    van maximaal Euro 0,19 per kilometer, ongeacht het gebruikte vervoermiddel.
                    Vergoedingen die daarboven uitgaan zijn voor dat hogere deel belast. De fiscus
                    staat toe de reiskostenvergoedingen voor de verschillende doeleinden te
                    salderen. Dat houdt in dat als bijvoorbeeld de verstrekte reiskostenvergoeding
                    voor dienstreizen hoger is dan de fiscaalwettelijk vastgestelde belastingvrije
                    vergoeding van maximaal Euro 0,19 per kilometer een verstrekte lagere vergoeding
                    dan Euro 0,19 voor woon/werkverkeer daarop in mindering mag worden gebracht. Die
                    salderingsmogelijkheid moet wel in een formele vergoedingsregeling zijn
                    vastgelegd. Die is opgenomen in artikel 25, derde lid. Indien voor het
                    provinciaal personeel een salderingsregeling geldt wordt daarbij aangesloten.
                    Ontbreekt een dergelijke regeling, dan geldt de salderingsregeling voor het
                    rijkspersoneel. In het volgende voorbeeld wordt toegelicht wat het vorenstaande
                    betekent voor het salderen en de berekening van de loonheffing over het
                    bovenmatig deel van reiskostenvergoedingen. Voorbeeld (uitgaande van de oude
                    kilometervergoeding van Euro 0,28) Betrokkene krijgt in een kalenderjaar van
                    zijn werkgever een reiskostenvergoeding van in totaal Euro 2.240, bestaande
                    uit:</al><lijst><li nr="1. "><al>een vergoeding voor 10.000 woon/werkkilometers x Euro 0,14 = Euro 1.400
                            en</al></li><li nr="2."><al> een vergoeding voor 3.000 kilometers wegens dienstreizen x Euro 0,28 =
                            Euro 840.</al></li></lijst><al>Als er geen salderingsregeling is moet de inhoudingsplichtige in ieder tijdvak
                    het bovenmatig bedrag van de vergoeding voor de dienstreizen in de heffing
                    betrekken (in totaal 3.000 km x Euro 0,09 = Euro 270). Als er wel een
                    salderingsregeling is mag de inhoudingsplichtige deze heffing uitstellen (dit is
                    niet verplicht). Saldering leidt dan tot het volgende resultaat: totale
                    reiskostenvergoeding Euro 2.240 gedeeld door het totaal aantal kilometers 13.000
                    = gemiddelde vergoeding per km van Euro 0,17 per kilometer.</al><al>Na saldering blijft de vergoeding onder de Euro 0,19 per km waardoor de totale
                    reisvergoeding onbelast blijft. Indien de werkgever het 'bovenmatige' gedeelte
                    van Euro 0,09 van de dienstreiskilometers reeds heeft belast (in totaal 3.000 km
                    x Euro 0,09 = Euro 270) mag de inhoudingsplichtige uiterlijk in de eerste maand
                    van het nieuwe kalenderjaar in zijn loonadministratie als negatief loon opnemen:
                    Euro 270. Reiskostenvergoedingen mogen dus ook onderling worden gesaldeerd.
                    Kilometers die betrekking hebben op het reizen per openbaar vervoer waarvoor een
                    vergoeding in geld is ontvangen, alsmede kilometers die als meerijder zijn
                    afgelegd zonder dat sprake is van vervoer vanwege de werkgever en zonder dat de
                    betrokkene daarvoor een vergoeding heeft ontvangen, mogen eveneens bij de
                    saldering worden betrokken. Saldering, respectievelijk belastingheffing over het
                    bovenmatig deel dat na saldering overblijft, mag worden uitgesteld. Afrekening
                    met de fiscus op basis van saldering kan na afloop van een bepaald loontijdvak,
                    maar dient uiterlijk plaats te vinden in de eerste maand van het nieuwe
                    kalenderjaar. Saldering na afloop van een kalenderkwartaal, half kalenderjaar of
                    heel kalenderjaar is mogelijk zolang de vergoeding niet definitief is toegekend.
                    In verband daarmee wordt de reiskostenvergoeding in eerste instantie bij wijze
                    van voorschot uitbetaald. Voor de berekening van de loonheffing over het
                    bovenmatig deel van de in een gekozen periode uitbetaalde reiskostenvergoedingen
                    dient te worden uitgegaan van alle daadwerkelijk afgelegde dienstkilometers,
                    vermeerderd met de daadwerkelijk afgelegde woon/werkkilometers.</al><tussenkop>Artikel 26 Dienstauto</tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de provincie een dienstauto met of
                    zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan gedeputeerden. De
                    dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden gebruikt. In dat geval vindt
                    wel een korting plaats op de tegemoetkoming in de reiskosten woon/werk. Die
                    korting vindt in dat geval ook plaats als een OV-jaarkaart is verstrekt. De
                    dienstauto kan ook worden gebruikt voor de vervulling van een q.q.-nevenfunctie
                    of een in artikel 3.7 van de gedragscode voor gedeputeerden genoemde
                    nevenfunctie. Voor deze laatste categorie nevenfuncties geldt dat de provincie
                    maximum 500 kilometers op jaarbasis onbelast mag vergoeden/ verstrekken.
                    Daarboven geldt dat de provincie gehouden is op de bezoldiging van de
                    gedeputeerde een fiscale bijtelling uit te voeren. De eventueel uit hoofde van
                    de nevenfuncties ontvangen vergoeding van reiskosten ter zake wordt in dat geval
                    in de provinciale kas gestort. Het gebruik van de dienstauto voor andere
                    doeleinden (zoals partijbijeenkomsten) kan afhankelijk van de aard van de
                    functie van de gedeputeerde en het doel ervan door de fiscus als zakelijk worden
                    aangemerkt. Dit kan per geval verschillen. De fiscus vraagt daarbij naar de
                    relatie tussen de aard van de functie en het doel van de reis. Als richtlijn kan
                    worden aangehouden dat er sprake moet zijn van functionele noodzaak of belang
                    voor de provincie. Voor een goede verantwoording richting de fiscus is een
                    uitgebreide en inzichtelijke kilometerregistratie van belang.</al><tussenkop>Artikel 27 Verblijfkosten</tussenkop><al>Slechts de in redelijkheid voor de dienstreis noodzakelijk gemaakte kosten
                    worden vergoed. Dit betekent dat de kosten die zijn gemaakt ter zake van de
                    reizen voor de niet ambtsgebonden nevenfuncties niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen.</al><tussenkop>Artikelen 28 en 38 Buitenlandse dienstreis</tussenkop><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het provinciaal belang kunnen de gedeputeerde
                    de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden vergoed.
                    De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit buitenland zijn
                    daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode zijn door Provinciale
                    Staten de in het tweede lid bedoelde nadere gedragsregels vastgesteld. Daarbij
                    gaat het om expliciete besluitvorming in het college van gedeputeerde staten
                    over buitenlandse reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden.
                    Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                    inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het combineren van
                    een dienstreis met een (direct voorafgaande of aansluitende) privé-reis.</al><al>Ook statencommissies maken wel eens in het provinciaal belang excursies of
                    reizen naar het buitenland. Hiervoor moeten provinciale staten expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de provincie georganiseerd. Hetgeen hierboven is geschreven over buitenlandse
                    dienstreizen van gedeputeerden geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse
                    excursies en reizen van statencommissies.</al><al>Voor statenleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 31 mobiele telefoon</tussenkop><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering wordt de gedeputeerde op aanvraag voor
                    zakelijk gebruik een mobiele telefoon als 2e telefoon om niet ter beschikking
                    gesteld. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de bruikleenovereenkomst die de
                    gedeputeerde met de provincie sluit. Het model van die overeenkomst is door
                    gedeputeerde staten vastgesteld. De kosten van zowel het zakelijk als het privé
                    gebruik van de mobiele telefoon komen ten laste van de provincie. Op de
                    bezoldiging van de gedeputeerde wordt geen bedrag ingehouden voor het
                    privé-gebruik.</al><al>Bij een verstrekking wordt ervan uitgegaan dat een gedeputeerde de mobiele
                    telefoon voor meer dan 10% van het totale gebruik zakelijk gebruikt. Dat
                    betekent dat de provincie de mobiele telefoon belastingvrij ter beschikking kan
                    stellen en zonder gevolgen voor de belastingheffing ten aanzien van de
                    gedeputeerde de totale kosten van gebruik van de mobiele telefoon (zowel
                    zakelijk als privé) voor zijn rekening mag nemen.</al><al>In de toelichting op artikel 23 is al ingegaan op de korting op de vaste
                    kostenvergoeding bij beschikbaarstelling van een mobiele telefoon.</al><tussenkop>Artikel 33 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</tussenkop><al>Sinds de dualisering van het provinciebestuur kunnen personen van buiten
                    provinciale staten tot gedeputeerde worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn
                    die niet in de provincie zelf wonen. Die zijn op grond van de Provinciewet
                    verplicht om te gaan wonen in de provincie waar zij gedeputeerde zijn geworden.
                    In artikel 33 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de provincie in aanmerking
                    komen voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en
                    pensionkosten in afwachting van de verhuizing. De vergoedingen zijn
                    onbelast.</al><tussenkop>Artikel 34 en 39 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</tussenkop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van provinciale commissies
                    geregeld. Deze bepaling geldt niet voor statenleden en gedeputeerden die in de
                    commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Uitgezonderd zijn verder
                    onder meer ambtenaren en bestuurders die in die hoedanigheid in de commissie
                    zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte vertegenwoordigers van
                    belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap tevens in belangrijke mate het
                    provinciaal belang dient. De hoogte van het presentiegeld wordt bij provinciale
                    verordening bepaald. Wel is in het Rechtspositiebesluit staten- en
                    commissieleden het maximale bedrag van de vergoeding voor de werkzaamheden
                    aangegeven. In artikel 34, eerste lid, is de hoogte van de vergoeding bepaald op
                    het maximale bedrag. Het bedrag van het presentiegeld is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen
                    overheid. Hiervoor is in de provincie geen nadere besluitvorming nodig omdat het
                    bedrag van het presentiegeld is gekoppeld aan het maximumbedrag dat jaarlijks
                    wordt bijgesteld. Het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden biedt de
                    mogelijkheid om in de provinciale verordening te regelen dat in bepaalde
                    gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan het eerder
                    bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 39, eerste en tweede
                    lid.</al><tussenkop>Artikelen 41 t/m 44 De procedure van declaratie</tussenkop><al>In artikel 41 zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 42
                    t/m 44 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de
                    orde is en welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden.</al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="1."><al> reis- en verblijfkosten van statenleden;</al></li><li nr="2."><al> zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden;</al></li><li nr="3."><al> reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            gedeputeerden;</al></li><li nr="4."><al> reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="5."><al> reis- en verblijfkosten van leden van provinciale commissies.</al></li></lijst><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de provincie in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="1."><al> deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                            statenleden en gedeputeerden;</al></li><li nr="2."><al> zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden;</al></li><li nr="3."><al> reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="4. "><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            gedeputeerden.</al></li></lijst><al>Aan gedeputeerden kan onder voorwaarden een creditcard beschikbaar worden
                    gesteld voor functionele uitgaven ten laste van de provincie. Gebruik van
                    creditcards is mogelijk in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="1."><al> zakelijke reis- en verblijfkosten van gedeputeerden;</al></li><li nr="2."><al> reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            gedeputeerden;</al></li><li nr="3. "><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>