<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73828_10</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van Provinciale Staten van de provincie Flevoland houdende subsidie Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-09-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-5296.html">Provinciaal Blad 2016, 5296</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 145 Provinciewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-09-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 5.1.2.4, bijlage 3, 7</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1946153</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>natuur en landschap, subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De wijziging in artikel 5.1.2.4, tweede lid treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2014.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage resourceIdentifier="exb-2016-40709">Bijlage 9.1</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage resourceIdentifier="exb-2016-40710">Bijlage 9.2</overheidrg:externeBijlage><overheidrg:externeBijlage resourceIdentifier="exb-2016-40711">Bijlage 9.3</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening van Provinciale Staten van de provincie Flevoland houdende subsidie Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Flevoland 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van provincie Flevoland</al><al>Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer</al><al>Verordening van 1 januari 2010 houdende regels inzake de
                        subsidieverstrekking ten behoeve van natuur- en landschapsbeheer</al><al>Provinciale Staten van de provincie Flevoland;</al><al>Gelet op artikel 145 van de Provinciewet;</al><al>Besluiten vast te stellen de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer
                        Flevoland als volgt:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.1 (begripsbepalingen)</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> agrarisch beheerpakket: in bijlage 3, onderdeel B.1, beschreven
                                    pakket zoals nader beschreven in de Index Natuur en Landschap,
                                    alsmede in bijlage 3, onderdeel B.2, beschreven pakket zoals
                                    nader beschreven in dat onderdeel;</al></li><li nr="b."><al> agrarisch beheertype: in bijlage 3, onderdeel A, tweede kolom,
                                    opgenomen beschrijving van een groep agrarische beheerpakketten
                                    die eenzelfde doel hebben;</al></li><li nr="c."><al> agrarische natuurvereniging: rechtspersoon die zich krachtens
                                    haar statuten richt op de ondersteuning en stimulering van
                                    agrarisch natuurbeheer;</al></li><li nr="d."><al> begunstigde: potentiële subsidieontvanger;</al></li><li nr="e. "><al>beheereenheid: aaneengesloten oppervlakte landbouwgrond waarop
                                    een agrarisch beheerpakket wordt of gaat worden uitgevoerd;</al></li><li nr="f. "><al>beheerjaar: periode van 365 dagen, dan wel van 366 dagen indien
                                    binnen die periode de datum 29 februari valt;</al></li><li nr="g."><al> beheerpakket landschap: in bijlage 6, onderdeel B.1, tweede
                                    kolom beschreven pakket zoals nader beschreven in de Index
                                    Natuur en Landschap, alsmede in bijlage 6, onderdeel B.2, tweede
                                    kolom beschreven pakket zoals nader beschreven in dat onderdeel,
                                    welke niet worden uitgevoerd op een natuurterrein;</al></li><li nr="h. "><al>collectief agrarisch natuurbeheer: agrarisch natuurbeheer
                                    waarover op grond van artikel 2.1, vierde lid, in het
                                    natuurbeheerplan nadere voorschriften zijn opgenomen;</al></li><li nr="i."><al> collectief beheerplan: plan inzake de coördinatie en afstemming
                                    van collectief agrarisch natuurbeheer of collectief
                                    landschapsbeheer, opgesteld door een gebiedscoördinator;</al></li><li nr="j."><al> collectief landschapsbeheer: landschapsbeheer buiten
                                    natuurterreinen waarover op grond van artikel 2.1, vierde lid,
                                    in het natuurbeheerplan nadere voorschriften zijn
                                    opgenomen;</al></li><li nr="k. "><al>gebiedscoördinator: rechtspersoon die collectief agrarisch
                                    natuurbeheer of collectief landschapsbeheer. coördineert en
                                    beschikt over een geldig certificaat coördinatie agrarisch
                                    natuurbeheer, afgegeven overeenkomstig paragraaf 8.1;</al></li><li nr="l."><al> gecertificeerde begunstigde: begunstigde als bedoeld in de
                                    artikelen 3.1.3, eerste lid, of 5.1.2.1, eerste lid, die
                                    beschikt over een overeenkomstig paragraaf 8.1 afgegeven geldig
                                    certificaat natuurbeheer of certificaat samenwerkingsverband
                                    natuurbeheer;</al></li><li nr="m. "><al>landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2,
                                    onderdeel c, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van de
                                    Europese Unie van 19 januari 2009 tot vaststelling van
                                    gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake
                                    rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van
                                    het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van
                                    bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van
                                    Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr.
                                    378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003
                                    (PbEU L 30);</al></li><li nr="n."><al> landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, dan wel
                                    een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of
                                    rechtspersonen dat, een landbouwactiviteit uitoefent;</al></li><li nr="o."><al> landbouwgrond: binnen de provincie gelegen stuk grond waarop
                                    een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd, niet zijnde gronden als
                                    bedoeld in onderdeel v , andere gronden met als hoofdfunctie
                                    natuur of gronden als bedoeld in artikel 5a van de Beleidsregels
                                    Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van de minister van Economische
                                    Zaken.</al></li><li nr="p."><al> landschapsbeheertype: in de eerste kolom van de onderdelen A.1
                                    en B.1 van bijlage 6 opgenomen soort landschap zoals nader
                                    beschreven in de Index Natuur en Landschap, alsmede in de eerste
                                    kolom van de onderdelen A.2 en B.2 van bijlage 6 opgenomen soort
                                    landschap zoals nader omschreven in die onderdel;</al></li><li nr="q."><al> landschapselement: in bijlage 6, onderdeel A.1, tweede kolom
                                    beschreven element zoals nader beschreven in de Index Natuur en
                                    Landschap, alsmede in bijlage 6, onderdeel A.2, tweede kolom
                                    beschreven element zoals nader beschreven in dat onderdeel,
                                    welke in stand gehouden wordt op een natuurterrein;</al></li><li nr="r."><al> de minister: de minister van Economische Zaken.</al></li><li nr="s."><al> monitoringsprogramma: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld
                                    meerjarig programma waarin GS beschrijft hoe in de
                                    informatievoorziening voor het natuurdomein wordt voorzien.</al></li><li nr="t. "><al>natuurbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 2.1;</al></li><li nr="u."><al> natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, opgenomen soort
                                    natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur en
                                    Landschap;</al></li><li nr="v."><al> natuurterrein: binnen de provincie gelegen grond met als
                                    hoofdfunctie natuur, die ingevolge artikel 2.1, tweede lid,
                                    onderdeel a, is begrensd, alsmede gronden waarvoor een subsidie
                                    functieverandering is verstrekt als bedoeld in de
                                    Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap
                                    Flevoland;</al></li><li nr="w."><al> peildatum: 15 mei;</al></li><li nr="x. "><al>plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013: Nederlands
                                    plattelandsontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 15 van
                                    Verordening (EG) nr. 1698/2005;</al></li><li nr="y."><al> probleemgebied: gebied met een natuurlijke handicap als bedoeld
                                    in artikel 36, onderdeel a, onder ii, van Verordening (EG) nr.
                                    1698/2005, dat als zodanig is aangemerkt in het
                                    plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013;</al></li><li nr="z."><al> probleemgebiedensubsidie: subsidie voor de uitoefening van
                                    landbouwactiviteiten op landbouwgrond in een
                                    probleemgebied;</al></li><li nr="aa."><al> recreatiepakket: in bijlage 2 beschreven pakket bestaande uit
                                    verplichtingen inzake het mogelijk maken van recreatief gebruik
                                    van natuurterreinen;</al></li><li nr="bb."><al> subsidie agrarisch natuurbeheer: subsidie voor het uitvoeren
                                    van een agrarisch beheerpakket op landbouwgrond;</al></li><li nr="cc."><al> subsidie landschapsbeheer: subsidie als bedoeld in artikel
                                    5.1.1.1, eerste lid;</al></li><li nr="dd. "><al>subsidie natuurbeheer: subsidie voor het instandhouden van een
                                    op een natuurterrein aanwezig natuurbeheertype.</al></li><li nr="ee."><al> subsidie organisatiekosten: subsidie voor de organisatie van
                                    activiteiten die zijn gericht op de ondersteuning en stimulering
                                    van agrarisch natuurbeheer;</al></li><li nr="ff."><al> Verordening (EG) nr. 1698/2005: Verordening (EG) nr. 1698/2005
                                    van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake
                                    steun voor plattelandsontwikkeling in het Europees Landbouwfonds
                                    voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);</al></li><li nr="gg."><al> Verordening (EG) nr. 1974/2006: Verordening (EG) nr. 1974/2006
                                    van de Europese Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling
                                    van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van
                                    de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het
                                    Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)
                                    (PbEU L 368);</al></li><li nr="hh."><al> Verordening (EG) nr. 1975/2006: Verordening (EG) nr. 1975/2006
                                    van de Europese Commissie van 7 december 2006 houdende
                                    uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de
                                    Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en
                                    van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor
                                    plattelandsontwikkeling (PbEU L 368).</al></li><li nr="ii."><al> Verordening (EG) nr. 1122/2009: Verordening (EG) nr. 1122/2009
                                    van de Europese Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling
                                    van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009
                                    van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het
                                    geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij
                                    die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse
                                    steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening
                                    (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in
                                    het kader van de steunregeling voor de wijnsector.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.2 (verhouding provinciaal subsidiekader)</titel></kop><al>Op subsidies die worden verstrekt op grond van deze verordening is de
                            Algemene Subsidieverordening Flevoland niet van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel> Artikel 1.3 (subsidieplafond en openstelling)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op grond van deze verordening kan uitsluitend subsidie worden
                                verstrekt als Gedeputeerde Staten de mogelijkheid tot het doen van
                                een aanvraag hebben opengesteld door vaststelling van een
                                subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen verschillende subsidieplafonds
                                vaststellen voor de verschillende subsidies, toeslagen,
                                natuurbeheertypen, agrarische beheertypen, landschapsbeheertypen,
                                agrarische beheerpakketten, beheerpakketten landschap, categorieën
                                van begunstigden of gebieden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het tweede lid stellen Gedeputeerde Staten in elk
                                geval afzonderlijke subsidieplafonds vast ten behoeve van aanvragen
                                tot verlening van:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> een subsidie agrarisch natuurbeheer in het kader van
                                        collectief agrarisch natuurbeheer, én</al></li><li nr="b."><al> een subsidie landschapsbeheer in het kader van collectief
                                        landschapsbeheer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De totale omvang van de subsidieplafonds, als bedoeld in het tweede
                                lid, mag de rijksbijdrage voor natuurbeheer aan het provinciefonds
                                niet overstijgen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Gedeputeerde Staten maken uiterlijk zes weken voor aanvang van de
                                openstellingsperiode een besluit als bedoeld in dit artikel bekend
                                in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.4 (rangschikking: volgorde van ontvangst)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten rangschikken aanvragen tot subsidieverlening die
                                in eenzelfde openstellingsperiode zijn ingediend per subsidieplafond
                                in volgorde van ontvangst, waarbij aanvragen met dezelfde
                                ontvangstdatum worden gerangschikt door loting voor zover op die
                                datum het subsidieplafond wordt overschreden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Volgens de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, komt de hoogst
                                gerangschikte aanvraag het eerst voor subsidie in aanmerking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als een aanvraag naar het oordeel van Gedeputeerde Staten
                                onvolledig is, wordt de aanvraag voor de toepassing van het eerste
                                lid geacht te zijn ontvangen op de datum die wordt bepaald door de
                                datum waarop de onvolledige aanvraag is ingediend te vermeerderen
                                met de periode, gelegen tussen de dag dat de begunstigde op grond
                                van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht op de hoogte is
                                gesteld van de onvolledigheid van de aanvraag en de dag waarop
                                Gedeputeerde Staten de ontbrekende gegevens en bescheiden hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.5 (indiening aanvraag)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Aanvragen tot subsidieverlening, wijziging of intrekking van een
                                subsidieverlening, subsidievaststelling, ontheffing van
                                subsidieverplichtingen, voorschotverlening of goedkeuring worden
                                ingediend met gebruikmaking van een daartoe door of vanwege
                                Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Door of namens Gedeputeerde Staten kan een aanvraagformulier worden
                                vastgesteld ten behoeve van aanvragen tot certificering als bedoeld
                                in artikel 8.1.1, eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen: </al><lijst><li nr="a."><al> nadere eisen stellen aan de elektronische indiening van een
                                        aanvraag als bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr="b."><al> nadere technische specificaties vaststellen waaraan de
                                        kaarten moeten voldoen die overeenkomstig de onderhavige
                                        verordening bij de aanvraag gevoegd dienen te worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als een aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde, gaat de
                                aanvraag vergezeld van een bewijs van machtiging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.6 (beslistermijn)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beslissen binnen tien weken op een aanvraag. De
                                beslissing kan éénmaal met ten hoogste tien weken worden
                                verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid beslissen Gedeputeerde Staten: </al><lijst><li nr="a."><al> binnen tien weken na afloop van een kalender-
                                        onderscheidenlijk beheerjaar op aanvragen als bedoeld in de
                                        artikelen 4.1.1.6, tweede lid, 4.1.2.4, 4.2.4, 5.1.3.3,
                                        tweede lid, en 7.3, waarbij de beslissing éénmaal met ten
                                        hoogste tien weken kan worden verdaagd;</al></li><li nr="b. "><al>uiterlijk op 15 maart op aanvragen als bedoeld in artikel
                                        9.1;</al></li><li nr="c."><al> niet eerder op aanvragen als bedoeld in artikel 8.1.1 dan
                                        de dag waarop de begunstigde voldoet aan de voorwaarden,
                                        bedoeld in artikel 8.1.3.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.7 (bewaren subsidiedocumenten)</titel></kop><al>Een ontvanger van een subsidie bewaart alle documenten inzake een door
                            hem op grond van deze verordening verstrekte subsidie gedurende een
                            periode van ten minste vijf jaar nadat de betreffende subsidie geheel is
                            vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.8 (minimale hoogte subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Geen subsidie wordt toegekend als het voorschot dat op grond van de
                                betreffende aanvraag over het eerste kalender- onderscheidenlijk
                                beheerjaar zou kunnen worden verstrekt minder dan € 200,-
                                bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een probleemgebiedensubsidie wordt niet verstrekt indien het bedrag
                                dat op grond van de betreffende aanvraag zou kunnen worden verstrekt
                                minder dan € 200,- bedraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.9 (uitsluitingen begunstigden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie ingevolge deze verordening wordt niet verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a."><al> publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                        Staatsbosbeheer;</al></li><li nr="b."><al> rechtspersonen die waterwinning als doelstelling
                                        hebben;</al></li><li nr="c."><al> privaatrechtelijke rechtspersonen die kennelijk zijn
                                        opgericht ten behoeve van het beheer van grond of water,
                                        waarvan de eigendom geheel of gedeeltelijk berust bij de
                                        rechtspersonen, bedoeld in de onderdelen a en b;</al></li><li nr="d."><al> begunstigden ter voldoening aan verplichtingen die op grond
                                        van enig ander wettelijk voorschrift zijn
                                        voorgeschreven.</al></li><li nr="e."><al> begunstigden die zijn aan te merken als een bedrijf in
                                        moeilijkheden als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren
                                        inzake staatssteun voor reddings-en herstructureringssteun
                                        aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2004/C
                                        244/02);</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een subsidie natuurbeheer ingevolge deze verordening wordt niet
                                verstrekt aan begunstigden die het natuurterrein, anders dan als
                                gevolg van een inrichtingsplan als bedoeld in de Wet inrichting
                                landelijk gebied, hebben verkregen van een gemeente, een
                                samenwerkingsverband als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke
                                regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, het
                                Rijksvastgoed- en ontwikkelbedrijf van het ministerie van Financiën,
                                een waterschap of een waterleidingsmaatschappij.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het eerste en tweede lid, en behoudens het
                                bepaalde in het vierde en vijfde lid, kan een subsidie natuurbeheer
                                ingevolge deze verordening worden verstrekt aan gemeenten,
                                samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke
                                regelingen waaraan in meerderheid gemeenten deelnemen, of
                                begunstigden als bedoeld in het tweede lid,</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gemeenten en samenwerkingsverbanden als bedoeld in de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen waaraan in meerderheid gemeenten
                                deelnemen komen slechts in aanmerking voor een subsidie natuurbeheer
                                voor zover dezen voor het natuurterrein waarvoor subsidie wordt
                                aangevraagd: </al><lijst><li nr="a."><al> subsidie ontvangen op basis van de Subsidieregeling
                                        natuurbeheer 2000 van de minister of de Subsidieregeling
                                        natuurbeheer Flevoland, waarbij</al></li><li nr="b."><al> de periode waarvoor de in onderdeel a bedoelde subsidie
                                        wordt verstrekt op of na 31 december 2010 eindigt, én</al></li><li nr="c."><al> de subsidie natuurbeheer die op grond van de onderhavige
                                        verordening kan worden verstrekt niet later ingaat dan 1
                                        januari van het kalenderjaar, volgend op het jaar waarin de
                                        in onderdeel a bedoelde subsidie eindigt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Een subsidie natuurbeheer die aan begunstigden als bedoeld in het
                                vierde lid wordt verstrekt kan niet vermeerderd worden met de in
                                artikel 3.1.1, tweede lid, bedoelde vergoeding voor de
                                instandhouding van het recreatiepakket.”</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.10 (anti-cumulatie)</titel></kop><al>Als voor de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd subsidie is
                            verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of
                            door andere overheden, waardoor het totaal aan subsidie voor de
                            betreffende activiteit meer bedraagt dan:</al><lijst><li nr="a. "><al>de werkelijke kosten die de activiteiten met zich brengen;</al></li><li nr="b."><al> de maximale vergoeding die op grond van Europese voorschriften
                                    mag worden gegeven, of</al></li><li nr="c."><al> de maximale vergoeding die op grond van het
                                    plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 mag worden
                                    gegeven,</al></li></lijst><al>wordt de subsidie op grond van deze verordening zoveel lager verstrekt
                            als noodzakelijk is om betaling boven de werkelijke kosten dan wel de
                            hiervoor bedoelde maxima te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.11 (communautaire richtsnoeren voor
                                staatssteun)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidies als bedoeld in: </al><lijst><li nr="a."><al> hoofdstuk 3, voor zover de subsidie wordt verstrekt voor de
                                        instandhouding van één of meer natuurbeheertypen met de
                                        aanduidingen N14.01 tot en met N17.04, als bedoeld in
                                        bijlage 1, tweede kolom;</al></li><li nr="b."><al> paragraaf 4.1, voor zover de subsidie wordt verstrekt voor
                                        de uitvoering van één of meer agrarische beheerpakketten als
                                        bedoeld in bijlage 3, onderdeel B.2, en;</al></li><li nr="c."><al> hoofdstuk 6</al></li><li nr=""><al>worden slechts verstrekt voor zover die verstrekking
                                        geschiedt in overeenstemming met de beschikking van de
                                        Europese Commissie van 31 januari 2011 met kenmerk
                                        C(2011)581.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidies als bedoeld in: </al><lijst><li nr="a."><al> hoofdstuk 3, voor zover de subsidie wordt verstrekt voor de
                                        instandhouding van één of meer natuurbeheertypen met de
                                        aanduidingen N01.01 tot en met N13.02, als bedoeld in
                                        bijlage 1, tweede kolom, en</al></li><li nr="b."><al> afdeling 5.1.2</al></li><li nr=""><al>worden slechts verstrekt voor zover die verstrekking
                                        geschiedt in overeenstemming met de beschikking van de
                                        Europese Commissie van 20 april 2011 met kenmerk
                                        C(2011)2631.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Aanvragen voor subsidies als bedoeld in het eerste lid kunnen niet
                                worden ingediend na 31 oktober 2017.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Aanvragen voor subsidies als bedoeld in het tweede lid kunnen niet
                                worden ingediend na 31 oktober 2017.”</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Kosten voor aanvragen als bedoeld in het eerste en tweede lid zijn
                                slechts subsidiabel indien zij zijn gemaakt nadat de aanvraag om
                                subsidie is ingediend;</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor aanvragen als bedoeld in het eerste en tweede lid die zijn
                                ingediend na 30 juni 2014 gelden de Richtsnoeren van de Europese
                                Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in
                                plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014/C 204/01).</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 1.12 (toepassing slotenmarge)</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Natuurbeheerplan</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.1 (natuurbeheerplan)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen een natuurbeheerplan vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als onderdeel van het natuurbeheerplan stellen Gedeputeerde Staten
                                in elk geval een elektronische kaart met een topografische
                                ondergrond vast, waarop is aangeduid: </al><lijst><li nr="a."><al> voor welke natuurterreinen een subsidie natuurbeheer kan
                                        worden verstrekt en welk natuurbeheertype op deze
                                        natuurterreinen in stand kan worden gehouden;</al></li><li nr="b."><al> voor welke landbouwgronden een subsidie agrarisch
                                        natuurbeheer kan worden verstrekt en tot welke agrarische
                                        beheertypen het op die landbouwgrond uit te voeren
                                        agrarische beheerpakket dient te behoren;</al></li><li nr="c."><al> voor welke landschapsbeheertypen, landschapselementen of
                                        beheerpakketten landschap op welke lokatie een subsidie
                                        landschapsbeheer kan worden verstrekt, met dien verstande
                                        dat ten aanzien van beheerpakketten landschap ook gebieden
                                        aangeduid kunnen worden waarbinnen een subsidie
                                        landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1., eerste
                                        lid, onderdeel b, kan worden verstrekt;</al></li><li nr="d."><al> voor welke landbouwgronden een probleemgebiedensubsidie kan
                                        worden verstrekt;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In het natuurbeheerplan kan tevens worden bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al> voor welke natuurterreinen, aangewezen overeenkomstig het
                                        tweede lid, onderdeel a, subsidieontvangers om de in artikel
                                        3.1.6. derde lid, onderdeel a, genoemde reden zijn
                                        vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in artikel 3.1.6,
                                        eerste lid, onderdeel e;</al></li><li nr="b. "><al>voor welke natuurterreinen de toeslagen, bedoeld in artikel
                                        artikel 3.1.8, tweede lid, kunnen worden verstrekt;</al></li><li nr="c."><al> voor welke landbouwgronden of andere gronden met het oog op
                                        natuurontwikkeling verwerving als bedoeld in paragraaf 2.3
                                        van de Regeling inrichting landelijk gebied van de minister: </al><lijst><li nr="i."><al> uitsluitend wordt nagestreefd ten behoeve van
                                                Staatsbosbeheer of </al><al/><al> instellingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid,
                                                van de Regeling subsidies particuliere
                                                terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties van
                                                de minister, zoals dat artikel tot 1 januari 2008
                                                luidde;</al></li><li nr="ii."><al> uitsluitend of mede wordt nagestreefd ten behoeve
                                                van anderen</al><al/><al> dan de instellingen of organisaties, bedoeld onder
                                                i. </al></li></lijst></li><li nr="d."><al> voor welke landbouwgronden een probleemgebiedensubsidie als
                                        bedoeld in artikel 4.2.10 kan worden verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In het natuurbeheerplan kan in het kader van collectief agrarisch
                                natuurbeheer of collectief landschapsbeheer; tevens worden bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al> dat voor het uitvoeren van één of meerdere agrarische
                                        beheerpakketten of beheerpakketten landschap binnen een in
                                        het natuurbeheerplan begrensd gebied alleen subsidie kan
                                        worden verstrekt als binnen dat gebied voor ten minste een
                                        bepaald aantal hectares subsidie voor die agrarische
                                        beheerpakketten of beheerpakketten landschap wordt
                                        verstrekt;</al></li><li nr="b. "><al>welke agrarische beheerpakketten of beheerpakketten
                                        landschap binnen het op grond van onderdeel a vastgestelde
                                        gebied moeten voorkomen en in welke verhouding die
                                        agrarische beheerpakketten of beheerpakketten landschap
                                        aanwezig moeten zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In gebieden die door Gedeputeerde Staten op basis van het vierde
                                lid zijn begrensd kunnen geen aanvragen worden ingediend voor het
                                uitvoeren van de overeenkomstig dat lid aangewezen agrarische
                                beheerpakketten op of beheerpakketten landschap voor zover deze niet
                                zijn opgenomen in de aanvraag, bedoeld in artikel 9.1.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Natuurbeheer</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 3.1 Algemene bepalingen inzake subsidie
                                natuurbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie
                                    natuurbeheer verstrekken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie natuurbeheer verhogen
                                    met een vergoeding voor de instandhouding van het
                                    recreatiepakket op een natuurterrein.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie natuurbeheer wordt verstrekt voor een periode van zes
                                aaneengesloten kalenderjaren, of zoveel langer als op grond van
                                artikel 12.4 vereist is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.3 (begunstigden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie natuurbeheer kan worden verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a. "><al>een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij aanvang
                                            van de periode waarvoor subsidie wordt verstrekt
                                            zeggenschap heeft over het te voeren beheer van het
                                            natuurterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd,
                                            krachtens: </al><lijst><li nr="I. "><al>eigendom;</al></li><li nr="II."><al> erfpacht;</al></li><li nr="III."><al> recht van beklemming;</al></li><li nr="IV. "><al>artikel 45 van de Wet inrichting landelijk
                                                  gebied, of</al></li><li nr="V."><al> een plan van tijdelijk gebruik als bedoeld in
                                                  artikel 189 van de Landinrichtingswet zoals die
                                                  wet tot 1 januari 2007 gold, en voorts gedurende
                                                  de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de
                                                  subsidie wordt verleend ten minste op de peildatum
                                                  van ieder kalenderjaar die zeggenschap heeft;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden
                                            van natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld
                                            in onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een in het eerste lid, onderdeel a, onder i. tot en met v.
                                    bedoelde titel is belast met of is afgeleid van een ander recht,
                                    kan slechts subsidie worden verstrekt voor zover dat andere
                                    recht geen afbreuk doet aan de zeggenschap over het te voeren
                                    beheer van het natuurterrein.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, en behoudens het
                                    bepaalde in artikel 3.2.3, vierde lid, kan aan Staatsbosbeheer
                                    een subsidie natuurbeheer worden verstrekt voor een
                                    natuurterrein waarvan zij nog geen eigenaar of erfpachter is
                                    indien dit natuurterrein op het moment van aanvragen in
                                    rijksbezit is en Staatsbosbeheer dit natuurterrein voor 15
                                    augustus 2009 reeds feitelijk in beheer had.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als een in het eerste lid bedoelde begunstigde een aanvraag
                                    doet voor een oppervlakte van 75 hectare of meer, kan slechts
                                    een subsidie natuurbeheer worden verstrekt voor zover de
                                    begunstigde een gecertificeerde begunstigde is.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de bepaling of sprake is van een aanvraag voor een
                                    oppervlakte van 75 hectare of meer als bedoeld in het vierde
                                    lid, worden alle aanvragen voor een subsidie natuurbeheer en
                                    subsidie landschapsbeheer van de begunstigde binnen 1
                                    openstellingsperiode bij elkaar opgeteld.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag tot verlening van een subsidie natuurbeheer gaat
                                    vergezeld van één of meerdere kaarten met een topografische
                                    ondergrond, waarop per natuurbeheertype: </al><lijst><li nr="a."><al> de grenzen van de natuurterreinen waarvoor subsidie
                                            wordt aangevraagd zijn aangegeven, én</al></li><li nr="b. "><al>die natuurterreinen zijn genummerd, waarbij met één
                                            nummer één aaneengesloten natuurterrein wordt
                                            aangeduid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een aanvraag tot verlening van een subsidie natuurbeheer
                                    tevens een aanvraag tot subsidieverlening ten behoeve van de
                                    uitvoering van het recreatiepakket omvat, en de begrenzing van
                                    het natuurterrein waarop dat pakket wordt uitgevoerd afwijkt van
                                    de begrenzing van het natuurterrein waarvoor ingevolge het
                                    eerste lid subsidie wordt aangevraagd, zijn op de in het eerste
                                    lid bedoelde kaart tevens deze afwijkende grenzen
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> [Vervallen.]</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>[Vervallen.]</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.5 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie natuurbeheer kan worden verstrekt:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> als het natuurbeheerplan, zoals dat zes weken voor de
                                            openstelling van de betreffende subsidie gold, voorziet
                                            in de verstrekking van de betreffende subsidie voor het
                                            betreffende natuurterrein;</al></li><li nr="b."><al> voor zover de begunstigde in het jaar voorafgaande aan
                                            de aanvraag tot subsidieverlening niet met opzet: </al><lijst><li nr="i."><al> een onjuiste aanvraag op grond van de
                                                  onderhavige verordening heeft ingediend ter
                                                  verkrijging van een subsidie natuurbeheer of een
                                                  subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel
                                                  5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a;</al></li><li nr="ii."><al> een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter
                                                  verkrijging van een subsidie op grond van de
                                                  Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland of de
                                                  equivalente Subsidieregeling natuurbeheer van een
                                                  andere provincie, óf</al></li><li nr="iii."><al> de subsidieverplichtingen heeft geschonden die
                                                  zijn verbonden aan de onder i. en ii. bedoelde
                                                  subsidies, én</al></li></lijst></li><li nr="c."><al> voor zover het in stand te houden natuurbeheertype een
                                            aaneengesloten oppervlakte van ten minste 0,01 ha
                                            betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een subsidie natuurbeheer wordt niet verstrekt voor een op een
                                    natuurterrein aanwezig natuurbeheertype als ten aanzien van dat
                                    natuurterrein nog verplichtingen van toepassing zijn op grond
                                    van: </al><lijst><li nr="a. "><al>de Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland;</al></li><li nr="b."><al> de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de
                                            minister;</al></li><li nr="c. "><al>de Regeling stimulering bosuitbreiding op
                                            landbouwgronden, of</al></li><li nr="d. "><al>de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van
                                            bouwland.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.6 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer: </al><lijst><li nr="a."><al> draagt er zorg voor dat alle beheeractiviteiten worden
                                            verricht die noodzakelijk zijn voor de instandhouding
                                            van het op het natuurterrein aanwezige natuurbeheertype,
                                            en dat geen handelingen worden verricht of gedoogd die
                                            afbreuk doen aan de instandhouding daarvan;</al></li><li nr="b."><al> draagt er zorg voor dat, voorzover voor het
                                            natuurterrein of deel daarvan subsidie wordt verstrekt
                                            voor de uitvoering van het recreatiepakket, wordt
                                            voldaan aan bijlage 2;</al></li><li nr="c."><al> draagt er zorg voor dat, voor zover de toeslag, bedoeld
                                            in artikel 3.8, tweede lid, onderdeel b, wordt
                                            verstrekt, wordt voldaan aan bijlage 7, onderdeel
                                            A;</al></li><li nr="d."><al> draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde
                                            Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd
                                            op het natuurterrein waarvoor subsidie wordt verstrekt;
                                            tenzij de subsidieontvanger een vergoeding ontvangt als
                                            bedoeld in artikel 3.2.1;</al></li><li nr="e. "><al>draagt er zorg voor dat het natuurterrein ten minste 358
                                            dagen per jaar kosteloos wordt opengesteld en
                                            toegankelijk blijft;</al></li><li nr="f."><al> draagt er zorg voor dat op verzoek van Gedeputeerde
                                            Staten inzage wordt gegeven in het uitgevoerde dan wel
                                            uit te voeren beheer ten behoeve van de instandhouding
                                            van het op het natuurterrein aanwezige
                                            natuurbeheertype;</al></li><li nr="g. "><al>meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als
                                            gevolg waarvan hij redelijkerwijs niet kan voldoen aan
                                            één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit
                                            binnen tien werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de
                                            hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al></li><li nr="h."><al> meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan
                                            de subsidieverplichtingen kan worden voldaan, en doet
                                            dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum,
                                            én</al></li><li nr="i. "><al>draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld
                                            in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet
                                            wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van
                                            de subsidieverplichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste
                                    lid, onderdeel b, dat het beheer laat uitvoeren door één of
                                    meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in
                                    artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel a, komt gedurende de zes
                                    kalenderjaren met elk van deze natuurlijke personen of
                                    rechtspersonen, voor zover deze op de peildatum van één of
                                    meerdere van die kalenderjaren de zeggenschap hebben over het
                                    beheer, schriftelijk overeen dat: </al><lijst><li nr="a."><al> de natuurlijke persoon of rechtspersoon de
                                            verplichtingen naleeft als bedoeld in het eerste lid,
                                            onderdelen a tot en met f en i;</al></li><li nr="b."><al> de subsidieontvanger aan de natuurlijke persoon of
                                            rechtspersoon een vergoeding betaalt voor de door hem of
                                            haar nageleefde verplichtingen als bedoeld in het eerste
                                            lid, onderdelen a tot en met c en e;</al></li><li nr="c."><al> de natuurlijke persoon of rechtspersoon garant staat
                                            voor het terugbetalen van de in onderdeel b bedoelde
                                            vergoeding, als Gedeputeerde Staten de subsidie lager
                                            vaststellen of geheel of gedeeltelijk wijzigen dan wel
                                            intrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Als: </al><lijst><li nr="a. "><al>gehele of gedeeltelijke sluiting van het natuurterrein
                                            noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens
                                            de Flora- en faunawet gestelde regels voor
                                            soortenbescherming of de krachtens de artikelen 10, 10a,
                                            19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor
                                            beschermde natuurmonumenten of Natura-2000-gebieden
                                            vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en
                                            toegangsbeperkingen;</al></li><li nr="b. "><al>het natuurterrein door buiten de macht van de
                                            subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of
                                            gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet
                                            begaanbaar is, óf</al></li><li nr="c. "><al>sluiting van ten hoogste één hectare van het
                                            natuurterrein wenselijk is vanwege de bescherming van de
                                            persoonlijke levenssfeer, is de ontvanger van een
                                            subsidie natuurbeheer voor dat betreffende gedeelte van
                                            het natuurterrein vrijgesteld van de verplichting,
                                            bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, niet zijnde een
                                    subsidieontvanger die tevens gecertificeerde begunstigde is,
                                    stelt Gedeputeerde Staten binnen tien werkdagen na een sluiting
                                    op grond van het vierde lid daarvan op de hoogte. Deze
                                    verplichting geldt niet voor zover het een natuurterrein betreft
                                    dat in het natuurbeheerplan is aangewezen overeenkomstig artikel
                                    2.1, vierde lid, onderdeel a.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer kan een aanvraag
                                    indienen tot ontheffing van de verplichting, in het eerste lid,
                                    onderdeel e, als hij daarvan om andere redenen dan genoemd in
                                    het derde lid wenst te worden ontheven.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Een melding als bedoeld in het vierde lid en een aanvraag als
                                    bedoeld in het vijfde lid gaat vergezeld van een kaart met een
                                    topografische ondergrond waarop het niet-opengestelde deel van
                                    het natuurterrein is aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie natuurbeheer bestaat uit de som van zes
                                    jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes kalenderjaren
                                    waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor
                                    het eerste kalenderjaar van de in artikel 3.1.2 bedoelde periode
                                    op grond van artikel 3.1.8, eerste lid, onderdeel a, voor het
                                    desbetreffende natuurbeheertype is vastgesteld, en het aantal
                                    hectares waarvoor voor dat betreffende natuurbeheertype subsidie
                                    wordt verstrekt, eventueel vermeerderd met:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> het product van het tarief zoals dat voor het eerste
                                            kalenderjaar van de in artikel 3.1.2 bedoelde periode op
                                            grond van artikel 3.1.8, eerste lid, onderdeel b, voor
                                            het recreatiepakket is vastgesteld, en het aantal
                                            hectares waarop dat pakket wordt uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al> het product van het tarief, bedoeld in artikel 3.1.8,
                                            eerste lid, onderdeel c, en het aantal hectares waarop
                                            in het kader van de subsidie natuurbeheer
                                            monitoringswerkzaamheden worden uitgevoerd, én</al></li><li nr="c."><al> het product van het tarief, bedoeld in artikel 3.1.8,
                                            eerste lid, onderdeel d, en het aantal hectares waarvoor
                                            de toeslagen, bedoeld in artikel 3.1.8, tweede lid,
                                            onderdelen a en b, worden verstrekt;</al></li><li nr="d."><al> een opslag voor loon- en prijsontwikkeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren: </al><lijst><li nr="a. "><al>beslissen Gedeputeerde Staten binnen tien weken
                                            ambtshalve omtrent de hoogte van de jaarvergoeding die
                                            bij het betreffende kalenderjaar behoort, waarbij die
                                            beslissing éénmaal met ten hoogste tien weken verdaagd
                                            kan worden, én</al></li><li nr="b."><al> keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes
                                            weken nadat de in onderdeel a bedoelde beslissing op de
                                            voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot
                                            uit aan: </al><lijst><li nr="i. "><al>de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op
                                                  de peildatum van het kalenderjaar waarop de
                                                  jaarvergoeding betrekking heeft, beschikt over een
                                                  in artikel 3.1.3, eerste lid, onder i. tot en met
                                                  v. bedoelde titel, een en ander gelezen in
                                                  samenhang met de artikelen 3.1.3, tweede lid, en
                                                  7.3, eerste lid, óf</al></li><li nr="ii."><al> het in artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel b,
                                                  bedoelde samenwerkingsverband, indien de aanvraag
                                                  tot subsidieverlening door dat
                                                  samenwerkingsverband is ingediend.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen in de beschikking tot
                                    subsidieverlening aan een gecertificeerde begunstigde afwijken
                                    van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid van dit
                                    artikel.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.8 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het
                                    komende kalenderjaar te verlenen subsidies natuurbeheer vast: </al><lijst><li nr="a. "><al>de tarieven voor de verschillende natuurbeheertypen,
                                            uitgedrukt in een bedrag per hectare;</al></li><li nr="b. "><al>het tarief voor het recreatiepakket, uitgedrukt in een
                                            bedrag per hectare;</al></li><li nr="c. "><al>de tarieven voor de monitoring van de kwaliteit van de
                                            verschillende natuurbeheertypen ,zoals bedoeld in
                                            artikel 3.2.1, uitgedrukt in een bedrag per hectare,
                                            én</al></li><li nr="d."><al> de tarieven voor de toeslagen, bedoeld in het tweede
                                            lid, onderdelen a en b, uitgedrukt in een bedrag per
                                            hectare waarbij Gedeputeerde Staten al naar gelang het
                                            op het betreffende natuurterrein in stand gehouden
                                            natuurbeheertype verschillende tarieven kunnen
                                            vaststellen voor de toeslag, bedoeld in het tweede lid,
                                            onderdeel b..</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie natuurbeheer met ingang
                                    van elk kalenderjaar van de in artikel 3.1.2 bedoelde
                                    periode:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> verhogen met een toeslag voor de instandhouding van een
                                            natuurbeheertype op een natuurterrein dat enkel varend
                                            kan worden bereikt, voor zover dat qua schaalgrootte,
                                            bedrijfsvoering en intensiteit van het beheer
                                            noodzakelijk is;</al></li><li nr="b."><al> op aanvraag en voor de resterende duur van die periode
                                            verhogen met een toeslag als ten behoeve van de
                                            instandhouding van een op een natuurterrein aanwezig
                                            natuurbeheertype gebruik wordt gemaakt van
                                            schaapskuddes.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De toeslagen, bedoeld in het tweede lid, kunnen slechts worden
                                    verstrekt voor zover Gedeputeerde Staten dit overeenkomstig
                                    artikel 2.1, derde lid, onderdeel b, in het natuurbeheerplan
                                    hebben bepaald;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie natuurbeheer wordt voor het betreffende
                                    kalenderjaar niet verhoogd met de toeslag, bedoeld in het tweede
                                    lid, onderdeel a, indien voor dat kalenderjaar voor het
                                    betreffende natuurterrein een vaarvergoeding als bedoeld in
                                    artikel 38f van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 van de
                                    minister wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk
                                    zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode mededeling
                                    gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.9 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie natuurbeheer vermeldt
                                in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al> het natuurbeheertype waarvoor subsidie wordt verleend;</al></li><li nr="b."><al> de hoogte van de subsidie;</al></li><li nr="c. "><al>dat Gedeputeerde Staten gedurende de periode waarvoor de
                                        subsidie wordt verstrekt een nadere uitwerking kunnen geven
                                        van de in artikel 3.1.6, eerste lid, onderdeel a, bedoelde
                                        beheeractiviteiten die noodzakelijk zijn voor de
                                        instandhouding van het natuurbeheertype, en in voorkomend
                                        geval</al></li><li nr="d. "><al>of een toeslag wordt verstrekt als bedoeld in artikel 3.1.8,
                                        tweede lid, onderdelen a en b.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.1.10 (ambtshalve vaststellen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de
                                    zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie
                                    natuurbeheer is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten
                                    hoogste tien weken worden verdaagd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 3.2 Bijzondere bepalingen inzake subsidie natuurbeheer
                                voor gecertificeerde begunstigden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie natuurbeheer voor een
                                gecertificeerde begunstigde verhogen met een vergoeding voor de
                                monitoring van de kwaliteit van het op een natuurterrein aanwezige
                                natuurbeheertype.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.2 (aanvraag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> In afwijking van artikel 3.1.4, het eerste en tweede lid gaat
                                    een aanvraag tot verlening van een subsidie natuurbeheer van een
                                    gecertificeerde begunstigde vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al>een lijst van oppervlaktes per natuurbeheertype waarvoor
                                            de subsidie wordt aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al> de totale oppervlakte waarvoor de gecertificeerde
                                            begunstigde een vergoeding wil ontvangen voor de
                                            uitvoering van het recreatiepakket;</al></li><li nr="c."><al> een lijst van oppervlaktes per natuurbeheertype
                                            waarvoor de gecertificeerde begunstigde een vergoeding
                                            wil ontvangen voor het verrichten van activiteiten op
                                            het gebied van monitoring van de kwaliteit van het op
                                            dat natuurterrein aanwezige natuurbeheertype, én</al></li><li nr="d."><al> één of meerdere elektronische kaarten met een
                                            topografische ondergrond, met daarop de buitengrenzen
                                            van de natuurterreinen waarvoor in het kader van de
                                            subsidie natuurbeheer een vergoeding wordt aangevraagd
                                            ten behoeve van: </al><lijst><li nr="i."><al> de instandhouding van één of meerdere
                                                  natuurbeheertypen, én</al></li><li nr="ii."><al> het uitvoeren van het recreatiepakket.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De oppervlaktes, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c,
                                    kunnen niet groter zijn dan de som van de oppervlaktes, bedoeld
                                    in het eerste lid, onderdeel a.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.3 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger die tevens gecertificeerde begunstigde is,
                                    draagt er zorg voor dat, voor zover subsidie wordt verstrekt
                                    voor de monitoring van de kwaliteit van een op een natuurterrein
                                    aanwezig natuurbeheertype, deze monitoring wordt verricht
                                    overeenkomstig het door Gedeputeerde Staten vastgestelde
                                    monitoringsprogramma.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 3.1.6, eerste lid, onderdelen g en h
                                    kan een subsidieontvanger die tevens gecertificeerde begunstigde
                                    is, éénmaal per kalenderjaar maar uiterlijk op 31 oktober bij
                                    Gedeputeerde Staten melden ten aanzien van welke natuurterreinen
                                    en landschapselementen niet voldaan wordt aan één of meerdere
                                    subsidieverplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien sprake is van een begunstigde als bedoeld in artikel
                                    3.1.3, vierde lid, kan de subsidie worden verleend onder de
                                    voorwaarde dat binnen een termijn van drie maanden na de datum
                                    van bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening de bij
                                    de subsidieverlening behorende uitvoeringsovereenkomst, zoals
                                    bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht en die
                                    onderdeel uitmaakt van deze beschikking, wordt gesloten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien aan Staatsbosbeheer subsidie wordt verleend op grond van
                                    artikel 3.1.3, derde lid, heeft Staatsbosbeheer de verplichting
                                    dit natuurterrein alsnog in eigendom te verwerven of in erfpacht
                                    te verkrijgen voor 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien een subsidie wordt verstrekt door toepassing van artikel
                                    12.5, eerste lid, heeft de subsidieontvanger de verplichting
                                    voor 1 januari 2015 alsnog het certificaat natuurbeheer te
                                    verkrijgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.4 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Als de in artikel 3.2.1 bedoelde vergoeding voor monitoring van de
                                kwaliteit van een op een natuurterrein aanwezig natuurbeheertype
                                wordt verstrekt, wordt de jaarvergoeding als bedoeld in artikel
                                3.1.7, tweede lid, vermeerderd met het product van het tarief zoals
                                dat voor het betreffende beheerjaar op grond van artikel 3.1.8,
                                eerste lid, onderdeel c is vastgesteld, en het aantal hectares
                                waarop in het kader van de subsidie natuurbeheer
                                monitoringswerkzaamheden worden uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.5 (subsidievaststelling)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat bij tussentijdse
                                    wijzigingen geen toepassing wordt gegeven aan hoofdstuk 7.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij toepassing van het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al> is artikel 3.1.10 niet van toepassing en dient de
                                            gecertificeerde begunstigde binnen tien weken na afloop
                                            van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de
                                            subsidie natuurbeheer is verstrekt, een verzoek tot
                                            vaststelling in;</al></li><li nr="b."><al> maken Gedeputeerde Staten en de gecertificeerde
                                            begunstigde in de overeenkomst als bedoeld in artikel
                                            5.1.2a.3, derde lid nadere afspraken over de wijze
                                            waarop wijzigingenin areaal gedurende de looptijd worden
                                            bijgehouden, zodanig dat het inzicht als bedoeld in het
                                            derde lid verschaft kan worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het uiteindelijke beheer van de oppervlaktes per
                                    natuurbeheertype afwijkt van de opgave die bij de
                                    subsidieaanvraag is gedaan, bevat het verzoek om vaststelling in
                                    ieder geval de wijzigingen die in die oppervlaktes per
                                    natuurbeheertype hebben plaatsgevonden en de datum waarop die
                                    wijzigingen plaatsvonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3.2.6 (toepasselijkheid afdeling 3.1)</titel></kop><al>De bepalingen van afdeling 3.1 zijn van overeenkomstige toepassing
                                voor zover uit de bepalingen van de onderhavige afdeling niet anders
                                voortvloeit. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Agrarisch natuurbeheer</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.1 Subsidie agrarisch natuurbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel/></kop><al>Afdeling 4.1.1 Algemene bepalingen inzake subsidie agrarisch
                                natuurbeheer</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie agrarisch
                                natuurbeheer verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie agrarisch natuurbeheer wordt verstrekt voor een periode
                                van zes aaneengesloten beheerjaren, of zoveel langer als op grond
                                van artikel 12.4 vereist is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.3 (begunstigden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden verstrekt aan
                                    een landbouwer die de landbouwgrond waarvoor subsidie wordt
                                    aangevraagd bij aanvang van de subsidie beheert krachtens een
                                    zakelijk recht of een persoonlijk recht, en voorts gedurende de
                                    zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie wordt
                                    verleend ten minste op de peildatum van ieder beheerjaar die
                                    landbouwgrond beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk
                                    recht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht
                                    is belast met of is afgeleid van een ander recht, kan slechts
                                    subsidie worden verstrekt voor zover dat andere recht geen
                                    afbreuk doet aan de mogelijkheid het beheer uit te voeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>Een aanvraag tot verlening van een subsidie agrarisch natuurbeheer
                                gaat vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond waarop
                                de grenzen van de beheereenheden waarvoor subsidie wordt aangevraagd
                                én een nummering van die beheereenheden zijn aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.5 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie agrarisch natuurbeheer kan worden verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al> als het natuurbeheerplan, zoals dat zes weken voor de
                                            openstelling van de mogelijkheid tot het doen van een
                                            aanvraag voor de betreffende subsidie gold, voorziet in
                                            de verstrekking van de betreffende subsidie voor de
                                            betreffende landbouwgrond;</al></li><li nr="b."><al> als is voldaan aan de instapeisen die gelden voor het
                                            agrarisch beheerpakket waarvoor de subsidie wordt
                                            aangevraagd, én</al></li><li nr="c."><al> voor zover de begunstigde in het jaar voorafgaande aan
                                            de aanvraag tot subsidieverlening niet met opzet: </al><lijst><li nr="i."><al> een onjuiste aanvraag op grond van de
                                                  onderhavige verordening heeft ingediend ter
                                                  verkrijging van een subsidie agrarisch
                                                  natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als
                                                  bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel
                                                  b;</al></li><li nr="ii."><al> een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter
                                                  verkrijging van een subsidie op grond van de
                                                  Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland
                                                  of de equivalente Subsidieregeling agrarisch
                                                  natuurbeheer van een andere provincie, óf</al></li><li nr="iii."><al> de subsidieverplichtingen heeft geschonden die
                                                  zijn verbonden aan de onder i. en ii. bedoelde
                                                  subsidies.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een subsidie agrarisch natuurbeheer wordt niet verstrekt voor
                                    landbouwgrond waarop nog verplichtingen van toepassing zijn op
                                    grond van: </al><lijst><li nr="a. "><al>de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer
                                            Flevoland;</al></li><li nr="b."><al> de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de
                                            minister;</al></li><li nr="c."><al> de Regeling stimulering bosuitbreiding op
                                            landbouwgronden, of</al></li><li nr="d."><al> de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van
                                            bouwland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, kan een subsidie
                                    agrarisch natuurbeheer worden verstrekt voor de uitvoering van
                                    een agrarisch beheerpakket, opgenomen in bijlage 3, onderdeel
                                    B.1, onder de aanduiding: </al><lijst><li nr="a."><al> A01.01.01 tot en met A01.01.06, indien op de
                                            betreffende beheereenheid reeds een beheerspakket in
                                            stand wordt gehouden als bedoeld in: </al><lijst><li nr="i."><al> de bijlagen 28c van de Subsidieregeling
                                                  agrarisch natuurbeheer Flevoland, zoals die
                                                  bijlagen tot 1 januari 2008 luidden, of</al></li><li nr="ii."><al> type A van bijlage 28c van de Subsidieregeling
                                                  agrarisch natuurbeheer Flevoland zoals die bijlage
                                                  tussen 1 januari 2008 en 1 januari 2010
                                                  luidde;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> A01.03.01, indien op de betreffende beheereenheid reeds
                                            een beheerspakket in stand wordt gehouden als bedoeld in
                                            de bijlagen 16 tot en met 18 van de Subsidieregeling
                                            agrarisch natuurbeheer Flevoland, zoals die bijlagen tot
                                            1 januari 2010 luidden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.6 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer: </al><lijst><li nr="a. "><al>draagt er zorg voor dat wordt voldaan aan de voorwaarden
                                            en verplichtingen die behoren bij het agrarische
                                            beheerpakket waarvoor subsidie wordt verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> draagt er zorg voor dat op de landbouwgrond waarvoor
                                            subsidie wordt verstrekt en op zijn gehele bedrijf wordt
                                            voldaan aan de voorschriften, opgenomen in: </al><lijst><li nr="i."><al> artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de
                                                  Regeling GLB-inkomenssteun 2006, én</al></li><li nr="ii."><al> bijlage 2 van de Beleidsregels verlagen
                                                  subsidie POP2; </al></li></lijst></li><li nr="c."><al> draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde
                                            Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd
                                            op de landbouwgrond waarvoor subsidie wordt
                                            verstrekt;</al></li><li nr="d. "><al>meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als
                                            gevolg waarvan hij redelijkerwijs niet kan voldoen aan
                                            één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit
                                            binnen tien werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de
                                            hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al></li><li nr="e. "><al>meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan
                                            de subsidieverplichtingen kan worden voldaan, en doet
                                            dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum,
                                            én</al></li><li nr="f."><al> draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld
                                            in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet
                                            wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van
                                            de subsidieverplichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer dient
                                    uiterlijk op de peildatum van ieder beheerjaar,middels een ter
                                    uitvoering van artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr.
                                    1975/2006 vastgesteld aanvraagformulier, bij Gedeputeerde Staten
                                    een aanvraag in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat
                                    beheerjaar, waarbij de artikelen 7 en 8 van verordening (EG) nr.
                                    1975/2006: </al><lijst><li nr="a."><al> van toepassing zijn voor zover subsidie wordt verstrekt
                                            voor de agrarische beheerpakketten, opgenomen in bijlage
                                            3, onderdeel B.1, en</al></li><li nr="b."><al> van overeenkomstige toepassing zijn voor zover subsidie
                                            wordt verstrekt voor de agrarische beheerpakketten,
                                            opgenomen in bijlage 3, onderdeel B.2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een geval als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, rust de in
                                    het tweede lid van het onderhavige artikel bedoelde verplichting
                                    op die derde voor zover deze het beheer heeft overgenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het tweede lid bedoelde aanvraag maakt deel uit van de
                                    verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55 van de Regeling
                                    GLB-inkomenssteun 2006 van de minister.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een subsidie agrarisch natuurbeheer bestaat uit de som van zes
                                    jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes beheerjaren
                                    waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een jaarvergoeding is het product van het op grond van artikel
                                    4.1.1.8, eerste lid, voor het desbetreffende beheerjaar en
                                    agrarisch beheerpakket vastgestelde tarief, en het aantal
                                    hectares waarvoor voor het betreffende agrarische beheerpakket
                                    subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Na afloop van elk van de eerste vijf beheerjaren: </al><lijst><li nr="a."><al> beslissen Gedeputeerde Staten binnen de in artikel 1.6,
                                            tweede lid, onderdeel a, genoemde termijn omtrent de
                                            hoogte van de jaarvergoeding die bij het betreffende
                                            beheerjaar behoort, én</al></li><li nr="b. "><al>keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes
                                            weken nadat de in onderdeel a bedoelde beslissing op de
                                            voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot
                                            uit aan de landbouwer die op de peildatum van het
                                            beheerjaar waarop de jaarvergoeding betrekking heeft,
                                            beschikt over het in artikel 4.1.1.3 bedoelde zakelijk
                                            of persoonlijk recht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.8 (hoogte tarief per beheerjaar)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor reeds verleende of
                                    voor met ingang van het komende beheerjaar te verlenen subsidies
                                    agrarisch natuurbeheer de tarieven voor de verschillende
                                    agrarische beheerpakketten of varianten daarvan vast, uitgedrukt
                                    in een bedrag per hectare.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk
                                    zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode of een nieuw
                                    beheerjaar mededeling gedaan door plaatsing in het Provinciaal
                                    Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.9 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch
                                natuurbeheer vermeldt in elk geval:</al><lijst><li nr="a. "><al>het agrarische beheerpakket waarvoor subsidie wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al> de hoogte van de jaarvergoeding die behoort bij het eerste
                                        beheerjaar;</al></li><li nr="c."><al> of een subsidie wordt verstrekt in het kader van de
                                        uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma en of
                                        die subsidie gedeeltelijk wordt gefinancierd met Europese
                                        middelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.1.10 (ambtshalve vaststelling)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van
                                        de zes aaneengesloten beheerjaren waarvoor de subsidie
                                        agrarisch natuurbeheer is verstrekt, die subsidie ambtshalve
                                        vast.</al></li><li nr="2. "><al>De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met
                                        ten hoogste tien weken worden verdaagd.</al></li><li nr="3. "><al>De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, omvat tevens de
                                        beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 4.1.1.6,
                                        tweede lid, voor zover die aanvraag betrekking heeft op het
                                        zesde en laatste beheerjaar.</al></li></lijst><al>Afdeling 4.1.2 Bijzondere bepalingen inzake collectief agrarisch
                                natuurbeheer</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.1 (subsidieaanvraag collectief agrarisch
                                    natuurbeheer)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een begunstigde die een aanvraag tot verlening van een subsidie
                                    agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch
                                    natuurbeheer indient, geeft in die aanvraag per gebied, bedoeld
                                    in artikel 2.1, vierde lid, onderdeel a, waar hij wenst deel te
                                    nemen aan collectief agrarisch natuurbeheer, aan: </al><lijst><li nr="a. "><al>de minimum- onderscheidenlijk maximumoppervlakte waarop
                                            hij gedurende de periode, bedoeld in artikel 4.1.1.2,
                                            voornemens is één of meerdere agrarische beheerpakketten
                                            in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer uit
                                            te voeren, waarbij: </al><lijst><li nr="I. "><al>de minimumoppervlakte niet kleiner kan zijn dan
                                                  de minimumoppervlakte van het betreffende
                                                  agrarische beheerpakket, én</al></li><li nr="II. "><al>de maximumoppervlakte niet groter kan zijn dan
                                                  de totale oppervlakte van de landbouwgronden die
                                                  tot zijn bedrijf behoren.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> binnen welk gebied de in onderdeel a bedoelde
                                            oppervlaktes zijn gelegen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid hoeft niet te worden
                                    ingediend indien de begunstigde in hetzelfde collectief gebied
                                    reeds deelneemt aan collectief landschapsbeheer en:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> de totale oppervlakte waarmee de begunstigde in het
                                            kader van collectief agrarisch natuurbeheer én
                                            collectief landschapsbeheer wenst deel te nemen kleiner
                                            of gelijk is aan de maximale oppervlakte, bedoeld in
                                            artikel 5.1.4.4, onderdeel a, óf</al></li><li nr="b."><al> de totale oppervlakte waarmee de begunstigde in het
                                            kader van collectief agrarisch natuurbeheer én
                                            collectief landschapsbeheer wenst deel te nemen groter
                                            is dan de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel
                                            5.1.4.4, onderdeel a, maar de begunstigde overeenkomstig
                                            artikel 7.5, eerste en zevende lid, een aanvraag indient
                                            tot verhoging van die maximale oppervlakte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de beschikking
                                    tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 5.1.4.4, met ingang
                                    van het beheerjaar waarin de begunstigde voor het eerst in het
                                    betreffende collectief gebied deelneemt aan collectief agrarisch
                                    natuurbeheer en voor de resterende duur van de in artikel
                                    5.1.1.2 bedoelde periode, aangemerkt als de goedkeuring om in
                                    dat gebied tevens deel te nemen aan collectief agrarisch
                                    natuurbeheer, en als zodanig ambtshalve door Gedeputeerde Staten
                                    aangepast.”.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Artikel 4.1.1.4 is niet van toepassing op een aanvraag als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.1a (ecologische overbrugbaarheid)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Indien een begunstigde in het kader van collectief agrarisch
                                    natuurbeheer één of meerdere agrarische beheerpakketten met de
                                    aanduiding A01.01.01 tot en met A01.03.01 uitvoert, gelden de
                                    instapeisen met betrekking tot de minimumomvang van de
                                    beheereenheid niet voor zover er sprake is van ecologische
                                    overbrugbaarheid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Van ecologische overbrugbaarheid als bedoeld in het eerste lid
                                    is sprake indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al>de zelfstandig te kleine beheereenheid ligt op
                                            maximaal 10 meter van een andere beheereenheid waarop
                                            hetzelfde agrarisch beheertype wordt uitgevoerd,
                                            waarbij: </al><lijst><li nr="i. "><al>de gezamenlijke oppervlakte groter of gelijk is
                                                  aan de minimumoppervlakte die behoort bij het
                                                  agrarisch beheerpakket dat op de zelfstandig te
                                                  kleine beheereenheid wordt uitgevoerd, en</al></li><li nr="ii."><al> de andere beheereenheid is gelegen binnen
                                                  hetzelfde collectief gebied als de zelfstandig te
                                                  kleine beheereenheid;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> de afstand tussen beide beheereenheden is voor de
                                            weidevogels, akkervogels, ganzen of hamsters, en in het
                                            bijzonder de jongen van de genoemde diersoorten te
                                            overbruggen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.2 (aanvullende subsidieverplichting)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 4.1.1.6 is een ontvanger van een subsidie
                                    agrarisch natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch
                                    natuurbeheer gehouden: </al><lijst><li nr="a. "><al>elk beheerjaar het beheer uit te voeren overeenkomstig
                                            het door Gedeputeerde Staten vastgestelde collectief
                                            beheerplan zoals dat 14 dagen vóór de datum waarop in
                                            het desbetreffende beheerjaar de in artikel 4.1.1.6,
                                            tweede lid, bedoelde aanvraag op zijn vroegst kan worden
                                            ingediend, luidt;</al></li><li nr="b."><al> de gebiedscoördinator tijdig op de hoogte te stellen
                                            van wijzigingen en intrekkingen als bedoeld in de
                                            artikelen 7.1 tot en met 7.6 en 7.8, tweede lid, voor
                                            zover deze relevant zijn voor het collectief
                                            beheerplan;</al></li><li nr="c."><al> vanaf het moment dat hij een agrarisch beheerpakket of
                                            variant daarvan uitvoert met de aanduiding A01.01.05,
                                            A01.02.01 of A02.01.01 tot en met A02.02.03, dat
                                            agrarisch beheerpakket gedurende elk beheerjaar van de
                                            dan nog resterende periode, bedoeld in artikel 4.1.1.2,
                                            op dezelfde lokatie en met dezelfde omvang uit te
                                            blijven voeren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geldt
                                    niet indien de varianten c en d van het agrarisch beheerpakket
                                    met de aanduiding A01.02.01 voor het derde of vierde jaar wordt
                                    uitgevoerd en roulatie op grond van de aan dat agrarische
                                    beheerpakket verbonden voorwaarden is toegestaan.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.3 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie agrarisch
                                natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer
                                vermeldt in elk geval:</al><lijst><li nr="a. "><al>per gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, onderdeel a,
                                        de minimale en maximale oppervlakte waarvoor subsidie wordt
                                        respectievelijk kan worden verleend;</al></li><li nr="b."><al> dat de subsidieontvanger elk beheerjaar gehouden is het
                                        beheer uit te voeren overeenkomstig het in artikel 9.2
                                        bedoelde collectief beheerplan zoals dat 14 dagen vóór de
                                        datum waarop in het desbetreffende beheerjaar de in artikel
                                        4.1.1.6, tweede lid, bedoelde aanvraag op zijn vroegst kan
                                        worden ingediend, luidt;</al></li><li nr="c. "><al>of een subsidie wordt verstrekt in het kader van de
                                        uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma en of
                                        die subsidie gedeeltelijk wordt gefinancierd met Europese
                                        middelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.4 (aanvullende toeslag collectief agrarisch
                                    natuurbeheer)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in een beheerjaar op aanvraag een
                                    aanvullende toeslag als bedoeld in de onderscheiden
                                    subonderdelen van bijlage 7, onderdeel Cverlenen aan landbouwers
                                    die in het betreffende beheerjaar deelnemen aan collectief
                                    agrarisch natuurbeheer voor zover voldaan wordt aan de in het
                                    betreffende subonderdeel van die bijlage opgenomen
                                    voorschriften;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Aanvragen als bedoeld in het eerste lid worden namens de
                                    betreffende landbouwer ingediend door de in het gebied waarin de
                                    betreffende beheereenheid is gelegen werkzame
                                    gebiedscoördinator, en gaan vergezeld van een door hem opgesteld
                                    advies met betrekking tot de noodzaak tot het verstrekken van de
                                    toeslag en de hoogte daarvan, waarbij tevens door de
                                    gebiedscoördinator wordt verklaard dat hij, in elk geval op het
                                    moment van indienen van de betreffende aanvraag, heeft
                                    vastgesteld dat de landbouwer voldoet aan de aan de toeslag
                                    verbonden eisen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid is artikel 1.3,
                                    eerste lid, niet van toepassing voor zover dat artikel bepaalt
                                    dat aanvragen slechts kunnen worden ingediend als Gedeputeerde
                                    Staten een openstellingsperiode hebben vastgesteld voor de
                                    indiening van aanvragen, met dien verstande dat een in het
                                    eerste lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag die
                                    betrekking heeft op: </al><lijst><li nr="a."><al> de toeslagen, bedoeld in bijlage 7, onderdeel C,
                                            subonderdelen 1 en 2, niet eerder kan worden ingediend
                                            dan na afloop van de periode waarin in dat beheerjaar
                                            aan de aan het betreffende agrarische beheerpakket
                                            verbonden beheereisen dient te worden voldaan indien
                                            niet om de toeslag zou zijn verzocht;</al></li><li nr="b."><al> de toeslag, bedoeld in bijlage 7, onderdeel C,
                                            subonderdeel 3, wordt ingediend als onderdeel van het
                                            collectief beheerplan, bedoeld in artikel 9.1;</al></li><li nr="c."><al> de toeslag, bedoeld in bijlage 7, onderdeel C,
                                            subonderdeel 4, niet eerder kan worden ingediend dan 1
                                            oktober van het beheerjaar waarin de ruige stalmest is
                                            uitgereden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Artikel 1.6, tweede lid, onderdeel a, is van toepassing en de
                                    artikelen 1.4 en 1.5, met uitzondering van het tweede lid van
                                    dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen verschillende tarieven vaststellen
                                    voor de toeslag, bedoeld in bijlage 7, onderdeel C, subonderdeel
                                    4, al naar gelang het uitrijden van de ruige stalmest geschiedt
                                    op landbouwgronden die enkel varend bereikt kunnen worden of op
                                    andere landbouwgronden.”.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten keren de toeslag overeenkomstig artikel
                                    4.1.1.7, derde lid, onderdeel b, tegelijkertijd uit met de in
                                    dat onderdeel bedoelde jaarvergoeding.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.1.2.5 (toepasselijkheid afdeling 4.1.1)</titel></kop><al>De bepalingen van afdeling 4.1.1 zijn van overeenkomstige toepassing
                                voor zover uit de bepalingen van de onderhavige afdeling niet anders
                                voortvloeit.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4.2 Probleemgebiedensubsidie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een probleemgebiedensubsidie
                                verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een probleemgebiedensubsidie wordt verstrekt voor een
                                kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.3 (begunstigde)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een probleemgebiedensubsidie kan worden verstrekt aan een
                                    landbouwer die de landbouwgrond waarvoor subsidie wordt
                                    aangevraagd op de peildatum van een kalenderjaar beheert
                                    krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht
                                    is belast met of is afgeleid van een ander recht, kan slechts
                                    subsidie worden verstrekt voor zover dat andere recht geen
                                    afbreuk doet aan de mogelijkheid het beheer uit te voeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag tot vaststelling en tevens uitbetaling van een
                                    probleemgebiedensubsidie wordt uiterlijk op de peildatum van het
                                    betreffende kalenderjaar ingediend middels een ter uitvoering
                                    van artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1975/2006
                                    vastgesteld aanvraagformulier, waarbij de artikelen 7 en 8 van
                                    Verordening (EG) nr. 1975/2006 van toepassing zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde aanvraag maakt deel uit van de
                                    verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55 van de Regeling
                                    GLB-inkomenssteun 2006 van de minister.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.5 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een probleemgebiedensubsidie kan worden verstrekt: </al><lijst><li nr="a. "><al>als het natuurbeheerplan zoals dat zes weken voor de
                                            openstelling van de mogelijkheid tot het doen van een
                                            aanvraag voor de betreffende subsidie gold, voorziet in
                                            de verstrekking van de probleemgebiedensubsidie op de
                                            betreffende landbouwgrond;</al></li><li nr="b."><al> voor zover de begunstigde voor de landbouwgrond
                                            waarvoor een probleemgebiedensubsidie is aangevraagd, op
                                            de peildatum tevens een subsidie agrarisch natuurbeheer
                                            op grond van de onderhavige verordening, of een subsidie
                                            voor de instandhouding van een beheerspakket, bedoeld in
                                            de bijlagen 6 tot en met 28f van de Subsidieregeling
                                            agrarisch natuurbeheer Flevoland, ontvangt, én</al></li><li nr="c."><al> voor zover de begunstigde in het jaar voorafgaande aan
                                            de aanvraag tot subsidieverstrekking niet met opzet: </al><lijst><li nr="I. "><al>een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter
                                                  verkrijging van een probleemgebiedensubsidie op
                                                  grond van de onderhavige verordening, de
                                                  Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland
                                                  of de equivalente Subsidieregeling agrarisch
                                                  natuurbeheer van een andere provincie, óf</al></li><li nr="II."><al> de subsidieverplichtingen heeft geschonden die
                                                  zijn verbonden aan de onder i. bedoelde
                                                  subsidies.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een probleemgebiedensubsidie wordt niet verstrekt voor
                                    landbouwgrond waarvoor een vergelijkbare subsidie wordt
                                    ontvangen op grond van de Subsidieregeling agrarisch
                                    natuurbeheer van de minister zoals die regeling tot 1 januari
                                    2007 gold.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in het eerste lid kan
                                    slechts worden verstrekt als aan de begunstigde in het
                                    betreffende kalenderjaar voor de desbetreffende landbouwgrond
                                    niet reeds een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in artikel
                                    4.2.10 wordt verstrekt.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.6 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>Een ontvanger van een probleemgebiedensubsidie:</al><lijst><li nr="a."><al> draagt er zorg voor dat gedurende het gehele kalenderjaar
                                        op de landbouwgrond waarvoor de subsidie wordt verstrekt en
                                        op zijn gehele bedrijf wordt voldaan aan de voorschriften,
                                        opgenomen in artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de
                                        Regeling GLB-inkomenssteun 2006;</al></li><li nr="b."><al> zet zijn landbouwactiviteiten gedurende ten minste vijf
                                        jaar voort, te rekenen vanaf de eerste betaling die hij
                                        ontvangt in het kader van het
                                        Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 voor het
                                        uitoefenen van een landbouwactiviteit in een
                                        probleemgebied;</al></li><li nr="c."><al> draagt er zorg voor dat geen werkzaamheden worden verricht
                                        die een wijziging tot gevolg hebben van de topografische
                                        kavel- en perceelsstructuur, het microreliëf, de
                                        bodemstructuur of het bodemprofiel;</al></li><li nr="d."><al> draagt er zorg voor dat geen werkzaamheden worden verricht
                                        die een wijziging tot gevolg hebben van de begreppeling of
                                        de detailontwatering, of leiden tot verlaging van de
                                        grondwaterstand dan wel slootwaterpeilen;</al></li><li nr="e. "><al>meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als gevolg
                                        waarvan redelijkerwijs niet kan worden voldaan aan één of
                                        meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit binnen tien
                                        werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de hoogte kan zijn van
                                        die omstandigheden;</al></li><li nr="f. "><al>meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan de
                                        subsidieverplichtingen kan worden voldaan, en doet dit
                                        binnen tien werkdagen na de betreffende datum, én</al></li><li nr="g. "><al>draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld in
                                        artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt
                                        verhinderd toezicht te houden op de naleving van de
                                        subsidieverplichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Een probleemgebiedensubsidie bestaat uit het product van het op
                                grond van artikel 4.2.8, eerste lid, voor het desbetreffende
                                kalenderjaar vastgestelde tarief, en het aantal hectares waarvoor de
                                subsidie wordt verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.8 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het
                                    komende kalenderjaar te verstrekken probleemgebiedensubsidies
                                    het tarief per hectare vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk
                                    zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode mededeling
                                    gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.9 (subsidievaststelling)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van het
                                    kalenderjaar de probleemgebiedensubsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten
                                    hoogste tien weken worden verdaagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4.2.10 (ontkoppelde probleemgebiedensubsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een
                                    probleemgebiedensubsidie verstrekken voor landbouwgronden die
                                    overeenkomstig artikel 2.1, derde lid, onderdeel d, zijn
                                    begrensd, waarbij het, in afwijking van artikel 4.2.5, eerste
                                    lid, onderdeel b, niet vereist is dat de begunstigde voor die
                                    landbouwgrond tevens een subsidie agrarisch natuurbeheer of een
                                    subsidie voor de instandhouding van een beheerspakket als
                                    bedoeld in die bepaling ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De bepalingen van deze paragraaf zijn, met uitzondering van
                                    artikel 4.2.5, eerste lid, onderdeel b, van overeenkomstige
                                    toepassing op een probleemgebiedensubsidie als bedoeld in het
                                    eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere voorwaarden verbinden aan een
                                    probleemgebiedensubsidie als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Landschapsbeheer</titel></kop><afdeling><kop><titel>Afdeling 5.1.1 Algemene bepalingen inzake subsidies
                                landschapsbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie
                                    landschapsbeheer verstrekken: </al><lijst><li nr="a."><al> voor de instandhouding van een landschapselement door
                                            begunstigden als bedoeld in artikel 5.1.2.1;</al></li><li nr="b."><al> voor de uitvoering van een beheerpakket landschap door
                                            begunstigden als bedoeld in artikel 5.1.3.1.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat een in het eerste lid,
                                    onderdeel a, bedoelde subsidie landschapsbeheer voor één of
                                    meerdere in bijlage 6, onderdelen A.1 of A.2, opgenomen
                                    landschapselementen slechts verstrekt kan worden aan
                                    gecertificeerde begunstigden, of juist niet verstrekt kan worden
                                    aan dergelijke begunstigden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie landschapsbeheer wordt verstrekt voor de duur van zes
                                aaneengesloten kalenderjaren, of zoveel langer als op grond van
                                artikel 12.4 vereist is.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.3 (voorwaarden voor deelname)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer kan worden verstrekt als het
                                    natuurbeheerplan, zoals dat zes weken voor de openstelling van
                                    de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor de
                                    betreffende subsidie gold, voorziet in de verstrekking van de
                                    betreffende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer wordt niet verstrekt als de in
                                    artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk
                                    onderdeel b, bedoelde begunstigde in het jaar voorafgaande aan
                                    de aanvraag tot subsidieverlening met opzet: </al><lijst><li nr="a."><al> een onjuiste aanvraag op grond van de onderhavige
                                            verordening heeft ingediend ter verkrijging van een
                                            subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch
                                            natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer;</al></li><li nr="b."><al> een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging
                                            van een subsidie op grond van de Subsidieregeling
                                            natuurbeheer Flevoland of de equivalente
                                            Subsidieregeling natuurbeheer van een andere
                                            provincie;</al></li><li nr="c."><al> een onjuiste aanvraag heeft ingediend ter verkrijging
                                            van een subsidie op grond van de Subsidieregeling
                                            agrarisch natuurbeheer Flevoland of de equivalente
                                            Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van een andere
                                            provincie, óf</al></li><li nr="d. "><al>de subsidieverplichtingen heeft geschonden die zijn
                                            verbonden aan de in de onderdelen a tot en met c
                                            bedoelde subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer wordt evenmin verstrekt voor de
                                    instandhouding van een landschapselement of het uitvoeren van
                                    een beheerpakket landschap:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> waarop nog verplichtingen van toepassing zijn op grond
                                            van: </al><lijst><li nr="I."><al> de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer
                                                  Flevoland;</al></li><li nr="II."><al> de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van
                                                  de minister;</al></li><li nr="III."><al> de Subsidieregeling natuurbeheer
                                                  Flevoland;</al></li><li nr="IV."><al> de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de
                                                  minister;</al></li><li nr="V."><al> de Regeling stimulering bosuitbreiding op
                                                  landbouwgronden, of</al></li><li nr="VI."><al> de Beschikking terzake het uit productie nemen
                                                  van bouwland.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> voor zover dat is gelegen op een erf;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.1.4 (subsidieverplichtingen die de
                                    subsidieperiode overschrijden)</titel></kop><al>Als ten behoeve van de instandhouding van een landschapselement of
                                voor het uitvoeren van een beheerpakket landschap verplichtingen
                                zijn opgenomen met betrekking tot de cyclus van knippen, scheren,
                                snoeien dan wel af- of terugzetten, behoren die verplichtingen
                                slechts tot de subsidieverplichtingen indien dat knippen, scheren,
                                snoeien dan wel af- of terugzetten op basis van de betreffende
                                cyclus valt binnen de periode waarvoor die subsidie wordt
                                verstrekt.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5.1.2 Algemene bepalingen inzake subsidie
                                landschapsbeheer binnen natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.1 (begunstigden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel a, kan worden verstrekt aan: </al><lijst><li nr="a."><al> een natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij
                                            aanvang van de periode waarvoor subsidie wordt verstrekt
                                            zeggenschap heeft over het te voeren beheer van een op
                                            een natuurterrein gelegen landschapselement waarvoor
                                            subsidie wordt aangevraagd, krachtens: </al><lijst><li nr="I."><al> eigendom;</al></li><li nr="II. "><al>erfpacht;</al></li><li nr="III."><al> recht van beklemming;</al></li><li nr="IV."><al> artikel 45 van de Wet inrichting landelijk
                                                  gebied, of</al></li><li nr="V. "><al>een plan van tijdelijk gebruik als bedoeld in
                                                  artikel 189 van de Landinrichtingswet zoals die
                                                  wet tot 1 januari 2007 gold,en voorts gedurende de
                                                  zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de
                                                  subsidie wordt verleend ten minste op de peildatum
                                                  van ieder kalenderjaar die zeggenschap heeft;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsverbanden
                                            van natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld
                                            in onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als een in het eerste lid, onderdeel a, onder i. tot en met v.
                                    bedoelde titel is belast met of is afgeleid van een ander recht,
                                    kan slechts een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel
                                    5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, worden verstrekt voor zover
                                    dat andere recht geen afbreuk doet aan de zeggenschap over het
                                    te voeren beheer van het landschapselement.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> . In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, en behoudens
                                    het bepaalde in artikel 5.1.2a.3, vierde lid, kan aan
                                    Staatsbosbeheer een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in
                                    artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a worden verstrekt voor
                                    een op een natuurterrein gelegen landschapselement waarvan zij
                                    nog geen eigenaar of erfpachter is indien dit natuurterrein op
                                    het moment van aanvragen in rijksbezit is en Staatsbosbeheer dit
                                    op een natuurterrein gelegen landschapselement voor 15 augustus
                                    2009 reeds feitelijk in beheer had.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Als een in het eerste lid bedoelde begunstigde een aanvraag
                                    doet voor een oppervlakte van 75 hectare of meer, kan slechts
                                    een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel a, worden verstrekt voor zover de
                                    begunstigde een gecertificeerde begunstigde is.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor de bepaling of sprake is van een aanvraag voor een
                                    oppervlakte van 75 hectare of meer als bedoeld in het vierde
                                    lid, worden alle aanvragen voor een subsidie natuurbeheer en
                                    subsidie landschapsbeheer van de begunstigde binnen 1
                                    openstellingsperiode bij elkaar opgeteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.2 (aanvraag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een aanvraag tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als
                                    bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, gaat
                                    vergezeld van een kaart met een topografische ondergrond, waarop
                                    de landschapselementen waarvoor subsidie wordt gevraagd en een
                                    nummering van die landschapselementen zijn aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.3 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in
                                    artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a: </al><lijst><li nr="a. "><al>draagt er zorg voor dat alle beheeractiviteiten worden
                                            verricht die noodzakelijk zijn voor de instandhouding
                                            van het landschapselement, en dat geen handelingen
                                            worden verricht en gedoogd die daaraan afbreuk
                                            doen.</al></li><li nr="b."><al> draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde
                                            Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd
                                            met betrekking tot de landschapselementen waarvoor de
                                            subsidie wordt verstrekt, tenzij de subsidieontvanger
                                            een vergoeding ontvangt als bedoeld in artikel
                                            5.1.2a.1.;</al></li><li nr="c. "><al>draagt er zorg voor dat op verzoek van Gedeputeerde
                                            Staten inzage wordt gegeven in het uitgevoerde dan wel
                                            uit te voeren beheer ten behoeve van de
                                            landschapselementen;</al></li><li nr="d."><al> meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als
                                            gevolg waarvan hij redelijkerwijs niet kan voldoen aan
                                            één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit
                                            binnen tien werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de
                                            hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al></li><li nr="e."><al> meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan
                                            de subsidieverplichtingen kan worden voldaan, en doet
                                            dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum,
                                            én</al></li><li nr="f. "><al>draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld
                                            in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet
                                            wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van
                                            de subsidieverplichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 5.1.2.1, eerste
                                    lid, onderdeel b, dat het beheer laat uitvoeren door één of
                                    meerdere natuurlijke personen of rechtspersonen als bedoeld in
                                    artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel a, komt gedurende de zes
                                    kalenderjaren met elk van deze natuurlijke personen of
                                    rechtspersonen, voor zover deze op de peildatum van één of
                                    meerdere van die kalenderjaren de zeggenschap hebben over het
                                    beheer, schriftelijk overeen dat: </al><lijst><li nr="a. "><al> de natuurlijke persoon of rechtspersoon de
                                            verplichtingen naleeft, bedoeld in het eerste lid,
                                            onderdelen a tot en met c en f;</al></li><li nr="b."><al> de subsidieontvanger aan de natuurlijke persoon of
                                            rechtspersoon een vergoeding betaalt voor de door hem of
                                            haar nageleefde verplichting, bedoeld in het eerste lid,
                                            onderdeel a.</al></li><li nr="c."><al> de natuurlijke persoon of rechtspersoon garant staat
                                            voor het terugbetalen van de in onderdeel b bedoelde
                                            vergoeding, als Gedeputeerde Staten de subsidie lager
                                            vaststellen of geheel of gedeeltelijk wijzigen dan wel
                                            intrekken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.4 (hoogte subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel a, bedraagt de som van zes
                                    jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes kalenderjaren
                                    waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor
                                    het desbetreffende kalenderjaar op grond van artikel 5.1.2.5,
                                    eerste lid, onderdeel a, voor het desbetreffende
                                    landschapselement is vastgesteld, en het aantal hectares, meters
                                    of stuks waarvoor voor dat betreffende landschapselement
                                    subsidie wordt verstrekt, eventueel vermeerderd met een opslag
                                    voor loon- en prijsontwikkeling.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren: </al><lijst><li nr="a."><al> beslissen Gedeputeerde Staten binnen tien weken
                                            ambtshalve omtrent de hoogte van de jaarvergoeding die
                                            bij het betreffende kalenderjaar behoort, waarbij die
                                            beslissing éénmaal met ten hoogste tien weken verdaagd
                                            kan worden, én</al></li><li nr="b."><al> keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes
                                            weken nadat de in onderdeel a bedoelde beslissing op de
                                            voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot
                                            uit aan: </al><lijst><li nr="I."><al> de natuurlijke persoon of rechtspersoon die op
                                                  de peildatum van het kalenderjaar waarop de
                                                  jaarvergoeding betrekking heeft, beschikt over een
                                                  in artikel 5.1.2.1, eerste lid, onder i. tot en
                                                  met v. bedoelde titel, een en ander gelezen in
                                                  samenhang met de artikelen 5.1.2.1, tweede lid, en
                                                  7.3, eerste lid, óf</al></li><li nr="II."><al> het in artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel
                                                  b, bedoelde samenwerkingsverband, indien de
                                                  aanvraag tot subsidieverlening door dat
                                                  samenwerkingsverband is ingediend.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.5 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het
                                    komende kalenderjaar te verlenen subsidies landschapsbeheer als
                                    bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, vast: </al><lijst><li nr="a."><al> de tarieven voor de verschillende landschapselementen
                                            uitgedrukt in een bedrag per hectare, meter of
                                            stuks;</al></li><li nr="b."><al> de tarieven voor de monitoring van de kwaliteit van de
                                            verschillende landschapselementen, zoals bedoeld in
                                            artikel 5.1.2a.1, uitgedrukt in een bedrag per hectare,
                                            meter of stuks.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk
                                    zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode mededeling
                                    gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.6 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, vermeldt in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al> het landschapselement waarvoor subsidie wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al> de hoogte van de subsidie, én</al></li><li nr="c."><al> dat Gedeputeerde Staten gedurende de periode waarvoor de
                                        subsidie wordt verstrekt een nadere uitwerking kunnen geven
                                        van de in artikel 5.1.2.3 bedoelde beheeractiviteiten die
                                        noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het
                                        landschapselement.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2.7 (ambtshalve vaststellen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de
                                    zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie
                                    landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                    onderdeel a, is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten
                                    hoogste tien weken worden verdaagd.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5.1.2a Bijzondere bepalingen inzake subsidie
                                landschapsbeheer binnen natuurterreinen voor gecertificeerde
                                begunstigden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2a.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie landschapsbeheer voor de
                                instandhouding van een landschapselement voor een gecertificeerde
                                begunstigde verhogen met een vergoeding voor de monitoring van de
                                kwaliteit van landschapselementen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2a.2 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>In afwijking van artikel 5.1.1.1, eerste lid gaat een aanvraag van
                                een gecertificeerde begunstigde tot verlening van een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a, vergezeld van:</al><lijst><li nr="a. "><al>een lijst van oppervlaktes, meters of aantallen per soort
                                        landschapselement waarvoor de subsidie wordt
                                        aangevraagd;</al></li><li nr="b."><al> één of meerdere elektronische kaarten met een topografische
                                        ondergrond, met daarop de buitengrenzen van de
                                        natuurterreinen waarop de landschapselementen zijn gelegen
                                        waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, én</al></li><li nr="c."><al> een lijst van oppervlaktes, onderscheidenlijk meters of
                                        stuks, per landschapselement waarvoor de gecertificeerde
                                        begunstigde een vergoeding wil ontvangen voor het verrichten
                                        van activiteiten op het gebied van monitoring van de
                                        kwaliteit van landschapselementen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2a.3 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidie ontvanger die teven gecertificeerde begunstigde is
                                    draagt er zorg voor dat,Voor zover subsidie wordt verstrekt voor
                                    de monitoring van de kwaliteit van landschapselementen, deze
                                    monitoring wordt verricht overeenkomstig het door Gedeputeerde
                                    Staten vastgestelde monitoringsprogramma.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 5.1.2.3, eerste lid, onderdelen d en
                                    e, kan een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als
                                    bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, die tevens
                                    gecertificeerde begunstigde is, éénmaal per kalenderjaar maar
                                    uiterlijk op 31 oktober bij Gedeputeerde Staten melden ten
                                    aanzien van welke landschapselementen niet voldaan wordt aan één
                                    of meerdere subsidieverplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien sprake is van een begunstigde als bedoeld in artikel
                                    5.1.2.1, vierde lid, kan de subsidie worden verleend onder de
                                    voorwaarde dat binnen een termijn van drie maanden na de datum
                                    van bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening de bij
                                    de subsidieverlening behorende uitvoeringsovereenkomst, zoals
                                    bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht en die
                                    onderdeel uitmaakt van deze beschikking, wordt gesloten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien aan Staatsbosbeheer subsidie wordt verleend op grond van
                                    artikel 5.1.2.1, derde lid, heeft Staatsbosbeheer de
                                    verplichting dit natuurterrein alsnog in eigendom te verwerven
                                    of in erfpacht te verkrijgen voor 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Indien een subsidie wordt verstrekt door toepassing van artikel
                                    12.5, eerste lid, wordt de subsidie verleend onder de voorwaarde
                                    dat voor 1 januari 2015 de subsidieontvanger alsnog het
                                    certificaat natuurbeheer verkrijgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2a.4 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Als de in artikel 5.1.2a.1 bedoelde vergoeding voor de monitoring
                                van de kwaliteit van landschapselementen wordt verstrekt, wordt de
                                jaarvergoeding als bedoeld in artikel 5.1.2.4, tweede lid,
                                vermeerderd met het product van het tarief zoals dat voor het
                                betreffende beheerjaar op grond van artikel 5.1.2.5, eerste lid,
                                onderdeel b is vastgesteld, en het aantal hectares, meters of stuks
                                waarop in het kader van de subsidie landschapsbeheer
                                monitoringswerkzaamheden worden uitgevoerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2a.5 (subsidievaststelling)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen besluiten dat bij tussentijdse
                                    wijzigingen geen toepassing wordt gegeven aan hoofdstuk 7.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Bij toepassing van het eerste lid: </al><lijst><li nr="a."><al> is artikel 5.1.2.7 niet van toepassing en dient de
                                            gecertificeerde begunstigde binnentien weken na afloop
                                            van de zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de
                                            subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel
                                            5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, is verstrekt, een
                                            verzoek tot vaststelling in;</al></li><li nr="b."><al> maken Gedeputeerde Staten in de overeenkomst als
                                            bedoeld in artikel 5.1.2a.3, derde lid nadere afspraken
                                            over de wijze waarop wijzigingen in areaal gedurende de
                                            looptijd worden bijgehouden, zodanig dat het inzicht als
                                            bedoeld in het derde lid verschaft kan worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien het uiteindelijke beheer van de oppervlaktes,
                                    onderscheidenlijk meters of stuks, per soort landschapselement
                                    afwijkt van de opgave die bij de subsidieaanvraag is gedaan,
                                    bevat het verzoek om vaststelling in ieder geval de wijzigingen
                                    die in die oppervlaktes, onderscheidenlijk meters of stuks per
                                    soort landschapselement hebben plaatsgevonden en de datum waarop
                                    die wijzigingen plaatsvonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.2a.6 (toepasselijkheid afdeling 5.1.1 en
                                    5.1.2)</titel></kop><al>De bepalingen van de afdelingen 5.1.1 en 5.1.2 zijn van
                                overeenkomstige toepassing voor zover uit de bepalingen van de
                                onderhavige afdeling niet anders voortvloeit.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5.1.3 Algemene bepalingen inzake subsidie
                                landschapsbeheer buiten natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.1 (begunstigden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel b, kan worden verstrekt aan een landbouwer
                                    die de grond waarop hij het beheerpakket landschap uitvoert of
                                    zal uitvoeren bij aanvang van de subsidie beheert krachtens een
                                    zakelijk recht of een persoonlijk recht, en voorts gedurende de
                                    zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie wordt
                                    verleend ten minste op de peildatum van ieder kalenderjaar die
                                    grond beheert krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een in het eerste lid bedoeld zakelijk of persoonlijk recht
                                    is belast met of is afgeleid van een ander recht, kan slechts
                                    een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel b, worden verstrekt voor zover dat andere
                                    recht geen afbreuk doet aan de mogelijkheid het beheer uit te
                                    voeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.2 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>Een aanvraag tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, gaat vergezeld
                                van een kaart met een topografische ondergrond, waarop de grond
                                waarop het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd en een nummering
                                van die gronden zijn aangegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.2a (aanvullende voorwaarde voor
                                    deelname)</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 5.1.1.3 kan een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel b, slechts worden verstrekt indien is voldaan aan de
                                instapeisen die behoren bij het betreffende beheerpakket
                                landschap.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.3 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in
                                    artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b: </al><lijst><li nr="a."><al> draagt er zorg voor dat wordt voldaan aan de
                                            beheereisen die behoren bij het beheerpakket landschap
                                            waarvoor de subsidie wordt verstrekt, en dat geen
                                            handelingen worden verricht of gedoogd die daaraan
                                            afbreuk doen;</al></li><li nr="b. "><al>draagt er zorg voor dat ten aanzien van de grond waarop
                                            het beheerpakket landschap wordt uitgevoerd en op zijn
                                            gehele bedrijf wordt voldaan aan de voorschriften,
                                            opgenomen in: </al><lijst><li nr="i."><al> artikel 3 van en de bijlagen 1 en 2 bij de
                                                  Regeling GLB-inkomenssteun 2006, én</al></li><li nr="ii."><al> bijlage 4 van de onderhavige verordening; </al></li></lijst></li><li nr="c."><al> draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde
                                            Staten monitoringswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd
                                            met betrekking tot de grond waarop het beheerpakket
                                            landschap wordt uitgevoerd;</al></li><li nr="d. "><al>meldt aan Gedeputeerde Staten de omstandigheden als
                                            gevolg waarvan hij redelijkerwijs niet kan voldoen aan
                                            één of meerdere subsidieverplichtingen, en doet dit
                                            binnen tien werkdagen nadat hij redelijkerwijs op de
                                            hoogte kan zijn van die omstandigheden;</al></li><li nr="e."><al> meldt aan Gedeputeerde Staten de datum waarop weer aan
                                            de subsidieverplichtingen kan worden voldaan, en doet
                                            dit binnen tien werkdagen na de betreffende datum,
                                            én</al></li><li nr="f."><al> draagt er zorg voor dat een toezichthouder als bedoeld
                                            in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht niet
                                            wordt verhinderd toezicht te houden op de naleving van
                                            de subsidieverplichtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in
                                    artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, dient uiterlijk op de
                                    peildatum van ieder kalenderjaar, middels een ter uitvoering van
                                    artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1975/2006
                                    vastgesteld aanvraagformulier, bij Gedeputeerde Staten een
                                    aanvraag in tot betaling van de jaarvergoeding voor dat
                                    kalenderjaar, waarbij de artikelen 7 en 8 van verordening (EG)
                                    nr. 1975/2006 van overeenkomstige toepassing zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In een geval als bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, rust de in
                                    het tweede lid van het onderhavige artikel bedoelde verplichting
                                    op die derde voor zover deze het beheer heeft overgenomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De in het tweede lid bedoelde aanvraag maakt deel uit van de
                                    verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55 van de Regeling
                                    GLB-inkomenssteun 2006 van de minister.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.4 (hoogte subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel b, bedraagt de som van zes
                                    jaarvergoedingen, elk behorend bij één van de zes kalenderjaren
                                    waarvoor de subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een jaarvergoeding is het product van het tarief zoals dat voor
                                    het eerste kalenderjaar van de in artikel 5.1.1.2 bedoelde
                                    periode op grond van artikel 5.1.3.5, eerste lid, voor het
                                    desbetreffende beheerpakket landschap is vastgesteld, en het
                                    aantal hectares, meters of stuks waarvoor voor dat betreffende
                                    beheerpakket landschap subsidie wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Na afloop van elk van de eerste vijf kalenderjaren: </al><lijst><li nr="a."><al> beslissen Gedeputeerde Staten binnen de in artikel 1.6,
                                            tweede lid, onderdeel a, genoemde termijn omtrent de
                                            hoogte van de jaarvergoeding die bij het betreffende
                                            kalenderjaar behoort, én</al></li><li nr="b. "><al>keren zij de aldus bepaalde jaarvergoeding, binnen zes
                                            weken nadat de in onderdeel a bedoelde beslissing op de
                                            voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, als voorschot
                                            uit aan de landbouwer die op de peildatum van het
                                            kalenderjaar waarop de jaarvergoeding betrekking heeft,
                                            beschikt over het in artikel 5.1.3.1 bedoelde zakelijk
                                            of persoonlijk recht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.5 (hoogte tarief per kalenderjaar)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks voor met ingang van het
                                    komende kalenderjaar te verlenen subsidies landschapsbeheer als
                                    bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, de tarieven
                                    voor de verschillende beheerpakketten landschap vast, uitgedrukt
                                    in een bedrag per hectare, meter of stuk.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk
                                    zes weken voorafgaande aan de openstellingsperiode mededeling
                                    gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.6 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, vermeldt in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a. "><al>het beheerpakket landschap waarvoor subsidie wordt verleend,
                                        én</al></li><li nr="b."><al> de hoogte van de subsidie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.3.7 (ambtshalve vaststelling)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen binnen tien weken na afloop van de
                                    zes aaneengesloten kalenderjaren waarvoor de subsidie
                                    landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                    onderdeel b, is verstrekt, die subsidie ambtshalve vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, kan éénmaal met ten
                                    hoogste tien weken worden verdaagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De vaststelling, bedoeld in het eerste lid, omvat ook de
                                    beslissing op de aanvraag, bedoeld in artikel 5.1.3.3, tweede
                                    lid, voor zover die aanvraag betrekking heeft op het zesde en
                                    laatste kalenderjaar.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><titel>Afdeling 5.1.4 Bijzondere bepalingen inzake collectief
                                landschapsbeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4.1 (toepasselijkheid afdeling)</titel></kop><al>De onderhavige afdeling is niet van toepassing op subsidies
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4.2 (subsidieaanvraag collectief
                                    landschapsbeheer)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een begunstigde die een aanvraag tot verlening van een subsidie
                                    landschapsbeheer in het kader van collectief landschapsbeheer
                                    indient, geeft in die aanvraag per gebied, bedoeld in artikel
                                    2.1, vierde lid, onderdeel a, waar hij wenst deel te nemen aan
                                    collectief landschapsbeheer, aan: </al><lijst><li nr="a. "><al>de minimum- onderscheidenlijk maximumoppervlakte waarop
                                            hij gedurende de periode, bedoeld in artikel 5.1.1.2,
                                            voornemens is één of meerdere beheerpakketten landschap
                                            in het kader van collectief landschapbeheer uit te
                                            voeren, waarbij: </al><lijst><li nr="i."><al> de minimumoppervlakte niet kleiner kan zijn dan
                                                  de minimumoppervlakte van het betreffende
                                                  beheerpakket landschap, én</al></li><li nr="ii."><al> de maximumoppervlakte niet groter kan zijn dan
                                                  de totale oppervlakte van de beheerpakketten
                                                  landschap die tot zijn bedrijf behoren.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> binnen welk gebied de in onderdeel a bedoelde
                                            oppervlaktes zijn gelegen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid hoeft niet te worden
                                    ingediend indien de begunstigde in hetzelfde collectief gebied
                                    reeds deelneemt aan collectief agrarisch natuurbeheer en: </al><lijst><li nr="a."><al> de totale oppervlakte waarmee de begunstigde in het
                                            kader van collectief agrarisch natuurbeheer én
                                            collectief landschapsbeheer wenst deel te nemen kleiner
                                            of gelijk is aan de maximale oppervlakte, bedoeld in
                                            artikel 4.1.2.3, onderdeel a, óf</al></li><li nr="b. "><al>de totale oppervlakte waarmee de begunstigde in het
                                            kader van collectief agrarisch natuurbeheer én
                                            collectief landschapsbeheer wenst deel te nemen groter
                                            is dan de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel
                                            4.1.2.3, onderdeel a, maar de begunstigde overeenkomstig
                                            artikel 7.5, eerste en zesde lid, een aanvraag indient
                                            tot verhoging van die maximale oppervlakte.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, wordt de beschikking
                                    tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.1.2.3, met ingang
                                    van het kalenderjaar waarin de begunstigde voor het eerst
                                    deelneemt aan collectief landschapsbeheer en voor de resterende
                                    duur van de in artikel 4.1.1.2 bedoelde periode, aangemerkt als
                                    de goedkeuring om in dat gebied tevens deel te nemen aan
                                    collectief landschapsbeheer, en als zodanig ambtshalve door
                                    Gedeputeerde Staten aangepast.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Artikel 5.1.3.2 is niet van toepassing op een aanvraag als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4.3 (aanvullende subsidieverplichting)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Onverminderd artikel 5.1.3.3 is een ontvanger van een subsidie
                                    landschapsbeheer in het kader van collectief landschapsbeheer
                                    gehouden: </al><lijst><li nr="a. "><al>elk beheerjaar het beheer uit te voeren overeenkomstig
                                            het door Gedeputeerde Staten vastgestelde collectief
                                            beheerplan zoals dat 14 dagen vóór de datum waarop in
                                            het desbetreffende beheerjaar de in artikel 5.1.3.3,
                                            tweede lid, bedoelde aanvraag op zijn vroegst kan worden
                                            ingediend, luidt;</al></li><li nr="b."><al> de gebiedscoördinator tijdig op de hoogte te stellen
                                            van wijzigingen en intrekkingen als bedoeld in de
                                            artikelen 7.1 tot en met 7.6 en 7.8, tweede lid, voor
                                            zover deze relevant zijn voor het collectief
                                            beheerplan;</al></li><li nr="c."><al> vanaf het moment dat hij een beheerpakket landschap of
                                            variant daarvan uitvoert, dat beheerpakket landschap
                                            gedurende elk beheerjaar van de dan nog resterende
                                            periode, bedoeld in artikel 5.1.1.2, op dezelfde lokatie
                                            en met dezelfde omvang uit te blijven voeren.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4.4 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie landschapsbeheer in
                                het kader van collectief landschapsbeheer vermeldt in elk
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al> per gebied, bedoeld in artikel 2.1, vierde lid, onderdeel
                                        a, de minimale en maximale oppervlakte waarvoor subsidie
                                        wordt respectievelijk kan worden verleend;</al></li><li nr="b."><al> de wijze waarop de tarieven worden berekend;</al></li><li nr="c."><al> dat de subsidieontvanger elk beheerjaar gehouden is het
                                        beheer uit te voeren overeenkomstig het in artikel 9.2
                                        bedoelde collectief beheerplan zoals dat 14 dagen vóór de
                                        datum waarop in het desbetreffende beheerjaar de in artikel
                                        5.1.3.3, tweede lid, bedoelde aanvraag op zijn vroegst kan
                                        worden ingediend, luidt;</al></li><li nr="d. "><al>of een subsidie wordt verstrekt in het kader van de
                                        uitvoering van het Plattelandsontwikkelingsprogramma en of
                                        die subsidie gedeeltelijk wordt gefinancierd met Europese
                                        middelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5.1.4.5 (toepasselijkheid afdeling 5.1.1 en
                                    5.1.3)</titel></kop><al>De bepalingen van de afdelingen 5.1.1 en 5.1.3 zijn van
                                overeenkomstige toepassing voor zover uit de bepalingen van de
                                onderhavige afdeling niet anders voortvloeit. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Subsidie organisatiekosten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een subsidie organisatiekosten
                            verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie organisatiekosten wordt verstrekt voor een periode van
                            maximaal zes aaneengesloten kalenderjaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.3 (begunstigden) </titel></kop><al>Een subsidie organisatiekosten kan worden verstrekt aan een agrarische
                            natuurvereniging.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend uiterlijk 31
                                oktober direct voorafgaand aan het eerste kalenderjaar waarop de
                                aanvraag betrekking heeft.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al> een beschrijving van het gebied waar de agrarische
                                        natuurvereniging agrarisch natuurbeheer ondersteunt en
                                        stimuleert;</al></li><li nr="b."><al> een activiteitenplan, gericht op het ondersteunen en
                                        stimuleren van agrarisch natuurbeheer, waarin ten minste
                                        voor de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd per
                                        kalenderjaar staat beschreven voor welke activiteiten
                                        subsidie wordt aangevraagd, én</al></li><li nr="c."><al> een begroting, waarin uitgesplitst per kalenderjaar de
                                        verwachte uitgaven en inkomsten staan beschreven.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.5 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>De ontvanger van een subsidie organisatiekosten voert de activiteiten
                            ten behoeve waarvan subsidie wordt verstrekt uit conform het
                            activiteitenplan en de daarbij behorende begroting, bedoeld in artikel
                            6.4, tweede lid, onderdelen b en c, voor zover deze door Gedeputeerde
                            Staten zijn goedgekeurd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.6 (subsidiabele kosten)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Als subsidiabele kosten komen in aanmerking de noodzakelijke kosten
                                voor de organisatie van activiteiten, gericht op: </al><lijst><li nr="a."><al> kennisbevordering, kwaliteitsborging en professionalisering
                                        van agrarisch natuurbeheer;</al></li><li nr="b. "><al>werving en aanvraagbegeleiding van landbouwers;</al></li><li nr="c."><al> promotie, draagvlak en samenwerking in een gebied;</al></li><li nr="d."><al> monitoring en toezicht ten behoeve van de ecologische
                                        sturing in het gebied.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Subsidie wordt niet verstrekt voor activiteiten waarvoor reeds een
                                subsidie wordt verstrekt op grond van: </al><lijst><li nr="a."><al> hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer
                                        Flevoland, of</al></li><li nr="b."><al> hoofdstuk 8 van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer
                                        van de minister.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels vaststellen met betrekking
                                tot de kosten en activiteiten, bedoeld in het eerste lid, die voor
                                vergoeding in aanmerking komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Een subsidie organisatiekosten bedraagt hetzij:</al><lijst><li nr="a. "><al>ten hoogste 100 procent van de werkelijk gemaakte subsidiabele
                                    kosten, hetzij</al></li><li nr="b."><al> een door Gedeputeerde Staten te bepalen maximumbedrag, waarbij
                                    de genoten inkomsten op de aldus bepaalde bedragen in mindering
                                    worden gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.8 (aanvraag tot voorschotverlening)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen ten hoogste éénmaal per kalenderjaar op
                            aanvraag een voorschot verlenen, waarbij dat voorschot ten hoogste 80%
                            bedraagt van de subsidiabele kosten zoals die voor dat kalenderjaar in
                            de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde begroting zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.9 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al>Een beschikking tot verlening van een subsidie organisatiekosten
                            vermeldt in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al> de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;</al></li><li nr="b. "><al>de periode waarvoor subsidie wordt verleend, én</al></li><li nr="c."><al> de maximale hoogte van de subsidie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6.10 (aanvraag tot subsidievaststelling)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag de subsidie
                                organisatiekosten jaarlijks vaststellen voor dat gedeelte dat ziet
                                op de in het voorgaande kalenderjaar gemaakte subsidiabele
                                kosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Een aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste lid
                                wordt uiterlijk acht weken na afloop van het in dat lid bedoelde
                                kalenderjaar ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als een subsidieontvanger geen of slechts gedeeltelijk aanvragen
                                als bedoeld in het eerste lid heeft ingediend, wordt door hem
                                uiterlijk acht weken na afloop van de periode waarvoor de subsidie
                                is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend voor de
                                periode waarover nog geen subsidievaststelling heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een
                                overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten, de betalingsbewijzen
                                daarvan, de daadwerkelijk genoten inkomsten en een verslag van de
                                uitgevoerde activiteiten.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 7 Wijziging en intrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7.1 (overmacht)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a, kan, indien sprake is van overmacht of uitzonderlijke
                                omstandigheden, een aanvraag indienen tot wijziging of intrekking
                                van de betreffende beschikking tot subsidieverlening vanaf het
                                moment dat de overmacht zich voordoet of de uitzonderlijke
                                omstandigheden zich voordoen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer,
                                probleemgebiedensubsidie of subsidie landschapsbeheer als bedoeld in
                                artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan, als sprake is van
                                overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel
                                47, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1974/2006, een aanvraag
                                indienen tot wijziging of intrekking van de betreffende beschikking
                                tot subsidieverlening vanaf het moment dat de overmacht zich
                                voordoet of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het eerste
                                en tweede lid honoreren en de betreffende subsidie naar
                                evenredigheid vaststellen, als de overmacht of uitzonderlijke
                                omstandigheden van dien aard is, respectievelijk zijn, dat het doel
                                van de betreffende subsidie niet of niet meer kan worden
                                behaald.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het derde lid kunnen Gedeputeerde Staten een
                                aanvraag als bedoeld in het eerste en tweede lid afwijzen en de
                                betreffende subsidie ongewijzigd voortzetten als de overmacht of
                                uitzonderlijke omstandigheden van dien aard is, respectievelijk
                                zijn, dat het doel van de betreffende subsidie alsnog kan worden
                                behaald en de ontvanger van de betreffende subsidie zich ertoe
                                bereid heeft verklaard de subsidieverplichtingen weer na te zullen
                                leven zodra de overmacht is, respectievelijk de uitzonderlijke
                                omstandigheden zijn, geëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.2 (overlijden subsidieontvanger)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie
                                agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer overlijdt,
                                kan diens rechtsopvolger onder algemene titel binnen 24 weken na het
                                overlijden een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende
                                beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de overname van de
                                rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende
                                subsidie voor de resterende periode waarvoor zij wordt
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten trekken de beschikking tot subsidieverlening
                                met ingang van de datum van het overlijden in en stellen de subsidie
                                ambtshalve naar evenredigheid vast als er binnen de in het eerste
                                lid genoemde termijn geen aanvraag als bedoeld in dat lid is
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening
                                overeenkomstig het eerste lid wijzigen als de rechtsopvolger
                                aangemerkt kan worden als begunstigde voor de betreffende subsidie,
                                tenzij de oorspronkelijke subsidieontvanger een gecertificeerde
                                begunstigde was en de rechtsopvolger dit niet is.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen, in afwijking van de artikelen 3.1.7,
                                3.1.10, 4.1.1.7, 4.1.1.10, 4.1.2.4, 4.2.9, 5.1.2.4, 5.1.2.7, 5.1.3.4
                                en 5.1.3.7, de verstrekking dan wel betaling van een jaarvergoeding
                                of de vaststelling van een subsidie opschorten tot vier weken na de
                                dag waarop de termijn, genoemd in het eerste lid, is
                                verstreken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3 (overdracht aan andere beheerder)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a, de zeggenschap over het beheer overdraagt aan een
                                derde, waardoor hij op de peildatum van een kalenderjaar niet kan
                                worden aangemerkt als begunstigde, dan kan hij tezamen met die derde
                                een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende beschikking
                                tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of gedeeltelijke
                                overname door die derde van de rechten en verplichtingen die zijn
                                verbonden aan de desbetreffende subsidie voor de resterende periode
                                waarvoor zij wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer of een
                                subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste
                                lid, onderdeel b, het beheer overdraagt aan een derde, waardoor hij
                                op de peildatum van een beheerjaar respectievelijk kalenderjaar niet
                                kan worden aangemerkt als begunstigde, dan kan hij tezamen met die
                                derde een aanvraag indienen tot wijziging van de betreffende
                                beschikking tot subsidieverlening, inhoudende de gehele of
                                gedeeltelijke overname door die derde van de rechten en
                                verplichtingen die zijn verbonden aan de desbetreffende subsidie
                                voor de resterende periode waarvoor zij wordt verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk 15
                                augustus van het betreffende kalenderjaar gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt uiterlijk op de
                                peildatum van het betreffende beheerjaar respectievelijk
                                kalenderjaar gedaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening
                                overeenkomstig het eerste of tweede lid wijzigen als de derde
                                aangemerkt kan worden als begunstigde voor de betreffende subsidie.
                                Indien de oorspronkelijke subsidieontvanger een gecertificeerde
                                begunstigde was en de derde dit niet is, is een wijziging als
                                bedoeld in de eerste volzin slechts mogelijk indien die derde
                                schriftelijk verklaart met ingang van de datum van overdracht de
                                subsidieverplichtingen te zullen naleven op basis van de rechten en
                                plichten die gelden voor een niet-gecertificeerde begunstigde.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Onverminderd het vijfde lid honoreren Gedeputeerde Staten een
                                aanvraag als bedoeld in het eerste lid niet met betrekking tot het
                                gedeelte van een subsidie natuurbeheer dat ziet op de toeslag,
                                bedoeld in artikel 3.1.8, tweede lid, onderdeel b, voor zover de
                                derde niet in staat is de aan die toeslag verbonden verplichtingen
                                na te leven, maar stellen zij ambtshalve het betreffende deel van de
                                subsidie naar evenredigheid vast.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Onverminderd het vijfde lid honoreren Gedeputeerde Staten, indien
                                er sprake is van een gedeeltelijke overdracht van een natuurterrein,
                                een landschapselement, een beheereenheid of een beheerpakket
                                landschap, een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid
                                slechts indien zowel het overgedragen deel als het resterende deel
                                voldoen aan de eisen van het desbetreffende natuurbeheertype of
                                landschapselement, onderscheidenlijk de instapeisen van het
                                desbetreffende agrarisch beheerpakket of beheerpakket
                                landschap.</al><al/><al> Een wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld
                                in het vijfde lid treedt in werking met ingang van het kalenderjaar
                                respectievelijk beheerjaar waarin de derde op de peildatum als
                                begunstigde aangemerkt kan worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.3a (aanvullende voorwaarden overdracht collectief
                                agrarisch beheer)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in artikel 7.3,
                                tweede lid, die betrekking heeft op een subsidie agrarisch
                                natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer of
                                een subsidie landschapsbeheer in het kader van collectief
                                landschapsbeheer, slechts goedkeuren indien deze vergezeld gaat
                                van:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> een aanvraag als bedoeld in artikel 4.1.2.1, eerste lid,
                                        onderscheidenlijk artikel 5.1.4.2, eerste lid, indien de
                                        derde in het betreffende collectief gebied nog niet
                                        deelneemt aan collectief agrarisch natuurbeheer
                                        onderscheidenlijk collectief landschapsbeheer, tenzij het de
                                        gehele overdracht betreft van al het collectief agrarisch
                                        natuurbeheer en collectief landschapsbeheer dat de
                                        subsidieontvanger in het betreffende beheerjaar in het
                                        betreffende collectief gebied dient uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al> een aanvraag tot verhoging van de maximale oppervlakte als
                                        bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a, onderscheidenlijk
                                        artikel 5.1.4.4, onderdeel a, indien de derde in het
                                        betreffende collectief gebied reeds deelneemt aan collectief
                                        agrarisch natuurbeheer onderscheidenlijk collectief
                                        landschapsbeheer en door de overdracht deze maximale
                                        oppervlakte wordt overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In zoverre in afwijking van het bepaalde in artikel 7.3, tweede
                                lid, bestrijkt de aanvraag, bedoeld in: </al><lijst><li nr="a."><al> het eerste lid, onderdeel a, van het onderhavige artikel,
                                        een geheel nieuwe periode van zes aaneengesloten
                                        beheerjaren, waarbij die periode aanvangt met ingang van het
                                        beheerjaar waarin de derde op de peildatum als begunstigde
                                        aangemerkt kan worden;</al></li><li nr="b."><al> het eerste lid, onderdeel b, van het onderhavige artikel,
                                        de resterende periode waarvoor aan die derde subsidie is
                                        verleend op basis van de door hem voor het betreffende
                                        collectief gebied ingediende aanvraag als bedoeld in artikel
                                        4.1.2.1, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.1.4.2,
                                        eerste lid, waarbij die resterende periode aanvangt met
                                        ingang van het beheerjaar waarin de derde op de peildatum
                                        als begunstigde aangemerkt kan worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op aanvragen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, is
                                artikel 1.3, eerste lid niet van toepassing. Onverminderd de eerste
                                volzin van dit artikellid wordt een aanvraag als bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel a, niet gehonoreerd indien deze ná 15 mei 2015
                                is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien de subsidieontvanger als gevolg van de door Gedeputeerde
                                Staten goedgekeurde overdracht niet langer beschikt over voldoende
                                oppervlakte om met ten minste de minimumoppervlakte, bedoeld in
                                artikel 4.1.2.3, onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 5.1.4.4,
                                onderdeel a, te blijven deelnemen aan collectief agrarisch
                                natuurbeheer onderscheidenlijk collectief landschapsbeheer, dan
                                wordt de hiervoor bedoelde minimumoppervlakte, met ingang van het
                                beheerjaar waarin de derde op de peildatum als begunstigde
                                aangemerkt kan worden, verlaagd tot de oppervlakte die wordt gevormd
                                door de goedgekeurde overgedragen oppervlakte in mindering te
                                brengen op de oppervlakte die de subsidieontvanger op grond van het
                                in artikel 4.1.2.3, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 5.1.4.4,
                                onderdeel c, bedoelde collectief beheerplan in het betreffende
                                beheerjaar diende te beheren.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.4 (overdracht aan Staatsbosbeheer, TBO of BBL)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie agrarisch
                                natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer kan, als hij de
                                zeggenschap over het beheer of het beheer geheel of gedeeltelijk
                                overdraagt aan Staatsbosbeheer, het Bureau beheer landbouwgronden of
                                een instelling als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van
                                de Regeling subsidies particuliere terreinbeherende
                                natuurbeschermingsorganisaties zoals dat artikel tot 1 januari 2008
                                luidde, een aanvraag indienen tot gehele of gedeeltelijke intrekking
                                van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid
                                gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die
                                subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot subsidieverlening
                                inzake agrarisch natuurbeheer of landschapsbeheer als bedoeld in
                                artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, naar aanleiding van een
                                aanvraag als bedoeld in het eerste lid met ingang van de datum van
                                overdracht slechts geheel of gedeeltelijk intrekken en naar
                                evenredigheid vaststellen, als voldaan is aan de voorwaarde, bedoeld
                                in artikel 44, tweede lid, onderdeel c, van Verordening (EG) nr.
                                1974/2006.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.5 (wijziging subsidie ivm vergroting areaal)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer, een subsidie
                                    agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer kan
                                    éénmaal per kalenderjaar onderscheidenlijk beheerjaar een
                                    aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot
                                    subsidieverlening met ingang van het volgend kalenderjaar of
                                    beheerjaar, gericht op de vergroting van het areaal waarvoor
                                    subsidie wordt verstrekt.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van
                                    een subsidie natuurbeheer naar aanleiding van een aanvraag als
                                    bedoeld in het eerste lid wijzigen als die wijziging leidt tot
                                    een verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per
                                    kalenderjaar. De artikelen 1.3, eerste lid, 3.1.3, 3.1.4 en
                                    3.1.5 zijn van overeenkomstige toepassing</al></li><li nr="3. "><al>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een
                                    subsidie agrarisch natuurbeheer naar aanleiding van een aanvraag
                                    als bedoeld in het eerste lid wijzigen als: </al><lijst><li nr="a."><al> de vergroting niet meer dan twee hectare bedraagt en
                                            evenmin meer dan 10% van het areaal landbouwgrond
                                            waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt, én</al></li><li nr="b."><al> de wijziging leidt tot een verhoging van de
                                            jaarbetaling van ten minste €50,- per beheerjaar.</al></li></lijst></li></lijst><al>De artikelen 1.3, eerste lid, 4.1.1.3, 4.1.1.4 en 4.1.1.5 zijn van
                            overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de in de agrarische
                            beheerpakketten opgenomen eis ten aanzien van de minimale oppervlakte
                            van de beheereenheid voor zover het areaal landbouwgrond waarop de
                            aanvraag tot wijziging ziet grenst aan landbouwgrond waarvoor de
                            aanvrager al subsidie ontvangt, én op de beide aldus aanééngrenzende
                            arealen eenzelfde agrarisch beheerpakket zal worden uitgevoerd.</al><lijst><li nr="4."><al> Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van
                                    een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1,
                                    eerste lid, onderdeel a, naar aanleiding van een aanvraag als
                                    bedoeld in het eerste lid wijzigen als die wijziging leidt tot
                                    een verhoging van de jaarvergoeding van ten minste €50,- per
                                    kalenderjaar. De artikelen 1.3, eerste lid, 5.1.1.3, 5.1.2.1, en
                                    5.1.2.2 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="5."><al> Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot
                                    subsidieverlening inzake landschapsbeheer als bedoeld in artikel
                                    5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, naar aanleiding van een
                                    aanvraag als bedoeld in het eerste lid wijzigen als: </al><lijst><li nr="a."><al> de vergroting niet meer dan twee hectare bedraagt en
                                            evenmin meer dan 10% bedraagt van het aantal hectares,
                                            meters of stuks waarvoor de aanvrager al subsidie
                                            ontvangt, én</al></li><li nr="b."><al> de wijziging leidt tot een verhoging van de
                                            jaarvergoeding van ten minste €50,- per
                                            kalenderjaar.</al></li></lijst></li></lijst><al>De artikelen 1.3, eerste lid, 5.1.1.3, 5.1.3.1 en 5.1.3.2 en 5.1.3.2a
                            zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de in de
                            beheerpakketten landschap opgenomen eis ten aanzien van de minimale
                            omvang, mits het beheerpakket landschap waarop de aanvraag tot wijziging
                            ziet grenst aan een beheerpakket landschap waarvoor de aanvrager al
                            subsidie ontvangt én de beide aldus aanééngrenzende beheerpakketten
                            landschap identiek zijn.</al><lijst><li nr="6. "><al>Als een in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op
                                    het vergroten van het areaal waarvoor een subsidie agrarisch
                                    natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch beheer wordt
                                    verstrekt: </al><lijst><li nr="a."><al> Is het derde lid, onderdeel a, niet van toepassing en
                                            artikel 4.1.1.4 niet van overeenkomstige
                                            toepassing;</al></li><li nr="b."><al> is er slechts sprake van een aanvraag als bedoeld in
                                            het onderhavige artikel voor zover de extra oppervlakte
                                            de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 4.1.2.3,
                                            onderdeel a, voor het betreffende gebied
                                            overschrijdt.</al></li></lijst></li><li nr="7,"><al> Als een in het eerste lid bedoelde aanvraag betrekking heeft op
                                    het vergroten van het areaal waarvoor een subsidie
                                    landschapsbeheer in het kader van collectief landschapsbeheer
                                    wordt verstrekt:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> is het vijfde lid, onderdeel a, niet van toepassing en
                                            artikel 5.1.3.2 niet van overeenkomstige
                                            toepassing;</al></li><li nr="b."><al> is er slechts sprake van een aanvraag als bedoeld in
                                            het onderhavige artikel voor zover de extra oppervlakte
                                            de maximale oppervlakte, bedoeld in artikel 5.1.4.4,
                                            onderdeel a, voor het betreffende gebied
                                            overschrijdt.</al></li></lijst></li><li nr="8. "><al>In afwijking van de artikelen 3.1.7, tweede lid, 5.1.2.4, tweede
                                    lid en 5.1.3.5, eerste lid wordt, indien Gedeputeerde Staten de
                                    beschikking tot subsidieverlening op grond van een in het eerste
                                    lid van het onderhavige artikel bedoelde aanvraag wijzigen, de
                                    uit die wijziging voortvloeiende verhoging van de subsidie en
                                    jaarvergoedingen gebaseerd op de tarieven die golden in het
                                    kalender- respectievelijk beheerjaar waarin de aanvraag is
                                    ingediend zoals die luidde vóórdat voor het eerst een aanvraag
                                    tot wijziging van de betreffende beschikking tot
                                    subsidieverlening als bedoeld in het eerste lid is
                                    ingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.5a (toetreding tot samenwerkingsverband)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, tot vergroting
                                van het areaal waarvoor een subsidie natuurbeheer of een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a, wordt verstrekt, welke wordt ingediend door een
                                aanvrager als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel b
                                onderscheidenlijk artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b, én
                                vergezeld gaat van een verzoek van een ontvanger van één of meer in
                                de aanhef bedoelde subsidies tot intrekking van de aan hem verleende
                                subsidies voor de terreinen waarop die aanvraag betrekking heeft,
                                wordt niet gehonoreerd indien: </al><lijst><li nr="a."><al> die aanvraag en het verzoek tot intrekking niet alle
                                        natuurterreinen en landschapselementen omvat waarvoor aan de
                                        in de aanhef bedoelde subsidieontvanger subsidie werd
                                        verstrekt;</al></li><li nr="b."><al> die aanvraag ertoe zou leiden dat in totaal minder dan 6
                                        aaneengesloten jaren subsidie voor het desbetreffende
                                        terrein onderscheidenlijk landschapselement kan worden
                                        verleend;</al></li><li nr="c."><al> de in de aanhef bedoelde subsidieontvanger een
                                        gecertificeerde begunstigde is en de in de aanhef bedoelde
                                        aanvrager dit niet is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Ingeval van intrekking uit hoofde van het eerste lid worden alle
                                subsidies naar evenredigheid verleend en vastgesteld voor het
                                verstreken gedeelte van het tijdvak, bedoeld in artikel 3.1.2.
                                respectievelijk artikel 5.1.1.2, waarvoor de betreffende subsidies
                                zijn verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het eerste lid honoreren Gedeputeerde Staten een
                                aanvraag als bedoeld in het eerste lid niet met betrekking tot het
                                gedeelte van een of meer subsidies natuurbeheer dat ziet op de
                                toeslag, bedoeld in artikel 3.1.8, tweede lid, onderdeel b, voor
                                zover het samenwerkingsverband niet in staat is de aan die toeslag
                                verbonden verplichtingen na te leven, maar stellen zij ambtshalve
                                het betreffende deel van respectievelijke subsidies naar
                                evenredigheid vast voor het verstreken gedeelte van het
                                tijdvak.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een wijziging van een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld
                                in het eerste lid treedt in werking met ingang van het kalenderjaar
                                waarin het samenwerkingsverband op de peildatum als begunstigde
                                aangemerkt kan worden.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.6 (wijziging subsidie ivm verkleining)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a, kan een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking
                                van de beschikking tot subsidieverlening en de naar evenredigheid
                                gehele of gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie
                                indienen met het oog op de verkleining van het areaal waarvoor de
                                subsidie wordt verstrekt, als die verkleining het gevolg is van de
                                realisatie van een werk van algemene nutte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een
                                probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, kan een
                                aanvraag tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking
                                tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of
                                gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie indienen,
                                als hij als gevolg van omstandigheden als bedoeld in artikel 45,
                                vierde lid, van Verordening (EG) nr. 1974/2006 de
                                subsidieverplichtingen niet langer kan nakomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten trekken de desbetreffende subsidie voor het
                                betreffende deel in en stellen haar naar evenredigheid vast als
                                voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in het eerste
                                onderscheidenlijk tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.7 (beëindiging subsidie natuurbeheer ivm wijziging
                                natuurbeheertype)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Een ontvanger van een subsidie natuurbeheer kan een aanvraag
                                indienen tot gehele of gedeeltelijke intrekking van de beschikking
                                tot subsidieverlening en de naar evenredigheid gehele of
                                gedeeltelijke voortijdige vaststelling van die subsidie, als hij op
                                het natuurterrein of deel daarvan waarvoor hij de subsidie ontvangt,
                                maatregelen treft die zijn gericht op een wijziging van het op dat
                                natuurterrein in stand te houden natuurbeheertype.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de beschikking tot subsidieverlening
                                naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in het eerste lid
                                intrekken vanaf het moment dat de maatregelen, bedoeld in het eerste
                                lid, van start gaan, en de subsidie naar evenredigheid geheel of
                                gedeeltelijk vaststellen, als: </al><lijst><li nr="a."><al> de wijziging van het natuurbeheertype op grond van het
                                        natuurbeheerplan is toegestaan;</al></li><li nr="b."><al> de wijziging van het natuurbeheertype gericht is op een
                                        versterkte bescherming van de natuur, én</al></li><li nr="c. "><al>de subsidieontvanger schriftelijk verklaart ten minste zes
                                        jaar na afronding van de inrichtingsmaatregelen, bedoeld in
                                        artikel 11 van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur
                                        en landschap Flevoland , beheer gericht op de instandhouding
                                        van het gewijzigde natuurbeheertype te blijven voeren. Deze
                                        verplichting vervalt voor zover hij voor die gewijzigde
                                        instandhouding een subsidie natuurbeheer op grond van de
                                        onderhavige verordening heeft aangevraagd en ontvangt. De
                                        hiervóór bedoelde subsidieaanvraag wordt ingediend in de
                                        eerstvolgende openstellingsperiode na het indienen van de
                                        aanvraag tot subsidievaststelling, bedoeld in artikel 14b
                                        van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap
                                        Flevoland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Indien een subsidieontvanger subsidie ontvangt op grond van een
                                aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, tweede volzin,
                                en de beschikking tot subsidieverlening wordt ingetrokken omdat de
                                subsidieontvanger toerekenbaar niet voldaan heeft aan de
                                subsidieverplichtingen, dan is voor de resterende periode de in het
                                tweede lid, onderdeel c, eerste volzin, bedoelde
                                instandhoudingsplicht weer van toepassing tot de termijn van zes
                                jaar na afronding van de inrichtingsmaatregelen is verstreken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.8 (wijziging baseline)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een
                                subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, wijzigen als
                                dit ingevolge artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006
                                noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een beschikking tot verlening van een
                                subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, intrekken met
                                ingang van het moment waarop zich de situatie als bedoeld in artikel
                                46 van Verordening (EG) nr. 1974/2006 voordoet en de subsidie naar
                                evenredigheid ambtshalve vaststellen als de subsidieontvanger een
                                wijziging ingevolge het eerste lid niet aanvaardt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.9 (wijziging activiteiten organisatiekosten )</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Een ontvanger van een subsidie organisatiekosten kan jaarlijks een
                                aanvraag indienen tot wijziging van de beschikking tot
                                subsidieverlening.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening
                                als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk op 31
                                oktober voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de wijziging
                                wordt aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De aanvraag tot wijziging van een beschikking tot subsidieverlening
                                als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al> een onderbouwing van de wijziging;</al></li><li nr="b."><al> een gewijzigd activiteitenplan, én</al></li><li nr="c. "><al>een gewijzigde begroting.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7.10 (verlagen “min”)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Gedeputeerde Staten kunnen ambtshalve de minimale oppervlakte,
                                    bedoeld in de artikelen 4.1.2.3, onderdeel a, en 5.1.4.4,
                                    onderdeel a, verlagen.</al></li><li nr="2."><al> De in het eerste lid bedoelde verlaging gaat in met ingang van
                                    het beheerjaar waarin de subsidieontvanger niet langer voldoet
                                    aan de minimale oppervlakte, bedoeld in de artikelen 4.1.2.3,
                                    onderdeel a, en 5.1.4.4, onderdeel a.</al></li><li nr="3."><al> Gedeputeerde Staten maken geen gebruik van de in het eerste lid
                                    bedoelde bevoegdheid indien de verlaging ertoe zou leiden dat de
                                    minimale oppervlakte kleiner wordt dan de minimumoppervlakte die
                                    behoort bij het agrarische beheerpakket onderscheidenlijk
                                    beheerpakket landschap met de kleinste omvang dat de
                                    subsidieontvanger in het betreffende beheerjaar behoorde uit te
                                    voeren.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 8 Certificering</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 8.1 Certificering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.1 (bevoegdheid tot certificering)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag afgeven: </al><lijst><li nr="a. "><al>een certificaat natuurbeheer;</al></li><li nr="b."><al> een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer;</al></li><li nr="c. "><al>een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij
                                    de in artikel 8.1.7 bedoelde stichting, met dien verstande dat
                                    een dergelijke aanvraag niet vóór 15 november 2010 ingediend kan
                                    worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2 (wie kunnen worden gecertificeerd)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Voor een certificaat natuurbeheer komen in aanmerking
                                    begunstigden als bedoeld in de artikelen 3.1.3, eerste lid,
                                    onderdeel a, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel a.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Onverminderd de verdere bepalingen in deze paragraaf komen
                                    begunstigden als bedoeld in het eerste lid slechts in aanmerking
                                    voor een certificaat natuurbeheer indien: </al><lijst><li nr="a."><al> zij in totaal ten minste 5 hectare natuurterrein of
                                            landschapselementen binnen natuurterrein beheren,
                                            óf</al></li><li nr="b."><al> de in artikel 8.1.2a bedoelde aanvraag vergezeld gaat
                                            van een kwaliteitshandboek volgens het model van de
                                            Federatie Particulier Grondbezit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Voor een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer komen in
                                    aanmerking begunstigden als bedoeld in de artikelen 3.1.3,
                                    eerste lid, onderdeel b, en 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel
                                    b.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Onverminderd de verdere bepalingen in deze paragraaf komen
                                    begunstigden als bedoeld in het derde lid slechts in aanmerking
                                    voor een certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de in de artikelen 3.1.3, eerste lid, onderdeel b, en
                                            5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b, bedoelde natuurlijke
                                            personen of rechtspersonen in totaal ten minste 5
                                            hectare natuurterrein of landschapselementen binnen
                                            natuurterrein beheren, óf</al></li><li nr="b."><al> de in artikel 8.1.2a bedoelde aanvraag vergezeld gaat
                                            van een kwaliteitshandboek volgens het model van de
                                            Federatie Particulier Grondbezit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor een certificaat coördinatie agrarisch natuurbeheer komen
                                    in aanmerking rechtspersonen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.2a Aanvraag certificering</titel></kop><al>Een aanvraag tot verlening van een certificaat als bedoeld in
                                artikel 8.1.1 gaat vergezeld van:</al><lijst><li nr="a."><al> naam en adresgegevens van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al> een kwaliteitshandboek van de aanvrager, met daarin een
                                        beschrijving van de elementen uit de bedrijfsvoering, zoals
                                        beschreven in het Programma van Eisen Kwaliteitshandboek
                                        Natuurbeheer.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.3 (certificeringsvoorwaarden)</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld
                                certificaat afgeven als is voldaan aan de voorwaarden, opgenomen in
                                het corresponderende onderdeel van het Programma van Eisen
                                Kwaliteitshandboek Natuurbeheer, zoals dat door Gedeputeerde Staten
                                is vastgesteld en gepubliceerd in het Provinciaal Blad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.4 (aan certificering verbonden
                                    verplichtingen)</titel></kop><al>Een houder van een in artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld
                                certificaat:</al><lijst><li nr="a. "><al>draagt er zorg voor dat hij blijft voldoen aan de
                                        certificeringsvoorwaarden die behoren bij het aan hem
                                        afgegeven certificaat;</al></li><li nr="b. "><al>draagt er zorg voor dat door of vanwege Gedeputeerde Staten
                                        audits kunnen worden uitgevoerd in het kader van de naleving
                                        van de certificeringsvoorwaarden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.5 (schorsing en intrekking certificaat)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat voor een door hen te
                                    bepalen termijn schorsen als de houder van het certificaat niet
                                    voldoet aan één of meerdere certificeringsvoorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen het certificaat intrekken als: </al><lijst><li nr="a."><al> na afloop van de schorsingstermijn, bedoeld in het
                                            eerste lid, blijkt dat de houder van het certificaat nog
                                            steeds niet voldoet aan de betreffende
                                            certificeringsvoorwaarde;</al></li><li nr="b."><al> blijkt dat binnen een periode van 52 weken na afloop
                                            van de schorsingstermijn, bedoeld in het eerste lid, de
                                            houder van het certificaat opnieuw niet voldoet aan de
                                            betreffende certificeringsvoorwaarde;</al></li><li nr="c."><al> de houder van het certificaat opzettelijk een onjuiste
                                            aanvraag heeft ingediend ter verkrijging van een
                                            subsidie, bedoeld in de artikelen 3.1.1, 5.1.1.1, eerste
                                            lid, onderdeel a, of 6.1, of willens en wetens heeft
                                            meegewerkt aan het indienen van een onjuiste aanvraag
                                            ter verkrijging door een landbouwer van een in artikel
                                            4.1.2.4 bedoelde toeslag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De certificering wordt niet geschorst of ingetrokken als het
                                    niet voldoen aan de betreffende certificeringsvoorwaarde het
                                    gevolg is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.6 (rechtsgevolgen intrekken certificaat)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Als Gedeputeerde Staten een certificaat natuurbeheer of een
                                    certificaat samenwerkingsverband natuurbeheer intrekken dat is
                                    afgegeven aan: </al><lijst><li nr="a."><al> een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die,
                                            respectievelijk</al></li><li nr="b."><al> een samenwerkingsverband dat,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het bepaalde in het eerste lid vindt geen toepassing als de
                                    voormalig gecertificeerdebegunstigde binnen acht weken na de
                                    datum van intrekking van het certificaat verzoekt de betreffende
                                    subsidieverlening met ingang van die datum te wijzigen in een
                                    subsidieverlening op basis van de rechten en plichten zoals die
                                    voor niet-gecertificeerde begunstigden gelden , mits de
                                    subsidieverlening waarop het wijzigingsverzoek ziet een
                                    oppervlakte betreft van minder dan 75 hectare.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als Gedeputeerde Staten een certificaat coördinatie agrarisch
                                    natuurbeheer intrekken, draagt de voormalig gebiedscoördinator
                                    zijn werkzaamheden en de daarop betrekking hebbende stukken in
                                    goede orde over aan een door Gedeputeerde Staten aangewezen
                                    gebiedscoördinator of ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.1.7 (mandaat Stichting)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Besluiten tot het afgeven, schorsen of intrekken van een in
                                    artikel 8.1.1, eerste lid, bedoeld certificaat worden namens
                                    Gedeputeerde Staten genomen door het bestuur van de Stichting
                                    Certificering Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van artikel 11.1 wordt het toezicht op de naleving
                                    van de aan het betreffende certificaat verbonden
                                    certificeringsvoorwaarden namens Gedeputeerde Staten uitgeoefend
                                    door het bestuur van de Stichting Certificering Subsidiestelsel
                                    Natuur- en Landschapsbeheer.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 8.2 Subsidie certificeringskosten (vervallen)</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.1 (grondslag subsidie)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.2 (duur subsidie)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.3 (begunstigden)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.4 (aanvraag subsidie)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.5 (subsidieverplichtingen)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.6 (subsidiabele kosten)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.7 (hoogte subsidie)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.8 (aanvraag tot voorschotverlening)</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.9 (beschikking tot subsidieverlening)</titel></kop><al> Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8.2.10 (aanvraag tot subsidievaststelling)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 9 Collectief beheerplan</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9.1 (aanvraag vaststelling collectief beheerplan of
                                wijziging daarvan)</titel></kop><al>Een gebiedscoördinator kan bij Gedeputeerde Staten een aanvraag indienen
                            tot vaststelling van:</al><lijst><li nr="a."><al> een collectief beheerplan;</al></li><li nr="b."><al> een wijziging van een op grond van artikel 9.2 vastgesteld
                                    collectief beheerplan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9.2 (goedkeuring collectief beheerplan of wijziging
                                daarvan)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een collectief beheerplan dan wel een
                                wijziging van een op grond van dit artikel vastgesteld collectief
                                beheerplan vaststellen als: </al><lijst><li nr="a. "><al>de aanvraag tot vaststelling is ingediend door een
                                        gebiedscoördinator die het beheer in het betreffende gebied
                                        coördineert;</al></li><li nr="b."><al> de aanvraag tot vaststelling uiterlijk op 15 december
                                        voorafgaand aan een beheerjaar is ingediend;</al></li><li nr="c."><al> het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op
                                        grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan past
                                        binnen het natuurbeheerplan zoals dat zes weken vóór
                                        indiening van de in artikel 9.1 bedoelde aanvraag geldt,
                                        én</al></li><li nr="d. "><al>het collectief beheerplan dan wel de wijziging van een op
                                        grond van dit artikel vastgesteld collectief beheerplan
                                        voldoet aan de eisen, bedoeld in bijlage 5, onderdeel A
                                        respectievelijk onderdeel B.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, kan een aanvraag als
                                bedoeld in het eerste lid tot uiterlijk 1 februari van een
                                beheerjaar worden aangepast, voor zover in die aangepaste aanvraag
                                in vergelijking tot de in het eerste lid bedoelde aanvraag: </al><lijst><li nr="a."><al> geen nieuwe begunstigden zijn opgenomen, tenzij: </al><lijst><li nr="I."><al> het een geval van overdracht van een subsidie als
                                                bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, betreft, én</al></li><li nr="II. "><al>de overgedragen subsidie werd verstrekt in het kader
                                                van collectief agrarisch natuurbeheer
                                                onderscheidenlijk collectief landschapsbeheer;</al></li></lijst></li><li nr="b. "><al>geen vergrotingen van het areaal als bedoeld in artikel 7.5,
                                        derde lid, zijn opgenomen die de maximale oppervlakte,
                                        bedoeld in artikel 4.1.2.3, onderdeel a, overstijgen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het tweede lid dient een aanpassing
                                als bedoeld in dat lid in overeenstemming te zijn met de eisen,
                                bedoeld in bijlage 5, onderdeel A respectievelijk onderdeel B.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Voor zover Gedeputeerde Staten de kaarten, bedoeld in bijlage 5,
                                onderdeel A respectievelijk onderdeel B, goedkeuren, leggen zij dat
                                vast door middel van een elektronische kaart.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het bepaalde in het eerste
                                lid, onderdelen c en d, onderscheidenlijk het derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 10 Verlaging jaarvergoeding en subsidies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.1 (niet-naleving subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Als een ontvanger van een subsidie natuurbeheer of een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel a, niet voldoet aan de aan de betreffende subsidie
                                verbonden verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten de
                                jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 3.1.7, tweede lid en
                                5.1.2.4, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een
                                aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste lid, een
                                probleemgebiedensubsidie of een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel b, niet voldoet
                                aan de aan de betreffende subsidie of toeslag verbonden
                                verplichtingen, niet zijnde de in artikel 10.2 bedoelde
                                verplichtingen, verlagen Gedeputeerde Staten: </al><lijst><li nr="a. "><al>de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede
                                        lid, en 5.1.3.4, tweede lid;</al></li><li nr="b."><al> de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste
                                        lid;</al></li><li nr="c."><al> het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld,
                                        overeenkomstig: </al><lijst><li nr="I."><al> artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1975/2006
                                                indien de omvang van het uitgevoerde agrarisch
                                                beheerpakket, het uitgevoerde beheerpakket landschap
                                                of de oppervlakte van de landbouwgrond waarop wordt
                                                voldaan aan de voorwaarden die zijn verbonden aan
                                                een de toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste
                                                lid, of een probleemgebiedensubsidie, kleiner is dan
                                                de omvang waarvoor die subsidie of toeslag is
                                                verleend;</al></li><li nr="II."><al> artikel 18 van Verordening 1975/2006 en, voor zover
                                                ruimte resteert voor de toepassing daarvan, de
                                                Beleidsregels verlagen subsidie POP2, indien de
                                                niet-naleving een andere verplichting betreft als
                                                bedoeld onder i. of in artikel 10.2, voor zover het
                                                een in de aanhef bedoelde subsidie betreft die
                                                gedeeltelijk wordt gefinancierd met Europese
                                                middelen.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het tweede lid, onder i. en ii. genoemde artikelen en
                                beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies als
                                bedoeld in de aanhef van het tweede lid die niet geheel of
                                gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese middelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.2 (niet-naleving randvoorwaarden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten verlagen: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarvergoeding, bedoeld in de artikelen 4.1.1.7, tweede
                                        lid, en 5.1.3.4, tweede lid;</al></li><li nr="b. "><al>de aanvullende toeslag, bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste
                                        lid;</al></li><li nr="c."><al> het bedrag dat ingevolge artikel 4.2.9 wordt vastgesteld,
                                        overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1975/2006
                                        en, voor zover ruimte resteert voor de toepassing daarvan,
                                        de Beleidsregels Regeling GLB-inkomstenssteun 2006, als de
                                        ontvanger van een subsidie agrarisch natuurbeheer, een
                                        aanvullende toeslag als bedoeld in artikel 4.1.2.4, eerste
                                        lid, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie
                                        landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                        onderdeel b, in dat beheerjaar of kalenderjaar niet voldoet
                                        aan de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel
                                        4.1.1.6, eerste lid, onderdeel b, onderdeel c, de
                                        onderscheiden subonderdelen van bijlage 7, onderdeel C,
                                        artikel 4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid,
                                        onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie
                                agrarisch natuurbeheer, een probleemgebiedensubsidie of een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel b, die niet gedeeltelijk worden gefinancierd met Europese
                                middelen, voor zover niet is voldaan aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 4.1.1.6, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk artikel
                                4.2.6, onderdeel a, of artikel 5.1.3.3, eerste lid, onderdeel
                                b.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.3 (niet-nalevingen en overdracht)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Als een subsidie natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als
                                bedoeld in artikel 5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, overeenkomstig
                                artikel 7.3, eerste lid, is overgedragen aan een derde, wordt de
                                jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die derde ook verlaagd als
                                aan de verplichting niet is voldaan door de oorspronkelijke
                                subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Als een subsidie agrarisch natuurbeheer of een subsidie
                                landschapsbeheer als bedoeld in 2. artikel 5.1.1.1, eerste lid,
                                onderdeel b, overeenkomstig artikel 7.3, tweede lid, is overgedragen
                                aan een derde, wordt de jaarvergoeding die wordt uitgekeerd aan die
                                derde ook verlaagd als aan de verplichting niet is voldaan door de
                                oorspronkelijke subsidieontvanger.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Als een ontvanger van een probleemgebiedensubsidie de landbouwgrond
                                waarvoor hij die subsidie ontvangt ná de peildatum overdraagt aan
                                een derde, worden door die derde in dat kalenderjaar begane
                                schendingen van de aan de probleemgebiedensubsidie verbonden
                                verplichtingen toegerekend aan de subsidieontvanger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.4 (gevallen van overmacht en onvoorziene
                                omstandigheden)</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10.5 (gevolgen niet-nalevingen voor de
                                subsidievaststelling)</titel></kop><al>Bij de vaststelling van de subsidies, bedoeld in de artikelen 10.1 en
                            10.2, houden Gedeputeerde Staten rekening met verlagingen die ingevolge
                            die artikelen zijn opgelegd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 11 Controle</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11.1 (toezicht op naleving
                                subsidieverplichtingen)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn de bij besluit van Gedeputeerde Staten
                                aangewezen ambtenaren belast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling
                                gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 12 Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12.1 (intrekken PSN en PSAN)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland en de
                                hoofdstukken 5 en 6 van de Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland
                                worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2010.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland wordt, voor zover in het
                                eerste lid niet anders is bepaald, ingetrokken op een nader door
                                Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> …..</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
                                gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.2 (uitdienen onder bestaande voorwaarden)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bestaande aanspraken en verplichtingen op grond van de
                                Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland en de
                                Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland blijven in stand.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op subsidieaanvragen ingediend op grond van de regelingen, genoemd
                                in het eerste lid, blijft het recht van toepassing zoals dat gold
                                voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het eerste en het tweede lid zijn slechts van toepassing voor zover
                                de beschikking tot subsidieverlening op grond van de in die leden
                                genoemde regelingen niet overeenkomstig artikel 12.3 is
                                gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van het onderhavige
                                artikel respectievelijk artikel 34, tweede lid, van de Regeling
                                inrichting landelijk gebied van de minister, zijn artikel 1.12,
                                tweede en vijfde lid, zoals dat artikel vanaf 1 januari 2010 luidt,
                                van overeenkomstige toepassing voor zover subsidie wordt verstrekt
                                voor de instandhouding van één of meerdere beheerspakketten zoals
                                opgenomen in: </al><lijst><li nr="a."><al> de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland,
                                        respectievelijk</al></li><li nr="b."><al> de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer van de minister,
                                        voor zover de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen
                                        op grond van artikel 4 van de Regeling inrichting landelijk
                                        gebied van de minister door Gedeputeerde Staten zijn
                                        overgenomen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.3 (vrijwillig overstappen mogelijk)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van een ontvanger van één of
                                meerdere subsidies op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer
                                Flevoland 2010 of de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de
                                minister, die subsidies omzetten in één subsidie op basis van de
                                onderhavige verordening, mits voldaan wordt aan de volgende
                                voorwaarden: </al><lijst><li nr="a."><al> de aanvraag heeft betrekking op alle beheerseenheden die in
                                        hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie
                                        wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid
                                        genoemde regelingen;</al></li><li nr="b."><al> voor het basis-, plus- of landschapspakket bestaat een
                                        equivalent natuurbeheertype onderscheidenlijk
                                        landschapselement als bedoeld in de onderhavige
                                        verordening;</al></li><li nr="c."><al> de omzetting is in overeenstemming met het natuurbeheerplan
                                        en de voorwaarden van de onderhavige verordening;</al></li><li nr="d."><al> de aanvraag wordt ingediend in de openstellingsperiode,
                                        én</al></li><li nr="e."><al> de omzetting geschiedt voor een geheel nieuwe periode als
                                        bedoeld in artikel 3.1.2 onderscheidenlijk artikel 5.1.1.2,
                                        waarbij die periode slechts kan ingaan op 1 januari.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan beheerders zoals
                                bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de Subsidieregeling natuurbeheer
                                2000 van de minister of artikel 5 van de Subsidieregeling
                                natuurbeheer Flevoland, kan de ontvanger van die subsidie slechts
                                een aanvraag als bedoeld in het eerste lid indienen voor zover: </al><lijst><li nr="a."><al> hij aangemerkt kan worden als een samenwerkingsverband
                                        zoals bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel b, of
                                        artikel 5.1.2.1, eerste lid, onderdeel b;</al></li><li nr="b."><al> hij dit schriftelijk is overeengekomen met de betreffende
                                        beheerder, én</al></li><li nr="c."><al> in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, de aanvraag
                                        betrekking heeft op alle beheerseenheden van de in onderdeel
                                        b van het onderhavige lid bedoelde beheerder die in hun
                                        geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie wordt
                                        ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid genoemde
                                        regelingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Een beheerder als bedoeld in het tweede lid kan voor de door hem
                                beheerde beheerseenheden een aanvraag als bedoeld in het eerste lid
                                indienen, mits: </al><lijst><li nr="a."><al> hij dit schriftelijk is overeengekomen met de ontvanger van
                                        de betreffende subsidie, én</al></li><li nr="b."><al> onverminderd de verdere voorwaarden in het eerste lid, de
                                        aanvraag betrekking heeft op al zijn beheerseenheden die in
                                        hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie
                                        wordt verleend op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer
                                        2000 van de minister of de Subsidieregeling natuurbeheer
                                        Flevoland.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het eerste tot en met
                                derde lid een in het eerste lid bedoelde aanvraag indient voor een
                                in de Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister of de
                                Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland opgenomen landschapselement
                                dat wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 56 van
                                die regelingen, dan dient dat raster eveneens in de in het eerste
                                lid bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van een ontvanger van één of
                                meerdere subsidies op grond van de Subsidieregeling agrarisch
                                natuurbeheer Flevoland 2010 die subsidies omzetten in één subsidie
                                op basis van de onderhavige verordening, mits voldaan wordt aan de
                                volgende voorwaarden:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> de aanvraag heeft betrekking op alle beheerseenheden die in
                                        hun geheel binnen de provincie liggen en waarvoor subsidie
                                        wordt ontvangen op grond van de in de aanhef van dit lid
                                        genoemde regeling;</al></li><li nr="b."><al> voor het beheers- of landschapspakket bestaat een
                                        equivalent agrarisch beheerpakket onderscheidenlijk
                                        beheerpakket landschap overeenkomstig bijlage 8 van de
                                        onderhavige verordening;</al></li><li nr="c."><al> de omzetting is in overeenstemming met het natuurbeheerplan
                                        en de overige voorwaarden van de onderhavige regeling;</al></li><li nr="d."><al> de aanvraag wordt ingediend in de
                                        openstellingsperiode;</al></li><li nr="e."><al> de omzetting geschiedt voor een geheel nieuwe periode als
                                        bedoeld in artikel 4.1.1.2 onderscheidenlijk artikel
                                        5.1.1.2, waarbij die periode slechts kan ingaan op 1
                                        januari.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Indien een subsidieontvanger als bedoeld in het vijfde lid een in
                                dat lid bedoelde aanvraag indient voor een in de Subsidieregeling
                                agrarisch natuurbeheer Flevoland opgenomen landschapselement dat
                                wordt beschermd door een raster als bedoeld in bijlage 46 van die
                                regeling, dan dient dat raster eveneens in de in het vijfde lid
                                bedoelde aanvraag te worden opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In afwijking van het eerste respectievelijk vijfde lid: </al><lijst><li nr="a."><al> kunnen beheerders als bedoeld in artikel 21 van de
                                        Subsidieregeling natuurbeheer 2000 van de minister, artikel
                                        18 van de Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland
                                        respectievelijk artikel 24 van de Subsidieregeling agrarisch
                                        natuurbeheer Flevoland geen aanvragen als bedoeld in het
                                        eerste respectievelijk vijfde lid indienen;</al></li><li nr="b."><al> kan, indien subsidie wordt verstrekt aan anderen dan
                                        beheerders zoals bedoeld in artikel 5 van de
                                        Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland, niet de
                                        ontvanger van de betreffende subsidie, maar de in die
                                        bepaling bedoelde beheerders, elk voor de door hem beheerde
                                        beheerseenheden, de in het vijfde lid van het onderhavige
                                        artikel bedoelde aanvraag indienen, mits: </al><lijst><li nr="i."><al> zij dit schriftelijk overeenkomen met de ontvanger
                                                van de betreffende subsidie, én,</al></li><li nr="ii."><al> onverminderd de verdere voorwaarden in het zevende
                                                lid, de aanvraag betrekking heeft op al zijn
                                                beheerseenheden die in hun geheel binnen de
                                                provincie liggen en waarvoor subsidie wordt verleend
                                                op grond van de Subsidieregeling agrarisch
                                                natuurbeheer Flevoland.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in een besluit als bedoeld in artikel
                                1.3 opnemen dat de omzetting dan wel wijziging van de beschikking
                                tot subsidieverlening zoals bedoeld in het onderhavige artikel voor
                                bepaalde basis-, plus-, beheers- of landschapspakketten, categorieën
                                van begunstigden of gebieden is uitgesloten.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Een subsidieontvanger als bedoeld in het eerste lid die voor het
                                begrotingsjaar 2011 een aanvraag als bedoeld in dat lid heeft
                                ingediend welke slechts gedeeltelijk is goedgekeurd, kan voor het
                                begrotingsjaar 2012 nogmaals een aanvraag indienen tot uitbreiding
                                van de beschikking tot subsidieverlening op basis van de onderhavige
                                verordening met die afgewezen beheerseenheden, mits voldaan wordt
                                aan de volgende voorwaarden:</al><al/><lijst><li nr="a."><al> de afwijzing was gebaseerd op het feit dat niet voldaan
                                        werd aan het eerste lid, onderdeel c, of het negende lid van
                                        het onderhavige artikel zoals dat lid vóór 1 september 2011
                                        luidde, dan wel het gevolg van uitputting van het
                                        subsidieplafond voor het begrotingsjaar 2011;</al></li><li nr="b."><al> de aanvraag tot uitbreiding voldoet inmiddels wél aan de
                                        voorwaarden van het eerste lid, met dien verstande dat de
                                        omzetting, in afwijking van het eerste lid, onderdeel e,
                                        geschiedt voor de resterende duur van de in artikel 3.1.2
                                        bedoelde periode, waarbij die uitbreiding slechts kan ingaan
                                        op 1 januari 2012.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.5 (niet-gecertificeerden tot 1 januari 2015)</titel></kop><lid><lidnr>2</lidnr><al> Een begunstigde als bedoeld in de artikelen 3.1.3, eerste lid, of
                                5.1.2.1, eerste lid, die een aanvraag indient voor een subsidie
                                natuurbeheer of een subsidie landschapsbeheer als bedoeld in artikel
                                5.1.1.1, eerste lid, onderdeel a, wordt aangemerkt als ware hij
                                gecertificeerd begunstigde, mits hij uiterlijk 15 november 2013 een
                                aanvraag tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend.
                                Het aanmerken van de </al><al/><al> begunstigde als ware hij gecertificeerd begunstigde eindigt op de
                                datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de aanvraag tot
                                certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2015.</al><al/><al> Een rechtspersoon die een aanvraag indient tot vaststelling van een
                                collectief beheerplan wordt aangemerkt als ware hij
                                gebiedscoördinator, mits hij uiterlijk 1 januari 2011 een aanvraag
                                tot certificering bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Het
                                aanmerken van de rechtspersoon als ware hij gebiedscoördinator
                                eindigt op de datum dat Gedeputeerde Staten hebben besloten op de
                                aanvraag tot certificering, doch uiterlijk op 1 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Artikel 8.1.6, eerste en tweede lid, zijn van overeenkomstige
                                toepassing indien Gedeputeerde Staten de in het eerste lid van het
                                onderhavige artikel bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen,
                                met dien verstande dat het in het tweede lid van artikel 8.1.6
                                bedoelde verzoek, in afwijking van de tekst van dat onderdeel,
                                uiterlijk binnen acht weken na de afwijzing van de aanvraag wordt
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Artikel 8.1.6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing indien
                                Gedeputeerde Staten de in het tweede lid van het onderhavige artikel
                                bedoelde aanvraag tot certificering afwijzen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Als er in een gebied geen gebiedscoördinator of een rechtspersoon
                                als bedoeld in het tweede lid beschikbaar is, kan tot en met 31
                                december 2013 een daartoe door Gedeputeerde Staten aangewezen
                                ambtenaar optreden als gebiedscoördinator.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.5a (overgangsregime certificering SBB)</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.6 (afwijkende beslistermijn op aanvragen 2010)</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.7 (overgangsrecht)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 september 2011 blijft
                                artikel 1.1, onderdeel n, van toepassing zoals dat artikel vóór die
                                datum luidde.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 september 2011 blijft de
                                Index natuur en landschap van toepassing zoals die index vóór die
                                datum luidde, met uitzondering van de pakketten L01.02 en
                                A01.02.01.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Op een niet-naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel
                                10.2, eerste lid, die is geconstateerd vóór 1 januari 2011, blijft
                                artikel 10.2, eerste lid, van toepassing zoals dat artikel vóór 1
                                april 2011 luidde.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Op aanvragen voor het uitvoeren van de agrarische beheerpakketten
                                met de</al><al/><al> aanduiding A01.01.05b, A02.01.03, A01.04.01.Lb en A01.04.02.Lb die
                                zijn ingediend vóór 1 september 2012 blijft de Index natuur en
                                landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op aanvragen voor een probleemgebiedenvergoeding die vóór 1 april
                                2013 zijn ingediend blijven artikel 1.8, tweede lid, en paragraaf
                                4.2 van toepassing zoals dat artikel, onderscheidenlijk die
                                paragraaf, tot 1 september 2012 luidden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Op aanvragen voor subsidies natuurbeheer, subsidies agrarisch
                                natuurbeheer en subsidies landschapsbeheer binnen of buiten
                                natuurterreinen die zijn ingediend vóór 1 september 2013 blijven de
                                bepalingen van onderscheidenlijk hoofdstuk 3, afdeling 4.1.1,
                                afdeling 5.1.2 en afdeling 5.1.3 van toepassing zoals dezen tot die
                                datum luidden.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> In afwijking van het zesde lid dient een ontvanger van een subsidie
                                agrarisch natuurbeheer die in aanmerking wenst te komen voor de
                                toeslag ruige stalmest, bedoeld in artikel 4.1.1.8, tweede lid,
                                zoals die bepaling tot 1 september 2013 luidde, daartoe met ingang
                                van 1 januari 2014 te voldoen aan de voorwaarden, opgenomen in
                                bijlage 7, onderdeel C, subonderdeel 4.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Op aanvragen voor het uitvoeren van het agrarisch beheerpakket met
                                de aanduiding A01.01.03 die zijn ingediend voor 1 september 2014
                                blijft de Index natuur en landschap van toepassing zoals die index
                                vóór die datum luidde.</al></lid><lid><lidnr>9</lidnr><al> Op aanvragen voor het uitvoeren van de agrarische beheerpakketten
                                met de aanduiding A01.02.01 en A01.02.02 die zijn ingediend voor 1
                                september 2014 blijft de Index natuur en landschap van toepassing
                                zoals die index vóór die datum luidde.</al></lid><lid><lidnr>10</lidnr><al> Op aanvragen voor het uitvoeren van het landschapspakket L01.04 die
                                zijn ingediend voor 1 september 2014 blijft de Index natuur en
                                landschap van toepassing zoals die index vóór die datum luidde.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.8 (goedkeuring Europese Commissie)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Subsidies of voorschotten daarop worden verstrekt onder het
                                voorbehoud van goedkeuring van de Commissie van de Europese
                                Gemeenschappen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De beslissing tot verstrekking van een subsidie of een voorschot
                                daarop kan worden ingetrokken of gewijzigd ter verkrijging van de
                                goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de
                                onderhavige verordening, of wegens het uitblijven daarvan.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.9 (inwerkingtreding)</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en
                                vervalt met ingang van 1 januari 2017</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In afwijking van het eerste lid treden de volgende onderdelen pas
                                op een nader door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdstip in
                                werking: </al><lijst><li nr="a. "><al>de artikelen 1.9, tweede lid, 5.1.1.1, eerste lid, aanhef en
                                        onderdeel a, 12.2 voor zover dat artikel verwijst naar de
                                        Subsidieregeling natuurbeheer Flevoland of op grond van die
                                        regeling ingediende aanvragen, en 12.3;</al></li><li nr="b. "><al>de hoofdstukken 3 en 6;</al></li><li nr="c."><al> afdeling 5.1.2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling
                                gedaan door plaatsing in het Provinciaal Blad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.10 (citeertitel)</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Subsidieverordening Natuur- en
                            Landschapsbeheer.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Lelystad, .. januari 2010</ondertekening><ondertekening>Gedeputeerde Staten van Flevoland,</ondertekening><ondertekening>T. van der Wal, secretaris L. Verbeek, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Uitgegeven op .. januari 2010</ondertekening><ondertekening>De secretaris van Gedeputeerde Staten van Flevoland.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1: Beheertypen natuur</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Natuurtype</al><al/><al/></entry><entry><al>Natuurbeheertype</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N01 Grootschalige, dynamische natuur</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N01.01 Zee en wad N01.02 Duin- en kwelderlandschap N01.03
                                        Rivier- en moeraslandschap N01.04 Zand- en
                                        kalklandschap</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N02 Rivieren</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N02.01 Rivier</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N03 Beken en bronnen</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N03.01 Beek en Bron</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N04 Stilstaande wateren</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N04.01 Kranswierwater N04.02 Zoete Plas N04.03 Brak water
                                        N04.04 Afgesloten zeearm</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N05 Moerassen</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N05.01 moeras N05.02 Gemaaid rietland</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N06 Voedselarme venen en vochtige heiden</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N06.01 Veenmosrietland en moerasheide N06.02 Trilveen N06.03
                                        Hoogveen N06.04 Vochtige heide N06.05 Zwakgebufferd ven
                                        N06.06 Zuur ven of hoogveenven</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N07 Droge heiden</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N07.01 Droge heide N07.02 Zandverstuiving</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N08 Open duinen</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N08.01 Strand en embryonaal duin N08.02 Open duin N08.03
                                        Vochtige duinvallei N08.04 Duinheide</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N09 Schorren of kwelders</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N09.01 Schor of kwelder</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N10 Vochtige schraalgraslanden</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N10.01 Nat schraalland N10.02 Vochtig schraalland</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N11 Droge schraalgraslanden</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N11.01 Droog schraalland</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N12 Rijke graslanden en akkers</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N12.01 Bloemdijk N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
                                        N12.03 Glanshaverhooiland N12.04 Zilt- en
                                        overstromingsgrasland N12.05 Kruiden- en faunarijke akker
                                        N12.06 Ruigteveld</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N13 Vogelgraslanden</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N13.01 Vochtig weidevogelgrasland N13.02
                                        Wintergastenweide</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N14 Vochtige bossen</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos N14.02 Hoog- en
                                        laagveenbos N14.03 Haagbeuken- en essenbos</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N15 Droge bossen</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N15.01 Duinbos N15.02 Dennen-, eiken-, en beukenbos</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N16 Bossen met productiefunctie</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N16.01 Droog bos met productie N16.02 Vochtig bos met
                                        productie</al><al/><al/></entry></row><row><entry><al>N17 Cultuurhistorische bossen</al><al/><al/></entry><entry><al/><al/><al/></entry></row><row><entry><al/><al/><al/></entry><entry><al>N17.01 Vochtig hakhout en middenbos N17.02 Droog hakhout
                                        N17.03 Park- en stinzenbos N17.04 Eendenkooi</al><al/><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 Recreatiepakket</titel></kop><al>Voorschriften recreatiepakket (artikel 3.1.6, eerste lid, onderdeel b):</al><lijst><li nr="1."><al> Het natuurterrein is niet ingevolge het natuurbeheerplan of artikel
                            3.1.6, derde lid, vrijgesteld van de openstellingsplicht.</al></li><li nr="2."><al> Voor openstelling van het natuurterrein is geen ontheffing verkregen
                            als bedoeld in artikel 3.1.6, vijfde lid.</al></li><li nr="3."><al> Het natuurterrein is voldoende toegankelijk en bevat voldoende wegen,
                            vaarwegen en paden, die recreatief gebruik mogelijk maken.</al></li><li nr="4. "><al>De ontvanger van de subsidie onderhoudt de onder punt 3 genoemde wegen,
                            vaarwegen en paden.</al></li><li nr="5."><al> De ontvanger van de subsidie verleent – indien van toepassing –
                            medewerking aan de aanleg, markering en het beheer van doorgaande routes
                            voor wandelen en fietsen in het kader van de lange afstandwandelpaden
                            (LAW’s) en landelijke fietsroutes (LF).</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3: Agrarisch natuurbeheer</titel></kop><al><vet>Onderdeel A: </vet> Agrarisch natuurtype en bijbehorend agrarische
                    beheertypen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Agrarisch natuurtype</vet></al></entry><entry><al><vet>Agrarisch beheertype</vet></al></entry></row><row><entry><al>A01 Agrarische Faunagebieden</al></entry><entry><al>A01.01 Weidevogelgebied A01.02 Akkerfaunagebied A01.03
                                        Ganzenfourageergebied</al></entry></row><row><entry><al>A02 Agrarische floragebieden</al></entry><entry><al>A02.01 Botanisch waardevol grasland A02.02 Botanisch
                                        waardevol akkerland</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Onderdeel B Onderdeel B.1. Agrarische beheertypen en bijbehorende
                        agrarische beheerpakketten die zijn toegestaan in de gebieden zoals
                        aangewezen in het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 in het kader
                        van maatregel 214 van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Agrarische beheertypen</vet></al></entry><entry><al><vet>Agrarische beheerpakketten</vet></al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.01 Weidevogelgebied</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A01.01.01 Weidevogelgrasland met rustperiode A01.01.02
                                        Weidevogelgrasland met voorweiden A01.01.03 Plas-dras
                                        A01.01.04 Legselbeheer op grasland A01.01.04a1 Legselbeheer
                                        op grasland met 35 broedparen per hectare A01.01.04a2
                                        Legselbeheer op grasland met 50 broedparen per hectare
                                        A01.01.04a3 Legselbeheer op grasland met 75 broedparen per
                                        hectare A01.01.04a4 Legselbeheer op grasland met 100
                                        broedparen per hectare A01.01.04b Legselbeheer op bouw- of
                                        grasland. A01.01.05 Kruidenrijk weidevogelgrasland A01.01.06
                                        Extensief beweid weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.02 Akkerfaunagebied</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A01.02.01 Bouwland met broedende akkervogels A01.02.02
                                        Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels
                                        A01.02.02a Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op kleigrond; A01.02.02b Bouwland met
                                        doortrekkende en overwinterende akkervogels op zandgrond;
                                        A01.02.03 Bouwland voor hamsters</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.03 Ganzenfoerageergebied</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A01.03.01 Overwinterende ganzen</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A02.01 Botanisch waardevol grasland</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A02.01.01 Botanisch weiland A02.01.02 Botanisch hooiland
                                        A02.01.03 Botanische weide- of hooilandrand A02.01.04
                                        Botanisch bronbeheer</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A02.02 Botanisch waardevol akkerland</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A02.02.01 Akker met waardevolle flora A02.02.02 Chemie en
                                        kunstmestvrij land A02.02.03 Akkerflora randen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Onderdeel B.2. Agrarische beheertypen en bijbehorende regionale agrarische
                        beheerpakketten </vet></al><al><vet>A01.01.03 Plas-dras</vet></al><al>Algemene beschrijving</al><al>Plas-dras biedt een aantrekkelijke biotoop voor weidevogels om te rusten en te
                    foerageren. Op plas-draspercelen kunnen soms honderden weidevogels worden
                    aangetroffen. De aantrekkingskracht is daarmee erg groot en gehoopt wordt dat
                    een deel van deze weidevogels zal besluiten in het gebied te blijven om te
                    broeden. Daarnaast bieden plas-draspercelen ook foerageer- en rustmogelijkheden
                    buiten het directe broedseizoen, bijvoorbeeld voor al uitgevlogen jonge vogels
                    en doortrekkers. Het plas-draspakket bestaat uit een grotendeels onder water
                    staand graslandperceel. De periode waarin het perceel onder water staat kan
                    variëren van 2 maanden tot bijna een half jaar. In deze periode staat op het
                    perceel steeds minimaal op 60% van de oppervlakte een waterlaag van minimaal 5
                    cm. Aan het eind van de plas-drasperiode zal het perceel weer droogvallen,
                    waarna het perceel zich kan herstellen, of weer ingezaaid moet worden.</al><al>Afbakening</al><lijst><li nr="•"><al> De beheereenheid bestaat uit grasland.</al></li><li nr="•"><al> Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd
                            A01.03.01</al></li></lijst><al>Subsidieverplichtingen</al><al>Het agrarisch beheerpakket kent een aantal beheereisen die moeten worden
                    nageleefd in verband met Europese cofinanciering.</al><al>Beheereisen</al><lijst><li nr="•"><al> De beheereenheid is jaarlijks geïnundeerd. De inundatieperiode staat
                            hieronder gedefinieerd.</al></li><li nr="•"><al> Plas-dras: In de inundatieperiode staat op tenminste 60% van de
                            beheereenheid het waterpeil ten minste 5 en ten hoogste 20 cm boven het
                            maaiveld.</al></li></lijst><al>Beheerpakketten</al><al>Plas-dras:</al><al>A01.01.03a De inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 april; A01.01.03b De
                    inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 mei; A01.01.03c De
                    inundatieperiode loopt van 15 februari tot 15 juni; A01.01.03d De
                    inundatieperiode loopt van 15 februari tot 1 augustus.</al><al><vet>Agrarisch beheerpakket A01.01.04c.Ut: Legselbeheer met hoge dichtheid
                        weidevogels</vet></al><al>Instapeisen:</al><lijst><li nr=""><al>1. De beheereenheid is gelegen in een door Gedeputeerde Staten van
                            Utrecht in het natuurbeheerplan aangewezen gebied.</al></li><li nr=""><al>2. De beheereenheid bestaat uit grasland.</al></li><li nr=""><al>3. De beheereenheid is ten minste 0,5 ha groot.</al></li><li nr=""><al>4. Cumulatie met alle beheerpakketten uitgesloten, uitgezonderd
                            A01.03.</al></li></lijst><al>Beheereisen:</al><lijst><li nr=""><al>1. De beheereenheid wordt tijdens het broedseizoen een of enkele malen
                            afgezocht op aanwezige legsels, welke worden gemarkeerd.</al></li><li nr=""><al>2. De beheereenheid wordt niet beweid.</al></li><li nr=""><al>3. Indien een perceel grasland wordt gemaaid of anderszins bewerkt,
                            wordt een enclave van tenminste 25m2 om de aanwezige nesten gevrijwaard
                            van alle landbouwkundige werkzaamheden.</al></li><li nr=""><al>4. Op de totale oppervlakte van de beheereenheden waarop in een
                            beheerjaar het onderhavige beheerpakket wordt uitgevoerd, wordt een
                            getrapt maaibeheer uitgevoerd volgens onderstaande voorwaarden:</al></li><li nr=""><al>a. de eerste maaibeurt vindt niet vóór 1 mei en niet later dan 6 mei
                            plaats, waarbij ten minste 20% van die totale oppervlakte wordt
                            gemaaid;</al></li><li nr=""><al>b. de tweede maaibeurt vindt niet vóór 8 mei en niet later dan 15 mei
                            plaats, waarbij maximaal 60% van die totale oppervlakte wordt
                            gemaaid;</al></li><li nr=""><al>c. de derde maaibeurt vindt niet vóór 17 mei en niet later dan 23 mei
                            plaats, waarbij ten minste 20% van die totale oppervlakte wordt
                            gemaaid.</al></li><li nr=""><al>5. Tussen elke maaibeurt zit een periode van ten minste één week.</al></li><li nr=""><al>6. Van de gevonden nesten wordt door de begunstigde een nestkaart
                            bijgehouden. Na afloop van het broedseizoen worden deze gegevens door de
                            begunstigde digitaal ter beschikking gesteld aan Gedeputeerde
                            Staten.</al></li></lijst><al> Varianten: A01.01.04c1.Ut: Legselbeheer op grasland met 150 tot 200 broedparen
                    per 100 hectare. A01.01.04c2.Ut: Legselbeheer op grasland met 200 tot 300
                    broedparen per 100 hectare. A01.01.04c3.Ut: Legselbeheer op grasland met meer
                    dan 300 broedparen per 25 hectare.”</al><al/><lijst><li nr=""><al>3. De aanduidingen zoals opgenomen in de titel van de in onderdeel B.2
                            opgenomen agrarische beheerpakketten met de aanduidingen A01.03.02 en
                            A01.05.01 wordt gewijzigd in A01.03.02.Lb respectievelijk
                            A01.05.01.Lb.</al></li><li nr=""><al>4. De in onderdeel B.2 opgenomen agrarische beheerpakketten met de
                            aanduiding A01.04.01.Lb en A01.04.02.Lb komen als volgt te luiden:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Agrarische beheertypen</al></entry><entry><al>Agrarische beheerpakketten (regionaal)</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.01 Weidevogelgebied</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.02 Akkerfaunagebied</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.03 Ganzenfoerageergebied</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A01.04 Insectenrijke graslanden</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A01.04.01 Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal
                                        A01.04.02 Insectenrijke graslandranden Roerdal</al></entry></row><row><entry><al>A01.05 Bever foerageergebied</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>A01.05.01 Foerageerrand bever</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A02.01 Botanisch waardevol grasland</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>A02.02 Botanisch waardevol akkerland</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A01.02.01 Bouwland met broedende akkervogels </vet></al><al>Beheereisen</al><lijst><li nr=""><al>• Tussen 1 mei en het moment van grondbewerking moet op de beheereenheid
                            één van de volgende gewassen aanwezig zijn: grassen, granen (niet zijnde
                            maïs of graanstoppel), kruiden of een mengsel van deze. Onder het moment
                            van grondbewerking wordt verstaan de periode waarin de in het
                            betreffende pakket beschreven handelingen uitgevoerd mogen worden.</al></li><li nr=""><al>• Het gewas wordt ingezaaid, waarbij in het natuurbeheerplan bepaald
                            wordt welke zaaimengsels en welke zaaidichtheden gebruikt mogen worden.
                            Voor pakket A01.02.01b geldt dat het gewas ook door spontane
                            ontwikkeling aanwezig mag zijn.</al></li><li nr=""><al>• 20-70% van de beheereenheid dient jaarlijks ten minste twee maal te
                            worden gemaaid tussen 1 maart en 15 september. Delen die opnieuw zijn
                            ingezaaid hoeven in hetzelfde voorjaar niet te worden gemaaid. Het
                            beheer wordt strooksgewijs uitgevoerd volgens onderstaande pakketten.
                            Het toegestane maairegime wordt verder gedifferentieerd in het
                            natuurbeheerplan.</al></li><li nr=""><al>• Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met
                            uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring,
                            haagwinde, heermoes of kleefkruid.</al></li><li nr=""><al>• De beheereenheid mag niet worden beweid of bemest.</al></li><li nr=""><al>• In elk pakket mag de beheereenheid in de periode van 1 september tot
                            15 april geploegd worden</al></li><li nr=""><al>• Daar waar ploegen is toegestaan, mag ook een andere diepe
                            grondbewerking worden toegepast.</al></li></lijst><al><vet>A01.02.02 Bouwland met doortrekkende en overwinterende akkervogels </vet></al><al>Beheereisen</al><lijst><li nr=""><al>• Op de beheereenheid moet tussen 1 mei en 15 maart een graanmengsel
                            staan van tenminste 50% zomertarwe, aangevuld met rogge, haver of een
                            zaadragend gewas niet zijnde graan of maïs. De beheereenheid mag niet
                            worden geoogst.</al></li><li nr=""><al>• De beheereenheid dient jaarlijks tussen 16 maart en 30 april te worden
                            ingezaaid met een gangbare zaaidichtheid.</al></li><li nr=""><al>• Mechanische en chemische onkruidbestrijding zijn niet toegestaan, met
                            uitzondering van pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring,
                            haagwinde, heermoes, of kleefkruid.</al></li></lijst><al><vet>Beschrijving regionale agrarische beheerpakketten</vet></al><al><onderstreept> Agrarisch beheerpakket A01.03.02.Lb: Opvang overzomerende Grauwe
                        ganzen Maasplassen.</onderstreept> Instapeisen:</al><lijst><li nr="1."><al> De beheereenheid is een perceel grond, welk minimaal 0,5 hectare groot
                            is en gelegen binnen de begrenzing van de aangegeven zoekgebieden in het
                            beheerplan voor de overzomerende Grauwe gans in Limburg.</al></li><li nr="2."><al> De beheereenheid bestaat uit bemest grasland.</al></li><li nr="3."><al> Er dient op de beheereenheid in het foerageerseizoen te allen tijde
                            aantrekkelijk gras voor ganzen aanwezig te zijn. Onder aantrekkelijk
                            gras wordt verstaan; gras met een lengte van 5 tot 15 cm. Er dient op
                            geen enkele plaats binnen het foerageergebied gras met een lengte van
                            meer dan 30 cm aanwezig te zijn, tenzij dit niet volgens de goede
                            landbouwpraktijk voorkomen kan worden.</al></li><li nr="4."><al> Op de beheereenheid mogen geen ganzen verjaagd worden. Overige dieren
                            die schade veroorzaken mogen wel ver- en bejaagd worden, mits de ganzen
                            niet verstoord worden. Het uitgangspunt is zoveel mogelijk ganzen op de
                            beheereenheid te krijgen en te behouden.</al></li></lijst><al>Beheereisen:</al><lijst><li nr="1."><al> De beheereenheid dient 3 keer per jaar gemaaid of gebloot te worden.
                            Dit dient niet volvelds te worden gedaan om altijd kwalitatief,
                            voldoende gras aan te kunnen bieden.</al></li><li nr="2."><al> Overige werkzaamheden die de graskwaliteit verbeteren, maar het
                            foerageren op korte termijn belemmeren, dienen in gedeeltes uitgevoerd
                            te worden. (vb: slepen van grasland, bemesten, bloten, oogsten). Onder
                            normale weersomstandigheden dient te allen tijde geschikt gras aanwezig
                            te zijn.</al></li><li nr="3."><al> Indien de grasgroei het toelaat kan er geweid worden. Het vee mag niet
                            langer dan 4 weken op een perceel lopen. Het totale perceel mag
                            ingedeeld worden in kleinere percelen om de dieren te laten omweiden.
                            Hierbij dient de beweiding in dienst van het beheerdoel te staan. Om
                            ganzen niet te verstoren dient de beweiding van 1 juli tot en met 30
                            september plaats te vinden met maximaal 4 GVE per hectare op enig
                            moment. Dit geldt op perceelsniveau.</al></li><li nr="4."><al> Indien er een maaisnede wordt geoogst of de graasdieren omgeweid worden
                            dient het te maaien perceel of het perceel waarin het vee wordt omgeweid
                            getaxeerd te worden. De schade zal middels de graslandhoogtemeter
                            opgenomen worden.</al></li><li nr="5."><al> Onkruiden dienen pleksgewijs bestreden te worden.</al></li><li nr="6."><al> Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met drijfmest bemest.</al></li><li nr="7."><al> Het perceel wordt minimaal een keer per jaar met kunstmest bemest.</al></li><li nr="8."><al> Indien er op plekken minder smakelijke grassen voorkomen of door
                            vertrapping het gras verdwenen is, dienen deze plekken doorgezaaid te
                            worden zodat er weer aantrekkelijk eiwitrijk gras ontstaat.</al></li></lijst><al>Administratieve verplichtingen: Ondernemers houden op perceelsniveau een
                    grasland logboek bij dat wordt aangeleverd door de projectleider en maandelijks
                    wordt teruggestuurd naar de projectleider.</al><al>Aanvullende verplichtingen</al><lijst><li nr="1."><al> Elk jaar vindt er een evaluatie plaats of de doelen zijn gehaald en
                            kunnen de broed- en opgroeilocaties anders ingedeeld worden.</al></li><li nr="2."><al> Op of aanmerkingen vanuit de projectleider worden opgevolgd.</al></li><li nr="3."><al> De percelen worden ter beschikking gesteld aan alle activiteiten die
                            aan het project gerelateerd zijn (bijvoorbeeld tellingen, taxaties en
                            beoordelingen).</al></li></lijst><al><onderstreept>Agrarisch beheerpakket A01.04.01.Lb: Insectenrijk
                        graslandperceelsbeheer Roerdal</onderstreept></al><al>Instapeisen:</al><lijst><li nr=""><al>1. De beheereenheid bestaat uit een perceel grasland van minimaal 0,2
                            hectare groot.</al></li></lijst><al>Beheereisen:</al><lijst><li nr=""><al>1. De graslanden worden gemaaid conform de beheereisen van de
                            betreffende variant. Buiten de aangegeven periodes is maaien niet
                            toegestaan.</al></li><li nr=""><al>2. Het grasland mag niet gescheurd, gefreesd, geploegd of heringezaaid
                            worden.</al></li><li nr=""><al>3. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan met uitzondering van
                            pleksgewijze bestrijding van jacobskruid, brandnetel, akkerdistel,
                            ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.</al></li><li nr=""><al>4. Beweiding is toegestaan in de periode 15 september tot 1 januari met
                            maximaal 2 GVE per hectare. Buiten deze periode is beweiding niet
                            toegestaan.</al></li></lijst><al>Varianten: A01.04.01a.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Basis</al><lijst><li nr=""><al>1. De gehele beheereenheid wordt ieder jaar in de periode van 1 mei tot
                            1 juni gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd.</al></li><li nr=""><al>2. Ieder jaar wordt 75 % van de beheereenheid in de periode van 15</al></li><li nr=""><al>september tot 1 januari gemaaid, waarbij het maaisel wordt
                            afgevoerd.</al></li><li nr=""><al>3. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger
                            opgebracht.</al></li></lijst><al>A01.04.01b.Lb Insectenrijk graslandperceelsbeheer Roerdal: Plus</al><lijst><li nr=""><al>1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de
                            periode van 15 september tot 1 januari, waarbij het maaisel wordt
                            afgevoerd. Het daaropvolgende jaar wordt de andere 50% van de
                            beheereenheid gemaaid in de periode 15 september tot 1 januari, waarbij
                            eveneens het maaisel wordt afgevoerd.</al></li><li nr=""><al>2. Bemesting is niet toegestaan, met uitzondering van
                            instandhoudingsbemesting met kalk of ruige mest, uitgezonderd
                            kippenmest.</al></li></lijst><al> Agrarisch beheerpakket A01.04.02.Lb: Insectenrijke graslandranden Roerdal</al><lijst><li nr=""><al>Instapeisen:</al></li><li nr=""><al>1. De beheereenheid bestaat uit grasland en grenst aan een wegberm, een
                            watergang of aan opgaande houtachtige begroeiing.</al></li><li nr=""><al>2. De beheereenheid is minimaal 50 meter lang en tussen de 5 en 10 meter
                            breed.</al></li></lijst><al>Beheereisen:</al><lijst><li nr=""><al>1. Gefaseerd maaien: ieder jaar wordt 50% van het perceel gemaaid in de
                            periode van 15 september tot 1 januari, waarbij het maaisel wordt
                            afgevoerd. Het daaropvolgende jaar wordt de andere 50% van de
                            beheereenheid gemaaid in de periode 15 september tot 1 januari, waarbij
                            eveneens het maaisel wordt afgevoerd. Buiten de aangegeven periode is
                            maaien niet toegestaan.</al></li><li nr=""><al>2. Het grasland mag niet gescheurd, gefreesd, geploegd of heringezaaid
                            worden.</al></li><li nr=""><al>3. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan met uitzondering van
                            pleksgewijze bestrijding van jacobskruid, brandnetel, akkerdistel,
                            ridderzuring, haagwinde of kleefkruid.</al></li><li nr=""><al>4. Beweiding is niet toegestaan.</al></li><li nr=""><al>5. De beheereenheid wordt niet bemest en er wordt geen bagger
                            opgebracht.</al></li></lijst><al> A01.04.02.Lb Insectenrijke graslandranden Roerdal</al><al> Instapeisen:</al><lijst><li nr="1."><al> De foerageerrand heeft een minimale breedte van 10 meter, en een
                            maximale breedte van 20 meter (gemeten vanaf de waterloop landinwaarts)
                            met een minimale lengte van 50 meter</al></li><li nr="2."><al> De foerageerrand grenst aan een waterloop waar recentelijk het
                            voorkomen van één of meerdere bevers is aangetoond of bestaat uit
                            potentieel leefgebied voor deze soort. Deze leefgebieden staan
                            beschreven in het Stimuleringsplan.</al></li><li nr="3."><al> De foerageerrand grenst aan gras- of akkerland.</al></li><li nr="4."><al> De foerageerrand bestaat na 6 jaar uit een ruige of moerassige
                            vegetatie. Verspreide opslag van struiken en jonge bomen is gewenst
                            omdat dit in de winter stapelvoedsel voor de bever is.</al></li></lijst><al>Beheereisen:</al><lijst><li nr="1."><al> Het tegengaan van bosvorming door eenmaal per zes jaar de grootste
                            bomen te kappen.</al></li><li nr="2."><al> Bij afsluiten van de overeenkomst ook een vrijstelling van de meldings-
                            en herplantplicht van de Boswet aanvragen bij de Dienst Regelingen.</al></li></lijst><al> A01.05.01.Lb Foerageerrand Bever</al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4: Aanvullende randvoorwaarden</titel></kop><al>Vervallen</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage 5: Eisen collectief beheerplan</titel></kop><al><vet>A. Een collectief beheerplan voldoet aan de volgende eisen:</vet></al><lijst><li nr="a. "><al>onderdeel van het collectief beheerplan maakt uit een elektronische
                            kaart met een topografische ondergrond, waarop is aangegeven op welke
                            landbouwgronden de deelnemende landbouwers welke agrarische
                            beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren alsmede op
                            welke lokatie zij welke beheerpakketten landschap wensen uit te
                            voeren;</al></li><li nr="b."><al> de gebiedscoördinator sluit met elk van de deelnemende landbouwers een
                            overeenkomst waarin het beheer, bedoeld in subonderdeel a, wordt
                            vastgelegd. De overeenkomst wordt door beide partijen ondertekend en in
                            elk geval opgenomen in de administratie van de gebiedscoördinator;</al></li><li nr="c."><al> als onderdeel van het collectief beheerplan voegt de gebiedscoördinator
                            een advies van de gebiedscoördinator met betrekking tot de kwaliteit van
                            het collectief beheerplan;</al></li><li nr="d."><al> het collectief beheerplan omvat tevens een omschrijving en
                            plaatsaanduiding van het beheer, uitgevoerd door ontvangers van: </al><lijst><li nr="i."><al> een subsidie natuurbeheer op grond van de onderhavige
                                    verordening;</al></li><li nr="ii."><al> een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch
                                    natuurbeheer {…naam provincie…};</al></li><li nr="iii."><al> een subsidie op grond van de Subsidieregeling agrarisch
                                    natuurbeheer van de minister;</al></li><li nr="iv."><al> een subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer
                                    {…naam provincie…} of</al></li><li nr="v."><al> een subsidie op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer 2000
                                    van de minister, voor zover dit beheer samenhangt met en
                                    relevant is voor het doel van het collectief agrarisch
                                    natuurbeheer waarvoor de gebiedscoördinator een collectief
                                    beheerplan opstelt;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al> de gebiedscoördinator draagt er zorg voor dat de oppervlakte die per
                            deelnemende landbouwer is opgenomen in het collectief beheerplan, groter
                            gelijk onderscheidenlijk kleiner gelijk is dan de minimum-
                            onderscheidenlijk maximumoppervlakte die de betreffende landbouwer heeft
                            aangegeven in de aanvraag, bedoeld in de artikelen 4.1.2.1 en
                            5.1.4.2;</al></li><li nr="f."><al> aan nadere door Gedeputeerde Staten opgestelde eisen.</al></li></lijst><al><vet>B. Een wijziging van een vastgesteld collectief beheerplan voldoet aan de
                        volgende eisen:</vet></al><lijst><li nr="a."><al> onderdeel van de wijziging maakt uit een elektronische kaart met een
                            topografische ondergrond waarop de wijzigingen, bedoeld in de onderdelen
                            b en c, zijn aangegeven.</al></li><li nr="b."><al> op de in onderdeel a bedoelde kaart is ten behoeve van landbouwers die
                            reeds vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het collectief
                            beheerplan deelnamen aan collectief agrarisch natuurbeheer
                            onderscheidenlijk collectief landschapsbeheer in het gebied waarop het
                            collectief beheerplan ziet, en voor zover daar door die landbouwers om
                            is verzocht, aangegeven: </al><lijst><li nr="i."><al> op welke landbouwgronden waarvoor reeds een subsidie agrarisch
                                    natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer
                                    wordt verstrekt, zij welke gewijzigde agrarische beheerpakketten
                                    of varianten daarvan wensen uit te voeren (ander agrarisch
                                    beheerpakket op dezelfde beheereenheid);</al></li><li nr="ii."><al> op welke gewijzigde landbouwgronden zij het agrarisch
                                    beheerpakket of variant daarvan wensen uit te gaan voeren dat
                                    vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het
                                    collectief beheerplan werd uitgevoerd op de onder i. bedoelde
                                    landbouwgronden (hetzelfde agrarische beheerpakket op andere
                                    beheereenheid);</al></li><li nr="iii."><al> op welke gewijzigde landbouwgronden zij welke gewijzigde
                                    agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te
                                    voeren (ander agrarisch beheerpakket op andere
                                    beheereenheid);</al></li><li nr="iv."><al> welke landbouwgronden waarvoor reeds een subsidie agrarisch
                                    natuurbeheer in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer
                                    wordt verstrekt, alsmede welke beheerpakketten landschap
                                    waarvoor reeds een subsidie landschapsbeheer in het kader van
                                    collectief landschapsbeheer wordt verstrekt, zij voor de
                                    resterende periode waarvoor die subsidie wordt verstrekt wensen
                                    te vergroten overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid
                                    (vergrotingbestaande beheereenheid of bestaand beheerpakket
                                    landschap);</al></li><li nr="v."><al> op welke landbouwgronden die niet vóór de indiening van de
                                    aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat plan
                                    waren opgenomen, en die zelfstandig voldoen aan de voorwaarden
                                    van de onderhavige verordening voor de betreffende subsidie, zij
                                    overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid, voor de resterende
                                    periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt, welke agrarische
                                    beheerpakketten of varianten daarvan wensen uit te voeren
                                    (nieuwe beheereenheid voor resterende subsidieperiode);</al></li><li nr="vi."><al> op welke landbouwgronden die niet vóór de indiening van de
                                    aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat plan
                                    waren opgenomen, zij voor de gehele periode, bedoeld in artikel
                                    4.1.1.2, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan
                                    wensen uit te voeren (nieuwe beheereenheid voor volledige
                                    subsidieperiode);</al></li><li nr="vii."><al> welke beheerpakketten landschap die niet vóór de indiening van
                                    de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat
                                    plan waren opgenomen, en die zelfstandig voldoen aan de
                                    voorwaarden van de onderhavige verordening voor de betreffende
                                    subsidie, zij overeenkomstig artikel 7.5, eerste lid, voor de
                                    resterende periode waarvoor de subsidie wordt verstrekt wensen
                                    uit te voeren (nieuw beheerpakket landschap voor resterende
                                    subsidieperiode);</al></li><li nr="viii."><al> welke beheerpakketten landschap die niet vóór de indiening van
                                    de aanvraag tot wijziging van het collectief beheerplan in dat
                                    plan waren opgenomen, zij voor de gehele periode, bedoeld in
                                    artikel 5.1.1.2, wensen uit te voeren (nieuw beheerpakket
                                    landschap voorvolledige subsidieperiode).</al></li></lijst></li><li nr="c. "><al>op de in subonderdeel a bedoelde kaart is ten behoeve van landbouwers
                            die niet reeds vóór de indiening van de aanvraag tot wijziging van het
                            collectief beheerplan deelnamen aan Collectief agrarisch natuurbeheer
                            onderscheidenlijk collectief landschapsbeheer in het gebied waarop het
                            collectief beheerplan ziet, op verzoek van die landbouwers, aangegeven
                            op welke landbouwgronden zij voor de gehele periode, bedoeld in artikel
                            4.1.1.2, welke agrarische beheerpakketten of varianten daarvan wensen
                            uit te voeren, alsmede op welke lokatie zij voor de gehele periode,
                            bedoeld in </al><al/><al> artikel 5.1.1.2, welke beheerpakketten landschap wensen uit te voeren
                            (nieuwe beheereenheid of nieuw beheerpakket landschap voor volledige
                            subsidieperiode).</al></li><li nr="d."><al> een wijziging is ondertekend door alle landbouwers die bij de
                            gebiedscoördinator een verzoek als bedoeld in de onderdelen b en c
                            hebben ingediend, en de gebiedscoördinator;</al></li><li nr="e."><al> als onderdeel van de wijziging voegt de gebiedscoördinator een advies
                            van de gebiedscoördinator met betrekking tot de kwaliteit van het
                            collectief beheerplan in relatie tot de verzochte wijzigingen in
                            beheer;</al></li><li nr="f. "><al>de gebiedscoördinator draagt er zorg voor dat de oppervlakte die per
                            deelnemende landbouwer is opgenomen in het collectief beheerplan, groter
                            gelijk is aan de minimumoppervlakte die de betreffende landbouwer heeft
                            aangegeven in de aanvraag, bedoeld</al><al/><al> in de artikelen 4.1.2.1 en 5.1.4.2;</al></li><li nr="g."><al> aan nadere door Gedeputeerde Staten opgestelde eisen. </al><lijst><li nr="• "><al>Wijzigingen als bedoeld in subonderdeel b, onder i. en iii.,
                                    zijn niet toegestaan voor zover deze tot gevolg hebben dat de
                                    landbouwer een agrarisch beheerpakket gaat uitvoeren dat behoort
                                    tot een ander agrarisch beheertype;</al></li><li nr="•"><al> Wijzigingen als bedoeld in subonderdeel b, onder i. tot en met
                                    iii., zijn evenmin toegestaan voor zover zij betrekking hebben
                                    op agrarische beheerpakketten met de aanduiding A01.01.05,
                                    A01.02.01, met uitzondering van en overeenkomstig de varianten c
                                    en d, en A02.01.01 tot en met A02.02.03.</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 6 Landschap</titel></kop><al><vet>Onderdeel A.1 Landschapsbeheertypen en bijbehorende landschapselementen
                        waarvan de instandhouding is toegestaan binnen natuurterreinen, waarbij
                        landschapselementen waarvan de alfanumerieke aanduiding eindigt op de
                        cijfers “00” slechts door gecertificeerde begunstigden kunnen worden
                        aangevraagd.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Landschapsbeheertype </vet></al></entry><entry><al><vet>Landschapselement</vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>L01 Groenblauwe Landschapselementen</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>L01.01 Poel en klein historisch water </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.01.00 Poel en klein historisch water - gemiddeld
                                        L01.01.01a Oppervlakte poel L01.01.01b Oppervlakte poel &gt;
                                        175 m2</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al> L01.02 Houtwal en houtsingel </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> L01.02.00 Houtwal en houtsingel - gemiddeld L01.02.01
                                        Houtsingel en houtwal L01.02.02 Hoge houtwal L01.02.03 Holle
                                        weg en graft</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al> L01.03 Elzensingel </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> L01.03.00 Elzensingel - gemiddeld L01.03.01a Bedekking
                                        elzensingel 30-50% L01.03.01b Bedekking elzensingel 50%-75%
                                        L01.03.01c Bedekking elzensingel &gt; 75%</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al> L01.04 Bossingel en bosje </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> L01.04.01 Bossingel en bosje</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al> L01.05 Knip- of scheerheg </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> L01.05.00 Knip- of scheerheg - gemiddeld L01.05.01a Heg
                                        jaarlijks scheren of knippen L01.05.01b Heg eenmaal per 2-3
                                        jaar scheren of knippen</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al> L01.06 Struweelhaag </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> L01.06.00 Struweelhaag - gemiddeld L01.06.01a Struweelhaag
                                        snoeicyclus 5-7 jaar L01.06.01b Struweelhaag snoeicyclus
                                        &gt; 12 jaar</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al> L01.07 Laan </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.07.00 Laan – gemiddeld L01.07.01a Laan stamdiameter
                                        bomen L01.07.01b Laan stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.01c
                                        Laan stamdiameter bomen &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>L01.08 Knotboom</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.08.00 Knotboom - gemiddeld L01.08.01a Knotboom
                                        stamdiameter L01.08.01b Knotboom stamdiameter 20-60 cm
                                        L01.08.01c Knotboom stamdiameter &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>L01.09 Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al><vet>L03 Aardwerken</vet></al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>L03.01 Aardwerk en groeve</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L03.01.00 Aardwerk en groeve</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Onderdeel A.2 Provinciale landschapsbeheertypen en bijbehorende regionale
                        landschapselementen waarvan de instandhouding is toegestaan binnen
                        natuurterreinen, waarbij landschapselementen waarvan de alfanumerieke
                        aanduiding eindigt op de cijfers “00” slechts door gecertificeerde
                        begunstigden kunnen worden aangevraagd.</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Landschapsbeheertype </vet></al></entry><entry><al><vet>Landschapselement (regionaal)</vet></al></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry nameend="col2" namest="col1"><al>L01.09. Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.09.02 Halfhoogstamboomgaard bij historische
                                        boerderijen</al></entry></row><row><entry><al>L01.13. Bomenrij en solitaire boom</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.13.03 Leibomen bij historische boerderijen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>L03 Aardwerken</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>L03.01 Aardwerk en groeve</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L03.01.02 Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Beschrijving regionale landschapselementen</vet><onderstreept>
                        Landschapselement L01.09.02: Halfhoogstamboomgaard bij historische
                        boerderijen </onderstreept> Afbakening:</al><lijst><li nr="1."><al> Halfhoogstamboomgaarden hebben een minimale stamhoogte die lager is dan
                            1,5m.</al></li><li nr="2."><al> Een halfhoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een
                            stam van minimaal 0,6 meter hoog en waarvan de onderbegroeiing bestaat
                            uit een grazige vegetatie.</al></li><li nr="3."><al> Een halfhoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 bomen en heeft een
                            dichtheid van minimaal 75 en maximaal 150 fruitbomen per hectare.</al></li><li nr="4."><al> Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnootbomen.</al></li><li nr="5."><al> Een halfhoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk
                            afgescheiden van de omgeving.</al></li><li nr="6."><al> De halfhoogstamboomgaard behoort bij een historische boerderij of ander
                            gebouw dat vermeld staat op een locale of landelijke monumentenlijst of
                            de boomgaard is vermeld op www.kich.nl of op een provinciale
                            cultuurhistorische waardenkaart.</al></li></lijst><al> Algemene beheerverplichting: Halfhoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid
                    en bij beweiding moet beschadiging van de bomen door vee voorkomen worden.</al><al><onderstreept> Landschapselement L01.13.03: Leibomen bij historische boerderijen
                    </onderstreept> Afbakening: Uitsluitend leibomen bij historische boerderijen
                    komen in aanmerking. Dit zijn boerderijen die voorkomen op de Rijks- of
                    gemeentelijke monumentenlijst dan wel terug te vinden zijn op de MIP-lijst
                    (Monumenten Inventarisatie Project) (zie www.kich.nl).</al><al>Algemene beheerverplichting: Het beheer is gericht op het behoud van de
                    specifieke vorm van de leibomen.</al><al><onderstreept> Landschapselement L03.01.02: Schurvelingen en zandwallen op
                        Goeree </onderstreept></al><al>Afbakening: Globaal kunnen drie typen zandwallen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al> zandwallen volledig begroeid met kruiden en grassen;</al></li><li nr="-"><al> zandwallen met kruiden en grassen en een lichte boom- of
                            struiklaag;</al></li><li nr="-"><al> zandwallen begroeid met een zware boomlaag, braamstruweel of
                            struiklaag;</al></li></lijst><al>Uitsluitend de schurvelingen en zandwallen op de Kop van Goeree vallen onder dit
                    landschapsbeheertype. Algemene beheerverplichting:</al><lijst><li nr="1."><al> Om verruiging te voorkomen worden de delen met grassen en kruiden
                            jaarlijks gefaseerd gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd.</al></li><li nr="2."><al> Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden
                            augustus-december.</al></li><li nr="3."><al> Bomen en struiken moeten met regelmaat worden opgesnoeid.</al></li><li nr="4."><al> Schade door betreding door vee moet worden voorkomen met een
                            raster.</al></li><li nr="5."><al> Greppels die naast de zandwallen en schurvelingen zijn gelegen moeten
                            regelmatig worden geschoond.</al></li><li nr="6."><al> Er mag geen snoeihout worden verbrand in, of in de directe omgeving van
                            het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet
                            verwerkt worden in het element.</al></li><li nr="7."><al> Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet
                            toegestaan.</al></li></lijst><al><vet>Onderdeel B</vet></al><al><vet>Onderdeel B.1. Landschapsbeheertypen en bijbehorende beheerpakketten
                        landschap die zijn toegestaan in de gebieden zoals aangewezen in het
                        plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 in het kader van maatregel 214
                        van het plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Landschapsbeheertype</vet></al></entry><entry><al><vet>Beheerpakket landschap</vet></al></entry></row><row><entry><al><vet>L01 Groenblauwe Landschapselementen</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>L01.01 Poel en klein historisch water</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.01.01a Oppervlakte poel L01.01.01b Oppervlakte poel &gt;
                                        175 m2</al></entry></row><row><entry><al>L01.02 Houtwal en houtsingel</al></entry><entry><al>L01.02.01 Houtsingel en houtwal L01.02.02 Hoge houtwal
                                        L01.02.03 Holle weg en graft</al></entry></row><row><entry><al>L01.03 Elzensingel</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.03.01a Bedekking elzensingel 30-50% L01.03.01b Bedekking
                                        elzensingel 50%-75% L01.03.01c Bedekking elzensingel &gt;
                                        75%</al></entry></row><row><entry><al>L01.04 Bossingel en bosje</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.04.01 Bossingel en bosje</al></entry></row><row><entry><al>L01.05 Knip- of scheerheg</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.05.01a Heg jaarlijks scheren of knippen L01.05.01b Heg
                                        eenmaal per 2-3 jaar scheren of knippen</al></entry></row><row><entry><al>L01.06 Struweelhaag</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.06.01a Struweelhaag snoeicyclus 5-7 jaar L01.06.01b
                                        Struweelhaag snoeicyclus &gt; 12 jaar</al></entry></row><row><entry><al>L01.07 Laan</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.07.01a Laan stamdiameter bomen L01.07.01b Laan
                                        stamdiameter bomen 20-60 cm L01.07.01c Laan stamdiameter
                                        bomen &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.08 Knotboom</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.08.01a Knotboom stamdiameter L01.08.01b Knotboom
                                        stamdiameter 20-60 cm L01.08.01c Knotboom stamdiameter &gt;
                                        60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.09 Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.09.01 Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al>L01.10 Struweelrand</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.10.01 Struweelrand</al></entry></row><row><entry><al>L01.11 Hakhoutbosje</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.11.01a Hakhoutbosje met dominantie langzaamgroeiende
                                        soorten (zomereik, wintereik, berk, haagbeuk) L01.11.01b
                                        Hakhoutbosje met dominantie snelgroeiende soorten (zwarte
                                        els en/of gewone es)</al></entry></row><row><entry><al>L01.12 Griendje</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.12.01 Griendje</al></entry></row><row><entry><al>L01.13 Bomenrij en solitaire boom</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.13.01a Bomenrij stamdiameter L01.13.01b Bomenrij
                                        stamdiameter 20-60 cm L01.13.01c Bomenrij stamdiameter &gt;
                                        60 cm L01.13.02a Solitaire boom stamdiameter L01.13.02b
                                        Solitaire boom stamdiameter 20-60 cm L01.13.02c Solitaire
                                        boom stamdiameter &gt; 60 cm</al></entry></row><row><entry><al>L01.14 Rietzoom en klein rietperceel</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.14.01a Smalle rietzoom ( L01.14.01b Brede rietzoom (&gt;
                                        5 meter) en klein rietperceel</al></entry></row><row><entry><al>L01.15 Natuurvriendelijke oever</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.15.01 Natuurvriendelijke oever</al></entry></row><row><entry><al><vet>L04 Recreatieve landschapselementen </vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>L04.01 Wandelpad over boerenland</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L04.01.01 Wandelpad over boerenland</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>L01.04 Bossingel en bosje</vet></al><al>Afbakening:</al><lijst><li nr=""><al>• Een bossingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten
                            landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en
                            struiken.</al></li><li nr=""><al>• Een bossingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 20 meter
                            breed.</al></li><li nr=""><al>• Een bosje is een vrijliggend vlakvormig en aaneengesloten
                            landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en
                            struiken.</al></li><li nr=""><al>• Een bosje is minimaal 2,0 are en maximaal 1 hectare groot.</al></li></lijst><al><vet>Onderdeel B.2. Provinciale landschapsbeheertypen en bijbehorende regionale
                        beheerpakketten landschap </vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>Landschapsbeheertype</al></entry><entry><al>Beheerpakket landschap</al></entry></row><row><entry><al>L01 Groenblauwe beheerpakketten landschap</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>L01.09. Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.09.02 ZHHalfhoogstamboomgaard bij historische
                                        boerderijen</al></entry></row><row><entry><al>L01.13. Bomenrij en solitaire boom</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L01.13.03 ZH Leibomen bij historische boerderijen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>L03 Aardwerken</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al><vet>L03.01 Aardwerk en groeve</vet></al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>L03.01.02 ZH Schurvelingen en zandwallen op Goeree</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><onderstreept> Beheerpakket landschap L01.09.02 ZH: Halfhoogstamboomgaard bij
                        historische boerderijen</onderstreept></al><al>Instapeisen:</al><lijst><li nr="1."><al> Halfhoogstamboomgaarden hebben een minimale stamhoogte die lager is dan
                            1,5m.</al></li><li nr="2."><al> Een halfhoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen met een
                            stam van minimaal 0,6 meter hoog, waarvan de onderbegroeiing bestaat uit
                            een grazige vegetatie.</al></li><li nr="3."><al> Een halfhoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 10 bomen en heeft een
                            dichtheid van minimaal 75 en maximaal 150 fruitbomen per hectare.</al></li><li nr="4."><al> Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnootbomen.</al></li><li nr="5."><al> Een halfhoogstamboomgaard is vaak in een cluster geplant en duidelijk
                            afgescheiden van de omgeving.</al></li><li nr="6."><al> De halfhoogstamboomgaard behoort bij een historische boerderij of ander
                            gebouw dat vermeld staat op een locale of landelijke monumentenlijst of
                            de boomgaard is vermeld op www.kich.nl of op een provinciale
                            cultuurhistorische waardenkaart.</al></li></lijst><al>Beheereisen: Halfhoogstamfruitbomen worden periodiek gesnoeid en bij beweiding
                    moet beschadiging van de bomen door vee voorkomen worden.</al><al>Beheerpakket landschap L01.13.03 ZH: Leibomen bij historische boerderijen</al><al>Instapeisen: Uitsluitend leibomen bij historische boerderijen komen in
                    aanmerking. Dit zijn boerderijen die voorkomen op de Rijks- of gemeentelijke
                    monumentenlijst dan wel terug te vinden zijn op de MIP-lijst (Monumenten
                    Inventarisatie Project) (zie www.kich.nl).</al><al>Beheereisen: Het beheer is gericht op het behoud van de specifieke vorm van de
                    leibomen.</al><al><onderstreept> Beheerpakket landschap L03.01.02 ZH: Schurvelingen en zandwallen
                        op Goeree </onderstreept></al><al>Instapeisen: Globaal kunnen drie typen zandwallen worden onderscheiden: -
                    zandwallen volledig begroeid met kruiden en grassen; - zandwallen met kruiden en
                    grassen en een lichte boom- of struiklaag; - zandwallen begroeid met een zware
                    boomlaag, braamstruweel of struiklaag; Uitsluitend de schurvelingen en
                    zandwallen op de Kop van Goeree vallen onder dit landschapselement.</al><al>Beheereisen:</al><lijst><li nr="1."><al> Om verruiging te voorkomen worden de delen met grassen en kruiden
                            jaarlijks gefaseerd gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd.</al></li><li nr="2."><al> Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de maanden
                            augustus-december.</al></li><li nr="3."><al> Bomen en struiken moeten met regelmaat worden opgesnoeid.</al></li><li nr="4."><al> Schade door betreding door vee moet worden voorkomen met een
                            raster.</al></li><li nr="5."><al> Greppels die naast de zandwallen en schurvelingen zijn gelegen moeten
                            regelmatig worden geschoond.</al></li><li nr="6."><al> Er mag geen snoeihout worden verbrand in, of in de directe omgeving van
                            het element en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet
                            verwerkt worden in het element.</al></li><li nr="7."><al> Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet
                            toegestaan.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 7 Voorwaarden toeslagen</titel></kop><al><vet>Onderdeel A:</vet></al><al>Voorschriften toeslag schapenbeheer (artikel 3.1.6, eerste lid, onderdeel
                    b)</al><lijst><li nr="1."><al> Gedurende elk kalenderjaar van de periode, bedoeld in artikel 3.1.2,
                            waarvoor de toeslag wordt verstrekt, wordt gebruik gemaakt van één of
                            meerdere door een herder geleide schaapskuddes bij het in stand houden
                            van het op het natuurterrein aanwezige natuurbeheertype.</al></li><li nr="2."><al> Het gebruik van één of meerdere door een herder geleide schaapskuddes
                            strekt zich gedurende elk kalenderjaar van de in het vorige punt
                            bedoelde periode uit over de gehele oppervlakte waarvoor de toeslag door
                            Gedeputeerde Staten wordt verstrekt. </al><al/><lijst><li nr=""><al>Laag tarief: schaapskudde wordt ingezet op natuurterreinen
                                    waarop een natuurbeheertype met de aanduiding N06.03, N09.01,
                                    N11.01 of N12.01 in stand wordt gehouden;</al></li><li nr=""><al>Hoog tarief: schaapskudde wordt ingezet op natuurterreinen
                                    waarop een natuurbeheertype met de aanduiding N06.04, N07.01,
                                    N07.02, N08.02 of N08.04 in stand wordt gehouden.</al><al/><al/></li></lijst></li></lijst><al><vet>Onderdeel B:</vet></al><al>[vervallen]</al><al><vet>Onderdeel C:</vet></al><al>Voorschriften aanvullende toeslag collectief agrarisch natuurbeheer (artikel
                    4.1.2.4, eerste lid)</al><al><vet>Subonderdeel 1 (verlengen rustperiode)</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Op de beheereenheid wordt in het betreffende beheerjaar een agrarisch
                            beheerpakket uitgevoerd dat in bijlage 3, onderdeel B.1, is opgenomen
                            onder de aanduiding A01.01.01, A01.01.02, A01.01.05 of A01.01.06.</al></li><li nr="2. "><al>De in artikel 4.1.2.4, eerste lid, bedoelde landbouwer blijft, na afloop
                            van de periode waarin in dat beheerjaar aan de aan het betreffende
                            agrarische beheerpakket verbonden beheereisen dient te worden voldaan
                            indien niet om de toeslag zou zijn verzocht, net zolang voldoen aan die
                            beheereisen als de aanwezigheid en bescherming van de op de betreffende
                            beheereenheid aanwezige weidevogels in het betreffende beheerjaar
                            vereisen.</al></li></lijst><al><vet>Subonderdeel 2 (kuikenvelden)</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Op de beheereenheid wordt in het betreffende beheerjaar een agrarisch
                            beheerpakket uitgevoerd dat in bijlage 3, onderdeel B.1, is opgenomen
                            onder de aanduiding A01.01.01, A01.01.02, A01.01.04 voor zover het de
                            varianten a1 tot en met a4 betreft, of A01.01.06.</al></li><li nr="2."><al> De in artikel 4.1.2.4, eerste lid, bedoelde landbouwer legt op de
                            beheereenheid stroken of blokken aan met een breedte van minimaal 6, en
                            maait deze stroken in elk geval niet eerder dan twee weken na de rest
                            van de beheereenheid.</al></li><li nr="3. "><al>De in punt 2 bedoelde stroken worden: </al><lijst><li nr="a."><al> zodanig aangelegd dat de op de betreffende beheereenheid
                                    aanwezige weidevogels te allen tijde een vluchtmogelijkheid
                                    hebben, indien nodig naar een aangrenzend perceel waar voldoende
                                    bescherming gewaarborgd is;</al></li><li nr="b."><al> net zolang in stand gehouden als de aanwezigheid en bescherming
                                    van de op de betreffende beheereenheid aanwezige weidevogels in
                                    het betreffende beheerjaar vereisen.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Subonderdeel 3 (nestgelegenheid voor de Zwarte stern)</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De beheereenheid ligt in een door Gedeputeerde Staten van Utrecht in
                            het natuurbeheerplan aangewezen gebied.</al></li><li nr="2."><al> De beheereenheid bestaat uit twee randen van ten minste 250 meter
                            lengte, gelegen aan weerszijden van een sloot, waarop door één en
                            dezelfde begunstigde het agrarische beheerpakket met de aanduiding
                            A01.01.05b wordt uitgevoerd.</al></li><li nr="3."><al> Aanvullend op, dan wel afwijkend van, de instap- en beheereisen van het
                            agrarische beheerpakket met de aanduiding A01.01.05b worden de eisen in
                            de onderstaande punten in acht genomen.</al></li><li nr="4."><al> Per rand wordt, gerekend vanaf de slootzijde, een aaneengesloten strook
                            van 2 meter breedte en 250 meter lengte tussen 1 april en 1 augustus
                            niet gemaaid, gerold, gesleept of bemest, en is het gebruik van
                            chemische bestrijdingsmiddelen in die periode niet toegestaan. Bovendien
                            wordt die strook tussen 15 juni en 1 augustus niet beweid.</al></li><li nr="5."><al> Indien het overige deel van de beheereenheid of het belendende perceel
                            beweid wordt, dient vóór 15 juni een (tijdelijk) raster te worden
                            geplaatst op een afstand van ten minste 0,5 meter van de in punt 4
                            bedoelde strook, bezien vanuit de zijde van het overige deel van de
                            beheereenheid dan wel het belendende perceel.</al></li><li nr=""><al>In dat geval kunnen Gedeputeerde Staten, op basis van het in artikel
                            4.1.2.4, tweede lid, bedoelde advies van de gebiedscoördinator en met
                            inachtneming van het bepaalde in artikel 1.3, tweede tot en met vierde
                            lid, de toeslag verhogen met een tegemoetkoming voor de tijd die de
                            begunstigde heeft besteed aan het plaatsen van het raster.</al></li><li nr="6."><al> Halverwege de in punt 4 bedoelde strook worden, op een onderlinge
                            afstand van ten minste 4 tot 5 meter en uiterlijk op 1 mei, minimaal 5
                            en maximaal 10 vlotjes in de sloot uitgelegd als nestgelegenheid voor de
                            Zwarte stern. De vlotjes voldoen aan de eisen zoals geformuleerd door de
                            werkgroep van de Agrarische Natuurvereniging “De Utrechtse Venen.</al></li><li nr="7."><al> De vlotjes worden, voor zover zij niet langer door de Zwarte stern
                            gebruikt worden, uiterlijk op 1 september uit het water gehaald,
                            schoongemaakt, gedroogd en opgeslagen.</al></li><li nr="8."><al> De begunstigde houdt bij op hoeveel vlotjes gebroed wordt en hoeveel
                            jongen er uit komen. Deze gegevens worden door de begunstigde na afloop
                            van het broedseizoen ter beschikking gesteld aan de werkgroep, bedoeld
                            in punt 6.</al></li></lijst><al><vet>Subonderdeel 4 (ruige stalmest)</vet></al><lijst><li nr="1."><al> Op de beheereenheid wordt in het betreffende beheerjaar een agrarisch
                            beheerpakket uitgevoerd dat in bijlage 3, onderdeel B.1, is opgenomen
                            onder de aanduiding A01.01.01, A01.01.02, A01.01.04 voor zover dat
                            beheerpakket op grasland wordt uitgevoerd, A01 .01.05 of A01.01.06</al></li><li nr="2."><al> Op de beheereenheid wordt in een kalenderjaar ten minste 10 en maximaal
                            20 ton ruige stalmest per hectare uitgereden.</al></li><li nr="3."><al> De ruige stalmest wordt in één keer in één van de onderstaande periodes
                            op een beheereenheid uitgereden: </al><lijst><li nr=""><al>a. tussen 1 februari en de begindatum van de rustperiode van het
                                    betreffende agrarische beheerpakket, óf</al></li><li nr=""><al>b. vanaf de dag volgend op de einddatum van de rustperiode van
                                    het betreffende agrarische beheerpakket tot 1 september; waarbij
                                    per beheerjaar slechts één melding als bedoeld in punt 5 gedaan
                                    mag worden.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> In afwijking van punt 3, onderdeel b, mag gedurende de tijd dat de
                            rustperiode overeenkomstig onderdeel C, subonderdeel 1, van de
                            onderhavige bijlage is verlengd, geen ruige stalmest uitgereden
                            worden.</al></li><li nr="5. "><al>Van het uitrijden van de ruige stalmest wordt binnen twee weken na dat
                            uitrijden</al></li><li nr=""><al>melding gedaan bij de gebiedscoördinator. De melding gaat vergezeld van
                            een kaart met een topografische ondergrond waarop de beheereenheid is,
                            dan wel beheereenheden zijn, aangegeven waarop de ruige stalmest is
                            uitgereden.</al></li><li nr="6."><al> In afwijking van punt 5, eerste volzin, dient een subsidieontvanger die
                            niet in het kader van collectief agrarisch natuurbeheer een in punt 1
                            bedoeld agrarisch beheerpakket uitvoert, de in punt 5 bedoelde melding
                            in bij Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van een daartoe door of
                            namens Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier.</al></li></lijst><al><vet>Subonderdeel 5 (Toeslag hoog waterpeil)</vet></al><al>[vervallen]</al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage 8 Overstaptabel SAN Flevoland</titel></kop><al>De beheers- en landschapspakketten van de Subsidieregeling agrarisch
                    natuurbeheer Flevoland, opgenomen in de linkerkolom van de onderstaande tabel,
                    kunnen op grond van artikel 12.3, vijfde lid, van de onderhavige verordening
                    worden gewijzigd in de agrarische beheerpakketten onderscheidenlijk
                    beheerpakketten landschap, opgenomen in de rechterkolom van de onderstaande
                    tabel:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al><vet>Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer Flevoland</vet></al></entry><entry><al><vet>Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer
                                            Flevoland</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Beheerspakket (bijlagenummer/pakketnaam)</al></entry><entry><al>Agrarisch beheerpakket (aanduiding/pakketnaam)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>6: Ontwikkeling kruidenrijk grasland</al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al></entry></row><row><entry><al>7: Instandhouding kruidenrijk grasland</al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al></entry></row><row><entry><al>8: Bont hooiland</al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland</al></entry></row><row><entry><al>9: Bonte hooiweide</al></entry><entry><al>A02.01.02: Botanisch hooiland A01.01.05: Kruidenrijk
                                        weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry><al>10: Kruidenrijk weiland</al></entry><entry><al>A02.01.01: Botanisch weiland A01.01.05: Kruidenrijk
                                        weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry><al>11: Bont weiland</al></entry><entry><al>A02.01.01: Botanisch weiland A01.01.05: Kruidenrijk
                                        weidevogelgrasland</al></entry></row><row><entry><al>12: Bonte weiderand</al></entry><entry><al>A02.01.03a: Botanische weiderand</al></entry></row><row><entry><al>13: Bonte hooirand</al></entry><entry><al>A02.01.03b: Botanische hooirand</al></entry></row><row><entry><al>14: Kruidenrijke zomen</al></entry><entry><al>A02.01.03b: Botanische hooirand</al></entry></row><row><entry><al>15: Landschappelijk waardevol grasland</al></entry><entry><al>A02.01.01: Botanisch weiland</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 1
                                        juni</al></entry><entry><al>A01.01.01a: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1
                                        april tot 1 juni</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot 8
                                        juni</al></entry><entry><al>A01.01.01b: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1
                                        april tot 8 juni</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot
                                        15 juni</al></entry><entry><al>A01.01.01c: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1
                                        april tot 15 juni</al></entry></row><row><entry><al>16: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1 april tot
                                        22 juni</al></entry><entry><al>A01.01.01d: Weidevogelgrasland met een rustperiode van 1
                                        april tot 22 juni</al></entry></row><row><entry><al>17: Vluchtheuvels voor weidevogels</al></entry><entry><al>Bijlage 7, onderdeel C, subonderdeel b: Toeslag
                                        kuikenstroken</al></entry></row><row><entry><al>18: Plas-dras met een inundatieperiode van 15 februari tot
                                        15 april</al></entry><entry><al>A01.01.03a: Plas-dras met een inundatieperiode van 15
                                        februari tot 15 april</al></entry></row><row><entry><al>18: Plas-dras met een inundatieperiode van 15 februari tot
                                        15 mei</al></entry><entry><al>A01.01.03b: Plas-dras met een inundatieperiode van 15
                                        februari tot 15 mei</al></entry></row><row><entry><al>23a: Faunarand algemeen op kleigrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels
                                        A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op kleigrond</al></entry></row><row><entry><al>23a: Faunarand algemeen op zandgrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels
                                        A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op zandgrond</al></entry></row><row><entry><al>23b: Patrijzenrand op kleigrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels
                                        A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op kleigrond</al></entry></row><row><entry><al>23b: Patrijzenrand op zandgrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels
                                        A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op zandgrond</al></entry></row><row><entry><al>23c: Grauwe kiekenrand op kleigrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels
                                        A01.02.02a: Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op kleigrond</al></entry></row><row><entry><al>23c: Grauwe kiekenrand op zandgrond</al></entry><entry><al>A01.02.01a t/m d: Bouwland met broedende akkervogels
                                        A01.02.02b: Bouwland met doortrekkende en overwinterende
                                        akkervogels op zandgrond</al></entry></row><row><entry><al>24a: Akkerrijke flora I</al></entry><entry><al>A02.02.01a t/m c: Akker met waardevolle flora</al></entry></row><row><entry><al>26a: Akkerrijke flora II</al></entry><entry><al>A02.02.01a t/m c: Akker met waardevolle flora</al></entry></row><row><entry><al>28: Akkerflora randen</al></entry><entry><al>A02.02.03: Akkerflora randen</al></entry></row><row><entry><al>28a: Hamsterpakket</al></entry><entry><al>A01.02.03a: Bouwland voor hamsters A01.02.03b: Opvangstrook
                                        voor hamsters</al></entry></row><row><entry><al>28c: Grasland t.b.v. overwinterende ganzen (pakket
                                        2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01a: Ganzen op grasland</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant A: Grasland (pakket
                                        2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01a: Ganzen op grasland</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant B: Bouwland (pakket
                                        2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01b: Ganzen op bouwland</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant C: Vroege groenbemester
                                        (pakket 2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01c: Ganzen op vroege groenbemester</al></entry></row><row><entry><al>28c: Ganzenfoerageergebied, variant D: Late groenbemester
                                        (pakket 2008)</al></entry><entry><al>A01.03.01d: Ganzen op late groenbemester</al></entry></row><row><entry><al>28d: Bouwland t.b.v. overwinterende ganzen (pakket
                                        2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01b: Ganzen op bouwland</al></entry></row><row><entry><al>28e: Grasgroenbemester t.b.v. overwinterende ganzen (pakket
                                        2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01c: Ganzen op vroege groenbemester</al></entry></row><row><entry><al>28f: Grasgroenbemester maïsland t.b.v. overwinterende ganzen
                                        (pakket 2007)</al></entry><entry><al>A01.03.01d: Ganzen op late groenbemester</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Landschapspakket (bijlagenummer/pakketnaam)</al></entry><entry><al>Beheerpakket landschap (aanduiding/pakketnaam)</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>32: Houtkade, houtwal, haag en singel</al></entry><entry><al>L01.02.01: Houtwal en singel L01.06.01a: Struweelhaag
                                        snoeicyclus 5-7 jaar* Lo1.06.01b: Struweelhaag snoeicyclus
                                        &gt; 12 jaar* * Alleen als voldaan wordt aan
                                        instapeisen</al></entry></row><row><entry><al>33: Bomenrij</al></entry><entry><al>L01.07.01a: Laan stamdiameter L01.07.01b: Laan stamdiameter
                                        20-60 cm L01.07.01c: Laan stamdiameter &gt; 60 cm
                                        L01.13.01a: Bomenrij stamdiameter L01.13.01b: Bomenrij
                                        stamdiameter 20-60 cm L01.13.01c: Bomenrij stamdiameter &gt;
                                        60 cm * Alleen als voldaan wordt aan instapeisen</al></entry></row><row><entry><al>36: Elzensingel</al></entry><entry><al>L01.03.01c: Elzensingel bedekkingsgraad &gt; 75%</al></entry></row><row><entry><al>37: Geriefhoutbosje</al></entry><entry><al>L01.11.01a: Hakhoutbosje met dominantie van
                                        langzaamgroeiende boomsoorten (zomereik, wintereik, berk,
                                        haagbeuk) L01.11.01b: Hakhoutbosje met dominantie van
                                        snelgroeiende boomsoorten (zwarte els, gewone es)</al></entry></row><row><entry><al>38: Knip- en scheerheg</al></entry><entry><al>L01.05.01a: Knip- en scheerheg jaarlijkse cyclus L01.05.01b:
                                        Knip- en scheerheg 2-3 jaarlijkse cyclus</al></entry></row><row><entry><al>40: Knotbomen(rij)</al></entry><entry><al>L01.08.01a: Knotboom stamdiameter L01.08.01b: Knotboom
                                        stamdiameter 20-60 cm L01.08.01c: Knotboom stamdiameter &gt;
                                        60 cm</al></entry></row><row><entry><al>41: Grubbe en holle weg</al></entry><entry><al>L01.02.03: Holle weg en graft</al></entry></row><row><entry><al>42: Hoogstamboomgaard</al></entry><entry><al>L01.09.01: Hoogstamboomgaard</al></entry></row><row><entry><al>44: Poel</al></entry><entry><al>L01.01.01a: Poel en klein historisch water</al></entry></row><row><entry><al>44: Poel 75-175m</al></entry><entry><al>L01.01.01a: Poel en klein historisch water</al></entry></row><row><entry><al>44: Poel &gt; 175m</al></entry><entry><al>L01.01.01b: Poel en klein historisch water &gt; 175m</al></entry></row><row><entry><al>45: Rietzoom en klein rietperceel (rijland)</al></entry><entry><al>L01.14.01a: Smalle rietzoom (2-5m)</al></entry></row><row><entry><al>45: Rietzoom en klein rietperceel (vaarland)</al></entry><entry><al>L01.14.01b: Brede rietzoom (&gt; 5m) en klein
                                        rietperceel</al></entry></row><row><entry><al>46: Raster</al></entry><entry><al>Subsidie zit verdisconteerd in de verschillende
                                        beheerpakketten landschap</al></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 9 Index Natuur en Landschap</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Flevoland/i243488.pdf">Bijlage 9.1</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Flevoland/i243489.pdf">Bijlage 9.2</extref></al><al><extref doc="/cvdr/images/Flevoland/i243487.pdf">Bijlage 9.3</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>