<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73809_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijk Financieel toezichtskader Zichtbaar toezicht</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Brief, 2008, 671360</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gemeenschappelijk Financieel toezichtskader Zichtbaar toezicht</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-05-27</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-05-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>brief 671360</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financieel kader</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt het beleidskader financieel toezicht.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijk Financieel toezichtskader Zichtbaar toezicht</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De provincie stelt het Gemeenschappelijk Financieel toezichtskader Zichtbaar
                        toezicht vast:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><paragraaf><kop><titel>1. Inleiding </titel></kop><artikel><kop><titel>1.1 Doel toezichtkader</titel></kop><al>Het financieel toezicht op de provincies en gemeenten wordt
                                uitgeoefend door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties (BZK), respectievelijk gedeputeerde staten. Met
                                het toezicht wordt beoogd een gezonde financiële situatie bij
                                gemeenten/provincies te bevorderen. Hiermee wordt een situatie
                                bedoeld dat een gemeente kan voortbestaan zonder een beroep te
                                hoeven doen op middelen van de collectiviteit van de gemeenten (via
                                artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet) en niet onder curatele
                                wordt gesteld of dat een provincie in de financiële problemen komt
                                (er is geen artikel 12 voor provincies). Tevens wordt door het
                                toezicht de kredietwaardigheid van de gemeenten bevorderd.</al><al>Er zijn dus 13 toezichthouders. Deze toezichthouders maken
                                gezamenlijk afspraken over de wijze waarop het toezicht invulling
                                wordt gegeven binnen het wettelijk kader. De minister van BZK heeft
                                hierbij tevens een rol als systeemverantwoordelijke voor de
                                financiële verhoudingen. De afspraken worden gemaakt ter bevordering
                                van de transparantie voor met name de onder toezichtstaanden, maar
                                ook voor de toezichthouders onderling en voor de minister van
                                BZK.</al><al>In dit toezichtkader zijn deze gezamenlijke afspraken vastgelegd.
                                Deze afspraken geven de ruimte aan waarbinnen financieel toezicht
                                zich beweegt. Het betreft de toezichtnormen die voor alle 13
                                toezichthouders gelden. Naast deze normen bevat dit toezichtkader
                                ook een gemeenschappelijk beeld van de positie en rol van de
                                toezichthouder ten opzichte van de andere betrokkenen bij de
                                financiële functie. Aangeduid wordt wat de onder toezichtstaanden
                                van de toezichthouder kunnen c.q. mogen verwachten. Voorts wordt een
                                overzicht gegeven van de relaties tussen met name de raad en de
                                accountant en de toezichthouder. Dit is vooral belangrijk omdat
                                diverse relaties en rollen met de dualisering veranderd zijn. Het is
                                voor de onder toezichtstaanden en de toezichthouders zelf van
                                wezenlijk belang dat het duidelijk is wat een toezichthouder wel en
                                niet doet.</al><al>Dit gemeenschappelijk toezichtkader kan door elke toezichthouder
                                afzonderlijk worden vertaald naar een eigen toezichtkader. Het
                                bestaan van dit eigen kader en de inhoud ervan wordt aan alle onder
                                toezichtstaanden bekend gemaakt. Het gemeenschappelijk toezichtkader
                                wordt daarom niet actief door BZK onder de gemeenten verspreid, maar
                                is wel te downloaden vanaf internet (www.minbzk.nl). BZK als
                                toezichthouder van de provincies verspreidt dit toezichtkader wel
                                onder de provincies.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.2 Waarom een nieuw gemeenschappelijk toezichtkader?</titel></kop><al>Er hebben veel veranderingen plaatsgevonden die relevant zijn voor
                                het financieel toezicht. In de eerste plaats betreft het
                                veranderingen binnen de financiële functie van gemeenten, met name
                                vanwege de dualisering. De rolverdeling tussen college en raad is
                                veranderd en verduidelijkt. Tegelijkertijd is de kaderstellende en
                                controlerende rol van de raad versterkt. Dit geldt ook voor de
                                financiële functie. Het Besluit begroting en verantwoording
                                provincies en gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole
                                provincies en gemeenten zijn belangrijke voorbeelden van hoe via
                                regelgeving de rol van de raad wordt versterkt. De rol van de
                                toezichthouder dient goed aan te sluiten op die van de raad. Het is
                                daarom belangrijk bij de veranderingen stil te staan en de rol van
                                de toezichthouder weer optimaal te laten aansluiten. In de tweede
                                plaats, en met voorgaande samenhangend, hebben er de laatste jaren
                                diverse veranderingen plaatsgevonden binnen het toezicht. Financieel
                                toezicht is oorspronkelijk gericht op de sluitendheid van de
                                begroting. Samenhangend met ontwikkelingen bij gemeenten zal het
                                financieel toezicht zich steeds meer gaan richten op de langere
                                termijn en de duurzaamheid van het financieel beleid. In de derde
                                plaats staat de rol van de overheid in het algemeen ter discussie.
                                Minder regels en een scherpere afbakening van verantwoordelijkheden
                                moet leiden tot een andere overheid.</al><al> 1. voor de leesbaarheid wordt hier verder gesproken over gemeenten
                                (ondertoezichtstaanden) en gedeputeerde staten (toezichthouders).
                                Uiteraard is de tekst ook van toepassing op provincies en de
                                minister van BZK als toezichthouder. Indien er voor provincies iets
                                anders geldt dan voor gemeenten wordt dit wel afzonderlijk genoemd. </al><al><vet>Van BBV naar Gemeentewet</vet></al><al>Een aantal veranderingen in de financiële functie, opgenomen in het
                                BBV, is met ingang van begrotingsjaar 2004 van kracht geworden. Een
                                deel van deze veranderingen, zoals de verplichte paragrafen in de
                                begroting, zijn van dusdanig belang gevonden dat voorgesteld is deze
                                op te nemen in de Gemeentewet. Het gaat hierbij dus niet om nieuwe
                                ontwikkelingen, maar om de versterking van bestaande
                                ontwikkelingen.</al><al><vet>Pilots Toezicht en Wetsvoorstel Duurzaam Financieel
                                    Evenwicht</vet></al><al>De afgelopen jaren is er veel gediscussieerd over financieel
                                toezicht en hebben er diverse ontwikkelingen plaatsgevonden binnen
                                het toezicht. Dit alles heeft ertoe geleid dat bij twee provincies
                                pilots op het terrein van het toezicht worden gehouden, namelijk in
                                Noord-Brabant (verkenning sterke vermindering financieel toezicht)
                                en Limburg (verkenning meerjarig toezicht; een principe-uitspraak
                                over de toezichtvorm geldend voor vier jaar waarbij vrijkomende
                                capaciteit wordt ingezet ten behoeve van de gemeenten). Daarnaast is
                                een wetsvoorstel voorbereid om een nieuw toezichtcriterium in de
                                Gemeentewet op te nemen, namelijk duurzaam financieel evenwicht. In
                                een bestuurlijk overleg op 5 december 2005 tussen de gedeputeerden
                                toezicht van de provincies en de minister van BZK is besloten het
                                wetsvoorstel nog niet bij de Tweede Kamer in te dienen. Het
                                wetsvoorstel wordt aangehouden tot het moment dat de pilots zijn
                                geëvalueerd (2010).</al><al>Het criterium ‘duurzaam financieel evenwicht’ zal dan vermoedelijk
                                op termijn het criterium van sluitendheid van de begroting
                                vervangen. Het grootste verschil tussen beide criteria is dat
                                duurzaam financieel evenwicht op meerdere jaren slaat; niet de
                                begroting voor het komende jaar, maar het integrale beeld van
                                begroting en meerjarenraming is leidend voor het oordeel van de
                                toezichthouder. Het nieuwe toezichtcriterium sluit beter aan bij
                                zowel de ontwikkelingen van de financiële functie van de onder
                                toezichtstaanden als bij het financieel toezicht zoals zich dat
                                geleidelijk aan in de loop van de tijd heeft ontwikkeld. Het
                                substantiële verschil is dat er bij het nieuwe toezichtcriterium
                                nadrukkelijker wordt gekeken naar de meerjarenraming en de risico’s
                                in relatie tot de financiële positie, zoals aangegeven in de
                                zogenaamde paragrafen.</al><al>Aanhouding van het wetsvoorstel heeft in beginsel geen gevolgen voor
                                dit toezichtkader omdat een groot deel van dit kader ook onder de
                                huidige wetgeving van toepassing is. In bijlage 1 zijn de artikelen
                                uit de bestaande Gemeentewet/Provinciewet opgenomen en in bijlage 2
                                de artikelen uit het wetsvoorstel inclusief de mogelijke implicaties
                                voor het financieel toezicht. In de tussenliggende jaren zullen de
                                financieel toezichthouders wel al toetsen op de toepassing van het
                                criterium ‘duurzaam financieel evenwicht’, zonder inzet van de in de
                                wetsvoorstellen voorziene extra sanctiemogelijkheden.</al><al><vet>Zichtbaar toezicht</vet></al><al>Dit toezichtkader heet ‘zichtbaar toezicht’, omdat het meer dan de
                                vorige kaders een volledig beeld geeft van wat de relaties
                                toezichthouder – onder toezichtstaande zijn, welke positie de
                                toezichthouder inneemt ten aanzien van bijvoorbeeld de accountant en
                                ook omdat aangegeven wordt wat de toezichthouder voor meerwaarde kan
                                hebben voor de onder toezichtstaande; welke informatie de
                                toezichthouder, op geaggregeerd niveau, weer teruggeeft aan de onder
                                toezichtstaanden.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.3 Toekomstige ontwikkelingen</titel></kop><al>Betekent dit toezichtkader nu dat het voorlopig rustig is op het
                                gebied van de ontwikkeling met betrekking tot het financieel
                                toezicht? Een van de lessen die geleerd kan worden uit de
                                ontwikkelingen van financieel toezicht van de afgelopen jaren is dat
                                toezicht meebeweegt met ontwikkelingen in de maatschappij.
                                Veranderingen bij bijvoorbeeld de financiële functie van provincies
                                en gemeenten betekenen in feite dat bezien moet worden of deze
                                veranderingen implicaties hebben voor het financieel toezicht. Het
                                is uiteraard het streven van het Rijk om de regelgeving niet
                                nodeloos te veranderen. Feit is echter dat ontwikkelingen zich de
                                laatste decennia in redelijk rap tempo hebben voorgedaan. Mogelijke
                                toekomstige ontwikkelingen relevant voor financieel toezicht die nu
                                reeds bekend zijn, zijn de evaluatie van de Wet financiering
                                decentrale overheden (Wet fido) die tot veranderingen kan leiden,
                                evenals het voorstel tot afschaffing van het financiële toezicht op
                                de gemeenschappelijke regelingen. Voorts zal de Commissie Oosting in
                                de loop van 2007 het eindrapport uitbrengen over de doorlichting van
                                het interbestuurlijk toezicht, waarna het kabinetsstandpunt zal
                                worden geformuleerd.</al><al>Toezicht blijft de komende jaren dus waarschijnlijk in beweging. Het
                                streven is een zo goed mogelijke aansluiting tussen ontwikkelingen
                                en toezicht en een zo duidelijke en snel mogelijke communicatie
                                richting onder toezichtstaanden. Jaarlijks zal worden bezien of
                                bijstelling van dit toezichtkader nodig is. Zo ja, dan wordt de
                                versie op de website van BZK vervangen door een nieuwe versie. De
                                provinciaal toezichthouder zal aan de gemeenten een brief sturen
                                waarin de veranderingen in haar beleidskader worden opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><titel>1.4 Inhoud toezichtkader</titel></kop><al>In dit toezichtkader wordt in hoofdstuk 2 aangegeven waar het
                                financieel toezicht zich wel en waar het financieel toezicht zich
                                niet op richt. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de diverse criteria
                                en normen waaraan de toezichthouder toetst (bijvoorbeeld
                                inzendtermijnen en structurele lasten niet dekken door incidentele
                                baten). In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op wat er gebeurt als de
                                toezichthouder financiële problemen constateert, daarbij wordt
                                aandacht besteed aan bijvoorbeeld het overleg dat vooraf gaat aan
                                preventief toezicht, maar ook aan wat er gebeurt als een gemeente
                                onder preventief toezicht staat en hoe bezwaar en beroep werkt.
                                Hoofdstuk 5 gaat verder in op wat de toezichthouder aan algemene
                                informatie te bieden heeft. Er wordt ingegaan op producten van de
                                toezichthouder richting gemeenten en op wat wordt teruggekoppeld
                                naar de minister van BZK voor zijn systeemverantwoordelijkheid. De
                                hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten onderwerpen waar de
                                toezichthouder ook een rol heeft, maar niet direct vanuit het
                                begrotingstoezicht dat voorop staat in de hoofdstukken 1 tot en met
                                5. Hoofdstuk 6 bevat de indemniteitsprocedure, hoofdstuk 7 het
                                toezicht op gemeenschappelijke regelingen, hoofdstuk 8 de rol van de
                                toezichthouder bij ontheffingen OZB, hoofdstuk 9 het toezicht vanuit
                                de Wet fido, hoofdstuk 10 de goedkeuring van deelnemingen, hoofdstuk
                                11 het toezicht vanwege herindeling en hoofdstuk 12 sluit af met de
                                rol van de toezichthouder bij Informatie voor derden. Alle
                                hoofdstukken, uitgezonderd hoofdstuk 11, zijn ook van toepassing op
                                gemeenschappelijke regelingen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Deel I begrotingstoezicht </titel></kop><paragraaf><kop><titel>2 Plaatsbepaling toezichthouder</titel></kop><artikel><kop><titel>2.1 Inleiding</titel></kop><al>In dit kader worden scherper dan voorheen de verantwoordelijkheden
                                van toezichthouders en onder toezichtstaanden afgebakend. Dit omdat
                                dat past bij het duale stelsel, waar rollen weer opnieuw zijn
                                gedefinieerd. Ook past dit bij trajecten zoals de andere overheid
                                waar nog eens goed gekeken wordt naar welke regels er zijn en
                                waarom. Financieel toezicht is in de rondetafelconferenties najaar
                                2003/voorjaar 2004 nog eens bediscussieerd. Globale constatering is
                                dat het doel van toezicht niet verandert (zie 2.2), maar dat het
                                criterium aanpassing aan al ingezette ontwikkelingen behoeft. Ook
                                worden enkele bepalingen rond financieel toezicht aangepast om de
                                verantwoordelijkheden duidelijker af te bakenen.</al><al>In de volgende paragrafen wordt daarom ingegaan op het doel van
                                toezicht, het criterium en de relatie met de diverse partijen in de
                                gemeente. Hieronder wordt eerst stilgestaan bij wat toezicht,
                                controle en verantwoording is. Verantwoording en controle vinden
                                plaats in de horizontale keten. Verantwoording afleggen wil zeggen
                                dat een persoon of instantie die met de uitvoering van een taak is
                                belast actief duidelijk maakt en toelicht hoe hij deze taak vervuld
                                heeft. Dat vergt onder meer het transparant maken van de resultaten
                                van uitgevoerd beleid. Toezicht is het verzamelen van informatie
                                door de toezichthouder over de vraag of een handeling of zaak
                                voldoet aan de daartoe gestelde eisen, het zich daarna vormen van
                                een oordeel daarover en het eventueel naar aanleiding daarvan
                                interveniëren. Het financieel toezicht is extern en vindt plaats in
                                de verticale keten en wordt vooral uitgeoefend om mogelijke
                                onevenwichtigheden voortijdig te signaleren. Voor de uitoefening van
                                het financieel toezicht, waarbij enkele jaren vooruit wordt gekeken,
                                zijn diverse interventie-instrumenten beschikbaar. Gesteld kan
                                worden dat de horizontale verantwoordingsketen en de verticale
                                toezichtketen complementair zijn aan elkaar. Cruciaal onderscheid
                                tussen verantwoording enerzijds en controle en toezicht anderzijds
                                is dat degene die verantwoording aflegt ook degene is die het beleid
                                heeft uitgevoerd. De toezichthouder, accountant en rekenkamer zijn
                                nooit verantwoordelijk voor het beleid of de uitvoering ervan.</al></artikel><artikel><kop><titel>2.2 Doel en afbakening financieel toezicht</titel></kop><al><vet>Doel</vet></al><al>De toezichthouder – de minister van BZK voor de provincies en
                                gedeputeerde staten voor de gemeenten – houdt toezicht op een
                                sluitende begroting. De motivatie hiervoor is te voorkomen dat een
                                gemeente een beroep moet doen op de middelen van de collectiviteit
                                van gemeenten (via artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet) en
                                derhalve onder curatele wordt gesteld dan wel dat een provincie in
                                de financiële problemen komt.</al><al>Iedere gemeente is zelf verantwoordelijk voor een gezond financieel
                                beleid. Het centrale uitgangspunt is een toezichthouder die de
                                gemeente haar eigen verantwoordelijkheid laat, maar alert reageert
                                op beslissingen met financiële consequenties die het materiële
                                begrotingsevenwicht aantasten. Doel van de toezichthouder is dus
                                eraan bij te dragen dat een gemeente financieel in staat is haar
                                taak en rol te blijven waarmaken, zonder dat de eigen
                                verantwoordelijkheid van de gemeente wordt overgenomen. De relatie
                                met de raad, lokale rekenkamer(functie) en accountant (ook wel
                                horizontale keten genoemd) luistert daarom nauw.</al><al> 2. De minister van BZK heeft behalve het toezicht op de provincies
                                ook het toezicht op gemeenschappelijke regelingen waaraan provincies
                                deelnemen. Gedeputeerde staten hebben, behalve het toezicht op de
                                gemeenten ook het toezicht op gemeenschappelijke regelingen
                                aangegaan door gemeenten. Voor de leesbaarheid worden de
                                gemeenschappelijke regelingen hier niet telkens afzonderlijk
                                genoemd. </al><al><vet>Afbakening financieel toezicht</vet></al><al>Voor een goede plaatsbepaling van de toezichthouder is het ook
                                belangrijk aan te geven wat een toezichthouder niet doet. Het
                                financieel toezicht op provincies en gemeenten is beperkt tot de
                                financiële kant van de begroting en jaarstukken, met andere woorden
                                de toezichthouder doet geen uitspraken over en geeft geen
                                beoordeling van beleidsonderwerpen. De toezichthouder geeft alleen
                                vanuit zijn toezichthoudende taak advies. Dat wil zeggen hij geeft
                                advies over onderwerpen die het materiële begrotingsevenwicht
                                betreffen. Over andere onderwerpen geeft de toezichthouder geen
                                advies. Daarnaast moet financieel toezicht niet worden verward met
                                controle van de administratie. Zo kan de toezichthouder zich
                                beperken tot de vraag of er vastgestelde onderhoudsplannen zijn. Hij
                                hoeft in principe niet te verifiëren of deze plannen er
                                daadwerkelijk zijn. Dat laat onverlet dat onderhoudsplannen om
                                diverse redenen kunnen worden opgevraagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>2.3 Relatie met de horizontale keten</titel></kop><al><vet>De raad</vet></al><al>Zoals gezegd is de gemeente zelf verantwoordelijk voor het
                                financieel beleid. Meer precies geldt dat de raad hiervoor
                                verantwoordelijk is. De Gemeentewet schrijft voor dat de raad erop
                                toeziet dat de begroting in evenwicht is. De raad kan daarvan
                                afwijken indien het aannemelijk is dat het evenwicht in de drie
                                jaren volgend op de begroting zal worden hersteld.</al><al>De toezichthouder richt zijn toezicht met name op de financiële
                                documenten, zoals de begroting, de meerjarenraming, de jaarstukken
                                en de verordeningen ex. artikel 212 en 213 van de Gemeentewet. Dit
                                zijn allemaal documenten die de raad vaststelt. Bovendien is de
                                raad, zoals hierboven gezegd, verantwoordelijk voor het materiële
                                begrotingsevenwicht. Vanuit de duale verhouding tussen raad en
                                college betekent dit dus dat de toezichthouder zijn formele
                                correspondentie primair richt tot de raad. Indien er kwesties zijn
                                die meer de uitvoering raken kunnen die in een afzonderlijke brief
                                aan het college aan bod komen. Het is wel goed als de raad dan weet
                                dat er een dergelijke brief is verzonden. Transparantie van wat naar
                                wie is gestuurd is belangrijk. Daarnaast zijn er uiteraard ook
                                diverse minder formele contacten, bijvoorbeeld bij het opvragen van
                                nadere informatie. De mondelinge communicatie – via bestuurlijk
                                overleg – vindt hetzij met de raad hetzij met het college plaats.
                                Dit is afhankelijk van de mate waarin de raad zijn duale rol
                                invult.</al><al><vet>Relatie met accountant en rekenkamer(functie)</vet></al><al>De gemeente zorgt ervoor dat het bestuur rechtmatig geschiedt en
                                streeft voorts doelmatig en doeltreffend bestuur, evenals een
                                gezonde financiële positie na. De raad heeft naast de kaderstellende
                                taak en het budgetrecht, ook de controlerende taak. Het nastreven
                                van rechtmatigheid, doelmatigheid, doeltreffendheid en een gezonde
                                financiële positie maken prominent onderdeel uit van de
                                controlerende taak van de raad. Gezien het belang van deze normen
                                zijn er naast de raad nog een aantal onafhankelijke controleurs en
                                de toezichthouder. De lokale rekenkamer(functie) doet onderzoek naar
                                de doelmatigheid, doeltreffendheid en naar de rechtmatigheid,
                                uitgezonderd de controle op de jaarrekening. De accountant
                                controleert de rechtmatige totstandkoming van de baten, lasten en
                                balansmutaties in de jaarrekening, evenals het getrouwe beeld. De
                                toezichthouder richt zich op het materiële evenwicht van de
                                begroting en van de meerjarenraming.</al><al>De accountant, rekenkamer(functie) en toezichthouder hebben alle
                                drie een ander onderwerp van toetsing; naast relationele verschillen
                                is er vanuit dit oogpunt dus geen overlap tussen deze partijen.
                                Desalniettemin kunnen ze van elkaars bevindingen gebruik maken. De
                                accountantscontrole is voor de toezichthouder belangrijk, omdat
                                indien de accountantsverklaring niet goedkeurend is, dit kan
                                impliceren dat de cijfers van de gemeente niet voldoende betrouwbaar
                                zijn. Iets waar de toezichthouder uiteraard rekening mee moet
                                houden. Echter ook minder vergaande bevindingen uit de
                                accountantscontrole kunnen belangrijk zijn voor de toezichthouder,
                                omdat ze een relatie kunnen hebben met het materiële
                                begrotingsevenwicht. Zo is een opmerking in het verslag van
                                bevindingen van de accountant dat de gemeente niet realistische
                                afschrijvingstermijnen gebruikt belangrijk bij het beoordelen van
                                het materiële begrotingsevenwicht. Uiteraard is het dan ook van
                                belang wat de gemeente zelf met de opmerkingen van de accountant
                                doet. De rapportages van de lokale rekenkamer(functie) kunnen ook
                                belangrijk zijn, afhankelijk van het onderwerp. Zo kan een
                                rekenkamer(functie)onderzoek naar de transparantie van het
                                grondbeleid ook informatie voor de toezichthouder bevatten.</al><al><vet>De toezichthouder</vet></al><al>Wat kan een toezichthouder betekenen voor de onder toezichtstaande?
                                Een onder toezichtstaande heeft in de eerste plaats iets aan de
                                toezichthouder als de gemeente geen materieel begrotingsevenwicht
                                heeft of dat dreigt niet meer te hebben. In die gevallen heeft de
                                toezichthouder een taak in het proces waarbij de gemeente weer orde
                                op zaken stelt. Het accent van de hoofdstukken 3 en 4 ligt op de
                                vraag wanneer een toezichthouder gemeenten onder preventief toezicht
                                stelt en wanneer niet, alsook op vragen als wat betekent het om
                                onder preventief toezicht te staan. Verder beschikt de
                                toezichthouder ook over veel informatie. Die informatie is
                                interessant voor gemeenten, de toezichthouder en BZK als
                                verantwoordelijke voor het beleid betreffende de financiële functie.
                                De informatie kan in diverse vormen terugkomen richting gemeenten.
                                Hoofdstuk 5 gaat daar nader op in.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>3 Normen toezichthouder</titel></kop><artikel><kop><titel>3.1 Soorten toezicht</titel></kop><al>Bij financieel toezicht worden de termen preventief en repressief
                                toezicht gebruikt. Preventief toezicht is uitzondering en houdt in
                                dat de toezichthouder besluit dat de gemeente haar begroting en
                                begrotingswijzigingen voor goedkeuring aan gedeputeerde staten moet
                                voorleggen. Repressief toezicht is regel en houdt in dat de
                                begroting en begrotingswijzigingen rechtskracht krijgen zonder
                                afhankelijk te zijn van een besluit tot goedkeuring.</al><al>Er is een aantal redenen waarom preventief toezicht wordt ingesteld.
                                De belangrijkste reden is dat de begroting niet sluitend is en op
                                grond van de meerjarenraming niet aannemelijk te maken is dat het
                                materiële begrotingsevenwicht tot stand zal worden gebracht binnen
                                de periode waarvoor de raming geldt. Dit wordt ook wel imperatief
                                preventief toezicht genoemd. In paragraaf 3.3 wordt daar nader op
                                ingegaan. Bij de andere redenen voor het instellen van preventief
                                toezicht, zoals termijnoverschrijding, is de toezichthouder niet
                                verplicht preventief toezicht in te stellen; dit wordt facultatief
                                preventief toezicht genoemd. Op de redenen voor facultatief
                                preventief toezicht wordt in 3.4 nader ingegaan. Bij herindeling
                                staat de heringedeelde gemeente vanwege termijnoverschrijding (als
                                gevolg van het ontbreken van de begroting) in haar eerste jaar
                                standaard onder preventief toezicht; hoofdstuk 11 gaat in op
                                toezicht en herindeling.</al><al>Voor zowel imperatief als facultatief preventief toezicht geldt dat
                                het meestal de laatste fase van een proces is, waarbij al langer
                                zorgen bestaan over de financiële positie van een gemeente. Voordat
                                de toezichthouder de beslissing neemt tot het instellen van
                                preventief toezicht biedt hij veelal de gemeente de mogelijkheid tot
                                bestuurlijk overleg (zie verder paragraaf 4.3).</al></artikel><artikel><kop><titel>3.2 Informatie</titel></kop><al>De toezichthouder maakt bij de beslissing om een gemeente al dan
                                niet onder preventief toezicht te plaatsen gebruik van de volgende
                                wettelijke documenten:</al><lijst><li nr="- "><al>de begroting;</al></li><li nr="- "><al>de meerjarenraming;</al></li><li nr="- "><al>de begrotingswijzigingen;</al></li><li nr="- "><al>de jaarstukken;</al></li><li nr="- "><al>de verordeningen ex. artikel 212 en 213 Gemeentewet.</al></li></lijst><al>De toezichthouder beoordeelt deze stukken aan de hand van het
                                toezichtcriterium ‘begrotingsevenwicht’. Voor het beoordelen van
                                deze stukken zal de toezichthouder veelal ook andere dan de
                                verplicht in te zenden stukken raadplegen. Hij kan daartoe
                                aanvullende informatie opvragen. Een gebruikelijke werkwijze is dat
                                de toezichthouder hiervoor een informatieformulier naar de gemeenten
                                stuurt. Deze vullen het formulier in en sturen het terug naar
                                gedeputeerde staten. Aan de hand van de formulieren en kennis die de
                                toezichthouder al heeft kan hij beslissen om bepaalde informatie
                                (gedacht kan worden aan onderhoudsplannen voor kapitaalgoederen)
                                alsnog op te vragen voor een inhoudelijke toets. Ook is het mogelijk
                                dat de toezichthouder documenten met een wettelijke inzendplicht,
                                waarvan al een eerste beoordeling heeft plaatsgevonden, alsnog
                                diepgaander onderzoekt. Tot slot, is het belangrijk op te merken dat
                                financieel toezicht een continue proces is. De in te sturen
                                documenten worden niet telkens losstaand beoordeeld, maar in
                                samenhang met elkaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>3.3 Imperatief preventief: materieel
                                    begrotingsevenwicht</titel></kop><al>Voor imperatief preventief toezicht is de beoordeling van het
                                begrotingsevenwicht essentieel. Voor deze beoordeling zijn de
                                volgende factoren van belang:</al><lijst><li nr="a)"><al> materieel evenwicht;</al></li><li nr="b)"><al> financiële positie en meerjarenraming;</al></li><li nr="c) "><al>de voorgeschreven paragrafen en eventuele
                                        beleidsnota’s;</al></li><li nr="d)"><al> de verordeningen ex artikel 212 en 213 van de
                                        Gemeentewet;</al></li><li nr="e)"><al> nieuwe wet- en regelgeving van het Rijk.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="Ad a) "><al><vet>materieel evenwicht</vet></al></li></lijst><al>Materieel evenwicht, of een reëel sluitende begroting, is
                                essentieel. De term materieel evenwicht houdt in dat de begroting
                                voldoet aan bepaalde eisen. De belangrijkste daarvan is dat de
                                structurele lasten zijn gedekt door de structurele baten.
                                Incidentele lasten mogen worden gedekt door incidentele baten,
                                waaronder onttrekkingen aan de algemene reserve. Het verschil tussen
                                incidenteel en structureel is niet altijd even scherp te trekken.
                                Uit de toelichting op artikel 19 van het BBV blijkt dat baten/lasten
                                incidenteel zijn als deze zich gedurende maximaal drie jaar
                                voordoen. Dus structurele baten en lasten zijn die baten en lasten
                                die zich in beginsel in ieder jaar van de begroting en
                                meerjarenraming voordoen. Voor de toezichthouder is bij de
                                beoordeling van wat structureel en incidenteel is artikel 19 van het
                                BBV van belang. Dit artikel schrijft voor dat gemeenten een
                                overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten moeten geven.
                                Indien de structurele lasten worden gedekt door de structurele baten
                                is er sprake van materieel begrotingsevenwicht.</al><al>De toezichthouder zal ook nagaan hoe het formele evenwicht op de
                                begroting zich verhoudt met het materiële evenwicht. Daartoe zal de
                                toezichthouder voor zijn eigen oordeel het geraamde resultaat, zowel
                                voor de begroting als voor de meerjarenraming, corrigeren voor
                                incidentele posten . De toezichthouder zal bij zijn oordeel over het
                                materiële begrotingsevenwicht mede de uitkomsten van eerdere
                                meerjarenramingen betrekken, waarbij tevens wordt beoordeeld of er
                                sprake is van een opschuivend sluitend meerjarenperspectief. Daarbij
                                betrekt hij ook de vraag hoe de begroting structureel sluitend is
                                gemaakt. Voor die vraag wordt onder andere gekeken naar de
                                onderbouwing van de ramingen.</al><al>De toezichthouder dient de kwaliteit van de begroting te beoordelen
                                om te kunnen vaststellen of de begroting en de meerjarenraming
                                materieel in evenwicht zijn. Met kwaliteit wordt bedoeld het
                                realiteitsgehalte en de volledigheid van de geraamde baten en
                                lasten. In tabel 3.1 zijn voorbeelden opgenomen van incidentele en
                                structurele baten en lasten.</al><al> 3. Aanwending van de reserves wordt in beginsel gezien als een
                                incidentele bate (zie de volgende voetnoot). Indien echter een deel
                                van de algemene reserve wordt verbijzonderd als een dekkingsreserve
                                c.q. bruteringsreserve ter dekking van (een deel van de)
                                kapitaallasten van een bepaald actief, dan kan aanwending van die
                                reserve worden aangemerkt als zijnde structureel. De verbijzonderde
                                reserve zal van voldoende omvang moeten zijn om het te dekken deel
                                van die kapitaallasten gedurende de gehele looptijd te kunnen
                                opvangen. De voorgenoemde reserve is daarmee een bestemmingseserve
                                geworden (Bbv, art. 43 lid 2). Aan deze inzet van de algemene
                                reserve, alsmede de duur en omvang ervan, ligt altijd een besluit
                                van de raad of provinciale staten ten grondslag (al dan niet reeds
                                opgenomen in de begroting of in een begrotingswijziging). </al><al/><table><title>Tabel 3.1 Voorbeelden van incidentele en structurele baten en
                                    lasten</title><tgroup cols="2"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><tbody><row><entry><al>baten in een begroting</al><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Voorbeelden structurele baten:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- tarieven en heffingen.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Voorbeelden van incidentele baten:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- artikel 12-steun;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- boekwinst bij verkoop van tafelzilver;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- eenmalige bouwleges;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- winsten uit grondexploitaties;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- het aanwenden van een deel van de algemene
                                                  reserve .</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Lasten in een begroting</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Voorbeelden van structurele lasten:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- het onderhoud van de openbare ruimte;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- huisvesting;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- een groot deel van de personeelslasten.</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Voorbeelden van incidentele lasten:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- extra afschrijvingen bij activa in de openbare
                                                  ruimte met maatschappelijk nut;</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>- lasten ten gevolge van incidenteel (nieuw)
                                                  beleid.</al></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><lijst><li nr="Ad b)"><al><vet> financiële positie en meerjarenraming</vet></al></li></lijst><al>* Termijn</al><al>In de meerjarenraming staan alle financiële consequenties van beleid
                                waartoe is besloten. Met andere woorden, indien de gemeente in de
                                meerjarenraming beleidsvoornemens opneemt die leiden tot toekomstige
                                lasten dan staat daar de verplichting tegenover aan te geven wat de
                                toekomstige dekkingsmiddelen zijn. De rol van de meerjarenraming is
                                in de Gemeentewet opgenomen. In artikel 190 Gemeentewet is bepaald
                                dat de meerjarencijfers voor tenminste de drie jaar volgend op het
                                begrotingsjaar worden opgesteld. Dit betekent dat de meerjarenraming
                                uiterlijk in tenminste het derde jaar dient te sluiten indien een
                                begroting geen materieel evenwicht vertoont. Het is echter in het
                                algemeen niet acceptabel indien een gemeente ieder jaar opnieuw een
                                meerjarenraming heeft die uitsluitend in het derde jaar weer in
                                evenwicht is. Slechts in hoge uitzondering kan een meerjarenraming
                                die achtereenvolgende perioden van meerjarenramingen pas in het
                                derde jaar sluit door de toezichthouder worden toegestaan.</al><al>Voor het goed kunnen meewegen van de meerjarenraming bij de
                                sluitendheid van de begroting is het van groot belang dat deze aan
                                kwaliteit wint. In het BBV (zie hieronder) zijn daarom meer eisen
                                aan de meerjarenraming opgelegd dan in het Besluit
                                comptabiliteitsvoorschriften 1995, de voorganger van het BBV, werd
                                gedaan. Deze eisen zijn een eerste stap om te stimuleren dat de
                                kwaliteit toeneemt. Een tweede stap is om de meerjarenraming,
                                nadrukkelijker dan voorheen, een onderdeel te laten zijn van het
                                financieel toezicht.</al><al>Tabel 3.1 Voorbeelden van incidentele en structurele baten en
                                lasten</al><al>* Eisen BBV</al><al>Het BBV biedt de mogelijkheid de uiteenzetting van de financiële
                                positie en de meerjarenraming aan elkaar te koppelen, omdat de eisen
                                gelijk zijn. Enig verschil is dat de uiteenzetting van de financiële
                                positie op het begrotingsjaar slaat en de meerjarenraming op de drie
                                daarop volgende jaren.</al><al> 4. In dit toezichtkader wordt in beginsel iedere aanwending van de
                                reserves beschouwd als een incidentele bate. Die actie zal kunnen
                                leiden tot het oordeel dat de begroting niet materieel in evenwicht
                                is. Onder voorwaarden is het echter toegestaan middelen uit de
                                algemene reserve in te zetten ter verlichting van de exploitatie.
                                Het gaat dan om het deel van de algemene reserve dat geen deel
                                uitmaakt van de weerstandscapaciteit die noodzakelijk is in verband
                                met de bij de gemeenten aanwezige risico's. Inzet van de middelen is
                                mogelijk voor een periode die in principe gelijk is aan de termijn
                                van de meerjarenraming (= maximaal 4 jaar). Bij een dergelijke inzet
                                mag er geen sprake zijn van een opschuivend perspectief. In
                                bijzondere gevallen kan hiervan afgeweken worden onder gelijktijdige
                                afbouw van de ingezette middelen, zodanig dat aan het einde van de
                                periode structurele middelen zijn gevonden om de wegvallende inzet
                                te compenseren (wet van de communicerende vaten). Aan deze inzet van
                                de algemene reserve, alsmede de duur en omvang ervan, ligt altijd
                                een afzonderlijk besluit van de raad of provinciale staten ten
                                grondslag. </al><al> Het BBV schrijft voor dat de uiteenzetting van de financiële
                                positie en de meerjarenraming inzicht geeft in:</al><lijst><li nr="- "><al>de financiële gevolgen van het bestaande en het nieuwe
                                        beleid;</al></li><li nr="- "><al>de investeringen;</al></li><li nr="- "><al>de financiering;</al></li><li nr="- "><al>de stand en het verloop van de reserves en de
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="- "><al>de jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde
                                        verplichtingen van vergelijkbaar volume.</al></li></lijst><al>Daarnaast dienen de grondslagen van de ramingen te worden
                                toegelicht, evenals de belangrijkste ontwikkelingen ten opzichte van
                                de ramingen van het vorig begrotingsjaar.</al><al>De toezichthouder beziet met name de uiteenzetting van de financiële
                                positie en de meerjarenraming op realiteitsgehalte (zie hieronder).
                                Voorts beziet de toezichthouder of er beleid is ten aanzien van de
                                vorming van reserves en voorzieningen.</al><al>* Realiteitsgehalte</al><al>Bij de toets of het realiteitsgehalte van de meerjarenraming
                                voldoende is spelen diverse aspecten een rol. Zo is bijvoorbeeld
                                voor de toetsing van het realiteitsgehalte het verschil tussen
                                vorige begrotingen en de desbetreffende jaarrekeningen van belang.
                                Onder- of overschatten is een belangrijk signaal voor de
                                toezichthouder. In tabel 3.2 worden niet alle aspecten uitputtend
                                behandeld, maar zijn enkele belangrijke voorbeelden opgenomen.</al><table><title> Tabel 3.2 toetsing van het realiteitsgehalte meerjarenraming </title><tgroup cols="1"><colspec colname="col1"/><thead><row><entry><al><vet>Reëel perspectief </vet></al><al>- Er is sprake van een verbetering van het reëel
                                                  perspectief op evenwicht in de meerjarenraming als
                                                  op korte termijn structuurverbeterende
                                                  omstandigheden aanwezig zijn of als er maatregelen
                                                  zijn getroffen die de efficiëntie verbeteren, de
                                                  lasten beperken of leiden tot hogere baten. Deze
                                                  maatregelen dienen tot herstel van het evenwicht
                                                  te leiden. Het is daarbij van belang dat het
                                                  herstel van het evenwicht uiterlijk binnen drie
                                                  jaar na de begroting plaatsvindt. De maatregelen
                                                  worden in samenhang met de uiteenzetting van de
                                                  financiële positie en het weerstandsvermogen
                                                  bezien, omdat deze medebepalend zijn voor het
                                                  realiteitsgehalte van voorgenomen maatregelen.
                                                  Hierdoor wordt het mogelijk de aanpassing van de
                                                  lasten aan de baten geleidelijk te doen
                                                  plaatsvinden.</al><al>- De financiële consequenties van zowel de
                                                  lasten als de baten in de meerjarenraming (met
                                                  name tariefsverhogingen) die tot een herstel van
                                                  evenwicht moeten leiden, zijn met concrete
                                                  voornemens van de gemeenteraad onderbouwd.</al><al>- Onderuitputting dient niet te worden geraamd,
                                                  tenzij goed gemotiveerd.</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al><vet>Kwaliteit van de baten in de ramingen </vet></al><al>- De algemene uitkering wordt geraamd op basis
                                                  van reële uitgangspunten en tenminste de mei- of
                                                  junicirculaire.</al><al>- De door de raad vastgestelde tarieven en
                                                  heffingen dienen te zijn gebaseerd op
                                                  ervaringscijfers en reële vooruitzichten.</al></entry></row><row><entry><al><vet>Kwaliteit van de lasten in de ramingen</vet></al><al>- De lasten van instandhouding (onderhoud en
                                                  vervanging) van kapitaalgoederen moeten
                                                  realistisch zijn geraamd, op basis van actuele
                                                  meerjarige onderhoudsplannen.</al><al>- Ten aanzien van de grondexploitatie geldt het
                                                  uitgangspunt dat verliezen meteen moeten worden
                                                  genomen zodra deze blijken
                                                  (voorzichtigheidsprincipe) en dat winsten pas
                                                  mogen worden opgenomen als deze winsten ook
                                                  daadwerkelijk zijn behaald (realisatieprincipe).
                                                  Dit uitgangspunt geldt voor projecten in hun
                                                  geheel, maar ook voor deelprojecten die de
                                                  gemeente heeft geformuleerd.</al><al>- Het afschrijvingsbeleid moet consistent zijn
                                                  (zie ook artikel 64 BBV en de verordening ex.
                                                  artikel 212 van de Gemeentewet). De voorkeur gaat
                                                  uit naar lineair afschrijven. Indien wordt gekozen
                                                  voor een ander afschrijvingsbeleid dan moet dit
                                                  worden onderbouwd.</al><al>- Er moet rekening zijn gehouden met verplichte
                                                  lasten (onder meer de bijdragen op grond van
                                                  deelname in gemeenschappelijke regelingen).</al><al>- Bij de tijdelijk overtollige middelen die
                                                  worden uitgezet moet de hoofdsom zijn gegarandeerd
                                                  of een vastrentende waarde hebben. De ramingen van
                                                  het rendement moeten zijn onderbouwd. Een
                                                  rentevisie is daarbij een belangrijk
                                                  hulpmiddel.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr=""><al><vet>Ad c)</vet> paragrafen</al></li></lijst><al>Artikel 9 van het BBV bepaalt dat in de begroting paragrafen worden
                                opgenomen, waarin de beleidslijnen worden vastgelegd met betrekking
                                tot beheersmatige aspecten en de lokale heffingen. De voorgeschreven
                                paragrafen betreffen onderwerpen die van politiek en/of financieel
                                belang zijn voor de gemeente.</al><al>Doel van de paragrafen is dat onderwerpen die versnipperd in de
                                begroting staan worden gebundeld in een kort overzicht, waardoor de
                                raad voldoende inzicht krijgt. De paragrafen geven een
                                dwarsdoorsnede van de begroting. De wijze waarop invulling wordt
                                gegeven aan de paragrafen kan verschillen. Indien er voor een
                                onderwerp, bijvoorbeeld verbonden partijen of grondbeleid, een
                                actuele, door de raad vastgestelde, nota bestaat kan in de
                                paragrafen worden volstaan met een korte berichtgeving van de stand
                                van zaken. De paragraaf vervult dan een rol in het planning &amp;
                                control proces. Indien een actuele, door de raad vastgestelde, nota
                                ontbreekt, dient een uitvoerigere paragraaf aanwezig te zijn; de
                                paragraaf vervult dan nadrukkelijker een rol in de kaderstelling
                                binnen de gemeente. Het werken met beleidsnota’s voor de onderwerpen
                                van de paragrafen wordt in het BBV aanbevolen. Afhankelijk van het
                                risicoprofiel van de desbetreffende gemeente en afhankelijk van de
                                kwaliteit van de desbetreffende paragraaf kan de toezichthouder de
                                in de verordening verplicht voorgeschreven periodieke
                                uitwerkingsnota’s (bijvoorbeeld een nota grondbeleid) bij de
                                gemeente opvragen.</al><al>Welke paragrafen er minimaal moeten zijn is voorgeschreven in het
                                BBV. In het BBV staan verder alleen globale eisen waaraan de
                                paragrafen dienen te voldoen. Doel is immers te bevorderen dat de
                                raad de beleidsuitgangspunten voor het beleid van het onderwerp van
                                de desbetreffende paragraaf vaststelt. De paragrafen geven de
                                toezichthouder daarom alleen een indicatie van het beleid en vooral
                                van de gemeentelijke aandacht voor de desbetreffende onderwerpen. De
                                toezichthouder toetst daarom de paragrafen op het voldoen aan de
                                BBV-vereisten en of de inhoud van de paragrafen is doorvertaald naar
                                de begroting. Volledigheidshalve zijn de BBV-vereisten in tabel 3.3
                                opgenomen. Daarnaast kijkt de toezichthouder per paragraaf of deze
                                zelfstandig leesbaar is en/of er op dit gebied een nota is en/of er
                                over het desbetreffende onderwerp iets is opgenomen in de
                                212-verordening. De toezichthouder kan voorts de paragraaf toetsen
                                aan de hand van andere criteria. Het gaat dan om
                                ‘kwaliteitscriteria’. Dus criteria die de kwaliteit van de paragraaf
                                bevorderen, maar niet verplicht zijn. De toezichthouder kan aan de
                                hand van deze criteria alleen advies geven. (laatste zinsdeel
                                geschrapt). Uiteraard betreft het advies wederom alleen het
                                begrotingsevenwicht. De kwaliteitscriteria zijn deels nog in
                                ontwikkeling. De toezichthouders stimuleren de verdere ontwikkeling
                                van de paragrafen. Dit doen ze onder andere via handreikingen (zie
                                verder 5.1).</al><al>Tabel 3.3 BBV-vereisten aan paragrafen</al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="col1"/><tbody><row><entry><al><cursief>Artikel 10 BBV</cursief>: </al><al>De paragraaf betreffende de lokale heffingen
                                                  bevat ten minste:</al><al>a. de geraamde inkomsten;</al><al>b. het beleid ten aanzien van de lokale
                                                  heffingen;</al><al>c. een overzicht op hoofdlijnen van de diverse
                                                  heffingen;</al><al>d. een aanduiding van de lokale lastendruk;</al><al>e. een beschrijving van het
                                                  kwijtscheldingsbeleid.</al><al><cursief>Artikel 11 BBV:</cursief></al><al>1. Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie
                                                  tussen: a. de weerstandscapaciteit, zijnde de
                                                  middelen en mogelijkheden waarover de provincie
                                                  onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan
                                                  beschikken om niet begrote kosten te dekken; b.
                                                  alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn
                                                  getroffen en die van materiële betekenis kunnen
                                                  zijn in relatie tot de financiële positie. </al><al>a. de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen
                                                  en mogelijkheden waarover de provincie
                                                  onderscheidenlijk gemeente beschikt of kan
                                                  beschikken om niet begrote kosten te dekken;</al><al>b. alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn
                                                  getroffen en die van materiële betekenis kunnen
                                                  zijn in relatie tot de financiële positie.</al><al>2. De paragraaf betreffende het
                                                  weerstandsvermogen bevat ten minste: a. een
                                                  inventarisatie van de weerstandscapaciteit; b. een
                                                  inventarisatie van de risico’s; c. het beleid
                                                  omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s. </al><al>a. een inventarisatie van de
                                                  weerstandscapaciteit;</al><al>b. een inventarisatie van de risico’s;</al><al>c. het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en
                                                  de risico’s.</al><al><cursief>Artikel 12 BBV:</cursief></al><al>1. De paragraaf betreffende het onderhoud van
                                                  kapitaalgoederen bevat ten minste de volgende
                                                  kapitaalgoederen: a. wegen; b. riolering; c.
                                                  water; d. groen; e. gebouwen. </al><al>a. wegen;</al><al>b. riolering;</al><al>c. water;</al><al>d. groen;</al><al>e. gebouwen.</al><al>2. Van de kapitaalgoederen, bedoeld in het
                                                  eerste lid, wordt aangegeven: a. het beleidskader;
                                                  b. de uit het beleidskader voortvloeiende
                                                  financiële consequenties; c. de vertaling van de
                                                  financiële consequenties in de begroting. </al><al>a. het beleidskader;</al><al>b. de uit het beleidskader voortvloeiende
                                                  financiële consequenties;</al><al>c. de vertaling van de financiële consequenties
                                                  in de begroting.</al><al><cursief>Artikel 13 BBV:</cursief></al><al>De paragraaf betreffende de financiering bevat
                                                  in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien
                                                  van het risicobeheer van de
                                                  financieringsportefeuille.</al><al><cursief>Artikel 14 BBV:</cursief></al><al>De paragraaf betreffende de bedrijfsvoering
                                                  geeft ten minste inzicht in de stand van zaken en
                                                  de beleidsvoornemens ten aanzien van de
                                                  bedrijfsvoering.</al><al><cursief>Artikel 15 BBV:</cursief></al><al>De paragraaf betreffende de verbonden partijen
                                                  bevat ten minste:</al><al>a. de visie op verbonden partijen in relatie tot
                                                  de realisatie van de doelstellingen die zijn
                                                  opgenomen in de begroting;</al><al>b. de beleidsvoornemens omtrent verbonden
                                                  partijen.</al><al><cursief>Artikel 16 BBV:</cursief></al><al>De paragraaf betreffende het grondbeleid bevat
                                                  ten minste:</al><al>a. een visie op het grondbeleid in relatie tot
                                                  de realisatie van de doelstellingen van de
                                                  programma’s die zijn opgenomen in de
                                                  begroting;</al><al>b. een aanduiding van de wijze waarop de
                                                  provincie onderscheidenlijk gemeente het
                                                  grondbeleid uitvoert;</al><al>c. een actuele prognose van de te verwachten
                                                  resultaten van de totale grondexploitatie;</al><al>d. een onderbouwing van de geraamde
                                                  winstneming;</al><al>e. de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves
                                                  voor grondzaken in relatie tot de risico’s van de
                                                  grondzaken</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr=""><al><vet>Ad d)</vet> verordeningen ex artikel 212 en 213
                                        Gemeentewet.</al></li></lijst><al>De verordening ex artikel 212 (financiële verordening) en 213
                                (controleverordening) van de Gemeentewet worden niet-jaarlijks
                                vastgesteld. Om deze reden hebben ze geen ‘vaste plek’ in de
                                begrotingscyclus. De verordeningen worden na vaststelling opgestuurd
                                naar de toezichthouder. Ook de verordening ex art. 213a Gemeentewet
                                (inzake de doelmatigheid en doeltreffendheid) moet worden
                                ingezonden.</al><al>De 212- en 213- verordening dienen aan bepaalde wettelijke eisen te
                                voldoen. Deze eisen zijn opgenomen in tabel 3.4. De toezichthouder
                                beziet de verordeningen en neemt zijn oordeel over de verordeningen
                                mee bij de beoordeling van het materieel begrotingsevenwicht. Er is
                                een directe relatie tussen de 212- verordening en het materieel
                                begrotingsevenwicht. De relatie tussen de 213- verordening en
                                toezicht is meer indirect. Echter, omdat veel gemeenten beide
                                verordeningen vaak tegelijkertijd opstellen en gezien het belang van
                                een goede controle op het financieel beleid is ervoor gekozen dat
                                ook de 213-verordening door de toezichthouder wordt bezien. Indien
                                de verordeningen bepalingen bevatten die het materieel
                                begrotingsevenwicht kunnen aantasten of anderszins in strijd zijn
                                met het recht of het algemeen belang ligt het in de rede dat de
                                toezichthouder daar na inzending van de verordening een opmerking
                                over maakt. Een termijn van zes weken is dan redelijk.</al><al>Overigens zal een toezichthouder zich bij het ontbreken van één of
                                beide verordeningen een minder goed beeld kunnen vormen van de
                                kwaliteit van de financiële functie van een gemeente. Deze
                                onzekerheid kan de toezichthouder bij twijfel over de financiële
                                positie van een dergelijke gemeente eerder doen besluiten preventief
                                toezicht in te stellen. In het uiterste geval kan de toezichthouder
                                een aanwijzing geven (zie 3.4).</al><al>Tabel 3.4 Wettelijke vereisten financiële en controle
                                verordening</al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="col1"/><tbody><row><entry><al><vet>De financiële verordening</vet></al><al>De raad stelt bij verordening de uitgangspunten
                                                  voor het financiële beleid, alsmede voor het
                                                  financiële beheer en voor de inrichting van de
                                                  financiële organisatie vast. Deze verordening
                                                  dient te waarborgen dat aan de eisen van de
                                                  rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt
                                                  voldaan.</al><al>De verordening bevat in ieder geval:</al><al>a. regels voor waardering en afschrijving van
                                                  activa;</al><al>b. grondslagen voor de berekening van de door
                                                  het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen
                                                  en van tarieven voor rechten als bedoeld in
                                                  artikel 229b Gemeentewet, alsmede, voor zover deze
                                                  wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel
                                                  15.33 van de Wet milieubeheer;</al><al>c. regels inzake de algemene doelstellingen en
                                                  de te hanteren richtlijnen en limieten van de
                                                  financieringsfunctie, alsmede inzake de
                                                  administratieve organisatie van de
                                                  financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en
                                                  bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de
                                                  bijbehorende informatievoorziening.</al><al><vet>De controle verordening</vet></al><al>De raad stelt bij verordening regels vast voor
                                                  de controle op het financiële beheer en op de
                                                  inrichting van de financiële organisatie. Deze
                                                  verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van
                                                  het financiële beheer en van de inrichting van de
                                                  financiële organisatie wordt getoetst.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr=""><al><vet>Ad e)</vet> nieuwe wet- en regelgeving van het
                                        rijk</al></li></lijst><al>De implementatie van nieuwe wet- en regelgeving door het rijk kan
                                extra aandacht vergen van de toezichthouder. Zolang een onderwerp
                                nieuw is vraagt het om extra aandacht van de gemeenten. Voorbeelden
                                van nieuwe wetgeving met mogelijk belangrijk financiële implicaties
                                zijn de Wet werk en bijstand en de Wet maatschappelijke
                                ondersteuning. Behalve aan nationale wetgeving kan ook, en steeds
                                belangrijker, aan Europese wetgeving worden gedacht.</al></artikel><artikel><kop><titel>3.4 Facultatief toezicht</titel></kop><al>Facultatief preventief toezicht kan op drie gronden worden
                                ingesteld. De eerste grond is wanneer een gemeente een
                                rekeningtekort heeft. Bij de tweede grond is er sprake van een
                                overschrijding van de wettelijke inzendtermijnen. Bij de derde grond
                                zijn de stukken niet volledig.</al><al>Tekort op de jaarrekening</al><al>De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit van het rekeningsaldo.
                                Indien het rekeningsaldo, rekening houdend met incidentele zaken,
                                naar het oordeel van de toezichthouder een tekort vertoont, kan dit
                                voor de toezichthouder aanleiding zijn preventief toezicht in te
                                stellen. In tabel 3.5 zijn enkele voorbeelden opgenomen van aspecten
                                die de toezichthouder meeweegt bij de beoordeling van de
                                jaarrekening. Indien de toezichthouder preventief toezicht instelt
                                doet hij dit pas bij de komende begroting. Voor 1 januari van het
                                begrotingsjaar stelt de toezichthouder de provincie of gemeente
                                hiervan op de hoogte.</al><al>Bij de beslissing om preventief toezicht op de begroting in te
                                stellen is het van belang of het rekeningtekort door structurele
                                factoren is veroorzaakt. Het is daarom van belang dat er een goede
                                analyse van de jaarrekening is. Uit deze analyse, waarbij de
                                vergelijking begroting voor wijzigingen – jaarrekening wezenlijk is,
                                dient te blijken welke baten en lasten structureel zijn en welke
                                incidenteel. Indien het rekeningtekort door structurele factoren is
                                veroorzaakt zullen deze eveneens op een structurele wijze in de
                                begrotingen van de komende jaren moeten worden verwerkt. Dit is het
                                belangrijkste onderdeel van de beoordeling van het tekort op de
                                jaarrekening door de toezichthouder. Daarnaast is natuurlijk ook de
                                grootte van het tekort en het meerdere jaren na elkaar voorkomen van
                                rekeningtekorten bij de oordeelsvorming van belang. Ook wordt bij de
                                beoordeling van de jaarrekening de accountantsverklaring en het
                                verslag van bevindingen meegewogen.</al><al>Tabel 3.5 Aspecten beoordeling jaarrekening</al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="col1"/><tbody><row><entry><al>Bij de beoordeling van de jaarrekening wordt met
                                                  name naar de volgende aspecten gekeken:</al><al>. toevoegingen en/of onttrekkingen aan reserves
                                                  met een algemeen karakter waarvan de bestemming
                                                  zonder problemen gewijzigd kan worden;</al><al>. buitengewone baten en lasten (met name
                                                  verschillen ten opzichte van de boekwaarde bij de
                                                  verkoop van vaste activa en lasten voortvloeiende
                                                  uit reorganisaties);</al><al>. bijzondere baten en lasten, zoals winstneming
                                                  bij het grondbedrijf en extra afschrijvingen op
                                                  activa in de openbare ruimte met maatschappelijk
                                                  nut;</al><al>. grote afwijkingen tussen de saldi in
                                                  voorgaande begrotingsjaren;</al><al>. wijzigingen in afschrijvingsmethodiek;</al><al>. eenmalige baten en lasten.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Termijnoverschrijding</vet></al><al>De toezichthouder beziet of aan de wettelijke inzendtermijnen van
                                begroting en jaarstukken is voldaan. Deze inzendtermijnen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> voor begrotingen van gemeenten: vóór 15 november voor het
                                        volgend begrotingsjaar;</al></li><li nr="-"><al> de jaarstukken van gemeenten dienen vóór 15 juli van het
                                        jaar volgend op het begrotingsjaar bij de toezichthouder te
                                        zijn.</al></li></lijst><al>Overschrijding van de inzendtermijnen leidt in beginsel tot
                                preventief toezicht (ook voor een financieel gezonde gemeente).
                                Reden hiervoor is dat de toezichthouder voor 1 januari (artikel 203
                                Gemeentewet, artikel 207 Provinciewet) moet beslissen of hij een
                                gemeente onder preventief toezicht stelt. Het is daarom van belang
                                dat de toezichthouder tijdig over informatie beschikt om zich een
                                oordeel te kunnen vormen over de financiële positie.</al><al>De toezichthouder kan in de volgende gevallen ervoor kiezen geen
                                preventief toezicht in te stellen bij termijnoverschrijding:</al><lijst><li nr="- "><al>voor de begroting: indien het gaat om een zeer beperkte en
                                        incidentele termijnoverschrijding. De conceptbegroting en
                                        meerjarenraming zijn wel tijdig ingezonden en er zijn over
                                        de termijnoverschrijding vooraf afspraken gemaakt met de
                                        toezichthouder;</al></li><li nr="- "><al>voor de jaarrekening: indien het gaat om een zeer beperkte
                                        en incidentele termijnoverschrijding, waarover vooraf
                                        afspraken zijn gemaakt met de toezichthouder.</al></li></lijst><al><vet>Onvolledige documenten</vet></al><al>Voor het goed kunnen uitoefenen van toezicht heeft de toezichthouder
                                voldoende informatie nodig. Het BBV schrijft voor dat de begroting
                                bestaat uit een beleidsbegroting: bestaande uit een programmaplan en
                                de paragrafen en een financiële begroting: bestaande uit het
                                overzicht van baten en lasten en een toelichting en de uiteenzetting
                                van de financiële positie en een toelichting. Tegelijkertijd met de
                                begroting dient de meerjarenraming aan de raad te worden
                                voorgelegd.</al><al>Alle onderdelen zijn van belang voor de oordeelsvorming van de
                                toezichthouder. Als een begroting één of meer van deze onderdelen
                                mist, dan zal de toezichthouder in overleg treden met de gemeente
                                met het verzoek om alsnog een begroting vast te stellen en in te
                                zenden die voldoet aan deze eisen.</al><al>Hetzelfde geldt voor de jaarstukken. Deze stukken bestaan volgens
                                het BBV uit de jaarrekening, bestaande uit de rekening van baten en
                                lasten en de balans en het jaarverslag, bestaande uit de
                                programmaverantwoording en de paragrafen. Tegelijkertijd met de
                                jaarstukken dient de gemeente de accountantsverklaring en het
                                verslag van bevindingen op te sturen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4 Financiële problemen en dan?</titel></kop><artikel><kop><titel>4.1 Inleiding</titel></kop><al>Meestal gaat het goed met gemeenten en zijn er alleen reguliere
                                contacten tussen de toezichthouder en onder toezichtgestelde. Soms
                                echter zijn er financiële problemen en verandert de relatie. Daar
                                gaat dit hoofdstuk over. Meestal verandert de relatie geleidelijk
                                aan, paragraaf 4.2 gaat daarover. Paragraaf 4.3 gaat over de relatie
                                gemeente – toezichthouder indien de gemeente onder preventief
                                toezicht is gesteld. Paragraaf 4.4 besteedt aandacht aan wat een
                                gemeente kan doen als zij het niet eens is met de onder preventief
                                stelling. De volgende paragraaf gaat over schorsing en vernietiging,
                                dat wil zeggen over de juridische middelen die de toezichthouder in
                                uiterste gevallen heeft. Paragrafen 4.6 bevat enkele mogelijkheden
                                tot financiële doorlichting die de gemeente zelf in de hand heeft.
                                Dit gebeurt normaliter als er financiële problemen zijn of worden
                                verwacht. Paragraaf 4.7 ten slotte gaat over het aanvragen van de
                                artikel 12 status.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.2 Tussen repressief en preventief toezicht</titel></kop><al>De wet voorziet in repressief en preventief toezicht. In de praktijk
                                is sprake van een geleidelijke overgang, met name, omdat de
                                financiële positie in de praktijk veelal niet ineens verslechtert.
                                Met andere woorden er is sprake van een ‘grijze’ zone. Voor
                                gemeenten in de grijze zone is er nog geen reden om preventief
                                toezicht in te stellen, maar de toezichthouder zal extra aandacht
                                hebben voor de financiële ontwikkelingen. Een voorbeeld hiervan is
                                dat er financiële risico’s zijn die onvoldoende in de ramingen zijn
                                verwerkt.</al><al>De toezichthouder die dergelijke ontwikkelingen signaleert zal de
                                gemeente daarop aanspreken. Afhankelijk van de financiële positie en
                                de aard van de ontwikkeling kan dit op verschillende manieren
                                gebeuren.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.3 Preventief: wat betekent dat?</titel></kop><al>Ingevolge artikel 203, lid 3 maken gedeputeerde staten vóór de
                                aanvang van het begrotingsjaar aan de raad bekend of de gemeente
                                onder preventief toezicht wordt gesteld. Voorafgaand aan het
                                instellen van preventief toezicht houdt de toezichthouder
                                bestuurlijk overleg. Gedeputeerde staten richten hun verzoek tot
                                overleg aan de gemeenteraad. De raad kan aan het college opdracht
                                geven dit overleg te voeren (Gemeentewet, artikel 160, eerste lid,
                                onder b). Indien de raad zelf aan dit overleg wil deelnemen, ligt
                                het voor de hand dat dit bestuurlijk overleg met een delegatie van
                                de raad wordt gehouden. Aanwezigheid van de verantwoordelijk
                                wethouder kan dan gewenst zijn.</al><al>Indien een gemeente onder preventief toezicht wordt gesteld, dan
                                betekent dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de begroting behoeft goedkeuring van de
                                        toezichthouder;</al></li><li nr="b."><al> zolang deze goedkeuring niet is verkregen, mag het
                                        gemeentelijk bestuur, behalve in gevallen van dringende
                                        spoed, geen verplichtingen aangaan zonder voorafgaande
                                        toestemming van de toezichthouder;</al></li><li nr="c."><al> begrotingswijzigingen behoeven eveneens goedkeuring.</al></li></lijst><al/><lijst><li nr="Ad a."><al> goedkeuring van de begroting door de toezichthouder</al></li></lijst><al>In hoofdstuk 3 is ingegaan op de redenen voor het instellen van
                                preventief toezicht. Er zijn diverse redenen voor preventief
                                toezicht, zoals termijnoverschrijding, een materieel niet-sluitende
                                begroting, waarvan ook niet aannemelijk is dat het evenwicht in het
                                laatste jaar van de meerjarenraming wordt hersteld, en een tekort op
                                de jaarrekening. In die gevallen waarin is besloten tot het
                                instellen van preventief toezicht moet vervolgens dus een beslissing
                                worden genomen omtrent die goedkeuring. De goedkeuring kan worden
                                onthouden aan begrotingen, en besluiten tot wijziging daarvan,
                                wegens strijd met het recht en het algemeen financieel belang. Van
                                dat laatste is sprake als een gemeente in een dusdanige financiële
                                positie komt te verkeren dat daardoor op termijn een beroep gedaan
                                moet worden op de middelen van de collectiviteit van gemeenten. De
                                gemeente moet aanvullende dekkingsmiddelen aanwijzen of de lasten
                                verlagen.</al><al>Indien de toezichthouder overweegt goedkeuring te onthouden biedt
                                hij eerst gelegenheid voor overleg met de onder toezicht staande
                                partij. In dit overleg kunnen ook maatregelen worden afgesproken die
                                alsnog leiden tot een materieel sluitende begroting. Hierna kan de
                                toezichthouder alsnog goedkeuring verlenen aan de begroting.</al><al>Zolang de begroting niet is goedgekeurd kan de gemeente geen
                                verplichtingen aangaan zonder de voorafgaande toestemming van de
                                toezichthouder. Als een gemeente om deze toestemming vraagt, dan kan
                                de toezichthouder het verzoek afwijzen op dezelfde gronden als die
                                waarop hij de goedkeuring kan onthouden aan de begroting en de
                                besluiten tot wijziging daarvan wegens strijd met het recht of
                                strijd met het algemeen financieel belang. Zou de gemeente ondanks
                                het ontbreken van goedkeuring toch een verplichting aangaan of een
                                uitgave doen, dan is dat een handeling waartoe ze niet bevoegd is.
                                Omdat er in dat geval geen sprake is van een besluit, maar van een
                                feitelijke of privaatrechtelijke handeling, biedt schorsing of
                                vernietiging geen soelaas. Over blijft de mogelijkheid om naar de
                                burgerlijk rechter te gaan (onrechtmatige daadactie).</al><al>Het is gebruikelijk dat de toezichthouder en de onder
                                toezichtstaande voor aanvang van het begrotingsjaar afspraken maken
                                over welke uitgaven gedaan kunnen worden en welke verplichtingen
                                aangegaan kunnen worden. Reden hiervoor is dat de uitvoering van
                                beleid door gemeenten niet onnodig moet worden verstoord. De
                                toezichthouder beoordeelt daarom of onthouding van goedkeuring niet
                                verstorend werkt, bijvoorbeeld omdat onthouding op een bepaald
                                onderdeel uitvoering van ander gemeentelijk beleid kan belemmeren of
                                toekomstige processen te zeer verstoort. Voor de afspraken kan de
                                toezichthouder een algemene regeling maken dan wel een regeling op
                                maat maken voor de desbetreffende gemeenten (artikel 208
                                Gemeentewet). Een ander alternatief is dat de begroting (en
                                begrotingswijzigingen) gedeeltelijk worden goedgekeurd volgens
                                artikel 10:29 Algemene Wet bestuursrecht. Een relatief vaak
                                voorkomende manier van omgaan met gedeeltelijke goedkeuring is dat
                                de toezichthouder het bestaand beleid goedkeurt, maar goedkeuring
                                onthoudt aan nieuw beleid. Voor het nieuw beleid moet dan een
                                adequate dekking worden gezocht. Een aantal provincies werkt met het
                                begrip ‘verklaring van in principe geen bezwaar’. In deze verklaring
                                wordt bijvoorbeeld aangegeven dat uitgaven voor bestaand beleid
                                gedaan mogen worden.</al><lijst><li nr="Ad b."><al> dringende spoed</al></li></lijst><al>Uitgaven van dringende spoed (artikelen 209 en 210 Gemeentewet) zijn
                                een uitzondering op het beschrevene onder a). Het gaat hier om
                                uitgaven waarbij voorafgaande toestemming van de toezichthouder niet
                                mogelijk is; dit te beoordelen door de raad. Het risico is voor de
                                leden van de raad die vóór stemmen: als gedeputeerde staten later
                                goedkeuring onthouden aan die begrotingswijziging dan zijn de
                                betreffende leden van de raad persoonlijk aansprakelijk tegenover de
                                gemeente. In dat artikel is de persoonlijke aansprakelijkheid
                                derhalve wel gehandhaafd.</al><lijst><li nr="Ad c."><al> begrotingswijzigingen</al></li></lijst><al>Een consequentie van het onder preventief toezicht staan is dat
                                begrotingswijzigingen dienen te worden goedgekeurd. Daarnaast is de
                                toezichthouder bevoegd om bij preventief toezicht besluiten met
                                financiële consequenties ter inzage te vragen. Van deze bevoegdheid
                                wordt door de toezichthouder alleen gebruik gemaakt als dat nodig is
                                om een verantwoord beeld te krijgen van de financiële risico’s die
                                een gemeente loopt en als het gaat om besluiten waarvan aangenomen
                                wordt dat die een wezenlijke invloed hebben op de financiële
                                positie.</al><al>De toezichthouder kan aangeven welke soorten begrotingswijzigingen
                                zijn goedkeuring niet behoeven (artikel 207, lid 2 Gemeentewet). Dit
                                doet hij normaal gesproken bij de beslissing over de goedkeuring. In
                                hoeverre de toezichthouder gebruik maakt van deze bevoegdheid zal
                                afhangen van de financiële positie van de gemeente en de mate waarin
                                het begrotingsproces inmiddels op orde is. Indien de toezichthouder
                                van mening is dat het materieel evenwicht inmiddels is hersteld,
                                bijvoorbeeld doordat de gemeente heeft besloten tot een concreet
                                bezuinigingsplan dan kan de toezichthouder aangeven dat de
                                begrotingswijzigingen zijn goedkeuring niet meer behoeven. Materieel
                                is er dan geen sprake meer van preventief toezicht.</al><al>Indien een toezichthouder geen goedkeuring of toestemming heeft
                                gegeven en de gemeente toch een verplichting aangaat kan de
                                toezichthouder aan de minister van BZK vragen het besluit tot het
                                aangaan van een financiële verplichting voor te dragen voor
                                schorsing en vernietiging bij de Kroon (zie onder 4.5).</al><al>* Termijnbepalingen met betrekking tot preventief toezicht.</al><al>In artikel 10:31 van de Algemene Wet Bestuursrecht is opgenomen dat
                                een besluit omtrent goedkeuring binnen 13 weken na de verzending ter
                                goedkeuring bekend moet worden gemaakt aan het orgaan dat het
                                besluit heeft genomen. Dit kan eenmaal voor ten hoogste 13 weken
                                worden verdaagd (korter kan ook. De termijn voor de verdaging moet
                                in het verdagingbesluit worden aangegeven. Het besluit omtrent
                                goedkeuring moet binnen de in het verdagingbesluit vermelde termijn
                                worden genomen en bekendgemaakt). Het besluit tot verdaging moet
                                uiteraard binnen de eerste termijn van 13 weken worden genomen en
                                bekendgemaakt. Als deze termijnen niet worden gehaald wordt het
                                besluit (de begroting) geacht te zijn goedgekeurd.</al><al>De Gemeentewet bevat een aanvulling op de bepaling van de Algemene
                                Wet Bestuursrecht (artikel 207 Gemeentewet). Als er een besluit tot
                                wijziging van de begroting wordt aangeboden ter goedkeuring terwijl
                                de begroting nog niet is goedgekeurd, dan begint de termijn van
                                artikel 10.31 voor het wijzigingsbesluit pas te lopen op de dag dat
                                de begroting wordt goedgekeurd.</al><al>Zolang de begroting of een besluit tot wijziging niet is goedgekeurd
                                is er toestemming van gedeputeerde staten nodig voor het aangaan van
                                verplichtingen (artikel 208 Gemeentewet). Juridisch gezien betekent
                                dit ook dat er goedkeuring wordt gegeven voor het aangaan van de
                                verplichtingen. Voor deze goedkeuringsbesluiten stelt de Gemeentewet
                                een eigen termijn: gedeputeerde staten dienen binnen twee maanden te
                                beslissen, als dat niet wordt gehaald, dan wordt de toestemming
                                geacht te zijn verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.4 Bezwaar en beroep onder toezichtstaanden</titel></kop><al>Gedeputeerde staten besluiten in de eerste plaats over het al dan
                                niet instellen van preventief toezicht. Als ze besluiten tot
                                preventief toezicht nemen ze vervolgens een besluit over het al dan
                                niet goedkeuren van de begroting. Het is mogelijk dat de gemeente
                                het met een van deze beslissingen niet eens is. Tegen de beslissing
                                tot instellen van preventief toezicht kan de gemeente bezwaar maken
                                en vervolgens in beroep gaan. Tegen de beslissing over goedkeuring
                                van de begroting kan de gemeente alleen in beroep gaan. Hieronder
                                wordt ingegaan op respectievelijk de bezwaar- en beroepsprocedure
                                naar aanleiding van het besluit tot instellen van preventief
                                toezicht en de beroepsprocedure in verband met het besluit tot
                                onthouden van goedkeuring aan de begroting. Zowel de bezwaar- als
                                beroepsprocedure kunnen door het college als door de raad worden
                                gevoerd, daarom wordt hier verder alleen gesproken van gemeente
                                (artikel 160, eerste lid, onder f, van de Gemeentewet).</al><al><vet>Bezwaar- en beroepsprocedure tegen besluit tot instellen
                                    preventief begrotingstoezicht</vet></al><al>Tegen het besluit van gedeputeerde staten tot het instellen van
                                preventief begrotingstoezicht kan de gemeente ingevolge artikel 7:1
                                van de Algemene wet bestuursrecht een gemotiveerd bezwaarschrift
                                indienen. Dit bezwaarschrift moet binnen zes weken na de dag van
                                verzending of uitreiking van het besluit worden toegezonden. Het
                                bezwaar moet worden gericht aan gedeputeerde staten.</al><al><vet>Voorlopige voorziening</vet></al><al>Krachtens artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht schorst het
                                bezwaar de werking van dit besluit van gedeputeerde staten niet.
                                Gelet hierop kan – als tegen dit besluit bezwaar wordt aangetekend –
                                ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht bij de
                                Voorzieningenrechter van de Arrondissementsrechtbank van het
                                arrondissement waarin de provincie valt, een verzoek tot het treffen
                                van een voorlopige voorziening worden ingediend. Wij adviseren u een
                                kopie van dit verzoek om een voorlopige voorziening toe te zenden
                                aan gedeputeerde staten.</al><al><vet>Beroepsprocedure tegen de uitspraak op bezwaar</vet></al><al>Ingevolge de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een uitspraak van
                                gedeputeerde staten op bezwaar binnen zes weken na de dag van
                                verzending ervan door belanghebbenden een beroepschrift worden
                                ingediend bij de Arrondissementsrechtbank van het arrondissement
                                waarin de provincie valt. Voorts kan ingevolge artikel 8:81 van de
                                Algemene Wet bestuursrecht (Awb) een verzoek worden ingediend tot
                                het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om
                                voorlopige voorziening moet worden ingediend bij de president van de
                                Arrondissementsrechtbank van het arrondissement waarin de provincie
                                valt. Ook in dit geval ligt het voor de hand een kopie van het
                                verzoek toe te zenden aan gedeputeerde staten. In bijlage 5 is deze
                                procedure in een stroomschema weergegeven.</al><al><vet>Beroepsprocedure tegen het besluit van gedeputeerde staten tot
                                    onthouding van goedkeuring aan de begroting</vet></al><al>De – verplichte – bezwaarprocedure is niet van toepassing op
                                besluiten die de goed- of afkeuring van een ander besluit inhouden
                                (zie Awb artikel 7:1, lid 1, letter c.) Dat betekent dat het
                                gemeentebestuur tegen het besluit van gedeputeerde staten waarbij de
                                goedkeuring aan de door de raad vastgestelde begroting wordt
                                onthouden uitsluitend in beroep kan gaan bij de
                                arrondissementsrechtbank van het arrondissement waarin de provincie
                                valt.</al><al>Ook in deze situatie kan er conform artikel 8:81 van de Awb een
                                verzoek worden ingediend tot het treffen van een voorlopige
                                voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening moet worden
                                ingediend bij de president van de Arrondissementsrechtbank van het
                                arrondissement waarin de provincie valt. Ook in dit geval ligt het
                                voor de hand een kopie van het verzoek toe te zenden aan
                                gedeputeerde staten. In bijlage 6 is deze procedure in een
                                stroomschema weergegeven.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.5 Voordracht schorsing en vernietiging</titel></kop><al>Een toezichthouder kan de Minister van BZK verzoeken besluiten voor
                                te dragen voor schorsing en vernietiging door de Kroon. Dit kan
                                bijvoorbeeld als een gemeente onder preventief toezicht staat en
                                besluiten neemt waardoor verplichtingen worden aangegaan waarvoor de
                                toezichthouder geen goedkeuring heeft gegeven. Dit kan ook in zijn
                                algemeenheid als de toezichthouder besluiten die ter kennisneming
                                zijn ingezonden strijdig acht met het recht of het algemeen belang.
                                De burgemeester en gedeputeerde staten zijn trouwens ieder voor zich
                                wettelijk verplicht (artikel 273 Gemeentewet, respectievelijk 173
                                Provinciewet) een besluit van de raad of van het college van
                                burgemeester en wethouders onder de aandacht van de
                                verantwoordelijke minister te brengen als dat naar hun oordeel voor
                                vernietiging in aanmerking komt. Onder algemeen belang wordt ook
                                verstaan het algemeen financieel belang. Dit is een
                                toetsingscriterium binnen het financiële toezicht op een gemeente.
                                Indien een ter kennisneming ingezonden besluit ertoe zou leiden dat
                                de financiële zelfstandigheid van de gemeente in het geding komt,
                                dan kan de toezichthouder van deze bevoegdheid gebruik maken. Er is
                                immers geen andere manier - naast overleg - om te voorkomen dat deze
                                gemeente in een financieel kwetsbare situatie terecht komt. Dit
                                heeft onder meer te maken met het feit dat een gemeente die niet
                                onder preventief toezicht staat pas met ingang van een volgend
                                begrotingsjaar onder preventief toezicht kan worden gesteld.</al><al> 6. Het beroep tegen een belsuit van provinciale en lokale overheden
                                moet worden ingesteld bij de rechtbank die binnen het rechtsgebied
                                waarin het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen
                                zijn zetel heeft bevoegd is, dus in dit geval de provincie (Algemene
                                wet bestuusrecht artikel 8:7). Tegen een besluit van het rijk wordt
                                beroep ingesteld bij de rechtbank in het rechtsgebied waarin de
                                indiener van het beroep woont, in geval van de instelling van
                                preventief toezicht op een provincie dus ook het rechtsgebied waarin
                                de provincie haar zetel heeft. Als het beroep wordt ingediend bij
                                een andere rechter, dan moet deze het beroepsschrift doorzenden naar
                                de bevoegde rechter (Algemene wet bestuursrecht artikel 6:15). </al><al><vet>Termijnbepalingen</vet></al><al>Een besluit tot het verrichten van een privaatrechtelijke
                                rechtshandeling kan tot 13 weken na bekendmaking worden vernietigd.
                                Daarna niet meer, tenzij het besluit binnen de termijn van 13 weken
                                is geschorst, dan kan het nog worden vernietigd binnen de duur van
                                de schorsing. Voor andere besluiten geldt geen beperkte
                                vernietigingstermijn.</al><al>Indien de burgemeester conform artikel 273 Gemeentewet heeft
                                meegedeeld dat een besluit voor vernietiging in aanmerking komt
                                (binnen twee dagen nadat het besluit hem bekend geworden is), wordt
                                de uitvoering opgeschort tot hetzij de betrokken minister heeft
                                meegedeeld dat er geen reden voor vernietiging is, hetzij 4 weken
                                zijn verstreken zonder dat het besluit is geschorst of
                                vernietigd.</al><al>Schorsing van een besluit schort ook de uitvoering op. De duur van
                                de schorsing wordt in het schorsingsbesluit bepaald, en kan één maal
                                worden verlengd. Schorsing mag hoogstens een jaar duren (inclusief
                                verlenging). Als binnen de schorsingstermijn niet vernietigd is, kan
                                het besluit niet meer worden vernietigd.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.6 Begrotingsscans</titel></kop><al>Indien een gemeente (op termijn) in financieel zwaar weer dreigt te
                                komen, kan een begrotingsscan een instrument zijn om haar financiële
                                positie te (laten) toetsen. Een begrotingsscan is in beginsel een
                                coproductie van de IFLO en de provincie. De IFLO-inspecteur en de
                                provinciale toezichthouder brengen daarbij hun ervaring en kennis op
                                het gebied van het beoordelen van de financiële positie van
                                gemeenten in. Als de scan af is, is de gemeente weer aan zet; zij
                                geeft haar reactie op de begrotingsscan. De provincie volgt de wijze
                                waarop de gemeente met de aanbevelingen, die een relatie hebben met
                                het materieel begrotingsevenwicht, omgaat.</al><al>Afhankelijk waarvoor het instrument wordt ingezet kan de
                                begrotingsscan verschillende doelstellingen hebben. Ten eerste kan
                                de begrotingsscan de gemeente een spiegel voorhouden. De
                                begrotingsscan kan de gemeente helpen om keuzen te maken,
                                bijvoorbeeld bij ombuigingsoperaties of bij ‘nieuw-voor-oud’
                                discussies. Juist door relatieve buitenstaanders naar de gemeente te
                                laten kijken, kunnen vaste denkpatronen worden doorbroken en kunnen
                                nieuwe openingen tot stand komen in discussies binnen de
                                gemeenteraad en tussen de gemeenteraad en het college van
                                burgemeester en wethouders.</al><al>Ten tweede kan de begrotingsscan wellicht een (verdere) cumulatie
                                van financiële problematiek bij gemeenten voorkomen en leiden tot
                                een versterking van de financiële functie binnen gemeenten, ervan
                                uitgaande dat inzicht in de financiële positie leidt tot tijdige
                                maatregelen. Een gemeente die financieel kwetsbaar is, staat voor de
                                taak om oplossingen te vinden die de gemeente financieel weer op het
                                goede spoor brengen. Een nadere analyse van de problematiek,
                                bijvoorbeeld door middel van een begrotingsscan kan de gemeente
                                helpen meer inzicht te krijgen in de problematiek om van daaruit de
                                juiste keuzen te maken.</al><al>Ten derde kan in het geval van een zeer kwetsbare financiële positie
                                van een gemeente de vraag rijzen of de gemeente op eigen kracht
                                financieel nog op orde kan komen In een dergelijke situatie kan een
                                begrotingsscan de mogelijkheid bieden om te verkennen of de gemeente
                                binnen de toelatingstermen van artikel 12 valt, of dat eerst andere
                                maatregelen moeten worden genomen. Het kan gemeenten tevens inzicht
                                geven in de aandachtspunten bij en de mogelijke consequenties van
                                een eventuele artikel 12-aanvraag (préartikel 12-fase).</al><al>7. Zie <extref doc="http://www.minbzk.nl/IFLO">www.minbzk.nl/IFLO</extref> onder begrotingsscan </al><al>Er zijn overigens meer methoden om de financiële positie van een
                                gemeente te analyseren. De gemeente kan dit bijvoorbeeld zelf doen
                                met behulp van de begrotingsanalyse (zelftoets), die de IFLO op
                                Internet heeft geplaatst. Daarnaast zijn er provincies die hun
                                toezichtproces zo hebben ingericht dat de financiële positie van
                                elke gemeente elke vier of vijf jaar diepgaand wordt onderzocht en
                                waarover vervolgens aan de gemeente verslag wordt gedaan.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.7 Artikel 12</titel></kop><al>Mocht een gemeente er uiteindelijk toch niet in slagen de financiële
                                eindjes aan elkaar te knopen, dan resteert alleen nog maar het
                                vangnet van de financiële verhouding: artikel 12. In de
                                Financiële-verhoudingswet is geregeld dat een beroep op artikel 12
                                kan worden gedaan indien de algemene middelen van een gemeente
                                aanmerkelijk en structureel tekort schieten om in de noodzakelijke
                                behoeften te voorzien, terwijl de eigen inkomsten van de gemeente
                                zich op een redelijk peil bevinden. In de Handleiding Artikel 12 Fvw
                                worden nader op deze begrippen ingegaan. Deze handleiding vormt
                                tevens het uitgangspunt voor de behandeling van artikel 12-verzoeken
                                van gemeenten. Het redelijk peil wordt jaarlijks door de beheerders
                                van het gemeentefonds vastgesteld en in de meicirculaire bekend
                                gemaakt.</al><al>8. Zie <extref doc="http://www.minbzk.nl/IFLO">www.minbzk.nl/IFLO</extref> onder begrotingsanalyse</al><al>9. Zie <extref doc="http://www.minbzk.nl/IFLO">www.minbzk.nl/IFLO</extref> onder artikel 12 </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>5 Informatie van de toezichthouder</titel></kop><structuurtekst><al>Wat kan een toezichthouder betekenen voor de onder toezichtstaande?
                                In de eerste plaats kan een toezichthouder iets betekenen voor een
                                onder toezichtstaande als de gemeente geen materieel
                                begrotingsevenwicht heeft of dat dreigt niet meer te hebben. In die
                                gevallen heeft de toezichthouder een taak in het proces waarbij de
                                gemeente weer orde op zaken stelt. Verder beschikt de toezichthouder
                                ook over veel informatie. Die informatie is interessant voor
                                gemeenten, de toezichthouder en BZK als verantwoordelijke voor het
                                beleid betreffende de financiële functie. De informatie kan in
                                diverse vormen terugkomen richting gemeenten. Hieronder wordt daar
                                kort op ingegaan.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>5.1 Handreikingen</titel></kop><al>Hoewel het BBV al sinds de begroting 2004 van kracht is, is er op
                                diverse terreinen van de begroting nog steeds sprake van een
                                groeiproces. Dit geldt in het bijzonder voor de paragrafen. Vanwege
                                dit groeiproces en vanwege het belang van de paragrafen voor het
                                verkrijgen van inzicht in het materieel begrotingsevenwicht werken
                                de toezichthouders, samen met BZK aan handreikingen voor de
                                paragrafen. Afhankelijk van ontwikkelingen en bevindingen van
                                toezichthouders kunnen er andere handreikingen of documenten tot
                                stand komen of bijeenkomsten plaatsvinden, om de kennis rond de
                                onderwerpen te delen. Zo zijn er de afgelopen jaren in de meeste
                                provincies regiobijeenkomsten geweest over onderwerpen als onderhoud
                                kapitaalgoederen, de duale begroting en het vernieuwde
                                toezicht.</al></artikel><artikel><kop><titel>5.2 Toezichtthema’s</titel></kop><al>Jaarlijks wordt er een toezichtthema afgesproken. Het gaat dan om
                                een thema dat van belang is voor de financiële positie en waarover
                                nadere informatie nuttig is. Deze informatie is nuttig voor de
                                toezichthouder en voor de onder toezichtstaande; deze krijgt over
                                dit onderwerp een specifieke terugkoppeling. Daarnaast geeft een
                                toezichtthema ook algemeen inzicht in het onderwerp, zeker als de
                                bevindingen van alle toezichthouders en dus van alle gemeenten naast
                                elkaar wordt gezet. In de rapportage van de toezichthouders aan BZK
                                speelt het toezichtthema dan ook een belangrijke rol. BZK zorgt er
                                vervolgens voor dat de informatie naar de kamer gaat en ook wordt
                                opgenomen in de jaarlijkse evaluatie van de financiële functie,
                                zodat ook alle gemeenten gemakkelijk kunnen beschikken over deze
                                informatie (zie verder 5.3.2).</al></artikel><artikel><kop><titel>5.3 Rapportages</titel></kop><al><vet>5.3.1 Rapportages van de toezichthouder</vet></al><al>Toezichthouders hebben uiteraard ook veel informatie over de
                                begrotingsruimte, belastingen, financiële positie en bijvoorbeeld de
                                ruimte voor nieuw beleid. Een aantal van de toezichthouders
                                verzamelt en bewerkt deze informatie en stuurt het naar de
                                gemeenten, zodat deze zichzelf kunnen vergelijken met andere
                                gemeenten.</al><al><vet>5.3.2 Gezamenlijke rapportage</vet></al><al>Het is niet voor alle toezichthouders opportuun een rapportage te
                                maken en naar gemeenten te sturen. Daarnaast hebben de provincies
                                verschillende toezichtsystemen waardoor het niet gemakkelijk is de
                                gegevens van de diverse toezichthouders naast elkaar te leggen.
                                Desalniettemin is het toch voor gemeenten, toezichthouders en voor
                                BZK als systeemverantwoordelijke belangrijk te weten welke
                                ontwikkelingen plaatsvinden ten aanzien van preventief toezicht en
                                het begrotingsevenwicht. Bepaalde basisinformatie wordt daarom
                                jaarlijks door de toezichthouders verzameld en verwerkt in een
                                rapportage die aan de minister van BZK wordt gestuurd, deze stuurt
                                de rapportage vervolgens door naar de Tweede Kamer. Deze rapportage
                                is sinds 2002 gebruikelijk. Om vergelijkbare gegevens te krijgen
                                wordt jaarlijks ambtelijk voorbereid hoe de rapportage eruit zal
                                zien. Vervolgens wordt de rapportage bestuurlijk vastgesteld.</al><al>Uitgangspunten van de informatie in de rapportage zijn:</al><lijst><li nr="-"><al> de informatie geeft inzicht in de ontwikkeling van de
                                        financiële positie van gemeenten</al></li><li nr="-"><al> individuele gemeenten zijn niet herkenbaar. Het gaat om
                                        informatie, zoals hoeveel gemeenten in een jaar geen
                                        materieel sluitende begroting hebben.</al></li><li nr="-"><al> het betreft informatie die de toezichthouder logischerwijs
                                        al heeft</al></li><li nr="-"><al> de informatie is concreet, dat wil bijvoorbeeld zeggen
                                        bevindingen worden zoveel mogelijk onderbouwd.</al></li><li nr="-"><al> de informatie in de rapportage overlapt niet met andere
                                        informatie, zoals de informatie in het Periodiek
                                        onderhoudsrapport gemeentefonds.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Deel II overige toezichtonderwerpen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>6 Indemniteitsprocedure</titel></kop><structuurtekst><al>Met ingang van 2004 is in de Gemeentewet de zogenaamde
                                indemniteitsprocedure opgenomen. Deze procedure is om twee redenen
                                van belang voor toezicht. In de eerste plaats kan de
                                indemniteitsprocedure leiden tot vertraging van inzending van de
                                jaarrekening, waardoor deze te laat wordt ingezonden. In de tweede
                                plaats kan het ertoe leiden dat de toezichthouder de jaarrekening
                                en/of het indemniteitsbesluit moet vaststellen. Hieronder wordt
                                eerst kort de procedure uitgelegd. Vervolgens wordt ingegaan op de
                                betekenis ervan voor toezicht.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>6.1 De procedure</titel></kop><al>Vanaf de jaarrekening 2004 wordt de persoonlijke financiële
                                aansprakelijkheid van collegeleden voor onrechtmatigheden ex artikel
                                201 Gemeentewet vervangen door de indemniteitsprocedure. De reden
                                hiervoor is dat de persoonlijke aansprakelijkheid niet langer in
                                overeenstemming is bevonden met een volgroeid concept van politieke
                                verantwoording.</al><al>De indemniteitsprocedure houdt in dat als de raad van oordeel is dat
                                er baten, lasten of balansmutaties in de jaarrekening zijn opgenomen
                                die niet rechtmatig tot stand zijn gekomen de raad het college
                                vraagt een indemniteitsbesluit in te dienen. Vervolgens kan de raad
                                dit besluit aannemen (dan is de procedure afgerond) of verwerpen.
                                Voorts kan de raad (ongeacht of hij het indemniteitsbesluit aanneemt
                                of verwerpt) eventueel politieke gevolgen aan de procedure
                                verbinden. In het uiterste geval kan een college of een wethouder
                                worden weggestuurd.</al><al>De accountantsverklaring speelt een sleutelrol bij het oordeel van
                                de raad of er sprake is van onrechtmatigheden. Echter het oordeel of
                                er sprake is van een dusdanige onrechtmatigheid dat een
                                indemniteitsbesluit moet worden ingediend is aan de raad, niet aan
                                de accountant.</al></artikel><artikel><kop><titel>6.2 Vertraging van inzending van de jaarrekening</titel></kop><al>Indien de raad het college vraagt om een indemniteitsbesluit in te
                                dienen dan kan de raad de jaarrekening niet vaststellen dan nadat de
                                raad over het indemniteitsbesluit heeft besloten. Voorts moet bij
                                het toezenden van de jaarrekening naar de toezichthouder ook het
                                indemniteitsbesluit gevoegd worden. Het is dus mogelijk dat er bij
                                een indemniteitsprocedure vertraging optreedt met het opsturen van
                                de jaarrekening, waardoor de termijn van 15 juli wordt overschreden.
                                Dit betekent dat preventief toezicht kan worden ingesteld, zie
                                verder onder 3.4.</al></artikel><artikel><kop><titel>6.3 Vaststellen van het indemniteitsbesluit of de
                                    jaarrekening door de toezichthouder</titel></kop><al>Artikel 201 van de Gemeentewet schrijft voor dat indien de raad de
                                jaarrekening of een indemniteitsbesluit niet of niet naar behoren
                                vaststelt gedeputeerde staten dit doen. Dit is een formaliteit, maar
                                dient wel te geschieden anders is de jaarrekening niet vastgesteld
                                en kan het bestuur niet worden gedechargeerd. Het niet vaststellen
                                van de jaarrekening of het indemniteitsbesluit door de raad kan
                                vergezeld gaan van een politieke procedure, zoals het wegsturen van
                                collegeleden. Dat neemt niet weg dat het vaststellen door
                                gedeputeerde staten een formaliteit is. Overigens verdient het de
                                voorkeur dat de raad wel de jaarrekening en het indemniteitsbesluit
                                zelf vast stelt, omdat de politieke discussie ook dan gevoerd kan
                                worden (zoals aangegeven onder 6.1).</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>7 Toezicht op gemeenschappelijke regelingen</titel></kop><structuurtekst><al>Er ligt een voorstel tot wijziging van het financieel toezicht op
                                gemeenschappelijke regelingen (GR). Deze wijziging houdt in dat het
                                toezicht op de GR wordt afgeschaft en de verantwoordelijkheid voor
                                het toezicht komt te liggen bij de deelnemers in de regeling. De
                                gedachte hierachter is dat het gaat om verlengd lokaal bestuur. De
                                deelnemers bekostigen de regeling, hebben taken en bevoegdheden
                                overgedragen en hebben er dan ook belang bij dat de GR naar behoren
                                functioneert, ook in financieel opzicht. Voorwaarde voor afschaffing
                                van het financieel toezicht is dat de financiële functie van de
                                gemeenschappelijke regeling en het zicht van de deelnemende
                                gemeenten op de GR wordt versterkt, door de Wet gemeenschappelijke
                                regelingen en het BBV aan te scherpen. Met deze aanscherping worden
                                partijen minimaal 2 jaar in de gelegenheid gesteld de afschaffing
                                van het verticaal toezicht te bezien. Het wijzigingsvoorstel,
                                waarmee het vakberaad gemeentefinanciën (ambtelijk interprovinciaal
                                overlegorgaan) heeft ingestemd, zal voor advies worden voorgelegd
                                aan het IPO, de VNG en andere betrokken partijen. De vertaling
                                hiervan in wetgeving zal worden meegenomen in het traject tot
                                bestendiging van het monisme in de Wgr. Naar verwachting zal dit
                                traject in 2007 worden gestart. Tot het moment van inwerkingtreding
                                van de herziene Wgr blijft het financieel toezicht op de GR een taak
                                van de toezichthouder.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>8 OZB</titel></kop><structuurtekst><al>In verband met het schrappen van de beperking van de tarieven OZB is
                                per 1 januari 2008 de Gemeentewet gewijzigd. Met deze wijziging zijn
                                de bepalingen over maximumtarieven, het stijgingspercentage en het
                                ontheffingenbeleid van de provincie komen te vervallen en is er een
                                zogenoemde macronorm ingesteld.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>9 Toezicht vanuit de Wet fido</titel></kop><structuurtekst><al>Sinds 2001 is de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido)
                                van kracht. Deze wet, die de Wet financiering lagere overheden (Wet
                                Filo) vervangt, tracht een solide financieringswijze bij openbare
                                lichamen te bevorderen. Dit door het vermijden van grote fluctuaties
                                in de rentelasten, welke nadelig zouden kunnen zijn voor de
                                financiële positie. Daarnaast beoogt de Wet fido een kader te geven
                                voor de reikwijdte van de financieringsfunctie, tracht de wet de
                                transparantie te bevorderen en de autonomie van de openbare lichamen
                                te stimuleren. Dit terwijl de rapportageverplichtingen in de Wet
                                fido zijn afgenomen ten opzichte van de Wet filo.</al><al>De toezichthouder heeft een aantal taken dat uit de Wet fido
                                voortvloeit. De meest expliciete taak heeft de toezichthouder ten
                                aanzien van de kasgeldlimiet en de renterisiconorm. Daarnaast beziet
                                de toezichthouder ook het onderdeel in de 212-verordening dat over
                                financiering gaat en de financieringsparagraaf in de begroting en
                                het jaarverslag. Deze taken vallen echter onder het
                                begrotingstoezicht en zijn derhalve impliciet onderdeel van Deel I.
                                Tot slot kunnen gedeputeerde staten besluiten die strijdig zijn met
                                de wet voor vernietiging voordragen; zie verder onder 4.5.</al><al>In dit hoofdstuk wordt verder kort de strekking van de Wet fido
                                gegeven. Vervolgens wordt ingegaan op de taken van de toezichthouder
                                vanuit de Wet fido. Dit gebeurt in de paragrafen 9.2 en 9.3. De Wet
                                fido is in 2006 geëvalueerd. Eventuele wijzigingen naar aanleiding
                                van deze evaluatie zullen te zijner tijd in dit toezichtkader worden
                                verwerkt.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>9.1 De Wet fido</titel></kop><al>De Wet fido bepaalt dat het aangaan van leningen, het uitzetten van
                                middelen of het verlenen van garanties alleen mag voor de publieke
                                taak. Enige uitzondering hierop is het uitzetten van overtollige
                                middelen. Deze uitzettingen dienen dan een prudent karakter te
                                hebben en niet gericht te zijn op het genereren van inkomsten door
                                het lopen van overmatig risico. Daarnaast bepaalt de Wet fido dat de
                                gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal niet de kasgeldlimiet
                                (bepaald in de Uitvoeringsregeling financiering decentrale
                                overheden) overschrijdt en dat het renterisico op de vaste schuld
                                van de gemeente de renterisiconorm (bepaald in de
                                uitvoeringsregeling), niet overschrijdt. De gemeenten zijn zelf
                                verantwoordelijk voor het naleven van deze bepalingen. Hieronder
                                wordt kort op deze vier onderdelen ingegaan.</al><al><vet>9.1.1 Publieke taak</vet></al><al>Gemeenten mogen leningen geven, garanties verstrekken en middelen
                                uitzetten voor de publieke taak. Wat de publieke taak is wordt
                                overgelaten aan de gemeente zelf. Het is daarbij van belang dat wat
                                de gemeente als publieke taak beschouwt, wordt gemotiveerd en
                                onderbouwd. Deze motivering moet voldoende transparant zijn, zodat
                                de raad ermee uit de voeten kan. De autonomie wordt wel beperkt door
                                algemene wetgeving als ook door de Wet fido.</al><al><vet>9.1.1.1 Evaluatie Wet fido en de publieke taak</vet></al><al>Naar aanleiding van de evaluatie van de Wet fido zal de wetgever er
                                naar streven de beleidsruimte verder in te perken voor near banking,
                                aandeelhoudersschap, hypothecaire leningen voor eigen personeel,
                                inclusief politieke ambtsdragers en sociaal krediet. Near banking
                                (lenen om weer tegen een hogere rente uit te lenen) is al verboden
                                en een verbod op hypothecaire leningen staat nu ter discussie. Met
                                betrekking tot sociaal krediet is er een afspraak gemaakt tussen de
                                NVVK (koepel van de sociale kredietbanken), de VNG en het Ministerie
                                van Financiën over het verlenen van een op hoofdlijnen ingekaderd
                                sociaal krediet. De Tweede Kamer heeft hiermee ingestemd. Een optie
                                die wordt overwogen is zelfregulering: alle sociale kredietbanken
                                zouden de gemaakte afspraak opnemen in hun statuten/reglementen en
                                die voor goedkeuring voorleggen aan de gemeenten en provincies.</al><al> In artikel 4:37 Wet financieel toezicht (per 1-1-2007 ingevoerd) is
                                nu geregeld dat een reglement nodig is voor de bedrijfsvoering van
                                een gemeentelijke kredietbank. Dit reglement heeft de goedkeuring
                                nodig van GS, die er zo op kan toezien dat de gemeentelijke
                                kredietbanken de gemaakte afspraak over de reikwijdte van de
                                publieke taak naar behoren in hun reglementen hebben opgenomen.</al><al>Ook kan de toezichthouder vragen om een verantwoording over door de
                                gemeente aangetrokken leningen, verstrekte leningen of verleende
                                garanties. Hetzelfde, maar in nog sterkere mate, geldt voor
                                deelnemingen. Zoals in hoofdstuk 10 wordt uitgewerkt geldt er voor
                                het aangaan van deelnemingen in privaatrechtelijke rechtspersonen
                                een afzonderlijke bepaling in de Gemeentewet. Ook in deze bepaling
                                staat voorop dat de gemeente de deelneming heeft voor de publieke
                                taak en dat de gemeente zelf onderbouwt wat die publieke taak is
                                (zie verder hoofdstuk 10).</al><al><vet>9.1.2 Prudent beheer</vet></al><al>Het is toegestaan financiële derivaten te hanteren en uitzettingen
                                te doen van (tijdelijke) overtollige middelen. Het bepaalde rond de
                                publieke taak geldt dan niet. Algemeen uitgangspunt bij het
                                uitzetten van overtollige middelen is dat deze middelen zoveel
                                mogelijk zijn berekend aan de hand een liquiditeitsbegroting of
                                liquiditeitsplanning. Bij toekomstige behoefte aan liquide middelen
                                worden in beginsel beschikbare overtollige middelen aangesproken in
                                plaats van hiervoor een beroep op de geld- en/of kapitaalmarkt te
                                doen.</al><al>In de ‘Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden’ zijn
                                aanvullende bepalingen opgenomen voor prudent beheer. Het gaat om de
                                volgende bepalingen:</al><lijst><li nr="-"><al> het uitzetten van gelden en het afsluiten van derivaten kan
                                        alleen bij financiële instellingen met minimaal een
                                        A-rating, instellingen waarvoor een solvabiliteitsratio van
                                        0% geldt voor de waardepapieren of een financiële instelling
                                        met een kredietwaardigheid vergelijkbaar met een A-rating.
                                        Indien wordt gekozen voor de laatst genoemde categorie
                                        financiële instellingen dan dient dit te worden vastgelegd
                                        en onderbouwd in de 212-verordening en in de
                                        financieringsparagraaf bij de begroting en het
                                        jaarverslag;</al></li><li nr="-"><al> ten aanzien van de te hanteren financiële instrumenten
                                        gelden de voorwaarden van hoofdsomgarantie (per eind van de
                                        looptijd) en vastrentende waarden;</al></li><li nr="-"><al> derivaten mogen uitsluitend worden aangewend om financiële
                                        risico’s te beperken.</al></li></lijst><al>Daarnaast geldt voor uitzettingen (evenals voor aangetrokken en
                                gegarandeerde leningen) dat deze in euro’s moeten zijn en dat de
                                hoofdsom niet is geïndexeerd. Dit is geregeld in het Besluit
                                leningvoorwaarden decentrale overheden.</al><al><vet>9.1.3 Kasgeldlimiet</vet></al><al>Korte financiering dient er voor om tijdelijke liquiditeitstekorten
                                voor de financiering van lopende uitgaven op te vangen. De
                                kasgeldlimiet stelt een grens aan de korte financiering. Hiermee kan
                                het renterisico op korte financiering worden beperkt. Voor korte
                                financiering kan het renterisico aanzienlijk zijn, waardoor
                                fluctuaties in de korte rente direct een relatief grote impact op de
                                rentelasten hebben. De kasgeldlimiet is gekoppeld aan het
                                begrotingstotaal; dat wil zeggen de totale lasten van de begroting,
                                inclusief tegelijkertijd met de begroting vastgestelde
                                begrotingswijzigingen van de begroting, zoals vastgesteld door de
                                gemeenteraad. In de praktijk is dat de begroting zoals die naar de
                                toezichthouder wordt gezonden. Door het relateren van de maximale
                                korte financiering aan de begroting wordt een grens gesteld aan de
                                mogelijkheid om de lopende uitgaven kort te financieren.</al><al><vet>9.1.3.1 Evaluatie Wet fido en de kasgeldlimiet</vet></al><al>In de evaluatie van de Wet fido (Tweede Kamer, vergaderingen
                                2005-2006, 30547, nr. 1) is door de ministers van BZK, Financiën en
                                Verkeer en Waterstaat voorgesteld het toezicht op de kasgeldlimiet
                                meer in te bedden in het reguliere begrotingstoezicht. De
                                kwartaalrapportages vervallen in het externe verkeer, wel blijven ze
                                nodig voor de interne processen. De informatie over de kasgeldlimiet
                                wordt opgenomen in de financieringsparagraaf bij de begroting en het
                                jaarverslag. En er komt een meldplicht. Als in drie
                                achtereenvolgende rapportages de kasgeldlimiet wordt overschreden,
                                wordt de toezichthouder daarvan op de hoogte gesteld. Daarbij geeft
                                het desbetreffende openbaar lichaam in een plan aan hoe men aan de
                                kasgeldlimiet denkt te zullen gaan voldoen. De toezichthouder kan,
                                indien hij het plan ontoereikend acht, net als nu, bepalen dat zijn
                                toestemming is vereist voor het aangaan van nieuwe leningen. De
                                mogelijkheden voor het verlenen van ontheffingen of voor het geven
                                van aanwijzingen blijven ongewijzigd.</al><al><vet>9.1.4 Renterisiconorm</vet></al><al>Gemeenten hebben vaste schulden. Deze kennen een renterisico, als de
                                rente wordt aangepast. Indien de rente stijgt, leidt dat tot
                                stijgende lasten. De rente wordt met name aangepast bij
                                herfinanciering van schuld. Het is daarom van belang dat de
                                leningenportefeuille met een zekere meerjarige spreiding van de
                                herfinanciering is opgebouwd. Hierdoor wordt het renterisico
                                ingeperkt. De renterisiconorm geeft daar het kader voor. De
                                renterisiconorm is vastgelegd in de uitvoeringsregeling en kan
                                worden berekend door een vastgesteld percentage te vermenigvuldigen
                                met de totale vaste schuld.</al><al><vet>9.1.4.1 Evaluatie Wet fido en de renterisiconorm</vet></al><al>In de evaluatie van de Wet fido (Tweede Kamer, vergaderingen
                                2005-2006, 30547, nr. 1) is door de ministers van BZK, Financiën en
                                Verkeer en Waterstaat voorgesteld om de genoemde grondslag van de
                                vaste schuld te vervangen door het begrotingstotaal. Voor gemeenten
                                met een lagere vaste schuld dan het begrotingstotaal geeft dat de
                                mogelijkheid om soepeler en efficiënter om te gaan met de
                                herfinanciering. Gemeenten met een hogere vaste schuld dan het
                                begrotingstotaal zullen een langere spreidingsperiode voor
                                herfinanciering nodig hebben (ten opzichte van de huidige
                                norm).</al></artikel><artikel><kop><titel>9.2 De toezichthouder en de kasgeldlimiet</titel></kop><al>De toezichthouder bekijkt of de gemeente met de netto vlottende
                                schuld binnen de kasgeldlimiet blijft. Essentieel hiervoor is dat de
                                toezichthouder de noodzakelijke informatie op tijd ontvangt. Welke
                                informatie wanneer moet worden aangeleverd is geregeld in de
                                uitvoeringsregeling. Voor de kasgeldlimiet-kwartaalrapportage wordt
                                inzending vóór het einde van ieder kwartaal verlangd. Bij niet
                                inzenden kan de toezichthouder niet anders dan veronderstellen dat
                                de kasgeldlimiet wordt overschreden.</al><al>Bij overschrijding van de kasgeldlimiet past de toezichthouder de
                                bepalingen in artikel 4 van de Wet fido toe. Dit houdt een oplopend
                                toezichtregime in. Na de eerste overschrijding kan de toezichthouder
                                dit melden en overleg vragen. Ingeval van overschrijding gedurende
                                twee opeenvolgende kwartalen geeft de toezichthouder een aanwijzing
                                om maatregelen te treffen. Bij een overschrijding gedurende drie
                                opeenvolgende kwartalen kan de toezichthouder voorafgaand toezicht
                                instellen op het aangaan van nieuwe korte geldleningen en is de
                                gemeente verplicht een plan op te stellen om de overschrijding
                                teniet te doen. Het plan behoeft de goedkeuring van de
                                toezichthouder.</al><al>Als een gemeente verwacht gedurende een bepaalde periode de
                                kasgeldlimiet te gaan overschrijden, dan kan de gemeente
                                schriftelijk ontheffing bij de toezichthouder vragen. In deze
                                ontheffingsaanvraag moet de gemeente een onderbouwing van de
                                noodzaak, het incidentele karakter van de overschrijding en het
                                bedrag van de ontheffing aangeven. Bij voorkeur dient de gemeente de
                                aanvraag in vóór aanvang van de periode. De toezichthouder kan de
                                ontheffing voor een periode van maximaal twee kwartalen verlenen en
                                er voorschriften en beperkingen aan verbinden.</al><al> 10. Opgave van het laatst berekende gemiddelde netto-vlottende
                                schuld en de kasgeldlimiet voor het betreffende kalenderjaar. </al></artikel><artikel><kop><titel>9.3 De toezichthouder en de renterisiconorm</titel></kop><al>De toezichthouder bekijkt ook of de vaste schuld voldoet aan de
                                renterisiconorm. Voor de renterisiconorm is in de
                                uitvoeringsregeling aangegeven dat inzending samen met het
                                jaarverslag plaatsvindt en dat tevens een prognose wordt gegeven in
                                de financieringsparagraaf in de begroting.</al><al>Bij (dreigende) overschrijding van de renterisiconorm start de
                                toezichthouder overleg met de gemeente. Vervolgens kan de
                                toezichthouder een aanwijzing geven om de overschrijding teniet te
                                doen en tenslotte kan de toezichthouder besluiten dat besluiten voor
                                het aangaan van nieuwe vaste geldleningen zijn goedkeuring behoeven.
                                Tevens is de gemeente verplicht een plan op te stellen om de
                                overschrijding teniet te doen. Het plan behoeft de goedkeuring van
                                de toezichthouder. Als een gemeente de noodzakelijke informatie over
                                de renterisiconorm niet opneemt in de financieringsparagraaf in het
                                jaarverslag en in de financieringsparagraaf bij de begroting dan zal
                                de toezichthouder de gemeente daarop schriftelijk aanspreken.</al><al>Voor een verwachte overschrijding van de renterisiconorm kan een
                                gemeente bij de toezichthouder een aanvraag voor ontheffing
                                indienen. In deze aanvraag geeft de gemeente de onderbouwing van de
                                noodzaak van de ontheffing, het incidentele karakter van de
                                overschrijding en het bedrag van de ontheffing aan. Bij voorkeur
                                wordt de aanvraag ingediend vóórdat de overschrijding optreedt. De
                                toezichthouder zal bij verlening van de ontheffing mede de
                                financiële positie in ogenschouw nemen. Hij zal geen ontheffing
                                verlenen, indien de financiële positie van de gemeente een groter
                                renterisico dan de norm niet toelaat. Aan de ontheffing kunnen
                                voorschriften en beperkingen worden verbonden.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>10 Goedkeuring van deelnemingen of oprichting van
                                deelnemingen</titel></kop><structuurtekst><al>Een gemeente kan besluiten tot het aangaan van deelnemingen in
                                privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals stichtingen, maatschappen,
                                vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge
                                waarborgmaatschappijen. Ook kan een gemeente besluiten een
                                privaatrechtelijke rechtspersoon op te richten. Indien een gemeente
                                tot deelneming of oprichting overgaat, behoeft dit besluit
                                goedkeuring van gedeputeerde staten. Hieronder wordt ingegaan op het
                                besluit zelf en vervolgens op de rol van de toezichthouder. Dit
                                onderwerp raakt aan toezicht vanuit de Wet fido, zie verder
                                hoofdstuk 9.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>10.1 Besluit tot deelneming</titel></kop><al>Een gemeente kan besluiten tot deelneming in of oprichting van een
                                privaatrechtelijke rechtspersoon. Het gaat dan om een deelname in
                                een rechtspersoon waar tot dan toe niet in werd deelgenomen, als ook
                                om essentiële wijzigingen in de deelname die het karakter (de
                                doelstelling) van de oorspronkelijke deelneming veranderen.</al><al>Het besluit tot deelname wordt sinds het in werking treden van de
                                Wet dualisering gemeentebestuur genomen door het college. Wel dient
                                het college eerst een ontwerpbesluit naar de raad te sturen, waarna
                                de raad zijn wensen en bedenkingen aan het college kan doorgeven
                                .</al><al>Het besluit tot deelname of oprichting dient aan twee voorwaarden te
                                voldoen:</al><lijst><li nr="1. "><al>de privaatrechtelijke rechtspersoon is de meest aangewezen
                                        weg. Belangrijk is de onderbouwing van de keuze voor een
                                        privaatrechtelijke rechtspersoon, deze heeft immers niet de
                                        voorkeur. De voorkeur is een publiekrechtelijke regeling,
                                        omdat deze een zwaarder accent op de democratische controle
                                        en verantwoording heeft;</al></li><li nr="2."><al> de deelname in of oprichting van de privaatrechtelijke
                                        rechtspersoon dient een openbaar belang, zo mag een gemeente
                                        bijvoorbeeld geen deelname in een privaatrechtelijke
                                        rechtspersoon hebben uitsluitend voor het financieel
                                        gewin.</al></li></lijst><al>Deze voorwaarden betekenen dat het college bij zijn besluit dient
                                aan te geven waarom is gekozen voor de privaatrechtelijke weg en
                                voorts dient het college te onderbouwen waarom en hoe de deelname
                                het openbaar belang dient.</al></artikel><artikel><kop><titel>10.2 Goedkeuring door de toezichthouder</titel></kop><al>Het besluit tot deelname in of oprichting van een privaatrechtelijke
                                rechtspersoon wordt ter goedkeuring naar gedeputeerde staten
                                gestuurd. Goedkeuring kan alleen worden onthouden wegens strijd met
                                het recht of het algemeen belang. Globaal betekent dit dat de
                                toezichthouder toetst of de onderbouwing van beide voorwaarden waar
                                bij deelname aan moet worden voldaan (zie onder 8.1) voldoende
                                stevig is. Daarnaast beziet de toezichthouder of de procedure
                                correct is gevolgd en de raad in de gelegenheid is gesteld te
                                reageren. Tot slot, gaat de toezichthouder na of de gemeente
                                voldoende is nagegaan welke financiële risico’s er zijn en of deze
                                adequaat zijn verwerkt in bijvoorbeeld de begroting.</al><al><sup>1.</sup> Bij gemeenschappelijke regelingen beslist het algemeen bestuur over
                                het aangaan van deelnemingen. De reden hiervoor is dat
                                gemeenschappelijke regelingen niet zijn gedualiseerd. De
                                Gemeentewet, zoals die luidde voor de Wet dualisering
                                gemeentebestuur, geldt voor de gemeenschappelijke regelingen. Alleen
                                voor de artikelen 186 tot en met 213 geldt de huidige Gemeentewet.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>11 Toezicht vanwege herindeling <sup>12</sup></titel></kop><structuurtekst><al>Bij herindeling worden de desbetreffende gemeenten onder preventief
                                toezicht gesteld. De reden hiervoor is het voorkomen van
                                potverteren. Toezicht vanwege herindeling heeft dus een andere reden
                                dan het preventief toezicht dat in deel I is besproken. Ook ziet het
                                toezicht vanwege herindeling er iets anders uit. Gedurende het
                                eerste jaar na herindeling staat de gemeente ook onder preventief
                                toezicht, maar dan gaat het om het ‘standaard’ begrotingstoezicht
                                zoals beschreven in deel I. Hieronder wordt ingegaan op de
                                wettelijke bepalingen van toezicht vanwege herindeling en de wijze
                                waarop dat toezicht eruit ziet.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>11.1 Herindeling</titel></kop><al>Op grond van artikel 21 van de Wet algemene regels herindeling (Wet
                                arhi) kunnen gedeputeerde staten besluiten aanwijzen die de
                                goedkeuring behoeven. Dit kan met ingang van de dag waarop een
                                gemeente volgens een herindelingontwerp, een herindelingadvies of
                                een voorstel van wet in aanmerking komt om te worden opgeheven.
                                Gedeputeerde staten kunnen besluiten aanwijzen die kunnen leiden tot
                                nieuwe lasten, verhoging van bestaande lasten of verlaging van
                                bestaande baten of vermindering van vermogen. De bevoegdheid is dus
                                ruimer dan alleen de besluiten omtrent de begroting en de
                                begrotingswijzigingen, zoals besproken in deel I. Het toezicht
                                vanwege herindeling vervalt op de datum van herindeling of de datum
                                waarop de Minister van BZK bepaalt dat het toezicht vanwege
                                herindeling is vervallen.</al><al>Doel van dit toezichtinstrumentarium is, zoals gezegd, het voorkomen
                                van potverteren. Goedkeuring aan de besluiten kan daarom worden
                                onthouden, indien een besluit van een op te heffen gemeente naar het
                                oordeel van gedeputeerde staten in strijd is met het financiële
                                belang van de gemeente(n) waarvan het gebied van die gemeente zal
                                gaan deel uitmaken. Uitgangspunt bij de uitoefening van toezicht
                                vanwege herindeling is het financiële belang van de nieuw te vormen
                                gemeente. Daarbij zal de toezichthouder ernaar streven dat reguliere
                                ontwikkelingen in de bij de herindeling betrokken gemeenten niet
                                zullen worden geblokkeerd.</al><al>Er kunnen grofweg drie soorten besluiten tot nieuwe lasten,
                                verhoging bestaande lasten, verlaging bestaande baten of
                                vermindering van vermogen worden onderscheiden. Namelijk besluiten
                                die alleen de gemeente zelf raken, besluiten die meerdere her in te
                                delen gemeenten betreffen en besluiten die de nieuwe gemeente
                                betreffen. Deze indeling in drie soorten is relevant voor waar de
                                toezichthouder naar kijkt. Het onderscheid is voor de toezichthouder
                                van belang. De eerste soort is relatief eenduidig en wordt hier
                                verder niet besproken.</al><al>Bij de tweede soort is het voor de toezichthouder van belang te
                                weten wat de beoogde partnergemeente(n) van het besluit vinden. Het
                                ligt daarom in de rede dat het gemeentebestuur bij de inzending van
                                besluiten, zoals het besluit tot het doen verhogen van lasten,
                                aangeeft wat de uitkomsten zijn van het gevoerde overleg met de
                                beoogde partnergemeente(n). In gevallen dat niet van onderlinge
                                afstemming blijkt, kunnen gedeputeerde staten er toe overgaan het
                                besluit zelf aan de desbetreffende partnergemeente(n) voor te
                                leggen.</al><al>Bij de derde soort besluiten gaat het om beslissingen die de
                                besturen van de bestaande gemeenten, vooruitlopend op de concrete
                                effectuering van de herindeling, moeten nemen over zaken, die in
                                feite de nieuw te vormen gemeente betreffen. Dit kan gaan om
                                beslissingen op allerlei terreinen. Veel besluiten hebben financiële
                                consequenties. Dergelijke beslissingen kunnen meestal niet wachten
                                op besluitvorming door de gemeenteraad van de nieuw te vormen
                                gemeente. Aan besluiten van bestaande gemeenten tot het doen van
                                uitgaven die voortvloeien uit de herindeling wordt goedkeuring
                                verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="-"><al> Het lasten betreft die niet of beter niet uitgesteld kunnen
                                        worden tot na de datum van herindeling;</al></li><li nr="- "><al>Er zekerheid bestaat over de invoering van de
                                        herindeling;</al></li><li nr="-"><al> Er tussen de toekomstige partners overeenstemming is over
                                        de lasten;</al></li><li nr="- "><al>Op een aanvaardbare wijze (reëel aanwezige middelen van de
                                        huidige gemeenten) in de dekking is voorzien.</al></li></lijst><al> 12. Dit hoofdstuk is in tegenstelling tot de andere hoofdstukken
                                niet van toepassing op provincies. Reden hiervoor is dat artikel 21
                                van de Wet Arhi, waar het in dit hoofdstuk over gaat, niet van
                                toepassing is op provincies. Dit hoofdstuk is eveneens niet van
                                toepassing op gemeenschappelijke regelingen. </al></artikel><artikel><kop><titel>11.2 Toezicht vanwege herindeling en financieel
                                    toezicht</titel></kop><al>Het doel van toezicht vanwege herindeling is het voorkomen van
                                potverteren. Dit laat onverlet dat er los daarvan sprake kan zijn
                                van het ontbreken van begrotingsevenwicht. Ontbreken van materieel
                                begrotingsevenwicht is ook bij gemeenten die worden heringedeeld een
                                reden voor preventief toezicht. In wezen kunnen herindelinggemeenten
                                twee maal onder toezicht gesteld kunnen worden. Dit lijkt dubbelop,
                                maar zoals hiervoor is beschreven, is het doel en de wijze van
                                toezicht uitoefenen in beide gevallen anders. Bovendien is het
                                mogelijk dat een herindeling niet doorgaat, dan vervalt het toezicht
                                vanwege herindeling, maar het toezicht vanwege ontbreken van
                                begrotingsevenwicht niet.</al><al>De huidige praktijk is dat een nieuwe gemeente gedurende het eerste
                                jaar standaard onder preventief toezicht staat. De belangrijkste
                                overweging voor het standaard instellen van preventief toezicht is
                                tijdsbesparing. Er hoeft dan geen besluit tot het instellen van
                                preventief toezicht te worden genomen. Een andere overweging is dat
                                de ervaring leert dat het eerste jaar vaak de nodige problemen kent.
                                De extra ogen van gedeputeerde staten helpen het gemeentebestuur om
                                dat eerste jaar goed door te komen. Gedeputeerde staten kunnen
                                uiteraard, op grond van artikel 207, derde lid, van de Gemeentewet
                                besluiten dat wijzigingen van de begroting hun goedkeuring niet meer
                                behoeven. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>12 Informatie voor derden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 186 van de Gemeentewet schrijft voor dat het college
                                informatie voor derden (Iv3) dient te leveren. In het BBV en
                                vervolgens in de Ministeriële Regeling Informatie voor derden is
                                aangegeven waar en hoe gemeenten de informatie dienen aan te
                                leveren. In artikel 186 is eveneens bepaald dat indien de Iv3 niet
                                of niet tijdig wordt verstrekt, dan wel de kwaliteit van de
                                informatie tekort schiet, gedeputeerde staten een aanwijzing geven
                                aan het college om alsnog informatie van voldoende kwaliteit te
                                verstrekken. Vervolgens is bepaald dat indien het college nalaat de
                                aanwijzing op te volgen gedeputeerde staten ervoor zorgen dat de
                                benodigde informatie alsnog wordt verstrekt. De kosten daarvan komen
                                voor rekening van de gemeente. Hieronder wordt kort ingegaan op wat
                                Iv3 is en waarom er Iv3 is. Vervolgens wordt op de taak van de
                                toezichthouder ingegaan.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>12.1 Iv3</titel></kop><al>Sinds het begrotingsjaar 2004 is de begrotingsindeling van gemeenten
                                vrij. Omdat het Rijk en de Europese unie nog steeds
                                standaardinformatie van gemeenten nodig hebben is Iv3
                                geïntroduceerd. Iv3 staat voor de informatie die gemeenten voor
                                derden moet leveren. Het gaat daarbij, evenals vóór 2004, om de
                                functionele én categoriale indeling. Beide indelingen zijn bij Iv3
                                samengebracht in de zogenaamde verdelingsmatrix. Naast deze matrix
                                wordt ook nog additionele informatie gevraagd, zoals balansstanden
                                en relaties tussen Iv3 en de programmabegroting en productenraming.
                                Die additionele informatie, zoals de conversietabel functies –
                                producten zijn nodig bij opvallende bevindingen. Indien een gemeente
                                grote afwijkingen vertoont met andere gemeenten kan via de
                                conversietabel worden nagegaan wat de achterliggende reden daarvan
                                zou kunnen zijn. Daarnaast is de categoriale indeling belangrijker
                                geworden, omdat het ministerie van Financiën ten behoeve van de
                                Europese Unie de gegevens uit deze indeling gebruikt voor het
                                berekenen van het EMU-tekort. De kwaliteit van deze gegevens dient
                                daarom goed te zijn. Daarnaast heeft de Europese Unie de IV3
                                gegevens ieder kwartaal nodig. Hierdoor moeten gemeenten vanaf 2004
                                naast de gegevens ten tijde van de begroting en de jaarrekening ook
                                gegevens per kwartaal leveren. De kwartaalgegevens dienen telkens
                                binnen één maand na afloop van het kwartaal te worden geleverd.</al><al>Ter bevordering van de kwaliteit van Iv3 is in het BBV geregeld dat
                                er een eenmalige systeemcontrole door de accountant is bij de
                                gegevens ten tijde van de jaarrekening 2004. Daarnaast kan een
                                nieuwe systeemcontrole door de accountant nodig zijn indien er
                                sprake is van belangrijke wijzigingen in de administratie. Idee
                                hierachter is dat als het systeem adequaat is de cijfers voor de
                                daarop volgende jaren ook redelijkerwijs voldoende kwaliteit hebben.
                                Daarnaast doet het CBS, die de gegevens voor de berekening van het
                                EMU-saldo verzamelt en bewerkt, op de kwartaalcijfers en jaarcijfers
                                een plausibiliteittoets en een tijdigheidtoets. De systeemcontrole
                                en plausibiliteittoets laten overigens onverlet dat uiteraard het
                                college de verantwoording heeft zorg te dragen voor adequate
                                informatie.</al></artikel><artikel><kop><titel>12.2 De rol van de toezichthouder bij Iv3</titel></kop><al>De externe controle van de gegevens van Iv3 ligt eenmalig bij de
                                accountant en voorts bij de doorlopende plausibiliteittoets van het
                                CBS. De toezichthouder krijgt de Iv3 ook en kan deze gebruiken voor
                                vergelijkingen tussen gemeenten. Deze informatie kan behulpzaam zijn
                                bij het algemene oordeel van de toezichthouder over het
                                begrotingsevenwicht. Daarnaast heeft de toezichthouder een taak
                                indien de kwaliteit of de tijdigheid van de Iv3 te wensen over laat.
                                De toezichthouder kan dan een (ernstige) waarschuwing of een
                                aanwijzing geven. Hij doet dit aan de hand van de doorlopende
                                plausibiliteittoets van het CBS. Indien de gemeente de aanwijzing
                                niet opvolgt kan de toezichthouder ervoor zorgen dat de informatie
                                alsnog wordt verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld door iemand naar de
                                gemeente te sturen die ter plekke de administratie op orde brengt.
                                De kosten hiervan komen voor rekening van de gemeente.</al><al>Het CBS rapporteert binnen 10 weken na de verslagperiode de
                                uitkomsten van zowel het kwaliteitsoordeel als de tijdigheid aan de
                                toezichthouder. Binnen het vakberaad gemeentefinanciën is
                                afgesproken het toetsingsbeleid alleen toe te passen op daarvoor in
                                aanmerking komende gemeenten. De overige gemeenten worden door de
                                toezichthouder benaderd voor het maken van concrete afspraken. Dit
                                kan enerzijds een toezegging zijn dat de volgende verslagperiode een
                                verbetering laat zien, anderzijds kan de toezichthouder verzoeken om
                                een probleemanalyse uit te voeren en/of een plan van aanpak op te
                                stellen. De voortgang van de afspraken worden nauwlettend gevolgd
                                door de toezichthouder.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de vergadering van 27 mei 2008.</al></slotformulering></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Overzicht wijzigingen GTK</titel></kop><al>Onderstaand een overzicht van de wijzigingen die ten opzichte van de
                    oorspronkelijke versie zijn aangebracht.</al><lijst><li nr="-"><al> Tekst waarin verwezen dan wel geanticipeerd wordt op het
                            toezichtcriterium “financieel duurzaam evenwicht” is bijgesteld,
                            verwijderd dan wel verplaatst naar bijlage 2 Wetsvoorstel Financieel
                            Duurzaam Evenwicht.</al></li><li nr="-"><al> Toegevoegd nieuw hoofdstuk 7 Toezicht op gemeenschappelijke
                            regelingen.</al></li><li nr="-"><al> Toegevoegd nieuw hoofdstuk 8 Rol toezichthouder bij ontheffingen
                            OZB.</al></li><li nr="-"><al> Onder hoofdstuk 9 Toezicht vanuit de Wet fido 3 nieuwe paragrafen
                            (9.1.1.1; 9.1.3.1; 9.1.4.1) toegevoegd als gevolg van de evaluatie Wet
                            fido.</al></li><li nr="-"><al> Toegevoegd bijlage 2 Wetsvoorstel Financieel Duurzaam Evenwicht.</al></li><li nr="-"><al> Toegevoegd bijlage 3 Begrippen en normen op het gebied van de
                            gemeentefinanciën.</al></li><li nr="- "><al>Toegevoegd bijlage 4 Stroomschema beroepsprocedure tegen besluit tot
                            onthouding van goedkeuring aan de begroting (paragraaf 4.4).</al></li><li nr="-"><al> Toegevoegd bijlage 5 Stroomschema bezwaar- en beroepsprocedure tegen
                            besluit tot instellen preventief begrotingstoezicht (paragraaf
                            4.4).</al></li><li nr="- "><al>Geschrapt bijlage Werkgroep Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader
                            “Zichtbaar Toezicht”.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 1.2 Waarom een nieuw gemeenschappelijk toezichtkader is
                            toegevoegd de stand van zaken over pilots toezicht in relatie met het
                            wetsvoorstel financieel duurzaam evenwicht.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 1.3 Toekomstige ontwikkelingen evaluatie Wet fido
                            opgenomen.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 2.1 Inleiding is het onderscheid tussen toezicht,
                            controle en verantwoording verduidelijkt.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 2.2 Doel en afbakening financieel toezicht is het
                            onderdeel over toezichtcriterium overgebracht naar bijlage 2
                            Wetsvoorstel Financieel Duurzaam Evenwicht.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 2.3 Relatie met de horizontale keten is het onderdeel
                            over de raad gedeeltelijk (“Vanaf begrotingsjaar 2006 ……de raad de
                            meerjarenraming vaststelt.”) verplaatst naar bijlage 2 Wetsvoorstel
                            Financieel Duurzaam Evenwicht.</al></li><li nr="- "><al>Onder paragraaf 2.3 Relatie met de horizontale keten is de 2e alinea
                            verder verduidelijkt.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 3.3 Imperatief preventief: materieel
                            begrotingsevenwicht is de passage “Een eerste aanzet …….tezamen van
                            belang” verplaatst naar bijlage 2 Wetsvoorstel Financieel Duurzaam
                            Evenwicht.</al></li><li nr="- "><al>Onder paragraaf 3.3 Imperatief preventief: materieel begrotingsevenwicht
                            is voetnoot 4 verder verduidelijkt.</al></li><li nr="- "><al>Onder paragraaf 3.3 Imperatief preventief: materieel begrotingsevenwicht
                            zijn recentere voorbeelden opgenomen onder Ad e) nieuwe wet- en
                            regelgeving van het rijk.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 3.4 Facultatief toezicht is het aantal gronden waarop
                            preventief toezicht kan worden ingesteld gewijzigd van vier naar
                            drie.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 3.4 Facultatief toezicht is de passage “Het niet
                            opvolgen van aanwijzingen” verplaatst naar bijlage 2 Wetsvoorstel
                            Financieel Duurzaam Evenwicht.</al></li><li nr="- "><al>Onder paragraaf 12.1 IV3 is de passage “Voor het begrotingsjaar 2004
                            ……..voor de Europese Unie te voldoen” geschrapt, is niet meer
                            relevant.</al></li><li nr="-"><al> Onder paragraaf 12.2 De rol van de toezichthouder bij IV3 is de tekst
                            aangepast aan de laatste stand van zaken.</al></li><li nr="- "><al>Taalkundige wijzigingen en wijzigingen ter verbetering van de
                            leesbaarheid.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 Overzicht wet- en regelgeving</titel></kop><al>Deze bijlage bevat de voor financieel toezicht relevante bepalingen uit de
                    Gemeentewet, met verwijzing naar de overeenkomstige artikelen in de Provinciewet
                    en voorts alle bepalingen uit wet- en regelgeving die in dit toezichtkader
                    worden genoemd. Alle wet- en regelgeving kan worden gedownload vanaf de website:
                    www.wetten.nl.</al><al>Gemeentewet/Provinciewet</al><al>Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders.</al><al>Artikel 160 (artikel 158 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college is in ieder geval bevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al> het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren, voor zover
                                    niet bij of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee
                                    is belast;</al></li><li nr="b."><al> beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren,
                                    tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is
                                    belast;</al></li><li nr="c."><al> regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de
                                    gemeente, met uitzondering van de organisatie van de
                                    griffie;</al></li><li nr="d."><al> ambtenaren, niet zijnde de griffier en de op de griffie
                                    werkzame ambtenaren, te benoemen, te schorsen en te
                                    ontslaan;</al></li><li nr="e."><al> tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te
                                    besluiten;</al></li><li nr="f."><al> te besluiten namens de gemeente, het college of de raad
                                    rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief
                                    beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding
                                    daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad
                                    aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;</al></li><li nr="g."><al> ten aanzien van de voorbereiding van de civiele
                                    verdediging;</al></li><li nr="h."><al> jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen
                                    of te veranderen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het college besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in
                            stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en
                            onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder
                            aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te
                            dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raad
                            een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld zijn
                            wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.</al></li><li nr="3."><al> Een besluit als bedoeld in het tweede lid behoeft de goedkeuring van
                            gedeputeerde staten. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens
                            strijd met het recht of het algemeen belang.</al></li><li nr="4."><al> Het college neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een
                            rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter
                            voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.</al></li></lijst><al>Titel IV. De financiën van de gemeente</al><al>Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen</al><al>Artikel 186 (artikel 190 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de
                            jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of
                            krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.</al></li><li nr="2."><al> Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het
                            eerste lid, kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van: </al><lijst><li nr="a."><al> door het college vast te stellen documenten ten behoeve van de
                                    uitvoering van de begroting en de jaarrekening;</al></li><li nr="b."><al> door het college aan derden te verstrekken informatie op basis
                                    van de begroting en de jaarrekening en de controle van deze
                                    informatie. In overeenstemming met Onze Minister van Economische
                                    Zaken kan worden bepaald dat deze informatie wordt verstrekt aan
                                    het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Indien de informatie, bedoeld in het tweede lid onder b, niet of niet
                            tijdig wordt verstrekt, dan wel de kwaliteit van de informatie tekort
                            schiet, geven gedeputeerde staten een aanwijzing aan het college om
                            alsnog informatie van voldoende kwaliteit te verstrekken.</al></li><li nr="4."><al> Indien het college nalaat de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, op
                            te volgen zorgen gedeputeerde staten dat de benodigde informatie alsnog
                            wordt verstrekt. De kosten daarvan komen voor rekening van de
                            gemeente.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening</al><al>Paragraaf 1. De begroting</al><al>Artikel 189 (artikel 193 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Voor alle taken en activiteiten brengt de raad jaarlijks op de
                            begroting de bedragen die hij daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de
                            financiële middelen die hij naar verwachting kan aanwenden.</al></li><li nr="2."><al> De raad ziet erop toe dat de begroting in evenwicht is. Hiervan kan hij
                            afwijken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de
                            eerstvolgende jaren tot stand zal worden gebracht.</al></li><li nr="3."><al> Behoudens het bepaalde in de artikelen 208 en 209 kunnen ten laste van
                            de gemeente slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties
                            worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn
                            gebracht.</al></li><li nr="4."><al> Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.</al></li></lijst><al>Artikel 190 (artikel 194 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college biedt jaarlijks, tijdig voor de in artikel 191, eerste lid,
                            bedoelde vaststelling, de raad een ontwerp aan voor de begroting met
                            toelichting van de gemeente en een meerjarenraming met toelichting voor
                            ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.</al></li><li nr="2."><al> De ontwerpbegroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken
                            liggen, zodra zij aan de raad zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage
                            en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de
                            verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.</al></li><li nr="3."><al> De raad beraadslaagt over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee
                            weken na de openbare kennisgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 191 (artikel 195 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat
                            waarvoor zij dient.</al></li><li nr="2."><al> Het college zendt de door de raad vastgestelde begroting vergezeld van
                            de in artikel 190, eerste lid, bedoelde stukken, binnen twee weken na de
                            vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 november van het jaar
                            voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde
                            staten.</al></li></lijst><al>Artikel 192 (artikel 196 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind
                            van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.</al></li><li nr="2."><al> De artikelen 190, tweede lid, en 191, tweede lid, alsmede, behoudens in
                            gevallen van dringende spoed, het bepaalde in artikel 190, derde lid,
                            zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 193 (artikel 197 Provinciewet) Verplichte uitgaven van de gemeente
                    zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleningen
                            en alle overige opeisbare schulden;</al></li><li nr="b."><al> de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de gemeente zijn
                            opgelegd;</al></li><li nr="c."><al> de uitgaven die voortvloeien uit de van het gemeentebestuur gevorderde
                            medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen van
                            bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn
                            gebracht.</al></li></lijst><al>Artikel 194 (artikel 198 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te brengen,
                            doen gedeputeerde staten dit.</al></li><li nr="2."><al> Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het eerste
                            lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde staten
                            daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit
                            bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.</al></li></lijst><al>Artikel 195 (artikel 199 Provinciewet)</al><al>Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de
                    betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de
                    begroting is gebracht.</al><al>Paragraaf 2. De jaarrekening</al><al>Artikel 197 (artikel 201 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college legt aan de raad over elk begrotingsjaar verantwoording af
                            over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de
                            jaarrekening en het jaarverslag.</al></li><li nr="2."><al> Het college voegt daarbij de verslagen, bedoeld in artikel 213a, tweede
                            lid.</al></li><li nr="3."><al> De raad legt de in het eerste en tweede lid, alsmede de in artikel 213,
                            derde en vierde lid, bedoelde stukken, wanneer de bespreking daarvan
                            geagendeerd is op de in artikel 19, tweede lid, bedoelde wijze, voor een
                            ieder ter inzage en stelt ze algemeen verkrijgbaar. Van de
                            terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis
                            gegeven. De raad beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag
                            niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 198 (artikel 202 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar
                            volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle baten en
                            lasten van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al> Indien de raad tot het oordeel komt dat baten, lasten en daarmee
                            overeenstemmende balansmutaties die in de jaarrekening zijn opgenomen
                            niet rechtmatig tot stand zijn gekomen, wordt dit standpunt terstond ter
                            kennis gebracht van het college met vermelding van de gerezen
                            bedenkingen.</al></li><li nr="3."><al> Het college zendt de raad binnen twee maanden na ontvangst van het
                            standpunt, bedoeld in het tweede lid, een voorstel voor een
                            indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij de raad gerezen
                            bedenkingen.</al></li><li nr="4."><al> Indien het college een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft
                            gedaan, stelt de raad de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft
                            besloten over het voorstel.</al></li></lijst><al>Artikel 199 (artikel 203 Provinciewet)</al><al>Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling
                    van de jaarrekening de leden van het college ten aanzien van het daarin
                    verantwoorde financieel beheer.</al><al>Artikel 200 (artikel 204 Provinciewet)</al><al>Het college zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag, vergezeld van
                    de overige in artikel 197 bedoelde stukken binnen twee weken na vaststelling,
                    maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar, volgend op het begrotingsjaar,
                    aan gedeputeerde staten. Het college voegt daarbij, indien van toepassing, het
                    besluit van de raad over een voorstel voor een indemniteitsbesluit met de
                    reactie, bedoeld in artikel 198, derde lid.</al><al>Artikel 201 (artikel 205 Provinciewet)</al><al>Indien de raad de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit niet of niet naar
                    behoren vaststelt, zendt het college de jaarrekening, vergezeld van de overige
                    in artikel 197 bedoelde stukken, respectievelijk het indemniteitsbesluit ter
                    vaststelling aan gedeputeerde staten. Paragraaf 3. Goedkeuring van de
                    begroting</al><al>Artikel 203 (artikel 207 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De begroting, bedoeld in artikel 189, van het eerstvolgende
                            begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende
                            begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten,
                            indien naar hun oordeel de begroting, bedoeld in artikel 189, niet in
                            evenwicht is en blijkens de meerjarenraming, bedoeld in artikel 190,
                            niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht tot
                            stand zal worden gebracht. Gedeputeerde staten doen hiervan vóór de
                            aanvang van het begrotingsjaar mededeling aan het gemeentebestuur.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de begroting, bedoeld in artikel
                            189, van het eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking
                            hebbende begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar
                                    voorafgaande jaar niet in evenwicht is, of</al></li><li nr="b."><al> de begroting, bedoeld in artikel 189, niet tijdig is ingezonden
                                    aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                    191, of</al></li><li nr="c."><al> de jaarrekening, bedoeld in artikel 197, eerste lid, van het
                                    tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar niet tijdig is
                                    ingezonden aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde
                                    in artikel 200, eerste lid.</al></li></lijst></li></lijst><al>3. Gedeputeerde staten maken een besluit als bedoeld in het tweede lid vóór de
                    aanvang van het begrotingsjaar aan het gemeentebestuur bekend.</al><al>4. De begroting behoeft geen goedkeuring indien gedeputeerde staten geen
                    mededeling doen als bedoeld in het eerste lid of geen besluit bekend maken als
                    bedoeld in het tweede lid binnen de in het eerste respectievelijk derde lid
                    genoemde termijn. Artikel 205 (artikel 209 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Gedeputeerde staten stellen Onze Minister uiterlijk een maand na de
                            aanvang van het begrotingsjaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis van
                            de mededelingen en besluiten, bedoeld in artikel 203, eerste en tweede
                            lid.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten maken bij de aanvang van het desbetreffende
                            begrotingsjaar door publicatie in de Staatscourant bekend van welke
                            gemeenten de begrotingen en begrotingswijzigingen hun goedkeuring
                            behoeven.</al></li></lijst><al>Artikel 206 (artikel 210 Provinciewet)</al><al>De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of met
                    het algemene financiële belang.</al><al>Artikel 207 (artikel 211 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de begroting aan
                            gedeputeerde staten wordt aangeboden, de begroting nog niet is
                            goedgekeurd, vangt de in artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht bedoelde termijn aan op de dag van de goedkeuring van de
                            begroting.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten kunnen bij hun besluit omtrent goedkeuring van de
                            begroting ten aanzien van door hen aan te geven soorten van wijzigingen
                            daarvan bepalen dat die hun goedkeuring niet behoeven.</al></li></lijst><al>Artikel 208 (artikel 212 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de begroting of een besluit tot wijziging daarvan niet is
                            goedgekeurd, behoeft het gemeentebestuur tot het aangaan van
                            verplichtingen de toestemming van gedeputeerde staten.</al></li><li nr="2."><al> Een aanvraag van het gemeentebestuur om toepassing van het eerste lid
                            kan door gedeputeerde staten slechts worden afgewezen wegens strijd met
                            het recht of met het algemene financiële belang.</al></li><li nr="3."><al> Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twee maanden na de
                            verzending van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. De toestemming
                            wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen besluit
                            aan het gemeentebestuur is verzonden.</al></li><li nr="4."><al> Gedeputeerde staten kunnen aan de toestemming voorschriften
                            verbinden.</al></li><li nr="5."><al> Gedeputeerde staten kunnen bepalen voor welke posten en tot welk bedrag
                            het gemeentebestuur de toestemming, bedoeld in het eerste lid, niet
                            behoeft.</al></li></lijst><al>Artikel 209 (artikel 213 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> In gevallen van dringende spoed kan, indien de raad daartoe besluit,
                            verplichting worden aangegaan voordat de desbetreffende begroting of
                            begrotingswijziging is goedgekeurd. Het besluit wordt gedeputeerde
                            staten terstond toegezonden. Is de aangegane verplichting geraamd bij
                            een begrotingswijziging welke nog niet ter goedkeuring is ingezonden,
                            dan wordt deze begrotingswijziging tesamen met het besluit
                            toegezonden.</al></li><li nr="2."><al> Over het in het eerste lid bedoelde besluit stemt de raad bij
                            hoofdelijke oproeping.</al></li></lijst><al> Artikel 210 (artikel 214 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de raad artikel 209 heeft toegepast en gedeputeerde staten hun
                            goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging
                            onthouden, kunnen zij binnen een maand nadat hun besluit onherroepelijk
                            is geworden, de leden van de raad die hun stem vóór het in artikel 209
                            bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel,
                            persoonlijk voor deze verplichting aansprakelijk stellen tegenover de
                            gemeente.</al></li><li nr="2. "><al>De werking van het besluit tot aansprakelijkstelling wordt opgeschort
                            totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld,
                            op het beroep is beslist.</al></li><li nr="3."><al> De commissaris van de Koning stelt zo nodig namens en ten laste van de
                            gemeente een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het
                            besluit tot aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.</al></li></lijst><al>Artikel 211 (artikel 215 Provinciewet)</al><al>Indien de begroting van een gemeente ingevolge artikel 203, eerste of tweede
                    lid, is onderworpen aan goedkeuring, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat door
                    hen aan te wijzen beslissingen van het gemeentebestuur die financiële gevolgen
                    voor de gemeente hebben of kunnen hebben, door het college binnen twee weken aan
                    gedeputeerde staten worden toegezonden. </al><al>Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle</al><al>Artikel 212 (artikel 216 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële
                            beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de
                            financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen
                            van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al> De verordening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> regels voor waardering en afschrijving van activa;</al></li><li nr="b."><al> grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur
                                    in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                                    bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven,
                                    voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                                    milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al> regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
                                    richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede
                                    inzake de administratieve organisatie van de
                                    financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden,
                                    de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                    informatievoorziening.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 213 (artikel 217 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt bij verordening regels vast voor de controle op het
                            financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie.
                            Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële
                            beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt
                            getoetst.</al></li><li nr="2."><al> De raad wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393,
                            eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de
                            controle van de in artikel 197 bedoelde jaarrekening en het daarbij
                            verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een
                            verslag van bevindingen.</al></li><li nr="3."><al> De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan
                            of: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en
                                    lasten als de grootte en samenstelling van het vermogen;</al></li><li nr="b."><al> de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot
                                    stand zijn gekomen;</al></li><li nr="c."><al> de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of
                                    krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
                                    bedoeld in artikel 186 en</al></li><li nr="d."><al> het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is.</al></li></lijst></li><li nr="4. "><al>Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: </al><lijst><li nr="a."><al> de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de
                                    financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige
                                    verantwoording mogelijk maken en</al></li><li nr="b."><al> onrechtmatigheden in de jaarrekening.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al> De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van
                            bevindingen aan de raad en een afschrift daarvan aan het college.</al></li><li nr="6."><al> Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
                            met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de
                            accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid.</al></li><li nr="7. "><al>Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in gemeentelijke dienst
                            worden aangesteld en worden in dat geval door de raad benoemd, geschorst
                            en ontslagen.</al></li><li nr="8."><al> Indien de raad op grond van het tweede lid accountants heeft aangewezen
                            die in gemeentelijke dienst zijn aangesteld, is: </al><lijst><li nr="a."><al> het bepaalde bij en krachtens de artikelen 25 en 27 van de Wet
                                    toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing
                                    op deze accountants;</al></li><li nr="b."><al> het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14, 18, 19, 20 en 21
                                    van de Wet toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige
                                    toepassing op de gemeente; en</al></li><li nr="c."><al> het bepaalde bij en krachtens de artikelen 15 en 16 van de Wet
                                    toezicht accountantsorganisaties van overeenkomstige toepassing
                                    op de personen die de dagelijkse leiding hebben over het
                                    onderdeel van de gemeente waarbij de in de aanhef bedoelde
                                    accountants werkzaam zijn.</al></li></lijst></li><li nr="9."><al> Indien een gemeente wordt aangewezen als organisatie van openbaar
                            belang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet
                            toezicht accountantsorganisaties, zijn de artikelen 22 tot en met 24 van
                            die wet van overeenkomstige toepassing op deze gemeente.</al></li></lijst><al>Artikel 213a (artikel 217a Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de
                            doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. De raad stelt bij
                            verordening regels hierover.</al></li><li nr="2."><al> Het college brengt schriftelijk verslag uit aan de raad van de
                            resultaten van de onderzoeken.</al></li><li nr="3."><al> Het college stelt de rekenkamer of, indien geen rekenkamer is
                            ingesteld, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, tijdig op de
                            hoogte van de onderzoeken die hij doet instellen en zendt haar,
                            onderscheidenlijk hen, een afschrift van een verslag als bedoeld in het
                            tweede lid.</al></li></lijst><al>Artikel 214 (artikel 218 Provinciewet)</al><al>Het college zendt de verordeningen, bedoeld in de artikelen 212, 213 en 213a,
                    binnen twee weken na vaststelling door de raad aan gedeputeerde staten.</al><al>Artikel 215 (artikel 219 Provinciewet)</al><al>Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het
                    beheer en de inrichting van de financiële organisatie, bedoeld in artikel 212,
                    eerste lid.</al><al>Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen</al><al> Artikel 229b (vergelijk artikel 225 Provinciewet, hieronder opgenomen)</al><lijst><li nr="1."><al> In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229,
                            eerste lid, onder a en b, worden geheven, worden de tarieven zodanig
                            vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de
                            geraamde lasten ter zake.</al></li><li nr="2."><al> Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
                                    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;</al></li><li nr="b."><al> de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het
                                    BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het
                                    fonds.</al></li></lijst></li></lijst><al>Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging</al><al>Artikel 273 (artikel 266 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor
                            vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen
                            nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde
                            staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan
                            tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig
                            aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies, binnen
                            een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester toe aan
                            Onze Minister wie het aangaat.</al></li><li nr="3."><al> Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft
                            gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze
                            Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing
                            of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen
                            vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is
                            geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.</al></li></lijst><al>Provinciewet</al><al>Artikel 173</al><al>Indien een besluit van de raad of van burgemeester en wethouders van een
                    gemeente in hun provincie naar het oordeel van gedeputeerde staten voor
                    vernietiging in aanmerking komt, doen zij daarvan mededeling aan Onze Minister
                    wie het aangaat.</al><al>Artikel 225</al><lijst><li nr="1."><al> In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 223,
                            eerste lid, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat
                            de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten
                            ter zake.</al></li><li nr="2."><al> Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
                                    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;</al></li><li nr="b."><al> de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het
                                    BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het
                                    fonds.</al></li></lijst></li></lijst><al>Algemene wet bestuursrecht</al><al>Artikel 6:15</al><lijst><li nr="1."><al> Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd
                            bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het,
                            nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk
                            doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling
                            hiervan aan de afzender.</al></li><li nr="2."><al> Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van
                            een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.</al></li><li nr="3."><al> Het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan is bepalend voor
                            de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens
                            in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 6:16</al><al>Het bezwaar of beroep schorst niet de werking van het besluit waartegen het is
                    gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.</al><al>Artikel 7:1</al><lijst><li nr="1."><al> Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een
                            administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te
                            stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit: </al><lijst><li nr="a."><al> op bezwaar of in administratief beroep is genomen,</al></li><li nr="b."><al> aan goedkeuring is onderworpen,</al></li><li nr="c."><al> de goedkeuring van een ander besluit of de weigering van die
                                    goedkeuring inhoudt, of</al></li><li nr="d."><al> is voorbereid met toepassing van een van de in afdeling 3.5
                                    geregelde procedures.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met
                            toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep
                            tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.</al></li></lijst><al>Artikel 8:7</al><lijst><li nr="1."><al> Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan
                            van een provincie, een gemeente, een waterschap of een regio als bedoeld
                            in artikel 21 van de Politiewet 1993 dan wel tegen een besluit van een
                            gemeenschappelijk orgaan of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam
                            dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke
                            regelingen, is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het
                            bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd.</al></li><li nr="2."><al> Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander
                            bestuursorgaan, is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de
                            indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft
                            bevoegd. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in
                            Nederland heeft, is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het
                            bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd.</al></li></lijst><al>Artikel 8:81</al><lijst><li nr="1."><al> Indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel,
                            voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt
                            of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van
                            de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek
                            een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de
                            betrokken belangen, dat vereist.</al></li><li nr="2."><al> Indien bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan een verzoek om
                            voorlopige voorziening worden gedaan door een partij in de
                            hoofdzaak.</al></li><li nr="3."><al> Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is
                            gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan een verzoek om
                            voorlopige voorziening worden gedaan door de indiener van het
                            bezwaarschrift, onderscheidenlijk door de indiener van het beroepschrift
                            of door de belanghebbende die geen recht heeft tot het instellen van
                            administratief beroep.</al></li><li nr="4."><al> De artikelen 6:4, derde lid, 6:5, 6:6, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn
                            van overeenkomstige toepassing. De indiener van het verzoekschrift die
                            bezwaar heeft gemaakt dan wel beroep heeft ingesteld, legt daarbij een
                            afschrift van het bezwaar- of beroepschrift over.</al></li><li nr="5."><al> Indien een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan nadat bezwaar is
                            gemaakt of administratief beroep is ingesteld en op dit bezwaar of
                            beroep wordt beslist voordat de zitting heeft plaatsgevonden, wordt de
                            verzoeker in de gelegenheid gesteld beroep bij de rechtbank in te
                            stellen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met
                            een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.</al></li></lijst><al>Artikel 10:27</al><al>De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of op
                    een grond, neergelegd in een wet waarin of krachtens welke de goedkeuring is
                    voorgeschreven.</al><al>Artikel 10:28</al><al>Aan een besluit waarover een rechter uitspraak heeft gedaan of waarbij een in
                    kracht van gewijsde gegane uitspraak van de rechter wordt uitgevoerd, kan geen
                    goedkeuring worden onthouden op rechtsgronden welke in strijd zijn met die
                    waarop de uitspraak steunt of mede steunt.</al><al>Artikel 10:29</al><lijst><li nr="1."><al> Een besluit kan alleen dan gedeeltelijk worden goedgekeurd, indien
                            gedeeltelijke inwerkingtreding strookt met aard en inhoud van het
                            besluit.</al></li><li nr="2."><al> De goedkeuring kan noch voor bepaalde tijd of onder voorwaarden worden
                            verleend, noch worden ingetrokken.</al></li></lijst><al>Artikel 10:30</al><lijst><li nr="1."><al> Gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring vindt niet
                            plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen,
                            gelegenheid tot overleg is geboden.</al></li><li nr="2."><al> De motivering van het goedkeuringsbesluit verwijst naar hetgeen in het
                            overleg aan de orde is gekomen.</al></li></lijst><al>Artikel 10:31</al><lijst><li nr="1. "><al>Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt het besluit
                            omtrent goedkeuring binnen dertien weken na de verzending ter
                            goedkeuring bekend gemaakt aan het bestuursorgaan dat het aan
                            goedkeuring onderworpen besluit heeft genomen.</al></li><li nr="2."><al> Het nemen van het besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten
                            hoogste dertien weken worden verdaagd.</al></li><li nr="3."><al> In afwijking van het tweede lid kan het nemen van het besluit omtrent
                            goedkeuring eenmaal voor ten hoogste zes maanden worden verdaagd indien
                            inzake dat besluit advies van een adviseur als bedoeld in artikel 3:5 is
                            vereist.</al></li><li nr="4."><al> Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald wordt een besluit
                            tot goedkeuring geacht te zijn genomen, indien binnen de in het eerste
                            lid genoemde termijn geen besluit omtrent goedkeuring of geen besluit
                            tot verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is
                            verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is bekendgemaakt aan het
                            bestuursorgaan dat het aan goedkeuring onderworpen besluit heeft
                            genomen.</al></li></lijst><al>Wet financiering decentrale overheden (fido)</al><al>Artikel 4</al><lijst><li nr="1."><al> De gemiddelde netto-vlottende schuld per kwartaal van een openbaar
                            lichaam overschrijdt de kasgeldlimiet niet.</al></li><li nr="2. "><al>Indien een openbaar lichaam twee kwartalen achtereen niet aan het eerste
                            lid heeft voldaan, geeft de toezichthouder het openbare lichaam een
                            aanwijzing om hieraan alsnog te voldoen.</al></li><li nr="3."><al> Indien uit de eerstvolgende kwartaalrapportage van het openbare lichaam
                            na de aanwijzing van de toezichthouder blijkt dat nog steeds niet wordt
                            voldaan aan het eerste lid, legt het openbare lichaam een plan om aan
                            het eerste lid te voldoen ter goedkeuring voor aan de toezichthouder.
                            Zolang dit plan niet is goedgekeurd dan wel indien blijkt dat het plan
                            niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de toezichthouder bepalen dat voor
                            het aangaan van nieuwe geldleningen met een oorspronkelijke
                            rentetypische looptijd korter dan één jaar voorafgaande toestemming van
                            de toezichthouder is vereist, en kan de toezichthouder een maximum
                            vaststellen voor de schuld in rekening-courant van het openbare lichaam.
                            Dit plafond wordt vastgesteld met inachtneming van de op dat moment
                            bestaande betalingsverplichtingen van het openbare lichaam.</al></li><li nr="4."><al> Het voorafgaand toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het
                            in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder
                            voldoende ten uitvoer wordt gelegd.</al></li><li nr="5."><al> De toezichthouder kan bij incidentele wijzigingen in het inkomsten- en
                            uitgavenpatroon ontheffing verlenen van de in het eerste lid genoemde
                            verplichting voor een periode van maximaal twee kwartalen. Aan de
                            ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen
                            gesteld.</al></li></lijst><al>Artikel 6</al><lijst><li nr="1."><al> Het renterisico op de vaste schuld van een openbaar lichaam
                            overschrijdt de renterisiconorm niet.</al></li><li nr="2."><al> De toezichthouder geeft, indien door een openbaar lichaam niet wordt
                            voldaan aan het eerste lid, het openbare lichaam een aanwijzing om
                            maatregelen te nemen ten einde het renterisico op de vaste schuld te
                            verminderen.</al></li><li nr="3. "><al>Indien het openbare lichaam geen gehoor geeft aan de aanwijzing van de
                            toezichthouder, bedoeld in het tweede lid, legt het openbare lichaam een
                            plan om aan het eerste lid te voldoen ter goedkeuring voor aan de
                            toezichthouder. Zolang dit plan niet is goedgekeurd dan wel indien
                            blijkt dat het plan niet ten uitvoer wordt gelegd, kan de toezichthouder
                            bepalen dat voor het aangaan van vaste schuld voorafgaande toestemming
                            van de toezichthouder is vereist.</al></li><li nr="4."><al> Het voorafgaand toezicht, bedoeld in het derde lid, vervalt zodra het
                            in het derde lid bedoelde plan naar het oordeel van de toezichthouder
                            voldoende ten uitvoer wordt gelegd.</al></li><li nr="5."><al> De toezichthouder kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
                            genoemde verplichting. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden
                            verbonden en beperkingen gesteld.</al></li></lijst><al>Wet algemene regels herindeling (arhi)</al><al>Artikel 21</al><lijst><li nr="1."><al> Met ingang van de dag waarop een gemeente blijkens een
                            herindelingontwerp, een herindelingadvies of een voorstel van wet in
                            aanmerking komt om te worden opgeheven, behoeven de door de gedeputeerde
                            staten aangewezen besluiten van het gemeentebestuur de goedkeuring van
                            gedeputeerde staten.</al></li><li nr="2."><al> Aangewezen kunnen worden categorieën van besluiten die kunnen leiden
                            tot nieuwe uitgaven, tot verhoging van de bestaande uitgaven dan wel
                            verlaging van bestaande inkomsten of tot vermindering van vermogen.</al></li><li nr="3."><al> De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het financieel
                            belang van de gemeente of gemeenten waarvan het gebied van de betrokken
                            gemeente na herindeling deel zal gaan uitmaken.</al></li><li nr="4."><al> Het toezicht dat is aangevangen op grond van het eerste lid blijft van
                            kracht tot de datum van herindeling of de datum waarop Onze Minister
                            bepaalt dat het toezicht is vervallen.</al></li></lijst><al>Financiële-verhoudingswet</al><al>Artikel 12</al><lijst><li nr="1. "><al>Onze Ministers kunnen, op aanvraag van een gemeente, aan de gemeente
                            over een uitkeringsjaar een aanvullende uitkering verlenen.</al></li><li nr="2."><al> Een aanvullende uitkering wordt slechts verleend indien de algemene
                            middelen van de gemeente aanmerkelijk en structureel tekort zullen
                            schieten om in de noodzakelijke behoeften te voorzien, terwijl de eigen
                            inkomsten van de gemeente zich op een redelijk peil bevinden.</al></li><li nr="3."><al> Onze Ministers kunnen voorschriften verbinden aan het besluit tot
                            verlening van een aanvullende uitkering.</al></li><li nr="4."><al> Onze Ministers kunnen een verleende aanvullende uitkering verminderen
                            of intrekken indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de financiële positie van de gemeente verbetert;</al></li><li nr="b."><al> de gemeente in strijd handelt met een wettelijk voorschrift dat
                                    betrekking heeft op de aanvullende uitkering, of met een
                                    voorschrift dat aan het besluit tot verlening van de aanvullende
                                    uitkering is verbonden.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al> De gemeente die een aanvullende uitkering heeft aangevraagd, of waaraan
                            een aanvullende uitkering is verleend, neemt maatregelen ter verbetering
                            van haar financiële positie.</al></li></lijst><al>Wet milieubeheer</al><al>Artikel 15.33</al><lijst><li nr="1."><al> Elke gemeente kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden
                            zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing
                            instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet
                            krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, feitelijk gebruik maken van
                            een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22
                            een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen
                            geldt.</al></li><li nr="2."><al> Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de
                            omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht
                            geeft op een bijdrage uit het fonds.</al></li><li nr="3."><al> Met betrekking tot deze heffingen zijn de artikelen 216 tot en met 219,
                            229d en 230 tot en met 257 van de Gemeentewet van overeenkomstige
                            toepassing.</al></li></lijst><al>Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV)</al><al>Artikel 9</al><lijst><li nr="1."><al> In de begroting worden in afzonderlijke paragrafen de beleidslijnen
                            vastgelegd met betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede
                            tot de lokale heffingen.</al></li><li nr="2."><al> De begroting bevat ten minste de volgende paragrafen, tenzij het
                            desbetreffende aspect bij de provincie onderscheidenlijk gemeente niet
                            aan de orde is: </al><lijst><li nr="a."><al> lokale heffingen;</al></li><li nr="b."><al> weerstandsvermogen;</al></li><li nr="c."><al> onderhoud kapitaalgoederen;</al></li><li nr="d."><al> financiering;</al></li><li nr="e. "><al>bedrijfsvoering;</al></li><li nr="f."><al> verbonden partijen;</al></li><li nr="g."><al> grondbeleid.</al></li></lijst></li></lijst><al>Voor de artikelen 10 tot en met 16, zie tabel 3.2 in paragraaf 3.3</al><al>Artikel 19</al><al>De toelichting op het overzicht van baten en lasten bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al> het gerealiseerde bedrag van het voorvorig begrotingsjaar, het geraamde
                            bedrag van het vorig begrotingsjaar na wijziging en het geraamde bedrag
                            van het begrotingsjaar;</al></li><li nr="b."><al> de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en, in geval van
                            aanmerkelijk verschil met de raming, respectievelijk de realisatie, van
                            het vorig, respectievelijk voorvorig, begrotingsjaar de oorzaken van het
                            verschil;</al></li><li nr="c."><al> een overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten.</al></li></lijst><al>Artikel 28</al><al>De toelichting op de programmarekening bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al> voor alle onderdelen van artikel 27, eerste lid, een analyse van de
                            afwijkingen tussen de begroting na wijziging en de
                            programmarekening;</al></li><li nr="b. "><al>een overzicht van de aanwending van het bedrag voor onvoorzien;</al></li><li nr="c."><al> een overzicht van de incidentele baten en lasten.</al></li></lijst><al>Artikel 64</al><lijst><li nr="1."><al> De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het
                            boekjaar.</al></li><li nr="2. "><al>Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere
                            grondslagen dan die welke in het voorafgaande begrotingsjaar zijn
                            toegepast. De reden van de verandering wordt in de toelichting op de
                            balans uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor
                            de financiële positie en voor de baten en de lasten aan de hand van
                            aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of voor het voorafgaande
                            begrotingsjaar.</al></li><li nr="3."><al> Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks
                            afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte
                            toekomstige gebruiksduur.</al></li><li nr="4."><al> In afwijking van het eerste en het derde lid kan er op de activa,
                            bedoeld in artikel 59, vierde lid, extra worden afgeschreven.</al></li><li nr="5."><al> In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
                            immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder a, maximaal gelijk
                            aan de looptijd van de lening.</al></li><li nr="6."><al> In afwijking van het derde lid is de afschrijvingsduur voor de
                            immateriële vaste activa, bedoeld in artikel 34 onder b, ten hoogste
                            vijf jaar.</al></li></lijst></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 Wetsvoorstel duurzaam financieel evenwicht</titel></kop><al>Gemeentewetsbepalingen en het wetsvoorstel duurzaam financieel toezicht.</al><al>In de hier opgenomen Gemeentewetsbepalingen is het wetsvoorstel ‘duurzaam
                    financieel evenwicht’, zoals voor advies aan VNG, IPO en Rfv gestuurd,
                    opgenomen. De artikelen die volgens het wetsvoorstel gewijzigd zullen worden,
                    zijn hier cursief opgenomen. Het wetsvoorstel is naar aanleiding van de adviezen
                    wel aangepast, maar niet op punten van inhoudelijk belang. Er is uitgegaan van
                    de versie die voor advies is toegestuurd aan VNG, IPO en Rfv, omdat het
                    uiteindelijke wetsvoorstel niet openbaar is, zolang het niet is ingediend bij de
                    Tweede Kamer.</al><al>Hoofdstuk X. De bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders</al><al>Artikel 160 (artikel 158 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1. "><al>Het college is in ieder geval bevoegd: </al><lijst><li nr="a."><al> het dagelijks bestuur van de gemeente te voeren, voor zover
                                    niet bij of krachtens de wet de raad of de burgemeester hiermee
                                    is belast;</al></li><li nr="b."><al> beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren,
                                    tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is
                                    belast;</al></li><li nr="c."><al> regels vast te stellen over de ambtelijke organisatie van de
                                    gemeente, met uitzondering van de organisatie van de
                                    griffie;</al></li><li nr="d."><al> ambtenaren, niet zijnde de griffier en de op de griffie
                                    werkzame ambtenaren, te benoemen, te schorsen en te
                                    ontslaan;</al></li><li nr="e."><al> tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente te
                                    besluiten;</al></li><li nr="f."><al> te besluiten rechtsgedingen, bezwaarprocedures of
                                    administratief beroepsprocedures namens de gemeente of het
                                    gemeentebestuur te voeren, of handelingen ter voorbereiding
                                    daarop te verrichten, tenzij de raad, voor zover het de raad
                                    aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;</al></li><li nr="g."><al> ten aanzien van de voorbereiding van de civiele
                                    verdediging;</al></li><li nr="h."><al> jaarmarkten of gewone marktdagen in te stellen, af te schaffen
                                    of te veranderen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het college besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in
                            stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en
                            onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder
                            aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te
                            dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raad
                            een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter
                            kennis van het college heeft kunnen brengen.</al></li><li nr="3."><al> Een besluit als bedoeld in het tweede lid behoeft de goedkeuring van
                            gedeputeerde staten. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens
                            strijd met het recht of het algemeen belang.</al></li><li nr="4."><al> Het college neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een
                            rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter
                            voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.</al></li></lijst><al>Titel IV. De financiën van de gemeente</al><al>Hoofdstuk XII. Algemene bepalingen</al><al>Artikel 186 (artikel 190 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De begroting bevat ten minste de volgende onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al> de beleidsbegroting bestaande uit </al><lijst><li nr="1°"><al> de in het begrotingsjaar te realiseren programma’s, die
                                            elk een samenhangend geheel van activiteiten bestrijken,
                                            en het overzicht van algemene dekkingsmiddelen;</al></li><li nr="2°"><al> paragrafen die het voorgenomen beleid ten aanzien van
                                            het financieel beheer en de lokale heffingen bevatten en
                                            inzicht verschaffen in de financiële risico’s die de
                                            gemeente loopt gedurende het begrotingsjaar en de jaren
                                            waarvoor de meerjarenraming is opgesteld, alsmede in de
                                            maatregelen die worden genomen om deze risico’s op te
                                            vangen;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al> de financiële begroting bestaande uit: </al><lijst><li nr="1°"><al> een overzicht van baten en lasten, gespecificeerd op
                                            ten minste het niveau van de programma’s, met
                                            toelichting;</al></li><li nr="2°"><al> een uiteenzetting van de financiële positie en de
                                            toelichting.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het jaarverslag bevat ten minste de volgende onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al> een verantwoording over de realisatie van de programma’s en het
                                    overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;</al></li><li nr="b."><al> paragrafen die de verantwoording bevatten van hetgeen in de
                                    overeenkomstige paragrafen in de begroting is opgenomen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> De jaarrekening bevat de volgende onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al> de gerealiseerde baten en lasten per programma en het overzicht
                                    van de gerealiseerde algemene dekkingsmiddelen;</al></li><li nr="b. "><al>de balans en de toelichting.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de
                            jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig bij of
                            krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels.</al></li><li nr="5."><al> Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden
                            gesteld ten aanzien van: </al><lijst><li nr="a."><al> door het college vast te stellen documenten ten behoeve van de
                                    uitvoering van de begroting en de jaarrekening;</al></li><li nr="b."><al> door het college aan derden te verstrekken informatie op basis
                                    van de begroting en de jaarrekening en de controle van deze
                                    informatie. In overeenstemming met Onze Minister van Economische
                                    Zaken kan worden bepaald dat deze informatie wordt verstrekt aan
                                    het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al> Indien de informatie, bedoeld in het vijfde lid onder b, niet of niet
                            tijdig wordt verstrekt, dan wel de kwaliteit van de informatie tekort
                            schiet, geven gedeputeerde staten een aanwijzing aan het college om
                            alsnog informatie van voldoende kwaliteit te verstrekken.</al></li><li nr="7."><al> Indien het college nalaat de aanwijzing, bedoeld in het zesde lid, op
                            te volgen zorgen gedeputeerde staten dat de benodigde informatie alsnog
                            wordt verstrekt. De kosten daarvan komen voor rekening van de
                            gemeente.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk XIII. De begroting en de jaarrekening</al><al>Paragraaf 1. De begroting</al><al>Artikel 189 (artikel 193 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad brengt jaarlijks de bedragen op de begroting die hij voor de
                            uitvoering van de programma’s, bedoeld in artikel 186, eerste lid onder
                            a, sub 1°, beschikbaar stelt, alsmede de financiële middelen die naar
                            verwachting kunnen worden aangewend.</al></li><li nr="2."><al> De meerjarenraming bevat een raming van de financiële gevolgen van het
                            bestaande beleid, het nieuwe beleid dat in de programma’s is opgenomen
                            en eventueel overig voorgenomen nieuw beleid, voor de drie jaren volgend
                            op het begrotingsjaar.</al></li><li nr="3."><al> De raad ziet erop toe dat: </al><lijst><li nr="a."><al> de meerjarenraming, gelet op de paragrafen en de uiteenzetting
                                    van de financiële positie, een duurzaam evenwicht vertoont,
                                    en</al></li><li nr="b."><al> de begroting in evenwicht is. Hiervan kan hij afwijken indien
                                    de meerjarenraming voldoet aan het gestelde in onderdeel a.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Behoudens het bepaalde in artikel 208 en 209 kunnen ten laste van de
                            gemeente slechts uitgaven worden gedaan tot de bedragen die hiervoor op
                            de begroting zijn gebracht.</al></li><li nr="5."><al> Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.</al></li></lijst><al>Artikel 190 (artikel 194 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college biedt jaarlijks, tijdig voor de in artikel 191, eerste lid,
                            bedoelde vaststelling, de raad een ontwerp aan voor de begroting met
                            toelichting en de meerjarenraming met toelichting.</al></li><li nr="2. "><al>De ontwerpbegroting en de overige in het eerste lid bedoelde stukken
                            liggen, zodra zij aan de raad zijn aangeboden, voor een ieder ter inzage
                            en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de
                            verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven.</al></li><li nr="3."><al> De raad beraadslaagt over de ontwerpbegroting en de meerjarenraming
                            niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 191 (artikel 195 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt de begroting en de meerjarenraming vast in het jaar
                            voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient.</al></li><li nr="2."><al> Het college zendt de door de raad vastgestelde begroting en
                            meerjarenraming binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder
                            geval vóór 15 november van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de
                            begroting dient, aan gedeputeerde staten.</al></li></lijst><al>Artikel 192 (artikel 196 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind
                            van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.</al></li><li nr="2."><al> De artikelen 190, tweede lid, en 191, tweede lid, alsmede, behoudens in
                            gevallen van dringende spoed, het bepaalde in artikel 190, derde lid,
                            zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 193 (artikel 197 Provinciewet)</al><al>Verplichte uitgaven van de gemeente zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> de renten en aflossingen van de door de gemeente aangegane geldleningen
                            en alle overige opeisbare schulden;</al></li><li nr="b."><al> de uitgaven die bij of krachtens de wet aan de gemeente zijn
                            opgelegd;</al></li><li nr="c."><al> de uitgaven die voortvloeien uit de van het gemeentebestuur gevorderde
                            medewerking tot uitvoering van wetten en algemene maatregelen van
                            bestuur, voor zover die uitgaven niet ten laste van anderen zijn
                            gebracht.</al></li></lijst><al>Artikel 194 (artikel 198 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de raad weigert verplichte uitgaven op de begroting te brengen,
                            doen gedeputeerde staten dit.</al></li><li nr="2."><al> Indien de raad bovendien weigert in voldoende dekking van in het eerste
                            lid bedoelde uitgaven te voorzien, verminderen gedeputeerde staten
                            daartoe hetzij het bedrag voor onvoorziene uitgaven, hetzij indien dit
                            bedrag niet toereikend is, overige niet-verplichte uitgaven.</al></li></lijst><al>Artikel 195 (artikel 199 Provinciewet)</al><al>Gedeputeerde staten dragen zo nodig aan de bevoegde gemeenteambtenaar de
                    betaling op ten laste van de gemeente van hetgeen als verplichte uitgaaf op de
                    begroting is gebracht.</al><al>Paragraaf 2. De jaarrekening</al><al>Artikel 197 (artikel 201 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college legt aan de raad over elk begrotingsjaar verantwoording af
                            over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de
                            jaarrekening en het jaarverslag.</al></li><li nr="2."><al> Het college voegt daarbij de accountantsverklaring, bedoeld in artikel
                            213, derde lid, het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 213,
                            vierde lid, en de verslagen, bedoeld in artikel 213a, tweede lid.</al></li><li nr="3."><al> De in het eerste en tweede lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan
                            de raad zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen
                            verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt
                            openbaar kennis gegeven. De raad beraadslaagt over de jaarrekening en
                            het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare
                            kennisgeving.</al></li></lijst><al>Artikel 198 (artikel 202 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar
                            volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle baten en
                            lasten van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al> Indien de raad tot het oordeel komt dat baten, lasten en daarmee
                            overeenstemmende balansmutaties die in de jaarrekening zijn opgenomen
                            niet rechtmatig tot stand zijn gekomen, wordt dit standpunt terstond ter
                            kennis gebracht van het college met vermelding van de gerezen
                            bedenkingen.</al></li><li nr="3."><al> Het college zendt de raad binnen twee maanden na ontvangst van het
                            standpunt, bedoeld in het tweede lid, een voorstel voor een
                            indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij de raad gerezen
                            bedenkingen.</al></li><li nr="4."><al> Indien het college een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft
                            gedaan, stelt de raad de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft
                            besloten over het voorstel.</al></li></lijst><al>Artikel 199 (artikel 203 Provinciewet)</al><al>Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling
                    van de jaarrekening de leden van het college ten aanzien van het daarin
                    verantwoorde financieel beheer.</al><al>Artikel 200 (artikel 204 Provinciewet)</al><al>Het college zendt de vastgestelde jaarrekening en het jaarverslag, vergezeld van
                    de overige in artikel 197 bedoelde stukken binnen twee weken na vaststelling,
                    maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar, volgend op het begrotingsjaar,
                    aan gedeputeerde staten. Het college voegt daarbij, indien van toepassing, het
                    besluit van de raad over een voorstel voor een indemniteitsbesluit met de
                    reactie, bedoeld in artikel 198, derde lid.</al><al>Artikel 201 (artikel 205 Provinciewet)</al><al>Indien de raad de jaarrekening dan wel een indemniteitsbesluit niet of niet naar
                    behoren vaststelt, zendt het college de jaarrekening, vergezeld van de overige
                    in artikel 197 bedoelde stukken, respectievelijk het indemniteitsbesluit ter
                    vaststelling aan gedeputeerde staten.</al><al>Paragraaf 3. Goedkeuring van de begroting</al><al>Artikel 203 (artikel 207 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Gedeputeerde staten bepalen dat de begroting van het eerstvolgende
                            begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende
                            begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven, indien zij van oordeel
                            zijn dat de meerjarenraming, gelet op de paragrafen en de uiteenzetting
                            van de financiële positie, geen duurzaam evenwicht vertoont.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat de begroting, van het
                            eerstvolgende begrotingsjaar alsmede de daarop betrekking hebbende
                            begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven, indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar
                                    voorafgaande jaar een tekort vertoont of;</al></li><li nr="b."><al> de begroting of de meerjarenraming niet tijdig en volledig is
                                    ingezonden aan gedeputeerde staten overeenkomstig het bepaalde
                                    in artikel 191, of</al></li><li nr="c."><al> de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 197,
                                    eerste lid, van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande
                                    jaar niet tijdig en volledig is ingezonden aan gedeputeerde
                                    staten overeenkomstig het bepaalde in artikel 200, eerste
                                    lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Gedeputeerde staten maken een besluit als bedoeld in het eerste of
                            tweede lid vóór de aanvang van het begrotingsjaar aan de raad
                            bekend.</al></li><li nr="4."><al> Indien de begroting en/of de meerjarenraming naar het oordeel van
                            gedeputeerde staten onvoldoende inzicht verschaffen in de financiële
                            positie en de risico’s van de gemeente geven zij de raad een aanwijzing
                            om de informatie in de begroting en de meerjarenraming aan te vullen of
                            te verbeteren.</al></li><li nr="5."><al> Indien in het begrotingsjaar volgend op de aanwijzing, bedoeld in het
                            vierde lid, de begroting of de meerjarenraming naar het oordeel van
                            gedeputeerde staten nog steeds onvoldoende inzicht verschaffen in de
                            financiële positie en risico’s van de gemeente kunnen gedeputeerde
                            staten bepalen dat de begroting van het eerstvolgende begrotingsjaar
                            alsmede de daarop betrekking hebbende begrotingswijzigingen hun
                            goedkeuring behoeven. Het derde lid is van overeenkomstige
                            toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 205 (artikel 209 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Gedeputeerde staten sturen Onze Minister uiterlijk een maand na de
                            aanvang van het begrotingsjaar een afschrift van besluiten, bedoeld in
                            artikel 203, eerste, tweede, en vijfde lid.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten maken bij de aanvang van het begrotingsjaar door
                            publicatie in de Staatscourant bekend van welke gemeenten de begrotingen
                            en begrotingswijzigingen hun goedkeuring behoeven.</al></li><li nr="3. "><al>Gedeputeerde staten sturen jaarlijks voor 1 mei aan Onze Minister een
                            schriftelijk verslag van hun bevindingen met betrekking tot de
                            gemeentelijke begrotingen. Dit verslag bevat ten minste: </al><lijst><li nr="a."><al> een overzicht van het aantal gemeenten waarvan is bepaald dat
                                    de begroting de goedkeuring van gedeputeerde staten behoeft
                                    alsmede van de reden voor de instelling van het toezicht;</al></li><li nr="b."><al> een beschouwing van de ontwikkeling van de financiële positie
                                    en risico’s in de gemeenten.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Onze Minister stuurt jaarlijks vóór 1 juni aan de Tweede Kamer een
                            schriftelijk verslag van de bevindingen op grond van de verslagen van de
                            provincies, bedoeld in het derde lid.</al></li><li nr="5."><al> Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
                            ten aanzien van het verslag bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst><al>Artikel 206 (artikel 210 Provinciewet)</al><al>De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of met
                    het algemene financiële belang.</al><al>Artikel 207 (artikel 211 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien op de dag waarop een besluit tot wijziging van de begroting aan
                            gedeputeerde staten wordt aangeboden, de begroting nog niet is
                            goedgekeurd, vangt de in artikel 10:31, eerste lid, van de Algemene wet
                            bestuursrecht bedoelde termijn aan op de dag van de goedkeuring van de
                            begroting.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten kunnen bij hun besluit omtrent goedkeuring van de
                            begroting ten aanzien van door hen aan te geven soorten van wijzigingen
                            daarvan bepalen dat die hun goedkeuring niet behoeven.</al></li></lijst><al>Artikel 208 (artikel 212 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de begroting of een besluit tot wijziging daarvan niet is
                            goedgekeurd, behoeft het gemeentebestuur tot het aangaan van
                            verplichtingen de toestemming van gedeputeerde staten.</al></li><li nr="2."><al> Een aanvraag van het gemeentebestuur om toepassing van het eerste lid
                            kan door gedeputeerde staten slechts worden afgewezen wegens strijd met
                            het recht of met het algemene financiële belang.</al></li><li nr="3. "><al>Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag binnen twee maanden na de
                            verzending van de aanvraag, bedoeld in het tweede lid. De toestemming
                            wordt geacht te zijn verleend indien binnen deze termijn geen besluit
                            aan het gemeentebestuur is verzonden.</al></li><li nr="4."><al> Gedeputeerde staten kunnen aan de toestemming voorschriften
                            verbinden.</al></li><li nr="5."><al> Gedeputeerde staten kunnen bepalen voor welke posten en tot welk bedrag
                            het gemeentebestuur de toestemming, bedoeld in het eerste lid, niet
                            behoeft.</al></li></lijst><al>Artikel 209 (artikel 213 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> In gevallen van dringende spoed kan, indien de raad daartoe besluit,
                            verplichting worden aangegaan voordat de desbetreffende begroting of
                            begrotingswijziging is goedgekeurd. Het besluit wordt gedeputeerde
                            staten terstond toegezonden. Is de aangegane verplichting geraamd bij
                            een begrotingswijziging welke nog niet ter goedkeuring is ingezonden,
                            dan wordt deze begrotingswijziging tesamen met het besluit
                            toegezonden.</al></li><li nr="2."><al> Over het in het eerste lid bedoelde besluit stemt de raad bij
                            hoofdelijke oproeping.</al></li></lijst><al>Artikel 210 (artikel 214 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien de raad artikel 209 heeft toegepast en gedeputeerde staten hun
                            goedkeuring aan de desbetreffende begroting of begrotingswijziging
                            onthouden, kunnen zij binnen een maand nadat hun besluit onherroepelijk
                            is geworden, de leden van de raad die hun stem vóór het in artikel 209
                            bedoelde besluit hebben uitgebracht, ieder voor een gelijk deel,
                            persoonlijk voor deze verplichting aansprakelijk stellen tegenover de
                            gemeente.</al></li><li nr="2."><al> De werking van het besluit tot aansprakelijkstelling wordt opgeschort
                            totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld,
                            op het beroep is beslist.</al></li><li nr="3. "><al>De commissaris van de Koning stelt zo nodig namens en ten laste van de
                            gemeente een rechtsvordering in tot betaling van de krachtens het
                            besluit tot aansprakelijkstelling verschuldigde gelden.</al></li><li nr="4."><al> Ingevolge artikel 203, eerste of tweede lid, is onderworpen aan
                            goedkeuring, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat door hen aan te
                            wijzen beslissingen van het gemeentebestuur die financiële gevolgen voor
                            de gemeente hebben of kunnen hebben, door het college binnen twee weken
                            aan gedeputeerde staten worden toegezonden.</al></li></lijst><al>Artikel 211 (artikel 215 Provinciewet)</al><al>Indien de begroting van een gemeente ingevolge artikel 203, eerste of tweede
                    lid, is onderworpen aan goedkeuring, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat door
                    hen aan te wijzen beslissingen van het gemeentebestuur die financiële gevolgen
                    voor de gemeente hebben of kunnen hebben, door het college binnen twee weken aan
                    gedeputeerde staten worden toegezonden.</al><al>Hoofdstuk XIV. De administratie en de controle</al><al>Artikel 212 (artikel 216 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële
                            beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de
                            financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen
                            van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.</al></li><li nr="2. "><al>De verordening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> regels voor waardering en afschrijving van activa;</al></li><li nr="b."><al> grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur
                                    in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als
                                    bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven,
                                    voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet
                                    milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al> regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
                                    richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede
                                    inzake de administratieve organisatie van de
                                    financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden,
                                    de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                    informatievoorziening.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 213 (artikel 217 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> De raad stelt bij verordening regels vast voor de controle op het
                            financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie.
                            Deze verordening waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële
                            beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt
                            getoetst.</al></li><li nr="2."><al> De raad wijst een of meer accountants aan als bedoeld in artikel 393,
                            eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de
                            controle van de in artikel 197 bedoelde jaarrekening en het daarbij
                            verstrekken van een accountantsverklaring en het uitbrengen van een
                            verslag van bevindingen.</al></li><li nr="3."><al> De accountantsverklaring geeft op grond van de uitgevoerde controle aan
                            of: </al><lijst><li nr="a."><al> de jaarrekening een getrouw beeld geeft van zowel de baten en
                                    lasten als de grootte en samenstelling van het vermogen;</al></li><li nr="b."><al> de baten en lasten, alsmede de balansmutaties rechtmatig tot
                                    stand zijn gekomen;</al></li><li nr="c."><al> de jaarrekening is opgesteld in overeenstemming met de bij of
                                    krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels,
                                    bedoeld in artikel 186 en</al></li><li nr="d."><al> het jaarverslag met de jaarrekening verenigbaar is.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Het verslag van bevindingen bevat in ieder geval bevindingen over: </al><lijst><li nr="a."><al> de vraag of de inrichting van het financiële beheer en van de
                                    financiële organisatie een getrouwe en rechtmatige
                                    verantwoording mogelijk maken en</al></li><li nr="b."><al> onrechtmatigheden in de jaarrekening.</al></li></lijst></li><li nr="5. "><al>De accountant zendt de accountantsverklaring en het verslag van
                            bevindingen aan de raad en een afschrift daarvan aan het college.</al></li><li nr="6."><al> Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld
                            met betrekking tot de reikwijdte van en de verslaglegging omtrent de
                            accountantscontrole, bedoeld in het tweede lid.</al></li><li nr="7."><al> Accountants als bedoeld in het tweede lid kunnen in gemeentelijke
                            dienst worden aangesteld en worden in dat geval door de raad benoemd,
                            geschorst en ontslagen.</al></li></lijst><al>Artikel 213a (artikel 217a Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Het college verricht periodiek onderzoek naar de doelmatigheid en de
                            doeltreffendheid van het door hem gevoerde bestuur. De raad stelt bij
                            verordening regels hierover.</al></li><li nr="2."><al> Het college brengt schriftelijk verslag uit aan de raad van de
                            resultaten van de onderzoeken.</al></li><li nr="3."><al> Het college stelt de rekenkamer of, indien geen rekenkamer is
                            ingesteld, personen die de rekenkamerfunctie uitoefenen, tijdig op de
                            hoogte van de onderzoeken die hij doet instellen en zendt haar,
                            onderscheidenlijk hen, een afschrift van een verslag als bedoeld in het
                            tweede lid.</al></li></lijst><al>Artikel 214 (artikel 218 Provinciewet)</al><al>Het college zendt de verordeningen, bedoeld in de artikelen 212 en 213, binnen
                    twee weken na vaststelling door de raad aan gedeputeerde staten. Bij de
                    beoordeling of de begroting in evenwicht is en de meerjarenraming een duurzaam
                    evenwicht vertoont houden gedeputeerde staten rekening met hetgeen in deze
                    verordeningen is bepaald.</al><al>Artikel 215 (artikel 219 Provinciewet)</al><al>Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het
                    beheer en de inrichting van de financiële organisatie, bedoeld in artikel 212,
                    eerste lid.</al><al>Hoofdstuk XV. De gemeentelijke belastingen</al><al>Artikel 229b (vergelijk artikel 225 Provinciewet, hieronder opgenomen)</al><lijst><li nr="1."><al> In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229,
                            eerste lid, onder a en b , worden geheven, worden de tarieven zodanig
                            vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de
                            geraamde lasten ter zake.</al></li><li nr="2."><al> Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
                                    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;</al></li><li nr="b."><al> de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het
                                    BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het
                                    fonds.</al></li></lijst></li></lijst><al>Hoofdstuk XVII. Schorsing en vernietiging</al><al>Artikel 273 (artikel 266 Provinciewet)</al><lijst><li nr="1."><al> Indien een besluit naar het oordeel van de burgemeester voor
                            vernietiging in aanmerking komt, doet hij daarvan binnen twee dagen
                            nadat het te zijner kennis is gekomen, door tussenkomst van gedeputeerde
                            staten, mededeling aan Onze Minister wie het aangaat. Hij geeft hiervan
                            tegelijkertijd kennis aan het orgaan dat het besluit nam, en zo nodig
                            aan het orgaan dat met de uitvoering van het besluit is belast.</al></li><li nr="2."><al> Gedeputeerde staten zenden de stukken, vergezeld van hun advies, binnen
                            een week na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester toe aan
                            Onze Minister wie het aangaat.</al></li><li nr="3."><al> Het besluit ten aanzien waarvan het eerste lid toepassing heeft
                            gevonden, wordt niet of niet verder uitgevoerd, voordat van Onze
                            Minister wie het aangaat de mededeling is ontvangen, dat voor schorsing
                            of vernietiging geen redenen bestaan. Indien het besluit niet binnen
                            vier weken na de dagtekening van de mededeling van de burgemeester is
                            geschorst of vernietigd, wordt het uitgevoerd.</al></li></lijst><al>Provinciewet</al><al>Artikel 173</al><al>Indien een besluit van de raad of van burgemeester en wethouders van een
                    gemeente in hun provincie naar het oordeel van gedeputeerde staten voor
                    vernietiging in aanmerking komt, doen zij daarvan mededeling aan Onze Minister
                    wie het aangaat.</al><al>Artikel 225</al><lijst><li nr="1."><al> In verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 223,
                            eerste lid, worden geheven, worden de tarieven zodanig vastgesteld dat
                            de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten
                            ter zake.</al></li><li nr="2."><al> Onder de in het eerste lid bedoelde lasten worden mede verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al> bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor
                                    noodzakelijke vervanging van de betrokken activa;</al></li><li nr="b."><al> de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het
                                    BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het
                                    fonds.</al></li></lijst></li></lijst><al>Wet algemene regels herindeling (arhi)</al><al>Het voornemen is artikel 47 van de Wet Arhi te wijzigen met het wetsvoorstel
                    ‘duurzaam financieel evenwicht’. Gemeentewet. Artikel 47 is derhalve ook cursief
                    weergegeven.</al><al>Artikel 21</al><lijst><li nr="1."><al> Met ingang van de dag waarop een gemeente blijkens een
                            herindelingontwerp, een herindelingadvies of een voorstel van wet in
                            aanmerking komt om te worden opgeheven, behoeven de door de gedeputeerde
                            staten aangewezen besluiten van het gemeentebestuur de goedkeuring van
                            gedeputeerde staten.</al></li><li nr="2."><al> Aangewezen kunnen worden categorieën van besluiten die kunnen leiden
                            tot nieuwe uitgaven, tot verhoging van de bestaande uitgaven dan wel
                            verlaging van bestaande inkomsten of tot vermindering van vermogen.</al></li><li nr="3."><al> De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het financieel
                            belang van de gemeente of gemeenten waarvan het gebied van de betrokken
                            gemeente na herindeling deel zal gaan uitmaken.</al></li><li nr="4."><al> Het toezicht dat is aangevangen op grond van het eerste lid blijft van
                            kracht tot de datum van herindeling of de datum waarop Onze Minister
                            bepaalt dat het toezicht is vervallen.</al></li></lijst><al>Artikel 47</al><lijst><li nr="1."><al> Ten behoeve van de voortzetting van het comptabel beheer in verband met
                            de overgang van gebied kunnen gedeputeerde staten, de besturen van de
                            betrokken gemeenten gehoord, aanwijzingen geven, welke door die besturen
                            in acht moeten worden genomen.</al></li><li nr="2."><al> Voor het tijdvak waarin voor een nieuwe gemeente nog geen begroting is
                            vastgesteld, zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot het doen van
                            uitgaven, voor zover daartegen bij gedeputeerde staten geen bezwaar
                            bestaat.</al></li><li nr="3."><al> De raad van de nieuwe gemeente stelt de begroting voor het lopend
                            begrotingsjaar zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval vóór 15 maart
                            van dat jaar vast. De begroting evenals de daarop betrekking hebbende
                            begrotingswijzigingen behoeven de goedkeuring van gedeputeerde staten.
                            De artikelen 206 tot en met 211 van de Gemeentewet zijn van
                            overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>Implicaties invoering criterium duurzaam financieel evenwicht</al><al>Het voorstel tot wijziging van de Gemeentewet, genaamd ‘duurzaam financieel
                    evenwicht’, is najaar 2004 ingediend bij de Raad van State. Een eerdere versie
                    van het voorstel is voor advies gestuurd aan IPO, VNG en Rfv. Deze adviezen
                    hebben geleid tot enkele aanpassingen aan het ingediende wetsvoorstel. De
                    strekking van het wetsvoorstel is niet veranderd. Het wetsvoorstel is
                    aangehouden tot de evaluatieresultaten van de pilots in Noord-Brabant en Limburg
                    bekend zijn (zie verder paragraaf 1.2). Gelijktijdig is besloten het criterium
                    duurzaam financieel evenwicht in de tussentijd al wel toe te passen zonder daar
                    sancties aan te verbinden. In het vervolg van deze bijlage worden de gevolgen
                    van de invoering van het duurzaamheidcriterium geschetst.</al><al>Gemeenten zijn, begin 2005, van de veranderingen bij circulaire op de hoogte
                    gesteld. De directe veranderingen voor gemeenten zijn overigens niet groot, zo
                    hoeven de begrotingsstukken niet te worden aangepast. Wel dient de
                    meerjarenraming volgens het wetsvoorstel door de raad te worden vastgesteld. Het
                    belang van het wetsvoorstel voor gemeenten zit veel meer in de wijze waarop het
                    financieel toezicht geschied.</al><al>Toezichtcriterium</al><al>Het criterium voor financieel toezicht is vanaf 1994 de sluitendheid van de
                    begroting. Dit criterium zal worden vervangen door het criterium ‘duurzaam
                    financieel evenwicht’. Het grootste verschil tussen beide criteria is dat
                    duurzaam evenwicht op meerdere jaren slaat; in het algemeen richt dit criterium
                    zich op het begrotingsjaar en de drie daarop volgende jaren, dat wil zeggen op
                    de begroting en op de meerjarenraming. De reden voor de vervanging van het
                    criterium sluitende begroting door duurzaam financieel evenwicht is dat
                    gemeenten steeds meer risico’s kennen – onder andere vanwege decentralisering
                    (leerlingenvervoer, onderwijshuisvesting, Wvg, Wet werk en bijstand) - en het
                    opvangen van deze risico’s daarom steeds belangrijker wordt voor gemeenten. Een
                    bredere tijdshorizon, met meeweging van bijvoorbeeld risico’s in het onderhoud
                    van kapitaalgoederen, grondbeleid en verbonden partijen en de middelen die
                    eventueel inzetbaar zijn – de weerstandscapaciteit - is daarom belangrijk om de
                    financiële positie van een gemeente te beoordelen.</al><al>Het wetsvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet gaat ervan uit dat de raad
                    erop toeziet dat de meerjarenraming, gelet op de paragrafen en de uiteenzetting
                    van de financiële positie een duurzaam financieel evenwicht vertonen. Omdat een
                    sluitende begroting een belangrijk onderdeel is van het duurzaam financieel
                    evenwicht, is dit nog eens als afzonderlijke vereiste gesteld voor de raad. De
                    raad is ook in de Gemeentewet al verplicht voor een sluitende begroting te
                    zorgen en in wezen heeft de raad ook al de verantwoordelijkheid voor het
                    duurzaam financieel evenwicht, namelijk in het BBV , maar bij de wetswijziging
                    besproken in paragraaf I.2 is dit geformaliseerd. In deze wetswijziging is ook
                    geregeld dat de raad de meerjarenraming vaststelt.</al><al>Indien de toezichthouder constateert dat het duurzaam financieel evenwicht
                    ontbreekt, dient hij preventief toezicht in te stellen.</al><al>Voor imperatief preventief toezicht wordt de beoordeling van het duurzaam
                    financieel evenwicht essentieel. Voor deze beoordeling zijn de volgende factoren
                    van belang:</al><lijst><li nr="a."><al> materieel evenwicht;</al></li><li nr="b."><al> financiële positie en meerjarenraming;</al></li><li nr="c."><al> de voorgeschreven paragrafen;</al></li><li nr="d."><al> de verordeningen ex artikel 212 en 213 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al> nieuwe wet- en regelgeving van het Rijk.</al></li></lijst><al>Een eerste aanzet tot duurzaam financieel evenwicht is een sluitende begroting.
                    Indien er een tekort is op de begroting voor jaar t dan is dit een belangrijk
                    signaal voor het al dan niet aanwezig zijn van duurzaam financieel evenwicht.
                    Een sluitende begroting wil zeggen dat de structurele lasten zijn gedekt door
                    structurele baten. Echter ook indien er geen tekort op de begroting is kan er
                    sprake zijn van het ontbreken van duurzaam financieel evenwicht. Voor een goede
                    beoordeling van het duurzaam financieel evenwicht is een weging van de factoren
                    a) tot en met e) samen van belang.</al><al>Het niet opvolgen van aanwijzingen</al><al>Artikel 203, vierde lid geeft de mogelijkheid dat de toezichthouder een
                    aanwijzing geeft indien er informatie ontbreekt die op korte termijn niet
                    essentieel is, maar die het beeld van het al dan niet aanwezig zijn van duurzaam
                    financieel evenwicht op langere termijn kan aantasten. Voorbeeld is een gemeente
                    die er financieel redelijk voorstaat, maar onvolledige paragrafen in de
                    begroting heeft opgenomen. Artikel 203, vijfde lid bepaalt vervolgens dat als de
                    gemeente de aanwijzing niet opvolgt de toezichthouder over kan gaan tot het
                    instellen van preventief toezicht bij de volgende begroting. Deze bepalingen
                    dienen met name als formalisering van wat al gebruikelijk is. Het is regelmatig
                    zo dat gemeenten zich in een dusdanige zwakke financiële positie bevinden,
                    waarbij preventief te ver zou gaan, maar er wel actie van gemeentezijde is
                    geboden. Met een gemeente die zich in een dergelijke situatie bevindt, wordt in
                    het algemeen afspraken gemaakt om tot oplossing van de problemen te komen. In
                    voorkomende gevallen kan nu door de toezichthouder een aanwijzing worden
                    gegeven. Bij het niet nakomen van de afspraken c.q. het niet opvolgen van de
                    aanwijzing komt nu het instrument van preventief toezicht meer nadrukkelijk in
                    beeld.</al><al> 13. Zo is in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten
                    bepaald dat de begroting onder andere paragrafen en een uiteenzetting van de
                    financiële positie bevat; beide onderdelen die bij genoemde wetswijziging omhoog
                    getild naar de Gemeentewet. </al><al>In het uiterste geval zal de toezichthouder dan een aanwijzing geven (ex art.
                    203, vierde lid). Wordt deze aanwijzing niet opgevolgd dan kan de toezichthouder
                    het jaar daarop preventief toezicht instellen.</al><al>Het onthouden van de goedkeuring is mede afhankelijk van het totale beeld van
                    het duurzaam financieel evenwicht dat de toezichthouder van de gemeente heeft
                    (voor de elementen zie hoofdstuk 3). In beginsel wordt de goedkeuring onthouden
                    aan een begroting die niet duurzaam financieel in evenwicht is.</al><al>Toezicht vanwege herindeling</al><al>De praktijk dat gedurende het eerste jaar van de nieuwe gemeente deze standaard
                    onder preventief toezicht staat, zal in de wet Arhi worden geformaliseerd. Deze
                    wijziging zal gelijktijdig met het wetsvoorstel ‘duurzaam financieel evenwicht’
                    worden ingevoerd.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4 Begrippen en normen op het gebied van de gemeentefinanciën (in
                        alfabetische volgorde)</titel></kop><al>Algemene reserve</al><al>Reserve waaraan door de raad nog geen bestemming is gegeven.</al><al>Algemene reserve grondexploitatie</al><al>Artikel 12-uitkering</al><al>Een artikel 12-uitkering is een aanvullende uitkering uit het gemeentefonds, die
                    op grond van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet voor één of meerdere
                    jaren door de beheerders van het gemeentefonds wordt verstrekt, op verzoek van
                    een gemeente waarvan de algemene middelen aanmerkelijk én structureel tekort
                    schieten om in de noodzakelijke behoefte te voorzien, terwijl de eigen inkomsten
                    van die gemeente zich op een redelijk peil bevinden.</al><al>Behoedzaamheidreserve</al><al>De behoedzaamheidreserve is een gedeelte van de algemene uitkering uit het
                    gemeentefonds, dat vooralsnog niet tot uitkering komt wegens een verwachte
                    onderuitputting op de rijksuitgaven.</al><al>Dekkingsreserve/bruteringreserve</al><al>Onder een dekkingsreserve/bruteringreserve wordt verstaan een geblokkeerde
                    (bestemming)reserve waaraan jaarlijks een vooraf vastgesteld bedrag wordt
                    onttrokken om de kapitaallasten van een specifieke investering te dekken.</al><al>Duurzaam financieel evenwicht</al><al>Er is sprake van duurzaam financieel evenwicht als – met in achtneming van het
                    risicoprofiel van de gemeente – aannemelijk is dat in beginsel binnen de termijn
                    van de meerjarenraming een situatie van materieel evenwicht ontstaat voor zowel
                    het bestaande als het nieuwe beleid (cf. artikel 22 BBV) die zich daarna,
                    blijkens een volgende meerjarenraming, bestendigt.</al><al>Facultatief preventief toezicht</al><al>Onder facultatief preventief toezicht wordt verstaan de toezichtvorm die de
                    toezichthouder voor het begin van een begrotingsjaar voor dat begrotingsjaar kan
                    vaststellen als één of meer van de volgende situaties zich voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al> de begroting en/of jaarrekening niet vóór de wettelijke termijn wordt
                            ingezonden; (GW)</al></li><li nr="-"><al> de jaarrekening van het tweede aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar
                            een tekort vertoont; (GW)</al></li><li nr="- "><al>stukken niet of onvolledig worden ingezonden, dan wel van slechte
                            kwaliteit zijn; (BBV)</al></li></lijst><al>Het besluit van de toezichthouder moet voorafgaand aan het begrotingsjaar aan de
                    gemeente worden meegedeeld. Zowel de begroting als de wijzigingen daarvan
                    behoeven in die situatie de goedkeuring van de toezichthouder. Tot het tijdstip
                    van de goedkeuring mag de ondertoezichtgestelde, zonder voorafgaande toestemming
                    van de toezichthouder, geen verplichtingen aangaan/uitgaven doen.</al><al>Financiële functie</al><al>Onder de financiële functie wordt verstaan alles wat van belang is voor de wijze
                    waarop gemeenten omgaan met hun financiële middelen, zoals de beleidsbegroting,
                    financiële begroting, meerjarenraming, de productenraming, het jaarverslag en de
                    jaarrekening, de treasuryfunctie, de planning en control, de kostprijzen, de
                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid.</al><al>Financieringsratio</al><al>De relatie tussen de vrijkomende middelen en de betaalde aflossingen op lang
                    vreemd vermogen is een indicator voor het vermogen van de gemeente om het
                    investeringsvolume op peil te houden zonder nieuw vreemd vermogen aan te
                    trekken. Tot de vrijgekomen middelen rekenen we dan de afschrijvingen,
                    aflossingen op verstrekte geldleningen, kapitaalverstrekkingen en dergelijke.
                    Als deze ratio kleiner is dan 1, dan betekent dit dat er minder middelen vrij
                    komen dan er aan aflossingen betaald moet worden, zodat in de nabije toekomst
                    een extra beroep moet worden gedaan op vreemd vermogen om investeringen te
                    financieren, wat extra renterisico met zich mee kan brengen.</al><al>Formeel begrotingsevenwicht</al><al>Onder formeel begrotingsevenwicht wordt verstaan de situatie waarin de door de
                    raad vastgestelde baten en de lasten van het begrotingsjaar na
                    resultaatbestemming tenminste in evenwicht zijn.</al><al>Formeel begrotingssaldo</al><al>Onder het formele begrotingssaldo wordt verstaan het saldo van de begroting na
                    resultaatbestemming, zoals opgenomen in de door de raad vastgestelde
                    begroting.</al><al>Geblokkeerde reserves</al><al>Onder geblokkeerde reserves worden verstaan reserves waarover niet geheel of
                    gedeeltelijk vrij kan worden beschikt, omdat deze reserves worden gebruikt om
                    structurele dekkingsmiddelen voor de gemeentelijke begroting te genereren en bij
                    andere inzet vervangende structurele dekkingsmiddelen moeten worden aangewezen.
                    Het gaat vooral om reserves waar van de rente geheel of gedeeltelijk als
                    structureel dekkingsmiddel ten gunste van de gemeentelijke begroting wordt
                    gebracht en om dekkingsreserves voor zover deze verplicht zijn en erover
                    besloten is.</al><al>Groot onderhoud</al><al>Onderhoud betreft de uitvoering van preventieve dan wel correctieve maatregelen
                    om het kapitaalgoed (gedurende de levensduur) in goede staat te houden of te
                    brengen. Onderhoud valt uiteen in groot onderhoud en klein onderhoud. Onder
                    groot onderhoud wordt verstaan onderhoud van veelal ingrijpende aard dat over
                    een (groot deel) van het kapitaalgoed wordt uitgevoerd. Klein onderhoud is het
                    onderhoud dat in het eerste of het lopende planjaar over een klein gedeelte van
                    het kapitaalgoed wordt uitgevoerd. Onderhoud betreft maatregelen die de
                    levensduur van het kapitaalgoed niet verlengen. Onderhoudskosten kunnen niet
                    worden geactiveerd, maar dienen (jaarlijks) ten laste van de begroting te worden
                    gebracht. De kosten van groot onderhoud kunnen via een jaarlijkse storting in
                    een voorziening ex artikel 44 van het BBV over de totale levensduur worden
                    uitgesmeerd.</al><al>Imperatief preventief toezicht</al><al>Onder imperatief preventief toezicht wordt verstaan de toezichtvorm die van
                    toepassing is indien de toezichthouder vaststelt dat de begroting geen materieel
                    of structureel evenwicht laat zien en dit voorafgaand aan het betreffende
                    begrotingsjaar aan de gemeente meedeelt. Indien de begroting niet sluit en de
                    sluitendheid via de meerjarenraming moet worden aangetoond, mag de
                    evenwichtssituatie niet telkens opnieuw een jaar worden opgeschoven. Zowel de
                    begroting als de wijzigingen daarvan behoeven in die situatie de goedkeuring van
                    de toezichthouder. Tot het tijdstip van de goedkeuring mag de
                    ondertoezichtgestelde, zonder voorafgaande toestemming van de toezichthouder,
                    geen nieuwe verplichtingen aangaan/uitgaven doen.</al><al>Incidentele baten</al><al>Onder incidentele baten wordt verstaan baten die bij ongewijzigd beleid en
                    omstandigheden voor maximaal drie jaar vaststaan.</al><al>Incidentele lasten</al><al>Onder incidentele lasten wordt verstaan lasten die zich bij ongewijzigd beleid
                    en omstandigheden gedurende maximaal drie jaar voordoen.</al><al>Investeringsratio</al><al>De verhouding tussen de vrijgekomen middelen en de betaalde aflossingen wordt,
                    uitgaande van het feit dat de aflossingen een min of meer vast karakter hebben,
                    bepaald door het afschrijvingsbeleid.</al><al>De gemiddelde restant afschrijvingstermijn wordt bepaald door de boekwaarde
                    (exclusief grondexploitatie, hypothecaire geldleningen personeel, deelnemingen,
                    beleggingen en kapitaalverstrekkingen woningbouw) per 1 januari te delen door de
                    geraamde afschrijvingslasten. Het hanteren van relatief lange
                    afschrijvingstermijnen kan er op duiden dat een gemeente te kampen heeft met een
                    zekere financiële problematiek. Immers het hanteren van lange
                    afschrijvingstermijnen betekent dat (kapitaal)lasten naar de toekomst worden
                    verschoven.</al><al>NB: In uitzonderlijke gevallen kan een relatief lange gemiddelde
                    afschrijvingstermijn veroorzaakt worden door één of meerdere investeringen met
                    een grote omvang, waarvan de kapitaallasten in het eerste jaar niet worden
                    geraamd.</al><al>Materieel begrotingsevenwicht</al><al>Onder materieel begrotingsevenwicht wordt verstaan de situatie waarin, uitgaande
                    van het bestaande beleid en inclusief nieuw aanvaard beleid:</al><lijst><li nr="-"><al> alle structurele lasten tenminste worden gedekt door structurele baten;
                            en</al></li><li nr="-"><al> incidentele lasten worden gedekt door incidentele baten (waaronder
                            onttrekkingen aan de algemene reserve).</al></li></lijst><al>In deze situatie mogen incidentele lasten wel door structurele baten worden
                    gedekt en dienen de ramingen, gelet op onder meer de paragrafen en de
                    uiteenzetting van de financiële positie, reëel te zijn.</al><al>Materieel begrotingssaldo</al><al>Onder het materiële begrotingssaldo wordt verstaan het saldo van de begroting na
                    resultaatbestemming, met inachtneming van eventuele correcties hierop van de
                    toezichthouder aan de hand van de uitgangspunten van het materiële
                    begrotingsevenwicht.</al><al>Materieel rekeningsaldo</al><al>Onder het materiële rekeningsaldo wordt verstaan het saldo van de rekening na
                    resultaatbestemming, met inachtneming van eventuele correcties hierop van de
                    toezichthouder aan de hand van de uitgangspunten van het materiële evenwicht.
                    Voor de uitwerking hiervan kan onderstaande opstelling worden gehanteerd.</al><al>Rekeningsaldo na bestemming</al><lijst><li nr="- "><al>Buitengewone baten -/-</al></li><li nr="-"><al> Buitengewone lasten +</al></li></lijst><al>Saldo uit de normale bedrijfsuitoefening</al><lijst><li nr="-"><al> Bijzondere baten -/-</al></li><li nr="- "><al>Bijzondere lasten +</al></li></lijst><al>Materieel saldo = saldo uit de normale baten en lasten</al><al>* De mutaties die betrekking hebben op de grondexploitatie worden geheel
                    gecorrigeerd bij de bijzondere baten en lasten.</al><al>Normale baten en lasten: vloeien voort uit gebeurtenissen of handelingen die
                    karakteristiek (gewoon) zijn voor de gemeente. Het criterium frequentie van
                    voorkomen is hierbij mede bepalend. Te denken valt hierbij aan normale baten en
                    lasten, incidentele hogere en lagere baten en lasten van het jaar zelf en
                    beperkte afwikkelingsverschillen van vorige jaren.</al><al>Bijzondere baten en lasten vloeien voort uit de normale bedrijfsuitoefening en
                    worden met het oog op analyse en vergelijkbaarheid van de begroting met de
                    rekening afzonderlijk in de presentatie van het rekeningsaldo vermeld,
                    zoals:</al><lijst><li nr="-"><al> resultaten uit (af)gesloten exploitaties;</al></li><li nr="- "><al>het effect van wijziging van de geschatte gebruiksduur van vaste
                            activa;</al></li><li nr="-"><al> belangrijke afwikkelingsverschillen van vorige jaren.</al></li></lijst><al>Buitengewone baten en lasten zijn baten en lasten die niet voortvloeien uit de
                    normale bedrijfsuitoefening van gemeenten, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al> incidentele baten, bijvoorbeeld ontstaan door de verkoop van een vast
                            actief (boekwinst stille reserve);</al></li><li nr="- "><al>verzekeringsuitkeringen voor zover afwijkend van de boekwaarde van de
                            verloren gegane activa;</al></li><li nr="-"><al> lasten vanwege de aanspraak op garanties of voortvloeiend uit
                            reorganisaties;</al></li><li nr="-"><al> stelselwijzigingen van afschrijvingsmethodiek (van lineair naar
                            annuïtair).</al></li></lijst><al>Onderuitputting</al><al>Het achterblijven van de feitelijke lasten bij de in de begroting opgenomen
                    bedragen.</al><al>Onvoorzien</al><al>Verplicht te ramen bedrag op de begroting voor het opvangen van onontkoombare en
                    onuitstelbare uitgaven die ten tijde van het opstellen van de begroting nog niet
                    worden voorzien.</al><al>De post onvoorzien is een post waarop nooit rechtstreeks betalingen mogen worden
                    gedaan. Het karakter van deze post is, dat met het daarop uitgetrokken bedrag
                    andere posten in de begroting die te laag of baten die te hoog blijken te zijn
                    geraamd, kunnen worden versterkt en dat daarvan bedragen kunnen worden
                    afgeschreven voor in de loop van het jaar op de begroting te brengen nieuwe
                    posten.</al><al>Repressief toezicht</al><al>Onder repressief toezicht wordt verstaan de toezichtvorm die van toepassing is
                    als de begroting niet onder het imperatief of het facultatief preventieve
                    toezicht valt. De begroting en de begrotingswijzigingen krijgen rechtskracht
                    zonder afhankelijk te zijn van een besluit tot goedkeuring.</al><al>Resterende belastingcapaciteit</al><al>Het verschil tussen de belastingopbrengst op grond van artikel 12 van de
                    Financiële-verhoudingswet en de in de begroting geraamde
                    belastingopbrengst.</al><al>Saldo financieringsfunctie</al><al>Saldo financieringsfunctie is het saldo van (a) de betaalde rente (last) over de
                    aangegane leningen en over de aangetrokken middelen in rekening courant en (b)
                    de ontvangen rente (baat) over de uitzettingen. Berekende rente over het eigen
                    vermogen kan algemeen dekkingsmiddel zijn en valt hier niet dus niet onder.</al><al>Solvabiliteit</al><al>De verhouding tussen eigen vermogen en vreemd vermogen. Een toename van deze
                    ratio geeft aan dat de gemeente minder afhankelijk wordt van vreemd vermogen en
                    dat het weerstandsvermogen toeneemt. Tevens zegt deze verhouding iets over de
                    mate waarin de gemeentebegroting gevoelig is voor renteontwikkeling.</al><al>Structureel begrotingsevenwicht</al><al>Onder structureel begrotingsevenwicht wordt verstaan de situatie waarin, op
                    basis van bestaand beleid, tenminste het laatste jaar van de meerjarenraming
                    materieel in evenwicht is.</al><al>Toegerekende apparaatskosten</al><al>Lasten van het inzetten van het gemeentelijke apparaat voor het realiseren van
                    zaken of diensten, die in rekening worden gebracht bij die zaken of diensten met
                    als gevolg dat deze lasten niet meer of niet meer direct volledig op de
                    gemeentelijke begroting van dat jaar drukken, maar (deels) worden gedekt door de
                    rechten of andere baten.</al><al>Toegerekende apparaatskosten aan grondexploitatie</al><al>Lasten van het inzetten van het gemeentelijke apparaat voor het realiseren van
                    een aantal fasen (programma-, ontwerp- en realisatiefase en eventueel
                    initiatieffase) van bouwgrondexploitatie gebieden (uitleg-, herstructurering-,
                    functieverandering- en inbreidingsgebieden), die worden toegerekend aan die
                    exploitatiegebieden en daardoor niet meer volledig op de gemeentelijke begroting
                    drukken, maar (deels) worden gedekt uit de opbrengsten van de betreffende
                    exploitatiegebieden (grondopbrengsten, subsidies of bijdragen uit
                    reserves).</al><al>Toegerekende apparaatskosten aan investeringen</al><al>Lasten van het inzetten van het gemeentelijke apparaat voor het realiseren van
                    investeringen met een publiek karakter en een meerjarig economisch of
                    maatschappelijk nut, welke lasten in rekening worden gebracht aan die
                    investeringen en daardoor niet meer direct of volledig op de begroting drukken
                    maar:</al><lijst><li nr="- "><al>1. in geval van kapitaliseren van die investeringen geleidelijk en in
                            delen, in aantal gelijk aan de afschrijvingstermijn en in omvang
                            afhankelijk van de afschrijvingsmethodiek, ten laste van de
                            gemeentelijke begroting worden gebracht; of</al></li><li nr="- "><al>2. in één keer worden gedekt uit incidentele middelen, zoals reserves,
                            bijdragen van derden en incidentele baten.</al></li></lijst><al>Vrije reserve</al><al>Onder een vrije reserve wordt verstaan een reserve waarvan de aanwending geen
                    budgettaire gevolgen heeft, omdat de bespaarde rente niet als structureel
                    dekkingsmiddel wordt gebruikt.</al><al>Weerstandscapaciteit, incidenteel</al><al>Onder de incidentele weerstandscapaciteit wordt verstaan het vermogen om
                    onverwachte eenmalige tegenvallers op te kunnen vangen, zonder dat dit invloed
                    heeft op de voortzetting van taken op het geldende niveau. De middelen die dat
                    vermogen bepalen zijn:</al><lijst><li nr="- "><al>De algemene reserve en de reserves waaraan de raad een bestemming heeft
                            gegeven die kan worden gewijzigd.</al></li><li nr="-"><al> De in de begroting opgenomen ramingen voor onvoorziene uitgaven voor
                            zover hier nog geen bestemming aan is gegeven.</al></li><li nr="-"><al> Het incidentele rekeningsaldo dat nog niet aan de algemene reserve is
                            toegevoegd.</al></li><li nr="-"><al> De stille reserves, voor zover deze op korte termijn materieel te maken
                            zijn.</al></li></lijst><al>Weerstandscapaciteit, structureel</al><lijst><li nr="- "><al>Onder de structurele weerstandscapaciteit wordt verstaan het vermogen om
                            onverwachte tegenvallers structureel in de begroting op te vangen,
                            zonder dat dit ten koste gaat van bestaande taken. De middelen die dat
                            vermogen bepalen zijn:</al></li><li nr="-"><al> De resterende belastingcapaciteit.</al></li><li nr="-"><al> De in de begroting opgenomen ramingen voor structurele (dus cumulatief
                            geraamde) onvoorziene uitgaven voor zover hier nog geen bestemming aan
                            is gegeven.</al></li><li nr="-"><al> Het structurele rekeningsaldo voor zover nog niet in de begroting
                            verwerkt.</al></li></lijst><al>Weerstandsvermogen</al><al>Het weerstandsvermogen geeft de mate aan waarin de gemeente in staat is middelen
                    vrij te maken dan wel middelen heeft vrijgemaakt om niet begrote financiële
                    tegenvallers op te vangen, zonder ingrijpende beleidswijzigingen. Het
                    weerstandsvermogen bestaat uit twee onderdelen, namelijk de weerstandscapaciteit
                    en de risico’s. Het weerstandsvermogen geeft de verhouding tussen deze twee
                    onderdelen aan.</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 5 Stroomschema beroepsprocedure tegen besluit tot onthouding van
                        goedkeuring aan de begroting</titel></kop><al> Besluit GS tot (gedeeltelijke) onthouding </al><al/><al> goedkeuring aan begroting</al><al> |</al><al> |</al><al> Beroep tegen (gedeeltelijke) onthouding</al><al> goedkeuring GS, binnen 6 weken na</al><al> verzending/uitreiking</al><al> |</al><al>Eventueel: verzoek tot voorlopige |</al><al>voorziening bij president _ __ __ _ __ ___ __ |</al><al>Arrondissementsrechtbank |</al><al>(art. 8:81 Awb) |</al><al> |</al><al> Uitspraak Arrondissementsrechtbank</al><al> |</al><al> Hoger beroep gemeente/ GS bij Raad van State</al><al> (afd. Bestuursrechtspraak) tegen uitspraak</al><al> Arrondissementsbank</al><al> |</al><al> Uitspraak Raad van State</al><al/><al>Bijlage 6 Stroomschema bezwaar- en beroepsprocedure tegen besluit tot instellen
                    preventief begrotingstoezicht</al><al/><al> Besluit GS tot instellen preventief </al><al/><al> begrotingstoezicht</al><al> |</al><al> Bezwaarschrift gemeente tegen besluit GS</al><al> (art. 7:1 Awb), binnen 6 weken </al><al> na verzending/uitreiking </al><al> |</al><al>Eventueel: verzoek tot voorlopige |</al><al> |</al><al>voorziening bij Voorzieningen- ____ _____ _____ |</al><al> |</al><al>rechter Arrondissements- |</al><al> |</al><al>rechtbank (art. 8:81 Awb) |</al><al> |</al><al> Uitspraak GS op bezwaarschrift</al><al> |</al><al>Eventueel: verzoek tot |</al><al>voorlopige voorziening bij __ ___ ___ __ __ _ _ |</al><al>president Arrondissementsrechtbank |</al><al>(art. 8:81 Awb) | |</al><al> |</al><al> Beroep tegen uitspraak GS op bezwaar, binnen 6 </al><al/><al> weken na dag van verzending uitspraak</al><al> |</al><al> Uitspraak Arrondissementsrechtbank</al><al> |</al><al> Hoger beroep gemeente/ GS bij Raad van State (afd.</al><al> Bestuursrechtspraak) tegen uitspraak</al><al> Arrondissementsbank </al><al> |</al><al> Uitspraak Raad van State </al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 6 Stroomschema bezwaar- en beroepsprocedure tegen besluit tot
                        instellen preventief begrotingstoezicht</titel></kop><al>Zie bijlage.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>