<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR737205_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Sociaal Domein Berkelland 2025</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:type scheme="overheidop:Rubriek">algemeen verbindend voorschrift (verordening)</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2025-03-27</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-129959">gmb-2025-129959</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Sociaal Domein Berkelland 2025</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;g=2025-02-04">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;g=2025-01-01">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;g=2025-01-01">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0031331&amp;g=2022-01-01">Wet gemeentelijke schuldhulpverlening</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0044770&amp;g=2023-01-01">Wet inburgering 2021</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="https://wetten.overheid.nl/BWBR0035362/">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="https://wetten.overheid.nl/BWBR0034925/">Jeugdwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="https://wetten.overheid.nl/BWBR0017017/">Wet kinderopvang</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="https://wetten.overheid.nl/BWBR0003549">Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="https://wetten.overheid.nl/BWBR0044212/">Wet voortgezet onderwijs 2020</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="https://wetten.overheid.nl/BWBR0040635/">Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:subject>algemeen</dcterms:subject><dcterms:issued>2025-03-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2025-03-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2025-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2026-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening Sociaal Domein Berkelland 2024.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Sociaal Domein Berkelland 2025</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Berkeland;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 februari 2025</al><al/><al>b e s l u i t:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>De Verordening Sociaal Domein Berkelland 2025, bijlage 1, vaststellen en in werking laten treden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2025.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1</nr><titel>Inleiding Verordening Sociaal Domein</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Deze <vet>Verordening</vet> sluit aan bij het beleidskader ‘Samen denken Samen doen’ en geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="•"><al>werken; </al></li><li nr="•"><al>meedoen in de samenleving;</al></li><li nr="•"><al><vet>uitkering</vet>en; </al></li><li nr="•"><al>schuldhulpverlening;</al></li><li nr="•"><al>gezond en veilig opgroeien; </al></li><li nr="•"><al>vervoer naar <vet>school</vet>;</al></li><li nr="•"><al><vet>hulp</vet> aan <vet>inwoner</vet>s met een <vet>beperking</vet>; </al></li><li nr="•"><al>wonen in een veilige en gezonde omgeving; en</al></li><li nr="•"><al>melden van verward <vet>gedrag</vet>.</al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>1.1</nr><titel>Waarom deze regels?</titel></kop><structuurtekst><al>Het is belangrijk dat<vet> inwoners</vet> actief kunnen meedoen in de samenleving en hun financiën op orde hebben. Ook is het belangrijk dat inwoners een eigen huishouding kunnen voeren en dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Inwoners moeten in de eerste plaats daar zelf voor zorgen. Lukt dat niet, dan is het de taak van de <vet>gemeente</vet> om inwoners te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt waarin dat staat. Het gaat om de:</al><lijst><li nr="•"><al><vet>Participatiewet</vet> (<vet>PW</vet>);</al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (<vet>IOAW</vet>)</al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (<vet>IOAZ</vet>)</al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> gemeentelijke schuld<vet>hulp</vet>verlening (<vet>Wgs</vet>);</al></li><li nr="•"><al><vet>Wib</vet>: <vet>Wet</vet> inburgering 2021 (<vet>Wib</vet> 2021)</al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> maatschappelijke ondersteuning 2015 (<vet>Wmo</vet> 2015);</al></li><li nr="•"><al><vet>Jeugdwet</vet>; </al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> kinderopvang (Wko);</al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> op het primair onderwijs, de <vet>Wet</vet> op de expertisecentra en de <vet>Wet</vet> <vet>voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020)</vet> (voor leerlingenvervoer); en de</al></li><li nr="•"><al><vet>Wet</vet> verplichte geestelijke gezondheidszorg (<vet>Wvggz</vet>).</al></li></lijst><al>De regels in deze <vet>Verordening</vet> zijn nodig om de wettelijke taken goed te kunnen uitvoeren. Deze regels vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en <vet>wethouders</vet> kunnen zulke uitvoeringsregels maken. Die regels staan niet in deze <vet>Verordening</vet>, maar in andere regelingen, zoals beleidsregels. Op verschillende plekken in de <vet>Verordening</vet> zijn wetsartikelen opgenomen. Die artikelen zijn wel iets anders opgeschreven. Dat maakt ze beter leesbaar. Zo zijn de hoofdlijnen van het gemeentelijke sociaal domein goed te zien en kan de lezer de samenhang tussen de regels ontdekken. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.2</nr><titel>Uitgangspunten van de regels</titel></kop><structuurtekst><al>De regels in deze <vet>Verordening</vet> zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels:</al><lijst><li nr="1."><al>zijn goed leesbaar; </al></li><li nr="2."><al>kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de <vet>inwoner</vet>s;</al></li><li nr="3."><al>zijn afgestemd op elkaar;</al></li><li nr="4."><al>sluiten aan bij de wetten die hierboven zijn genoemd; </al></li><li nr="5."><al>helpen om de doelen van de wetgever te bereiken en belangrijke internationale regels na te komen; en</al></li><li nr="6."><al>houden de administratieve kosten voor <vet>gemeente</vet> en inwoners zo laag mogelijk.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.3</nr><titel>Kernwaarden</titel></kop><structuurtekst><al>Bij het toepassen van de regels uit deze <vet>Verordening</vet> houdt de <vet>gemeente</vet> rekening met de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het <vet>effect</vet> van een besluit past bij de bedoeling van die wetten. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>I<cursief>edere <vet>inwoner</vet> kan naar vermogen deelnemen aan de samenleving</cursief></cursief><cursief>.</cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>I<cursief>edere <vet>inwoner</vet> heeft onderdak en een gezonde financiële huishouding</cursief></cursief><cursief>.</cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>Kinderen groeien veilig en gezond op.</cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>D<cursief>e <vet>inwoner</vet> benut maximaal</cursief></cursief><cursief>eigen mogelijkheden, talenten en zijn sociale netwerk (bijvoorbeeld familie, vrienden of het verenigingsleven).</cursief></al></li><li nr="5."><al><cursief>D<cursief>e <vet>hulpvraag</vet> staat centraal. De gemeente helpt bij het duidelijk maken van de <vet>hulpvraag</vet>.</cursief></cursief></al></li><li nr="6."><al><cursief>Vrij <cursief>toegankelijke <vet>hulp</vet> gaat voor <vet>hulp-op-maat</vet>.</cursief></cursief></al></li><li nr="7."><al><cursief>D<cursief>e <vet>inwoner </vet>is zelf verantwoordelijk,</cursief></cursief><cursief> de gemeente helpt als dat nodig is. Dit betekent niet dat de gemeente altijd met een oplossing komt.</cursief></al></li></lijst><al>Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de <vet>Verordening</vet>. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels. De kernwaarden in deze paragraaf gelden voor alle hoofdstukken. Daarnaast kan elk hoofdstuk nog bijzondere kernwaarden hebben. Dat zijn kernwaarden die speciaal voor dat hoofdstuk gelden. Ten slotte: de begrippen die in deze <vet>Verordening</vet> worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.4</nr><titel>Uitvoering van de regels</titel></kop><structuurtekst><al>De teams van Voormekaar van de <vet>gemeente</vet> Berkelland en Fijnder geven uitvoering aan deze <vet>Verordening</vet>. Zij passen de regels toe en betrekken daarbij bovengenoemde kernwaarden (paragraaf 1.3). De teams van Voormekaar en Fijnder bestaan uit <vet>medewerkers</vet> met verschillende specialismen en inhoudelijke deskundigheid. Ze kijken welke kennis en expertise uit een team nodig is om een <vet>inwoner</vet> met een ondersteuning- of zorgvraag op het gebied van zorg en welzijn, opvoeden, opgroeien, wonen en werken zo goed mogelijk verder te helpen. </al><al/><al>Voormekaar en Fijnder zijn er voor alle <vet>inwoners</vet> uit Berkelland. Voormekaar en Fijnder werken vanuit de overtuiging dat zorg en ondersteuning zo goed mogelijk moeten aansluiten bij de individuele inwoner. Met de <vet>inwoner</vet> denken we daarom mee wat hem/haar helpt om het leven te kunnen leiden waar hij/zij zich het prettigst bij voelt. Voormekaar weet welke oplossingen en mogelijkheden er allemaal zijn; dichtbij huis en/of met behulp van familie en naasten. Daar waar dat echt niet kan of moeilijker gaat, is Voormekaar er om passende zorg te bieden of om te kijken wat er nodig is om te kunnen accepteren dat sommige uitdagingen bij het leven horen.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>1.5</nr><titel>Leeswijzer</titel></kop><structuurtekst><al>Wat staat in deze <vet>Verordening</vet>? Na de Inleiding staat eerst hoe en waar een <vet>inwoner hulp</vet> kan vragen aan de <vet>gemeente</vet> en hoe die <vet>hulpvraag</vet> wordt opgepakt. Daarna leggen we in een aantal hoofdstukken uit wat de belangrijkste regels over de gemeentelijke taken zijn. Die regels gaan bijvoorbeeld over <vet>hulp</vet> van de gemeente om de stap naar werk te zetten (H. 3), <vet>hulp</vet> bij de opvoeding van kinderen (H. 4), en <vet>hulp</vet> bij schulden (H. 7). In die hoofdstukken staat wanneer inwoner <vet>hulp</vet> kunt krijgen, wat die <vet>hulp</vet> inhoudt en welke rechten en plichten de inwoner heeft. Daarna zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de <vet>hulp</vet> heeft, over wat inwoners en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe de <vet>hulp</vet> georganiseerd is (H. 8-12). De <vet>Verordening</vet> eindigt met een uitleg van belangrijke begrippen die in deze <vet>Verordening</vet> worden gebruikt (deze woorden zijn dikgedrukt in de <vet>Verordening</vet>) en met slotbepalingen (H. 13 en 14). </al><al/><al>Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke bijzondere kernwaarden voor dat hoofdstuk gelden. Daarna volgen de regels. Die regels zijn gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Bij elk artikel staat op welke <vet>wet</vet> of welke wetten het precies gebaseerd is. Dit kan per artikel en zelfs per hoofdstuk of paragraaf verschillend zijn. In deze <vet>Verordening</vet> komt een aantal keer het woord ‘<vet>Gemeentewet’</vet> voor. We bedoelen daarmee de <vet>wet</vet> die bepaalt dat de gemeenteraad zelf iets kan regelen. We noemen dat de algemene of aanvullende regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad (artt. 108, eerste lid, 121, en 147, eerste lid, Gemeentewet). Bij een aantal artikelen staat de afkorting ‘<vet>Awb</vet><vet>’</vet> (Algemene <vet>wet</vet> bestuursrecht). Daarmee bedoelen we dat in de Awb specifieke bepalingen over dat onderwerp staan. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.9 en 3.4.10 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten). </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>2.</nr><titel>De hulpvraag </titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Soms lukt het inwoners niet om zelf hun problemen op te lossen. Inwoners kunnen dan <vet>hulp</vet> vragen aan de <vet>gemeente</vet>. In dit hoofdstuk staat hoe een <vet>inwoner</vet> die <vet>hulpvraag</vet> kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe de hulpvraag wordt behandeld en hoe de gemeente tot een besluit komt. Uitgangspunt is dat alle <vet>hulpvragen</vet> in één keer kunnen worden gesteld. Maar voor bepaalde <vet>hulpvragen</vet> geldt soms een bijzondere route. In dit hoofdstuk staat ook, hoe inwoners en hulpverleners signalen kunnen doorgeven aan de gemeente, als ze zich zorgen maken over andere inwoners. Geeft de gemeente <vet>hulp</vet>, dan zorgt de gemeente ervoor dat de <vet>hulp</vet> aansluit bij andere vormen van <vet>hulp</vet> die de inwoner al krijgt. Inwoners en professionals kunnen ook informatie vinden op gemeenteberkelland.nl. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente helpt de inwoner om <cursief>zijn<vet> hulpvraag</vet> op de juiste </cursief></cursief><cursief>plek te stellen.</cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente <cursief>maakt <vet>hulp</vet> makkelijk </cursief></cursief><cursief>bereikbaar.</cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente onderzoekt <cursief>de <vet>hulpvraag</vet> zorgvuldig</cursief></cursief><cursief>.</cursief></al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>2.1</nr><titel>Fase 1: Melding bij de gemeente </titel></kop><artikel><kop><label/><nr>2.1.1</nr><titel>Melden hulpvraag</titel></kop><al> [<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Wvggz</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet>] </al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Inwoners die <vet>hulp</vet> nodig hebben kunnen zich melden bij de integrale Toegang Sociaal Domein van de <vet>gemeente</vet>. Dat kan telefonisch via 0545-250300 of via het digitale contactformulier. Deze is te vinden op <extref doc="http://www.gemeenteberkelland.nl/voormekaar/"><onderstreept>www.gemeenteberkelland.nl/voormekaar/</onderstreept></extref>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich ook rechtstreeks melden bij de gemeente Doetinchem (zie ook art. 5.4) </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor sommige vormen van <vet>hulp</vet> kan de <vet>inwoner</vet> direct een <vet>aanvraag</vet> doen. De inwoner kan in ieder geval direct een aanvraag doen voor de volgende vormen van <vet>hulp</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>een <vet>bijstandsuitkering</vet> voor <vet>levensonderhoud</vet>, voor inwoners van 27 jaar of ouder;</al></li><li nr="b."><al>een <vet>IOAW-</vet> of <vet>IOAZ-uitkering</vet>; </al></li><li nr="c."><al>bepaalde <vet>inkomensvoorzieningen</vet>;</al></li><li nr="d."><al><vet>jeugdhulp</vet>; en</al></li><li nr="e."><al>persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen (zie paragraaf 3.5).</al></li></lijst><al>In artikel 2.3.1 staat hoe een aanvraag kan worden gedaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het gaat om een <vet>bijstandsuitkering</vet> voor <vet>levensonderhoud</vet> kan de inwoner die jonger is dan 27 jaar pas een aanvraag indienen als er na de melding en het invullen van <extref doc="http://www.werk.nl"><onderstreept>www.werk.nl</onderstreept></extref>, onderdeel <vet>uitkering</vet>, vier weken voorbij zijn gegaan waarin de inwoner op zoek is gegaan naar werk of opleidingsmogelijkheden. Behalve als de melding is gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>gehuwden en één van de echtgenoten 27 jaar of ouder is;</al></li><li nr="b."><al>inwoners die uiterlijk één jaar voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven hebben gestaan bij het praktijkonderwijs (pro) of voortgezet speciaal onderwijs (vso). Deze uitzondering duurt een jaar;</al></li><li nr="c."><al>inwoners met een medische urenbeperking;</al></li><li nr="d."><al>inwoners die loonkostensubsidie ontvangen of mogelijk tot de doelgroep van loonkostensubsidie behoren.</al></li></lijst><al>Zij kunnen de melding en aanvraag op hetzelfde moment doen. </al><al>In artikel 2.3.1 staat hoe een aanvraag kan worden gedaan. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als het nodig is helpen de <vet>medewerkers</vet> van Voormekaar of Fijnder inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de <vet>hulpvraag</vet>. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gemeente zorgt ervoor, dat inwoners goed worden geïnformeerd over de mogelijkheden om een <vet>melding</vet> of een aanvraag te doen. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De <vet>werkgever</vet> kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Iemand anders kan ook een melding of, met een machtiging, een aanvraag namens de inwoner doen met diens toestemming.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Iedereen die zich zorgen maakt over het zorgwekkende <vet>gedrag</vet> van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen bestaat het Landelijk Meldpunt Zorgwekkend Gedrag (0800-1205). Het Landelijk Meldpunt Zorgwekkend Gedrag neemt de melding in ontvangst voor de gemeente en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.1.2</nr><titel>Doel en procedure melding </titel></kop><al><vet>[Jeugdwet, Wmo]</vet></al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het doel van de <vet>melding</vet> is om de <vet>hulpvraag</vet> te bespreken en te onderzoeken of er <vet>hulp</vet> nodig is. De <vet>gemeente</vet> spreekt met de <vet>inwoner</vet> af, waar en wanneer een gesprek met een <vet>medewerker</vet> van de gemeente plaats vindt. De gemeente geeft aan waarover het gesprek gaat en welke gegevens de inwoner beschikbaar moet hebben. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als dit belangrijk is voor de <vet>hulpvraag</vet>, maar kan ook telefonisch of via beeldbellen plaatsvinden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> met een lichamelijke beperking kan ook direct na de melding aangemeld worden voor een gesprek met een deskundige. In het kader van herstelgerichte ondersteuning heeft de gemeente afspraken gemaakt met meerdere fysiotherapiepraktijken. In de fysiotherapiepraktijk vindt een intakegesprek plaats met een fysieke meting door een fysiotherapeut. Er volgt een deskundig advies. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente informeert de <vet>inwoner</vet> over de gratis <vet>hulp</vet> die een cliëntondersteuner kan geven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> kan zelf een plan opstellen waarin de <vet>inwoner</vet> uitlegt hoe zijn <vet>persoonlijke situatie</vet> is. In dat plan geeft de inwoner ook aan wat te willen bereiken met de vraag (dat plan heet een <vet>persoonlijk plan</vet> of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid. De inwoner krijgt de gelegenheid om na de melding binnen 7 dagen een <vet>persoonlijk plan</vet> in te leveren bij Voormekaar. De termijn van 7 dagen geldt niet voor <vet>jeugdhulp</vet>. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het kan zijn dat het niet nodig is om verder in gesprek te gaan. De gemeente overlegt hierover met de <vet>inwoner</vet> die de <vet>hulpvraag</vet> heeft gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.1.3</nr><titel>Gegevens </titel></kop><al>De <vet>inwoner</vet> zorgt ervoor, dat de <vet>gemeente</vet> alle gegevens krijgt die nodig zijn voor het gesprek over de <vet>hulpvraag</vet>. </al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2.2</nr><titel>Fase 2: Gesprek na de melding</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>2.2.1</nr><titel>Doel en procedure van het gesprek </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de <vet>hulpvraag</vet>, van het <vet>effect</vet> dat de <vet>inwoner</vet> wil bereiken en van zijn <vet>persoonlijke situatie</vet>. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de <vet>melding</vet> plaats. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek voor ondersteuning. De inwoner kan ook gebruik maken van een cliëntondersteuner. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inwoner laat altijd een geldig identiteitsbewijs zien. Voor de <vet>Jeugdwet</vet> is het genoeg het burgerservicenummer te controleren. Dit kan met een document waar dit op staat of met een check in de Basisregistratie Personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de inwoner een <vet>persoonlijk plan</vet> of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit plan bij het gesprek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.2.2</nr><titel>Gesprek en onderzoek </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>medewerker</vet> bespreekt met de <vet>inwoner</vet> de melding en onderzoekt als volgt: </al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de <vet>hulpvraag</vet> van de <vet>inwoner</vet> is en welk <vet>effect</vet> de inwoner wil bereiken.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, <vet>beperking</vet>en of (on)mogelijkheden er precies zijn die belangrijk zijn voor het beoordelen van de <vet>hulpvraag</vet>. </al></li><li nr="-"><al>Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke <vet>hulp</vet> nodig is. </al></li><li nr="-"><al>Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (<vet>eigen kracht</vet>), al dan niet met <vet>gebruikelijke hulp</vet> (zie artikel 2.2.2.1), met <vet>algemeen gebruikelijke voorzieningen</vet>, met <vet>hulp</vet> van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met <vet>andere voorzieningen</vet>. </al></li><li nr="-"><al>Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende <vet>hulp</vet> de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij zijn onderzoek. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het gesprek kan telefonisch of via beeldbellen plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de <vet>hulpvraag</vet>. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het nodig is, betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek of onderzoek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de medewerker na of de mantelzorger ondersteuning nodig heeft. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gaat het om <vet>Wmo</vet>- of <vet>jeugdhulp</vet>, dan informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheid om te kiezen voor <vet>hulp</vet> in natura of een persoonsgebonden budget (pgb). Als de inwoner een <vet>pgb</vet> wil ontvangen, dan maakt een Bewustkeuzegesprek deel uit van het onderzoek. Dat gesprek gaat over de taken en werkzaamheden die horen bij een <vet>pgb</vet>. Het gesprek gaat ook over de voorwaarden om een <vet>pgb</vet> te kunnen krijgen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gaat het om <vet>Wmo</vet><vet>-hulp</vet> waarvoor de inwoner een bijdrage in de kosten moet betalen, dan informeert de medewerker de <vet>inwoner</vet> hierover. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De medewerker voert het gesprek vanuit het gedachtegoed van <vet>positieve gezondheid</vet>.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Een onderzoek naar een aanvraag voor leerlingenvervoer wordt niet met toepassing van dit artikel afgehandeld. Hiervoor geldt hoofdstuk 6 van deze <vet>Verordening</vet></al><al/></lid><al><vet>2.2.2.1 Gebruikelijke hulp</vet></al><lijst><li nr="1."><al><vet>Gebruikelijke hulp</vet> is de mate waarin de <vet>inwoner</vet> met <vet>gebruikelijke hulp</vet> het aanvaardbare niveau van <vet>zelfredzaamheid</vet> en <vet>participatie</vet> of het zich handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. De volgende uitgangspunten worden gehanteerd: </al><lijst><li nr="a."><al>Huisgenoten van een <vet>inwoner</vet> zijn altijd zelf als eerste verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de <vet>zelfredzaamheid</vet> en de <vet>participatie</vet> of het zich kunnen handhaven in de samenleving. </al></li><li nr="b."><al><vet>Gebruikelijke hulp</vet> heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de huisgenoten deze hulp zelf uitvoeren. De <vet>gebruikelijke hulp</vet> kan de <vet>inwoner</vet> ook door andere personen laten doen of met eigen geld inkopen. </al></li><li nr="c."><al>Bij uitval van een persoon wordt door huisgenoten, ook naast een fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten. </al></li><li nr="d."><al>De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van kinderen onder de 18 jaar wordt verwacht dat zij helpen in het huishouden. Van iedere volwassene van 18 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Van iedere volwassene vanaf 23 jaar wordt in ieder geval verwacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van <vet>gebruikelijke hulp</vet> dus niet in de weg. Het bieden van <vet>gebruikelijke hulp</vet> gaat verder ook voor op andere activiteiten van huisgenoten in het kader van hun maatschappelijke <vet>participatie</vet>. </al></li><li nr="e."><al>Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van <vet>gebruikelijke hulp</vet> in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige <vet>school</vet>- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege <vet>school</vet>- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is.</al></li><li nr="f."><al>Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van <vet>gebruikelijke hulp</vet> worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: </al><lijst><li nr="I."><al>De aard van de benodigde ondersteuning. </al></li><li nr="II."><al>De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. </al></li><li nr="III."><al>De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. </al></li><li nr="IV."><al>De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. </al></li><li nr="V."><al><vet>Gebruikelijke hulp</vet> geldt niet of minder als uit objectief onderzoek blijkt dat huisgenoten niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen door: </al><lijst><li nr="•"><al>langdurige fysieke afwezigheid </al></li><li nr="•"><al>een beperking of een beperkte leerbaarheid. </al></li><li nr="•"><al>(dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de huisgenoten de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.2.3</nr><titel>Ondersteuningsplan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De medewerker maakt een ondersteuningsplan van de uitkomsten van het onderzoek. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gaat het om een <vet>hulpvraag</vet> voor <vet>Wmo</vet>- of <vet>jeugdhulp</vet>, dan deelt de medewerker het ondersteuningsplan met de <vet>inwoner</vet> via het <vet>Burger Portaal</vet> of post. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het ondersteuningsplan toegevoegd. Bij het ondersteuningsplan wordt ook een aanvraagformulier gevoegd, tenzij de inwoner al een <vet>aanvraag</vet> heeft gedaan. </al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2.3</nr><titel>Fase 3: Aanvraag </titel></kop><artikel><kop><label/><nr>2.3.1</nr><titel>Aanvraag </titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> kan, uitgezonderd de <vet>hulpvragen</vet>, zoals bedoeld in artikel 2.1.1. lid 3, een <vet>aanvraag</vet> doen, nadat het onderzoek naar de <vet>hulpvraag</vet> is afgerond. Een <vet>Wmo</vet><vet>-aanvraag</vet> kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, maar in ieder geval vanaf 6 weken, nadat de inwoner de <vet>melding</vet> heeft gedaan. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Conform artikel 2.1.1 lid 3 kan een aanvraag voor <vet>jeugdhulp zonder voorafgaand onderzoek</vet> naar de <vet>hulpvraag</vet> gedaan worden. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Na de aanvraag vindt het onderzoek plaats. Het doel van het onderzoek is te bepalen of de gemeente <vet>hulp</vet> gaat verlenen en zo ja, welke vorm die <vet>hulp</vet> dan heeft. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inwoner gebruikt een aanvraagformulier om een aanvraag te doen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag wordt gedaan bij de gemeente, behalve als het gaat om een digitale aanvraag voor een <vet>bijstandsuitkering</vet> voor <vet>levensonderhoud</vet>, <vet>IOAW</vet> of voor een <vet>IOAZ-uitkering</vet>. Aanvragen voor een bijstands<vet>uitkering</vet> levensonderhoud en IOAW worden gedaan via de website van UWV (<extref doc="http://www.werk.nl"><onderstreept>www.werk.nl</onderstreept></extref>). In bijzondere situaties kan een <vet>uitkering</vet> voor <vet>levensonderhoud</vet> ook schriftelijk worden aangevraagd. Als het gaat om een aanvraag voor een IOAZ-<vet>uitkering</vet>, dan kan de inwoner voor meer informatie en het indienen van een aanvraag contact opnemen met ROZ via de website <extref doc="http://www.rozgroep.nl"><onderstreept>www.rozgroep.nl</onderstreept></extref>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.3.2</nr><titel>Voorwaarden voor hulp-op-maat</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, </vet><vet>Wgs</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vraagt de <vet>inwoner hulp</vet> die speciaal is afgestemd op de inwoner (<vet>hulp-op-maat</vet>), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>hulp</vet> is noodzakelijk om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;</al></li><li nr="b."><al>De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste <vet>effect</vet> op <vet>eigen kracht</vet> te bereiken. De inwoner kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, met <vet>algemeen gebruikelijke voorziening</vet>en of met behulp van <vet>andere voorzieningen</vet> of organisaties; en</al></li><li nr="c."><al>De hulp is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de <vet>persoonlijke situatie</vet> van de inwoner. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor sommige vormen van <vet>hulp</vet> zijn er in de wet of in deze <vet>Verordening</vet> extra voorwaarden gesteld. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>hulp-op-maat</vet> is niet duurder dan nodig is en duurt niet langer dan nodig is. De <vet>gemeente</vet> kiest daarom voor de goedkoopste <vet>voorziening</vet> die geschikt is om het gewenste effect te bereiken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een levenslange beperking of aandoening en er geen zicht op verbetering is, wordt de afweging gemaakt of <vet>hulp-op-maat</vet> (<vet>Wmo</vet>; zowel persoonsgebonden budget als Zorg in Natura) voor onbepaalde tijd passend is. De <vet>gemeente</vet> onderzoekt periodiek of de <vet>hulp-op-maat</vet> nog passend is. Tussentijdse wijzigingen in omstandigheden en/of beleid kunnen van invloed zijn op de <vet>hulp-op-maat</vet>.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan <vet>hulp-op-maat</vet> in ieder geval weigeren als:</al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>hulpvraag</vet> het gevolg is van verwijtbaar <vet>gedrag</vet> van de inwoner en hij deze hulpvraag had kunnen voorkomen; </al></li><li nr="b."><al>de inwoner de gevraagde <vet>hulp</vet> zelf al heeft ingeroepen of ingekocht voordat een <vet>Wmo</vet> melding is gedaan;</al></li><li nr="c."><al>de inwoner de gevraagde <vet>hulp</vet> zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, tussen de periode van de melding en de aanvraag, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend of achteraf de noodzaak nog vastgesteld kan worden;</al></li><li nr="d."><al>de gemeente de noodzaak van de <vet>hulp</vet> niet kan vaststellen;</al></li><li nr="e."><al>de <vet>hulp-op-maat</vet> gezien de beperkingen van de inwoner, onveilig voor de inwoner en/of zijn omgeving is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en/of anti-revaliderend werkt; </al></li><li nr="f."><al>uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van <vet>hulp-op-maat</vet> in het wegnemen van beperkingen in de <vet>zelfredzaamheid</vet> en <vet>participatie</vet>. De <vet>gemeente</vet> kan deze <vet>hulp</vet> wel toekennen wanneer deze in de <vet>persoonlijke situatie</vet> als meest passend wordt bevonden;</al></li><li nr="g."><al>De <vet>hulp-op-maat</vet> niet doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt de <vet>gemeente</vet> door vast te stellen of de <vet>hulp-op-maat</vet> wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de <vet>hulpvraag</vet> en [waar beschikbaar] wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. De <vet>gemeente</vet> kan hiervoor gebruik maken van de NJI Databank Effectieve jeugdinterventies, Richtlijnen <vet>Jeugdhulp</vet> en GGZ-standaarden;</al></li><li nr="h."><al>blijkt dat <vet>ouders</vet> begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van de <vet>gemeente</vet> geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de <vet>Jeugdwet</vet>. Wel kan dan ondersteuning geboden worden vanuit een andere <vet>wet</vet>.</al></li><li nr="i."><al>huisgenoten <vet>gebruikelijke hulp</vet> kunnen bieden. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.3.3</nr><titel>Advisering </titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Awb</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat de <vet>medewerker</vet> die een <vet>melding</vet> of <vet>aanvraag</vet> behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen beoordelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.3.4</nr><titel>Beoordelen aanvraag</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Awb</vet>]</al><al>Om te bepalen of de <vet>gemeente hulp</vet> verleent, volgt de gemeente de stappen zoals vermeld in artikel 2.2.2 lid 1. Als deze onderzoeksstappen al voor de aanvraag zijn doorlopen dan volgt in deze fase het besluit op de aanvraag op basis van de uitkomsten van het onderzoek.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.3.5</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de <vet>aanvraag</vet> is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de <vet>Wmo</vet>, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag voor <vet>Wmo</vet><vet>-hulp</vet> is ontvangen. De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen. </al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2.4</nr><titel>Fase 4. Beslissing</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>2.4.1</nr><titel>Inhoud besluit</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de <vet>inwoner</vet>. Als de inwoner een <vet>vertegenwoordiger</vet> heeft, dan wordt de brief naar die persoon gestuurd. In het besluit staat of de gemeente wel of geen <vet>hulp</vet> geeft. Als de gemeente <vet>hulp</vet> geeft, staat in het besluit ook of de <vet>hulp in natura</vet>, in de vorm van een <vet>pgb</vet>, in geld of op een andere manier wordt gegeven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geeft de gemeente de <vet>hulp ‘in natura’</vet> (een product of een dienst), dan staat in het besluit in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>welke <vet>hulp</vet> wordt toegekend en wat het doel van de <vet>hulp</vet> is;</al></li><li nr="b."><al>wanneer de <vet>hulp</vet> ingaat en hoe lang de <vet>hulp</vet> duurt;</al></li><li nr="c."><al>door wie de <vet>hulp</vet> wordt gegeven. De zorgaanbieder maakt samen met de inwoner een <vet>zorgplan</vet> waarin afspraken staan over hoe de <vet>hulp</vet> wordt gegeven; en</al></li><li nr="d."><al>welke voorwaarden en verplichtingen er voor de <vet>hulp</vet> gelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geeft de gemeente de <vet>hulp</vet> in de vorm van een <vet>pgb</vet>, dan staat in het besluit in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke <vet>hulp</vet> het <vet>pgb</vet> bedoeld is;</al></li><li nr="b."><al>wat het doel is van die <vet>hulp</vet>; </al></li><li nr="c."><al>hoe hoog het <vet>pgb</vet> is en hoe dat berekend is;</al></li><li nr="d."><al>wanneer het <vet>pgb</vet> ingaat en wanneer het <vet>pgb</vet> eindigt;</al></li><li nr="e."><al>hoe de besteding van het <vet>pgb</vet> verantwoord wordt; en</al></li><li nr="f."><al>welke voorwaarden en verplichtingen er voor het <vet>pgb</vet> gelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geeft de gemeente de <vet>hulp</vet> in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>hoeveel het is;</al></li><li nr="b."><al>voor welk doel het geld wordt gegeven;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het geld wordt betaald;</al></li><li nr="d."><al>hoe vaak het geld wordt betaald; en</al></li><li nr="e."><al>welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van geld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gemeente informeert de inwoner over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen het besluit (zie ook artikel 11.5).</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>2.5</nr><titel>Uitzonderingen</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>2.5.1</nr><titel>Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners</titel></kop><al> [<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat de <vet>jongere jeugdhulp</vet> krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een <vet>jeugdhulpaanbieder</vet>, of als de rechter in het kader van het jeugdstrafrecht of Gecertificeerde <vet>Instelling</vet> in het kader van een maatregel <vet>jeugdhulp</vet> nodig vindt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, Gecertificeerde <vet>Instellingen</vet> en zorgverzekeraars over doorverwijzingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente contracteert jeugdhulpaanbieders en zorgt voor een dekkend zorglandschap. Verwijzingen naar niet gecontracteerde aanbieders worden niet toegekend of vergoed. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente kan overgaan tot het sturen van een brief richting de inwoner, indien <vet>jeugdhulp</vet> middels een verwijzing van huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, Gecertificeerde instellingen wordt ingezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.5.2</nr><titel>Spoedeisende gevallen</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Wgs</vet>]</al><al>In spoedeisende gevallen kan de <vet>gemeente </vet>afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de <vet>inwoner </vet>de <vet>hulp </vet>krijgt die nodig is. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>2.5.3</nr><titel>Inburgeringsplichtigen</titel></kop><al> [<vet>Wib</vet>]</al><al>Met de komst van de <vet>Wet </vet>inburgering 2021 is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe <vet>inburgeringsplichtige</vet>n. <vet>Asielmigrant</vet>en worden vanuit een asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Berkelland. Waar mogelijk begint de <vet>brede intake</vet> al op het asielzoekerscentrum. Gezinsmigranten krijgen een kennisgeving van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) over de inburgeringsplicht. In de DUO portal krijgt de gemeente een seintje wanneer de gezinsmigrant zich in de gemeente heeft ingeschreven. Dat is het signaal dat de gemeente betrokkene moet uitnodigen voor de brede intake. De regisseur nieuwkomers nodigt de gezinsmigrant uit voor een brede intake. Daarnaast krijgen de <vet>inburgeringsplichtige</vet>n een andere brede intake dan de intake zoals in fase 1 tot en met fase 4 (artikelen 2.1 tot en met 2.4) beschreven staat. </al><al/><al><vet>2.5.3.1 Brede intake</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> neemt bij de <vet>inburgeringsplichtigen</vet> een <vet>brede intake</vet> af. De brede intake geeft een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de <vet>inwoner</vet>. In overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake, geeft de gemeente invulling aan het inburgeringstraject.</al></li><li nr="2."><al>De <vet>brede intake</vet> wordt zo vroeg mogelijk afgenomen. Als het kan wordt de brede intake gepland zodra de inwoner bekend is bij de gemeente. Voor asielstatushouders is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>De <vet>brede intake</vet> bestaat in ieder geval uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner;</al></li><li nr="b."><al>een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid; </al></li><li nr="c."><al>voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inwoner deel te laten nemen aan de voor<vet>school</vet>se educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de <vet>Wet</vet> kinderopvang, of de vroeg<vet>school</vet>se educatie, bedoeld in artikel 1 van de <vet>Wet</vet> op het primair onderwijs en</al></li><li nr="d."><al>een leerbaarheidstoets. De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart:</al><lijst><li nr="a."><al>het taalniveau van de inwoner;</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheden tot (arbeids)<vet>participatie</vet>;</al></li><li nr="c."><al>de mate van <vet>zelfredzaamheid </vet>en</al></li><li nr="d."><al>de wensen van de inwoner over inburgering en arbeids<vet>participatie</vet>.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al>De gemeente legt de uitkomsten van de <vet>brede intake </vet>schriftelijk vast in het <vet>Persoonlijk plan Inburgering en Participatie</vet> (PIP). </al></li></lijst><al><vet>2.5.3.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Na afronding van de <vet>brede intake</vet> en op basis van de hieruit ontvangen informatie, stelt de <vet>gemeente</vet> het <vet>Persoonlijk plan Inburgering en Participatie</vet> (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In ieder geval worden in het gesprek over de PIP de volgende onderwerpen besproken:</al><lijst><li nr="a."><al>de uitkomsten van de brede intake;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke einddoelen van de <vet>inwoner</vet> in het inburgeringstraject;</al></li><li nr="c."><al>welke leerroute als passend wordt gezien en waarom;</al></li><li nr="d."><al>de rechten en plichten van de inwoner tijdens het inburgeringstraject;</al></li><li nr="e."><al>de verwachtingen van de inwoner over het traject; </al></li><li nr="f."><al>de rol van de gemeente bij dit traject; en</al></li><li nr="g."><al>voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de <vet>persoonlijke situatie</vet>, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner. </al></li><li nr="3."><al>De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen 10 weken na inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het AZC, tenzij betrokkene op dat moment nog niet woonachtig is in de gemeente. Dus voor gezinsmigranten 10 weken na schriftelijke kennisgeving DUO en voor statushouders 10 weken na inschrijving in BRP gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Berkelland, stelt de gemeente het PIP opnieuw vast. Dit gebeurt binnen 10 weken na de dag van verzending van de schriftelijke kennisgeving inburgeringsplicht door DUO. De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>3</nr><titel>Werken en meedoen in de samenleving</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Dit hoofdstuk gaat over werk en <vet>participatie</vet> (meedoen in de samenleving). Het is belangrijk dat <vet>inwoners</vet> in hun eigen <vet>levensonderhoud</vet> kunnen voorzien. De <vet>gemeente</vet> verwacht daarom van inwoners met een <vet>uitkering</vet> die kunnen werken, dat zij werk zoeken. De gemeente wil inwoners daarbij ondersteunen. Welke <vet>hulp</vet> de gemeente kan geven, staat in dit hoofdstuk. Die <vet>hulp</vet> noemen we ook wel: een <vet>voorziening</vet>. De gemeente kan iets terugvragen van inwoners met een <vet>uitkering</vet>. Dat wordt een tegenprestatie genoemd. In dit hoofdstuk wordt daar meer over uitgelegd. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving. Dat kan via werk, maar ook op andere manieren. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk staan de belangrijkste regels voor de <vet>hulp</vet> die de gemeente kan geven om mee te doen in de samenleving. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de <vet>Participatiewet, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang</vet> en/of op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (<vet>Wmo</vet>).</al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente ondersteunt de inwoner zo goed mogelijk in zijn ontwikkeling naar participatie of werk. </cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>Betaald werk gaat voor onbetaald werk en voor inkomensondersteuning van de gemeente.</cursief></al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>3.1</nr><titel>Voor wie?</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wmo</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Inwoners</vet> zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden. Als dat niet lukt, kan de <vet>gemeente</vet> de volgende inwoners helpen om een stap <vet>richting</vet> werk te zetten, hierna te noemen de doelgroep:</al><lijst><li nr="a."><al>Inwoners met een gemeentelijke <vet>uitkering</vet> die niet op <vet>eigen kracht</vet> of met de <vet>hulp</vet> van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; </al></li><li nr="b."><al>Inwoners, jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd, die geen <vet>hulp</vet> kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per persoon beoordeelt de gemeente of er <vet>hulp</vet> wordt gegeven;</al></li><li nr="c."><al><vet>Jongeren</vet> tot 27 jaar die geen werk hebben of onderwijs volgen, en geen havo-diploma, vwo-diploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar passende hulpverlening of zorg. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al><vet>Inwoners</vet> moeten kunnen meedoen in de samenleving. Meedoen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van inwoners zelf. De gemeente helpt in ieder geval de volgende inwoners om mee te doen in de samenleving, als dat op eigen kracht of op andere manieren niet lukt: </al><lijst><li nr="b."><al>Inwoners met een <vet>beperking</vet>;</al></li><li nr="c."><al>Inwoners met een langdurig psychisch of psychosociaal probleem.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.2</nr><titel>Samenwerking voor werk</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> werkt samen met werkgevers, UWV, regio-gemeenten, en andere organisaties. De <vet>gemeente</vet> doet dat om <vet>inwoners</vet> te helpen werk te vinden, dat bij hen past. </al></li><li nr="2."><al>De <vet>gemeente</vet> ondersteunt werkgevers die <vet>inwoners</vet> uit de doelgroep werk willen aanbieden. De <vet>gemeente</vet> doet dat bijvoorbeeld via het Werkgeversservicepunt Achterhoek.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.3</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> kan per soort <vet>voorziening</vet> een budgetplafond vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente per kalenderjaar kan uitgeven aan een bepaalde <vet>voorziening</vet>. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente zo’n <vet>voorziening</vet> niet meer. Voor wettelijke loonkostensubsidie en voor beschut werk kan de <vet>gemeente</vet> geen budgetplafond vaststellen. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.4</nr><titel>Voorzieningen – werk</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ. </vet><vet>Wsw</vet><vet>, </vet><vet>Wmo</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> bekijkt per <vet>inwoner</vet> welke <vet>hulp</vet> nodig is. De gemeente zet passende <vet>voorzieningen</vet> in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat.</al></li><li nr="2."><al>De <vet>voorziening</vet>en van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een <vet>voorziening</vet> ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de <vet>Participatiewet</vet> dat aangeeft.</al></li><li nr="3."><al>Sommige <vet>voorziening</vet>en worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Dit kan op initiatief van de gemeente of op aanvraag van de <vet>werkgever</vet>.</al><al>De gemeente houdt zich aan het preferente proces loonkostensubsidie dat voortkomt uit landelijke samenwerkingsafspraken. Deze zijn te vinden op de website (<extref doc="http://www.fijnder.nl"><onderstreept>www.fijnder.nl</onderstreept></extref>).</al></li><li nr="4."><al>Het kan ook zijn dat bepaalde <vet>voorziening</vet>en niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per <vet>voorziening </vet>aangegeven. </al></li><li nr="5."><al>Het doel van een <vet>voorziening </vet>is het vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende <vet>voorziening</vet>en inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>proefplaatsing;</al></li><li nr="b."><al>werkervaringsplaats;</al></li><li nr="c."><al>participatieplaats;</al></li><li nr="d."><al>sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>beschut werk;</al></li><li nr="f."><al>hulp bij een leer-werktraject;</al></li><li nr="g."><al>plaatsingssubsidie; </al></li><li nr="h."><al>wettelijke loonkostensubsidie;</al></li><li nr="i."><al>scholing;</al></li><li nr="j."><al>hulp bij het leren van de Nederlandse taal;</al></li><li nr="k."><al>kinderopvang.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>Deze <vet>voorziening</vet>en worden hieronder toegelicht.</al></li><li nr="6."><al>De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een <vet>voorziening </vet>in te zetten. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner, welke <vet>voorziening </vet>wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn mogelijkheden en eventuele <vet>beperkingen</vet>, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en het beschikbare budget. Gaat het om <vet>hulp-op-maat</vet>, dan zijn ook de voorwaarden uit artikel 2.3.2 van toepassing.</al></li><li nr="7."><al>In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke <vet>hulp </vet>de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er tussen de gemeente en de inwoner zijn gemaakt. </al></li><li nr="8."><al>De gemeenteraad ontvangt ieder jaar een jaarverslag met daarin de doeltreffendheid en de effecten van de inzet van de <vet>voorziening</vet>en.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>3.4.1</nr><titel>Proefplaatsing </titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>uitkering</vet>sgerechtigde <vet>inwoner</vet> bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een <vet>werkgever</vet>. Deze inwoner houdt wel een <vet>uitkering</vet> tijdens die periode. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is dat de <vet>werkgever</vet> kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de inwoner geschikt is voor het werk, volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De proefplaatsing is alleen mogelijk als de <vet>werkgever</vet> de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de <vet>werkgever</vet> uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. Normaal duurt de proefplaatsing twee maanden. Met goede reden is er de mogelijkheid de proefplaatsing te verlengen met maximaal vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens zes maanden. Bij een proefplaatsing tussen de twee en zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met plaatsingssubsidie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.2</nr><titel>Werkervaringsplaats </titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>inwoner</vet> een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn <vet>uitkering</vet>. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen: </al><lijst><li nr="a."><al>De inwoner doet werkervaring op;</al></li><li nr="b."><al>De inwoner leert om in een dienstverband te functioneren;</al></li><li nr="c."><al>De inwoner doet werkritme op. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner kansen om te oefenen en te leren in het werk. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De werkervaringsplaats duurt maximaal 6 maanden en kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.3</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>inwoner</vet> ouder dan 27 jaar die algemene bijstand ontvangt en die een kleine kans heeft op betaald werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt zijn <vet>uitkering</vet>. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een participatieplaats duurt maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De inwoner kan telkens na 6 maanden een premie ontvangen. De gemeenteraad stelt deze premie vast op nihil.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.4</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>inwoner</vet> die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. Dat kan bijvoorbeeld vrijwilligerswerk zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.5</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><al>[<vet>PW</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> biedt een <vet>inwoner</vet> een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een <vet>uitkering</vet> van UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels wachtlijst nieuw Beschut Werk Fijnder 1 juli 2024’’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente biedt de volgende <vet>voorzieningen</vet> aan, zodat een inwoner beschut kan werken:</al><lijst><li nr="a."><al>wettelijke loonkostensubsidie;</al></li><li nr="b."><al>aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;</al></li><li nr="c."><al>werk opsplitsen in kleinere taken;</al></li><li nr="d."><al>aanpassing van werktempo, arbeidsduur of werkbegeleiding.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan, ter overbrugging, de volgende <vet>voorziening</vet>en inzetten:</al><lijst><li nr="a."><al>sociale activering;</al></li><li nr="b."><al>participatieplaats; of</al></li><li nr="c."><al>een vergelijkbare <vet>voorziening</vet>. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende <vet>voorziening</vet>en voor:</al><lijst><li nr="a."><al>sociale activering;</al></li><li nr="b."><al>scholing; </al></li><li nr="c."><al>participatieplaats;</al></li><li nr="d."><al>werkervaringsplaats; of</al></li><li nr="e."><al>een vergelijkbare <vet>voorziening</vet>.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.6</nr><titel>Hulp bij een leer- werktraject </titel></kop><al>[<vet>PW</vet>] </al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>jongere hulp</vet> aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om <vet>jonger</vet>en:</al><lijst><li nr="a."><al>van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of </al></li><li nr="b."><al>van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente biedt <vet>hulp</vet> bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van <vet>school</vet> of <vet>werkgever</vet> onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.7</nr><titel>Plaatsingssubsidie</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente </vet>kan een <vet>werkgever </vet>die een <vet>inwoner </vet>in dienst neemt, voor een korte periode plaatsingssubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de <vet>werkgever </vet>voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8), en ook niet in aanmerking komt voor andere <vet>vergoedingen </vet>voor het in dienst nemen van de inwoner. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van deze subsidie is om <vet>werkgever</vet>s te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die <vet>werkgever</vet>s maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De plaatsingssubsidie is maximaal 50% van het <vet>Wettelijk minimumloon</vet>, tot maximaal € 500 per maand. De plaatsingssubsidie duurt maximaal zes maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.8</nr><titel>Wettelijke loonkostensubsidie</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kent de <vet>werkgever</vet> een wettelijke loonkostensubsidie toe als de <vet>inwoner</vet> bij de <vet>werkgever</vet> in dienst komt, maar niet het <vet>wettelijk minimumloon</vet> kan verdienen. De <vet>werkgever</vet> en inwoner moeten wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de <vet>Participatiewet</vet> voldoen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van deze subsidie is om <vet>werkgever</vet>s te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het <vet>wettelijk minimumloon</vet> te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan ook vastgesteld worden na het begin van het dienstverband of proefplaatsing door inzet van de Praktijkroute. Informatie hierover kan worden opgevraagd bij het Werkgeversservicepunt Achterhoek. Contactgegevens zijn te vinden op de website <extref doc="https://wspachterhoek.nl/"><onderstreept>https://wspachterhoek.nl/</onderstreept></extref>.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De loonkostensubsidie aan de <vet>werkgever</vet> hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het <vet>wettelijk minimumloon</vet>. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een <vet>vergoeding</vet> voor werkgeverslasten bij. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de <vet>werkgever</vet> maximaal zes maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van maximaal 50% van het <vet>wettelijk minimumloon</vet>. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gemeente stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de <vet>werkgever</vet> plaatsingssubsidie van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.9</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.10</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>inwoner</vet> scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.11</nr><titel>Hulp bij het leren van de Nederlandse taal </titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>] </al><al>Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De <vet>gemeente</vet> kan aan een <vet>inwoner</vet> die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een <vet>voorziening</vet> aanbieden om de taal beter te leren. Soms is het volgen van scholing verplicht. De gemeente heeft ‘Beleidsregels taaleis Participatiewet Fijnder’ vastgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op <extref doc="http://www.overheid.nl"><onderstreept>www.overheid.nl</onderstreept></extref>. Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. Deze ondersteuning kan plaatsvinden bij een onderwijsinstelling of binnen de gemeente via het Taalhuis.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.12</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, als: </al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>inwoner</vet> meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en </al></li><li nr="b."><al>opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die de inwoner zelf moet betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>De inwoner heeft een gemeentelijke <vet>uitkering</vet> of een <vet>Anw-uitkering</vet>; en </al></li><li nr="b."><al>De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een <vet>voorziening</vet>);</al><al>Of: </al></li><li nr="c."><al>De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, <vet>voortgezet onderwijs</vet> of <vet>vavo-onderwijs</vet>; en</al></li><li nr="d."><al>De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of via een gastouderbureau. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.13</nr><titel>Andere voorzieningen en vergoedingen</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan <vet>andere voorzieningen</vet> inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de <vet>uitkering</vet>. De regels staan in artikel 31 van de <vet>Participatiewet</vet>, artikel 8 van de <vet>IOAW</vet> en in artikel 8 van de <vet>IOAZ</vet>.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor <vet>inwoners</vet> met een gemeentelijke <vet>uitkering</vet> die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz 2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een <vet>voorziening</vet> of bij betaald of onbetaald werk. Dit kan de gemeente alleen doen, als de inwoner die kosten niet op een andere manier vergoed kan krijgen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.4.14</nr><titel>Innovatie </titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een experiment duurt niet langer dan 3 jaar. Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de <vet>Verordening</vet> aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe <vet>Verordening</vet> geldig is.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.5</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>3.5.1</nr><titel>Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2., de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij hij praktijkonderwijs (pro) of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd;</al></li><li nr="b."><al>de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWV-werkvoorzieningen (<extref doc="http://www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen"><onderstreept>www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen</onderstreept></extref>);</al></li><li nr="d."><al>het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel waarvoor de <vet>werkgever</vet> verantwoordelijk is;</al></li><li nr="e."><al>het gaat niet om een mee te nemen voorziening die tot de standaarduitrusting van de <vet>werkgever</vet> behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;</al></li><li nr="f."><al>de kosten van de voorziening moeten in verhouding zijn. Dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk of de opbrengsten van uitstroom naar werk. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Behalve als bij de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente kan een deskundig advies inwinnen als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente spreekt met de <vet>werkgever</vet> en <vet>werknemer</vet> af op welke manier de ondersteuning wordt geboden, ook voor hoelang en tot wanneer. De gemeente legt dit vast in een beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.2</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning bij werk</titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>jobcoaching door een jobcoach van Fijnder of een coach waarmee Fijnder een contract heeft; </al></li><li nr="b."><al>een subsidie aan de <vet>werkgever</vet> voor het inzetten van een jobcoach;</al></li><li nr="c."><al>subsidie aan de <vet>werkgever</vet> voor extra werkbegeleiding. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.3</nr><titel>Hulp op de werkplek van een jobcoach </titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente </vet>kan een <vet>inwoner </vet>een jobcoach vanuit Fijnder aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. De gemeente kan ook een subsidie aan de <vet>werkgever </vet>geven voor het inzetten van een jobcoach.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de jobcoach is om de <vet>werknemer </vet>te helpen zijn werk goed te doen. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij zijn ontwikkeling op de werkplek. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente spreekt met de <vet>werkgever </vet>af hoe de jobcoach wordt ingezet. Deze afspraken komen in een overeenkomst met de <vet>werkgever </vet>te staan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De jobcoaching wordt ingezet voor een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden, na deze periode kan jobcoaching eenmalig verlengd worden met zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een externe jobcoach moet werken bij een erkende Jobcoachorganisatie, op basis van het erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV. Deze is te vinden op <onderstreept>www.uwv.nl</onderstreept> . </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als de gemeente zelf één of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveau’s ’licht’, ’midden’ en ’intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen, hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een <vet>werknemer </vet>in deze situatie. Voor iedere <vet>werknemer </vet>die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welk maximumbedrag die <vet>werknemer </vet>jobcoaching kan krijgen. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De maximumbedragen zijn gebaseerd op de normbedragen voorzieningen van het UWV zoals die zijn gepubliceerd in het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV. Bij wijziging van de normbedragen door het UWV worden de vergoedingen aangepast met ingang van het nieuwe kalenderjaar. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.4</nr><titel>Subsidie voor het organiseren van jobcoaching</titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan een subsidie geven aan de <vet>werkgever</vet> voor het organiseren van jobcoaching. De <vet>werkgever</vet> kan daar een aanvraag voor doen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.5.3 worden verleend. Daarnaast als: </al><lijst><li nr="a."><al>er een coachingsplan is vastgesteld. Daarin staat beschreven welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de evaluatie plaatsvindt;</al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de <vet>werknemer</vet>;</al></li><li nr="c."><al>de <vet>werknemer</vet> voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de <vet>werkgever</vet>.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.5</nr><titel>Subsidie voor interne werkbegeleiding</titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan een subsidie geven aan de <vet>werkgever </vet>voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. De subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente kan voor <vet>werkgever</vet>s een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.6</nr><titel>Ondersteuning bij een visuele of motorische beperking</titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><al>De gemeente kan een <vet>voorziening</vet> in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen. Dit is hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen door problemen met zien of met bewegen.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.7</nr><titel>Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening</titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan een inwoner een meeneembare <vet>voorziening</vet> toekennen, als dit nodig is voor iemand om te kunnen werken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Er is geen lijst van v<vet>oorziening</vet>en. In principe kan elk product als een mee te nemen <vet>voorziening</vet> worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De meeneembare <vet>voorziening</vet> wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de <vet>voorziening</vet> krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de <vet>voorziening</vet>.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.8</nr><titel>Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening</titel></kop><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wsw</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan een vervoers<vet>voorziening</vet> toekennen aan de inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoers<vet>voorziening</vet> kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er een vervoersvoorziening van de <vet>werkgever </vet>mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente kan een vervoers<vet>voorziening</vet> aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruikmaken van het openbaar vervoer; en</al></li><li nr="b."><al>kan niet carpoolen; en </al></li><li nr="c."><al>het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt. Bij reizen met eigen vervoer vergoedt de gemeente de reiskosten tot een bedrag van de maximale onbelaste kilometervergoeding (vastgesteld door de Belastingdienst). Bij reizen met het openbaar vervoer baseert de gemeente de vergoeding op de goedkoopst en meest passende manier van reizen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.5.9</nr><titel>Jeugdwetvervoer</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de <vet>jongere</vet> van en naar de jeugdhulpaanbieder. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vervoers<vet>voorziening</vet> wordt alleen toegekend als naar het oordeel van de gemeente is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van vervoer;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente beschouwt een aantal keer per week zelf rijden in ieder geval als behorend tot de eigen mogelijkheden. De gemeente kan nadere regels vaststellen ter uitvoering hiervan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vervoers<vet>voorziening</vet> wordt alleen verstrekt aan de <vet>jongere</vet> voor het vervoer van de <vet>jongere</vet> naar en van de locatie waar de <vet>jeugdhulp</vet> plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden van de <vet>jongere</vet> of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor vervoer op zich te nemen. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als naar het oordeel van de gemeente een passende <vet>voorziening</vet> beschikbaar is waardoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze <vet>voorziening</vet> voorliggend.</al></lid><lid><lidnr/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.6</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>3.6.1</nr><titel>Doel van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> legt een <vet>inwoner</vet> met een gemeentelijke <vet>uitkering</vet> een tegenprestatie op, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente kan als tegenprestatie vragen om onbetaald werk te gaan doen dat de gemeente nuttig vindt voor de samenleving. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.6.2</nr><titel>Voorwaarden tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de <vet>gemeente</vet> rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de <vet>inwoner</vet>, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele <vet>beperkingen</vet> en vrijwilligerswerk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inwoner hoeft geen tegenprestatie te leveren als dit niet te combineren is met mantelzorg of vrijwilligerswerk. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.6.3</nr><titel>Duur en omvang tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie die de <vet>gemeente</vet> van de <vet>inwoner</vet> verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen:</al><lijst><li nr="a."><al>De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten;</al></li><li nr="b."><al>De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd. </al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.7</nr><titel>Meedoen in de samenleving </titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Wmo</vet><vet>, Jeugdwet, PW</vet>]</al><lijst><li nr="2."><al>De <vet>gemeente </vet>vindt het belangrijk dat <vet>inwoners </vet>meedoen aan activiteiten in de samenleving. Door te werken doen inwoners mee aan de samenleving. Maar inwoners kunnen ook op andere manieren meedoen. Daarom zijn er in de gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>plekken waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten, zoals verenigingen;</al></li><li nr="b."><al>activiteiten die voor alle inwoners worden georganiseerd; </al></li><li nr="c."><al>mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen; en </al></li><li nr="d."><al>maatschappelijke organisaties waar inwoners terecht kunnen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om mee te doen. Een inwoner kan daar <vet>hulp </vet>bij nodig hebben, vanwege een <vet>beperking </vet>of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. Die <vet>inwoner </vet>kan aan de gemeente <vet>hulp </vet>vragen, als diegene zelf geen oplossing kan vinden voor zijn problemen. De hulp kan verschillende vormen hebben. Gaat het om h<vet>ulp-op-maat</vet>, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. De <vet>hulp </vet>moet daarnaast langdurig nodig zijn. Hieronder staat welke <vet>hulp-op-maat</vet> door de gemeente kan worden ingezet.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>3.7.1</nr><titel>Herstelgerichte ondersteuning </titel></kop><al>[<vet>Wmo</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Om te voorkomen dat mensen minder zelfstandig worden, richt de gemeente zich ook met andere manieren op ondersteunen van <vet>inwoner</vet>s. Er is aandacht voor de verbetering van zelfstandigheid van ouderen in hun eigen leefomgeving. De ondersteuning is gericht op verbetering van de situatie van de <vet>inwoner</vet> in plaats van een voorziening of ondersteuning waarbij zaken worden overgenomen. Een gericht bewegingsprogramma onder begeleiding van daarvoor opgeleide fysiotherapeuten wordt aangeboden aan inwoners die zich met een <vet>hulpvraag</vet> door fysieke beperkingen melden bij de Wmo en waarvoor herstelgerichte ondersteuning een passende oplossing kan zijn voor hun <vet>hulpvraag</vet>. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een <vet>inwoner</vet> kan in aanmerking komen voor herstelgerichte ondersteuning, als uit deskundig advies blijkt dat herstelgerichte ondersteuning een passende <vet>voorziening</vet> is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Herstelgerichte ondersteuning kan op zichzelf staand worden geïndiceerd, maar kan ook gecombineerd worden met andere <vet>hulp-op-maat</vet>, als uit het deskundig advies hiervoor de noodzaak blijkt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Andere <vet>hulp-op-maat</vet> wordt niet ingezet wanneer uit het advies van de deskundige (artikel 2.1.2. lid 2) blijkt dat die <vet>voorziening</vet>(en) anti-revaliderend werken voor de inwoner. Dat wil zeggen dat het herstel ermee wordt tegengewerkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de herstelgerichte ondersteuning eerder wordt beëindigd, ontvangt de <vet>gemeente</vet> een afrondende rapportage van de deskundige (artikel 2.1.2. lid 2).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Als herstelgerichte ondersteuning is ingezet als goedkoopst passende <vet>voorziening</vet> (artikel 2.3.2 lid 3 van de <vet>Verordening</vet>) en een <vet>inwoner</vet> maakt hier zonder gegronde reden geen gebruik van, dan kan de inwoner geen andere <vet>hulp-op-maat</vet> krijgen voor de ondersteuningsbehoefte waarvoor de herstelgerichte ondersteuning is ingezet. De herstelgerichte ondersteuning wordt daarmee beschouwd als voorliggende <vet>voorziening</vet> ten opzichte van andere <vet>hulp-op-maat</vet>. Gegronde reden wil zeggen dat uit het advies van de deskundige blijkt dat er redenen zijn waardoor deelname niet mogelijk is (zie artikel 2.1.2. lid 2). Denk daarbij bijvoorbeeld aan het niet veilig kunnen deelnemen in de trainingsgroep, de instructies niet kunnen opvolgen of een acute klacht hebben waardoor bewegen niet kan of mag (bijvoorbeeld een gebroken been).</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7.2</nr><titel>Wmo Integrale Ondersteuning </titel></kop><al>[<vet>Wmo</vet>]</al><al>Integrale Ondersteuning is gericht op <vet>inwoners</vet> vanaf 18 jaar met een beperking of met (chronische) psychische of psychosociale problemen. De ondersteuning vindt zoveel mogelijk plaats in de eigen leefomgeving van de inwoner. <vet>Voorliggende voorzieningen</vet> en ondersteuning in de sociale basis zijn voor deze inwoner niet voldoende passend. Integrale Ondersteuning is gericht op het vergroten van de <vet>zelfredzaamheid</vet> en <vet>participatie</vet> van de inwoner. Deze ondersteuning heeft als doel om bijvoorbeeld praktische vaardigheden te stimuleren die nodig zijn in het dagelijks leven. Maar ook om de eigen regie en <vet>zelfredzaamheid</vet> van de inwoner te vergroten en de inwoner maatschappelijk te laten meedoen. Integrale Ondersteuning bestaat uit Ondersteuning en Persoonlijke Verzorging. De verschillende vormen van Integrale Ondersteuning zijn bedoeld om de <vet>eigen kracht</vet> en mogelijkheden van de inwoner te vergroten. Afhankelijk van de behoefte van de inwoner vindt de ondersteuning individueel of in een groep plaats. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7.3</nr><titel>Vervallen</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7.4</nr><titel>Vervoer in de eigen omgeving </titel></kop><al>[<vet>Wmo</vet><vet>, Jeugdwet</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> kan in aanmerking komen voor een vervoers<vet>voorziening</vet>, als hij door een <vet>beperking</vet> in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het moet gaan om het:</al><lijst><li nr="a."><al>zich verplaatsen rondom de <vet>woning</vet>; of</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen over ten hoogste 20 kilometer van de <vet>woning</vet>. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> wil graag dat <vet>collectief taxivervoer</vet> beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. Zo ja, dan kan de <vet>inwoner</vet> gebruik maken van collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> betaalt een eigen bijdrage van € 60 per jaar, als de inwoner gebruikt maakt van ZOOV voor sociaal-recreatief vervoer. Dit geldt niet voor vervoer naar dagbesteding of werk. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7.5</nr><titel>Rolstoel </titel></kop><al>[<vet>Wmo</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner </vet>die zich niet kan verplaatsen in en om de <vet>woning</vet>, kan in aanmerking komen voor een rolstoel als deze noodzakelijk is voor dagelijks zittend gebruik. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7.6</nr><titel>Sportvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner </vet>die door een <vet>beperking </vet>niet kan sporten zonder een aangepaste sport<vet>voorziening</vet> en niet op een andere wijze op een aanvaardbaar niveau kan participeren, kan eens in de 3 jaar in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming als bijdrage in de aanschaf en het onderhoud van een sport<vet>voorziening</vet>. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze bijdrage wordt één keer per 3 jaar verstrekt en bedraagt maximaal € 3.250. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>3.7.7</nr><titel>Aanpassing of vervanging voorziening</titel></kop><al>Als een vervoermiddel of een rolstoel aangepast of vervangen moet worden, dan doet de <vet>gemeente</vet> dit alleen, als de:</al><lijst><li nr="a."><al>normale afschrijvingstermijn is afgelopen; of</al></li><li nr="b."><al><vet>voorziening</vet> onbruikbaar is geworden en dat niet veroorzaakt is door de <vet>inwoner</vet>; of </al></li><li nr="c."><al><vet>voorziening</vet> geen oplossing meer is voor de <vet>hulpvraag</vet> van de inwoner.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>3.8</nr><titel>Inburgeren</titel></kop><artikel><kop><label/><nr/><titel> 3.8.1 Kernpunten van het inburgeringstraject</titel></kop><al>De <vet>gemeente</vet> heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de <vet>inburgeringsplichtigen</vet>. Hierbij gelden de volgende kernpunten:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat de <vet>inburgeringsplichtige</vet> tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start);</al></li><li nr="b."><al>De <vet>inburgeringsplichtige</vet> rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van 3 jaar af. De <vet>gemeente</vet> let erop dat het traject niet lnger duurt dan nodig is (snelheid);</al></li><li nr="c."><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat iedere <vet>inburgeringsplichtige</vet> een passend traject kan volgen (maatwerk); </al></li><li nr="d."><al>De inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit); </al></li><li nr="e."><al>De <vet>gemeente</vet> stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit). </al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>4</nr><titel>Gezond en veilig opgroeien</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al><vet>Jongeren</vet> moeten zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de <vet>ouders</vet>, de <vet>jongere</vet>n, en van hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op ondersteuning door de <vet>gemeente</vet>. Deze <vet>hulp</vet> wordt zo vroeg mogelijk geboden. Zo kan het beroep op gespecialiseerde <vet>hulp</vet> worden beperkt. Bij het geven van <vet>hulp</vet> staat de <vet>eigen kracht</vet> van <vet>ouders</vet> en <vet>jongere</vet>n voorop. De <vet>hulp</vet> sluit hierbij aan en vergroot het probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving. Met <vet>jongere</vet>n bedoelen we in deze <vet>Verordening</vet> kinderen en tieners tot 18 jaar, en in bepaalde situaties tot 23 jaar. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief><vet>Jongere</vet>n </cursief><cursief>groeien zo ‘thuis’ mogelijk op</cursief>.</al></li><li nr="❖"><al><cursief><cursief>De <vet>hulp</vet> aan <vet>jongere</vet>n is zo dichtbij, zo </cursief></cursief><cursief>licht en zo kort mogelijk.</cursief></al></li></lijst><al>[<vet>Jeugdwet</vet>]</al><al/></artikel><paragraaf><kop><label/><nr/><titel> 4.1 Uitgangspunten bij het bieden van jeugdhulp</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Bij het bieden van <vet>hulp</vet> houdt de <vet>gemeente</vet> rekening met het geloof, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de <vet>jongere</vet> en de <vet>ouders</vet>. </al></li><li nr="2."><al>De <vet>hulp</vet> van de gemeente richt zich op het versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de <vet>jongere</vet>, zijn <vet>ouders</vet> en hun sociale netwerk. </al></li><li nr="3."><al>De gemeente betrekt de voorkeuren van de <vet>jongere</vet> en zijn <vet>ouders</vet> bij de keuze welke <vet>jeugdhulp</vet> wordt ingezet. </al></li><li nr="4."><al>In bepaalde situaties kunnen <vet>ouders</vet> en <vet>jongere</vet>n hun problemen niet op <vet>eigen kracht</vet> of met het sociale netwerk oplossen. Als de <vet>gemeente</vet> deze <vet>jongere</vet>n en hun <vet>ouders</vet> kan ondersteunen met <vet>hulp</vet> die vrij toegankelijk is, dan wordt die <vet>hulp</vet> ingezet. Kan het gewenste <vet>effect</vet> niet bereikt worden met die <vet>hulp</vet>, dan wordt <vet>hulp-op-maat</vet> ingezet. Daar zijn wel enkele voorwaarden aan verbonden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr/><titel> 4.1.2 Eigen kracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet>Jongeren</vet> of <vet>ouders</vet> komen pas in aanmerking voor een individuele <vet>voorziening</vet> als zij zelf aantoonbaar geen oplossing kunnen vinden voor de <vet>hulpvraag</vet> binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>gebruikelijke hulp</vet> van <vet>ouders</vet> en/of andere verzorgers of opvoeders</al></li><li nr="b."><al>bovengebruikelijke <vet>hulp</vet> van <vet>ouders</vet> voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke <vet>hulp</vet> te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke <vet>hulp</vet> geen financiële problemen in het gezin ontstaan</al></li><li nr="c."><al>de ondersteuning vanuit het sociale netwerk</al></li><li nr="d."><al>het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><vet>Gebruikelijke hulp</vet> is <vet>hulp</vet> die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van <vet>ouders</vet> en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige <vet>jongere</vet>n te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de <vet>jongere</vet> een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de <vet>ouders</vet> neemt de andere ouder de <vet>gebruikelijke hulp</vet> over. Dit geldt ook bij gescheiden <vet>ouders</vet>. Er wordt dan ook rekening gehouden met de <vet>gebruikelijke hulp</vet> van de ouder waar de <vet>jongere</vet> niet woont. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om vast te stellen of sprake is van <vet>gebruikelijke hulp</vet> beoordeelt de gemeente of de benodigde <vet>hulp</vet> uitgaat boven de <vet>hulp</vet> die een <vet>jongere</vet> van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. De <vet>gemeente</vet> houdt hierbij rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de leeftijd van de <vet>jongere</vet></al></li><li nr="b."><al>de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een <vet>jongere</vet> van die leeftijd nodig heeft </al></li><li nr="c."><al>de aard en de duur van de <vet>hulp</vet> en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de <vet>jongere</vet></al></li><li nr="d."><al>de mate van planbaarheid van de <vet>hulp</vet></al></li><li nr="e."><al>de behoeften en mogelijkheden van de <vet>jongere</vet> |</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van <vet>gebruikelijke hulp</vet> verstrekt de gemeente geen <vet>hulp-op-maat</vet>. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de <vet>ouders</vet> door (dreigende) overbelasting de <vet>gebruikelijke hulp</vet> niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de <vet>hulp</vet> aan de <vet>jongere</vet>. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Gaat het om <vet>hulp</vet> die de <vet>gebruikelijke hulp</vet> overstijgt, zijn de <vet>ouders</vet> in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke <vet>hulp</vet>. De gemeente beoordeelt dan of van <vet>ouders</vet> verwacht mag worden dat ze deze <vet>hulp</vet> bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. De gemeente maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende <vet>zelfredzaamheid</vet> van de <vet>jongere</vet>. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.</al></li><li nr="-"><al>Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de <vet>jeugdhulp</vet> langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.</al></li></lijst><al>De gemeente verwacht van <vet>ouders</vet> dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke <vet>hulp</vet> bieden, tenzij dit gelet op de aard van de <vet>hulp</vet> niet kan worden verwacht of de <vet>ouders</vet> door (dreigende) overbelasting de <vet>hulp</vet> niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de <vet>hulp</vet> aan de <vet>jongere</vet>. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bij de beoordeling in langdurige situaties maakt de gemeente een afweging rekening houdend met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de duur van de <vet>hulp</vet> en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de <vet>jongere</vet></al></li><li nr="b."><al>de mate van planbaarheid van de <vet>hulp</vet></al></li><li nr="c."><al>het lichamelijk en geestelijk welzijn van de <vet>ouders</vet></al></li><li nr="d."><al>de manier van omgaan van <vet>ouders</vet> met de problemen van de <vet>jongere</vet></al></li><li nr="e."><al>vaardigheden van de <vet>ouders</vet> om zelf <vet>hulp</vet> te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond)</al></li><li nr="f."><al>of er sprake is van problematiek bij de <vet>ouders</vet>, zoals relationele problemen of schulden </al></li><li nr="g."><al>welke verplichtingen de <vet>ouders</vet> hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen</al></li><li nr="h."><al>het belang van <vet>ouders</vet> om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen</al></li><li nr="i."><al>de woonsituatie</al></li><li nr="j."><al>de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet)</al></li><li nr="k."><al>is er een <vet>sociaal netwerk</vet> en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het <vet>sociaal netwerk</vet> om de <vet>jongere</vet> of zijn <vet>ouders</vet> te ondersteunen </al></li><li nr="l."><al>overige individuele omstandigheden die door <vet>jongere</vet> en <vet>ouders</vet> worden ingebracht</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de <vet>hulp</vet> door de <vet>ouders</vet>, bij de beschikbaarheid van de <vet>ouders</vet> voor het verlenen van de <vet>hulp</vet>, bij de belasting van de <vet>ouders</vet> en bij de financiële situatie van de <vet>ouders</vet> wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke <vet>hulp</vet> (eventueel deels) verlenen. De gemeente verstrekt dan geen <vet>hulp-op-maat</vet>.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:</al><lijst><li nr="-"><al>Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de <vet>jongere</vet>.</al></li><li nr="-"><al>Als de overbelasting veroorzaakt wordt door spanningen in het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de <vet>jongere</vet> om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. </al></li><li nr="-"><al>Bij een aanvraag voor een individuele <vet>voorziening</vet> tot <vet>jeugdhulp</vet> bekijkt de <vet>gemeente</vet> wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. </al></li><li nr="-"><al>Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. </al></li><li nr="-"><al>Het verlenen van <vet>hulp</vet> aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. </al></li><li nr="-"><al>Een <vet>pgb</vet> voor het verlenen van <vet>hulp</vet> aan een <vet>jongere</vet> door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van <vet>hulp</vet> overnemen om de overbelasting te stoppen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Als <vet>ouders</vet> een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde <vet>hulp</vet> aan de <vet>jongere</vet> wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. De gemeente verstrekt hiervoor geen <vet>hulp-op-maat</vet>. </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Als de <vet>jongere</vet> en/of de <vet>ouders</vet> een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde <vet>hulp</vet> (deels) vergoedt, wordt van <vet>ouders</vet> verwacht dat zij deze aanspreken. De gemeente verstrekt dan geen <vet>hulp-op-maat</vet> of alleen een aanvullende <vet>voorziening</vet> voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr/><titel> 4.1.3 Meewerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder(s) en/of <vet>jongere</vet> zijn verplicht om, binnen hun mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op de doelmatige inzet van <vet>jeugdhulp</vet>. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de ouder(s) en/of <vet>jongere</vet> naar het oordeel van de gemeente niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde ondersteuning niet worden vastgesteld en kan door de gemeente worden besloten geen <vet>hulp-op-maat</vet> te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of eerder toegekende <vet>hulp-op-maat</vet> in te trekken.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>4.2</nr><titel>Vrij toegankelijke hulp</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> zet zich ervoor in dat <vet>jongeren</vet> zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken biedt de gemeente <vet>hulp</vet> aan die vrij toegankelijk is. De <vet>inwoner</vet> kan van die <vet>hulp</vet> gebruik maken, zonder besluit van de gemeente. Ook heeft de inwoner geen verwijzing nodig van een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts. </al></li><li nr="2."><al>De gemeente zorgt ervoor dat signalen over opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk worden opgevangen, en dat daarbij ook zo vroeg mogelijk <vet>hulp</vet> wordt geboden. </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>4.3</nr><titel>Individuele voorzieningen (Hulp-op-maat)</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Als vrij toegankelijke <vet>hulp</vet> niet voldoende is, kan de <vet>gemeente hulp-op-maat</vet> aanbieden. Deze <vet>hulp</vet> is niet vrij toegankelijk. De <vet>inwoner</vet> heeft daarvoor een besluit van de <vet>gemeente</vet> nodig of een verwijzing door een jeugdarts, een huisarts, een medisch specialist, of een Gecertificeerde <vet>Instelling</vet>. Artikel 2.3.2 is van toepassing op een besluit van de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>De gemeente kan in ieder geval de volgende <vet>voorzieningen</vet> aanbieden, als het nodig is:</al><lijst><li nr="a."><al>ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien; </al></li><li nr="b."><al>een plek in een pleeggezin, gezinshuis of verblijf in een instelling, als thuis wonen (tijdelijk) niet mogelijk is;</al></li><li nr="c."><al>specialistische <vet>jeugdhulp</vet>, zoals behandeling bij een instelling voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ);</al></li><li nr="d."><al>persoonlijke verzorging;</al></li><li nr="e."><al>een logeerplek, om tijdelijk een <vet>jongere</vet> of het gezin te ontlasten;</al></li><li nr="f."><al>crisis<vet>hulp</vet>; of</al></li><li nr="g."><al><vet>hulp</vet> bij ernstige dyslexie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt voor de inzet van <vet>jeugdhulp</vet> die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig vindt om een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclasseringsmaatregel te kunnen uitvoeren.</al></li><li nr="4."><al>De <vet>inwoner</vet> kan gebruik maken van Veilig Thuis. Dit advies- en meldpunt biedt 24 uur per dag 7 dagen per week advies en ondersteuning aan iedereen die direct of indirect is betrokken bij huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Het advies-en meldpunt is te bereiken via telefoonnummer 0800-2000 (gratis) of via <extref doc="http://www.veiligthuis.nl"><onderstreept>www.veiligthuis.nl</onderstreept></extref>.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr/><titel> 4.3.1 Vaktherapie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:</al><lijst><li nr="a."><al>Beeldende therapie; </al></li><li nr="b."><al>Danstherapie;</al></li><li nr="c."><al>Dramatherapie; </al></li><li nr="d."><al>Muziektherapie; </al></li><li nr="e."><al>Psychomotorische therapie; </al></li><li nr="f."><al>Speltherapie </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de NVAO geaccrediteerde opleiding, een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de <vet>wet</vet> als naar het oordeel van de <vet>gemeente</vet> sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de <vet>hulp-op-maat</vet> en als er geen alternatief beschikbaar is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Vaktherapie kan alleen worden ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Afhankelijk van de zorginstelling en de aard van de behandeling, kan een regiebehandelaar een psychiater, klinisch psycholoog, GZ-psycholoog, psychotherapeut, of een andere BIG-geregistreerde zorgverlener zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het maximaal aan uren behandeling dat vergoed wordt door de gemeente is twintig. Als <vet>ouders</vet> aanvullend verzekerd zijn, dan moet het maximaal aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van het maximale aantal uren dat voor deze behandeling kan worden geïndiceerd.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>4.4</nr><titel>Overgang van 18- naar 18+</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat <vet>jongeren</vet> die <vet>jeugdhulp</vet> krijgen, ondersteund blijven als ze 18 jaar worden, en die ondersteuning nodig blijft. Als de <vet>jongere</vet> begeleiding naar scholing of werk nodig heeft, dan kan de <vet>jongere</vet> gebruik maken van de diensten van JouwUnit van <vet>Fijnder</vet>. </al></li><li nr="2."><al><vet>Jeugdhulp</vet> kan in bepaalde gevallen worden verlengd. Dit kan maximaal tot de dag dat de <vet>jongere</vet> 23 jaar wordt. Er is een aantal voorwaarden voor verlengde <vet>jeugdhulp</vet>. Deze <vet>hulp</vet> kan alleen worden ingezet als deze <vet>hulp</vet> vanaf 18 jaar niet onder een andere <vet>wet</vet> valt en:</al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>jongere</vet> al voor zijn 18e levensjaar <vet>jeugdhulp</vet> kreeg en de gemeente voortzetting noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>na beëindiging van de <vet>jeugdhulp</vet> (die was begonnen voor het 18e levensjaar) binnen een half jaar de gemeente vaststelt dat hervatting van de <vet>jeugdhulp</vet> noodzakelijk is;</al></li><li nr="c."><al>voor de leeftijd van 18 jaar is bepaald dat <vet>jeugdhulp</vet> noodzakelijk is;</al></li><li nr="d."><al>de <vet>jeugdhulp</vet> wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Pleegzorg wordt ingezet tot de dag dat de <vet>jongere</vet> 21 jaar wordt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de pleegzorg was begonnen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar; of</al></li><li nr="b."><al>de pleegzorg die was begonnen vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar binnen een termijn van een half jaar na beëindiging wordt hervat. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>De pleegzorg is na 18 jaar vrijwillig en stopt wanneer de <vet>jongere</vet> heeft aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. </al></li><li nr="4."><al>Verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de <vet>jongere</vet> 21 jaar wordt, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>jongere</vet> dat zelf niet wil;</al></li><li nr="b."><al>en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen;</al></li><li nr="c."><al>en/of voor alle partijen (inclusief de <vet>jongere</vet>) duidelijk is dat de <vet>jongere</vet> andere passende <vet>hulp</vet> nodig heeft en die hulp ook beschikbaar is;</al></li><li nr="d."><al>en/of de <vet>jongere</vet> voldoet aan de criteria van de Wlz. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>Als voorwaarde wordt gesteld dat in overleg tussen gemeente, <vet>jongere</vet>, gezinshuisouder(s) en indien betrokken, de behandelverantwoordelijke, een perspectief voor de toekomst is vastgesteld. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>4.5</nr><titel>Afstemming met andere vormen van hulp</titel></kop><structuurtekst><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat de <vet>hulp</vet> aansluit bij andere vormen van <vet>hulp</vet> die aan de <vet>jongere</vet> of zijn <vet>ouders</vet> wordt gegeven. Om dat te bereiken kan de gemeente afspraken maken met hulpverleners, <vet>instellingen</vet>, onderwijs, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken kunnen onder andere gaan over:</al><lijst><li nr="•"><al>procedures die gelden bij doorverwijzing naar <vet>hulp</vet>;</al></li><li nr="•"><al>communicatie met andere organisaties;</al></li><li nr="•"><al>afbakening van taken en verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="•"><al>een goede aansluiting tussen vrij toegankelijke <vet>hulp</vet> en <vet>hulp-op-maat</vet>.</al></li></lijst><al>De afspraken kunnen worden vastgelegd in een plan of in een andere geschikte vorm.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>5</nr><titel>Wonen in een veilige en gezonde omgeving</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al><vet>Inwoners</vet> met een <vet>beperking</vet> kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun <vet>woning</vet> of bij het voeren van het huishouden. Als inwoners zulke problemen niet zelf kunnen oplossen, kan de <vet>gemeente</vet> hen helpen. Welke <vet>hulp</vet> dat kan zijn, wordt in dit hoofdstuk uitgelegd. De gemeente kan ook helpen, als inwoners met een beperking niet goed voor zichzelf kunnen zorgen, en als inwoners opvang of <vet>hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen nodig hebben. Ten slotte speelt de gemeente een rol bij het ondersteunen van <vet>mantelzorgers</vet>. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de <vet>hulp</vet> die de gemeente op grond van de <vet>Wmo</vet> aan al deze inwoners kan geven. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarde</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>Inwoners kunnen zo lang mogelijk veilig en gezond wonen en leven in hun eigen omgeving.</cursief></al></li></lijst><al>[<vet>Wmo</vet>]</al><al/></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>5.1</nr><titel>Uitgangspunten </titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Het is belangrijk dat <vet>inwoners</vet> zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen, de <vet>normale dagelijkse activiteiten</vet> kunnen doen en een huishouden kunnen voeren. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf. Het kan zijn dat een inwoner <vet>hulp</vet> nodig heeft, vanwege een <vet>beperking</vet> of door een langdurig psychisch of een psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de <vet>gemeente hulp</vet> vragen als hij zelf geen oplossing kan vinden voor zijn problemen. De <vet>hulp</vet> kan verschillende vormen hebben. Gaat het om <vet>hulp-op-maat</vet>, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. en artikel 2.2.2.1. De <vet>hulp</vet> moet daarnaast langdurig nodig zijn, tenzij het gaat om <vet>hulp</vet> bij huishouden (huishoudelijke ondersteuning). Als de inwoner <vet>hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen of opvang nodig heeft, dan moet de <vet>hulp</vet> van de gemeente eraan bijdragen dat de inwoner zichzelf zo snel mogelijk weer kan redden in de samenleving. Inwoners worden zoveel mogelijk thuis en in hun eigen wijk geholpen.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente geeft alleen <vet>hulp-op-maat</vet>, als dat nodig en passend is. De inwoner kan daarom in elk geval geen <vet>hulp</vet> krijgen, als: </al><lijst><li nr="a."><al>de inwoner zijn problemen zelf of met behulp van zijn omgeving kan oplossen of verminderen door zijn dagelijks leven anders te organiseren, bijvoorbeeld bij de huishoudelijke taken;</al></li><li nr="b."><al>het gaat om vervanging van een <vet>voorziening</vet> die door de gemeente is verstrekt, en de normale afschrijvingstermijn is nog niet verstreken. Een vervangende <vet>voorziening</vet> is wel mogelijk, als: </al><lijst><li nr="-"><al>de eerder afgegeven <vet>voorziening</vet> onbruikbaar is geworden, en dat komt niet door toedoen van de inwoner, of </al></li><li nr="-"><al>de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten. </al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de <vet>voorziening</vet> niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met de aard, omvang en ontwikkeling van zijn beperkingen.</al></li></lijst></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>5.2</nr><titel>Zelfstandig en veilig wonen</titel></kop><structuurtekst><al>Voor de <vet>inwoner</vet> die voldoet aan de voorwaarden uit artikel 5.1 zijn in bepaalde gevallen de volgende <vet>voorzieningen</vet> beschikbaar.</al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>5.2.1</nr><titel>Geschikte woning (woonvoorziening)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> met een <vet>beperking</vet> kan in aanmerking komen voor een verbouwing of een hulpmiddel om de <vet>woning</vet> goed te kunnen gebruiken, als:</al><lijst><li nr="a."><al>het normale gebruik van de <vet>woning</vet> niet mogelijk is door de beperking van de inwoner; en</al></li><li nr="b."><al>verhuizing naar een geschikte <vet>woning</vet> niet mogelijk is of duurder is dan de verbouwing of het hulpmiddel.</al></li></lijst><al>De <vet>woning</vet> wordt voor de inwoner bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als verhuizing voorgaat, dan kan de inwoner in aanmerking komen voor een geldbedrag voor de verhuizing en inrichting van een geschikte <vet>woning</vet>. Deze tegemoetkoming in de verhuiskosten is € 2.500.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de inwoner zijn hoofdverblijf in een <vet>Wlz</vet><vet>-instelling</vet> heeft, kan één woning bezoekbaar worden gemaakt voor maximaal € 2.500.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inwoner kan geen woon<vet>voorziening</vet> krijgen in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De belemmeringen die de <vet>inwoner </vet>in de <vet>woning </vet>ervaart, zijn het gevolg van de materialen die in de <vet>woning </vet>zijn gebruikt; </al></li><li nr="b."><al>De woon<vet>voorziening</vet> is bedoeld voor aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex;</al></li><li nr="c."><al>Het gaat om <vet>voorzieningen</vet> die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden; </al></li><li nr="d."><al>De <vet>inwoner</vet> is verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de <vet>woning</vet> en er was geen belangrijke reden voor de verhuizing;</al></li><li nr="e."><al>De <vet>inwoner</vet> is verhuisd naar een <vet>woning</vet> die niet de meest geschikte woning is om de beperkingen van de <vet>inwoner</vet> te verminderen of weg te nemen, tenzij de <vet>gemeente</vet> daar toestemming voor heeft gegeven;</al></li><li nr="f."><al>De belemmeringen die de <vet>inwoner</vet> ervaart, zijn het gevolg van de bouwkundige of woon-technische staat van de <vet>woning</vet>. Daaronder valt ook de toegankelijkheid van de woning;</al></li><li nr="g."><al>De noodzaak voor een woon<vet>voorziening</vet> is het gevolg van achterstallig onderhoud aan de <vet>woning</vet>;</al></li><li nr="h."><al>De gevraagde <vet>voorziening</vet> is alleen maar gericht op renovatie of aanpassing aan de eisen van de tijd;</al></li><li nr="i."><al>De gevraagde <vet>voorziening</vet> is niet grotendeels op de inwoner gericht; </al></li><li nr="j."><al>De <vet>inwoner</vet> heeft zijn hoofdverblijf niet of zal zijn hoofdverblijf niet hebben in de <vet>woning</vet> waarvoor de woon<vet>voorziening</vet> wordt gevraagd;</al></li><li nr="k."><al>De <vet>inwoner</vet> woont in een woonruimte die niet geschikt is voor permanente bewoning zoals hotels/pensions, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, ADLclusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;</al></li><li nr="l."><al>Als de <vet>inwoner </vet>een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz;</al></li><li nr="m."><al>Voorzover het <vet>voorziening</vet>en in woongebouwen betreft die specifiek gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De eigenaar-inwoner die een woningaanpassing heeft ontvangen wordt gevraagd om dit bij verkoop van de woning zo snel mogelijk te melden aan de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>5.2.2</nr><titel>Een schone en leefbare woning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> met een <vet>beperking</vet> die zijn <vet>woning</vet> niet schoon en leefbaar kan houden, kan in aanmerking komen voor <vet>hulp</vet> bij het huishouden (huishoudelijke ondersteuning). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige <vet>kinderen</vet> zijn, dan kan de <vet>hulp</vet> ook bestaan uit het voor een korte periode overnemen van de <vet>hulp</vet> die kinderen normaal gesproken moeten bieden (<vet>gebruikelijke hulp</vet>). Deze <vet>hulp</vet> is vooral bedoeld om de periode tot er andere <vet>hulp</vet> is te overbruggen, of totdat de kinderen in staat zijn de <vet>gebruikelijke hulp</vet> (weer) te leveren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>hulp</vet> bij het huishouden (huishoudelijke ondersteuning) zorgt voor het schoonmaken van het huis. Op basis van maatwerk kan de <vet>gemeente</vet> besluiten dat de schoonmaakhulp meer doet, zoals het klaarzetten van maaltijden of het helpen bij de was. Als het nodig is, ondersteunt die <vet>hulp</vet> ook bij het organiseren van het huishouden. Dat kan advies, instructie of voorlichting zijn. Dat helpt de inwoner om het huishouden zelfstandig uit te voeren.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>5.3</nr><titel>Hulp bij het (zelfstandig) wonen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>inwoner</vet> kan in aanmerking komen voor <vet>hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen, als de inwoner psychische en/ of psychosociale problemen heeft. Het gaat niet om problematiek die voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarin de <vet>gemeente</vet> nog geen noodzaak voor <vet>hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen kan vaststellen. Daarvoor is de <vet>voorziening</vet> maatschappelijke opvang beschikbaar (zie artikel 5.4). </al></li><li nr="2."><al>De inwoner kan in aanmerking komen voor <vet>hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen, als andere vormen van <vet>hulp-op-maat</vet> onvoldoende passend zijn.</al></li><li nr="3."><al><vet>Hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen kent verschillende vormen: Beschermd Thuis, Beschut Wonen en Beschermd Wonen. Beschermd Thuis biedt de inwoner die zelfstandig woont de mogelijkheid om 24 uur per dag <vet>hulp</vet> op afroep in te schakelen. Beschut en Beschermd Wonen biedt de inwoner een beschermde woonomgeving in een woonvorm met begeleiding en mogelijkheid tot 24-uurs toezicht. Afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek kan onder een beschermde woonomgeving ook een <vet>woning</vet> worden verstaan waarbij begeleiding en toezicht in de directe nabijheid wordt geboden.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>5.4</nr><titel>Maatschappelijke opvang</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>inwoner</vet> kan in aanmerking komen voor tijdelijke (maatschappelijke) opvang, als: </al><lijst><li nr="a."><al>de inwoner dakloos is en opvang nodig heeft, omdat hij zich niet op <vet>eigen kracht</vet> kan redden in de samenleving. Dat komt door psychische of psychosociale problemen; of </al></li><li nr="b."><al>er sprake is van huiselijk geweld. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De opvang is erop gericht, dat de inwoner zich weer kan redden in de samenleving. De opvang wordt pas aangeboden, als <vet>andere voorzieningen</vet> niet geschikt zijn om dat doel te bereiken.</al></li><li nr="3."><al>Voor inwoners die maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende <vet>Verordening</vet> van de <vet>gemeente</vet> Doetinchem, en de daarop gebaseerde regels. </al></li></lijst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>5.5</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Inwoner</vet>s die ziek zijn of een <vet>beperking</vet> hebben, worden vaak geholpen door familieleden, vrienden of kennissen. Deze <vet>hulp</vet> wordt mantelzorg genoemd als de <vet>hulp</vet> langdurig en onbetaald wordt gegeven en verder gaat dan wat gebruikelijk is tussen mensen. Degene die deze <vet>hulp</vet> geeft is de <vet>mantelzorger</vet>. Mantelzorg is maatschappelijk van groot belang voor een leefbare samenleving en sociale samenhang. De <vet>gemeente</vet> wil zorgen voor huidige en toekomstige mantelzorgers in Berkelland en hen passende ondersteuning bieden. </al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>5.5.1</nr><titel>Ondersteuning mantelzorger</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> die <vet>mantelzorg</vet> ontvangt kan in aanmerking komen voor respijtzorg als deze niet vanuit een <vet>voorliggende voorziening</vet> of andere wetgeving wordt verstrekt. Respijtzorg is het logeren in een accommodatie van een instelling of in een logeergezin. Respijtzorg heeft als doel het tijdelijk ontlasten van de mantelzorger of diens omgeving, of om ontsporing van de situatie te voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De mantelzorger kan voor (specialistische) vragen op het gebied van mantelzorg terecht bij de aandachtsfunctionaris mantelzorg van het <vet>Voormekaarteam</vet>. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De jonge mantelzorger kan voor (specialistische) vragen op het gebied van mantelzorg terecht bij de aandachtsfunctionaris mantelzorg van het Voormekaarteam of bij de jeugd-<vet>jongerenwerker</vet> van de Jimmy’s. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan naast bovengenoemde vormen van ondersteuning besluiten ook andere vormen van ondersteuning te bieden aan mantelzorgers en zal deze vormen van ondersteuning vastleggen in een Mantelzorgregeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>5.5.2</nr><titel>Mantelzorgwaardering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> waardeert de inzet van <vet>mantelzorgers</vet>. De mantelzorger kan jaarlijks éénmalig een mantelzorgwaardering aanvragen. De mantelzorgwaardering bedraagt minimaal € 50,00. De gemeente stelt in het Financieel Besluit de hoogte van de mantelzorgwaardering vast. De mantelzorgwaardering is bedoeld voor de mantelzorger(s) van de inwoner (zorgvrager) die in de gemeente Berkelland woont.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een inwoner die <vet>mantelzorger</vet> is kan jaarlijks deelnemen aan een mantelzorgverwendag. Dit is een dag rondom de Dag van de Mantelzorg om mantelzorgers te waarderen en in het zonnetje te zetten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan nadere regels stellen over de mantelzorgwaardering.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>5.5.3</nr><titel>Mantelzorgwoning</titel></kop><al>De <vet>gemeente</vet> kan <vet>inwoners</vet> die een mantelzorgwoning willen realiseren, ondersteunen. Een mantelzorgwoning is tijdelijke woonruimte op het erf van een inwoner, die is bedoeld om goede mantelzorg mogelijk te maken. De mantelzorgwoning kan bewoond worden door de <vet>mantelzorger</vet> of door de inwoner die mantelzorg ontvangt. De ondersteuning van Voormekaar houdt in dat beoordeeld wordt of er sprake is van een mantelzorgsituatie waardoor een inwoner in aanmerking komt voor het vergunningsvrij plaatsen van een mantelzorgwoning. Voor vragen over de regels voor het realiseren van een mantelzorgwoning of woonunit kan een <vet>inwoner</vet> terecht bij het team Dienstverlening Omgeving.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>6</nr><titel>Vervoer naar school (leerlingenvervoer)</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Ieder <vet>kind</vet> heeft recht op passend onderwijs dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de <vet>ouders</vet>. Soms is de afstand van huis naar <vet>school</vet> groot voor het kind of kan het kind vanwege zijn <vet>beperking</vet> niet zelfstandig naar <vet>school</vet> reizen. <vet>Ouders</vet> kunnen dan in bepaalde gevallen een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de <vet>gemeente ouders</vet> ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar <vet>school</vet>. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarde</vet>: </al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>Kinderen moeten veilig kunnen reizen <cursief>naar de <vet>school</vet> die </cursief></cursief><cursief>aansluit bij hun mogelijkheden, levensovertuiging en godsdienst.</cursief></al></li></lijst><al>[<vet>Llv</vet>]</al><al/></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>6.1</nr><titel>Uitgangspunten</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al><vet>Ouders </vet>zijn er zelf verantwoordelijk voor dat hun <vet>kinderen </vet>naar <vet>school </vet>gaan. <vet>Ouders </vet>kunnen bij de <vet>gemeente </vet>een <vet>aanvraag </vet>doen voor <vet>hulp </vet>bij het vervoer van hun kind van de <vet>woning </vet>naar <vet>school</vet>. </al></li><li nr="2."><al>De <vet>hulp </vet>van de gemeente heet een vervoers<vet>voorziening</vet>. Het kan gaan om een <vet>vergoeding </vet>voor reiskosten of om <vet>aangepast vervoer </vet>dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het kan zijn dat <vet>ouders </vet>van kinderen op de <vet>basisschool </vet>een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage en wordt geregeld in artikel 6.4.1 van dit hoofdstuk. </al></li><li nr="3."><al>Als <vet>ouders </vet>een vervoers<vet>voorziening</vet> krijgen en het kind wordt meerderjarig, dan wordt de vervoers<vet>voorziening</vet> niet langer aan de <vet>ouders </vet>verstrekt. Het kind kan dan zelf in aanmerking komen voor een vervoers<vet>voorziening</vet>, als hij aan de voorwaarden voldoet. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>6.2</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> onderzoekt of <vet>ouders</vet> in aanmerking komen voor een vervoers<vet>voorziening</vet>. Als dat zo is gaat de gemeente na welke <vet>voorziening</vet> er nodig is. Bij nieuwe aanvragen, bij nieuw onderwijs en bij 9-jarigen en ouder kan het gesprek over zelfstandigheid worden gevoerd. De gemeente onderzoekt dan met welk vervoermiddel het <vet>kind</vet> kan reizen en welke route naar <vet>school</vet> de kortste veilige route voor het kind is. Ook gaat de gemeente na of er begeleiding nodig is bij het reizen. </al></li><li nr="2."><al>Voor het bepalen van de route naar <vet>school</vet> maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de kortste afstand is van de <vet>woning</vet> van het kind naar <vet>school</vet>. </al></li><li nr="3."><al>Gaat het kind naar de <vet>basisschool</vet>, dan onderzoekt de gemeente hoe hoog het <vet>inkomen</vet> van de <vet>ouders</vet> is. Dat is nodig om te bepalen of <vet>ouders</vet> een eigen bijdrage moeten betalen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>6.3</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> verstrekt een vervoers<vet>voorziening</vet> aan <vet>ouders</vet> voor hun <vet>kind</vet> dat in de <vet>gemeente</vet> Berkelland verblijft, en: </al><lijst><li nr="a."><al>minimaal 4 jaar oud is, of minimaal 3 jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat <vet>speciaal onderwijs</vet> volgt; en</al></li><li nr="b."><al>naar de <vet>basisschool</vet> of een speciale <vet>school</vet> voor <vet>basisonderwijs</vet> gaat, of <vet>speciaal onderwijs</vet> of <vet>voortgezet onderwijs</vet> volgt; en </al></li><li nr="c."><al>vanwege een langdurige <vet>beperking</vet> niet zelfstandig met het <vet>openbaar vervoer</vet> (OV) of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of <vet>aangepast vervoer</vet> nodig heeft. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De <vet>gemeente</vet> verstrekt ook een vervoers<vet>voorziening</vet> aan <vet>ouders</vet>, voor hun kind dat in de gemeente Berkelland verblijft, en:</al><lijst><li nr="a."><al>minimaal 4 jaar oud is; en</al></li><li nr="b."><al>naar de <vet>basisschool</vet> of een speciale <vet>school</vet> voor basisonderwijs gaat of speciaal onderwijs volgt (niet <vet>voortgezet onderwijs</vet>); en</al></li><li nr="c."><al>de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke <vet>school</vet>, meer dan 4 kilometer van de <vet>woning</vet> van het kind afligt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De <vet>gemeente</vet> verstrekt ook een vervoers<vet>voorziening</vet> aan <vet>ouders</vet>, voor hun kind dat in de <vet>gemeente</vet> Berkelland verblijft, als het kind vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte naar een <vet>school</vet> op een grotere afstand gaat dan de dichtstbijzijnde toegankelijke <vet>school</vet>, en: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>ouders</vet> overtuigend hebben aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van hun kind; </al></li><li nr="b."><al><vet>ouders</vet> overtuigend hebben aangetoond dat de dichtstbijzijnde, toegankelijke <vet>school</vet> niet het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod biedt; en</al></li><li nr="c."><al>met het samenwerkingsverband primair- of voortgezet onderwijs zijn afspraken gemaakt over de deskundige en er is overleg gevoerd over het aanbod van onderwijs bij de dichtstbijzijnde, toegankelijke <vet>school</vet>. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De gemeente kan ook een vervoers<vet>voorziening</vet> aan <vet>ouders</vet> verstrekken, voor hun kind dat in de gemeente Berkelland verblijft, en:</al><lijst><li nr="a."><al>voortgezet speciaal onderwijs volgt; en</al></li><li nr="b."><al>zelfstandig van het OV of de fiets gebruik kan maken; en</al></li><li nr="c."><al>de dichtstbijzijnde toegankelijke <vet>school</vet> meer dan 4 kilometer van de <vet>woning</vet> van het kind afligt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Met toegankelijke <vet>school</vet> wordt in dit hoofdstuk bedoeld:</al><lijst><li nr="a."><al>een <vet>school</vet> die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke situatie; en </al></li><li nr="b."><al>van de gewenste levensbeschouwelijke of godsdienstige <vet>richting</vet> is, of het openbaar onderwijs; en</al></li><li nr="c."><al>waar plaats is voor het kind. </al></li></lijst></li><li nr="6."><al><vet>Ouders</vet> krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind.</al></li><li nr="7."><al>De gemeente verstrekt aan <vet>ouders</vet> een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar <vet>school</vet> en de <vet>ouders</vet> voor dit kind een vervoers<vet>voorziening</vet> krijgen. De <vet>ouders</vet> moeten wel overtuigend hebben aangetoond, dat het kind niet zonder begeleiding met het OV of de fiets kan reizen. </al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>6.3.1</nr><titel>Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> verstrekt <vet>ouders</vet> van een <vet>kind</vet> dat <vet>speciaal onderwijs</vet> volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoers<vet>voorziening</vet> voor: </al><lijst><li nr="a."><al>het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de <vet>woning</vet> van de <vet>ouders</vet> en terug, behalve als de weekenden vallen in een <vet>school</vet>vakantie;</al></li><li nr="b."><al>het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de <vet>woning</vet> van de <vet>ouders</vet> en terug, eenmaal per <vet>school</vet>vakantie van 2 dagen of meer. De <vet>school</vet>vakantie moet in de <vet>school</vet>gids van de <vet>school</vet> worden genoemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>6.4</nr><titel>Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> bepaalt de vervoers<vet>voorziening</vet> aan de hand van de afstand tussen de <vet>woning</vet> of de <vet>opstapplaats</vet> en de dichtstbijzijnde toegankelijke <vet>school</vet>. </al></li><li nr="2."><al>Gaat het om een speciale <vet>school</vet> voor <vet>basisonderwijs</vet>, dan wordt de vervoers<vet>voorziening</vet> vastgesteld over de afstand tussen de <vet>woning</vet> van het <vet>kind</vet> en </al><lijst><li nr="a."><al>de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale <vet>school</vet> voor basisonderwijs in het <vet>samenwerkingsverband</vet> van de <vet>school</vet> waar het kind vandaan komt, of </al></li><li nr="b."><al>een andere speciale <vet>school</vet> voor basisonderwijs in dat samenwerkingsverband, als het vervoer naar die <vet>school</vet> voor de gemeente minder zou kosten dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde speciale <vet>school</vet> voor basisonderwijs. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als aan de voorwaarden is voldaan, stemt de gemeente de vervoers<vet>voorziening</vet> af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar <vet>school</vet> kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan krijgen de <vet>ouders</vet> een <vet>vergoeding</vet> voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar <vet>school</vet>, ook niet met begeleiding, dan kunnen de <vet>ouders</vet> een vergoeding krijgen voor het OV. Als <vet>ouders</vet> in aanmerking komen voor <vet>aangepast vervoer</vet>, dan kunnen <vet>ouders</vet> daarvan gebruikmaken voor het vervoer van hun kind. <vet>Ouders</vet> kunnen het kind ook zelf vervoeren, als de gemeente toestemming geeft. Gaat het kind naar de <vet>basisschool</vet>, dan betalen de <vet>ouders</vet> de reiskosten soms zelf (zie artikel 6.4.1). </al></li><li nr="4."><al><vet>Ouders</vet> komen in aanmerking voor aangepast vervoer, in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>het kind is met het OV meer dan anderhalf uur onderweg en de <vet>reistijd</vet> met aangepast vervoer kan teruggebracht worden tot 50% van de reistijd met het OV;</al></li><li nr="b."><al>OV naar <vet>school</vet> ontbreekt en het kind kan niet met de fiets naar <vet>school</vet> (ook niet met begeleiding);</al></li><li nr="c."><al>het kind kan niet begeleid worden door de <vet>ouders </vet>of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk;</al></li><li nr="d."><al>het kind heeft langdurige <vet>beperkingen </vet>waardoor hij niet met het OV kan reizen (ook niet met begeleiding);</al></li><li nr="e."><al>het kind is op 1 augustus van het lopende <vet>school</vet>jaar (de peildatum) jonger dan 9 jaar.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van één begeleider. </al></li><li nr="6."><al>Bestaat de vervoers<vet>voorziening</vet> uit een vergoeding voor de reiskosten, dan is de hoogte van die vergoeding afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke <vet>school</vet>. De reisafstand wordt bepaald via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. Als <vet>ouders</vet> recht hebben op een vervoers<vet>voorziening</vet> op basis van het OV, dan is de vergoeding gebaseerd op de kosten van het OV.</al></li><li nr="7."><al>De gemeente houdt bij het vaststellen van de vervoers<vet>voorziening</vet> rekening met andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten die <vet>ouders</vet> voor het kind ontvangen. Die andere vergoedingen trekt de gemeente af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag (de eigen bijdrage) bij de <vet>ouders</vet> in rekening. </al></li><li nr="8."><al>De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een <vet>eigen vervoermiddel</vet> wordt berekend op basis van een kilometervergoeding van € 0,23 per afgelegde kilometer.</al></li><li nr="9."><al>Als <vet>ouders</vet> meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente éénmaal de kilometervergoeding van € 0,23 euro per afgelegde kilometer.</al></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>6.4.1</nr><titel>Bijzondere regeling vervoer naar basisschool</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Is de reisafstand naar de dichtstbijzijnde toegankelijke (speciale) <vet>basisschool</vet> meer dan 20 kilometer, dan betalen <vet>ouders</vet> de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de <vet>gemeente</vet> zorgt voor <vet>aangepast vervoer</vet>, dan betalen de <vet>ouders</vet> de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het <vet>kind</vet> op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de <vet>vergoeding</vet> die de <vet>ouders</vet> van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per gezin per <vet>school</vet>jaar berekend en hangt af van het <vet>inkomen</vet> van de <vet>ouders</vet> in het <vet>peiljaar</vet>:</al><al/><table frame="all"><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al><cursief><vet>Inkomen</vet> in euro's (<vet>school</vet>jaar 2024-2025)</cursief></al></entry><entry><al><cursief><cursief>Eigen bijdrage in euro’s (<vet>school</vet>jaar 2024-2025)</cursief></cursief></al></entry></row><row><entry><al>€ 0- € 39.500</al></entry><entry><al>Nihil</al></entry></row><row><entry><al>€ 39.500- € 46.500</al></entry><entry><al>€ 185</al></entry></row><row><entry><al>€ 46.500- € 54.000</al></entry><entry><al>€ 815</al></entry></row><row><entry><al>€ 54.000- € 60.500</al></entry><entry><al>€ 1.510</al></entry></row><row><entry><al>€ 60.500- € 69.500</al></entry><entry><al>€ 2.215</al></entry></row><row><entry><al>€ 69.500- € 76.000</al></entry><entry><al>€ 2.970</al></entry></row><row><entry><al>€ 76.100 en verder</al></entry><entry><al>Voor elke extra € 5.000: € 710 erbij</al></entry></row></tbody></tgroup></table></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente stopt de vervoers<vet>voorziening</vet> als <vet>ouders</vet> de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede lid, en van de eigen bijdragen in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de Vereniging Nederlandse gemeenten (VNG) aan de gemeente doorgeeft. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor <vet>ouders</vet> van kinderen die vanwege langdurige <vet>beperkingen</vet> niet zelfstandig met het OV kunnen reizen geldt de regeling in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage. </al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>6.5</nr><titel>Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening</titel></kop><structuurtekst><al>Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de <vet>ouders </vet>aangeven. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de <vet>gemeente </vet>de <vet>aanvraag </vet>heeft ontvangen. Voor <vet>aangepast vervoer </vet>geldt dat de vervoers<vet>voorziening</vet> zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat.</al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>7</nr><titel>Inkomen en schulden</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Voor <vet>inwoners</vet> die te weinig <vet>inkomen</vet> hebben om de dagelijkse kosten te kunnen betalen heeft de <vet>gemeente</vet> een financieel vangnet: een maandelijkse <vet>bijstandsuitkering</vet>. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag <vet>inkomen</vet> extra te ondersteunen heeft de gemeente een aantal aanvullende <vet>uitkeringen</vet> en toeslagen beschikbaar. In dit hoofdstuk staan de aanvullingen. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de <vet>hulp</vet> die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.</al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>Schulden worden snel <cursief>gesignaleerd, <vet>hulp</vet> wordt </cursief></cursief><cursief>snel ingezet.</cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente biedt in een vroeg <cursief>stadium <vet>hulp</vet> bij </cursief></cursief><cursief>(dreigende) schulden.</cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>Voorkomen is beter dan genezen.</cursief></al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>7.1</nr><titel>Armoedebeleid</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><al>De gemeente heeft als taak om armoede en schulden tegen te gaan. In deze paragraaf staat waar de <vet>gemeente</vet> rekening mee houdt bij het uitvoeren van die taak. </al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>7.1.1</nr><titel>Wat wil de gemeente?</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> vindt het belangrijk dat <vet>inwoners</vet> met een laag <vet>inkomen</vet> en zonder <vet>financiële buffer</vet> hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de <vet>Participatiewet</vet>. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner in principe geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen. Voor bijzondere bijstand kan de gemeente andere vermogensgrenzen vaststellen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben <vet>hulp</vet> aan. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente zorgt ervoor, dat <vet>voorzieningen</vet> op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.2</nr><titel>Bijzondere bijstand </titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW</vet>]</al><al>Bijzondere bijstand is een belangrijke <vet>voorziening </vet>van de <vet>gemeente </vet>om <vet>inwoner</vet>s financieel te helpen, als zij bepaalde onverwachte kosten niet kunnen betalen. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente over bijzondere bijstand.</al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>7.2.1</nr><titel>Vangnet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor <vet>inwoners</vet> met een laag <vet>inkomen</vet> en zonder <vet>financiële buffer</vet>, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte kosten die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald door bijzondere omstandigheden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de gemeente een <vet>aanvraag</vet> voor bijzondere bijstand beoordeelt, dan betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid daarbij. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe hoog de bijstand dan is.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.3</nr><titel>Studietoeslag </titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW</vet>]</al><al>Studenten met een <vet>beperking</vet> hebben soms extra <vet>hulp</vet> nodig om een opleiding te volgen. Met een studietoeslag krijgen deze studenten een financiële steun in de rug. Het <vet>inkomen</vet> uit studiefinanciering wordt dan maandelijks aangevuld wanneer er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden. De regeling over de studietoeslag staat in artikel 36b van de <vet>Participatiewet</vet>. Meer informatie staat in het besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.4</nr><titel>Individuele inkomenstoeslag</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW</vet>]</al><al>Met de individuele inkomenstoeslag kan het <vet>inkomen</vet> worden aangevuld. Het is een toeslag die jaarlijks kan worden aangevraagd. In deze paragraaf staat voor welke <vet>inwoners</vet> de individuele inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden. </al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>7.4.1</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de <vet>inwoner</vet> van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de <vet>Aow</vet><vet>-leeftijd</vet> die:</al><lijst><li nr="a."><al>in een ononderbroken periode van 36 maanden een <vet>inkomen</vet> heeft gehad dat lager is dan 105% van de <vet>bijstandsnorm</vet>; </al></li><li nr="b."><al>geen <vet>financiële buffer</vet> heeft; en</al></li><li nr="c."><al>geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label/><nr>7.4.2</nr><titel>Hoogte van de toeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de toeslag vindt u op <extref doc="http://www.fijnder.nl"><onderstreept>www.fijnder.nl</onderstreept></extref>, wanneer u zoekt op inkomenstoeslag. De inkomenstoeslag wordt per jaar in één bedrag uitbetaald en bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande: € 512,00 per jaar.</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder: € 658,00 per jaar.</al></li><li nr="c."><al>voor gehuwden: € 729,00 per jaar.</al></li><li nr="d."><al>de onder a t/m c genoemde bedragen betreffen de bedragen die in 2024 gepubliceerd zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als één van de partners geen recht heeft op individuele inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de <vet>Participatiewet</vet>.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bedragen uit dit artikel worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.5</nr><titel>Meedoenregeling </titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, Gemeentewet</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> wil <vet>kinderen</vet> helpen die opgroeien in armoede, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan sociale, culturele en sportieve activiteiten. De gemeente heeft maatregelen genomen om deze kinderen te ondersteunen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in ‘Beleidsregels meedoen gemeente Berkelland’. De geldende beleidsregels zijn te vinden op <extref doc="http://www.overheid.nl"><onderstreept>www.overheid.nl</onderstreept></extref>. Daarin is geregeld wanneer een <vet>inwoner</vet> in aanmerking kan komen voor ondersteuning en hoe hoog de ondersteuning dan is. </al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>7.5.1</nr><titel>Doelgroep meedoen voor kinderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvrager moet voldoen aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>Staat ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP) van de gemeente Berkelland;</al></li><li nr="b."><al>Beschikte in de twee maanden voorafgaand aan de aanvraag en op het moment van aanvraag over een inkomen dat niet hoger was dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm en niet over vermogen boven de vermogensgrens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het inkomen van de aanvrager hoger is dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm wordt de eigen draagkracht berekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De faciliteiten en regelingen worden telkens voor één kalenderjaar toegekend. Als de situatie niet verandert wordt dit vanzelf verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>7.5.2</nr><titel>Inhoud meedoenregeling voor kinderen</titel></kop><al>Vanuit de meedoenregeling voor kinderen kunnen de volgende zaken worden vergoed:</al><al/><al><vet>7.5.2.1 Vergoeding zwemlessen</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De gemeente vergoedt maximaal € 300,- voor zwemles voor kinderen van aanvrager die het zwemdiploma A nog niet hebben. Deze vergoeding ontvangt de ouder in de vorm van een voucher in de meedoenapplicatie.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding stopt zodra: </al><lijst><li nr="a."><al>Het zwemdiploma A is behaald; of </al></li><li nr="b."><al>De zwemles wordt beëindigd vóór het behalen van het zwemdiploma A. </al></li><li nr="c."><al>De maximale hoogte van de vergoeding is bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De vergoeding wordt rechtstreeks aan het zwembad betaald, nadat de inwoner de voucher bij het zwembad heeft ingeleverd.</al></li></lijst><al><vet>7.5.2.2 Participatieregeling voor kinderen van 0-18 jaar</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente geeft een vergoeding van € 200,- per kalenderjaar, voor het betalen van activiteiten die bedoeld zijn voor educatie, sport, cultuur of participatie voor ieder kind binnen het gezin van aanvrager in de leeftijd van 0 tot 18 jaar. </al></li><li nr="2."><al>Deze activiteiten of producten kunnen worden uitgezocht in de meedoenapplicatie van Fijnder. Nadat een activiteit of product is uitgezocht krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de activiteit. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt.</al></li></lijst><al><vet>7.5.2.3 Vergoeding indirecte schoolkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Fijnder geeft een vergoeding aan aanvrager voor indirecte <vet>school</vet>kosten voor zijn kind(eren) in de leeftijd van 4 tot 18 jaar, die op de eerste dag van een <vet>school</vet>jaar ingeschreven zijn bij een <vet>basisschool </vet>of <vet>school </vet>voor <vet>voortgezet onderwijs</vet>. Indirecte <vet>school</vet>kosten zijn kosten die nodig zijn om mee te kunnen doen (aan activiteiten) in het onderwijs.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding bedraagt € 175,- voor een kind op de <vet>basisschool </vet>en € 350,- voor een kind in het <vet>voortgezet onderwijs</vet>.</al></li><li nr="3."><al>Als aan het begin van het kalenderjaar wordt ingeschat dat het kind op de eerste dag van het <vet>school</vet>jaar zal zijn ingeschreven op een <vet>school </vet>voor <vet>voortgezet onderwijs</vet>, wordt voor het hele kalenderjaar de vergoeding voor het <vet>voortgezet onderwijs </vet>voor dit kind gegeven zoals bedoeld in het vorige lid.</al></li><li nr="4."><al>De bestemming van de <vet>school</vet>kosten kunnen worden uitgezocht in de Meedoen applicatie van Fijnder. Nadat de bestemming voor de <vet>school</vet>kosten is uitgezocht, krijgt de inwoner een voucher die kan worden gescand bij betaling van de <vet>school</vet>kosten. Fijnder betaalt de vergoeding hiermee rechtstreeks aan de organisatie of persoon die de activiteit aanbiedt.</al></li></lijst><al><vet>7.5.2.4 Verstrekking van computer</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente verstrekt één computerconfiguratie aan een gezin tot een maximum bedrag van € 500,- aan aanvrager voor zijn kind(eren) tot 18 jaar in het voortgezet- of beroepsonderwijs.</al></li><li nr="2."><al> Eén keer per 5 jaar kan een computerconfiguratie worden aangeschaft bij een verkoper aangesloten bij de Meedoen applicatie van Fijnder.</al></li></lijst><al><vet>7.5.2.5 Speel-o-</vet><vet>theek</vet></al><al>Voor kinderen van 0 tot 12 jaar wordt een vergoeding gegeven voor het lidmaatschap van een speel-o-theek. Deze bijdrage wordt rechtstreeks aan de aanvrager vergoed.</al><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.6</nr><titel>Collectieve zorgverzekering</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW</vet>]</al><al>Voor <vet>inwoner</vet>s met een <vet>inkomen</vet> tot 130% van de <vet>bijstandsnorm</vet> heeft de <vet>gemeente</vet> een collectieve zorgverzekering afgesloten. De <vet>gemeente</vet> heeft beleidsregels gemaakt. Daarin staat wanneer en hoe deze inwoners kunnen meedoen aan de collectieve zorgverzekering. <vet>Inwoners</vet> kunnen zich aanmelden via <extref doc="http://www.gezondverzekerd.nl"><onderstreept>www.gezondverzekerd.nl</onderstreept></extref>. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>7.7</nr><titel>Schuldhulpverlening</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Wgs</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> heeft de taak om <vet>inwoners</vet> met schulden te helpen. <vet>Inwoner</vet>s kunnen daarom de gemeente om <vet>hulp</vet> vragen. De gemeente helpt bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente voor het geven van <vet>hulp</vet>. </al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>7.7.1</nr><titel>Samenwerking en toegang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat <vet>inwoners</vet> hoge schulden krijgen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente zorgt ervoor dat <vet>inwoner</vet>s op een eenvoudige manier om <vet>hulp </vet>kunnen vragen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente informeert <vet>inwoner</vet>s over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt dat die hulp echt beschikbaar is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente sluit geen enkele <vet>inwoner </vet>bij voorbaat uit van <vet>hulp</vet>. Een uitzondering op deze regel is de <vet>inwoner </vet>die geen geldige verblijfstitel heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente benadert <vet>inwoner</vet>s actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>7.7.2</nr><titel>Schuldhulpverlening</titel></kop><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat een <vet>inwoner</vet> die <vet>hulp</vet> kan krijgen bij het oplossen van schulden, die <vet>hulp</vet> zo snel mogelijk krijgt. De gemeente zet hierbij in op duurzame resultaten en zal bij ingezette trajecten nazorg leveren om herhaling te voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>7.7.3</nr><titel>Besluit</titel></kop><al>De <vet>gemeente</vet> informeert de <vet>inwoner</vet> die <vet>hulp</vet> kan krijgen over de manier waarop de <vet>hulp</vet> wordt gegeven.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>8</nr><titel>De vorm van de hulp</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Als <vet>inwoners hulp</vet> kunnen krijgen van de <vet>gemeente</vet>, moet de gemeente ook bepalen in welke vorm die <vet>hulp</vet> dan wordt gegeven. De <vet>hulp</vet> van de gemeente kan in de vorm van geld zijn, of ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er <vet>hulp</vet> wordt ingezet (een dienst of een product). Gaat het om <vet>Wmo</vet><vet>-hulp</vet> of <vet>jeugdhulp</vet>, dan kan de <vet>inwoner</vet> ook kiezen voor een <vet>pgb</vet>, als aan de voorwaarden is voldaan. Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de <vet>hulp</vet> wordt ingezet en welke regels daarbij horen. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de <vet>inwoner</vet> kan vragen op grond van de <vet>Wmo</vet>. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>: </al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente biedt passende hulp die zo snel mogelijk wordt ingezet.</cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente gaat respectvol om met de aanvraag. </cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente praat open en eerlijk over de behandeling.</cursief></al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>8.1</nr><titel>Financiële hulp</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Llv</vet><vet>, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>inwoner</vet> die <vet>hulp</vet> van de <vet>gemeente</vet> ontvangt, krijgt die <vet>hulp</vet> in de vorm van geld, als dat in de <vet>wet</vet> of in deze <vet>Verordening</vet> zo is geregeld. Financiële <vet>hulp</vet> kan een lening zijn of een bedrag ‘om niet’ (hoeft niet terugbetaald te worden). </al></li><li nr="2."><al>De <vet>gemeente</vet> betaalt de <vet>inwoner</vet> binnen 6 weken nadat een betalingsbesluit is genomen. Dat is de wettelijk vastgestelde termijn. De gemeente kan een andere termijn vaststellen, als er niet binnen 6 weken betaald kan worden. </al></li><li nr="3."><al>De <vet>gemeente</vet> betaalt op het bankrekeningnummer dat de <vet>inwoner</vet> heeft doorgegeven. De gemeente kan het bedrag op een andere manier, in een andere vorm of aan een andere persoon betalen. De gemeente kan dat doen, als het doel van de <vet>hulp</vet> alleen op die manier kan worden bereikt. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een hulpverlener of een schuldeiser van de <vet>inwoner</vet>. </al></li><li nr="4."><al>De <vet>gemeente</vet> kan het geld verrekenen met een vordering op de <vet>inwoner</vet>, als dit volgens de wettelijke regels mogelijk is. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze <vet>Verordening</vet> is gebaseerd. </al></li><li nr="5."><al>De <vet>gemeente</vet> kan een betalingsbesluit nemen, zonder de <vet>inwoner</vet> daar met een brief over te informeren. De gemeente stelt de <vet>inwoner</vet> dan wel op een andere geschikte manier op de hoogte van het betalingsbesluit. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>8.2</nr><titel>Een product of een dienst</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>inwoner</vet> die <vet>hulp</vet> van de <vet>gemeente</vet> ontvangt, krijgt die <vet>hulp in natura</vet> (een dienst of een product), tenzij in de <vet>wet</vet> of in deze <vet>Verordening</vet> iets anders is geregeld. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen, huur of eigendom verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>De gemeente zet zich ervoor in dat de <vet>aanbieder</vet> van een dienst of een product:</al><lijst><li nr="a."><al>de wettelijke regels over garantie naleeft; en </al></li><li nr="b."><al>de <vet>inwoner</vet> informeert over alles wat belangrijk is om te weten over de dienst of het product. </al></li></lijst></li><li nr=""><al>In hoofdstuk 12 is daarover meer geregeld. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>8.3</nr><titel>Persoonsgebonden budget (pgb)</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet>]</al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>8.3.1</nr><titel>Voorwaarden – algemeen </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> kan kiezen voor een <vet>pgb</vet>, als hij in aanmerking komt voor <vet>hulp-op-maat</vet> op grond van de <vet>Wmo</vet> of <vet>Jeugdwet</vet>. De <vet>gemeente</vet> moet er wel van overtuigd zijn, dat de <vet>inwoner</vet> voldoet aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>inwoner</vet> kan voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. Daardoor kan hij de taken die bij het <vet>pgb</vet> horen op een verantwoorde manier uitvoeren, eventueel met <vet>hulp</vet> van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt. </al></li><li nr="b."><al>De <vet>inwoner</vet> maakt de gemeente duidelijk waarom hij een <vet>pgb</vet> wil ontvangen. Gaat het om <vet>jeugdhulp</vet>, dan moet de <vet>inwoner</vet> motiveren waarom <vet>hulp-op-maat</vet> door een <vet>aanbieder</vet> van de gemeente, niet passend is.</al></li><li nr="c."><al>De <vet>hulp</vet> die de <vet>inwoner</vet> met het <vet>pgb</vet> wil betalen, is van goede kwaliteit. De <vet>hulp</vet> moet veilig en doeltreffend zijn en op de <vet>inwoner</vet> gericht. Dit moet duidelijk worden uit het <vet>pgb-plan</vet> van de <vet>inwoner</vet>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente kan een <vet>pgb</vet> in elk geval weigeren in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>inwoner</vet> kan het <vet>pgb</vet> niet zelf beheren en wil het <vet>pgb</vet> laten beheren door de hulpverlener. </al></li><li nr="b."><al>De gemeente heeft eerder <vet>hulp-op-maat</vet> of een <vet>pgb</vet> toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken. </al></li><li nr="c."><al>De <vet>inwoner</vet> vraagt een <vet>pgb</vet> voor kosten die zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan.</al></li><li nr="d."><al>Soms is zelf ingekochte zorg duurder dan zorg in natura. Dat is geen reden om een <vet>pgb</vet> te weigeren. Maar de gemeente hoeft ook geen extra geld uit te geven. De gemeente mag beslissen dat de <vet>inwoner</vet> alleen het bedrag krijgt dat de zorg in natura zou kosten. De meerkosten betaalt de <vet>inwoner</vet> dan zelf. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het <vet>pgb</vet> is bedoeld voor <vet>hulp</vet>, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het <vet>pgb</vet> kan niet besteed worden aan:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;</al></li><li nr="b."><al>het voeren van een pgb-administratie;</al></li><li nr="c."><al>ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en </al></li><li nr="d."><al>kosten voor een feestdagen<vet>uitkering</vet> aan de hulpverlener(s);</al></li><li nr="e."><al>reiskosten van de zorgverlener.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente staat het niet toe dat een <vet>pgb</vet> als “maandloon-optie” wordt ingezet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>8.3.2</nr><titel>Professionele of niet-professionele hulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het vaststellen van de hoogte van het <vet>pgb</vet>, wordt onderscheid gemaakt tussen professionele en niet-professionele <vet>hulp</vet>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van professionele <vet>hulp</vet> is sprake als de <vet>hulp</vet> verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1<sup>e</sup> of 2<sup>e</sup> graad van de <vet>inwoner</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>iemand die in dienst is van een <vet>instelling</vet> die bedrijfsmatig de <vet>hulp</vet> verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning of <vet>jeugdhulp</vet> en die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals die ook gelden voor door de gemeente gecontracteerde aanbieders en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of </al></li><li nr="b."><al>iemand die als Zelfstandige zonder personeel de beschikking heeft over een Beschikking geen loonheffingen (BGL) en ten aanzien van de uit het <vet>pgb</vet> te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van de <vet>Jeugdwet</vet> of de <vet>Wmo</vet> en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor de uitoefening van de desbetreffende taken. Ook voldoet de hulp(verlener) aan de kwaliteitseisen opgenomen in hoofdstuk 4 van de <vet>Jeugdwet</vet> of hoofdstuk 3 van de <vet>Wmo</vet>. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> mag het <vet>pgb</vet> besteden aan <vet>hulp</vet> die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>moet op verzoek van de <vet>gemeente</vet>, een ‘verklaring omtrent <vet>gedrag</vet> natuurlijke personen (VOG)’ overleggen, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’; De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden, voorafgaand aan de datum van de <vet>aanvraag</vet>.</al></li><li nr="b."><al>moet voor het bieden van <vet>jeugdhulp</vet> aantonen de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te gebruiken en <vet>SKJ</vet> of <vet>BIG</vet> geregistreerd zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van niet-professionele <vet>hulp</vet> is sprake als:</al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>hulp</vet> wordt geboden door personen, al dan niet uit het <vet>sociaal netwerk</vet>, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;</al></li><li nr="b."><al>de <vet>hulp</vet> niet wordt geboden in het kader van een <vet>hulp</vet>verlenend beroep.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> mag het <vet>pgb</vet> besteden aan <vet>hulp</vet> die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>heeft aannemelijk gemaakt dat de <vet>hulp</vet> niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede <vet>hulp</vet> kan bieden, en</al></li><li nr="b."><al>moet op verzoek van de <vet>gemeente</vet>, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijke personen (VOG)’ overleggen, specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al><vet>Hulp</vet> waarbij het essentieel is dat voldoende professionele afstand wordt bewaard kan niet verleend worden door een niet-professionele hulpverlener.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>8.3.3</nr><titel>Hoogte en tarief pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> stelt de hoogte van het <vet>pgb</vet> voor een product vast aan de hand van, en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de <vet>inwoner</vet> goedkoopst compenserende <vet>hulp in natura</vet>. Het <vet>pgb</vet> is toereikend voor de aanschaf van het product bij minimaal één <vet>aanbieder</vet>.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> houdt bij het vaststellen van de hoogte van het <vet>pgb</vet> voor een product rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekering. Met uitzondering van een woon<vet>voorziening</vet>, de <vet>inwoner</vet> is hierbij zelf verantwoordelijk voor de verzekering van het product. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan de hoogte van het <vet>pgb</vet> voor een product vaststellen op basis van een offerte van de aanbieder uit het goedgekeurde <vet>Pgb-plan</vet> en/of een door de gemeente opgevraagde offerte. De gemeente stelt de hoogte van het <vet>pgb</vet> vast op het bedrag van de laagste offerte.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor professionele <vet>hulp</vet> wordt de hoogte van het <vet>pgb</vet> als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ondersteuning (individueel, groep en logeren), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezins- en woonvormen en <vet>hulp</vet> bij het (zelfstandig) wonen op basis van het laagst geoffreerde tarief op dienstverleningsniveau binnen de aanbesteding van zorg in natura voor de <vet>Wmo</vet> en Jeugdwet. Het <vet>pgb</vet> is toereikend voor de aanschaf van het product of dienst bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk.</al></li><li nr="b."><al>voor <vet>hulp</vet> bij het huishouden (<vet>Wmo</vet>) op het geldende zorg in natura tarief 15% overheadkosten in mindering te brengen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor niet-professionele <vet>hulp</vet> wordt de hoogte van het <vet>pgb</vet> als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor ondersteuning individueel in het kader van de Jeugdwet, met uitzondering van logerenop het wettelijk minimum (uur)loon. Het gaat om het uurloon bij een 36-urige werkweek per 1 januari van het jaar waarin het <vet>pgb</vet> wordt verstrekt, inclusief vakantiegeld, vakantie-uren en sociale lasten. </al></li><li nr="b."><al>voor <vet>hulp</vet> bij het huishouden (<vet>Wmo</vet>)ophet uurloon van de hoogste periodiek behorende bij <vet>hulp</vet> bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.</al></li><li nr="c."><al>voor niet-professionele <vet>hulp</vet> voor ondersteuning individueel ( (<vet>Wmo</vet>), met uitzondering van logeren op het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij FWG 30 van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor logeren uitgevoerd door niet-professionele <vet>hulp</vet> bedraagt de tegemoetkoming € 141 per kalendermaand, tenzij, op basis van het <vet>pgb-plan</vet> van de <vet>inwoner</vet>, een lagere tegemoetkoming genoeg is. De <vet>inwoner</vet> dient een “Verklaring <vet>hulp</vet> uit het <vet>sociaal netwerk</vet>” in te vullen en in te dienen bij de gemeente die deze doorstuurt naar de Sociale VerzekeringsBank (SVB). </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het <vet>pgb</vet> is voldoende om <vet>hulp</vet> in te kunnen kopen die voldoet aan de kwaliteitseisen die staan in de wet en deze <vet>Verordening</vet>. En het is geschikt voor het doel waarvoor het <vet>pgb</vet> wordt toegekend.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De gemeente stelt in het besluit maatschappelijke ondersteuning en <vet>jeugdhulp</vet> Berkelland de hoogte van het <vet>pgb</vet> vast op basis van de in dit artikel vermelde regels. Aanpassing van de lopende pgb-budgetten vindt, indien nodig, plaats door middel van een overgngsregeling. De gemeente stelt hiervoor nadere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>8.3.4</nr><titel>Verantwoording pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan de <vet>inwoner</vet> vragen om duidelijk te maken hoe het <vet>pgb</vet> is besteed en welke resultaten de <vet>hulp</vet> voor de <vet>inwoner</vet> heeft gehad. De <vet>inwoner</vet> is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen dat de <vet>inwoner</vet> moet gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een <vet>inwoner hulp-op-maat</vet> in de vorm van een <vet>pgb</vet> krijgt, wordt alleen de <vet>hulp</vet> uitbetaald die echt geleverd is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>8.3.5</nr><titel>Opschorten pgb</titel></kop><al>De <vet>gemeente</vet> kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de uitbetaling uit het <vet>pgb</vet> helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het <vet>pgb</vet> weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als zij een sterk vermoeden heeft dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>inwoner</vet> onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven, terwijl het geven van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>de <vet>inwoner</vet> niet voldoet aan de voorwaarden die horen bij het ontvangen van het <vet>pgb</vet>; </al></li><li nr="c."><al>de <vet>inwoner</vet> het <vet>pgb</vet> niet of voor een ander doel (heeft) gebruikt; </al></li><li nr="d."><al>de <vet>inwoner</vet> in een <vet>instelling</vet> verblijft als bedoeld in de <vet>Wet</vet> langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; of als </al></li><li nr="e."><al>de <vet>inwoner</vet> een modulair pakket thuis of volledig pakket thuis ontvangt vanuit de <vet>Wet</vet> langdurige zorg.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>8.4</nr><titel>Kostprijs</titel></kop><structuurtekst><al> [Jeugdwet<vet>, </vet><vet>Wmo</vet>]</al><al>De kostprijs van een product of dienst wordt als volgt bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>voor <vet>hulp-op-maat</vet> in natura of voor een algemene <vet>voorziening</vet> uit deze <vet>Verordening</vet>: door een aanbesteding, na het raadplegen van aanbieders of na overleg met de <vet>aanbieder</vet>;</al></li><li nr="b."><al>voor een hulpmiddel wordt de kostprijs ook bepaald door de vraag of de <vet>inwoner</vet> dit product in bruikleen of eigendom krijgt. De kostprijs is inclusief de kosten van verzekeringen, beheer en onderhoud. </al></li><li nr="c."><al>de kostprijs voor een woningaanpassing die in eigendom is verstrekt, is gelijk aan het bedrag van de offerte dat moet worden voldaan na afronding van de woningaanpassing. </al></li><li nr="d."><al>de kostprijs voor een woningaanpassing die in bruikleen is verstrekt, is gelijk aan het aanschafbedrag, plaatsingskosten, verzekeringen, beheer en onderhoud;</al></li><li nr="e."><al>voor <vet>hulp-op-maat</vet> in de vorm van een <vet>pgb</vet> wordt de kostprijs vastgesteld op basis van laagst geoffreerde tarief op dienstverleningsniveau binnen de aanbesteding van zorg in natura voor Wmo en <vet>Jeugdwet</vet>. Het gaat om ondersteuning (individueel, groep en logeren), persoonlijke verzorging, behandeling (individueel en groep), wonen en gezins- en woonvormen. Het <vet>pgb</vet> is toereikend voor de aanschaf van de <vet>voorziening</vet> bij minimaal 1 aanbieder. Maatwerk is mogelijk.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>8.5</nr><titel>Bijdrage in de kosten </titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Wmo</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>inwoner </vet>betaalt een bijdrage in de kosten voor <vet>Wmo</vet><vet>-hulp-op-maat </vet>in de vorm van een hulpmiddel of een woningaanpassing totdat de kostprijs van de <vet>voorziening </vet>is bereikt. Voor alle overige <vet>Wmo</vet><vet>-hulp</vet>-op-maat betaalt de <vet>inwoner </vet>een bijdrage in de kosten zolang de de <vet>inwoner </vet>gebruik maakt van die <vet>hulp </vet>of voor de periode waarvoor een <vet>pgb </vet>is verstrekt. Zolang een indicatie niet wordt stopgezet maakt de <vet>inwoner </vet>gebruik van de <vet>hulp</vet>. Gaat het om een product, dan betaalt de <vet>inwoner </vet>een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De <vet>inwoner </vet>betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit <vet>Wmo</vet><vet/>2015. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor <vet>hulp </vet>bij het (zelfstandig) wonen in de vorm van beschermd wonen en opvang is afhankelijk van het inkomen en vermogen van de <vet>inwoner </vet>en diens eventuele echtgenoot op grond van het Uitvoeringsbesluit <vet>Wmo</vet><vet/>2015.</al></li><li nr="2."><al>Lid 1 geldt niet voor collectief vervoer ‘ZOOV Op Maat’. Hiervoor stelt de gemeente de hoogte van de bijdrage vast. Deze eigen bijdrage is vastgesteld op maximaal €60,- per jaar. De gemeente kan nadere regels stellen over de wijze waarop deze bijdrage wordt opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>De <vet>inwoner </vet>betaalt een bijdrage in de kosten van <vet>Wmo</vet><vet>-hulp </vet>voor de Mantelzorgregeling, zolang de inwoner gebruik maakt van die <vet>hulp</vet>. De Mantelzorgregeling is een algemene <vet>voorziening </vet>die bedoeld is om <vet>mantelzorgers </vet>te ondersteunen. De <vet>inwoner </vet>betaalt de bijdrage per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van de periodieke bijdrage van de <vet>inwoner </vet>is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit <vet>Wmo</vet> 2015. </al></li><li nr="4."><al>Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige <vet>inwoner</vet>, dan betalen de onderhoudsplichtige <vet>ouders </vet>de bijdrage. Die verplichting geldt ook voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de ouder tegen wie een <vet>vaderschapsactie </vet>is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft toegewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek); en voor </al></li><li nr="b."><al>degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige <vet>inwoner</vet>, maar die niet zelf een ouder is. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De gemeente vraagt geen bijdrage voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de onder lid 1 genoemde <vet>hulp-op-maat </vet>aan <vet>inwoner</vet>s die gehuwd zijn of een gezamenlijke huishouding voeren en waarvan één van de partners de <vet>Aow</vet><vet>-leeftijd </vet>nog niet heeft; </al></li><li nr="b."><al>een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik en het onderhoud daarvan; </al></li><li nr="c."><al>sport<vet>voorziening</vet>en;</al></li><li nr="d."><al>ondersteuning bij verhuizing en inrichting van de nieuwe woonruimte. </al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>9</nr><titel>Afspraken tussen inwoner en gemeente </titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de <vet>gemeente</vet> en de <vet>inwoner</vet> met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet <vet>gedragen</vet> en wat er van de <vet>inwoner</vet> wordt verwacht. Als de <vet>inwoner</vet> rechten heeft, dan staan daar plichten tegenover. Houdt de <vet>inwoner</vet> daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de <vet>uitkering</vet> of <vet>voorziening</vet> beëindigen, terugvorderen of verlagen. Hieronder staan de hoofdregels die daarvoor gelden. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief><cursief>De gemeente en de <vet>inwoner</vet> zeggen wat ze doen en doen wat ze zeggen.</cursief></cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief><cursief>De gemeente en de <vet>inwoner</vet> geven elkaar de informatie die nodig is.</cursief></cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief><cursief>De gemeente ziet de <vet>inwoner</vet> als volwaardig partner.</cursief></cursief></al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>9.1</nr><titel>Hoe gaan we met elkaar om?</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, Gemeentewet, </vet><vet>Awb</vet>]</al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>9.1.1</nr><titel>De rol van de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> zoekt samen met de <vet>inwoner</vet> naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en <vet>inwoner</vet> gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor de <vet>inwoner</vet> is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.</al></li><li nr="b."><al>De <vet>inwoner</vet> heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een <vet>medewerker</vet>. </al></li><li nr="c."><al>De gemeente helpt de <vet>inwoner</vet> om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van <vet>hulp</vet> bij dit probleem een taak is voor die organisatie. </al></li><li nr="d."><al>De websites van de gemeente voldoen aan erkende kwaliteitseisen.</al></li><li nr="e."><al>De gemeente streeft naar eenvoudige aanvraagformulieren. Daarmee kan de <vet>inwoner</vet> een <vet>uitkering</vet> of <vet>voorziening</vet> aanvragen. Het is voor de <vet>inwoner</vet> duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.</al></li><li nr="f."><al>De gemeente informeert de <vet>inwoner</vet> over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. </al></li><li nr="g."><al>De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de <vet>inwoner</vet>. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de <vet>hulpvraag</vet>.</al></li><li nr="h."><al>De gemeente wijst de <vet>inwoner</vet> op cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan meedenken met de inwoner, de hulpvraag van de <vet>inwoner</vet> verduidelijken en de wegwijzen in het sociale domein. Doel is dat de inwoner weer zelfstandig verder kan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar <vet>gedrag</vet> van de <vet>inwoner</vet>. De gemeente zorgt voor het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>inwoner</vet> wordt op tijd geïnformeerd over:</al><lijst><li nr="•"><al>rechten en plichten;</al></li><li nr="•"><al>wat er van de <vet>inwoner</vet> wordt verwacht;</al></li><li nr="•"><al>welk gedrag niet deugt;</al></li><li nr="•"><al>wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en </al></li><li nr="•"><al>waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.</al></li></lijst></li><li nr=""><al>De gemeente zorgt ervoor dat de <vet>inwoner</vet> voldoende geïnformeerd blijft over deze punten.</al></li><li nr="b."><al>De gemeente geeft de <vet>inwoner</vet> de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de <vet>inwoner</vet> te reageren door een maatregel te nemen.</al></li><li nr="c."><al>De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: </al><lijst><li nr="•"><al>de ernst van het gedrag;</al></li><li nr="•"><al>de mate waarin dat de <vet>inwoner</vet> verweten kan worden; en </al></li><li nr="•"><al>de <vet>persoonlijke situatie</vet> van de <vet>inwoner</vet>.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>De gemeente stuurt de <vet>inwoner</vet> een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de <vet>inwoner</vet> en wat de <vet>inwoner</vet> daartegen kan doen. De gemeente maakt de <vet>inwoner</vet> ook duidelijk op welke manier de <vet>inwoner</vet> het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.1.2</nr><titel>De rol van de inwoner</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De <vet>gemeente</vet> vult de mogelijkheden van de <vet>inwoner</vet> en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De <vet>inwoner</vet> zorgt voor het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>inwoner</vet> gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen. </al></li><li nr="b."><al>Als de gemeente <vet>hulp</vet> verleent werkt de <vet>inwoner</vet> mee aan de oplossing van zijn probleem. De <vet>inwoner</vet> doet wat nodig is om de <vet>hulp</vet> van de gemeente tot een minimum te beperken. </al></li><li nr="c."><al>De <vet>inwoner</vet> zorgt ervoor dat de <vet>hulp</vet> van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <vet>inwoner</vet> denkt mee en heeft inspraak in de manier waarop zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>inwoner</vet> informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de <vet>hulpvraag</vet>, de <vet>persoonlijke situatie</vet> en de rechten en plichten van de <vet>inwoner</vet>. Dit geldt ook als de <vet>hulp</vet> al is toegekend. </al></li><li nr="b."><al>De <vet>inwoner</vet> houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de <vet>inwoner</vet> krijgt om alle informatie aan te leveren.</al></li><li nr="c."><al>De <vet>inwoner</vet> brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>9.2</nr><titel>Het verlagen van een uitkering</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>9.2.1</nr><titel>Wanneer wordt de uitkering verlaagd? </titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> verlaagt een <vet>uitkering</vet> als dat volgens de regels van de <vet>wet</vet> en deze <vet>Verordening</vet> past bij de houding of het <vet>gedrag</vet> van de <vet>inwoner</vet>. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de gemeente besluit om de <vet>uitkering</vet> te verlagen, houdt de gemeente rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de ernst van het <vet>gedrag dat tot het verlagen van de uitkering heeft geleid</vet>;</al></li><li nr="b."><al>de mate waarin de <vet>inwoner</vet> het gedrag verweten kan worden; en</al></li><li nr="c."><al>de <vet>persoonlijke situatie</vet> van de <vet>inwoner</vet>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat een <vet>uitkering</vet> wordt verlaagd, geeft de gemeente de <vet>inwoner</vet> de kans om zijn mening te geven. De <vet>inwoner</vet> kan dat doen met een brief of in een persoonlijk gesprek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.2</nr><titel>Geen verlaging</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> verlaagt de <vet>uitkering</vet> niet als:</al><lijst><li nr="a."><al>het <vet>gedrag</vet> de <vet>inwoner</vet> niet te verwijten is;</al></li><li nr="b."><al>er meer dan één jaar ligt tussen het gedrag van de b en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld;</al></li><li nr="c."><al>de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.3</nr><titel>Het besluit om de uitkering te verlagen</titel></kop><al>De <vet>gemeente</vet> stuurt de <vet>inwoner</vet> een brief als de <vet>uitkering</vet> wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>waarom de <vet>uitkering</vet> wordt verlaagd;</al></li><li nr="b."><al>hoe groot het bedrag van de verlaging is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer de verlaging ingaat;</al></li><li nr="d."><al>hoe lang de verlaging duurt; en</al></li><li nr="e."><al>waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.4</nr><titel>Ingangsdatum en periode verlaging</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><al>De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt één maand of langer. Als de <vet>uitkering</vet> tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De <vet>gemeente</vet> legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de <vet>inwoner</vet> binnen twaalf maanden na de beëindiging opnieuw een <vet>uitkering</vet> gaat ontvangen. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.5</nr><titel>Berekening verlaging</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>uitkering</vet> wordt verlaagd met een percentage van de <vet>uitkeringsnorm</vet>. De <vet>uitkeringsnorm</vet> is de <vet>uitkering</vet> die de <vet>inwoner</vet> in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de <vet>inwoner</vet> bijstand, dan gaat het om de <vet>bijstandsnorm</vet>. Krijgt de <vet>inwoner</vet> een <vet>IOAW</vet>- of <vet>IOAZ-uitkering</vet>, dan is het de grondslag uit de <vet>IOAW</vet> of <vet>IOAZ</vet>. Hieronder staat met welk percentage de <vet>uitkeringsnorm</vet> verlaagd wordt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt berekend over de <vet>uitkeringsnorm</vet> die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.6</nr><titel>Niet nakomen wettelijke (geüniformeerde) arbeidsverplichtingen </titel></kop><al>[<vet>PW, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> verlaagt de <vet>bijstandsuitkering</vet> met een maand met 100% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als de <vet>inwoner</vet> een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, b, c, d, e, f, g en h van de <vet>Participatiewet</vet> niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk. De verlaging kan over 2 maanden worden uitgesmeerd. Dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de <vet>inwoner</vet>. De bijstands<vet>uitkering</vet> wordt dan 2 maanden achter elkaar met 50% van de <vet>uitkeringsnorm</vet> verlaagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.7</nr><titel>Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> verlaagt de <vet>bijstandsuitkering</vet> een maand met 50% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als de <vet>inwoner</vet>: </al><lijst><li nr="a."><al>jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van </al><lijst><li nr="•"><al>een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a <vet>Participatiewet</vet>, of</al></li><li nr="•"><al>een werkplan waarin de stappen <vet>richting</vet> werk worden vastgelegd;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of</al></li><li nr="d."><al>alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen; De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. </al></li><li nr="e."><al>Niet of niet voldoende de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting nakomt. Het gaat hierbij om meewerken aan het betalen van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering, gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat. De gemeente verricht die betalingen uit de toegekende bijstand in naam van de <vet>inwoner</vet>.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente verlaagt de bijstands<vet>uitkering</vet> een maand met 100% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als de <vet>inwoner</vet> niet voldoende probeert werk te vinden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente verlaagt de <vet>IOAW</vet>- of <vet>IOAZ-uitkering</vet> een maand met 50% van de <vet>uitkeringsnorm</vet> als de <vet>inwoner</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden <vet>voorziening</vet>. Dit <vet>gedrag</vet> heeft er niet toe geleid dat de <vet>voorziening</vet> niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd;</al></li><li nr="b."><al>niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;</al></li><li nr="c."><al>niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; </al></li><li nr="d."><al>door houding of gedrag moeilijker aan het werk komt;</al></li><li nr="e."><al>niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of</al></li><li nr="f."><al>alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente verlaagt de <vet>IOAW</vet>- of <vet>IOAZ-uitkering</vet> een maand met 100% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als de <vet>inwoner</vet>:</al><lijst><li nr="a."><al>niet voldoende probeert werk te vinden;</al></li><li nr="b."><al>aangeboden werk niet accepteert;</al></li><li nr="c."><al>door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of</al></li><li nr="d."><al>niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden <vet>voorziening</vet>, en dit gedrag er toe geleid heeft dat de <vet>voorziening</vet> niet doorging of te vroeg is beëindigd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente kan besluiten de <vet>uitkering</vet> niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de <vet>inwoner</vet> zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.8</nr><titel>Te weinig besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>[<vet>PW, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> verlaagt de <vet>bijstandsuitkering</vet> van een <vet>inwoner</vet> die te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen <vet>levensonderhoud</vet>. Door dat <vet>gedrag</vet> heeft de <vet>inwoner</vet> meer of langer <vet>uitkering</vet> nodig, dan als de <vet>inwoner</vet> zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging duurt één maand en is:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;</al></li><li nr="b."><al>20% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000;</al></li><li nr="c."><al>40% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000;</al></li><li nr="d."><al>100% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000;</al></li><li nr="e."><al>20% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.9</nr><titel>Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen)</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><al>De <vet>gemeente </vet>verlaagt de <vet>uitkering </vet>van een <vet>inwoner </vet>die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de <vet>Participatiewet</vet>, de <vet>IOAW </vet>en <vet>IOAZ </vet>uitvoeren. De <vet>uitkering </vet>wordt één maand verlaagd met 50% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>. </al></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.10</nr><titel>Niet nakomen van andere verplichtingen</titel></kop><al>[<vet>PW, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente </vet>verlaagt de <vet>bijstandsuitkering </vet>een maand, als de <vet>inwoner </vet>een opgelegde verplichting uit artikel 55 of 57 van de <vet>Participatiewet </vet>niet of niet voldoende nakomt. Het gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging is:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk;</al></li><li nr="b."><al>20% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als het gaat om een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>50% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100% van de <vet>uitkeringsnorm</vet>, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente kan besluiten de bijstands<vet>uitkering</vet> niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.11</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al><vet>Gedrag</vet> waardoor de <vet>inwoner</vet> meerdere verplichtingen als bedoeld in deze paragraaf niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De <vet>uitkering</vet> wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De <vet>gemeente</vet> stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.2.12</nr><titel>Herhaling (recidive)</titel></kop><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ, Awb</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de <vet>inwoner</vet> binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw zo gedraagt dat de <vet>uitkering</vet> wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de <vet>gemeente</vet> eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een herhaalde verlaging op grond van artikel 9.2.6 kan maximaal drie maanden duren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verdubbeld, als de <vet>uitkering</vet> van de <vet>inwoner</vet> is verlaagd vanwege ontoelaatbaar <vet>gedrag</vet> en de <vet>inwoner</vet> binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw ontoelaatbaar gedraagt. </al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>9.3</nr><titel>Handhaving in de Wet Inburgering 2021</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>9.3.1</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>inburgeringsplichtige</vet> is verplicht om:</al><lijst><li nr="a."><al>na de oproep te verschijnen bij de <vet>brede intake</vet> en hieraan mee te werken; en</al></li><li nr="b."><al>de afspraken in het Plan inburgering en participatie (PIP)na te komen, waaronder deelname aan voortgangsgesprekken en aan activiteiten in het kader van de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) en het Participatieverklaringstraject (PVT).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De asielstatushouder is daarnaast ook verplicht deel te nemen aan de taallessen en andere activiteiten van de gevolgde leerroute.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.3.2</nr><titel>Handhaving verplichtingen bij de brede intake</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de <vet>inburgeringsplichtige</vet> na de eerste oproep voor de <vet>brede intake</vet> niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, geeft de gemeente een schriftelijke waarschuwing. De gemeente wijst daarbij op de gevolgen voor de <vet>inburgeringsplichtige</vet> als hij of zij opnieuw niet verschijnt na een oproep of als hij of zij op een andere manier onvoldoende meewerkt aan de brede intake. De gemeente nodigt de <vet>inburgeringsplichtige</vet> opnieuw uit om te verschijnen binnen twee weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de <vet>inburgeringsplichtige</vet> na deze volgende oproep niet verschijnt of onvoldoende meewerkt, legt de gemeente de <vet>inburgeringsplichtige</vet> een boete op. De hoogte van de boete is vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de <vet>inburgeringsplichtige</vet> niet komt of onvoldoende meewerkt. De <vet>inburgeringsplichtige</vet> krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de <vet>inburgeringsplichtige</vet> niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken per brief, digitaal of in een gesprek duidelijk te maken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat de <vet>inburgeringsplichtige</vet> niets te verwijten valt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente legt een lagere boete op dan vastgesteld in artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021, als op basis van de reactie van de <vet>inburgeringsplichtige</vet> aannemelijk is dat de boete vanwege bijzondere omstandigheden te hoog is. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De <vet>inburgeringsplichtige</vet> is verantwoordelijk voor het aantonen van feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een verlaging van de opgelegde boete. Als de gemeente op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt daarmee bij het opleggen van de boete rekening gehouden.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>In de brief (beschikking) waarmee de boete wordt opgelegd, nodigt de gemeente de <vet>inburgeringsplichtige</vet> opnieuw uit om binnen twee weken alsnog te verschijnen of mee te werken. Wanneer de <vet>inburgeringsplichtige</vet> hieraan niet voldoet, legt de gemeente weer een boete op met inachtneming van artikel 7.1.1 van het Besluit inburgering 2021.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.3.3</nr><titel>Handhaving tijdens het inburgeringstraject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente legt een boete op als de <vet>inburgeringsplichtige</vet> de afspraken in het PIP tijdens het inburgeringstraject verwijtbaar niet of onvoldoende nakomt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeente legt de asielstatushouder een boete op als hij verwijtbaar niet of onvoldoende deelneemt aan de activiteiten van de gekozen leerroute. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat de gemeente een boete oplegt, wordt onderzocht waarom de afspraken in het PIP of de afspraken over de activiteiten bij de gekozen leerroute niet zijn nagekomen. De <vet>inburgeringsplichtige</vet> krijgt in een gesprek hierover de gelegenheid een verklaring te geven. Wanneer de <vet>inburgeringsplichtige</vet> niet verschijnt bij dit gesprek, biedt de gemeente hem of haar de gelegenheid zijn of haar zienswijze binnen twee weken per brief of digitaal kenbaar te maken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Mede op basis van het gesprek met de <vet>inburgeringsplichtige</vet> dan wel zijn of haar schriftelijke zienswijze bepaalt de gemeente de mate van verwijtbaarheid. De gemeente beoordeelt of er sprake is van opzet, van grove schuld, van normale verwijtbaarheid of van verminderde verwijtbaarheid en stemt de boete daarop af met inachtneming van artikel 7.1 van het Besluit inburgering 2021.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeente legt geen boete op wanneer aannemelijk is dat de <vet>inburgeringsplichtige</vet> niets te verwijten valt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.3.4</nr><titel>Samenhang met handhaving op grond van de Participatiewet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Houdt een <vet>inburgeringsplichtige</vet> met een bijstands<vet>uitkering</vet> (Participatiewet) zich niet aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het bevorderen van participatie en het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, dan vindt bij voorkeur verlaging van de <vet>uitkering</vet> plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de <vet>Verordening</vet> zoals bedoeld in artikel 9.2.1. De gemeente legt voor hetzelfde gedrag dan geen bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 op. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Houdt een <vet>inburgeringsplichtige</vet> met een bijstands<vet>uitkering</vet> zich niet aan verplichtingen en afspraken uit het PIP, waarin de nadruk ligt op het vergroten van de taalbeheersing en aan overige afspraken en verplichtingen in het PIP, dan legt de gemeente bij voorkeur een boete op grond van de <vet>Wet</vet> inburgering 2021 op. De gemeente verlaagt in dat geval voor hetzelfde gedrag de bijstands<vet>uitkering</vet> niet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de keuze tussen i) handhaven op grond van de Participatiewet door een verlaging van de <vet>uitkering</vet> en ii) handhaven op grond van de <vet>Wet</vet> inburgering 2021 via een boete, weegt de gemeente ook af wat het best bijdraagt aan het succesvol voltooien van het inburgeringstraject.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer gedrag leidt tot een overtreding van de Participatiewet en artikel 18 of 18 b van de Participatiewet laat de gemeente geen ruimte om af te zien van verlaging van de bijstand, dan legt de gemeente een maatregel op en geen boete op grond van de Wet inburgering 2021.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In de brief (beschikking) aan de <vet>inburgeringsplichtige</vet> vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de <vet>Wet</vet> inburgering 2021 wordt opgelegd of dat de <vet>uitkering</vet> wordt verlaagd op grond van de Participatiewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.3.5</nr><titel>Verrekening boete met bijstandsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeente kan de bestuurlijke boete die op grond van de <vet>Wet</vet> inburgering 2021 aan de <vet>inburgeringsplichtige</vet> is opgelegd, verrekenen met de algemene bijstands<vet>uitkering</vet>. Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb. De gemeente houdt hierbij rekening met een fictieve draagkracht van 5% van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>9.4</nr><titel>Terugvorderen uitkering</titel></kop><structuurtekst><al> [<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> vordert gemeentelijke <vet>uitkeringen</vet> terug in de gevallen die in de <vet>wet</vet> zijn beschreven. De gemeente doet dat volgens de regels van de <vet>wet</vet> en de gemeentelijke ‘Beleidsregels Terugvordering en Verhaal Fijnder’. De geldende beleidsregels zijn te vinden op <extref doc="http://www.overheid.nl"><onderstreept>www.overheid.nl</onderstreept></extref>. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de <vet>inwoner</vet>. </al></li><li nr="2."><al>Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat <vet>inwoner</vet>s een <vet>inkomen</vet> blijven houden dat past bij hun <vet>persoonlijke situatie</vet>. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet. Dat is het bedrag dat de <vet>inwoner</vet> in ieder geval moet overhouden van zijn inkomen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>9.5</nr><titel>Beëindigen en terugvorderen voorziening </titel></kop><artikel><kop><label/><nr>9.5.1</nr><titel>Beëindiging voorziening</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan een <vet>voorziening</vet> geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de <vet>wet</vet> of in deze <vet>Verordening</vet> is aangegeven. De <vet>voorziening</vet> kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de <vet>voorziening</vet> niet langer passend of nodig is;</al></li><li nr="b."><al>de <vet>inwoner</vet> zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de <vet>voorziening</vet> zijn verbonden;</al></li><li nr="c."><al>de gemeente niet langer kan beoordelen of de <vet>inwoner</vet> in aanmerking komt voor de <vet>voorziening</vet>, omdat de <vet>inwoner</vet> onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de <vet>voorziening</vet>; </al></li><li nr="d."><al>de <vet>voorziening</vet> is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;</al></li><li nr="e."><al>de <vet>voorziening</vet> voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of</al></li><li nr="f."><al>het gemeentelijk beleid is gewijzigd, en de <vet>inwoner</vet> daarom niet meer in aanmerking komt voor een <vet>voorziening</vet>. De <vet>gemeente</vet> houdt dan wel rekening met een redelijke overgangsperiode. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De <vet>voorziening</vet> kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente kan een besluit om een <vet>pgb</vet> toe te kennen intrekken, als de <vet>inwoner</vet> het <vet>pgb</vet> niet binnen drie maanden na toekenning heeft gebruikt om de <vet>voorziening</vet> te betalen waarvoor het <vet>pgb</vet> is bestemd, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente een langere termijn heeft bepaald; of </al></li><li nr="b."><al>de <vet>inwoner</vet> niet te verwijten is dat hij het <vet>pgb</vet> niet binnen die termijn heeft gebruikt. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.5.2</nr><titel>Terugvordering en verrekening voorziening</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Wgs</vet><vet>, </vet><vet>Llv</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> kan de <vet>voorziening</vet>, of de waarde daarvan, van de <vet>inwoner</vet> terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan één van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.5.1. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een <vet>Wmo</vet><vet>-voorziening</vet> kan alleen worden teruggevorderd als die <vet>voorziening</vet> is ingetrokken omdat de <vet>inwoner</vet> opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De gemeente kan een vordering op de <vet>inwoner</vet> op grond van dit artikel, verrekenen met een vordering die de <vet>inwoner</vet> op de gemeente krijgt op grond van één van de wetten waarop deze <vet>Verordening</vet> is gebaseerd. </al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>9.6</nr><titel>Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?</titel></kop><artikel><kop><label/><nr>9.6.1</nr><titel>Controle</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> controleert regelmatig of de <vet>inwoner</vet> die een <vet>uitkering</vet> of <vet>voorziening</vet> van de gemeente ontvangt, recht heeft op een <vet>uitkering</vet> of <vet>voorziening</vet>. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van:</al><lijst><li nr="a."><al>huisbezoeken: <vet>medewerkers</vet> van de gemeente gaan langs bij de <vet>inwoner</vet> en kijken in en om de <vet>woning</vet>. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de <vet>inwoner</vet>;</al></li><li nr="b."><al>waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de <vet>inwoner</vet> zonder dat de <vet>inwoner</vet> hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek;</al></li><li nr="c."><al>bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de <vet>inwoner</vet> met de gegevens die bekend zijn over deze <vet>inwoner</vet> bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten;</al></li><li nr="d."><al>signalen en tips van organisaties of particulieren;</al></li><li nr="e."><al>andere onderzoeksmethoden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het controleren van <vet>voorziening</vet>en is ook bedoeld om de kwaliteit van de <vet>voorziening</vet> te beoordelen en om te kijken of de <vet>voorziening</vet> op de juiste manier wordt gebruikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> en het Dagelijks Bestuur van Fijnder houden zich aan de regels die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en <vet>uitkering</vet>en.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij beëindiging van de <vet>uitkering</vet> of voorziening op verzoek van de <vet>inwoner</vet>, informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de <vet>uitkering</vet> of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.6.2</nr><titel>Voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> stelt alles in het werk om <vet>misbruik en oneigenlijk gebruik</vet> te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente <vet>inwoners</vet> op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente <vet>inwoner</vet>s over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van <vet>uitkeringen</vet> en <vet>voorzieningen</vet>. </al><al>Bij het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht kan de gemeente een waarschuwing geven of een boete opleggen. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ Fijnder 1 juli 2024’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op <extref doc="http://www.overheid.nl"><onderstreept>www.overheid.nl</onderstreept></extref>.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.6.3</nr><titel>Privacy bij controle op misbruik en oneigenlijk gebruik</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> werkt met een protocol voor het afleggen van een huisbezoek bij een <vet>inwoner</vet> die een <vet>uitkering</vet> ontvangt. Dit protocol moet ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van <vet>inwoner</vet>s plaatsvindt. De <vet>inwoner</vet> kan dit protocol inzien. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privé-leven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeksvorm die voor de <vet>inwoner</vet> het minst belastend is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.6.4</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, </vet><vet>Awb</vet>]</al><al>De <vet>gemeente </vet>kan één of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten zoals in deze <vet>Verordening </vet>benoemd en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor <vet>Wmo</vet><vet>-hulp </vet>geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen. De <vet>gemeente </vet>wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de <vet>wet</vet>.</al></artikel><artikel><kop><label/><nr>9.6.5</nr><titel>Rechtmatigheid en doelmatigheid</titel></kop><al>De gemeente treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte <vet>hulp-op-maat </vet>en <vet>pgb</vet>’s te waarborgen en misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>De gemeente</vet> zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;</al></li><li nr="2."><al><vet>De gemeente</vet> verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Berkelland onderhouden;</al></li><li nr="3."><al><vet>De gemeente</vet> maakt afspraken met aanbieders van <vet>voorziening</vet>en over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;</al></li><li nr="4."><al><vet>De gemeente</vet> beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties;</al></li><li nr="5."><al><vet>De gemeente</vet> bezoekt <vet>inwoner</vet>s en locaties, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning;</al></li><li nr="6."><al><vet>De gemeente</vet> monitort het gebruik van het <vet>pgb</vet> en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen;</al></li><li nr="7."><al><vet>De gemeente</vet> voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een <vet>pgb</vet> op:</al><lijst><li nr="o"><al>de regiemogelijkheden van de <vet>inwoner</vet> of degene die de <vet>inwoner</vet> als <vet>vertegenwoordiger</vet> wenst in te schakelen;</al></li><li nr="o"><al>de kwaliteit van de invulling van het door de <vet>inwoner</vet>te overleggen <vet>pgb-plan</vet>, mede met het oog op de te bereiken resultaten;</al></li><li nr="o"><al>de kwaliteit van de door de <vet>inwoner</vet> in te schakelen hulpverlener.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>10</nr><titel>Inwonerparticipatie</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>Het beleid dat de <vet>gemeente </vet>maakt en uitvoert is bedoeld voor de <vet>inwoners</vet>. Met de ervaringen van de <vet>inwoner</vet>s kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe <vet>inwoner</vet>s hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er adviesraden zijn en staat de taak van deze raden beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier <vet>inwoner</vet>s met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor <vet>inwoner</vet>s met een <vet>beperking</vet>. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarde</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al> De gemeente <cursief>biedt de <vet>inwoner</vet> verschillende vormen van <vet>inspraak</vet></cursief>.</al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>10.1</nr><titel>Inspraak van inwoners</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente </vet>kiest ervoor om <vet>inwoners inspraak </vet>te geven in de onderwerpen die in deze <vet>Verordening </vet>worden geregeld. De regels van de Inspraak<vet>verordening</vet> gemeente Berkelland zijn daarop van toepassing en worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. </al><al><vet>Inwoner</vet>s kunnen inspraak hebben bij:</al><lijst><li nr="a."><al>plannen voor beleid en regels;</al></li><li nr="b."><al>de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert;</al></li><li nr="c."><al>de manier waarop <vet>medewerkers </vet>van de gemeente omgaan met <vet>inwoner</vet>s (bejegening);</al></li><li nr="d."><al>de manier waarop <vet>aanbieders </vet>van <vet>hulp </vet>hun taken uitvoeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. </al></li><li nr="3."><al>De gemeente kan <vet>inwoner</vet>s op verschillende manieren inspraak geven:</al><lijst><li nr="a."><al>via de cliëntenraad <vet>Participatiewet</vet>;</al></li><li nr="b."><al>via de Welzijnsraad;</al></li><li nr="c."><al>door de <vet>Jongerenraad </vet>te raadplegen;</al></li><li nr="d."><al>door <vet>inwoner</vet>s te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten;</al></li><li nr="e."><al>door samen met <vet>inwoner</vet>s een plan te ontwerpen; of</al></li><li nr="f."><al>op andere geschikte manieren.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>10.2</nr><titel>Hulp van de gemeente bij inspraak</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt voor goede <vet>inspraak</vet> en doet dat op de volgende manier: </al><lijst><li nr="a."><al>De <vet>inwoners</vet> krijgen voldoende tijd om invloed te kunnen hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan. </al></li><li nr="b."><al>De <vet>inwoner</vet>s worden deskundig ondersteund, zodat de inspraak volwaardig is.</al></li><li nr="c."><al>De <vet>inwoner</vet>s kunnen een inbreng hebben in het overleg met de gemeente over kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan.</al></li><li nr="d."><al>De <vet>inwoner</vet>s krijgen op tijd voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>10.3</nr><titel>Cliëntenraad Participatiewet</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>PW, IOAW, IOAZ</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> zet zich ervoor in dat er een cliëntenraad <vet>Participatiewet</vet> is die betrokken wordt bij de uitvoering van de Participatiewet, de <vet>IOAW</vet> en de <vet>IOAZ</vet>. De cliëntenraad vormt een afspiegeling van de <vet>inwoners</vet> die <vet>Fijnder</vet> ondersteunt. Het doel van de cliëntenraad is het geven van advies over beleid van de gemeente bij de uitvoering van de genoemde wetten. </al></structuurtekst><artikel><kop><label/><nr>10.3.1</nr><titel>Samenstelling en werkwijze</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliëntenraad bestaat uit minimaal vijf en maximaal elf personen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliëntenraad komt minimaal vier keer per jaar bij elkaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden worden benoemd door het dagelijks bestuur voor vier jaar. Leden kunnen maximaal twee keer worden herbenoemd. Er is een onafhankelijk voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al><vet>Inwoners</vet> kunnen een vergadering van de cliëntenraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegend belang is om dit niet te doen. <vet>Inwoner</vet>s kunnen bij de cliëntenraad onderwerpen voor de agenda aanmelden. De cliëntenraad informeert <vet>inwoner</vet>s waar en wanneer de vergaderingen zijn en hoe zij onderwerpen kunnen aanmelden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt voor goede ondersteuning van de cliëntenraad, bijvoorbeeld door</al><lijst><li nr="a."><al>de inzet van een <vet>medewerker</vet> van Fijnder als secretaris. De secretaris zorgt voor de administratieve en organisatorische ondersteuning van de cliëntenraad; </al></li><li nr="b."><al>geschikte vergaderruimte; </al></li><li nr="c."><al>voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid;</al></li><li nr="d."><al>voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid bij de cliëntenraad ligt, uiterlijk zes weken voordat het dagelijks bestuur van Fijnder een besluit wil nemen of een advies daarover wil geven aan de gemeenteraad of het algemeen bestuur van Fijnder;</al></li><li nr="e."><al>medewerkers van de gemeente of Fijnder een toelichting te laten geven over plannen voor nieuw beleid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>10.3.2</nr><titel>Taken en bevoegdheden </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De cliëntenraad geeft gevraagd en ongevraagd advies over plannen voor nieuw beleid van burgemeester en <vet>wethouders</vet> of van de gemeenteraad. De cliëntenraad kan ook advies geven over het geldende beleid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het advies over plannen voor nieuw beleid wordt uitgebracht, uiterlijk tien dagen voordat het dagelijks bestuur van Fijnder het beleid wil vaststellen of een advies daarover wil doorsturen naar de gemeenteraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliëntenraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde <vet>inwoner</vet>. </al></lid></artikel><artikel><kop><label/><nr>10.3.3</nr><titel>Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het dagelijks bestuur van <vet>Fijnder</vet> stelt elk jaar een budget vast voor de kosten van de cliëntenraad, op basis van een onderbouwde begroting van de cliëntenraad. De cliëntenraad moet de begroting uiterlijk in januari van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar aanleveren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De cliëntenraad brengt jaarlijks voor één april aan het dagelijks bestuur verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar en van de besteding van het budget over dat jaar. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De leden van de cliëntenraad ontvangen een onkostenvergoeding per bijgewoonde openbare vergadering van de cliëntenraad, een werkgroep of van een commissie uit de cliëntenraad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De leden van de cliëntenraad ontvangen een <vet>vergoeding</vet> voor de reiskosten die worden gemaakt om deel te nemen aan deze vergaderingen.</al></lid><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>10.4</nr><titel>Welzijnsraad </titel></kop><structuurtekst><al>De <vet>gemeente</vet> heeft een Welzijnsraad. De Welzijnsraad heeft als taak om de <vet>gemeente</vet> gevraagd en ongevraagd te adviseren over de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van het gemeentelijk beleid binnen het sociaal domein. In de Regeling Welzijnsraad gemeente Berkelland 2022 staan de regels die gelden voor het functioneren van de Welzijnsraad. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>10.5</nr><titel>Jongerenraad </titel></kop><structuurtekst><al>De <vet>gemeente</vet> heeft een Jongerenraad. De Jongerenraad heeft als taak om de gemeente gevraagd en ongevraagd te adviseren over onderwerpen die <vet>jongeren</vet> in de gemeente Berkelland aangaan. In de <vet>Verordening</vet> Jongerenraad Berkelland 2023 staan de regels die gelden voor het functioneren van de Jongerenraad. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>10.6</nr><titel>Inspraak bij aanbieders</titel></kop><structuurtekst><al> [<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al><vet>Aanbieders</vet> zijn verplicht om <vet>inwoners</vet> die gebruik maken van hun diensten of producten, <vet>inspraak</vet> te geven en daarover regels te maken. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een cliëntenraad of andere vormen van inspraak. </al></li><li nr="2."><al>De <vet>gemeente</vet> ziet erop toe dat de aanbieder van <vet>Wmo</vet><vet>-hulp</vet> de regels over inspraak naleeft. De gemeente overlegt regelmatig met deze aanbieders over de dienstverlening en onderzoekt jaarlijks hoe tevreden <vet>inwoner</vet>s met de aanbieder zijn. Voor <vet>jeugdhulp</vet> is het toezicht geregeld in de Jeugdwet. De Inspectie voor de Volksgezondheid ziet erop toe dat de aanbieder van <vet>jeugdhulp</vet> de regels uit de Jeugdwet naleeft.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>11</nr><titel>Aanmerkingen op de uitvoering </titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>De <vet>gemeente</vet> probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat <vet>inwoner</vet>s het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een <vet>inwoner</vet> niet tevreden is, vindt de gemeente dit een belangrijk signaal. De gemeente wil dan graag de kritiek met de <vet>inwoner</vet> bespreken en nagaan of er een oplossing is. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. Bij problemen met <vet>jeugdhulp</vet>, kan de <vet>inwoner</vet> een vertrouwenspersoon spreken. Dit hoofdstuk sluit aan bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente gaat respectvol om met de mening <cursief>van de <vet>inwoner</vet>.</cursief></cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente is betrokken en gaat oplossingsgericht te werk.</cursief></al></li><li nr="❖"><al><cursief>De gemeente heeft de procedure om een klacht in te dienen duidelijk omschreven.</cursief></al></li></lijst></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>11.1</nr><titel>Doelen klacht- en bezwaarprocedure</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Awb</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente</vet> ziet een klacht of bezwaar als:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanleiding om een besluit te heroverwegen;</al></li><li nr="b."><al>een mogelijkheid om de dienstverlening aan <vet>inwoner</vet>s te verbeteren;</al></li><li nr="c."><al>een aanleiding om een vertrouwensbreuk te herstellen; en</al></li><li nr="d."><al>een aanzet om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te herstellen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De <vet>inwoner</vet> die een klacht of bezwaar heeft ingediend, krijgt de gelegenheid om zijn klacht of bezwaar mondeling toe te lichten. </al></li><li nr="3."><al>De <vet>inwoner</vet> kan kritiek op de uitvoering van wettelijke taken door de gemeente uiten via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure.</al></li><li nr="4."><al>De gemeente zorgt ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.</al></li><li nr="5."><al>De gemeente zet zich ervoor in dat de <vet>inwoner</vet> die een klacht of bezwaar heeft ingediend, zich gehoord voelt.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>11.2</nr><titel>Klachtenprocedure</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Awb</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><al>De <vet>inwoner</vet> kan een klacht indienen over het <vet>gedrag</vet> van bestuursorganen en <vet>medewerkers</vet> van de <vet>gemeente</vet> bij de uitvoering van hun taak. In de <vet>Awb</vet> en de Klachtenregeling gemeente Berkelland staan de regels die gelden voor het indienen en behandelen van klachten. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>11.3</nr><titel>Klachten over andere personen of organisaties</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Awb</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>De <vet>inwoner</vet> met een klacht over het <vet>gedrag</vet> van een <vet>medewerker</vet> van een organisatie die namens de <vet>gemeente hulp</vet> verleent, kan die klacht indienen bij die organisatie. De organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld. Is de <vet>inwoner</vet> niet tevreden over de behandeling van de klacht, dan kan de <vet>inwoner</vet> zjin klacht alsnog indienen bij de gemeente. </al></li><li nr="2."><al>Als de <vet>inwoner</vet> niet tevreden is over de manier waarop de klacht door de gecontracteerde persoon of organisatie is afgehandeld, verwijst de <vet>aanbieder</vet> de <vet>inwoner</vet> door naar de gemeente. De <vet>inwoner</vet> kan dan een klacht indienen bij de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>De <vet>inwoner</vet> die geraakt is door geweld of ander strafbaar <vet>gedrag</vet> van personen of van een organisatie die die <vet>hulp</vet> verlenen op grond van een besluit van de gemeente, kan dit melden bij de gemeente. De gemeente bepaalt hoe die <vet>melding</vet> wordt behandeld.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>11.4</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Jeugdwet</vet>]</al><al>De <vet>gemeente</vet> zorgt ervoor dat de <vet>inwoner</vet> die <vet>jeugdhulp</vet> krijgt, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kan spreken. De vertrouwenspersoon kan de <vet>inwoner</vet> ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de <vet>jeugdhulp</vet>. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>11.5</nr><titel>Bezwaar</titel></kop><structuurtekst><al>[<vet>Awb</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al><lijst><li nr="1."><al>Als de <vet>gemeente</vet> een besluit neemt, informeert de <vet>gemeente</vet> de <vet>inwoner</vet> over de manier waarop bezwaar kan worden gemaakt tegen dat besluit. </al></li><li nr="2."><al>De <vet>inwoner</vet> die het niet eens is met een besluit kan daartegen bezwaar maken volgens de regels die zijn beschreven in de Awb en de <vet>Verordening</vet> commissie bezwaarschriften. Als het gaat om besluiten die door of namens het dagelijks bestuur van Fijnder zijn genomen, dan zijn de regels van de Procedureregeling commissie bezwaarschriften Fijnder 2023van toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>12</nr><titel>Kwaliteit, inkoop en aanbesteding</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>De diensten en producten die de <vet>gemeente</vet> en <vet>aanbieders</vet> leveren, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoeften van de <vet>inwoner</vet>. Producten moeten veilig, degelijk en goed bruikbaar zijn voor de <vet>inwoner</vet>. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten. </al><al/><al>Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende <vet>kernwaarden</vet>:</al><lijst><li nr="❖"><al><cursief>Diensten en producten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passend bij de behoefte van de <vet>inwoner</vet></cursief>.</al></li><li nr="❖"><al><cursief> De aanbieder van diensten en producten is klantgericht</cursief>.</al></li><li nr="❖"><al><cursief>De diensten en producten zijn gericht op het versterken van de <vet>zelfredzaamheid</vet> van de <vet>inwoner</vet></cursief>.</al></li></lijst><al>[<vet>Jeugdwet, </vet><vet>Wmo</vet><vet>, Gemeentewet</vet>]</al></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>12.1</nr><titel>Kwaliteit</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Alle diensten en producten die de <vet>gemeente</vet> in het kader van deze <vet>Verordening</vet> aanbiedt moeten van goede kwaliteit zijn zodat het gewenste <vet>effect</vet> voor de <vet>inwoner</vet> wordt bereikt.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente zorgt voor een goede prijs-kwaliteitverhouding door:</al><lijst><li nr="a."><al>een vaste prijs te bepalen. Die prijs geldt dan voor inschrijving op een aanbesteding en voor een daaropvolgende overeenkomst met een <vet>aanbieder</vet>; of</al></li><li nr="b."><al>een reële prijs vast te stellen. Die geldt dan als ondergrens voor een inschrijving en voor een overeenkomst met een aanbieder. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De diensten en producten:</al><lijst><li nr="a."><al>passen bij de behoefte van de <vet>inwoner</vet>;</al></li><li nr="b."><al>zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de <vet>inwoner</vet>;</al></li><li nr="c."><al>voldoen aan normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard;</al></li><li nr="d."><al>worden afgestemd op andere diensten of producten die aan de <vet>inwoner</vet> worden geleverd;</al></li><li nr="e."><al>worden geleverd volgens een bepaalde structuur, die op tijd aan de <vet>inwoner</vet> wordt meegedeeld.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De gemeente kan aanvullende kwaliteitseisen en andere voorschriften vaststellen en controleert of aanbieders zich aan deze eisen houden. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>12.2</nr><titel>Inkoop en aanbesteding</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>De <vet>gemeente </vet>zorgt er voor dat de kwaliteit van de diensten en producten in het kader van deze <vet>Verordening </vet>gegarandeerd is. Bij inkoop en aanbesteding toetst de gemeente of <vet>aanbieders </vet>rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1, het derde lid.</al></li><li nr="2."><al>De gemeente houdt bij het vaststellen van prijzen rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>het soort dienst of product; </al></li><li nr="b."><al>het salaris en andere arbeidsvoorwaarden van werknemers;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>andere personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor werkoverleg, bijscholing, ziekte en verlof van werknemers; </al></li><li nr="e."><al>reis- en opleidingskosten van werknemers;</al></li><li nr="f."><al>het jaarlijks aanpassen van de reële prijs in verband met wijziging van de kosten;</al></li><li nr="g."><al>andere kosten die het gevolg zijn van verplichtingen voor aanbieders, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij inkoop en aanbesteding verwacht de gemeente van aanbieders dat zij:</al><lijst><li nr="a."><al>diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en </al></li><li nr="b."><al>zich houden aan de regels van het arbeidsrecht als zij werknemers hebben.</al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>12.3</nr><titel>Kwaliteitseisen</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van <vet>voorziening</vet>en, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van <vet>voorziening</vet>en op de <vet>persoonlijke situatie </vet>van de <vet>inwoner</vet>;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van <vet>voorziening</vet>en op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van <vet>voorziening</vet>en handelen in overeenstemming met de professionele standaard;</al></li><li nr="d."><al>een integraal <vet>zorgplan </vet>per <vet>inwoner</vet>; en rapportages over resultaten;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De gemeente kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van <vet>voorziening</vet>en, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de <vet>inwoner </vet>ter plaatse controleren van de geleverde <vet>voorziening</vet>en.</al></li><li nr="5."><al>De gemeente draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die de gemeente aan de ondersteuning stelt.</al></li><li nr="6."><al>De gemeente draagt er zorg voor dat de aanbieder er zorg voor draagt dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen.</al></li><li nr="7."><al>De gemeente onderzoekt periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>13</nr><titel>Begrippenlijst</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In deze <vet>Verordening</vet> worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze <vet>Verordening</vet> is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst? </al><lijst><li nr="•"><al>Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze <vet>Verordening</vet> is. </al></li><li nr="•"><al>Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze <vet>Verordening</vet> een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat we zoveel mogelijk aansluiten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.</al></li><li nr="•"><al>Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze <vet>Verordening</vet> wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.</al></li><li nr="•"><al>Ten slotte worden in deze <vet>Verordening</vet> ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven. </al></li></lijst><al><vet>Aanbieder(s)</vet>: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente.</al><al/><al><vet>Aangepast vervoer</vet>: vervoer met een besloten (school)bus, taxi, treintaxi of bustaxi, niet zijnde openbaar vervoer.</al><al/><al><vet>Aanvraag</vet>: een verzoek van een inwoner om een besluit te nemen.</al><al/><al><vet>Algemeen</vet><vet>gebruikelijke voorziening(en)</vet>: een voorziening die</al><lijst><li nr="•"><al>niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;</al></li><li nr="•"><al>daadwerkelijk beschikbaar is;</al></li><li nr="•"><al>een passende bijdrage levert aan het realiseren van <vet>zelfredzaamheid</vet> of participatie; en</al></li><li nr="•"><al>financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. Volgens de Centrale raad van Beroep is hiervan sprake wanneer een voorziening naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen gangbaar is te achten voor de gehele bevolking.</al></li></lijst><al><vet>Andere voorziening(en)</vet>: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan hulp-op-maat. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of voorliggende voorziening, of voorliggende voorzieningen op grond van andere regelingen, zoals alimentatie en toeslagen.</al><al/><al><vet>Anw</vet><vet>-uitkering</vet>: een maandelijkse uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. </al><al/><al><vet>Aow</vet><vet>-leeftijd</vet>: leeftijd waarop een uitkering (pensioen) op grond van de Algemene ouderdomswet ingaat.</al><al/><al><vet>Arbeidsverplichting</vet>: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW en artikel 37 van de IOAZ.</al><al/><al><vet>Asielmigrant</vet>: Deze inwoner is als vluchteling in Nederland gekomen en heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze inwoner is verplicht om inburgering te volgen.</al><al/><al><vet>Awb</vet>: Algemene wet bestuursrecht </al><al/><al><vet>Basisonderwijs</vet>: onderwijs op een basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.</al><al/><al><vet>Basisschool</vet>: basisschool als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs.</al><al/><al><vet>Beperking(en)</vet>: de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap. Dat heeft tot gevolg gehad dat er een belemmering is ontstaan in het sociaal-maatschappelijk functioneren of het gebruik van de elementaire woonfuncties, of, als het om vervoer naar school gaat, het vervoer naar school. </al><al/><al><vet>Bestuurlijke boete</vet>: een boete, vanwege het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht op grond van artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW, artikel 13, eerste lid, van de IOAZ, of artikel 30c van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</al><al/><al><vet>BIG</vet>: Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. De Wet BIG geeft regels voor beroepen in de gezondheidszorg en beschermt patiënten tegen ondeskundig en onzorgvuldig handelen. Op grond van de Wet BIG zijn bepaalde zorgverleners verplicht zich in te schrijven in het BIG-register. </al><al/><al><vet>Brede intake</vet>: voor de Wet inburgering wordt er een brede intake afgenomen. De brede intake is een onderzoek naar de mogelijkheden die de inburgeringsplichtige heeft om aan de inburgeringsplicht te voldoen. De brede intake bestaat in ieder geval uit een leerbaarheidstoets, een onderzoek over het onderwijs dat is gevolgd en de werkervaring uit het land van herkomst. Daarnaast bestaat de brede intake uit een verkenning naar de persoonlijke omstandigheden. En tot slot een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inburgeringsplichtige deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie.</al><al/><al><vet>Burger Portaal</vet>: is een digitale toegang tot uw gegevens. In Mijn Burger Portaal kan de inwoner zelf zien wat er met zijn/haar aanvraag om hulp of ondersteuning gebeurt. Inloggen gaat via DigiD.</al><al/><al><vet>Bijstandsnorm</vet>: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering, bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.</al><al/><al><vet>Bijstandsuitkering</vet>: de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Collectief taxivervoer</vet>: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).</al><al/><al><vet>Dichtstbijzijnde school</vet>: school die het dichtst bij de woning of opstapplaats van het kind ligt, gemeten via de kortste route waarlangs het kind veilig kan reizen. Als het kind naar een speciale school voor basisonderwijs gaat, dan is de dichtstbijzijnde school de school in het samenwerkingsverband waarop het kind eerst zat, of een andere speciale school voor basisonderwijs binnen dit samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente goedkoper is.</al><al/><al><vet>DUO</vet>: Dienst Uitvoering Onderwijs.</al><al/><al><vet>Effect</vet>: het resultaat. </al><al/><al><vet>Eigen kracht</vet>: Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.</al><al/><al><vet>Eigen vervoermiddel</vet>: een vervoermiddel dat de inwoner zelf bezit of dat hij kan gebruiken. Daaronder valt ook een vervoermiddel zoals een deel-, leen- of lease-auto.</al><al/><al><vet>Fijnder</vet>: Werkleerbedrijf Oost-Achterhoek</al><al/><al><vet>Financiële buffer</vet>: het vermogen boven de vermogensgrens uit artikel 34, lid 3 van de Participatiewet, dat past bij de leefsituatie. Vermogen is de waarde van geld en bezittingen. </al><al/><al><vet>Gebruikelijke hulp</vet>: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld. </al><al/><al><vet>Gedrag(en)</vet>: het geheel van acties en reacties van een persoon.</al><al/><al><vet>Gemeente</vet>: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland.</al><al/><al><vet>Geüniformeerde arbeidsverplichtingen</vet>: de verplichtingen die een inwoner met een bijstandsuitkering heeft om werk te zoeken en te aanvaarden, of om mee te werken aan activiteiten om aan het werk te komen, zoals het volgen van een opleiding. Deze verplichtingen staan concreet opgesomd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. </al><al/><al><vet>Gezinsmigranten en overige migranten</vet>: Deze inwoners zijn als migranten naar Nederland gekomen omdat zij een Nederlandse partner hebben of omdat zij ouders of kinderen in Nederland hebben wonen. Zij zijn inburgeringsplichtig en hebben een reguliere verblijfsvergunning in Nederland voor bepaalde tijd.</al><al/><al><vet>Hulp</vet>: </al><lijst><li nr="•"><al>ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 36 van de IOAW en artikel 36 van de IOAZ;</al></li><li nr="•"><al>bijstand als bedoeld in artikel 7 Participatiewet;</al></li><li nr="•"><al>een uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="•"><al>inkomensondersteuning op grond van de artikelen 108, eerste lid, en 147, eerste lid, Gemeentewet;</al></li><li nr="•"><al>maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de <vet>Wmo</vet>;</al></li><li nr="•"><al>jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;</al></li><li nr="•"><al>schuldhulpverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs; of </al></li><li nr="•"><al>een vervoersvoorziening als bedoeld in hoofdstuk 6 (vervoer naar school).</al></li></lijst><al><vet>Hulp in natura</vet>: hulp of zorg die de gemeente voor de inwoner inzet en betaalt</al><al/><al><vet>Hulp-op-maat</vet>: een op de inwoner afgestemde voorziening:</al><lijst><li nr="•"><al>Als het gaat om een voorziening in het kader van de <vet>Wmo</vet>: een maatwerkvoorziening (in natura of als <vet>pgb</vet>).</al></li><li nr="•"><al>Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling die speciaal op de inwoner is afgestemd of bijzondere bijstand. </al></li><li nr="•"><al>Als het gaat om schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden. </al></li><li nr="•"><al>Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.</al></li></lijst><al><vet>Hulpvraag</vet>: het probleem dat de inwoner wil oplossen.</al><al/><al><vet>Inburgeringsplichtige</vet>: de inburgeringsplicht is bedoeld voor inwoners die vreemdeling zijn in Nederland en op basis van artikel 8, onderdelen a en c, van de Vreemdelingenwet een rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Zij zijn ouder dan 18 jaar, maar hebben de pensioenleeftijd nog niet bereikt.</al><al/><al><vet>Inkomen</vet>: het inkomen, uit artikel 32, lid 1 van de Participatiewet. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6) dan wordt onder inkomen verstaan: inkomensgegevens als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het inkomen wordt dan gemeten over het peiljaar (artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs).</al><al/><al><vet>Inspraak</vet>: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze Verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.</al><al/><al><vet>Instelling(en)</vet>: een organisatie die bedrijfsmatig zorg of hulp verleent. </al><al/><al><vet>Interne werkbegeleiding</vet>: dagelijkse werkbegeleiding bij de werkgever door een medewerker in dienst van de werkgever. </al><al/><al><vet>Inwoner(s)</vet>: de persoon die zijn/haar woonplaats heeft binnen de gemeente volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om:</al><lijst><li nr="•"><al><vet>Wmo</vet>-hulp, dan betreft het de ingezetene van de gemeente als bedoeld in artikel 1.2.1 <vet>Wmo</vet> en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang of hulp bij het (zelfstandig) wonen;</al></li><li nr="•"><al>jeugdhulp, dan betreft het de jeugdige die zijn woonplaats in de gemeente heeft op grond van artikel 1.1 Jeugdwet; </al></li><li nr="•"><al>schuldhulpverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van de gemeente als ingezetene is ingeschreven. </al></li></lijst><al>Voor de toepassing van de hoofdstukken 9 en 11 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente. </al><al/><al><vet>IOAW</vet>: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.</al><al/><al><vet>IOAZ</vet>: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al><al/><al><vet>Jeugdhulp</vet>: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.</al><al/><al><vet>Jobcoaching</vet>: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan inwoners met een arbeidsbeperking, gericht op het vinden en behouden van werk.</al><al/><al><vet>Jongere(n)</vet>: Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Als het om werk en inkomen gaat: personen die jonger zijn dan 27 jaar. </al><al/><al><vet>Kind(eren)</vet>: de minderjarige (0-18 jaar).</al><al/><al><vet>Jongerenwerk</vet>: activiteiten die bij ‘Jimmy’s’ worden georganiseerd. Jimmy’s is de plek en het netwerk van jongeren voor jongeren waar inspirerende en nuttige activiteiten worden georganiseerd. De jongerenwerkers helpen bij het proces van zelforganisatie door jongeren, ouders, vrijwilligers, maatschappelijke partners en ondernemers. De jongerenwerkers werken nauw samen met politie, BOA’s, scholen, Voormekaarteams en hulpverleners.</al><al/><al><vet>Levensonderhoud</vet>: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.</al><al/><al><vet>Llv</vet>: de wetten die regelen dat gemeenten leerlingenvervoer aanbieden, dat wil zeggen de Wet op het primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra. </al><al/><al><vet>Mantelzorger(s)</vet>: langdurige, vrijwillige en onbetaalde zorgverlening aan een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, (schoon)ouder, kind of ander familielid, vriend of kennis. Deze zorg wordt niet-beroepsmatig verleend voor minimaal acht uur per week en langer dan drie maanden.</al><al/><al><vet>MAP</vet>: de Module Arbeidsmarkt en Participatie, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder b van de Wet inburgering 2021.</al><al/><al><vet>Medewerker(s)</vet>: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders optreedt. </al><al/><al><vet>Melding(en)</vet>: het kenbaar maken van een hulpvraag aan de gemeente.</al><al/><al><vet>Misbruik en oneigenlijk gebruik</vet>: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Hierdoor wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.</al><al/><al><vet>Normale dagelijkse activiteiten</vet>: noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo. </al><al/><al><vet>Ondersteuningsplan</vet>: Een plan dat de opdrachtgever samen met de inwoner opstelt, waarin de resultaten worden beschreven (het ‘WAT’) die bijdragen aan het realiseren van de beoogde effecten voor de cliënt.</al><al/><al><vet>Openbaar vervoer (OV)</vet>: openbaar toegankelijk personenvervoer dat met een vaste route en een vaste dienstregeling rijdt (of vaart). Daaronder valt ook een buurtbus. </al><al/><al><vet>Opstapplaats</vet>: plaats die is aangewezen door de gemeente, vanaf waar het kind (de leerling) gebruik kan maken van het vervoer naar school.</al><al/><al><vet>Ouders</vet>: ouders, voogden of verzorgers van de jongere.</al><al/><al><vet>Participatie</vet>: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. </al><al/><al><vet>Peiljaar</vet>: het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar begint, waarvoor een vervoersvoorziening voor leerlingenvervoer wordt aangevraagd. </al><al/><al><vet>Persoonlijk plan</vet>: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner ervaart en de gewenste hulp wordt geïnventariseerd. Gaat het om jeugdhulp, dan wordt hieronder verstaan: een familiegroepsplan.</al><al/><al><vet>Persoonlijk plan Inburgering en Participatie</vet>: het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) wordt opgesteld op basis van de brede intake. Hierin staat welke leerroute de inburgeringsplichtige gaat volgen. Welke begeleiding en ondersteuning hij daarbij gaat krijgen. De intensiteit van het participatieverklaringstraject en de MAP wordt in het PIP beschreven. Wanneer de inwoner een kind heeft dat nog niet naar de basisschool gaat worden er afspraken gemaakt over deelname aan de voorschoolse educatie.</al><al/><al><vet>Persoonlijke situatie</vet>: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn.</al><al/><al><vet>Pgb</vet>: persoonsgebonden budget dat de gemeente beschikbaar stelt, hiermee kan de inwoner zelf zijn ondersteuning of voorziening regelen en betalen.</al><al/><al><vet>Pgb-plan</vet>: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.</al><al/><al><vet>Positieve gezondheid</vet>: het vermogen om je aan te passen en een eigen regie te voeren in het licht van de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven.</al><al/><al><vet>Praktijkroute</vet>: het proces om de inwoner toegang tot het doelgroepregister te laten verkrijgen. Dit gebeurt door het vaststellen van de loonwaarde op de werkplek.</al><al/><al><vet>PVT</vet>: het Participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 6, eerste lid onder a van de Wet inburgering 2021.</al><al/><al><vet>PW</vet>: Participatiewet.</al><al/><al><vet>Reistijd</vet>: de tijd tussen het moment van het verlaten van de woning en de starttijd van de school volgens de schoolgids. Van deze reistijd mag maximaal 10 minuten worden afgetrokken als het kind gewoonlijk iets voor de start van de school aankomt op school. Voor de terugreis geldt de tijd tussen de eindtijd van de <vet>school</vet>dag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning van het kind. Hierbij kan maximaal 10 minuten worden opgeteld voor een eventuele wachttijd voor openbaar vervoer of aangepast vervoer.</al><al/><al><vet>Richting</vet>: godsdienstige of levensbeschouwelijke visie.</al><al/><al><vet>Samenwerkingsverband</vet>:</al><lijst><li nr="1."><al>voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, tweede en vijftiende lid, van de Wet op het primair onderwijs; of</al></li><li nr="2."><al>voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a, tweede en zestiende lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>Samenwonenden</vet>: degenen die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>School</vet>: basisschool, speciale school voor basisonderwijs, of school waar speciaal of voortgezet onderwijs wordt gegeven. </al><al/><al><vet>SKJ</vet>: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd. Dat is het beroepsregister voor jeugdprofessionals in Nederland. </al><al/><al><vet>Sociaal netwerk</vet>: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. </al><al/><al><vet>Sociale basis</vet>: de sociale basis (voorheen: voorliggend veld, inclusief algemene voorzieningen) bestaat uit drie onderling nauw verbonden pijlers: de inwoners zelf, hun netwerken en de meer formele, georganiseerde sociale basisvoorzieningen. De sociale basis heeft een belangrijke preventieve functie, verkleint de behoefte aan zwaardere (zorg)voorzieningen en raakt aan alle aspecten van het dagelijks leven. Zoals ontmoeting, onderwijs, opvoeding, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur en veiligheid. Alles bij elkaar vormt de sociale basis een vangnet voor hulp en steun. De sociale basis is zichtbaar en laagdrempelig, iedereen kan er gebruik van maken.</al><al/><al><vet>Speciaal onderwijs</vet>: onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra.</al><al/><al><vet>Uitkering(en)</vet>: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering. </al><al/><al><vet>Uitkeringsnorm</vet>: de maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.</al><al/><al><vet>Vaderschapsactie</vet>: een procedure die de biologische moeder van een kind instelt tegen een (vermoedelijke) vader, als een kind buiten een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt geboren, en de biologische vader het kind niet heeft erkend. Deze procedure dient om alimentatie van de vader te kunnen ontvangen en schept geen familierechtelijke band tussen de vader en het kind. </al><al/><al><vet>Vavo</vet><vet>-onderwijs</vet>: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs.</al><al/><al><vet>Vergoeding(en)</vet>: vergoeding van kosten. <vet>I</vet>n het kader van hoofdstuk 6 (vervoer naar school): de gehele of gedeeltelijke bekostiging van reiskosten, bedoeld in artikel 4 Wet op het primair onderwijs, artikel 8.28 Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4 van de Wet op de expertisecentra. </al><al/><al><vet>Verordening</vet>: bundeling van regels die door de gemeenteraad van Berkelland zijn vastgesteld.</al><al/><al><vet>Vertegenwoordiger</vet>: iedereen die omdat hij benoemd is vanuit de wet bevoegd is of door de inwoner is aangewezen om de belangen van die inwoner te behartigen.</al><al/><al><vet>Voorliggende voorziening(en)</vet>: een voorziening op grond van een andere regeling of van een andere organisatie. Gaat het om bijstand, dan wordt ermee bedoeld een voorziening als bedoeld in artikel 5 onderdeel e van de Participatiewet. </al><al/><al><vet>Voortgezet onderwijs</vet>: onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020.</al><al/><al><vet>Voorziening(en)</vet>: hulp in de vorm van een dienst, activiteit, product, pgb, geldbedrag, of een combinatie daarvan. </al><al/><al><vet>Werkgever</vet>: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie. Voor de <vet>Wsw</vet>-doelgroep kan de inlener gezien worden als werkgever.</al><al/><al><vet>Werknemer</vet>: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever of waar de werkgever van plan is om een dienstverband aan te bieden. </al><al/><al><vet>Wet</vet>: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet kinderopvang, de Wet sociale werkvoorziening, de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs of de Wet op de expertisecentra. </al><al/><al><vet>Wettelijk minimumloon</vet>: het wettelijk minimumloon, bedoeld in de Wet Minimumloon en minimumvakantiebijslag. Voor personen jonger dan 21 jaar: het leeftijdsgebonden minimumloon op grond van het Besluit minimumloon en minimumvakantiebijslag. </al><al/><al><vet>Wgs</vet>: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.</al><al/><al><vet>Wib</vet>: Wet inburgering 2021.</al><al/><al><vet>Wlz</vet><vet>-instelling</vet>: een instelling die zorg verleent op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). </al><al/><al><vet>Wmo</vet>: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al><al/><al><vet>Wmo</vet><vet>-hulp</vet>: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.</al><al/><al><vet>Woning</vet>: de woonruimte waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Gaat het om vervoer naar school (hoofdstuk 6), dan is de woning de plaats waar het kind structureel (over een langere periode) en feitelijk verblijft.</al><al/><al><vet>Wsw</vet>: Wet sociale werkvoorziening.</al><al/><al><vet>Wvggz</vet>: Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg.</al><al/><al><vet>Zelfredzaamheid</vet>: in staat zijn tot het uitvoeren van de normale dagelijkse activiteiten en het voeren van een gestructureerd huishouden, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.</al><al/><al><vet>Zorgplan</vet>: een plan dat de zorgaanbieder samen met de inwoner opstelt over de invulling en inzet van de zorg en/of ondersteuning (het ‘HOE’) en de wijze waarop deze bijdraagt aan de realisatie van de door de Voormekaar opgestelde resultaten en effecten. Het hulpverleningsplan en het (wettelijk verplichte) behandelplan kunnen hiervan onderdeel zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label/><nr>14</nr><titel>Van oud naar nieuw</titel></kop><artikel><kop><label/></kop><al>In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke <vet>Verordening</vet>en vervangen worden door deze <vet>Verordening</vet> en wanneer deze <vet>Verordening</vet> ingaat. In dit hoofdstuk staat ook dat de <vet>gemeente</vet> uitvoeringsregels kan vaststellen, en dat de gemeente van deze <vet>Verordening</vet> kan afwijken als dit nodig is. </al><al/><al>[<vet>Gemeentewet</vet>]</al></artikel><paragraaf><kop><label/><nr>14.1</nr><titel>Uitvoeringsregels</titel></kop><structuurtekst><al>De <vet>gemeente</vet> kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze <vet>Verordening</vet> zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een (nadere) regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een (nadere) regeling worden bepaalde regels van de <vet>Verordening</vet> verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de <vet>wet</vet>.</al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>14.2</nr><titel>Afwijken van de Verordening (hardheidsclausule)</titel></kop><structuurtekst><al>De <vet>gemeente</vet> kan afwijken van een bepaling uit deze <vet>Verordening</vet>. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de <vet>inwoner</vet> of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>14.3</nr><titel>Intrekken oude Verordeningen</titel></kop><structuurtekst><al>De <vet>Verordening</vet> Sociaal Domein Berkelland 2024, vastgesteld door de gemeenteraad op 21 november 2023, wordt ingetrokken. </al><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>14.4</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Een periodieke voorziening of <vet>uitkering</vet> die is verstrekt over een periode die doorloopt na 1 januari 2024 blijft onder dezelfde voorwaarden doorlopen, totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of <vet>uitkering</vet> heeft genomen. </al></li><li nr="2."><al>Op een aanvraag die de inwoner heeft ingediend na 1 januari 2025 en voor de datum van bekendmaking, zijn de bepalingen van deze <vet>Verordening</vet> van toepassing tenzij de toepassing van de bepalingen van de bij 14.3 ingetrokken <vet>Verordening</vet> gunstiger is. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 januari 2025 geldt iets anders. De gemeente behandelt deze aanvraag volgens de ingetrokken <vet>Verordening</vet>. Maar als een besluit volgens deze nieuwe <vet>Verordening</vet> gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze <vet>Verordening</vet> toe.</al></li><li nr="3."><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de bij 14.3 genoemde ingetrokken <vet>Verordening</vet>, past de gemeente die ingetrokken <vet>Verordening</vet> toe.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><label/><nr>14.5</nr><titel>Ingangsdatum en naam </titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="1."><al>Deze <vet>Verordening</vet> wordt genoemd: <vet>Verordening</vet> Sociaal Domein Berkelland 2025.</al></li><li nr="2."><al>Deze <vet>Verordening</vet> treedt in werking de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening><functie>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 18 maart 2025</functie></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>de griffier, </functie><functie>drs. J.A. Satijn </functie></ondertekening><ondertekening><functie/><functie>de voorzitter,</functie><functie>drs. J.H.A. van Oostrum</functie></ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>