<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR738476_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:type scheme="overheidop:Rubriek">beleidsregel</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Cranendonck</dcterms:creator><dcterms:modified>2025-04-24</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-176752">gmb-2025-176752</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005537&amp;artikel=4%3A81&amp;g=2025-04-04">artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2025-04-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2025-04-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Beleidsregels planologische afwijkingsregelingen 2019.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>het college van de gemeente Cranendonck</al><al>gelet op het artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al/><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de volgende beleidsregel: Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025</al><al/><al>Aanleiding</al><al>Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Sindsdien maken bestemmingsplannen automatisch deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Dit geldt eveneens voor een aantal gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat van het Rijk. Dit tijdelijk deel moet uiterlijk op 31 december 2031 zijn omgezet in één gebiedsdekkend Omgevingsplan voor de hele gemeente.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de kruimellijst uit artikel 4 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), aangezien het Bor wordt ingetrokken en niet langer van kracht is. Onder de Omgevingswet worden omgevingsvergunningen verleend voor zowel binnenplanse als buitenplanse activiteiten:</al><lijst><li nr="•"><al><vet>Een omgevingsvergunning voor een </vet><vet>binnenplanse</vet><vet> omgevingsplanactiviteit (Opa)</vet> maakt het mogelijk om, op basis van bestaande regels uit het omgevingsplan, een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die afwijkt van het omgevingsplan.</al></li><li nr="•"><al><vet>Een omgevingsvergunning voor een </vet><vet>buitenplanse</vet><vet> omgevingsplanactiviteit (</vet><vet>Bopa</vet><vet>)</vet> maakt het mogelijk om een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit die afwijkt van het omgevingsplan, buiten de regels van het omgevingsplan.</al></li></lijst><al>Beide omgevingsvergunningen hebben betrekking op het afwijken van het omgevingsplan. Dit afwijkingenbeleid richt zich op aanvragen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (Bopa’s), met een specifieke focus op de bouwregels. Om kleine buitenplanse afwijkingen van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan efficiënt en consequent te behandelen, stellen we deze regels op. Dit voorkomt rechtsongelijkheid en onzekerheid. Deze beleidsregels zullen uiteindelijk (deels) in fasen worden verwerkt in het gebiedsdekkend omgevingsplan. Bij de beoordeling van een aanvraag worden de belangen van alle betrokkenen zorgvuldig afgewogen, zodat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gewaarborgd, wat voorheen werd aangeduid als ‘goede ruimtelijke ordening’. </al><al/><al>Doel</al><al>Het doel van de regels is:</al><lijst><li nr="1."><al>een duidelijk en flexibel kader bieden voor veel voorkomende planologische afwijkingen van het Omgevingsplan; en</al></li><li nr="2."><al>aanvragen voor een omgevingsvergunning sneller en efficiënter behandelen.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze beleidsregels worden de volgende begripsbepalingen gehanteerd:</al><al/></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>1.1</nr><titel>Achtergevellijn</titel></kop><structuurtekst><al>De denkbeeldige lijn die getrokken kan worden door, én samenvalt met, de achtergevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw op een perceel en het verlengde daarvan.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.2</nr><titel>Bebouwd oppervlakte</titel></kop><structuurtekst><al>De oppervlakte van de bebouwing op een perceel binnen de een bepaalde functie. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.3</nr><titel>Binnen bebouwde kom</titel></kop><structuurtekst><al>Een gebied binnen de bebouwde kom is het gebied dat ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning gelegen is binnen de aanduiding ‘Stedelijk gebied’ (of een aanduiding met een vergelijkbare aard), zoals vastgelegd in de omgevingsverordening Noord-Brabant. Indien een perceel gedeeltelijk binnen de bebouwde kom ligt, is de locatie van het hoofdgebouw bepalend voor de toepassing van deze beleidsregels.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.4</nr><titel>Bijbehorend bouwwerk</titel></kop><structuurtekst><al>Een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.5</nr><titel>Bouwperceel</titel></kop><structuurtekst><al>Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Hieronder wordt niet verstaan: agrarische gronden buiten het bouwvlak, landschappelijke inpassingen, of soortgelijke functies (voorheen: bestemmingen). </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.6</nr><titel>Bouwvlak</titel></kop><structuurtekst><al>Het in het omgevingsplan bepaald geometrisch omsloten vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. Indien geen bouwvlak is aangegeven op de verbeelding, wordt met een bouwvlak gelijkgesteld de oorspronkelijke (bedrijfs)woning of het oorspronkelijke hoofdgebouw.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.7</nr><titel>Buiten bebouwde kom</titel></kop><structuurtekst><al>Een gebied buiten de bebouwde kom is het gebied dat ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning gelegen is binnen de aanduidingen ‘Landelijk gebied’ en ‘Natuur Netwerk Brabant’ (of een aanduiding met een vergelijkbare aard), zoals vastgelegd in de omgevingsverordening Noord-Brabant. Indien een bouwperceel gedeeltelijk buiten de bebouwde kom ligt, is de locatie van het hoofdgebouw bepalend voor de toepassing van deze beleidsregels.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.8</nr><titel>Dakkapel</titel></kop><structuurtekst><al>Uit een hellend dak stekende uitbouw.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.9</nr><titel>Dakopbouw</titel></kop><structuurtekst><al>Een uitbreiding van een hoofdgebouw die gebouwd wordt bovenop een bestaand dak waarbij geen sprake is van een dakkapel. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.10</nr><titel>Functie</titel></kop><structuurtekst><al>Een functie in het omgevingsplan welke voor inwerkingtreding van de Omgevingswet bekend stond als de bestemming.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.11</nr><titel>Functie Wonen</titel></kop><structuurtekst><al>Een functie in het omgevingsplan welke voor inwerkingtreding van de Omgevingswet bekend stond als de bestemming “Wonen” of soortgelijke bestemming. Hieronder wordt dus niet verstaan de functies “Tuin”, “Groen” en/of “Groen-Landschappelijke inpassing” of een soortgelijke functie.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.12</nr><titel>Hoofdgebouw</titel></kop><structuurtekst><al>Een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de functie (voorheen: bestemming) van het perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is waarbij bovendien geldt dat het (gedeelte) van het gebouw door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste (gedeelte van een) gebouw is aan te merken.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.13</nr><titel>Huisvesting in verband met mantelzorg</titel></kop><structuurtekst><al>Huisvesting in of bij een (bedrijfs)woning van één huishouden van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de (bedrijfs)woning.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.14</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><structuurtekst><al>Intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts of wijkverpleegkundige kan worden aangetoond dan wel mantelzorg zoals bedoeld in de beleidsregels Mantelzorg &amp; Afhankelijk wonen van de gemeente Cranendonck of diens opvolger.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.15</nr><titel>Oorspronkelijke bedrijfswoning</titel></kop><structuurtekst><al>De hoofdmassa van de bedrijfswoning zoals deze oorspronkelijk is opgericht zonder bijbehorende bouwwerken anders dan de bedrijfswoning.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.16</nr><titel>De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens</titel></kop><structuurtekst><al>De kortste afstand van enig punt van een bouwwerk tot de zijdelingse grens van het bouwperceel.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>ALGEMENE EN SPECIFIEKE AFWEGINGSCRITERIA</titel></kop><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2.1</nr><titel>ALGEMENE AFWEGINGSCRITERIA</titel></kop><structuurtekst><al>In deze paragraaf staan de algemene regels en voorwaarden. Deze gelden in elke situatie. </al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Algemene afwegingscriteria</titel></kop><al>De afwijkingsbevoegdheid wordt niet toegepast wanneer (naar het oordeel van het college):</al><al/><lijst><li nr="1."><al>er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;</al></li><li nr="2."><al>de activiteit in strijd is met het van toepassing zijnde beleid;</al></li><li nr="3."><al>de activiteit leidt tot een onevenredige aantasting van:</al><lijst><li nr="•"><al>het woon- en leefklimaat van de omgeving;</al></li><li nr="•"><al>het straat- en bebouwingsbeeld;</al></li><li nr="•"><al>de verkeersveiligheid;</al></li><li nr="•"><al>gezondheidsaspecten; </al></li><li nr="•"><al>de sociale veiligheid;</al></li><li nr="•"><al>de milieusituatie; </al></li><li nr="•"><al>landschappelijke en/of natuurlijke waarden;</al></li><li nr="•"><al>stedenbouwkundige aspecten;</al></li><li nr="•"><al>de aanwezige waarden van (naastgelegen) monumentale gebouwen/objecten en/of de cultuurhistorische waarden;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>de activiteit in strijd is met de provinciale Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en de Rijks- en provinciale instructieregels, zoals beoordelingsregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);</al></li><li nr="5."><al>de afwijking in verband met de externe veiligheid niet te verantwoorden valt;</al></li><li nr="6."><al>de activiteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan;</al></li><li nr="7."><al>de activiteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld belemmert;</al></li><li nr="8."><al>er niet voldoende parkeergelegenheid kan worden gegarandeerd op eigen terrein conform het op dat moment geldende gemeentelijke parkeerbeleid;</al></li><li nr="9."><al>de initiatiefnemer niet heeft aangetoond dat een omgevingsgesprek is gevoerd conform de handreiking omgevingsgesprek van de gemeente Cranendonck. Hierbij moet inzichtelijk worden gemaakt op welke wijze het omgevingsgesprek heeft plaatsgevonden en hoe de resultaten ervan in het plan zijn verwerkt.</al></li></lijst><al>Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient gemotiveerd te worden dat aan alle bovenstaande punten wordt voldaan.</al><al/><al>Daarnaast moet worden aangegeven:</al><lijst><li nr="o"><al>welke maatregelen voor biodiversiteit worden genomen;</al></li><li nr="o"><al>welke maatregelen voor duurzaamheid worden genomen (bijvoorbeeld verharding en klimaatadaptatie);</al></li><li nr="o"><al>als de activiteit op een bedrijventerrein plaatsvindt: of het plan voldoet aan de profielen uit de ‘regionale programmeringsafspraken werklocaties’ of zijn vervanger.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2.2</nr><titel>SPECIFIEKE AFWEGINGSCRITERIA</titel></kop><structuurtekst><al>In deze paragraaf staan de specifieke regels en voorwaarden. Deze gelden aanvullend op de algemene regels en voorwaarden <onderstreept>in bepaalde situaties</onderstreept>, zoals hieronder per artikel is uitgeschreven.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Bijbehorende bouwwerken</titel></kop><al><onderstreept>Uitgangspunten bij toepassing:</onderstreept></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1:</nr><titel>Wijze van meten</titel></kop><al>Voor bijbehorende bouwwerken, zoals genoemd in dit artikel (artikel 3), gelden de volgende wijze van meten:</al><al/><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="22*"/><colspec colname="col2" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1" namest="col1" nameend="col2"><al><vet>Wijze van meten </vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Functie “Wonen”</al><al>(Behorende bij artikel 3.3 onderdeel 1 sub d)</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij het berekenen van de grootte van het perceel wordt zowel de grond binnen de functie 'Wonen' als die binnen de functie 'Tuin' meegerekend. De grond binnen het bouwvlak wordt niet meegenomen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Functie “Bedrijf”</al><al>(Behorende bij artikel 3.3 onderdeel 1 sub e)</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij het berekenen van de grootte van het perceel wordt de grond onder de oorspronkelijke bedrijfswoning niet meegenomen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Buiten de bebouwde kom</al><al>(Behorende bij artikel 3.4 onderdeel 3 sub d)</al></entry><entry colname="col2"><al>Buiten de bebouwde kom wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vraag of het bijbehorend bouwwerk binnen of buiten het bouwvlak staat. Voor de berekening van het maximale aantal toegestane vierkante meters wordt de volledige functie “Wonen” meegerekend.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2:</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>Voor bijbehorende bouwwerken, zoals genoemd in dit artikel (artikel 3), gelden de volgende algemene voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de hemelwaterberging mag niet worden aangesloten op het riool. Er moet een infiltratievoorziening zijn voor het water om in de grond te zakken, waarbij in de gemeentelijke watertoets wordt bepaald hoeveel m3 nodig is;</al></li><li nr="b."><al>het bijbehorend bouwwerk moet minstens 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;</al></li><li nr="c."><al>de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de zijdelingse-, voorste- en achterste bouwperceelsgrens moet minimaal 1 meter zijn;</al></li><li nr="d."><al>voor het bouwen van een hekwerk als onderdeel van het bijbehorend bouwwerk geldt:</al><lijst><li nr="o"><al>het hekwerk moet op minstens 2,0 meter van de zijdelingse bouwperceelsgrens worden gebouwd;</al></li><li nr="o"><al>het hekwerk mag maximaal 1,2 meter zijn. De bovenzijde van het hekwerk mag, vanaf de het aansluitende terrein gemeten, niet hoger zijn dan 4,5 meter;</al></li><li nr="o"><al>het hekwerk moet een open afscheiding zijn;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>het bijbehorend bouwwerk mag maximaal 30 meter van de (bedrijfs)woning of het hoofdgebouw worden gebouwd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3:</nr><titel>Binnen de bebouwde kom</titel></kop><al><vet>ONDERDEEL 1.</vet><vet>WONING MET DE FUNCTIE “WONEN” &amp;</vet><vet>BEDRIJFSWONING MET DE FUNCTIE “BEDRIJF”</vet></al><al>Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning met de functie “Wonen” of bij een bedrijfswoning met de functie “Bedrijf”, gelden de volgende voorwaarden aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:</al><lijst><li nr="a."><al>de goothoogte mag niet hoger zijn dan 3,35 m;</al></li><li nr="b."><al>de bouwhoogte mag niet hoger zijn dan 5,00 m;</al></li><li nr="c."><al>de grond achter het bouwvlak mag voor maximaal 50% worden bebouwd;</al></li><li nr="d."><al>voor percelen met de functie “Wonen” geldt, afhankelijk van de grootte van het perceel:</al></li><li nr="e."><al>voor gronden die worden gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning binnen de functie “Bedrijf” geldt, afhankelijk van de grootte van het perceel: <noot><noot.nr> 1 </noot.nr><noot.al><cursief>Voor een voorbeeld van het aantal m<sup>2 </sup>aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan bij een bedrijfswoning met de functie “Bedrijf”, wordt verwezen naar Voorbeeld 1 in de bijlagen.</cursief></noot.al></noot></al></li></lijst><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colwidth="76*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Grootte perceel</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Aanvullende bouwmogelijkheden</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&lt; 200 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>Geen aanvullende bouwmogelijkheden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>200 tot 600 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>Het bebouwd oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, mag niet meer dan 100 m<sup>2</sup> buiten het bouwvlak of buiten de gronden onder de oorspronkelijke bedrijfswoning zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>600 tot 1200 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>Het bebouwd oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, mag niet meer dan 120 m<sup>2</sup> buiten het bouwvlak of buiten de gronden onder de oorspronkelijke bedrijfswoning zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>&gt; 1200 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>Het bebouwd oppervlak aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, mag niet meer dan 10% van de oppervlakte van de percelen met de functies "Wonen" en "Tuin" buiten het bouwvlak zijn, met een maximum van 200 m². Voor de gronden die worden gebruikt ten behoeve van de bedrijfswoning binnen de functie "Bedrijf" geldt hetzelfde, met een maximum van 200 m² buiten de gronden onder de oorspronkelijke bedrijfswoning.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>DE (BEDRIJFS)WONING WORDT GESPLITST</vet></al><al>Indien een (bedrijfs)woning middels een Bopa wordt gesplitst, worden de regels in onderdeel 1 en 3 uit dit artikel (artikel 3) toegepast alsof er sprake is van één (bedrijfs)woning. De verdeling wordt gebaseerd op het percentage van de verdeling van het perceel.<noot><noot.nr>2 </noot.nr><noot.al><cursief>Voor een voorbeeld van de verdeling van het aantal m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan bij het splitsen van een (bedrijfs)woning, wordt verwezen naar Voorbeeld 2 in de bijlagen.</cursief></noot.al></noot> Bij splitsing in het buitengebied moet ook worden voldaan aan het beleidskader ‘Afsplitsen bedrijfswoningen buitengebied gemeente Cranendonck’ of zijn opvolger.</al><al/><al><vet>ONDERDEEL 2.</vet><vet>GEBOUW ANDERS DAN EEN (BEDRIJFS)WONING </vet></al><al>Voor een bijbehorend bouwwerk bij een gebouw anders dan bedoeld in onderdeel 1, gelden de volgende voorwaarden aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:</al><lijst><li nr="a."><al>de goothoogte van het bijbehorende bouwwerk wordt niet hoger dan de goothoogte van het hoofdgebouw;</al></li><li nr="b."><al>de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk wordt niet hoger dan het hoofdgebouw;</al></li><li nr="c."><al>de grond achter de achtergevellijn is niet meer dan 50% bebouwd met vergunningsvrije, dan wel vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken.</al></li><li nr="d."><al>In afwijking van het bepaalde onder c: binnen de functie “Centrum -1” geldt dat de grond achter de achtergevellijn voor meer dan 50% bebouwd mag zijn met vergunningsvrije, dan wel vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken, mits:</al><lijst><li nr="o"><al>voor de locatie een functie “Centrum -1” geldt; </al></li><li nr="o"><al>de financiële, juridische of feitelijke mogelijkheden ontbreken om op de locatie tegemoet te komen aan de ruimtebehoefte; </al></li><li nr="o"><al>de gevraagde ontwikkeling passend is binnen het centrum; en</al></li><li nr="o"><al>de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4:</nr><titel>Buiten de bebouwde kom</titel></kop><al><vet>ONDERDEEL 3.</vet><vet>WONING MET DE FUNCTIE “WONEN” &amp;</vet><vet>BEDRIJFSWONING ANDERS DAN DE FUNCTIE “WONEN”</vet></al><al>Voor een bijbehorend bouwwerk bij een woning met de functie “Wonen” of een bedrijfswoning met een functie anders dan “Wonen”, gelden de volgende voorwaarden in afwijking van de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:</al><lijst><li nr="a."><al>de goothoogte mag niet hoger zijn dan 3,35 m;</al></li><li nr="b."><al>de bouwhoogte mag niet hoger zijn dan 5,00 m;</al></li><li nr="c."><al>de grond achter het bouwvlak mag voor maximaal 50% worden bebouwd;</al></li><li nr="d."><al>voor percelen met de functie “Wonen” is een maximum van 150 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, toegestaan; <noot><noot.nr>3 </noot.nr><noot.al><cursief>Voor een voorbeeld van het aantal m<sup>2 </sup>aan bijbehorende bouwwerken dat is toegestaan bij een woning met de functie “Wonen” buiten de bebouwde kom, wordt verwezen naar Voorbeeld 3 in de bijlagen.</cursief></noot.al></noot></al></li><li nr="e."><al>voor percelen met de functie anders dan “Wonen” is een maximum van 150 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken, zowel vergunningsvrij als vergunningplichtig, toegestaan, mits deze een relatie hebben met de bedrijfswoning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5:</nr><titel>Huisvesting in verband met mantelzorg</titel></kop><al><vet>ONDERDEEL 4.</vet><vet>GEBOUW VOOR (PRÉ-)MANTELZORG</vet></al><al>Voor een bijbehorend bouwwerk welke wordt gebouwd en gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden de volgende voorwaarden aanvullend op de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan:</al><al>een tijdelijke uitbreiding van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken zoals genoemd in de regels van het Omgevingsplan en/of zoals aangegeven in onderdeel 1 en 3 uit dit artikel (artikel 3) wordt toegestaan voor een mantelzorgeenheid indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>een maximum van 100 m²;</al></li><li nr="b."><al>verplaatsbaar;</al></li><li nr="c."><al>voldaan wordt aan de beleidsregels Mantelzorg &amp; Afhankelijk wonen of diens opvolger;</al></li><li nr="d."><al>na beëindiging van de mantelzorg de tijdelijk extra gebouwde vierkante meters verwijderd worden;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Inhoud hoofdgebouw van de woning buiten de bebouwde kom</titel></kop><al>Voor het uitbreiden van het hoofdgebouw van de woning buiten de bebouwde kom met de functie “Wonen”, geldt in afwijking van de mogelijkheden van het onderdeel van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan dat de woning een maximale inhoud van 750 m3 mag hebben. Deze uitzondering geldt niet als de woning via een maatwerktitel is opgericht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Dakkapel en dakopbouw of soortgelijke uitbreidingen </titel></kop><al>Aan de uitbreiding van een (bedrijfs)woning middels het plaatsen van een dakkapel en dakopbouw worden de volgende voorwaarden verbonden: </al><lijst><li nr="1."><al>een dakkapel wordt voorzien van een plat dak of heeft dezelfde hellingshoek als het dak waar de dakkapel op wordt geplaatst;</al></li><li nr="2."><al>een dakopbouw heeft dezelfde hellingshoek als het dak waarop de dakopbouw wordt geplaatst;</al></li><li nr="3."><al>een dakopbouw mag niet hoger worden dan de maximale bouwhoogte zoals opgenomen in het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan;</al></li><li nr="4."><al>de breedte van de dakkapel of dakopbouw mag maximaal 70% van de breedte van het dakvlak bedragen, waarbij geldt dat indien de dakkapel of dakopbouw meer dan 50% en maximaal 70% van het dakvlak breed wordt de gewichtige reden voor deze breedte van de dakkapel of dakopbouw aangetoond moet worden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Gebouwisolatie</titel></kop><al>Voor het aanbrengen van voorzieningen gericht op het duurzaam isoleren van een bestaand gebouw, kan worden afgeweken van de maatvoering in het (tijdelijk deel) van het omgevingsplan, mits derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. </al><al/><al>U moet ook controleren of uw activiteit schadelijke gevolgen heeft voor planten of dieren in het wild. Het is uw eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of er sprake is van schadelijke gevolgen. Ook heeft u een specifieke zorgplicht om respectvol om te gaan met de natuur en u in te zetten om deze zo min mogelijk te verstoren. Als er mogelijk sprake is van schadelijke gevolgen, dan kunt u maatregelen nemen om deze te voorkomen. </al><al/><al>Als u twijfelt of uw activiteit schadelijk gevolgen voor flora en fauna heeft, kunt u een kort onderzoek laten doen door een ecologisch adviesbureau. Dit heet een quickscan. Deze scan maakt duidelijk of uw plannen gevolgen hebben voor beschermde diersoorten. </al><al>Voor complexere initiatieven is het gebruikelijk om een quickscan uit te laten voeren. De kosten voor het uitvoeren van een quickscan zijn voor uw eigen rekening. Blijkt uit de quickscan dat uw plan negatieve gevolgen heeft voor beschermde soorten? Vraag dan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aan bij de Provincie Noord-Brabant.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Tijdelijk plaatsen en/of gebruiken bij (ver)(her)bouwen </titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1:</nr><titel>Tijdelijke bewoning woonkeet, woonunit en stacaravan</titel></kop><al>Aan dit artikel wordt toepassing gegeven voor het tijdelijk plaatsen en/of gebruiken van een woonkeet, woonunit of stacaravan voor bewoning bij het (ver)(her)bouwen van een (bedrijfs)woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>de grond dient in eigendom te zijn van de aanvrager van de vergunning, of er dient schriftelijk toestemming voor het gebruik verkregen te zijn van de eigenaar van de grond;</al></li><li nr="2."><al>de tijdelijke woonvoorziening wordt geplaatst aan de achterzijde van het perceel, achter de te (ver)(her)bouwen woning, binnen de functie ‘Wonen’;</al></li><li nr="3."><al>indien objectief kan worden aangetoond dat plaatsing volgens het bepaalde in het tweede lid niet mogelijk is, kan plaatsing in het zij- of voorerf of op een andere locatie worden overwogen;</al></li><li nr="4."><al>de tijdelijke woonvoorziening wordt gebruikt door de hoofdbewoner van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;</al></li><li nr="5."><al>de tijdelijke woonvoorziening wordt uitgevoerd in 1 bouwlaag;</al></li><li nr="6."><al>de tijdelijke woonvoorziening moet zodanig zijn gelegen dat dit niet leidt tot verkeersonveilige situaties of onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen;</al></li><li nr="7."><al>de tijdelijke woonvoorziening dient verwijderd te worden en het gebruik dient gestaakt te worden binnen 3 maanden na gereedmelding van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning, maar in ieder geval binnen 3 maanden na ingebruikname van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;</al></li><li nr="8."><al> de tijdelijke woonvoorziening dient goed bereikbaar te zijn voor hulpdiensten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2:</nr><titel>Tijdelijke bewoning bestaand bijbehorend bouwwerk</titel></kop><al>Aan dit artikel wordt toepassing gegeven voor het tijdelijk gebruiken van een bestaand bijbehorend bouwwerk voor bewoning bij het (ver)(her)bouwen van een (bedrijfs)woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al>het bijbehorend bouwwerk dient in eigendom te zijn bij de aanvrager van de vergunning, of er dient schriftelijk toestemming voor het gebruik verkregen te zijn van de eigenaar van het bijbehorend bouwwerk;</al></li><li nr="2."><al>het bijbehorend bouwwerk wordt gebruikt door de hoofdbewoner van de te (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;</al></li><li nr="3."><al>het bijbehorend bouwwerk moet zodanig zijn gelegen dat de tijdelijke bewoning niet leidt tot verkeersonveilige situaties of onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen;</al></li><li nr="4."><al>het gebruik dient gestaakt te worden binnen 3 maanden na gereedmelding van de (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning, maar in ieder geval binnen 3 maanden na ingebruikname van de (ver)(her)bouwen (bedrijfs)woning;</al></li><li nr="5."><al>de tijdelijke woonvoorziening dient goed bereikbaar te zijn voor hulpdiensten.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Strijdige situaties </titel></kop><al>De afwijkingsbevoegdheden worden niet toegepast in die gevallen waarin sprake is van een bestaande illegale situatie op het perceel, ongeacht of de aanvraag ziet op deze illegale situatie. De afwijkingsbevoegdheid wordt wel toegepast, conform de voorwaarde van dit beleid, indien hierdoor de strijdige situatie wordt opgeheven of wordt beëindigd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Overeenkomst nadeelcompensatie voorwaarde voor afwijking </titel></kop><al>Het besluit op een aanvraag voor een omgevingsvergunning is een schadeveroorzakend besluit zoals omschreven in artikel 15.1, eerste lid van de Omgevingswet. Een omgevingsvergunning kan dus een grondslag vormen voor nadeelcompensatie. De onderhavige beleidsregels zijn bedoeld voor afwijkingen van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan. Deze afwijkingen kunnen invloed hebben op de omgeving. Wanneer de toepassing van deze beleidsregels, na inschatting van het risico op schadevergoeding door nadeelcompensatie boven het normaal maatschappelijk risico, leidt tot waardevermindering van omliggende bebouwing, moet worden onderzocht of het toepassen van onderhavige beleidsregels redelijk is. Indien dit het geval is, moet worden bepaald of een nadeelcompensatieovereenkomst met de aanvrager van de vergunning moet worden aangegaan. </al><al/><al>Via deze overeenkomst, opgesteld door de gemeente, verklaart de initiatiefnemer dat hij of zij de schadevergoeding door nadeelcompensatie en de daarmee samenhangende kosten voor zijn of haar rekening te nemen. De gemeente bepaalt wanneer het sluiten van een nadeelcompensatieovereenkomst noodzakelijk is. In het geval dat er een anterieure overeenkomst is gesloten waarin nadeelcompensatie al geregeld is, is de anterieure overeenkomst voldoende. Indien de noodzakelijke nadeelcompensatieovereenkomst om welke reden dan ook niet wordt gesloten, wordt op basis van de onderhavige beleidsregels geen medewerking verleend. Deze beleidsregels zijn immers gebaseerd op een bevoegdheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>Reguliere procedure, tenzij</titel></kop><al>Onder de Omgevingswet is de reguliere procedure voor ‘omgevingsvergunningen’ de hoofdregel (titel 4.1 Awb). Het college van burgemeester en wethouders beslissen binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. De beslistermijn kan wegens de ontvankelijkheidstoets (de controle of de aanvraag compleet is) worden opgeschort. Daarnaast kan de beslistermijn met 6 weken worden verlengd. </al><al/><al>Tegen het besluit is bezwaar, beroep en hoger beroep mogelijk. Alleen belanghebbenden kunnen van deze rechtsmiddelen gebruikmaken. </al><al/><al>In paragraaf 16.5.3 van de Omgevingswet en in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit staat wanneer de uitgebreide procedure geldt. Activiteiten waarvoor een m.e.r.(beoordelingsplicht) geldt vallen in ieder geval niet onder de reikwijdte van deze regeling, hiervoor is altijd een uitgebreide procedure aan de orde. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11:</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Er kunnen altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van de vastgestelde beleidsregels in een concreet geval tot onevenredige gevolgen leiden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. In het algemeen kan er een beroep op de hardheidsclausule worden gedaan indien:</al><lijst><li nr="1."><al>Er bijzondere omstandigheden kunnen worden aangevoerd die medewerking in afwijking van het de beleidsregels noodzakelijk maken en er geen redelijke alternatieven bestaan om hierin te voorzien, mits de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en geen (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd;</al></li><li nr="2."><al>Als het verzoek weliswaar niet binnen de geldende beleidsregels past, maar een beleidswijziging als gevolg van het verzoek voor de hand ligt;</al></li><li nr="3."><al>Een verzoek weliswaar past binnen de in dit beleid neergelegde uitgangspunten, maar dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, er geen medewerking dient te worden verleend. </al></li></lijst><al>Voorkomen moet worden dat de in de beleidsregels neergelegde uitgangspunten als een recht worden toegepast. Aan ieder afwijkingsbesluit gaat een belangenafweging vooraf die in een concreet geval, zelfs als het verzoek past binnen de in dit beleid opgenomen randvoorwaarden, tot weigering van het afwijkingsverzoek kan leiden. Er moet onderkend worden dat elk beleid onvoorziene neveneffecten kan hebben. Met een beroep op de hardheidsclausule kunnen onvoorziene, onaanvaardbare gevolgen van beleidsregels worden voorkomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12:</nr><titel>Inwerkingtreding </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ‘Beleidsregels planologische afwijkingsregelingen 2019’ van de gemeente Cranendonck die op 3 september 2019 door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld, wordt ingetrokken bij inwerkingtreding van deze beleidsregels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze beleidsregels met de bijbehorende bijlagen treden in werking de dag nadat zij zijn bekendgemaakt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: ‘Beleidsregels buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bouwregels 2025’ van de gemeente Cranendonck.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening><functie>Aldus vastgesteld op april 2025.</functie><functie/></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>Burgemeester en wethouders van de gemeente Cranendonck,</functie><functie/></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>De secretaris, </functie><functie>E. Jacobs </functie><functie/></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>De burgemeester,</functie><functie>F.A.P. van Kessel </functie></ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlagen:</label><titel> Voorbeelden <noot><noot.nr>4 </noot.nr><noot.al>Deze tekeningen zijn illustratief en niet op schaal. Er kunnen geen rechten worden ontleend aan deze voorbeelden.</noot.al></noot></titel></kop><al/><al><vet>Voorbeeld 1) Behorende bij artikel 3.3 Binnen de bebouwde kom</vet></al><al><vet>ONDERDEEL 1: BEDRIJFSWONING MET DE FUNCTIE “BEDRIJF”</vet></al><al/><al><onderstreept>Wijze van meten</onderstreept>:</al><al>Om te kunnen bepalen hoeveel m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning is toegestaan, wordt de volgende rekensom gemaakt: </al><al/><table frame="all"><tgroup cols="1"><colspec colname="col1" colwidth="93*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Het aantal m<sup>2</sup> van het perceel dat wordt gebruikt voor de bedrijfswoning – het aantal m<sup>2</sup> van de oorspronkelijke bedrijfswoning zelf.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>In onderstaand voorbeeld: het geel gestreepte vlak – het oranje gebouw.</al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="10i723bbf22-eaf6-4074-8376-a295010bb1ab.png" type="foto" breedte="15.9cm" id="i723bbf22-eaf6-4074-8376-a295010bb1ab" hoogte="6.02cm"/></plaatje></al><al/><al>Het gedeelte dat wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering wordt niet meegerekend. Eventuele bijbehorende bouwwerken bij het bedrijfsgebouw tellen ook niet mee.</al><al/><al>De bestaande bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning tellen wel mee in het totaal om te bepalen hoeveel m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken al zijn gerealiseerd en hoeveel m<sup>2</sup> extra is toegestaan. Vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken tellen ook mee in deze berekening.</al><al/><al><onderstreept>Berekenen max aantal toegestane m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken:</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>Het perceel met de functie “Bedrijf” is 1000 m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="-"><al>Het gedeelte dat wordt gebruikt voor de bedrijfswoning is 600 m<sup>2</sup>.</al></li><li nr="-"><al>De oorspronkelijke bedrijfswoning is 100 m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="-"><al>Het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de bedrijfswoning is 30 m<sup>2</sup>.</al></li></lijst><al><onderstreept>De rekensom</onderstreept>: 600 m<sup>2</sup> – 100 m<sup>2</sup> = 500 m<sup>2</sup>. </al><al>Dit betekent dat <vet>artikel 3.3 onderdeel 1 sub e</vet> geldt (in de tabel: 200 tot 600 m<sup>2</sup>) en er maximaal 100 m<sup>2</sup> buiten de grond onder de oorspronkelijke bedrijfswoning is toegestaan. Er staat al een bijbehorend bouwwerk van 30 m<sup>2</sup>. Met een Bopa kan nog 70 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.</al><al/><al><vet>Voorbeeld 2) Behorende bij artikel 3.3 Binnen de bebouwde kom</vet></al><al><vet>ONDERDEEL 1: DE (BEDRIJFS)WONING WORDT GESPLITST</vet></al><al/><al><onderstreept>Wijze van meten:</onderstreept></al><al>Om te kunnen bepalen hoeveel m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken bij beide woningen zijn toegestaan, geldt het volgende: </al><al/><table frame="all"><tgroup cols="1"><colspec colname="col1" colwidth="93*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Bij splitsing wordt het aantal m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken naar rato in percentage verdeeld over de gesplitste percelen.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="11i4a45efac-16f3-4512-9980-8c18a548927e.png" type="foto" breedte="15.9cm" id="i4a45efac-16f3-4512-9980-8c18a548927e" hoogte="12.88cm"/></plaatje></al><al/><al><vet>VOOR splitsing</vet></al><al><onderstreept>Berekenen max aantal toegestane m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken</onderstreept>:</al><lijst><li nr="-"><al>Het perceel met de functie “Wonen” is 800 m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="-"><al>Het bouwvlak is 150 m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="-"><al>Het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de woning is 40 m<sup>2</sup>, maar valt binnen het bouwvlak en wordt dus niet meegerekend. </al></li></lijst><al><onderstreept>De rekensom</onderstreept>: 800 m<sup>2</sup> – 150 m<sup>2</sup> = 650 m<sup>2</sup>. </al><al>Dit betekent dat <vet>artikel 3.3 onderdeel 1 sub d</vet> geldt (in de tabel: 600 tot 1200 m<sup>2</sup>) en er maximaal 120 m<sup>2</sup> buiten het bouwvlak is toegestaan. Met een Bopa kan nog 120 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.</al><al/><al><vet>NA splitsing</vet></al><al><onderstreept>Berekenen max aantal toegestane m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken:</onderstreept></al><lijst><li nr="-"><al>Perceel 1 heeft een oppervlakte van 500 m<sup>2</sup>.</al></li><li nr="-"><al>Perceel 2 heeft een oppervlakte van 300 m<sup>2</sup>.</al></li><li nr="-"><al>Het bouwvlak blijft 150 m<sup>2</sup> groot.</al></li></lijst><al><onderstreept>De rekensom voor perceel 1</onderstreept>: 500 m<sup>2</sup> van 800 m<sup>2</sup> = 62,5% van 120 m<sup>2</sup>.</al><al>Dit betekent dat er maximaal 75 m<sup>2</sup> buiten het bouwvlak binnen de functie “Wonen” is toegestaan. In dit voorbeeld wil de eigenaar achter op het perceel een schuur met een grootte van 10 m<sup>2</sup> plaatsen. Dit betekent dat hij nog 65 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken overhoudt. </al><al/><al><onderstreept>De rekensom voor perceel 2</onderstreept>: 300 m<sup>2</sup> van 800 m<sup>2</sup> = 37,5% van 120 m<sup>2</sup>. </al><al>Dit betekent dat er maximaal 45 m<sup>2</sup> buiten het bouwvlak binnen de functie “Wonen” is toegestaan. In dit voorbeeld wil de eigenaar achter op het perceel een garage met een grootte van 45 m<sup>2</sup> plaatsen. Dit betekent dat hij geen extra m<sup>2</sup> bijbehorende bouwwerken overhoudt. Binnen het bouwvlak is wel nog ruimte om te bouwen.</al><al/><al>Het totaal aantal toegestane m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken voor de twee percelen blijft dus in totaal 120 m<sup>2</sup> buiten het bouwvlak binnen de functie “Wonen”.</al><al/><al><vet>Voorbeeld 3) Behorende bij artikel 3.4 Buiten de bebouwde kom</vet></al><al><vet>ONDERDEEL 3:</vet><vet>WONING MET DE FUNCTIE “WONEN”</vet></al><al/><al><onderstreept>Wijze van meten</onderstreept>:</al><al>Om te kunnen bepalen hoeveel m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken bij de woning is toegestaan, geldt het volgende: </al><al/><table frame="all"><tgroup cols="1"><colspec colname="col1" colwidth="93*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Binnen de functie “Wonen” in het buitengebied is maximaal 150 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken (behorende bij de woning) toegestaan – het aantal bestaande m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>In onderstaand voorbeeld: het gele vlak – het groene vlak.</al><al/><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="12i4b9f063f-49b9-4c1b-9e55-53934dd6e666.png" type="foto" breedte="15.9cm" id="i4b9f063f-49b9-4c1b-9e55-53934dd6e666" hoogte="6.37cm"/></plaatje></al><al/><al>De gronden met de functie “Agrarisch” worden niet meegerekend. </al><al/><al>De bestaande bijbehorende bouwwerken binnen de functie “Wonen” tellen wel mee in het totaal om te bepalen hoeveel m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken al zijn gerealiseerd en hoeveel m<sup>2</sup> extra is toegestaan. Vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken tellen ook mee in deze berekening. </al><al/><al>Buiten de bebouwde kom wordt geen onderscheid gemaakt tussen de vraag of het bijbehorend bouwwerk binnen of buiten het bouwvlak staat. Voor de berekening van het maximale aantal toegestane vierkante meters wordt de volledige functie “Wonen” meegerekend. </al><al/><al><onderstreept>Berekenen max aantal toegestane m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken</onderstreept>:</al><lijst><li nr="-"><al>Het perceel met de functie “Wonen” (geel vlak) is 1000 m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="-"><al>Het oorspronkelijke hoofdgebouw (oranje huis) is 200 m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="-"><al>Het bestaande bijbehorende bouwwerk bij de woning is 40 m<sup>2</sup>.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3.4 onderdeel 3 sub d</vet> bepaalt dat er maximaal 150 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan. Er staat al een bijbehorend bouwwerk van 40 m<sup>2</sup>. </al><al/><al><onderstreept>De rekensom</onderstreept>: 150 m<sup>2</sup> – 40 m<sup>2</sup> = 110 m<sup>2</sup>. Met een Bopa kan nog 110 m<sup>2</sup> aan bijbehorende bouwwerken gerealiseerd worden.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>