<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73804_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid en regels voor het financieel beheer en inrichting van de financiele organisatie van de provincie Flevoland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2013, 6</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiele verordening provincie Flevoland 2003</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 216</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-27</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Statenvoorstel HB 1303505</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie, financieel kader</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is ingetrokken per 1 januari 2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid en regels voor het financieel beheer en inrichting van de financiele organisatie van de provincie Flevoland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van provincie Flevoland</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Definities</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a. "><al>sector: iedere organisatorische eenheid binnen de provinciale
                                    organisatie onder leiding van een sectordirecteur die als
                                    zodanig een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan de
                                    algemeen directeur heeft. De algemeen directeur is het hoofd van
                                    de ambtelijke organisatie en als zodanig rechtstreeks
                                    verantwoording schuldig aan het college van Gedeputeerde
                                    Staten.</al></li><li nr="b. "><al>administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen,
                                    verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het
                                    besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van)
                                    de organisatie van de provincie Flevoland en ten behoeve van de
                                    verantwoording die daarover moet worden afgelegd.</al></li><li nr="c."><al> financiële administratie: het onderdeel van de administratie
                                    dat omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen
                                    betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de
                                    organisatie van de provincie Flevoland, teneinde te komen tot
                                    een goed inzicht in: </al><lijst><li nr="1."><al> de financieel-economische positie;</al></li><li nr="2."><al> het financiële beheer;</al></li><li nr="3."><al> de uitvoering van de begroting;</al></li><li nr="4."><al> het afwikkelen van vorderingen en schulden;</al></li><li nr="5."><al> alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                            daarover.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al> administratieve organisatie: het stelsel van organisatorische
                                    maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand
                                    houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke
                                    informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke
                                    leiding.</al></li><li nr="e."><al> financieel beheer: het uitoefenen van bestuur over en toezicht
                                    op het beheer van middelen en het uitoefenen rechten van de
                                    provincie Flevoland.</al></li><li nr="f. "><al>rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met geldende wet- en
                                    regelgeving, waaronder provinciale verordeningen,
                                    statenbesluiten en collegebesluiten.</al></li><li nr="g."><al>doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een
                                    zo beperkt mogelijke inzet van middelen.</al></li><li nr="h."><al> doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke
                                    effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 1. Begroting en verantwoording</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2. Programmabegroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Provinciale Staten stellen in ieder geval bij de aanvang van de
                                    nieuwe statenperiode een programmaindeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Provinciale Staten stellen per programma vast: </al><lijst><li nr="a."><al> de beoogde maatschappelijke effecten;</al></li><li nr="b."><al> de te leveren goederen en diensten;</al></li><li nr="c. "><al>de baten en lasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking
                                    tot de beoogde maatschappelijke effecten en de te leveren
                                    goederen en diensten.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Provinciale Staten stellen de indicatoren, bedoeld in het derde
                                    lid, vast.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                    gegevens over de geleverde goederen en diensten en de
                                    maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door
                                    Provinciale Staten, kunnen worden getoetst.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Producten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Bij iedere begroting en jaarstukken wordt een overzicht ter
                                    inzage gelegd van de toedeling van de producten uit de
                                    productraming aan de programma's.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De samenstelling van de programmaonderdelen kan worden gewijzigd
                                    als daar dringende redenen voor aanwezig zijn. Wijzigingen
                                    worden bij de begroting in de inleiding expliciet vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Kaders begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college biedt uiterlijk 1 mei van het begrotingsjaar een
                                    nota aan over het financieel beleidskader voor het volgende
                                    begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren. In deze nota worden
                                    ook de bevindingen betrokken uit de rapportage van de
                                    begrotingsuitvoering bedoeld in artikel 7 en de jaarstukken als
                                    bedoeld in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Provinciale Staten stellen deze nota uiterlijk 1 juni
                                    vast.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitvoering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5. Uitvoering begroting</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van
                                    de begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend
                                    verloopt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg
                                    voor dat: </al><lijst><li nr="a. "><al>de baten en lasten, door middel van kostentoerekening,
                                            eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de
                                            productraming;</al></li><li nr="b."><al> de budgetten uit de productraming en kredieten voor
                                            investeringen passen binnen de kaders zoals
                                            geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting
                                            van de financiële positie;</al></li><li nr="c."><al> de lasten van de producten niet dusdanig worden
                                            overschreden dat de realisatie van andere producten
                                            binnen hetzelfde programma onder druk komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college draagt er zorg voor dat de lasten van de
                                    programma's zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) begroting
                                    niet worden overschreden en dat de baten worden
                                    gerealiseerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beheersing en Interne controle</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6. Interne controle</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                    rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse
                                    interne toetsing van de getrouwheid van de
                                    informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de
                                    beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college
                                    maatregelen tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van
                                    een aantal organisatieonderdelen op juistheid, volledigheid en
                                    tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de
                                    rechtmatigheid van beheershandelingen en op misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik van de provinciale regelingen. Iedere sector
                                    van de provincie wordt minimaal eens in de 4 jaar getoetst.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Het college zorgt op basis van de resultaten van de toets
                                    bedoeld in het derde lid indien nodig voor een plan van
                                    verbetering. Het college neemt op basis van het plan van
                                    verbetering maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De resultaten van de toets en het plan van verbetering worden
                                    ter kennisgeving aan Provinciale Staten (commissie Bestuur)
                                    aangeboden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Rapportage en Verantwoording</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college informeert Provinciale Staten door middel van
                                    tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van
                                    de provincie over de eerste drie maanden en de eerste zes
                                    maanden van het lopende boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De tussenrapportages worden aan Provinciale Staten aangeboden
                                    op de volgende tijdstippen: </al><lijst><li nr="a."><al> de driemaands rapportage vóór 1 mei (behandeling PS in
                                            mei)van het lopende begrotingsjaar;</al></li><li nr="b."><al> de zesmaands rapportage vóór 1 oktober (behandeling PS
                                            oktober) van het lopende begrotingsjaar;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de
                                    programma-indeling van de begroting.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> De rapportages gaan in op afwijkingen, zowel wat betreft de
                                    baten en lasten, de geleverde goederen en diensten en indien
                                    daar aanleiding voor is de maatschappelijke effecten. Zonodig
                                    wordt rekening gehouden met bevindingen uit de jaarstukken als
                                    bedoeld in artikel 8. In de rapportages wordt in ieder geval
                                    aandacht besteed aan afwijkingen van: </al><lijst><li nr="a."><al> inkomsten uit de algemene uitkering en opcenten
                                            motorrijtuigenbelasting;</al></li><li nr="b."><al> de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al></li><li nr="c. "><al>realisatie op begrote subsidieverwachtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college informeert in ieder geval vooraf Provinciale Staten
                                    en neemt pas een besluit, nadat Provinciale Staten in de
                                    gelegenheid zijn gesteld haar wensen en bedenkingen ter kennis
                                    van het college te brengen voorzover het betreft niet bij
                                    begroting vastgestelde afzonderlijke verplichtingen waarmee in
                                    het totale budget van het programma overigens wel rekening is
                                    gehouden:inzake het verstrekken van, waarborgen en garanties
                                    groter dan Euro 250.000.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Het college informeert vooraf Provinciale Staten en neemt pas
                                    een besluit nadat Provinciale Staten in de gelegenheid zijn
                                    gesteld haar wensen en bedenkingen ter kennis van het college te
                                    brengen indien het college nieuwe meerjarige verplichtingen,
                                    waarmee in het totale budget van het programma overigens wel
                                    rekening is gehouden, aangaat waarvan de jaarlijkse lasten
                                    groter zijn dan Euro 250.000.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Jaarstukken</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de
                                    verantwoording van de sectoren naar de productenrealisatie en
                                    naar de programma verantwoording. Het college legt
                                    verantwoording af over de uitvoering van de programma's. In de
                                    verantwoording geeft het college aan: </al><lijst><li nr="a. "><al>wat is bereikt;</al></li><li nr="b. "><al>welke goederen en diensten zijn geleverd;</al></li><li nr="c."><al> wat de kosten zijn;</al></li><li nr="d."><al> hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting
                                            gestelde doelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Provinciale Staten bepalen aan de hand van de uitvoering van de
                                    programma's of de beleidsdoelen van de programma's voor het
                                    lopende jaar bijstelling behoeven.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 2. Financiële positie</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Kaderstellen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9. Financiële positie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat al het beleid waartoe
                                    Provinciale Staten hebben besloten, in de uiteenzetting van de
                                    financiële positie en de meerjarenramingen is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Provinciale Staten autoriseren met het vaststellen van de
                                    financiële positie de investeringskredieten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste
                                    activa</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief
                                    en het saldo van agio en disagio worden niet geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten
                                    laste van de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> De materiele vaste activa met economisch nut, zoals bedoeld in
                                    artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording
                                    provincies en gemeenten, worden lineair afgeschreven in: 30 jaar
                                    : gebouwen; kleine aanpassingen aan gebouwen in de resterende
                                    looptijd van het hoofdgebouw. </al><lijst><li nr="a."><al> 30 jaar : grote motorvaartuigen</al></li><li nr="b."><al> 15 jaar : technische installaties bedrijfsgebouwen,
                                            motorvaartuigen.</al></li><li nr="c."><al> 10 jaar : kantoormeubilair &gt; Euro 10.000;
                                            veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen.</al></li><li nr="d."><al> 5 jaar : kantoorapparatuur, telefooninstallatie,
                                            automatiseringsapparatuur, telecombekabeling en
                                            paging(oproep)apparatuur, motorvoertuigen.</al></li><li nr="e."><al> 3 jaar : Stimuleringsproject PC-gebruik en servers.
                                            niet : gronden. Er wordt annuïtair afgeschreven indien
                                            de kapitaallasten voor meer dan 50% worden gedekt door
                                            tarieven, huuropbrengsten of vergoedingen die eveneens
                                            zijn gebaseerd op een jaarlijks gelijkblijvende
                                            annuïteit.</al><al/><al> Investeringskredieten kleiner dan Euro 10.000 worden
                                            niet geactiveerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al> Onder activa met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals
                                    bedoeld in artikel 35 van het Besluit begroting en
                                    verantwoording provincies en gemeenten, worden verstaan
                                    investeringen in aanleg en onderhoud van: (inrichting) wegen,
                                    waterwegen; civiele kunstwerken, groen en kunstwerken,</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al> Aankoop en vervaardiging van activa met een meerjarig
                                    maatschappelijk nut worden onder aftrek van bijdragen van derden
                                    en bestemmingsreserves afgeschreven op basis van een 20-jarige
                                    annuïteit. Hiervan kan bij besluit van Provinciale Staten worden
                                    afgeweken en de aankoopvervaardigingsprijs wel rechtstreeks ten
                                    laste van de exploitatie te brengen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Jaarlijks wordt door het college van Gedeputeerde Staten bij de
                                    nota over het financieel beleidskader bepaald welk
                                    rentepercentage voor nieuwe investeringen wordt gehanteerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college biedt eenmaal per 4 jaar de nota reserves en
                                    voorzieningen aan ter behandeling en vaststelling door
                                    Provinciale Staten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> De nota behandelt: </al><lijst><li nr="a."><al> de vorming en besteding van reserves;</al></li><li nr="b. "><al>de vorming en besteding voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al> het doteren en verwerking van rente over de reserves en
                                            de voorzieningen;</al></li><li nr="d."><al> evaluatie van de bestaande reserves en
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="e."><al> de gewenste weerstandscapaciteit.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Kostprijsberekening</titel></kop><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten
                                van de provincie Flevoland wordt verwezen naar de door Provinciale
                                Staten vastgestelde legesverordening 1998 provincie Flevoland met de
                                daarbij behorende (laatstelijk gewijzigde) tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13: Financieringsfunctie</titel></kop><al>Voor het te voeren beleid op het gebied van treasury wordt verwezen
                                naar het door Provinciale Staten vastgestelde Treasurystatuut 2000
                                (sindsdien gewijzigd).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Registratie bezittingen, activa en
                                    vermogen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college draagt zorg voor een actuele registratie van
                                    terreinen en gronden en van automatiseringsactiva. In de
                                    registratie worden ook opgenomen niet-geactiveerde
                                    kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde en de niet- of
                                    netto-geactiveerde investeringen in de openbare ruimte.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de
                                    ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de provincie
                                    systematisch worden gecontroleerd.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij afwijkingen in de registratie van bezittingen neemt het
                                    college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. De
                                    resultaten van de controle en eventuele plannen van verbetering
                                    worden ter kennisgeving aan Provinciale Staten aangeboden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 3. Paragrafen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Lokale heffingen</titel></kop><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf lokale
                            heffingen verslag van de opbrengsten per heffing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Weerstandsvermogen en risicomanagement</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de risico's van materieel belang en
                                een inschatting van de kans dat deze risico's zich voordoen. Hierbij
                                wordt speciale aandacht gegeven aan: tegenvallende
                                renteontwikkelingen op de kapitaalmarkt, dreigend faillissement van
                                derden bij wie borgstellingen, garanties, leningen of vorderingen
                                uitstaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al> Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit en in
                                hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico's van
                                materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden
                                opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Onderhoud kapitaalgoederen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                openbare ruimte aan ter behandeling en vaststelling door Provinciale
                                Staten. De nota geeft het kader weer voor de inrichting van het
                                onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar groen,
                                water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag voor de
                                komende tien jaren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                gebouwen aan ter behandeling en vaststelling door Provinciale
                                Staten. De nota bevat de voorstellen voor het te plegen niet
                                jaarlijkse onderhoud en de bijbehorende kosten aan de provinciale
                                gebouwen voor de komende tien jaren en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al> Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het
                                geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan
                                openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair,
                                gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Financiering</titel></kop><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                            financiering in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="a."><al> de kasgeldlimiet;</al></li><li nr="b."><al> de renterisico norm;</al></li><li nr="c. "><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                    komende drie jaar;</al></li><li nr="d."><al> de rentevisie en</al></li><li nr="e. "><al>de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de
                                    financieringsfunctie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Bedrijfsvoering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting wordt ingegaan op de
                                tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven. In de
                                bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag wordt gerapporteerd
                                over de bij de begroting bepaalde onderwerpen aangaande de
                                bedrijfsvoering alsmede over nieuwe ontwikkelingen. Daarbij wordt
                                speciale aandacht gegeven aan: reorganisaties, ziekteverzuim, de
                                provinciale huisvesting en ontwikkeling op het gebied van
                                automatisering.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf van de
                                begroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar
                                de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 217a
                                Provinciewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Verbonden partijen</titel></kop><al>In de begroting en jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden partijen
                            in elk geval ingegaan op het openbaar belang, de wijze/mate van
                            deelneming, de overige deelnemers/aandeelhouders, het eigen en vreemd
                            vermogen, het financieel resultaat en de vestigingsplaats van de
                            verbonden partij</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Verstrekking subsidies</titel></kop><al>Het college kijkt eens in de vier jaar of de algemene
                            subsidieverordening aanpassing behoeft.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 4. Financiële organisatie en administratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22. Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al> De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder
                                geval dienstbaar is voor: </al><lijst><li nr="a."><al> het sturen en het beheersen van activiteiten en processen
                                        in de provincie als geheel en in de sectoren;</al></li><li nr="b."><al> het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de
                                        omvang van activa met economisch nut, activa met
                                        maatschappelijk nut, voorraden, vorderingen en schulden, en
                                        reserves;</al></li><li nr="c."><al> het verschaffen van informatie aan de budgethouders en voor
                                        het maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al> het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en
                                        de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot
                                        de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende
                                        wet- en regelgeving;</al></li><li nr="e."><al> het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                        doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde
                                        bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de
                                        begroting en ter zake geldende wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f. "><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en
                                        van de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle
                                        op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                        doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                        gestelde beleidsdoelen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23. Financiële administratie</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al> de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                    voldoet aan het Besluit begroting en verantwoording provincies
                                    en gemeenten en andere relevante wet- en regelgeving;</al></li><li nr="b. "><al>de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk en de
                                    Europese Unie, alsmede aan andere instellingen die specifieke
                                    verantwoordingsverplichtingen opleggen aan provincies.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24. Financiële organisatie</titel></kop><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:</al><lijst><li nr="a."><al> een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle
                                    wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie
                                    aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;</al></li><li nr="b. "><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="c."><al> de regels voor de opdrachtverlening;</al></li><li nr="d. "><al>de te maken afspraken met de sectoren/afdelingen over de te
                                    leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze
                                    en frequentie van rapportage over de voortgang van de
                                    activiteiten en uitputting van middelen;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25. Aanbesteding en inkoop</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten.
                            De regels waarborgen, dat wordt gehandeld in overeenstemming met de
                            regels terzake van de Europese Unie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26. Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de toekenning van steunverlening aan
                            ondernemingen en subsidies. De regels waarborgen, dat wordt gehandeld in
                            overeenstemming met de regels terzake van de Europese Unie en de
                            subsidieverordening van de provincie Flevoland.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Titel 5. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 27.</titel></kop><al>Provinciale Staten kunnen in voorkomende gevallen afwijken van de in
                            deze verordening opgenomen bepalingen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28. Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking per 15 november 2003, met dien
                            verstande dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de
                            uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
                            behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het
                            begrotingsjaar 2004 voldoen aan de bepalingen van deze verordening. Op
                            de datum van ingang vervalt de verordening met betrekking tot de
                            organisatie van de financiële administratie en van het beheer van de
                            geldmiddelen van de provincie Flevoland 1986.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29. Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam 'Financiële
                            verordening provincie Flevoland 2003.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Voorzitter en secretaris.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikel 2. Programmabegroting</titel></kop><al>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin
                    de kaderstellende functie van Provinciale Staten tot uiting komt. Provinciale
                    Staten leggen op basis van dit artikel een belangrijk deel van de infrastructuur
                    van de begroting vast, evenals de kengetallen waarop Provinciale Staten wil
                    sturen en controleren. Provincie Staten bepalen nu zelf het aantal en de inhoud
                    van de programma's van de begroting en kan daardoor de begrotingsopzet aanpassen
                    aan de eigen politiek-bestuurlijke wensen. . Meestal zal die vaststelling voor
                    enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor een gehele statenperiode. Indien daartoe
                    aanleiding is, kunnen Provinciale Staten de indeling wijzigen. Een programma is
                    gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan we daar voor
                    doen en wat mag dat kosten? Vooral voor de eerste twee vragen zullen in de
                    praktijk indicatoren nodig zijn. Aan de hand van die indicatoren kunnen
                    Provinciale Staten hun kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om
                    Provinciale Staten de gelegenheid te bieden hun controlerende functie in te
                    vullen door de uitkomsten en resultaten van de programma's te beoordelen. De
                    programma's worden zoveel mogelijk SMART geformuleerd, wat inhoudt: (S)pecifiek
                    : Tastbare en duidelijke doelstellingen en geen abstracte doelstellingen
                    formuleren; (M)eetbaar : Doelen moeten in getal of resultaat worden uitgedrukt
                    of anders in kwaliteitseisen; (A)cceptabel : Is er voldoende
                    maatschappelijk/bestuurlijk draagvlak; (R)ealistisch : Alle activiteiten,
                    producten en doelstellingen moeten ook gerealiseerd kunnen worden;
                    (T)ijdsgebonden : Aangeven wanneer de doelen gerealiseerd moeten zijn.</al><tussenkop>Artikel 3. Producten</tussenkop><al>Provinciale Staten stellen de programmabegroting vast. Ter uitvoering van de
                    begroting stelt het college - zoals geregeld in het Besluit begroting en
                    verantwoording - een productraming op. Het college is vrij in het aantal
                    producten en de indeling daarvan. De productraming is in de systematiek van het
                    besluit geen onderdeel van de begroting.</al><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>De artikelen 2 en 3 betreffen vooral de infrastructuur van de begroting. Artikel
                    4 gaat over het meerjarige budgettaire kader. Dat vormt de grondslag voor de
                    eigenlijke begroting. Gegeven het grote belang van het budgetrecht van
                    Provinciale Staten, is het logisch dat Provinciale Staten expliciet een
                    budgettair kader vaststellen.</al><tussenkop>Artikel 5. Uitvoering begroting</tussenkop><al>In artikel 5 leggen Provinciale Staten het college een aantal eisen op die voor
                    een goede uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn.</al><tussenkop>Artikel 6. Interne controle</tussenkop><al>Provinciale Staten leggen in dit artikel enkele basiscondities vast voor de
                    interne controle. Daarmee verkrijgen Provinciale Staten de zekerheid dat het
                    college aan de eisen genoemd in met name artikel 5, eerste lid, zal kunnen
                    voldoen. In het eerste lid krijgt het college de opdracht voor de inrichting van
                    de financiële organisatie verschillende maatregelen te treffen op het gebied van
                    interne controle, bijvoorbeeld een adequate functiescheiding. Hierin voorzien de
                    instructies voor de ambtenaar financiële administratie en de instructie kassier.
                    Voor een goede interne controle zijn echter aanvullende onderzoeken nodig. De
                    aanpak en keuze van de te toetsen onderwerpen/organisatieonderdelen genoemd in
                    het tweede lid worden jaarlijks vastgelegd in een auditplan. Dit auditplan bevat
                    elementen die op verzoek van het college van Gedeputeerde Staten worden
                    onderzocht en een aantal elementen van eigen intern ambtelijk onderzoek (op
                    verzoek van het MT). Alleen de onderzoeksopdrachten van het college van
                    Gedeputeerde Staten zullen expliciet in de rapportage naar Provinciale Staten
                    worden opgenomen. Het auditplan wordt vastgesteld door het college van
                    Gedeputeerde Staten en uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Algemeen
                    directeur met betrokkenheid van de concerncontroller en de auditmedewerk(st)er.
                    Aanpak en taken/verantwoordelijkheden zijn uitgewerkt in een ambtelijke nota
                    'Opzet Audit Provincie Flevoland' De genoemde onderzoeken in dit artikel
                    omvatten niet de interne onderzoeken van het college naar de doelmatigheid en de
                    doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. Regels voor deze interne onderzoeken
                    zijn opgenomen in de verordening artikel 217a Provinciewet.</al><tussenkop>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie</tussenkop><al>Artikel 7, eerste tot en met vierde lid, formaliseert een belangrijk onderdeel
                    van de planning en control van Provinciale Staten. Provinciale Staten geven
                    namelijk aan de aard van de informatie die Gedeputeerde Staten standaard dient
                    te verstrekken evenals de reguliere frequentie. Op basis van deze informatie
                    kunnen Provinciale Staten de uitvoering van de begroting volgen en besluiten of
                    bijsturing nodig is. Artikel 7 regelt wanneer de Provinciale Staten tussentijds
                    over de stand van zaken in het lopende begrotingsjaar moeten worden
                    geïnformeerd. In dit artikel is gekozen voor twee tussenrapportages. De eerste
                    driemaandelijkse rapportage zal nog weinig concrete informatie bevatten. Deze
                    rapportage is vooral van belang om te beoordelen of de bevindingen uit de
                    jaarstukken van het afgelopen jaar van invloed zijn op de gemaakte afspraken in
                    het huidige begrotingsjaar. Het vijfde en zesde lid gaan in op de
                    informatieplicht van het college voor nieuwe, niet in de begroting opgenomen
                    activiteiten. Deze bedragen komen in de plaats van het bedrag ad. Euro 50.000
                    dat is genoemd in artikel 2, lid 2 van het 'Besluit tot overdracht van
                    bevoegdheden van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten'. Bij de uitvoering
                    van de begroting geldt voor het college de informatieplicht uit het vierde lid
                    artikel 167 Provinciewet. Bij het aangaan van verplichtingen of het uitoefenen
                    van bevoegdheden door het college met ingrijpende gevolgen voor de provincie
                    moet het college eerst het gevoelen van Provinciale Staten inwinnen. Provinciale
                    Staten scheppen op deze wijze echter zekerheid voor het college. Het college
                    weet welke informatie hij in elk geval vooraf aan Provinciale Staten moet
                    mededelen. Het haalt mogelijke misverstanden en politieke spanningen uit de
                    lucht.</al><tussenkop>Artikel 8. Jaarrekening</tussenkop><al>Artikel 8 is het sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de
                    begrotingsuitvoering door het college, cq. de controle van Provinciale Staten
                    daarop. Basis daarvoor is de productrealisatie. In het eerste lid wordt daarvoor
                    een kwaliteitseis gesteld. Het tweede lid is de tegenpool van artikel 2, lid
                    2.</al><tussenkop>Artikel 9. De financiële positie</tussenkop><al>Provinciale Staten geven in dit artikel enkele belangrijke uitgangspunten aan
                    die het college voor de uiteenzetting van de financiële positie en de
                    meerjarenramingen moet volgen. Tevens wordt hier expliciet vastgelegd hoe
                    Provinciale Staten bij het vaststellen van de financiële positie, de
                    investeringskredieten autoriseert.</al><tussenkop>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>De verordening moet volgens artikel 216 Provinciewet in elk geval bevatten de
                    'regels voor waardering en afschrijving activa'. Artikel 10 stelt de regels voor
                    de waardering en afschrijving van de vaste activa. De vaste activa worden
                    verplicht ingedeeld in immateriële vaste activa, materiele vaste activa en
                    financiële vaste activa. De immateriële vaste activa worden verdeeld in de
                    kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief en de kosten
                    verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio. De
                    materiele vaste activa worden onderverdeeld in materiele vaste activa met
                    economisch nut en materiele vaste activa met alleen maatschappelijk nut. Er
                    wordt slechts annuitair afgeschreven als er tegenover de afschrijvingslasten ook
                    een vergoeding staat die op basis van annuïteiten is berekend. Om te voorkomen
                    dat de keuze voor annuïteiten volledig door de vergoeding wordt bepaald is
                    opgenomen dat 50% van de kapitaallasten moet worden gedekt door de vergoeding.
                    Om te voorkomen dat relatief kleine bedragen moeten worden geactiveerd omdat ze
                    wel een meerjarig economisch nut hebben is de bepaling opgenomen dat
                    investeringskredieten kleiner dan Euro 10.000 niet worden geactiveerd. Het
                    vierde lid geeft een opsomming van de activa van de provincie, welke slechts een
                    maatschappelijk en geen economisch nut hebben. Investeringen in vaste activa met
                    alleen maatschappelijk nut mogen ineens ten laste van de exploitatie worden
                    gebracht Het vijfde lid bepaalt, dat activa met alleen maatschappelijk nut onder
                    aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves worden afgeschreven op
                    basis van een 20-jarige annuïteit. Omdat het uitgangspunt van het Besluit
                    begroting en verantwoording provincies en gemeenten is dat activa met alleen
                    maatschappelijk nut direct ten laste van de exploitatie moeten worden gebracht
                    is de bepaling opgenomen dat bij besluit van Provinciale Staten kan worden
                    afgeweken van een 20-jarige annuïteit. Op termijn zullen alle investeringen met
                    meerjarig maatschappelijk nut rechtstreeks ten laste van de exploitatie worden
                    gebracht. Op dit moment zou dat te grote financiële gevolgen hebben vandaar dat
                    daar nog niet voor is gekozen. Het zesde lid geeft aan dat jaarlijks wordt
                    bepaald welk rentepercentage over nieuwe investeringen wordt gehanteerd. Er
                    wordt dus niet gekozen voor de methode van de renteomslag.</al><tussenkop>Artikel 11. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van
                    een provincie. Het eigen vermogen van een provincie bestaat uit de algemene
                    reserves en bestemmingsreserves. Artikel 11 bepaalt, dat het college een nota
                    over de reserves en voorzieningen aanbiedt ter behandeling en vaststelling door
                    Provinciale Staten. In deze nota kunnen Provinciale Staten het kader vaststellen
                    voor de omvang van de reserves . Kaders stellen voor voorzieningen is veelal
                    niet aan de orde, omdat voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel is
                    het inzichtelijk in de nota in te gaan op de voorzieningen. Ook aan de
                    weerstandscapaciteit kan in deze nota aandacht worden besteed omdat de
                    weerstandscapaciteit vooral betrekking heeft op de mogelijkheden voor de
                    provincie om niet begrote kosten die onverwacht opkomen en substantieel zijn te
                    dekken.</al><tussenkop>Artikel 12. Kostprijsberekening</tussenkop><al>In artikel 223 van de Provinciewet is aan de provincie de bevoegdheid gegeven
                    leges te heffen. Uitgangspunten en tariefstelling zijn geregeld in de
                    Verordening op de heffing en invoering van leges 1998.</al><tussenkop>Artikel 13. Financieringsfunctie</tussenkop><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze functie bevat
                    artikel 216 het expliciete voorschrift dat de verordening een onderdeel over de
                    financieringsfunctie heeft. In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel
                    216, tweede lid onder c. Het gaat om de kaders voor het uitvoeren van de
                    financieringsfunctie. Voor de provincie Flevoland zijn deze vastgelegd in het
                    door Provinciale Staten in december 2000 vastgestelde Treasurystatuut. De
                    uitvoering van de financieringsfunctie komt aan de orde in de
                    financieringsparagraaf in de begroting en de rekening.</al><tussenkop>Artikel 14. Registratie bezittingen en activa</tussenkop><al>Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van
                    de provinciale bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie
                    actueel en juist is, wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de
                    registratie te controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te
                    treffen.</al><tussenkop>Artikel 15. Lokale heffingen</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat het college in de paragraaf lokale heffingen verslag
                    doet van de opbrengsten per heffing. Hierbij moet voldaan worden aan het Besluit
                    begroting en verantwoording provincies en gemeenten.</al><tussenkop>Artikel 16. Weerstandsvermogen</tussenkop><al>Dit artikel regelt over welke risico's en hun financiële consequenties
                    Provinciale Staten in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de
                    begroting en de jaarstukken moet worden geïnformeerd. In het tweede lid is
                    voorgeschreven dat het college in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                    begroting en van de jaarstukken de risico's van materieel belang (hierbij valt
                    te denken aan bedragen groter dan Euro 250.000) aangeeft en een inschatting van
                    de kans dat deze risico's zich voordoen. Niet verzekerde risico's die zich
                    voordoen, moet de provincie opvangen met het eigen vermogen, door
                    opcentenverhoging of door beleidsmatige ombuigingen op de begroting.</al><tussenkop>Artikel 17. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>Dit artikel regelt de begrotings- en verantwoordingsinformatie aan Provinciale
                    Staten over het onderhoud aan kapitaalgoederen. De verantwoordingsinformatie
                    wordt gesplitst. Het eerste en tweede lid regelen, dat er nota's aan Provinciale
                    Staten worden aangeboden over het onderhoud aan de verschillende categorieën
                    kapitaalgoederen. Hierin kan op de stand van zaken worden ingegaan en kunnen
                    Provinciale Staten de kaders voor het toekomstige beleid uiteenzetten. Het derde
                    lid regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer van het onderhoud
                    van kapitaalgoederen Provinciale Staten in de verplichte paragraaf onderhoud
                    kapitaalgoederen bij de begroting en jaarstukken in elk geval geïnformeerd
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 18. Financiering</tussenkop><al>De basis voor dit artikel is gelegen in artikel het Treasurystatuut van de
                    provincie Flevoland. Artikel 18 regelt over welke feiten inzake het financieel
                    beheer van de financieringsfunctie Provinciale Staten in elk geval in de
                    verplichte paragraaf financiering bij de begroting en jaarstukken wordt
                    geïnformeerd.</al><tussenkop>Artikel 19. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>Het domein van de ambtelijke organisatie is de verantwoordelijkheid van het
                    college. Beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door het
                    college. Het tweede lid regelt verder over welke feiten aangaande het financieel
                    beheer van de bedrijfsvoering Provinciale Staten in de verplichte paragraaf
                    bedrijfsvoering geïnformeerd wordt.</al><tussenkop>Artikel 20. Verbonden partijen</tussenkop><al>Artikel 20 stelt regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden
                    partijen. Het tweede lid regelt over welke feiten aangaande het financieel
                    beheer van verbonden partijen Provinciale Staten in elk geval in de verplichte
                    paragraaf verbonden partijen bij de begroting en jaarstukken geïnformeerd moeten
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 21. Verstrekking subsidies</tussenkop><al>Een belangrijke uitgaande middelenstroom, die de kaderstellende rol en het
                    budgetrecht van Provinciale Staten raakt, betreft de verstrekking van
                    provinciale subsidies. Hiervoor is geen paragraaf bij de begroting en de
                    jaarstukken opgenomen. Artikel 4.23 Algemene wet bestuursrecht vereist dat een
                    subsidie slechts door een bestuursorgaan kan worden verstrekt op grond van een
                    wettelijk voorschrift. Het voorschrift moet regelen voor welke activiteiten
                    subsidies kunnen worden verstrekt. Voor incidentele gevallen met een
                    subsidieduur van ten hoogste vier jaar geldt het bovengenoemde vereiste niet.
                    Provinciale Staten hebben op grond van deze wettelijke bepaling de Algemene
                    Subsidieverordening 1999 vastgesteld. In lid 1 wordt vastgelegd dat het college
                    van Gedeputeerde Staten éénmaal per vier jaar kijkt of de algemene
                    subsidieverordening aanpassing behoeft. Lid 2 schrijft voor dat Provinciale
                    Staten eens in de vier jaar geïnformeerd willen worden over de aard van de
                    subsidies die zijn verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 22. Administratie</tussenkop><al>In artikel 24 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van
                    de provincie. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden
                    vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze
                    verordening regelt niet - inherent aan het dualisme - de regels en activiteiten
                    die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. Een
                    en ander geldt ook voor artikel 23, 24 en 25.</al><tussenkop>Artikel 23. Financiële administratie</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie.
                    Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de
                    verantwoordingsinformatie van provincies. In het Besluit begroting en
                    verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en
                    verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële
                    administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële
                    verantwoordingsinformatie aan Provinciale Staten, maar ook aan het rijk, in o.a.
                    hun rol als toezichthouder, en de Europese Unie .</al><tussenkop>Artikel 24. Financiële organisatie</tussenkop><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële
                    organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de
                    ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders
                    voor het college, waaraan hij zich moet houden. In onderdeel a worden eisen
                    gesteld aan de toewijzing van functies aan functionarissen. De door het college
                    vastgestelde instructies voor de kassier en ambtenaar financiële administratie
                    zijn hier van belang. Bij de onderdelen b. tot en met d. is de door het college
                    vast te stellen 'Regeling Bedrijfsvoeringsmandaten Budgethouders Provincie
                    Flevoland' van belang.</al><tussenkop>Artikel 25. Aanbesteding en inkoop</tussenkop><al>De inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken zijn
                    belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen
                    hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve
                    aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid
                    kan worden beperkt en er wordt tegenover derden rechtszekerheid gecreëerd. Het
                    door het college vast te stellen 'Handboek inkoop en aanbesteding' is hierbij
                    van belang.</al><tussenkop>Artikel 26. Subsidieverstrekking en steunverlening</tussenkop><al>Een ander kwetsbare activiteit van provincies is de subsidieverlening en
                    steunverlening aan ondernemingen. Ook hiervoor is het hanteren van een protocol
                    te zien als een vorm van risicobeheersing. Daarnaast is op delen van deze
                    activiteit de Europese regelgeving inzake staatssteun van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 27. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in de plaats van de 'verordening met betrekking tot de
                    organisatie van de financiële administratie en van het beheer van de
                    geldmiddelen van de provincie Flevoland 1986&#x94;. De wetgever heeft bepaald, dat de
                    nieuwe verordening artikel 216 Provinciewet bij alle provincies op het
                    begrotingsjaar 2004 van toepassing moet zijn.</al><tussenkop>Artikel 28. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de provinciale stukken naar
                    deze verordening kan verwijzen.</al><tussenkop>Vaststelling</tussenkop><al>De begroting 2004 moet voor 15 november 2003 zijn toegezonden aan de minister
                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (artikel 195 Provinciewet) en dus
                    moet de begroting voor die datum door Provinciale Staten zijn vastgesteld. De
                    financiële verordening provincie Flevoland 2003 is van toepassing op de
                    begroting 2004.</al><tussenkop>1e Wijziging - Toelichting op de artikelen,</tussenkop><tussenkop>Artikel I</tussenkop><al>Artikel 7, vijfde en zesde lid is gebaseerd op het bepaalde in artikel 167,
                    vierde lid van de Provinciewet. De bedoeling van artikel 7, vijfde en zesde lid
                    is, dat Provinciale Staten vooraf door Gedeputeerde Staten worden geïnformeerd
                    in die gevallen waarin Gedeputeerde Staten ter uitvoering van de
                    programmabegroting verplichtingen met voor de provincie ingrijpende gevolgen wil
                    aangaan. Op deze wijze wordt het voor Provinciale Staten mogelijk om ten aanzien
                    van de uitvoering nog eventuele wensen en bedenkingen in te brengen. Het gaat
                    hier om verplichtingen, die in de programmabegroting niet afzonderlijk zijn
                    vastgesteld, maar wel in het geautoriseerde budget van het programma zijn
                    opgenomen. Het budgetrecht van de raad zal niet worden aangetast.</al><tussenkop>Artikel II</tussenkop><al>De provincie heeft de beschikking over een aantal kleine vaartuigen die in 15
                    jaar worden afgeschreven. Daarnaast zijn er echter ook 3 grote vaartuigen, die
                    een economische en technische levensduur hebben van 30 jaar.</al><tussenkop>Artikel III</tussenkop><al>Artikel 14, lid 1 bevatte een allesomvattende registratie van bezittingen,
                    waaronder kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde en de niet of netto
                    geactiveerde investeringen in de openbare ruimten. Uit praktische overwegingen
                    is dit teruggebracht tot terreinen, gronden en automatiseringsactiva.</al><tussenkop>Artikel IV</tussenkop><al>Artikel 20 is in die zin gewijzigd dat alle relevante zaken worden opgenomen in
                    de paragraaf verbonden partijen.</al><tussenkop>Artikel V</tussenkop><al>Artikel 21, lid 2 kan vervallen. De bepaling waarin het college elke 4 jaar
                    inzicht verstrekt in de aard van de subsidies die zijn verstrekt kan mede gelet
                    op de hieraan verbonden werkzaamheden vervallen. Indien de behoefte bestaat aan
                    een overzicht van verstrekte subsidies dan kan hier incidenteel naar worden
                    gevraagd.</al><tussenkop>Artikel VI</tussenkop><al>Dit artikel wordt uit praktische overwegingen opgenomen als een soort
                    hardheidsclausule. Dit biedt de mogelijkheid om zonodig af te wijken van de in
                    deze verordening opgenomen bepalingen.</al><tussenkop>Artikel VII</tussenkop><al>Dit artikel betreft een vernummering van bestaande artikelen.</al><tussenkop>2e Wijziging - Toelichting op de artikelen,</tussenkop><al>In deze onderdelen van artikel 7 is bepaald dat het college Provinciale Staten
                    in ieder geval vooraf moet informeren alvorens een besluit te nemen voorzover
                    het betreft niet bij de begroting vastgestelde verplichtingen, waarbij in het
                    totale budget van het programma overigens wel rekening is gehouden. Deze
                    informatieplicht geldt als het investeringen betreft &gt; Euro 1,5 mln. en aan
                    en verkoop van goederen en diensten &gt; Euro 500.000. Het nut van deze bepaling
                    is niet gebleken. Er dient namelijk altijd voldoende budget beschikbaar te zijn
                    en uiteindelijk gaat het om de output van de begroting, m.a.w. worden de
                    doelstellingen gerealiseerd. Overigens blijft de informatieplicht over
                    privaatrechterlijke rechtshandelingen op grond van artikel 167, 4e lid van de
                    Provinciewet blijft voor het college gelden. Dit betekent dat het college
                    gehouden is Provinciale Staten te informeren over het gebruik van
                    collegebevoegdheden indien er om welke reden dan ook ingrijpende gevolgen zijn
                    te verwachten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>