<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73827_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Subsidieverordening jeugdzorg provincie Flevoland 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2005, 6</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Subsidieverordening jeugdzorg provincie Flevoland 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op de jeugdzorg, art. 41</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-13</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-18</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>statenvoorstel 040218</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>jeugdzorg, subsidies, zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is ingetrokken door het besluit met de volgende bekendmaking: <extref doc="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-4227.html">https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-4227.html</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Subsidieverordening jeugdzorg provincie Flevoland 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van provincie Flevoland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I. ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> Wet: de Wet op de Jeugdzorg (Staatsblad nummer 306, d.d. 6
                                        juli 2004);</al></li><li nr="b."><al> subsidieplafond: een subsidieplafond, als bedoeld in
                                        afdeling 4.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="c."><al> tarief: het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag,
                                        bedoeld voor de financiering van bekostigingseenheden zoals
                                        uitgevoerd door zorgaanbieders of het door Gedeputeerde
                                        Staten vastgestelde bedrag, bedoeld voor de financiering van
                                        een taak of een functie zoals uitgevoerd door het bureau
                                        jeugdzorg;</al></li><li nr="d."><al> uitvoeringsregeling: een door Gedeputeerde Staten
                                        vastgestelde uitvoeringsregeling subsidiëring
                                        jeugdzorg;</al></li><li nr="e."><al> activiteitenverslag: het verslag als bedoeld in artikel
                                        4:75 van de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="f."><al> experiment: het ontwikkelen en in de praktijk beproeven van
                                        nieuwe en het verbeteren van bestaande methoden, werkvormen
                                        of hulpmiddelen ten behoeve van het functioneren van bureau
                                        jeugdzorg en jeugdzorg waarop ingevolge de Wet op de
                                        Jeugd-zorg aanspraak bestaat;</al></li><li nr="g."><al> Minister: de Minister van Justitie en/of de Minister van
                                        Volksgezondheid, Welzijn en Sport;</al></li><li nr="h."><al> Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="i. "><al>jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun
                                        ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als
                                        behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei-
                                        of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen.</al></li><li nr="j."><al> Gedeputeerde Staten: het College van Gedeputeer-de Staten
                                        van Flevoland;</al></li><li nr="k. "><al>bekostigingseenheid: een eenheid van jeugdzorg waarop op
                                        grond van de wet en het besluit jeugd-zorgaanspraken,
                                        aanspraak bestaat en die door Gedeputeerde Staten als
                                        eenheid voor bekostiging van jeugdzorgaanbod is
                                        aangewezen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> In deze verordening hebben de gebruikte begrippen steeds dezelfde
                                betekenis als in de Wet op de Jeugdzorg, tenzij uitdrukkelijk is
                                vermeld dat dit niet het geval is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II. AANVRAAG OM SUBSIDIE EN VERLENING VAN SUBSIDIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Subsidiegrondslag zorgaanbieders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een zorgaanbieder subsidie verlenen voor
                                het uitvoeren van: </al><lijst><li nr="a."><al> één of meer bekostigingseenheden;</al></li><li nr="b."><al> experimenten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidie voor het uitvoeren van de in een bekosti-gingseenheid
                                bedoelde jeugdzorg, wordt bepaald op basis van een door Gedeputeerde
                                Staten vastgesteld tarief per bekostigingseenheid.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De subsidie voor het uitvoeren van bekostigingseenheden als bedoeld
                                in het eerste lid, sub a, wordt alleen verleend wanneer het bureau
                                jeugdzorg Flevoland voor het uitvoeren hiervan een indicatiebesluit
                                heeft vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In afwijking van het in het derde lid bepaalde wordt subsidie
                                tevens verleend wanneer sprake is van de in de Wet genoemde
                                besluiten welke met een indicatiebesluit gelijk worden gesteld en
                                een bij de Wet bepaald geval waarin dit besluit niet afgewacht kan
                                worden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De op basis van een indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg
                                Flevoland uit te voeren jeugdzorg komt alleen voor financiering door
                                de provincie Flevoland in aanmerking indien er tussen betreffende
                                zorgaanbieder en Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland een
                                subsidierelatie bestaat.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het in het vijfde lid
                                bepaalde, wanneer zij dit noodzakelijk achten.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Afwijkingen als bedoeld in het zesde lid worden in de beschikking
                                tot verlening van subsidie vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Subsidiegrondslag bureau jeugdzorg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen het bureau jeugdzorg subsidie verlenen
                                voor de financiering van de uitoefening van taken en/of functies
                                zoals genoemd in artikel 5 en artikel 10 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De in het eerste lid bedoelde subsidie wordt bepaald op basis van
                                de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedeputeerde Staten zullen deze tarieven vaststellen op basis van de
                                door de Minister vastgestelde normbedragen met een afwijking tot ten
                                hoogste drie procent.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend
                                wanneer de taken en/of de functies worden uitgevoerd voor cliënten
                                die bij aanvang van de bemoeienis van het bureau jeugdzorg duurzaam
                                verblijven in de provincie Flevoland.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het in het vierde lid
                                bepaalde, wanneer zij dit noodzakelijk achten. Gedeputeerde Staten
                                kunnen regels stellen over de voorwaarden waaronder zij afwijken van
                                lid 4.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Afwijkingen als bedoeld in het vijfde lid worden in de beschikking
                                tot subsidieverlening vastgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Subsidieaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg dient vóór 1 oktober van
                                het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidie betrekking
                                heeft een aanvraag om subsidie in.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen voor deze aanvraag vormvoorschriften
                                vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de aanvraag om subsidie wordt door de zorgaanbieder tenminste de
                                volgende informatie opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al> de verschillende bekostigingseenheden waarop de aanvraag
                                        betrekking heeft;</al></li><li nr="b."><al> het bedrag waarvoor de zorgaanbieder de verschillende
                                        bekostigingseenheden wil uitvoeren;</al></li><li nr="c."><al> de onderscheiden aantallen bekostigingseenheden waarvoor de
                                        zorgaanbieder subsidie aanvraagt;</al></li><li nr="d. "><al>de locatie(s) waar de bekostigingseenheden zullen worden
                                        uitgevoerd;</al></li><li nr="e."><al> de aantallen cliënten per bekostigingseenheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In de aanvraag om subsidie wordt door het bureau jeugdzorg tenminste
                                de volgende informatie opgenomen: </al><lijst><li nr="a."><al> het bedrag van de aangevraagde subsidie en de opbouw
                                        daarvan op basis van de tarieven overeenkomstig artikel 3,
                                        tweede lid, en de onderbouwing daarvan;</al></li><li nr="b. "><al>de wettelijke taken en/of functies die het bureau jeugdzorg
                                        zal uitvoeren;</al></li><li nr="c. "><al>de geraamde aantallen cliënten voor het jaar waarop de
                                        aanvraag betrekking heeft per taak en/of functie als bedoeld
                                        onder artikel 5, en 10 eerste lid van de wet;</al></li><li nr="d."><al> het aantal cliënten per taak en/of functie waarvoor de
                                        betreffende taak en/of functie is uitgevoerd in het tweede
                                        jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft.</al></li><li nr="e."><al> de activiteiten die zullen worden uitgevoerd voor de taken
                                        als bedoeld onder artikel 10, derde lid, van de wet;</al></li><li nr="f. "><al>de locaties waar de taken en/of functies zullen worden
                                        uitgeoefend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> De aanvraag om subsidie gaat vergezeld van: </al><lijst><li nr="a."><al> het vigerende meerjarenbeleidsplan voor de periode waarop
                                        de subsidieaanvraag betrekking heeft;</al></li><li nr="b."><al> een uitvoeringsplan voor het jaar waarvoor subsidie wordt
                                        aangevraagd;</al></li><li nr="c. "><al>de begroting van baten en lasten voor het jaar waarvoor
                                        subsidie wordt aangevraagd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Wanneer een aanvraag om subsidie onvolledig of niet conform het
                                bepaalde in deze subsidieverordening is ingediend, dan zullen
                                Gedeputeerde Staten, met in achtneming van artikel 4:5 van de Awb,
                                aan de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg verzoeken om
                                aanvullende informatie.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Wanneer een zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg, voor de eerste
                                keer een subsidie aanvraagt gaat de aanvraag om subsidie,
                                onverminderd het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, ook
                                vergezeld van: </al><lijst><li nr="a. "><al>een gewaarmerkte kopie van de akte van oprichting,
                                        bevattende de statuten;</al></li><li nr="b. "><al>een gewaarmerkte kopie van haar inschrijving in het
                                        Handelsregister, als bedoeld in artikel 2:289 van het
                                        Burgerlijk Wetboek;.</al></li><li nr="c."><al> de laatst opgestelde balans en resultatenrekening (beide
                                        met toelichting), voorzien van een accountantsverklaring,
                                        alsmede het accountantsverslag;</al></li><li nr="d. "><al>het (post)bankrekeningnummer waarop de subsidie moet worden
                                        overgemaakt;</al></li><li nr="e."><al> voor Gedeputeerde Staten andere relevante gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Indien wordt afgeweken van het bepaalde in voorgaande leden zijn
                                Gedeputeerde Staten bevoegd, met toepassing van het bepaalde in de
                                subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie af te
                                wijzen danwel de beschikking lager vast te stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Uitvoeringsprogramma jeugdzorg en maximale omvang
                                subsidiebijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het uitvoeringsprogramma
                                jeugdzorg vast met daarin het maximaal voor de financiering van
                                bekostigingseenheden beschikbare budget voor de zorgaanbieders en de
                                voor bureau jeugdzorg maximaal beschikbare subsidie onder voorwaarde
                                dat door Rijk en Provinciale Staten voldoende middelen beschikbaar
                                worden gesteld. Het uitvoeringsprogramma bevat een overzicht van de
                                in het kalenderjaar volgend op de vaststelling door zorgaanbieders
                                te leveren bekostigingseenheden en het voor de uitvoering daarvan
                                maximaal beschikbare bedrag en de door het bureau jeugdzorg uit te
                                voeren taken en functies, de daarvoor te hanteren tarieven en het
                                voor de uitvoering daarvan maximaal beschikbare bedrag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien Gedeputeerde Staten gebruik willen maken van de in artikel
                                23, lid 1, genoemde bevoegd-heid om subsidie toe te kennen voor de
                                financiering van experimenten, nemen zij dit op in het
                                uitvoeringsprogramma.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het totaal van de door Gedeputeerde Staten te verlenen subsidies
                                voor bekostigingseenheden of voor door het bureau jeugdzorg uit te
                                voeren taken en functies, bedraagt in geen geval meer dan het in het
                                eerste lid genoemde maximum bedrag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De subsidie als bedoeld in het derde lid kan worden aangepast
                                wanneer de doeluitkeringen worden aangepast als gevolg van de
                                ontwikkeling van de lonen en/of de prijzen of door overige
                                maatregelen van het Rijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Verlening van subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De beschikking tot verlening van subsidie aan een zorgaanbieder
                                vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> de onderscheiden bekostigingseenheden waarop de subsidie
                                        betrekking heeft;</al></li><li nr="b."><al> het tarief per uit te voeren bekostigingseenheid als
                                        bedoeld in artikel 2, tweede lid;</al></li><li nr="c."><al> de maximale subsidie voor de uitvoering van de
                                        bekostigingseenheden;</al></li><li nr="d."><al> de manier van verantwoording van de uitgevoerde
                                        bekostigingseenheden;</al></li><li nr="e."><al> de manier waarop de subsidie wordt vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De beschikking tot verlening van subsidie aan het bureau jeugdzorg
                                vermeldt in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> de taken en/of functies waarvoor subsidie wordt
                                        verleend;</al></li><li nr="b. "><al>de omvang van de taken en/of functies waarvoor de subsidie
                                        wordt verleend;</al></li><li nr="c."><al> de tarieven als bedoeld in artikel 3, tweede lid;</al></li><li nr="d."><al> de maximale subsidie;</al></li><li nr="e."><al> de manier van verantwoording van de uit te voeren taken
                                        en/of functies;</al></li><li nr="f."><al> de manier waarop de subsidie wordt vastgesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten besluiten, indien de subsidie tijdig conform
                                artikel 4 lid 1 en volledig conform artikel 4, leden 3, 4 en 5 is
                                ingediend, uiterlijk op 31 december van het jaar van indiening over
                                de subsidieaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat van de in het derde lid
                                genoemde datum wordt afgeweken. De zorgaanbieder of het bureau
                                jeugdzorg wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aan de beschikking tot subsidieverlening
                                voorschriften verbinden.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> De voorschriften kunnen onder meer verplichtingen bevatten met
                                betrekking tot de verwezenlijking van het doel van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Voorschriften inhoudende verplichtingen die niet strekken tot
                                verwezenlijking tot het doel van de subsidie, kunnen aan de
                                beschikking worden verbonden indien en voor zover deze betrekking
                                hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde
                                activiteit wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Voor het houden van toezicht op de wijze van besteding van
                                subsidie, kunnen Gedeputeerde Staten regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Per boekjaar verstrekte subsidies aan
                                rechtspersonen</titel></kop><al>Op de verstrekking van subsidies ingevolge deze verordening is, voor
                            zover het betreft subsidiëring van rechtspersonen, afdeling 4.2.8 van de
                            Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behoudens voor zover het
                            betreft het verstrekken van subsidies, zoals bedoeld in de artikelen 23
                            en 24.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III. VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8. Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De administratie wordt zo gevoerd dat op ieder moment een
                                betrouwbaar beeld ontstaat over het functioneren van de
                                subsidieontvanger op de volgende punten: </al><lijst><li nr="a."><al> gegevens over de cliënten;</al></li><li nr="b."><al> financiële gegevens.</al><al/><al> Daarnaast dient bureau jeugdzorg op ieder moment te kunnen
                                        aanleveren:</al></li><li nr="c."><al> gegevens over de omvang van de uitgeoefende taken en/of
                                        functies en dient de zorgaanbieder op ieder moment te kunnen
                                        aanleveren:</al></li><li nr="d. "><al>gegevens over de uitgevoerde bekostigingseenheden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het boekjaar van de subsidieontvanger is gelijk aan het
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Van alle financiële mutaties moeten schriftelijke bewijsstukken en
                                onderbouwingen van bereke-ningen aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden
                                gedurende zeven jaren bewaard.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Verzekeringen</titel></kop><al>De subsidieontvanger zorgt voor een voldoende verzekering tegen de
                            gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand, diefstal en andere
                            vergelijkbare risico's.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Subsidie-Egalisatiereserve</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Exploitatieoverschotten worden in beginsel toegevoegd aan een
                                subsidie-egalisatiereserve. Een andere bestemming voor een
                                exploitatieoverschot kan slechts worden gegeven nadat de
                                subsidie-ontvanger hiervoor toestemming heeft gekregen van
                                Gedeputeerde Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het in een jaar gerealiseerde exploitatietekort, dat resteert na
                                verrekening van de provinciale subsidie, wordt gedekt uit de in lid
                                1 genoemde reserve. Indien deze reserve niet toereikend is en een
                                negatieve egalisatiereserve ontstaat, dan dient de egalisatiereserve
                                binnen maximaal 3 jaren weer positief te zijn.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De egalisatiereserve bedraagt maximaal 10 % van de voor dat jaar
                                vastgestelde structurele provinciale subsidie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende regels stellen over de
                                besteding van de egalisatiereserve.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Onderhoudsvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De subsidieontvanger die eigenaar is van huisvesting is gerechtigd
                                tot het vormen van een voor-ziening ter bekostiging van onderhoud
                                van die huisvesting.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De subsidieontvanger behoeft toestemming van Gedeputeerde Staten
                                indien de jaarlijkse dotatie aan de onderhoudsvoorziening leidt tot
                                een totale onderhoudsvoorziening die groter is dan een maximum van
                                15 % van de in het desbetreffende jaar verstrekte subsidie. De
                                jaarlijkse dotatie aan de voorziening bedraagt niet meer dan 3 % van
                                de in het desbetreffende jaar toegekende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Uitgaven voor groot onderhoud dienen voor zover de exploitatie dit
                                niet toelaat op de voorziening groot onderhoud te worden
                                afgeboekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Vermogensvorming</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Reserves, die met provinciale subsidie zijn opgebouwd mogen alleen
                                worden besteed aan kosten die direct verband houden met de
                                uitoefening van de taken van de zorgaanbieder of het bureau
                                jeugdzorg voor zover deze niet bestreden kunnen worden uit de voor
                                dat jaar verleende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Rentetoerekening aan reserves, fondsen en voorzieningen, voor zover
                                ontstaan uit door de provincie verstrekte subsidies, is niet
                                toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In de gevallen, genoemd in artikel 4:41, lid 2 van de Algemene wet
                                bestuursrecht is de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken
                                van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een
                                vergoeding verschuldigd aan Gedeputeerde Staten. Deze vergoeding
                                bestaat uit het bedrag waarmee subsidiëring door de provincie heeft
                                bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere
                                middelen die daaraan hebben bijgedragen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding bedoeld in het
                                derde lid, wordt uitgegaan van de waarde van de eigendommen en
                                andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding
                                verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of
                                beschadiging van de eigendommen wordt uitgegaan van het bedrag dat
                                als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. Indien
                                het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling door één
                                of drie onafhankelijke deskundigen.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de werkzaamheden van de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg
                                met toestemming van Gedeputeerde Staten door respectievelijk een
                                andere zorgaanbieder of een ander bureau jeugdzorg worden voortgezet
                                en de activa en passiva tegen boekwaarde aan de ander in eigendom
                                worden overgedragen, is de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg
                                terzake in afwijking van het derde lid geen vergoeding
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Subsidie die in het kader van deze verordening ten laste van
                                autonome provinciale middelen beschikbaar wordt gesteld voor
                                uitvoering van de wettelijke taken, mogen niet bijdragen aan
                                vermogensvorming, tenzij Gedeputeerde Staten anders besluiten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Afschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Bij de afschrijving op zaken en investeringen wordt uitgegaan van de
                                volgende Afschrijvings-termijnen: </al><lijst><li nr="a."><al> gebouwen 40 jaar</al></li><li nr="b."><al> verbouwingen 20 jaar</al></li><li nr="c. "><al>installaties (behoudens telefoon- en alarminstallaties) 15
                                        jaar</al></li><li nr="d."><al> terreinvoorzieningen 10 jaar</al></li><li nr="e."><al> telefoon en alarminstallaties 10 jaar</al></li><li nr="f. "><al>inventaris 10 jaar</al></li><li nr="g."><al> automatiseringsapparatuur 5 jaar</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Onder een installatie als bedoeld in het eerste lid onder c wordt
                                mede verstaan: centrale verwarmingsinstallatie, liftinstallatie,
                                nood- en buitenverlichting, grootkeukeninstallatie, aanleg van CAI
                                (kabel) en brandmeldsysteem.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De afschrijving is gebaseerd op de historische aanschafprijs, nadat
                                daarop de ontvangen bestemmingsgiften en investeringssubsidies in
                                mindering zijn gebracht en wordt, rekening houdend met de termijnen
                                als genomen in lid 1, berekend op basis van goed gebruik in het
                                economisch verkeer.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien de lijst onder lid 1 van dit artikel niet uitputtend blijkt,
                                kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels vaststellen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV. SUBSIDIEVASTSTELLING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14. De aanvraag tot vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De zorgaanbieder en het bureau jeugdzorg dienen uiterlijk op 1 april
                                van het jaar, volgend op het jaar waarover subsidie is verleend, bij
                                Gedeputeerde Staten een aanvraag in tot vaststelling van de
                                subsidie.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een inhoudelijke en
                                financiële verantwoording over de besteding van de subsidie.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien wordt afgeweken van het bepaalde in lid 1 en 2 zijn
                                Gedeputeerde Staten bevoegd, met toepassing van het bepaalde in de
                                subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie lager
                                vast te stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15. De inhoudelijke verantwoording zorgaanbieder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De inhoudelijke verantwoording over de besteding van de subsidie
                                als bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gegeven in een
                                activiteitenverslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het activiteitenverslag bevat tenminste gegevens over de realisatie
                                van het bij de aanvraag om subsidie ingediende uitvoeringsplan;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in het kader van de inhoudelijke
                                verantwoording nadere informatie vragen over de uitvoering van,
                                effecten van en klanttevredenheid over bekostigingseenheden en
                                eventuele overige activiteiten van de zorgaanbieder.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere gegevens vragen over de
                                uitvoering van bekostigings-eenheden en eventuele overige
                                activiteiten van de zorgaanbieder, voorzover gerelateerd aan de
                                verleende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere gegevens vragen over de
                                uitvoering van activiteiten welke niet met provinciaal subsidie
                                worden bekostigd, maar wél van invloed kunnen zijn op de met
                                provinciaal subsidie gefinancierde activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende regels voorschrijven over de
                                inhoudelijke verantwoording.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. De inhoudelijke verantwoording bureau
                                jeugdzorg</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De inhoudelijke verantwoording over de besteding van de subsidie
                                als bedoeld in artikel 14, tweede lid, wordt gegeven in een
                                activiteitenverslag.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit activiteitenverslag bevat ten minste gegevens over de uitvoering
                                van de overige activiteiten als bedoeld in artikel 10, derde lid,
                                van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere gegevens vragen over de
                                activiteiten, als bedoeld in artikel 3, in aanvulling op de gegevens
                                die zijn opgenomen in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg en het
                                landelijk rapportageformat beleidsinformatie.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere gegevens vragen over de
                                uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 10, derde lid,
                                van de wet en eventuele overige activiteiten van bureau jeugdzorg,
                                voorzover gerelateerd aan de verleende subsidie.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen nadere gegevens vragen over de
                                uitvoering van activiteiten welke niet met provinciaal subsidie
                                worden bekostigd, maar wél van invloed kunnen zijn op de met
                                provinciaal subsidie gefinancierde activiteiten.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende regels voorschrijven over de
                                inhoudelijke verantwoording.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. De financiële verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen een accountantsprotocol vaststellen voor
                                de (financiële) verantwoording van gesubsidieerde instellingen;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De financiële verantwoording bestaat uit de jaarrekening, waarin
                                zijn opgenomen: </al><lijst><li nr="a. "><al>het financiële verslag van het bestuur van de zorgaanbieder
                                        of het bureau jeugdzorg;</al></li><li nr="b."><al> de balans met toelichting;</al></li><li nr="c."><al> de resultatenrekening met toelichting, waarin ook
                                        afwijkingen ten opzichte van de begroting worden
                                        verklaard;</al></li><li nr="d. "><al>de resultatenrekening dient op dezelfde wijze te zijn
                                        ingericht als de begroting van het verslagjaar, zoals deze
                                        is ingediend bij subsidieaanvraag</al></li><li nr="e. "><al>een algemeen overzicht van de personeelskosten, waarin een
                                        aparte vermelding van de salariëring en eventuele andere
                                        beloningsbestanddelen van de afzonderlijke leden van de
                                        directie of de raad van bestuur;</al></li><li nr="f. "><al>een overzicht van de financiële gevolgen van de activiteiten
                                        waarvoor geen provinciale subsidie wordt ontvangen;</al></li><li nr="g."><al> de accountantsverklaring waarbij wordt verklaard dat het
                                        door Gedeputeerde Staten voorgeschreven accountantsprotocol,
                                        zoals bedoeld in het eerste lid, in acht is genomen, alsmede
                                        het accountantsverslag. </al><al/><al> Daarnaast neemt de zorgaanbieder in de jaarrekening
                                        op:</al></li><li nr="h."><al> het totaal aantal van de onderscheiden bekostigingseenheden
                                        dat op basis van een indicatiebesluit van het bureau
                                        jeugdzorg Flevoland is uitgevoerd, gespecificeerd naar de
                                        onderscheiden bekostigingseenheden waarop de subsidie
                                        betrekking heeft;</al></li><li nr="i. "><al>het aantal van de onder h bedoelde bekostigingseenheden dat
                                        door de zorgaanbieder is uitgevoerd ten behoeve van cliënten
                                        die voorafgaand aan het bieden van jeugdzorg niet duurzaam
                                        verbleven in de provincie Flevoland, alsmede het totaal
                                        aantal cliënten waarop deze bekostigingseenheden betrekking
                                        hebben;</al></li><li nr="j."><al> de in het betreffende jaar feitelijk gerealiseerde
                                        kostprijs voor de onderscheiden bekostigingseenheden;</al></li><li nr="k."><al> het aantal cliënten voor wie de onder sub h en i bedoelde
                                        bekostigingseenheden zijn uitgevoerd, gespecificeerd naar de
                                        onderscheiden bekostigingseenheden;</al><al/><al> Daarnaast neemt het bureau jeugdzorg in de jaarrekening
                                        op:</al></li><li nr="l."><al> het totaal aantal jeugdigen dat zich in het begrotingsjaar
                                        bij het bureau jeugdzorg heeft gemeld, alsmede het aantal
                                        jeugdigen waarvoor de onderscheiden taken en/of functies als
                                        bedoeld in artikel 5 en 10, eerste lid, van de wet, zijn
                                        uitgevoerd;</al></li><li nr="m."><al> het aantal verschillende bekostigingseenheden waarvoor in
                                        het subsidiejaar een indicatiebesluit is afgegeven;</al></li><li nr="n."><al> het totaal aantal te onderscheiden bekostigingseenheden
                                        waarvoor door de stichting een indicatiebesluit is
                                        vastgesteld, voor zover deze in het betreffende jaar zijn
                                        uitgevoerd door een zorgaanbieder die daartoe niet door de
                                        provincie Flevoland is gefinancierd, alsmede het totaal
                                        aantal cliënten waarop dit betrekking heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in het kader van de financiële
                                verantwoording nadere informatie vragen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> In de accountantsverklaring van de zorgaanbieder wordt tevens een
                                oordeel gegeven over de verantwoording van de onderdelen bedoeld in
                                het tweede lid onder letters h tot en met k .</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> In de accountantsverklaring van het bureau jeugdzorg wordt tevens
                                een oordeel gegeven over de verantwoording van het bureau jeugdzorg
                                inzake de onderdelen bedoeld in het tweede lid onder de letters l
                                tot en met m en de uitvoering van artikel 12 van de wet (inzake de
                                ouderbijdrage).</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>De jaarrekening moet worden ingericht in overeenstemming met de
                                ministeriële richtlijnen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende regels voorschrijven over de
                                financiële verantwoording.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Manier van vaststelling van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen uiterlijk 13 weken na ontvangst van de
                                aanvraag als bedoeld in artikel 14 de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat de, in het vorige lid
                                genoemde, termijn wordt verlengd. De subsidieontvanger wordt hiervan
                                schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedeputeerde Staten stellen op basis van de ingediende
                                verantwoordingen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, vast of aan
                                de voorschriften van de verlening van de subsidie is voldaan.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie lager vaststellen dan het
                                verleende bedrag wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al> niet is voldaan aan bij en krachtens de wet aan de
                                        zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al> de subsidie aan andere activiteiten is besteed dan in de
                                        beschikking tot verlening van subsidie is vermeld;</al></li><li nr="c."><al> niet is voldaan aan de in de beschikking tot
                                        subsidieverlening vermelde voorwaarden.</al></li><li nr="d. "><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                        subsidie-verlening zou hebben geleid</al></li><li nr="e."><al> de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                        subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.</al><al/><al> en in het geval van een zorgaanbieder tevens wanneer:</al></li><li nr="f."><al> de maximaal verleende subsidie voor de uitvoering van
                                        bekostigingseenheden meer dan 5% hoger is dan het bedrag dat
                                        resulteert door vermenigvuldiging van het totaal van de
                                        ver-schillende aantallen uitgevoerde bekostigingseenheden
                                        met de daarvoor vastgestelde tarieven als bedoeld in artikel
                                        2, tweede lid; </al><al/><al> en in het geval van het bureau jeugdzorg tevens
                                        wanneer:</al></li><li nr="g."><al> de maximaal verleende subsidie voor de uitoefening van de
                                        taken en/of functies meer </al><al/><al> dan 5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door de som
                                        van het onderscheiden aantal jeugdigen per taak, als bedoeld
                                        in artikel 5 en 10, eerste en tweede lid, van de wet,
                                        ver-menigvuldigd met het voor die taak vastgestelde
                                        tarief;</al></li><li nr="h."><al> de werkelijke omvang van de taken en/of functies vermeld in
                                        artikel 10, derde lid, van de wet, achterblijft bij de in de
                                        subsidieverlening vastgelegde omvang;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de
                                werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend,
                                worden de kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen
                                worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in
                                aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Het bedrag waarmee de egalisatiereserve het maximum als bedoeld in
                                artikel 10, derde lid overschrijdt wordt in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen de subsidie vast op ten hoogste het
                                maximaal verleende bedrag.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen uiterlijk 13 weken na ontvangst van de
                                aanvraag als bedoeld in artikel 14 de subsidie vast.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat de, in het vorige lid
                                genoemde, termijn wordt verlengd. De subsidieontvanger wordt hiervan
                                schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen op basis van de ingediende
                                verantwoordingen als bedoeld in artikel 14, tweede lid, vast of aan
                                de voorschriften van de verlening van de subsidie is voldaan.</al></lid><lid><lidnr>8</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie lager vaststellen dan het
                                verleende bedrag wanneer: </al><lijst><li nr="a."><al> niet is voldaan aan bij en krachtens de wet aan de
                                        zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al> de subsidie aan andere activiteiten is besteed dan in de
                                        beschikking tot verlening van subsidie is vermeld;</al></li><li nr="c. "><al>niet is voldaan aan de in de beschikking tot
                                        subsidieverlening vermelde voorwaarden.</al></li><li nr="d. "><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                        verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                        subsidieverlening zou hebben geleid</al></li><li nr="e."><al> de subsidieverlening anderszins onjuist was en de
                                        subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.</al><al/><al> en in het geval van een zorgaanbieder tevens wanneer:</al></li><li nr="f. "><al>de maximaal verleende subsidie voor de uitvoering van
                                        bekostigingseenheden meer dan 5% hoger is dan het bedrag dat
                                        resulteert door vermenigvuldiging van het totaal van de
                                        verschillende aantallen uitgevoerde bekostigingseenheden met
                                        de daarvoor vastgestelde tarieven als bedoeld in artikel 2,
                                        tweede lid; </al><al/><al> en in het geval van het bureau jeugdzorg tevens
                                        wanneer:</al></li><li nr="g. "><al>de maximaal verleende subsidie voor de uitoefening van de
                                        taken en/of functies meer dan </al><al/><al> 5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door de som van
                                        het onderscheiden aantal jeug-digen per taak, als bedoeld in
                                        artikel 5 en 10, eerste en tweede lid, van de wet,
                                        vermenig-vuldigd met het voor die taak vastgestelde
                                        tarief;</al></li><li nr="h."><al> de werkelijke omvang van de taken en/of functies vermeld in
                                        artikel 10, derde lid, van de wet, achterblijft bij de in de
                                        subsidieverlening vastgelegde omvang;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de
                                werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend,
                                worden de kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen
                                worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in
                                aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het bedrag waarmee de egalisatiereserve het maximum als bedoeld in
                                artikel 10, derde lid overschrijdt wordt in mindering gebracht.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Gedeputeerde Staten stellen de subsidie vast op ten hoogste het
                                maximaal verleende bedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Voorschotbetalingen</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen vooruitlopend op de vaststelling van de
                            subsidie besluiten om 100% van de verleende subsidie als voorschot uit
                            te betalen. In de beschikking worden vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al> het totale voorschotbedrag;</al></li><li nr="b."><al> het aantal termijnen;</al></li><li nr="c."><al> de diverse termijnbedragen;</al></li><li nr="d."><al> de data waarop de voorschotten worden uitbetaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V. TOESTEMMING HANDELINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20. Toestemming handelingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg behoeft toestemming van
                                Gedeputeerde Staten voor de in artikel 4:71, lid 1 van de Awb
                                genoemde handelingen, behoudens voor wat betreft het vormen van
                                fondsen en reserveringen, zoals geregeld in de artikelen 10, 11 en
                                12 van deze verordening en voor zover de in deze artikelen bedoelde
                                reserveringen het aangegeven maximum niet te boven gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen vrijstelling of ontheffing verlenen van
                                het bepaalde in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De goedkeuring als bedoeld in artikel 4:71, lid 1 onder c en d van
                                de Awb, dient door de subsidieontvanger bij Gedeputeerde Staten te
                                worden aangevraagd, onder overlegging van een plan van
                                (her)huisvesting en een gespecificeerde kostenbegroting waaruit de
                                structurele financiële consequenties blijken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de goedkeuring als bedoeld in lid 1 wordt het eigen vermogen van
                                de subsidieontvanger in aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Na goedkeuring van het plan van (her)huisvesting en de
                                desbetreffende begroting verwerkt de subsidieontvanger de gewijzigde
                                huisvestingslasten in zijn begrotingen van de navolgende jaren. Dan
                                is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Na beëindiging van de voor ver- of nieuwbouw goedgekeurde
                                werkzaamheden dient de subsidieontvanger bij Gedeputeerde Staten een
                                afzonderlijke eindafrekening in, vergezeld van een
                                accountantsverklaring. Indien de voor ver- en/of nieuwbouw
                                goedgekeurde werkzaamheden niet of niet volledig blijken te zijn
                                uitgevoerd, zullen Gedeputeerde Staten de in voorgaande jaren door
                                hen vastgestelde subsidies met de subsidieontvanger verrekenen.
                                Overschrijding van het goedgekeurde bouwbudget is niet
                                toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor de planontwikkeling en uitvoering
                                nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Wachtgelden en andere financiële
                                tegemoetkomingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De subsidieontvanger behoeft toestemming van Gedeputeerde Staten
                                voor het, uit de lopende exploitatie of uit reserves die met
                                provinciale subsidie zijn opgebouwd, financieren van wachtgelden, al
                                dan niet door de rechter opgelegde (schade)vergoedingen en
                                afkoopsommen in verband met beëindiging van de arbeidsrelatie en
                                andere financiële tegemoetkomingen aan (ex)personeelsleden, voor
                                zover deze toekenningen de toepasselijke CAO-bepalingen te boven
                                gaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in alle gevallen
                                vereist wanneer de in dit lid bedoelde financiële tegemoetkomingen
                                (ex) leden van de Directie danwel de Raad van Bestuur van de
                                subsidieontvanger betreffen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De in het eerste en het tweede lid bedoelde toestemming is niet
                                vereist wanneer de financiële tegemoetkomingen worden gefinancierd
                                uit andere bronnen dan door Gedeputeerde Staten aan de zorgaanbieder
                                of het bureau jeugdzorg verstrekte subsidies danwel reserves die met
                                provinciale subsidie zijn opgebouwd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VI OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 23. Experimenten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen aan de zorgaanbieder of het bureau
                                jeugdzorg een subsidie verlenen voor de financiering van
                                experimenten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De aanvraag van deze subsidie kan gedurende het hele jaar bij
                                Gedeputeerde Staten worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van de subsidie,
                                zoals bedoeld in het eerste lid, of en in welke mate de experimenten
                                bijdragen aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten
                                gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Bij de verlening van een subsidie kan de hoogte van de
                                egalisatiereserve van de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg
                                worden betrokken.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Op de verleende subsidie kan een voorschot worden betaald conform
                                het gestelde in artikel 19.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Voor de aanvraag tot vaststelling van de subsidie voor experimenten
                                zijn de artikelen 14, 15, 16, 17 en 18 van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al> Indien de artikelen, genoemd in lid 7 niet voldoen bij de
                                vaststelling van de subsidie voor experimenten, kunnen Gedeputeerde
                                Staten nadere regels stellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Wachtgelden en vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen indien een of meer leden van het
                                personeel van een zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg wegens
                                beëindiging of vermindering van werkzaamheden, reorganisatie of
                                fusie worden ontslagen, besluiten om, de wachtgelden of vergoedingen
                                verband houdende met de afvloeiing afzonderlijk te subsidiëren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Indien zich een situatie als bedoeld in lid 1 voordoet, stelt de
                                zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg Gedeputeerde Staten hiervan
                                onverwijld in kennis.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie als bedoeld in lid 1 alleen
                                verlenen, indien zij vooraf betrokken zijn geweest bij de
                                onderhandelingen over de hoogte van de wachtgelden of
                                vergoedingen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Een aanvraag voor een subsidie, als bedoeld in lid 1, dient
                                schriftelijk door de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg bij
                                Gedeputeerde Staten te worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Bij de toekenning van subsidies als bedoeld in dit artikel wordt het
                                eigen vermogen van de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg in
                                aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Bij de vaststelling van de hoogte van subsidies als bedoeld in dit
                                artikel gaan Gedeputeerde Staten uit van de toepasselijke
                                CAO-bepalingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25. Steunfunctie</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen aan een rechtspersoon met volledige
                            rechtsbevoegdheid subsidie verlenen voor de uitvoering van een
                            steunfunctie voor de zorgaanbieders of het bureau jeugdzorg.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26. Vertrouwenspersoon</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten zullen aan een rechtspersoon met volledige
                            rechtsbevoegdheid subsidie verlenen voor de werkzaamheden van een
                            vertrouwenspersoon, die de rechtspersoon voor de cliënten van de
                            zorgaanbieders of het bureau jeugdzorg beschikbaar stelt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27. Noodfonds</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen in een uitvoeringsregeling regels
                                stellen voor de inzet van een flexibel budget dat is gereserveerd om
                                acute noodsituaties in de jeugdzorg op te lossen. Van een acute
                                noodsituatie is sprake als er voor een jeugdige die zéér dringend
                                hulp nodig heeft binnen de bestaande capaciteit van of
                                productieafspraken met de zorgaanbieders waarmee Gedeputeerde Staten
                                een subsidierelatie hebben, geen hulp geboden kan worden.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten in het uitvoeringsprogramma
                                vast welke bedrag aan het Noodfonds wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28. Uitvoeringsregeling</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen in een uitvoeringsregeling nadere regels
                            stellen voor de uitvoering van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VII. OVERGANGSREGELING.</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 29. Overgangsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Gedeputeerde Staten kunnen voor 2005 en 2006 een van artikel 3
                                afwijkend tarief vaststellen dat aansluit op de door hen voor het
                                jaar 2004 gehanteerde grondslag voor de subsidie van het bureau
                                jeugdzorg.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Gedeputeerde Staten kunnen voor 2005 en 2006 een van artikel 2
                                afwijkend tarief vaststellen dat aansluit op de door hen voor het
                                jaar 2004 gehanteerde grondslag voor de subsidie van de
                                zorgaanbieder.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> In afwijking van artikel 2, derde, vierde en vijfde lid, komt tot 1
                                januari 2007 de door de zorgaanbieders uitgevoerde jeugdzorg tevens
                                voor subsidie in aanmerking, indien de cliënt voor-afgaand aan de
                                aanvang van jeugdzorg niet duurzaam verbleef in de provincie
                                Flevoland in geval: </al><lijst><li nr="a."><al> een hiertoe strekkend indicatiebesluit is vastgesteld door
                                        het bureau jeugdzorg van de provincie waarin de jeugdige
                                        voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleef en;</al></li><li nr="b."><al> het onder a) bedoeld bureau jeugdzorg heeft vastgesteld dat
                                        jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, alsmede een vervangend
                                        aanbod als bedoeld in artikel 5 van het besluit indicatie
                                        jeugdzorg, niet binnen dertien weken na vaststelling van het
                                        indicatiebesluit, gerealiseerd kan worden door een
                                        zorgaanbieder die daartoe wordt gefinancierd door de
                                        provincie </al><al/><al> waarin de jeugdige duurzaam verbleef en;</al></li><li nr="c."><al> het onder a) bedoelde bureau jeugdzorg heeft vastgesteld
                                        dat daarmee de zorg dichter bij de plaats kan worden geboden
                                        waar de jeugdige voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam
                                        verbleef en;</al></li><li nr="d."><al> de zorgaanbieder op grond van artikel 2, eerste lid, een
                                        subsidie van Gedeputeerde Staten ontvangt voor het bieden
                                        van de bekostigingseenheid waarop de betreffende aanspraak
                                        betrekking heeft en;</al></li><li nr="e."><al> hiermee niet een maximum van tien procent wordt
                                        overschreden van het totale subsidie dat aan de
                                        zorgaanbieder op grond van deze verordening is toegekend
                                        voor uitvoeren van bekostigingseenheden.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VIII. SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30. Hardheidsclausule</titel></kop><al>Gedeputeerde Staten kunnen, indien hiervoor naar hun oordeel dringende
                            redenen zijn, gemotiveerd afwijken van het in deze verordening
                            gestelde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31. Slotbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslissen
                                Gedeputeerde Staten, met inachtneming van artikel 4.2 van de
                                Awb.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De verordening treedt inwerking met ingang 1 januari 2005.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Deze verordening kan worden aangehaald als "subsidieverordening
                                Jeugdzorg provincie Flevoland 2005" .</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Voorzitter en secretaris</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>1.Algemeen.</titel></kop><tussenkop>1.1 Inleiding</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg per 1-1-2005 is het
                    noodzakelijk gelet op de wijziging van de bekostigingssystematiek van de
                    jeugdzorg een nieuwe subsidieverordening vast te stellen ten behoeve van de
                    bekostiging van het bureau jeugdzorg en het door de provincie gefinancierde
                    zorgaanbod. Op grond van artikel 41 van de Wet op de jeugdzorg stellen
                    Provinciale Staten bij verordening hierover regels vast. Deze regels betreffen
                    in ieder geval de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="1."><al> het bedrag van de subsidies, dan wel de wijze waarop de subsidies
                            worden bepaald</al></li><li nr="2. "><al>de aanvraag van de subsidie en de subsidieverlening</al></li><li nr="3. "><al>de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend</al></li><li nr="4."><al> de verplichtingen van de subsidieontvanger</al></li><li nr="5."><al> de vaststelling van de subsidie</al></li><li nr="6."><al> de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of de vaststelling
                            van de subsidie</al></li><li nr="7."><al> de betaling of de terugvordering van de subsidie</al></li><li nr="8."><al> de mogelijkheid van subsidie voor de uitvoering van experimenten of van
                            de steunfunctie</al></li></lijst><al>Op te verstrekken subsidies krachtens de subsidieverordening Jeugdzorg provincie
                    Flevoland 2005 is uiteraard ook de subsidietitel van de Awb van toepassing</al><tussenkop>1.2 De regulering</tussenkop><al>Uitgangspunt bij de uitwerking hiervan in deze verordening is onder meer dat de
                    procedures en de organisatie van de subsidiëring zo eenvoudig mogelijk dienen te
                    zijn, maar tegelijkertijd voldoende garanties geeft voor een heldere,
                    transparante en doelmatige wijze van bekostigen en verantwoording hiervan,
                    waarbij sprake is van een duidelijke vastlegging van verantwoordelijkheden van
                    betrokken partijen.</al><tussenkop>1.3 Hoofdlijnen van de bekostiging</tussenkop><al>De provincie heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de bekostiging van de
                    jeugdzorg en het bureau jeugdzorg. Vanuit deze verantwoordelijkheid stelt de
                    provincie de subsidie en de daarvoor te leveren prestatie vast.</al><tussenkop>a) Bekostiging van de provinciale doeluitkering zorgaanbod door het
                    Rijk</tussenkop><al>Voor de subsidiëring van het zorgaanbod ontvangt de provincie een uitkering van
                    het Rijk. Het Tijdelijk Besluit Uitkeringen Jeugdzorg vormt hiervoor gedurende
                    de eerste twee jaren na inwerkingtreding van de wet de basis. Gedurende deze
                    periode is sprake van een overgangsperiode, waarin nog sprake is van vooraf
                    vastgesteld budget voor de provinciale doeluitkeringen bureau jeugdzorg en
                    zorgaanbod. Een en ander vloeit voort uit het Bestuursakkoord Financieel kader
                    Wet op de jeugdzorg, zoals dit in 2003 tussen provincies, grootstedelijke
                    regio's, de Staatssecretaris van VWS en de Minister van Justitie is
                    overeengekomen.</al><al>Gedurende deze overgangsperiode wordt geleidelijk een nieuwe bekostigingswijze
                    voor de doeluitkeringen zorgaanbod geïmplementeerd op basis van het advies van
                    Deloitte ("Naar een nieuw stelsel voor de financiering van het
                    jeugdzorgaanbod'). In het Bestuurlijk Overleg Jeugdzorg zijn afspraken gemaakt
                    over de implementatie van deze landelijke bekostigingssystematiek voor het
                    zorgaanbod, welke met ingang van 2007 volledig zal zijn ingevoerd.</al><al>Op hoofdlijnen is daarmee de toekomstige door het rijk te hanteren
                    bekostigingssystematiek gegeven. Met betrekking tot de doeluitkering zorgaanbod
                    betekent dit het volgende. Deze uitkering wordt gebaseerd op de te verwachten
                    geïndiceerde bekostigingseenheden vermenigvuldigd met een landelijke normprijs
                    voor die bekostigingseenheden: prijs (p) x benodigde kwantiteit (q). Deze
                    bekostigingseenheden worden landelijk vastgesteld en omschreven en vormen
                    daarmee de bij de provinciale subsidiëring te hanteren bekostigingseenheden. Met
                    de invoering van de Wet op de jeugdzorg wordt onder meer beoogd te komen tot
                    meer marktwerking in het zorgaanbod, onder meer teneinde te komen tot een zo
                    efficiënt en effectief mogelijk zorgaanbod. In verband hiermee zijn de
                    landelijke normprijzen voor de te leveren bekostigingseenheden niet geldend voor
                    de te hanteren prijzen bij de subsidiëring hiervan door de provincie. Ook kunnen
                    de uiteindelijk door de provincie gehanteerde tarieven per zorgaanbieder
                    verschillen. Hiermee wordt een prikkel voor een zo efficiënt mogelijke
                    uitvoering van zorg gerealiseerd. Wel vormt het op basis van de landelijke
                    normprijzen vastgestelde provinciale budget voor het zorgaanbod het financieel
                    kader waarbinnen een op de vraag afgestemd zorgaanbod door de provincie
                    bekostigd dient te worden. Binnen de doeluitkering dient de provincie voldoende
                    zorgaanbod in te kopen bij zorgaanbieders teneinde de aanspraken op zorg van
                    cliënten te kunnen borgen. Uitgangspunt daarbij is dat de provincie over
                    adequate informatie beschikt over de omvang van de door het bureau jeugdzorg
                    geïndiceerde bekostigingseenheden en over de ontwikkeling hiervan.</al><al>Deze nieuwe landelijke bekostigingssystematiek vormt het vertrekpunt voor de
                    onderhavige verordening. In het kader van het implementatietraject zal op basis
                    van pilots nader worden bezien hoe de uiteindelijke bekostigingseenheden in het
                    kader van de financiering het best kunnen worden toegepast en zal een
                    praktijktoets plaatsvinden op de geadviseerde normprijzen voor de verschillende
                    bekostigingseenheden. Een en ander zal in de eerste twee jaar na
                    inwerkingtreding van de wet zijn beslag krijgen. Een en ander betekent dat in de
                    eerste twee jaar na inwerkingtreding van de wet, in veel gevallen de landelijk
                    te hanteren bekostigingseenheden nog niet de grondslag kunnen vormen voor de
                    bekostiging van het zorgaanbod. In verband hiermee is in artikel 1, onder q
                    aangegeven dat Gedeputeerde Staten vaststellen welke bekostigingseenheden als
                    eenheid voor de bekostiging van het zorgaanbod worden gehanteerd. Tot invoering
                    van de systematiek van bekostigingseenheden in het kader van de financiering van
                    de doeluitkering zorgaanbod, kunnen Gedeputeerde Staten dus ook zelf andere
                    bekostigingseenheden als bekostigingseenheid vaststellen. Het ligt in de rede
                    daarbij aan te sluiten op de bekostigingseenheden als gehanteerd in het jaar
                    voorafgaand aan de invoering van de wet. In veel gevallen zullen dit de
                    bekostigingseenheden zijn zoals gehanteerd in de systematiek van de
                    normharmonisatie. Bij invoering van de landelijke systematiek voor
                    bekostigingseenheden, zullen deze ook voor de provinciale financiering van het
                    zorgaanbod als bekostigingeenheden worden gehanteerd.</al><al>Voor het overige wordt met deze verordening reeds met ingang van
                    inwerkingtreding van de wet aangesloten op de uitgangspunten van de wet en de
                    daarop gebaseerde toekomstige landelijke bekostigingssystematiek.</al><tussenkop>b) Bekostiging van het zorgaanbod door de provincie</tussenkop><al>In de subsidieaanvraag geeft de zorgaanbieder aan voor welke
                    bekostigingseenheden deze subsidie aanvraagt. Tevens geeft de zorgaanbieder aan
                    voor hoeveel van de onderscheiden bekostigings-eenheden subsidie wordt
                    aangevraagd en welke prijs per bekostigingseenheid hij aanvraagt. Daarmee heeft
                    de aanvraag het karakter van een offerte. Mede op basis van subsidieaanvraag en
                    het inzicht in de benodigde zorg bepaalt de provincie welke en hoeveel
                    bekostigingseenheden zij wenst in te kopen bij de zorgaanbieder en tegen welke
                    tarief. Deze hoeft niet gelijk te zijn aan de prijs die de zorgaanbieder in de
                    offerte heeft opgenomen. Zorgaanbieder en provincie kunnen hierover
                    onderhandelen. Uiteindelijk stellen Gedeputeerde Staten het tarief vast tegen
                    welke zij de betreffende zorgaanbieder wenst te subsidiëren. Daarbij zal onder
                    meer de gerealiseerde kostprijs van de zorgaanbieder in de voorgaande jaren
                    betrokken worden. In de subsidiebeschikking geeft de provincie aan welke en
                    hoeveel bekostigingseenheden worden gesubsidieerd en tegen welk tarief. Dit
                    tarief hoeft derhalve niet gelijk te zijn aan de normprijzen die het Rijk
                    hanteert voor de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod en kunnen ook voor
                    onderscheiden zorgaanbieders verschillen. Ook de mate van detaillering van de
                    bekostigingseenheden kan afwijken ten opzichte van de landelijk vastgestelde
                    eenheden. Wel dienen de mogelijk gedetailleerdere eenheden op een transparante
                    en controleerbare wijze vertaald te kunnen worden naar het niveau van de eenheid
                    van het Rijk. Het aldus tot stand gekomen maximale subsidie wordt in principe
                    verleend voor zover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden
                    uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verbleven in de
                    provincie Flevoland. Uitgaande van een financiering van de doeluitkering op
                    basis van de hiervoor weergegeven pxq-systematiek, zal de omvang van de
                    doeluitkering zorgaanbod aansluiten op de kwantiteit van de aanspraken van
                    cliënten uit de eigen provincie op geïndiceerde zorg. Ook kan de provincie
                    desgewenst zorg inkopen bij zorgaanbieders buiten haar grenzen. Daarmee ligt
                    financiering van zorg ten behoeve van cliënten uit andere provincies niet langer
                    in de rede. Echter, gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe
                    financieringssystematiek, zal nog sprake zijn van een vorm van gesloten
                    budgetfinanciering van de doeluitkeringen. In verband hiermee wordt voor die
                    periode een overgangsregeling gehanteerd op grond waarvan in
                    uitzonderingssituaties zorgaanbieders de verleende subsidie, onder bepaalde
                    voorwaarden, tevens kunnen aanwenden voor het verlenen van zorg ten behoeve van
                    cliënten die voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleven in een andere
                    provincie (zie artikel 29, lid 3).</al><al>De subsidieaanvraag van een zorgaanbieder zal gebaseerd zijn op een
                    kwantitatieve prognose van de te verwachten inzet van de onderscheiden
                    bekostigingseenheden. Om zorgaanbieders zoveel mogelijk in staat te stellen bij
                    de uitvoering van de zorg aan te sluiten op de feitelijke ontwikkeling van de
                    vraag hiernaar gedurende het jaar, geldt de kwantitatieve basis bij toekenning
                    van de subsidie primair als middel ter bepaling van het totaal toe te kennen
                    subsidie voor de uitvoering van bekostigingseenheden. Afhankelijk van de
                    feitelijke vraagontwikkeling gedurende het jaar kan de werkelijke inzet van zorg
                    hiervan afwijken. Bij de vaststelling van de subsidie zal de provincie uitgaan
                    van de werkelijk geleverde aantallen eenheden en de daarvoor in de toekenning
                    vastgestelde prijzen. Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen
                    eenheden vermenigvuldigd met de vastgestelde prijzen overeenkomen met de
                    maximaal toegekende subsidie. Slechts indien het langs deze weg tot stand
                    gekomen totale bedrag lager is dan het maximaal toegekende subsidie, kan een
                    lager subsidie worden vastgesteld. Met deze systematiek wordt maximale
                    flexibiliteit voor de zorgaanbieder gerealiseerd om bij de inzet van zorg
                    optimaal aan te sluiten bij de door het bureau jeugdzorg in de indicatie
                    vastgestelde behoefte aan zorg. Een zorgaanbieder wordt daarmee uitdrukkelijk
                    uitgenodigd de ruimte te benutten om, mede gelet op zijn zorgplicht, die zorg te
                    bieden die gelet op de vraag benodigd is, binnen de grenzen van het hun door de
                    provincie maximaal toegekende subsidie. Wel is het zo dat zorgaanbieders slechts
                    die bekostigingseenheden kunnen uitvoeren, die bij de subsidietoekenning door de
                    provincie zijn aangegeven. Met andere woorden, indien bij een zorgaanbieder geen
                    bekostigingseenheden in het kader van pleegzorg worden gesubsidieerd, dan komt
                    het uitvoeren van dergelijke eenheden niet voor subsidiëring door de provincie
                    in aanmerking. Ten slotte komen alleen bekostigingseenheden in aanmerking voor
                    subsidie indien hieraan een geldige indicatie van het bureau jeugdzorg aan ten
                    grondslag ligt en die zijn uitgevoerd ten behoeve van een cliënt uit de
                    subsidiërende provincie, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie zoals
                    bepaald in artikel 29 lid 3.</al><tussenkop>c) bureau jeugdzorg</tussenkop><al>Ten behoeve van de taken als bedoeld in artikel 5 en 10 van de wet. De provincie
                    ontvangt van het Rijk een uitkering bureau jeugdzorg. Voor de taken als bedoeld
                    in artikel 2, eerste lid, onderdeel a van het Tijdelijk besluit uitkeringen
                    jeugdzorg stelt het Rijk normprijzen per taak vast. Het betreft hier de
                    zogenaamde justitiële taken van het bureau jeugdzorg in het kader van de
                    uitvoering van maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering. Ten
                    behoeve van de financiering van deze taken door de provincie, wordt aan de
                    doeluitkering bureau jeugdzorg een bedrag toegevoegd dat resulteert door
                    vermenigvuldiging van deze landelijke normprijzen (P) met het aantal uitgevoerde
                    justitiële taken (Q) in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarop de
                    doeluitkering betrekking heeft. Voor het eerste jaar na inwerkingtreding van de
                    wet zal dit deel van de doeluitkering echter nog worden gebaseerd op basis van
                    het eerste jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet. Voor de overige
                    niet justitiële taken van het bureau jeugdzorg wordt een bedrag aan de
                    doeluitkering toegevoegd dat is gebaseerd op de middelen die hiervoor in het
                    jaar voorafgaand aan de inwerking-treding van de wet voor deze taken beschikbaar
                    was op grond van de Wet op de Jeugdhulpverlening. Voor deze taken geldt derhalve
                    landelijk vooralsnog een gesloten budgetfinanciering van de doel-uitkering
                    bureau jeugdzorg. Met ingang van 1 januari 2007 zal voor de financiering van de
                    doeluitkering voor deze overige taken een gelijke financieringsgrondslag worden
                    ontwikkeld als die voor de justitiële taken van het bureau. Dit betekent dat
                    hiervoor ook landelijke normprijzen zullen worden vastgesteld. De provinciale
                    subsidiesystematiek van het bureau jeugdzorg is op hoofdlijnen gelijk aan de
                    landelijk gehanteerde pxq-systematiek bij vaststelling van de doeluitkering voor
                    bureau jeugdzorg. De landelijke normprijzen die het Rijk hanteert zijn in
                    relatie tussen Rijk en provincie een vast gegeven en vormen de basis voor de
                    vaststelling van het provinciaal subsidie aan het bureau jeugdzorg. Echter, de
                    provincie kan op basis van de regionale situatie en in het kader van haar
                    verantwoordelijkheid voor een zo efficiënt mogelijke inzet van de doeluitkering
                    bureau jeugdzorg, bij de subsidiëring van taken van het bureau jeugdzorg
                    besluiten tot de vaststelling van een afwijkend taakstellend tarief per taak.
                    Daarbij wordt een marge aangehouden van ten hoogste drie procent. Gedurende de
                    periode waarin nog geen sprake is van landelijk vastgestelde normprijzen voor de
                    niet-justitiële taken van het bureau jeugdzorg, zullen Gedeputeerde Staten de
                    normprijzen en daarbij te hanteren eenheden vaststellen. Deze overgangsregeling
                    is neergelegd in artikel 29 van de verordening. De taken als bedoeld in artikel
                    10, derde lid van de wet vormen een uitzondering op deze algemene
                    financieringssystematiek (zie hieronder).</al><al>In de subsidieaanvraag geeft het bureau jeugdzorg onder meer aan ten behoeve van
                    welke omvang van de onderscheiden taken zij subsidie aanvraagt. Op basis van de
                    subsidieaanvraag, het inzicht in het benodigde volume en de omvang van de
                    doeluitkering bepaalt de provincie ten behoeve van welke omvang zij de taken van
                    het bureau jeugdzorg wenst te subsidiëren. In de subsidiebeschikking stelt de
                    provincie deze omvang vast, alsmede het daarbij te hanteren tarief per taak.
                    Zoals aangegeven kan dit tarief maximaal drie procent afwijken van het bedrag
                    dat door het Rijk wordt gehanteerd bij de vaststelling van de doeluitkering
                    bureau jeugdzorg. Het aldus tot stand gekomen maximale subsidie wordt alleen
                    verleend voor zover de taken waarop de subsidie betrekking heeft worden
                    uitgevoerd voor cliënten die voorafgaand aan de zorg duurzaam verblijven in de
                    provincie Flevoland. De subsidieaanvraag van het bureau jeugdzorg zal gebaseerd
                    zijn op een kwantitatieve prognose van de te verwachte omvang van de
                    onderscheiden taken van het bureau. Om het bureau zoveel mogelijk in staat te
                    stellen bij de uitvoering van de taken aan te sluiten op de feitelijke
                    ontwikkeling van de behoefte hieraan gedurende het jaar, vormt de kwantitatieve
                    basis bij toekenning van de subsidie primair als middel ter bepaling van het
                    totaal toe te kennen subsidie voor de uitvoering van de taken. Afhankelijk van
                    de vraagontwikkeling kan de werkelijke inzet hiervan afwijken. Bij de
                    vaststelling van de subsidie zal de provincie uitgaan van de werkelijke omvang
                    van de uitgevoerde taken en de daarvoor in de toekenning vastgestelde tarieven.
                    Uitgangspunt daarbij is dat de gerealiseerde aantallen vermenigvuldigd met de
                    vastgestelde tarieven overeenkomen met de maximaal toegekende subsidie. Slechts
                    indien het langs deze weg tot stand gekomen totale bedrag lager is dan de
                    maximaal toegekende subsidie, kan een lager subsidie worden vastgesteld. Met
                    deze systematiek wordt maximale flexibiliteit voor het bureau jeugdzorg
                    gerealiseerd om bij de inzet van de beschikbare middelen optimaal aan te sluiten
                    bij de behoefte aan de onderscheiden taken. Het bureau jeugdzorg wordt daarmee
                    uitdrukkelijk uitgenodigd de ruimte te benutten om die taken uit te voeren die
                    gelet op de vraag noodzakelijk zijn, binnen de grenzen van de hun door de
                    provincie maximaal toegekende subsidie.</al><al>Ten behoeve van de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de wet.
                    Uitzondering hierop vormt de subsidiëring van de taak als bedoeld in artikel 10,
                    lid 3, van de Wet op de Jeugdzorg, waaronder advies en
                    deskundigheidsbevordering, het onderhouden van contacten met algemene
                    voorzieningen voor jeugdigen en het door vrijwilligers per telefoon laten
                    adviseren van jeugdigen. Evenals dit het geval is bij de vaststelling van de
                    doeluitkering zal door de provincie voor deze taak een subsidie worden
                    vastgesteld op basis van een bedrag per jeugdige inwoner in de provincie.</al><tussenkop>2. Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel bevat de begripsbepalingen</al><tussenkop>Artikel 2 Subsidiegrondslag zorgaanbieders</tussenkop><al>Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening. Voor
                    financiering komen in aanmerking de uitvoering van bekostigingseenheden die door
                    Gedeputeerde Staten worden vastgesteld voor de bekostiging van het aanbod van
                    jeugdzorg. Zoals eerder aangegeven, zullen deze met ingang van 2007 aansluiten
                    op de door het Rijk te hanteren bekostigingseenheden bij de financiering van de
                    doeluitkering zorgaanbod. In de daaraan voorafgaande periode stellen
                    Gedeputeerde Staten de bekostigingseenheden vast die voor bekostiging in
                    aanmerking komen. De bekostigingseenheden komen alleen dan voor subsidiëring in
                    aanmerking indien deze worden uitgevoerd op basis van een daartoe strekkend
                    indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg Het vierde lid heeft betrekking op
                    hetgeen in de wet is bepaald inzake besluiten welke met een indicatiebesluit van
                    het bureau jeugdzorg gelijk worden gesteld. Bovendien kan er sprake zijn van een
                    crisissituatie, waarin een indicatiestelling van het bureau jeugdzorg niet kan
                    worden afgewacht. Het vijfde lid leidt ertoe dat de subsidiëring slechts
                    betrekking heeft op de uitvoering van bekostigingseenheden ten behoeve van
                    cliënten die voorafgaand aan uitvoering hiervan duurzaam verbleven in de
                    provincie Flevoland. Dit betekent derhalve ook dat de zorgplicht van de
                    zorgaanbieder op grond van de wet slechts betrekking heeft op cliënten uit een
                    provincie waarvan Gedeputeerde Staten van die provincie de betreffende
                    zorgaanbieder ook een subsidie hebben verstrekt ten behoeve van de uitvoering
                    van bekostigingseenheden. Omdat provincies bij het inkopen van jeugdzorg niet
                    gehouden zijn deze in te kopen bij zorgaanbieders in de eigen provincie, kan een
                    zorgaanbieder ook zorg verlenen aan cliënten uit een andere provincie dan de
                    provincie van vestiging van de zorgaanbieder, als de betreffende provincie ook
                    bij deze zorgaanbieder zorg heeft ingekocht. Als dit niet het geval is, kan deze
                    zorgaanbieder geen zorg voor dergelijke cliënten uitvoeren. De betreffende
                    cliënt zal zijn aanspraak op zorg derhalve slechts tot gelding kunnen brengen
                    bij een zorgaanbieder die hiervoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin
                    hij of zij voorafgaand aan het tot stand komen van de aanspraak duurzaam
                    verbleef. Gedurende de overgangsperiode tot aan invoering van de pxq
                    financiering, is echter een uitzonderingsbepaling (artikel 29) van kracht, die
                    ertoe strekt het bieden van zorg aan cliënten uit een provincie die geen zorg
                    heeft ingekocht bij de zorgaanbieder, onder bepaalde voorwaarden mogelijk te
                    maken. Het zesde lid bepaalt dat Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van het
                    bepaalde in het vijfde lid. Een dergelijke afwijking kan noodzakelijk zijn als
                    gevolg van een nadere uitwerking van de gemaakte landelijke afspraken inzake de
                    overgangsperiode voor de decentralisatie van enkele voorheen landelijk werkende
                    en landelijk gefinancierde zorgaanbieders. Uitgangspunt bij deze afspraken is
                    dat één provincie gedurende deze overgangsperiode optreedt als inkoper en
                    daarmee financier van deze zorgaanbieders ten behoeve van meerdere provincies.
                    De voorwaarden waaronder een dergelijke uitzondering mogelijk is zullen in de
                    subsidiebeschikking worden neergelegd.</al><tussenkop>Artikel 3 Subsidiegrondslag bureau jeugdzorg</tussenkop><al>Dit artikel bevat de grondslag/titel voor de subsidieverlening. Voor
                    financiering komen in aanmerking de taken zoals genoemd in artikel 5 en 10 van
                    de wet. De subsidiëring van de overige taken voortvloeiende uit de wet maakt
                    onderdeel uit van de tarieven voor de taken als bedoeld in artikel 5 en 10 van
                    de wet. In het vierde lid van dit artikel wordt bepaald dat in principe alleen
                    subsidie wordt verleend voor zover de uitvoering van taken betrekking heeft op
                    cliënten afkomstig uit de provincie Flevoland. Het vijfde lid maakt hierop een
                    uitzondering mogelijk. Deze is gedurende een overgangsfase noodzakelijk in
                    verband met de landelijke afspraken over het kader voor de decentralisatie van
                    de voorheen landelijk werkende instellingen die taken van een bureau jeugdzorg
                    uitvoeren. Over de inrichting van deze overgangsfase voor de afzonderlijke
                    instellingen worden nadere afspraken gemaakt tussen de desbetreffende
                    instellingen en provincies. In de subsidiebeschikking zullen de hieruit
                    voortvloeiende aanvullende subsidievoorwaarden worden vastgesteld.</al><tussenkop>Artikel 4 Subsidieaanvraag</tussenkop><al>In het eerste lid is bepaald dat de subsidie voor 1 oktober van het jaar
                    voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, moet worden
                    aangevraagd. In het tweede lid wordt geregeld dat Gedeputeerde Staten
                    vormvoorschriften hieraan kunnen verbinden. In het derde, vierde en vijfde lid
                    van dit artikel is aangegeven welke gegevens de subsidieaanvraag minimaal dient
                    te bevatten. Lid 6 handelt over onvolledigheid van de aanvraag en de daarop te
                    nemen acties. In lid 7 is aangegeven dat bij een eerste aanvraag aanvullende
                    gegevens moeten worden verstrekt. In lid 8 is geregeld dat, indien van de
                    voorwaarden wordt afgeweken, Gedeputeerde Staten als sanctie kunnen besluiten de
                    subsidie lager vast te stellen.</al><tussenkop>Artikel 5 Uitvoeringsprogramma jeugdzorg en maximale omvang
                    subsidiebijdrage</tussenkop><al>De provincie ontvangt een doeluitkering zorgaanbod én een doeluitkering bureau
                    jeugdzorg van het Rijk. De hoogte hiervan wordt jaarlijks in het Landelijk
                    Beleidskader Jeugdzorg, dan wel de landelijke voortgangsrapportage vastgesteld.
                    De doeluitkering en de eventueel door Provinciale Staten uit eigen middelen
                    beschikbaar gestelde bedragen vormen tezamen de hoogte van de beschikbare
                    subsidie. Lid 1 geeft aan dat de maximaal voor subsidiëring van het zorgaanbod
                    of het bureau jeugdzorg beschikbare middelen worden opgenomen in het provinciale
                    uitvoeringsprogramma. In lid 3 is vermeld dat het totaal van de te verlenen
                    subsidies voor bekostigingseenheden of voor door het bureau jeugdzorg uit te
                    voeren taken en functies in geen geval meer bedraagt dan het in het
                    uitvoeringsprogramma vastgelegde maximum.</al><tussenkop>Artikel 6 Verlening van subsidie</tussenkop><al>In de leden 1 en 2 van dit artikel is opgenomen wat minimaal in de beschikking
                    tot subsidieverlening vermeld dient te zijn. In lid 3 is bepaald dat
                    Gedeputeerde Staten uiterlijk op 31 december van het jaar van indiening een
                    besluit nemen. In lid 4 wordt de mogelijkheid geschapen om van deze
                    beslissingstermijn af te wijken. Hiervan dient de aanvrager op de hoogte te
                    worden gesteld.</al><al>Aan de subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden. In lid 6 gaat
                    het om verplichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het
                    met de subsidie nagestreefde doel te verwezenlijken. Lid 7 van artikel 6 heeft
                    betrekking op verplichtingen waarvan niet gezegd kan worden dat zij strekken tot
                    verwezenlijking van het doel van de subsidie. Dit artikellid legt de vereiste
                    wettelijke basis (art. 4:39 Algemene wet bestuursrecht) om dergelijke
                    verplichtingen te kunnen opleggen.</al><tussenkop>Artikel 7 Per boekjaar verstrekte subsidies aan
                    rechtspersonen</tussenkop><al>Artikel 7 verklaart afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van
                    toepassing op de verstrekking van subsidies ingevolge deze verordening. Deze
                    afdeling geeft een meer uitgebreide regeling van het subsidierecht dan de
                    overige afdelingen over subsidies in titel 4.2 van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Toepassing van de afdeling legt de basis om de subsidieontvanger
                    bij verordening te verplichten om voor bepaalde handelingen toestemming te
                    vragen bij de provincie. Afdeling 4.2.8 is niet van toepassing bij het
                    verstrekken van subsidies voor vernieuwingsprojecten, bijzondere doeleinden of
                    wachtgelden.</al><tussenkop>Artikel 8 Administratie</tussenkop><al>In dit artikel zijn de bepalingen opgenomen over het voeren van de
                    administratie. Zo zal het boekjaar samen moeten vallen met het kalenderjaar en
                    zal een betrouwbaar beeld moeten ontstaan over de gegevens van cliënten, de
                    omvang van de uitgevoerde bekostigingseenheden en financiële gegevens.</al><tussenkop>Artikel 9 Verzekeringen</tussenkop><al>Artikel 9 bepaalt dat de zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg aan wie een
                    subsidie is verleend, zorgt voor een voldoende verzekering tegen de gevolgen van
                    wettelijke aansprakelijkheid, diefstal, brand en andere vergelijkbare
                    risico's.</al><tussenkop>Artikel 10 Subsidie-egalisatiereserve</tussenkop><al>Dit artikel handelt over een mogelijk exploitatieoverschot. Dit kan worden
                    toegevoegd aan een egalisatiereserve, nadat de subsidie is vastgesteld. Deze
                    reserve is bedoeld voor het opvangen van diverse risico's, zoals ziektekosten en
                    de kosten die samenhangen met "vergrijzing" van het personeel. In lid 2 wordt
                    omschreven hoe om te gaan met een exploitatietekort, dat resteert na verrekening
                    van de provinciale subsidie. In lid 3 is bepaald dat deze egalisatiereserve
                    maximaal 10% bedraagt van de voor dat jaar vastgestelde provinciale subsidie.
                    Lid 4 geeft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om aanvullende regels over de
                    besteding van de egalisatiereserve te geven.</al><tussenkop>Artikel 11 Onderhoudsvoorziening</tussenkop><al>Alleen die zorgaanbieders of het bureau jeugdzorg die eigenaar zijn van
                    huisvesting behorend bij de uitvoering van bepaalde bekostigingseenheden of
                    taken en activiteiten mogen een reserve aanhouden om in groot onderhoud van die
                    huisvesting te voorzien. Voor huisvesting die gehuurd wordt, mag geen reserve
                    groot onderhoud worden aangehouden.</al><tussenkop>Artikel 12 Vermogensvorming</tussenkop><al>In dit artikel is vastgelegd dat de reserves opgebouwd met provinciale subsidie
                    alleen mogen worden besteed aan kosten die direct verband houden met de
                    uitvoering van de subsidiabele activiteiten welke niet kunnen worden gedekt door
                    de voor dat jaar verleende subsidie.</al><al>Rentetoerekening aan reserves, fondsen en voorzieningen en aan het eigen
                    kapitaal is niet toegestaan. De reden hiervoor is dat de aanwezigheid van deze
                    passiva niet direct gerelateerd is aan bepaalde kosten. Rentetoerekening strookt
                    niet met het principe dat de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk gehouden
                    dienen te worden.</al><al>In lid 3 is bepaald dat indien de subsidieverlening heeft geleid tot
                    vermogensvorming de subsidieontvanger, conform artikel 4:41 lid 2 van de
                    Algemene wet bestuursrecht, in een aantal gevallen een vergoeding verschuldigd
                    is aan Gedeputeerde Staten.</al><al>De wetgever heeft bepaald dat de doeluitkering toereikend moet zijn voor de
                    financiering van de jeugdzorg. In het geval dit niet zo is en Provinciale Staten
                    genoodzaakt zijn autonome provinciale middelen in te zetten, dan is bepaald in
                    lid 6 dat het uitgangspunt is dat deze middelen volledig voor het uitvoeren van
                    wettelijk taken worden ingezet. Derhalve is het niet toegestaan dat met deze
                    middelen vermogen wordt gevormd.</al><tussenkop>Artikel 13 Afschrijvingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt aangegeven met welke afschrijvingstermijnen gerekend moet
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 14 De aanvraag tot vaststelling</tussenkop><al>De aanvraag tot vaststelling van de subsidie dient uiterlijk 1 april van het
                    jaar, volgend op het jaar waarover subsidie is verleend, door de
                    subsidieontvanger te zijn ingediend bij Gedeputeerde Staten. Hierbij dient te
                    worden overgelegd een inhoudelijke en financiële verantwoording over de
                    besteding van de subsidie. Indien van de voorwaarden wordt afgeweken kunnen
                    Gedeputeerde Staten als sanctie besluiten de subsidie lager vast te
                    stellen.</al><tussenkop>Artikelen 15 en 16 De inhoudelijke verantwoording</tussenkop><al>Deze artikelen geven aan waaraan het inhoudelijk verslag minimaal dient te
                    voldoen. De leden 3, 4 en 5 van beide artikelen bepalen dat Gedeputeerde Staten
                    gegevens kunnen vragen omtrent de uitgevoerde activiteiten waarvoor subsidie is
                    verleend of omtrent activiteiten die van invloed zijn op de met provinciaal
                    subsidie gefinancierde activiteiten. In lid 5 wordt bepaald dat Gedeputeerde
                    Staten nog aanvullende regels kunnen vaststellen over de inhoudelijke
                    verantwoording.</al><tussenkop>Artikel 17 De financiële verantwoording</tussenkop><al>Artikel 17 regelt aan welke voorwaarden de financiële verantwoording minimaal
                    dient te voldoen en uit welke onderdelen deze bestaat. Tevens wordt bepaald dat
                    deze verantwoording moet worden voorzien van een accountantsverklaring. De
                    jaarrekening van de subsidieontvanger moet voldoen aan de ministeriële
                    richtlijnen. Het eerste lid, onder h geeft nadrukkelijk aan dat de te
                    verstrekken informatie over de gerealiseerde bekostigingseenheden door
                    zorgaanbieders slechts betrekking heeft op die bekostigingseenheden waarvoor
                    door het bureau jeugdzorg Flevoland een daartoe strekkend indicatiebesluit is
                    vastgesteld. Uitgevoerde zorg waaraan geen geldig indicatiebesluit ten grondslag
                    ligt, komt niet voor subsidiëring in aanmerking. Aangegeven wordt dat alleen die
                    bekostigingseenheden in de verantwoording worden opgenomen waarop het te
                    verantwoorde subsidie betrekking heeft. Dit betekent onder meer dat alleen die
                    eenheden worden meegenomen die zijn uitgevoerd voor cliënten uit de provincie
                    die de subsidie heeft verleend, danwel bekostigingseenheden die op grond van de
                    overgangsregeling van artikel 29, lid 3 zijn uitgevoerd. Onderdeel h geeft aan
                    dat alle op basis van een indicatie uitgevoerde bekostigingseenheden worden
                    opgenomen, gespecificeerd naar de in het kader van de subsidiëring onderscheiden
                    eenheden. Onderdeel i bepaalt dat de bekostigingseenheden die specifiek op grond
                    van artikel 29, lid 3 zijn uitgevoerd ten behoeve van cliënten uit andere
                    provincies, ook separaat in de verantwoording worden opgenomen. Dit uiteraard
                    alleen in geval deze bekostigingseenheden ten laste worden gebracht van het door
                    de provincie Flevoland gefinancierde zorgaanbod. De betreffende
                    bekostigingseenheden worden gespecificeerd naar de onderscheiden
                    bekostigingseenheden. Tevens wordt het totaal aantal cliënten aangegeven voor
                    wie deze bekostigingseenheden zijn uitgevoerd. In onderdeel j van het eerste lid
                    is aangegeven dat in de verantwoording wordt aangegeven welke feitelijke
                    kostprijs de zorgaanbieder in het betreffende jaar heeft gerealiseerd voor de
                    onderscheiden bekostigingseenheden. Deze informatie is van belang in het kader
                    van de actualisatie van de landelijke normbedragen die door het Rijk worden
                    gehanteerd bij de vaststelling van de doeluitkering zorgaanbod aan provincies.
                    Ook biedt deze informatie de provincie inzicht in de feitelijke ontwikkeling van
                    de kostprijzen van de zorgaanbieder. In het kader van haar verantwoordelijkheid
                    voor een zo efficiënt en effectief mogelijke besteding van de doeluitkering
                    zorgaanbod, kan de provincie deze informatie betrekken bij de subsidiëring in
                    volgende jaren. Het aantal bekostigingseenheden waarvoor in het betreffende jaar
                    een indicatiebesluit is genomen maakt onderdeel uit van de verantwoording van
                    het bureau jeugdzorg (eerste lid, onder m). Dit onderdeel is opgenomen teneinde
                    de provincie te doen beschikken over de noodzakelijke gegevens voor de aanvraag
                    van de doeluitkering zorgaanbod bij het Rijk voor de volgende jaren. In verband
                    hiermee heeft de accountantsverklaring als bedoeld in het derde lid en onderdeel
                    g van het eerste lid eveneens betrekking op deze gegevens. Deze gegevens zijn
                    tevens noodzakelijk voor het zodanig door de provincie inkopen van zorg bij
                    zorgaanbieders dat hiermee optimaal wordt aangesloten op de afgegeven
                    indicatiebesluiten van het bureau jeugdzorg. In onderdeel n wordt bepaald dat
                    het bureau jeugdzorg tevens informatie verschaft omtrent het aantal gestelde
                    indicaties die gedurende het verantwoordingsjaar zijn verzilverd bij een daartoe
                    niet door de provincie Flevoland gefinancierde zorgaanbieder. Gedeputeerde
                    Staten kunnen voorts nog aanvullende regels vaststellen over de financiële
                    verantwoording.</al><tussenkop>Artikel 18 Manier van vaststelling van de subsidie</tussenkop><al>Binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling beslissen
                    Gedeputeerde Staten over de aanvraag. Gedeputeerde Staten kunnen van genoemde
                    termijn afwijken. De aanvrager wordt hiervan in kennisgesteld. Gedeputeerde
                    Staten bepalen of de ingediende verantwoordingen aan de voorschriften voldoen.
                    Gedeputeerde Staten kunnen de subsidie lager vaststellen dan het verleende
                    bedrag wanneer niet is voldaan aan de bepalingen van de wet of dit besluit. Dit
                    zal beargumenteerd geschieden. De vaststelling van de subsidie geschiedt op ten
                    hoogste het maximaal verleende subsidiebedrag. In onderdeel f van het vierde lid
                    is aangegeven de wijze van vaststelling van de subsidie van de zorgaanbieder,
                    zoals weergegeven in paragraaf 1.3 van het algemene deel van deze toelichting.
                    Door deze wijze van vaststelling van de subsidie maakt het voor de zorgaanbieder
                    mogelijk om - binnen de maximaal beschikbaar gestelde subsidie &#x96; bij de
                    uitvoering van de gesubsidieerde eenheden te schuiven tussen de verschillende
                    eenheden. Indien gedurende het jaar blijkt dat door cliënten vaker een beroep
                    wordt gedaan op uitvoering van een bepaalde eenheid dan de daarvoor in de
                    subsidietoekenning voorziene mogelijkheden, kan deze zorg door de zorgaanbieder
                    toch worden geboden indien het beroep op andere eenheden achterblijft bij de
                    omvang als waarin in de subsidietoekenning was voorzien. Deze flexibiliteit voor
                    de zorgaanbieder in combinatie met de wettelijke zorgplicht biedt daarmee de
                    maximale mogelijkheid om te voorzien in een op de vraag afgestemde ontwikkeling
                    van het zorgaanbod gedurende het betreffende jaar. Bij de vaststelling van de
                    subsidie zullen de feitelijk gerealiseerde aantallen bekostigingseenheden worden
                    vermenigvuldigd met het in de toekenning vastgestelde tarief. De som van deze
                    bedragen vormt de basis voor de vaststelling van de totale subsidie ten behoeve
                    van eenheden. Bekostigingseenheden waarvoor in de subsidietoekenning in het
                    geheel geen subsidie is toegekend, zullen hierbij niet betrokken kunnen worden.
                    In onderdeel g van het vierde lid is aangegeven de wijze van vaststelling van de
                    subsidie van het bureau jeugdzorg, zoals weergegeven in paragraaf 1.3 van het
                    algemene deel van deze toelichting. Door deze wijze van vaststelling van de
                    subsidie bestaat de mogelijkheid voor het bureau jeugdzorg om - binnen de kaders
                    van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven en de maximaal toegekende
                    subsidie - de aanwending van subsidiemiddelen zodanig te schuiven tussen de
                    onderscheiden taken - dat hiermee zo optimaal mogelijk wordt aangesloten op de
                    behoefte(ontwikkeling) ten aanzien van de onderscheiden taken. Dit met
                    uitzondering van de taak als bedoeld in artikel 10 derde lid van de wet, gericht
                    op versterking van de voorliggende voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 19 Voorschotbetalingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt geregeld dat Gedeputeerde Staten de verleende subsidie als
                    voorschot kunnen uit betalen. In de beschikking tot subsidieverlening zullen de
                    regels hierover worden vermeld.</al><tussenkop>Artikel 20 en 21 Toestemming handelingen waaronder
                    huisvesting</tussenkop><al>Artikel 20 bepaalt dat de subsidieontvanger voor een aantal handelingen, genoemd
                    in artikel 4:71 van de Algemene wet bestuursrecht, toestemming moet vragen aan
                    Gedeputeerde Staten. De handelingen waarvoor de subsidieontvanger op basis van
                    artikel 4:71 toestemming behoeft zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> het oprichten dan wel deelnemen in een rechtspersoon;</al></li><li nr="b. "><al>het wijzigen van de statuten;</al></li><li nr="c."><al> het in eigendom verwerven, het vervreemden of bezwaren van
                            registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van
                            subsidiegelden, dan wel de lasten mede worden bekostigd uit
                            subsidiegelden;</al></li><li nr="d."><al> het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging,
                            vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur of pacht
                            daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door
                            middel van de subsidie danwel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd
                            uit de subsidie;</al></li><li nr="e."><al> het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van
                            geldlening;</al></li><li nr="f."><al> het vormen van fondsen en reserves;</al></li><li nr="g. "><al>het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidieontvanger
                            in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te
                            verrichten prestaties;</al></li><li nr="h."><al> het ontbinden van de rechtspersoon;</al></li><li nr="i. "><al>het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van
                            surséance van betaling.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 22 Wachtgelden en andere financiële tegemoetkomingen</tussenkop><al>De door de provincie aan de zorgaanbieders en het bureau jeugdzorg ter
                    beschikking gestelde middelen zijn nadrukkelijk bestemd voor het verlenen van
                    jeugdzorg aan zoveel mogelijk (en gezien het recht op jeugdzorg in principe
                    alle) geïndiceerden en het uitvoeren van de taken van het bureau jeugdzorg.
                    Derhalve moet voorkomen worden dat uit de lopende exploitatie een bovenmatig
                    deel van deze middelen wordt besteed aan de in dit artikel genoemde financiële
                    tegemoetkomingen. Deze bepaling geldt ook voor door de Kantonrechter in het
                    kader van een ontslagprocedure toe te kennen vergoedingen.</al><tussenkop>Artikel 23 Experimenten</tussenkop><al>Dit artikel houdt de voorwaarden in voor subsidieverlening voor uit te voeren
                    experimenten. Voor voorschotbetaling en subsidievaststelling wordt verwezen naar
                    de betreffende artikelen in deze regeling.</al><tussenkop>Artikel 24 Wachtgelden en vergoedingen</tussenkop><al>Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om wachtgelden afzonderlijk te subsidiëren.
                    Dit zal het geval kunnen zijn wanneer om redenen zoals genoemd in het eerste lid
                    de uitvoering van de jeugdzorg in gevaar komt. Het is dan wel van belang dat
                    Gedeputeerde Staten hiervan tijdig in kennis worden gesteld en betrokken worden
                    bij de onderhandelingen over de hoogte van de wachtgelden.</al><tussenkop>Artikel 25 Steunfunctie</tussenkop><al>Dit artikel regelt dat Gedeputeerde Staten een subsidie kunnen verlenen aan een
                    rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid voor de uitvoering van een
                    steunfunctie van bureau jeugdzorg of de zorgaanbieders. Deze rechtspersoon
                    behoeft uitdrukkelijk niet bureau jeugdzorg of een zorgaanbieder te zijn, maar
                    kan een andere rechtspersoon zijn, welke de steunfunctie uitvoert ten behoeve
                    van bureau jeugdzorg of zorgaanbieder.</al><tussenkop>Artikel 26 Vertrouwenspersoon</tussenkop><al>Gedeputeerde Staten verlenen aan een rechtspersoon met volledige
                    rechtsbevoegdheid subsidie voor de werkzaamheden van een vertrouwenspersoon.
                    Deze voert werkzaamheden uit ten behoeve cliënten van de zorgaanbieder of het
                    bureau jeugdzorg. Deze rechtspersoon behoeft uitdrukkelijk niet de zorgaanbieder
                    of het bureau jeugdzorg zelf te zijn, maar kan een andere rechtspersoon zijn,
                    welke de vertrouwenspersoon beschikbaar stelt ten behoeve van cliënten van de
                    zorgaanbieder of het bureau jeugdzorg. Op grond van de wet zijn de zorgaanbieder
                    en het bureau jeugdzorg gehouden deze vertrouwenspersonen in staat te stellen
                    hun werkzaamheden uit te voeren.</al><tussenkop>Artikel 27 Noodfonds</tussenkop><al>Gedeputeerde Staten kunnen een deel van de doeluitkering zorgaanbod bestemmen
                    voor het oplossen van acute noodsituaties. Gedeputeerde Staten kunnen in een
                    uitvoeringsregeling nadere regels stellen voor de inzet van dit flexibele
                    budget.</al><tussenkop>Artikel 28 Uitvoeringsregeling</tussenkop><al>Gedeputeerde Staten kunnen zonodig een uitvoeringsregeling vaststellen. Hierin
                    kan een nadere uitwerking van deze regeling worden opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 29 Overgangsregeling</tussenkop><al>Bureau jeugdzorg Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op
                    de Jeugdzorg is nog geen sprake van door de minister vastgestelde normbedragen
                    voor de taken van het bureau jeugdzorg. Dit betekent dat in de subsidiëring van
                    het bureau door de provincie hierop nog niet kan worden aangesloten. Het
                    onderhavige artikel regelt het overgangsrecht dat hierdoor noodzakelijk is. Het
                    eerste lid bepaalt dat gedurende deze overgangsperiode Gedeputeerde Staten in
                    afwijking van het bepaalde in artikel 3 tarieven kunnen vaststellen die
                    aansluiten op de subsidiegrondslag zoals door hen gehanteerd in het jaar
                    voorafgaand aan inwerkingtreding van de wet. Dit betekent eveneens dat de taken
                    waarop deze tarieven betrekking hebben zullen aansluiten bij deze
                    subsidiegrondslag. Voor wat betreft de taken van het Advies- en Meldpunt
                    Kindermishandeling zijn eveneens sinds enige jaren voorlopige landelijke normen
                    overeengekomen. Ten aanzien van de taken in het kader van de uitvoering van
                    maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering kan worden aangesloten op
                    de daarvoor door de Minister van Justitie gehanteerde tarieven voorafgaand aan
                    de inwerkingtreding van de wet, zonodig geactualiseerd ingevolge de wet. Voor
                    wat betreft de taken gericht op versterking van het lokale jeugdbeleid is geen
                    sprake van een vorm van normering. Gedeputeerde Staten kunnen in de wijze van
                    vaststelling van de subsidie aansluiten op de subsidiepraktijk terzake in het
                    jaar voorafgaande aan de wet.</al><al>Zorgaanbod Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de Wet op de
                    jeugdzorg zal naar verwachting nog geen sprake zijn van landelijke normbedragen
                    voor de onderscheiden bekostigingseenheden. Ook kan invoering van andere
                    noodzakelijke aspecten voor de financiering van bekostigingseenheden op dat
                    moment nog onmogelijk zijn gebleken. Dit betekent dat in de subsidiëring van het
                    zorgaanbod door de provincie hierop nog niet kan worden aangesloten. Het
                    onderhavige artikel regelt in het tweede lid het overgangsrecht dat hierdoor
                    noodzakelijk is.</al><al>Ten behoeve van de subsidiëring in het eerste twee jaar na inwerkingtreding van
                    de wet, kunnen Gedeputeerde Staten daarom afwijkende tarieven vaststellen voor
                    de subsidiëring van het zorgaanbod. Bepaald wordt dat daarbij wordt aangesloten
                    op de subsidiegrondslag voor het jaar voorafgaand aan invoering van de wet. Dit
                    betekent dat de te hanteren tarieven aan zullen sluiten op de tarieven en de
                    bekostigingseenheden zoals gehanteerd op basis van de systematiek zoals die
                    voorafgaand aan de wet door de provincie is gehanteerd.</al><al>Gedurende de eerste twee jaar na inwerkingtreding van de wet, wordt de
                    doeluitkering zorgaanbod door het Rijk gefinancierd op basis van de in de
                    Rijksbegroting beschikbare middelen voor de jeugdzorg. De verdeling tussen
                    provincies is deels op historische basis gebaseerd. In de Rijksbegroting is
                    tevens een zekere groei van de middelen voorzien. Echter, er zal gedurende deze
                    periode nog geen sprake zijn van invoering van een vraaggestuurde financiering
                    op basis van de benodigde hoeveelheid jeugdzorg (pxq). In verband hiermee zal
                    gedurende deze periode veelal nog sprake zijn van een voor het zorgaanbod
                    beschikbare budget per provincie dat nog niet is afgestemd op de behoefte per
                    provincie. In verband hiermee is het wenselijk dat cliënten in
                    uitzonderingsgevallen hun aanspraak op jeugdzorg ook kunnen verzilveren bij een
                    zorgaanbieder die daartoe niet wordt gefinancierd door de provincie waaruit de
                    cliënt afkomstig is. Dit artikel strekt ertoe dit mogelijk te maken gedurende de
                    periode waarin de zogenaamde pxq financiering van de doeluitkering het
                    zorgaanbod nog niet is ingevoerd. Op grond van het Bestuursakkoord Financieel
                    Kader Wet op de jeugdzorg zal een dergelijke financiering met ingang van 1
                    januari 2007 van kracht moeten zijn.</al><al>Binnen het door de provincie Flevoland bekostigde volume aan jeugdzorg mag een
                    zorgaanbieder tot genoemde datum tevens jeugdzorg bieden aan jeugdigen afkomstig
                    uit een andere provincie. Daarbij geldt een aantal restricties.</al><lijst><li nr="1."><al> In de eerste plaats dient het bureau jeugdzorg van de provincie waaruit
                            de jeugdige afkomstig is, hiertoe een indicatiebesluit te hebben
                            vastgesteld.</al></li><li nr="2."><al> In de tweede plaats dient het betreffende bureau jeugdzorg te hebben
                            vastgesteld dat sprake is van één van de volgende situaties: </al><lijst><li nr="a."><al> de geïndiceerde jeugdzorg, alsmede het eventueel vervangende
                                    jeugdzorgaanbod, kan niet </al><al/><al> binnen dertien weken worden geleverd door een zorgaanbieder die
                                    door de provincie van </al><al/><al> herkomst van de cliënt daartoe wordt gefinancierd</al></li><li nr="b."><al> zorgverlening door een zorgaanbieder die niet door de provincie
                                    van herkomst van de cliënt wordt gefinancierd maakt het mogelijk
                                    de zorg dichter bij de plaats waar de cliënt voorafgaand aan de
                                    jeugdzorg verbleef, te bieden.</al><al/><al> Een dergelijke vaststelling dient door de zorgaanbieder
                                    desgewenst aantoonbaar te zijn.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> In de derde plaats dient de betreffende zorgaanbieder door de provincie
                            Flevoland gefinancierd te worden voor de in het indicatiebesluit
                            vastgestelde bekostigingseenheid, wil deze subsidiabel zijn bij de
                            zorgaanbieder. Indien bijvoorbeeld een cliënt uit een andere provincie
                            is geïndiceerd voor pleegzorg, dan is deze zorg niet subsidiabel binnen
                            de door de provincie Flevoland beschikbaar gestelde subsidie, indien de
                            subsidie geen betrekking heeft op het bieden van pleegzorg.</al></li><li nr="4."><al> In de vierde plaats is het verlenen van jeugdzorg aan cliënten
                            afkomstig uit een andere provincie slechts subsidiabel op grond van deze
                            verordening, voor zover daarmee niet meer dan tien procent is gemoeid
                            van het totaal per zorgaanbieder voor de uitvoering van
                            bekostigingseenheden door de provincie Flevoland toegekende subsidie. </al><al/><al> Voor de goede orde zij vermeld dat, met inachtneming van het hiervoor
                            gestelde, aanspraken van cliënten afkomstig uit andere provincies, voor
                            het overige op dezelfde wijze worden behandeld als aanspraken van
                            cliënten uit de provincie Flevoland. Dit betekent dat op dergelijke
                            aanspraken dezelfde prioritering van toepassing is in geval van
                            bijvoorbeeld wachtlijsten, als voor aanspraken van cliënten afkomstig
                            uit de provincie Flevoland.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 30 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel geeft een algemene uitzonderingsmogelijkheid op het bepaalde in deze
                    verordening. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan slechts gebruik maken indien
                    hiertoe naar haar oordeel dringende redenen aanwezig zijn.</al><tussenkop>Artikel 31 Slotbepalingen</tussenkop><al>In dit artikel wordt bepaald dat Gedeputeerde Staten beslissen in gevallen
                    waarin deze regeling niet voorziet. De ingangsdatum en benaming van deze
                    regeling zijn in de leden 2 en 3 opgenomen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>