<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73585_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Lochem 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbode, 23-2-2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Lochem 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0017017">Wet kinderopvang, art. 25</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-02-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-10-12</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010-08886</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Lochem 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al>Gelet op artikel 25 van de Wet kinderopvang en artikel 149 van de
                        Gemeentewet;</al><al>Gelezen het voorstel van het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling
                        Het Plein van 18 augustus 2010; </al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeesters en wethouders van
                        de gemeente Lochem van 31 augustus 2010;</al><al>B E S L U I T:</al><al>Vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening Wet Kinderopvang gemeente Lochem 2010</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet kinderopvang.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het bestuur: het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Het
                                    Plein; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>sociaal medische indicatie: een schriftelijke verklaring waaruit
                                    blijkt dat kinderopvang om sociaal medische redenen noodzakelijk
                                    is.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Tegemoetkoming kinderopvang op grond van sociaal-medische
                            indicatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep sociaal medische indicatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In aanmerking voor een gemeentelijke tegemoetkoming komt de
                                aanvrager die op grond van de wet geen recht heeft op een
                                tegemoetkoming van de kosten voor kinderopvang en die in het bezit
                                is van een sociaal-medische indicatie waaruit de noodzaak voor
                                kinderopvang blijkt, afgegeven door een organisatie die beschikt
                                over adequate deskundigheid. Deze sociaal-medische indicatie kan
                                zowel op de ouder(s) als het kind betrekking hebben. Het bestuur kan
                                besluiten extra medisch advies in te winnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Kinderen die 2,5 jaar of ouder zijn komen in beginsel niet in
                                aanmerking voor de kinderopvang op grond van sociaal-medische
                                indicatie. Ouders zullen in dat geval worden doorverwezen naar de
                                peuterspeelzaal. Op advies van het indicatieorgaan kan het bestuur
                                hiervan afwijken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De opvang, het aanbod en de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie vindt plaats
                                in een geregistreerd kinderopvangcentrum of gastouderopvang, zoals
                                bedoeld in de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het standaardaanbod voor de kinderopvang op grond van
                                sociaal-medische indicatie, bedraagt twee dagdelen per week. Op
                                advies van het indicatie-orgaan kan het bestuur hiervan voor een
                                bepaalde periode afwijken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvrager betaalt een eigen bijdrage in de kosten van de
                                kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie. Het bestuur
                                stelt beleidsregels vast met betrekking tot de hoogte en de wijze
                                van inning van deze bijdrage en de mogelijkheid om af te zien van
                                deze inning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur stelt op aanvraag van de ouder vast of hij of zijn
                                partner in aanmerking komt voor een gemeentelijke tegemoetkoming op
                                grond van sociaal- medische indicatie ten behoeve van het kind.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op
                                grond van een sociaal medische indicatie bevat in ieder geval de
                                volgende gegevens:</al><lijst><li nr="(a)"><al>naam, adres en BSN-nummer van de ouder(s) en het kind waarop
                                        de aanvraag betrekking heeft, alsmede de geboortedatum van
                                        dit kind;</al></li><li nr="(b)"><al>de sociaal-medische indicatiestelling;</al></li><li nr="(c)"><al>offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau
                                        dat de kinderopvang gaat verzorgen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag ook door de
                                partner ondertekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur besluit op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                bestuur stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inhoud van het besluit</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de noodzaak van kinderopvang op grond
                            van sociaal-medische indicatie bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de geldigheidsduur van de indicatie, zoals bedoeld in artikel 2,
                                    eerste lid.</al></li><li nr="b."><al>de omvang van de kinderopvang die het bestuur noodzakelijk
                                    vindt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>Het bestuur weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie vast te stellen of een tegemoetkoming op deze
                            grond toe te kennen als de ouder of partner:</al><lijst><li nr="a."><al>niet behoort tot de doelgroep genoemd in artikel 2, eerste lid;
                                    of</al></li><li nr="b."><al>reeds een tegemoetkoming ontvangt of kan ontvangen in de kosten
                                    van kinderopvang.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><al>Het bestuur kan een subsidie-plafond instellen voor deze doelgroep.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Tegemoetkoming kinderopvang wettelijke doelgroep</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De aanvraag van de tegemoetkoming</titel></kop><al>1.Een aanvraag voor de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                            bevat in ieder geval de volgende gegevens:</al><al>(a) naam, adres en BSN-nummer van de ouder(s) en het kind waarop de
                            aanvraag betrekking heeft, alsmede de geboortedatum van dit kind;</al><al>(b) gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de groep personen
                            bedoeld in artikel 22 van de wet;</al><al>(c) offerte of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de
                            kinderopvang gaat verzorgen.</al><al>2.Als de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag ook door de partner
                            ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Besluit tot verlening van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur besluit over de aanvraag binnen vier weken na ontvangst
                                van alle benodigde gegevens.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur kan dit besluit met ten hoogste vier weken verdagen. Het
                                stelt de ouder hiervan schriftelijk in kennis.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Weigeringgrond</titel></kop><al>Het bestuur weigert de tegemoetkoming indien de ouder niet behoort tot
                            de personen als bedoeld in artikel 22 van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de
                                aanvraag voor de tegemoetkoming door het bestuur in ontvangst is
                                genomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als op de in het eerste lid bedoelde datum nog geen kinderopvang
                                plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de
                                datum waarop de kinderopvang plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een
                                kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan het bestuur de tegemoetkoming
                                voor een andere periode verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur verleent de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat door de ouder is aangevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid verleent het bestuur bij een ouder
                                als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of tweede lid,
                                onderdeel a, van de wet de tegemoetkoming voor het aantal uren
                                kinderopvang dat naar zijn oordeel redelijkerwijs noodzakelijk is
                                voor de combinatie van arbeid en zorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inhoud van het besluit</titel></kop><al>Het besluit tot verlening van een tegemoetkoming in de kosten van
                            kinderopvang bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de vaststelling tot welke van de doelgroepen de ouder
                                    behoort;</al></li><li nr="b."><al>de naam en de geboortedatum van het kind of de kinderen waarop
                                    de tegemoetkoming betrekking heeft;</al></li><li nr="c."><al>de naam en het adres van het kindercentrum of gastouderbureau
                                    waar de kinderopvang plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor
                                    de tegemoetkoming wordt verleend;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald
                                    en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald;</al></li><li nr="g."><al>de verplichtingen van de ouder.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse
                            termijnen uitbetaald. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode
                                waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het bestuur een overzicht
                                van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst
                                van het overzicht van de kosten vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken
                            betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Verplichtingen van de ouder</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ouder of de partner doet het bestuur onmiddellijk na het bekend
                                worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van
                                inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van
                                een lagere tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het bestuur, binnen
                                een door het bestuur te stellen redelijke termijn, alle gegevens en
                                inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de
                                hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het onvoldoende nakomen of het nalaten van deze inlichtingenplicht
                                kan leiden tot het wijzigen of intrekken van de beschikking tot
                                verlening van de tegemoetkoming, het opschorten van de
                                bevoorschotting, het intrekken of wijzigen van het besluit tot
                                vaststelling van de tegemoetkoming, het terugvorderen van de
                                tegemoetkoming, of het opleggen van een bestuurlijke boete door het
                                bestuur.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het bestuur kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            beleidsregels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing van de verordening tot
                                onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het bestuur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet Kinderopvang
                            gemeente Lochem 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van
                                    bekendmaking ervan.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening Wet Kinderopvang gemeente Lochem 2006,
                                    vastgesteld bij raadsbesluit van 25 september 2006, wordt met
                                    ingang van diezelfde datum ingetrokken, met dien verstande dat
                                    zij van toepassing blijft op aanvragen die zijn ingediend voor
                                    de datum</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de raad van de
                        gemeente Lochem van 11 oktober 2010</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.P. Stegeman F.J. Spekreijse </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De Wet kinderopvang van 1 januari 2005 beoogt het ouders of verzorgers
                            gemakkelijker te maken werk en zorg te combineren en regelt daartoe
                            onder meer de bekostiging van de kinderopvang. Uitgangspunt is dat de
                            kosten van de kinderopvang gedeeld worden door (werkende) ouders,
                            werkgevers en de rijksoverheid. Daarnaast kan een aantal in de wet
                            benoemde doelgroepen (artikel 22 van de wet) een beroep doen op de
                                <cursief>gemeente</cursief> voor het betalen van een <cursief>deel
                            </cursief>van kosten die zij maken voor
                            kinderopvang.Bijvoorbeeld ouders die een re-integratietraject
                            bij de gemeente volgen. De gemeente is verplicht om het ontbrekende
                            ‘werkgeversdeel’ te bekostigen aan de vastgestelde doelgroepen die geen
                            werkgever hebben.</al><al>De vergoeding door de gemeente van een deel van de kosten voor
                            kinderopvang wordt aangeduid met de term ‘tegemoetkoming kosten
                            kinderopvang’. </al><al>Artikel 25 Wet kinderopvang bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening
                            regels vaststelt omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels
                            hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de
                            vaststelling van de tegemoetkoming. Deze verordening geeft uitvoering
                            aan deze wettelijke opdracht.</al><al>De verordening bevat geen inhoudelijke criteria over de definities van
                            gemeentelijke doelgroepen en de hoogte van de tegemoetkomingen. Deze
                            criteria zijn allemaal rechtstreeks in de Wet kinderopvang opgenomen.
                            Gemeenten hebben bij de bepaling van deze doelgroepen en de hoogte van
                            de tegemoetkoming dus geen beleidsvrijheid. De gemeente kan er voor
                            kiezen om naast de doelgroepen die in de wet zijn benoemd eigen
                            doelgroepen aan te wijzen die aanspraak kunnen maken op een
                            tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Daarbij kan gedacht worden
                            aan ouders die vrijwilligerswerk doen of ouders die zich bezighouden met
                            mantelzorg. Er is vooralsnog voor gekozen geen eigen doelgroepen aan te
                            wijzen.</al><al>De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft (medio 2004)
                            besloten om de artikelen in de wet die betrekking hebben op kinderopvang
                            op grond van sociaal-medische indicatie, niet in werking te laten
                            treden. Gemeenten kunnen voor deze doelgroep eigen beleid ontwikkelen.
                            Door de groep ouders en kinderen met een sociaal-medische indicatie
                            onder de Verordening Wet kinderopvang te brengen, kan ook aan hen een
                            tegemoetkoming in de kosten worden verleend. De artikelen met betrekking
                            tot deze doelgroep zijn bovenaan de verordening opgenomen, om duidelijk
                            te maken dat de overige artikelen alleen betrekking hebben op de in
                            artikel 22 van de wet genoemde personen.</al><al><vet>Artikelsgewijs toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>De begripsbepalingen in artikel 1 en 2 van de Wet kinderopvang zijn ook
                            van toepassing op deze verordening. Alleen de in deze artikelen niet
                            gedefinieerde begrippen zijn aangevuld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep sociaal-medische indicatie</titel></kop><al>De gemeente kan eigen beleid met betrekking tot kinderopvang op
                            sociaal-medische indicatie ontwikkelen. In dit artikel wordt de
                            doelgroep gedefinieerd. Van belang hierbij is dat de ouder niet in
                            aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang,
                            zoals bedoeld in de wet. Tevens dient er een indicatie afgegeven te
                            worden door ter zake deskundige organisaties. Daarbij kan bijvoorbeeld
                            gedacht worden aan consultatiebureaus of arbeidsmedische adviseurs.
                            Hierover kunnen nadere beleidsregels worden vastgesteld. </al><al>De sociaal-medische indicatie kan betrekking hebben op het kind of de
                            ouder (bijvoorbeeld bij opvoedkundige problematiek). </al><al>Bij twijfel over het advies, kan het bestuur een second opinion opvragen
                            in de vorm van een extra medisch advies.</al><al>Vanaf de leeftijd van 2,5 jaar kunnen kinderen in een peuterspeelzaal
                            terecht. Daarom is in beginsel als uitgangspunt gekozen dat kinderen die
                            ouder zijn dan 2,5 jaar niet in aanmerking komen voor kinderopvang op
                            grond van sociaal-medische indicatie. Indien het indicatieorgaan in haar
                            indicatie gemotiveerd aangeeft de peuterspeelzaal niet geschikt te
                            achten voor het kind, kan daarvan worden afgeweken. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De opvang, het aanbod en de eigen bijdrage</titel></kop><al>In dit artikel zijn nadere bepalingen met betrekking de opvang, het
                            aanbod en de eigen bijdrage opgenomen.</al><al>Nadrukkelijk is vermeld dat ook voor kinderopvang op grond van
                            sociaal-medische indicatie geldt dat deze plaats dient te vinden in een
                            geregistreerd kinderopvangcentrum of gastouderopvang, zoals bedoeld in
                            de wet. </al><al>Als richtlijn voor de indicatiestelling is opgenomen dat deze opvang in
                            beginsel twee dagdelen per week bedraagt. Er zal echter steeds naar de
                            specifieke persoonlijke situatie van de aanvrager gekeken moeten worden.
                            Op advies van het indicatieorgaan kan het bestuur voor een bepaalde
                            periode afwijken van de richtlijn. </al><al>Als uitgangspunt is vastgelegd dat de aanvrager een eigen bijdrage
                            betaalt in de kosten van de kinderopvang op grond van sociaal-medische
                            indicatie. Het bestuur stelt beleidsregels vast met betrekking tot de
                            hoogte en de wijze van inning van deze bijdrage en de mogelijkheid om af
                            te zien van deze inning. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor de toekenning van een sociaal-medische indicatie moet
                            worden ingediend bij het bestuur. In de procedure gaat de aanvraag voor
                            de toekenning op grond van sociaal-medische indicatie vooraf aan de
                            aanvraag voor een tegemoetkoming, maar in de praktijk zullen de
                            aanvragen vaak gelijktijdig worden ingediend. Ook de besluiten over de
                            toekenning van een sociaal-medische indicatie en de verlening van een
                            tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang kunnen in één beschikking
                            worden opgenomen. Wel moet de juiste volgorde in acht worden genomen:
                            eerst het besluit over de aanwezigheid van een sociaal-medische
                            indicatie en vervolgens het besluit over de verstrekking van een
                            tegemoetkoming.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Bij het bepalen van de beslistermijn dient rekening te worden gehouden
                            met de tijd die gemoeid is met het uitbrengen van advies door een
                            ‘onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid’
                            (artikel 23, derde lid, Wet kinderopvang). Om de doorlooptijd van de
                            adviesaanvraag te bespoedigen, verdient het aanbeveling dat de gemeente
                            harde afspraken maakt de adviserende organisaties over de termijn
                            waarbinnen adviezen worden uitgebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inhoud van het besluit</titel></kop><al>Het besluit is een beschikking in de zin van titel 4.1 van de Awb. Dit
                            betekent dat tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan
                            worden ingesteld. Als de noodzaak van kinderopvang op grond van een
                            sociaal-medische indicatie wordt vastgesteld, wordt in de beschikking
                            aangegeven hoeveel uren kinderopvang</al><al>noodzakelijk wordt geacht. Het besluit over de noodzakelijke omvang van
                            de kinderopvang vormt de grondslag voor de aanvraag voor een
                            tegemoetkoming van de gemeente. Bovendien moet in het besluit de
                            geldigheidsduur van de indicatie worden vermeld. Deze verplichting staat
                            in het vierde lid van artikel 23 Wet kinderopvang. Het kan gaan om een
                            geldigheidsduur voor een beperkte termijn, maar ook om een
                            geldigheidsduur voor onbepaalde tijd. In het indicatieadvies zal
                            hierover ook een uitspraak moeten worden gedaan.</al><al>Het bestuur neemt het besluit op basis van het uitgebrachte
                            indicatieadvies. Dit advies is niet bindend. Dit betekent dat het
                            bestuur van dat advies kan afwijken. Als het bestuur een beschikking
                            geeft die afwijkt van het uitgebrachte advies, zal het bestuur de
                            redenen voor de afwijking in de beschikking moeten motiveren
                            (artikel</al><al>4:20 Awb). De motiveringverplichting geldt vooral voor het geval waarin
                            een positief advies wordt gegeven en het bestuur een afwijzend besluit
                            neemt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Dit artikel bevat twee gronden om de noodzaak van kinderopvang op
                            sociaal-medische indicatie niet te hoeven vaststellen of de
                            tegemoetkoming op deze grond te weigeren. De weigeringgrond onder a.
                            geeft nog eens aan dat een gemeentelijke tegemoetkoming op grond van een
                            sociaal-medische indicatie een vangnetvoorziening is. Alleen ouders die
                            niet op grond van een andere bepaling in de Wet kinderopvang aanspraak
                            kunnen doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang, kunnen
                            aanspraak doen op een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
                            wegens een sociaal-medische noodzaak. </al><al>De weigeringgrond onder b. spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Subsidieplafond</titel></kop><al>Het kan om budgettaire redenen wenselijk zijn een subsidieplafond vast
                            te stellen. Daartoe kan een nadere beleidsregel worden opgesteld. Indien
                            het subsidieplafond bereikt is, wordt de ouder op een wachtlijst
                            geplaatst. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt door de ouder aangevraagd in de gemeente waar de
                            ouder woont (artikel 22, derde lid, Wet kinderopvang). De aanvraag moet
                            schriftelijk gebeuren (artikel 4:1 Awb). De aanvraag wordt ingediend bij
                            het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Het Plein. </al><al>Omdat een tegemoetkoming voor de duur van een tegemoetkomingjaar (is
                            kalenderjaar) wordt verstrekt (artikel 4.4) moet deze elk jaar opnieuw
                            worden aangevraagd. Een verhoging van de tegemoetkoming in verband met
                            een verhoging van het aantal uren of dagdelen kinderopvang, zal ook
                            moeten worden aangevraagd. Een verlaging van de tegemoetkoming in
                            verband een vermindering van de omvang van de kinderopvang hoeft niet te
                            worden aangevraagd. De ouder moet hiervan wel onmiddellijk mededeling
                            doen aan het bestuur (artikel 28, derde lid, Wet kinderopvang en artikel
                            16, eerste lid). </al><al>Onderdeel c van het eerste lid bepaalt dat bij de aanvraag een offerte
                            of contract van het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang
                            gaat verzorgen moet worden gevoegd. Op basis van de offerte of het
                            contract kan het bestuur de hoogte van de tegemoetkoming
                            vaststellen.</al><al>Het kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen,
                            moet ingeschreven staan in het register zoals bedoeld in artikel 47,
                            eerste lid, onderdeel a van de Wet Kinderopvang.</al><al>Artikel 5, eerste lid, onderdeel b van de Wet Kinderopvang bepaalt dat
                            bij de aanvraag gegevens of een verwijzing naar gegevens wordt gevoegd
                            waaruit blijkt dat de ouder behoort tot een gemeentelijke doelgroep. In
                            een aantal gevallen kan de ouder volstaan met een verwijzing naar die
                            gegevens omdat de gemeente over de gegevens beschikt:</al><lijst><li nr="-"><al>de ouder of partner ontvangt een uitkering in het kader van de
                                    WWB, IOAW/IOAZ of Anw én maakt gebruik van een voorziening
                                    gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder is een niet-uitkeringsgerechtigde (NUG-er), is als
                                    werkzoekende geregistreerd bij het UWV én maakt gebruik van een
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="-"><al>de ouder volgt een inburgeringprogramma;</al></li><li nr="-"><al>het bestuur heeft een sociaal-medische indicatie
                                    vastgesteld.</al></li></lijst><al>In het tweede lid wordt bepaald dat indien de aanvrager een partner
                            heeft, deze partner de aanvraag mede ondertekent. Deze bepaling is
                            volledigheidshalve in de verordening opgenomen. De verplichting is reeds
                            neergelegd in artikel 26, derde lid, Wet kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>De termijn waarbinnen het bestuur een besluit moet nemen over de
                            aanvraag van een tegemoetkoming geldt voor alle aanvragen voor een
                            tegemoetkoming. Deze termijn geldt niet alleen voor nieuwe aanvragen,
                            maar ook voor aanvragen die betrekking hebben op een voortzetting van
                            een tegemoetkoming en voor aanvragen voor een hogere tegemoetkoming in
                            verband met uitbreiding van de omvang van de kinderopvang. In de
                            verordening is gekozen voor een beslistermijn van ten hoogste vier weken
                            die eventueel met vier weken kan worden verlengd.</al><al>De beslistermijn van vier weken heeft ook gevolgen voor de datum
                            waarbinnen aanvragen voor een voortgezette tegemoetkoming moeten worden
                            aangevraagd. Om er zeker van te zijn dat de tegemoetkoming na 1 januari
                            kan worden voortgezet, zullen ouders hun aanvraag minimaal vier weken
                            vóór 1 januari bij het bestuur moeten indienen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Weigeringgrond</titel></kop><al>Naast de weigeringgrond in dit artikel kent de Awb ook een aantal
                            gronden om de subsidieverlening te weigeren. Ook deze weigeringgronden
                            zijn van toepassing. Artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening kan
                            worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen
                            dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden
                                    verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en
                                    verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en
                                    de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor
                                    de vaststelling van de subsidie van belang zijn.</al></li></lijst><al>Het tweede lid van artikel 4:35 bepaalt dat de subsidieverlening voorts
                            in ieder geval kan worden geweigerd indien de aanvrager:</al><lijst><li nr="a."><al>in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens
                                    heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een
                                    onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of</al></li><li nr="b."><al>failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is
                                    verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling
                                    natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een
                                    verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Ingangsdatum van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt de ingangsdatum van verstrekking van de
                            tegemoetkoming. Er zijn twee ingangsdata mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De datum waarop de aanvraag voor een tegemoetkoming door het
                                    bestuur in ontvangst is genomen (eerste lid). In deze situatie
                                    zal de ouder op het moment dat hij zijn aanvraag indient reeds
                                    kinderopvang hebben.</al></li><li nr="2."><al>De datum waarop de kinderopvang van start gaat. Het tweede lid
                                    bepaalt dat er alleen een tegemoetkoming wordt verleend als er
                                    kinderopvang plaatsvindt.</al></li></lijst><al>Dit artikel bepaalt dat er geen tegemoetkoming wordt verstrekt voor de
                            kosten van kinderopvang die plaatsvindt voordat een aanvraag voor een
                            tegemoetkoming bij de gemeente is ingediend. Een aanvraag wordt door de
                            gemeente in ontvangst genomen wanneer deze voldoet aan de vormvereisten
                            van artikel 4.1 en 4.2 Awb. Dit</al><al>betekent dat een aanvraag:</al><lijst><li nr="-"><al>schriftelijk moet worden ingediend;</al></li><li nr="-"><al>moet zijn ondertekend;</al></li><li nr="-"><al>de naam en het adres van aanvrager dient te bevatten;</al></li><li nr="-"><al>een aanduiding moet geven van de beschikking die wordt
                                    gevraagd.</al></li></lijst><al>De ingangsdatum van de tegemoetkoming heeft betrekking op het moment
                            waarop de aanspraak op een tegemoetkoming ontstaat. De uitbetaling van
                            de tegemoetkoming vindt pas plaats vanaf het moment dat het besluit tot
                            verlening van de tegemoetkoming is genomen. De betaling vindt dan met
                            terugwerkende kracht plaats tot de datum waarop de aanvraag in ontvangst
                            is genomen.</al><al>De ingangsdatum van verstrekking van de tegemoetkoming is ook van
                            toepassing op aanvragen voor uitbreiding van het aantal uren
                            kinderopvang. De verhoogde tegemoetkoming wordt verstrekt vanaf het
                            moment dat de aanvraag daarvoor door het bestuur in ontvangst is
                            genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend</titel></kop><al>De tegemoetkoming wordt in principe voor een heel kalenderjaar verleend.
                            Voor aanvragen die in de loop van een jaar worden toegekend, geldt dat
                            de tegemoetkoming wordt verstrekt tot 31 december van het betreffende
                            jaar. Dit betekent dat een ouder elk jaar vóór 1 januari opnieuw een
                            aanvraag voor een tegemoetkoming bij de gemeente zal moeten
                            indienen.</al><al>Het bestuur kan de tegemoetkoming voor een andere periode vaststellen.
                            Dit is bijvoorbeeld het geval als de aanvrager voor een bepaalde periode
                            recht heeft op de tegemoetkoming, bijvoorbeeld als deze een
                            re-integratietraject voor een bepaalde periode volgt. Door de periode
                            van verstrekking van de tegemoetkoming te</al><al>koppelen aan de duur van het re-integratietraject (of een andere vorm
                            van arbeid), hoeft de ouder geen actie te ondernemen om de verstrekking
                            van de tegemoetkoming stop te zetten of hoeft de gemeente geen eventueel
                            ten onrechte uitgekeerde bedragen terug te vorderen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Omvang van de kinderopvang</titel></kop><al>De Wet kinderopvang regelt uitsluitend de aanspraak van ouders op een
                            tegemoetkoming van de gemeente voor de kosten van kinderopvang en niet
                            de omvang van die aanspraak. Wanneer een ouder op basis van de criteria
                            die de wet geeft tot een gemeentelijke doelgroep behoort heeft deze
                            recht op een gemeentelijke tegemoetkoming.</al><al>De wet stelt geen beperkingen aan het aantal uren kinderopvang waarvoor
                            de tegemoetkoming wordt verstrekt. Dit past in het systeem van de wet
                            waarin de ouder zélf bepaalt hoeveel kinderopvang hij nodig heeft in
                            verband met de combinatie van arbeid en zorg. </al><al>Voor bepaalde gemeentelijke doelgroepen is de eigen bijdrage in de
                            kosten van kinderopvang nihil. Voor deze groepen wordt de
                            inkomensafhankelijke eigen bijdrage door de gemeente gecompenseerd (het
                            zogeheten ’Koakopje’, zie artikel 24, eerste lid, onderdeel a., en
                            tweede lid, onderdeel a., Wet kinderopvang). Bij deze ouders zet de
                            hoogte van de eigen bijdrage geen rem op de vraag naar kinderopvang. Dat
                            in tegenstelling tot ouders die wél een (inkomensafhankelijke) eigen
                            bijdrage in de kosten van kinderopvang moeten betalen en de hoogte van
                            die</al><al>bijdrage zullen laten meewegen in hun vraag naar kinderopvang.</al><al>Om de kosten voor de gemeente te kunnen beheersen, is deze bepaling in
                            de verordening opgenomen die de aanspraak op een tegemoetkoming
                            enigszins beperkt. Dit artikel geeft het bestuur de bevoegdheid om bij
                            de groep ouders die geen eigen bijdrage betalen, per geval te beoordelen
                            hoeveel kinderopvang de ouder</al><al>redelijkerwijs nodig heeft om de arbeid die hij verricht te kunnen
                            combineren met zorgtaken.</al><al>Bij het bepalen van de omvang van de kinderopvang die redelijkerwijs
                            nodig is om arbeid en zorg te combineren, zal ook rekening moeten worden
                            gehouden met omstandigheden als een handicap of chronische ziekte van de
                            ouder(s) of een beperking die de huiselijke situatie meebrengt voor de
                            goede en gezonde</al><al>ontwikkeling van het kind. In tegenstelling tot kinderopvang op grond
                            van sociaal-medische indicatie op grond van artikel 23 Wet kinderopvang,
                            hoeft voor deze beoordeling geen advies te worden aangevraagd.</al><al>Het bestuur kan beleidsregels neerleggen hoe het wil omgaan met zijn
                            bevoegdheid. Op deze wijze wordt deze beoordeling zoveel mogelijk
                            geobjectiveerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Inhoud van het besluit</titel></kop><al>Onderdeel e. bepaalt dat in de beschikking wordt aangeven hoe het bedrag
                            van de tegemoetkoming wordt vastgesteld. In de beschikking moet onder
                            andere de wijze van uitbetaling van de tegemoetkoming worden vermeld
                            (onderdeel f.). Artikel 16 bepaalt dat de uitbetaling plaatsvindt in de
                            vorm van maandelijkse voorschotten. Onderdeel g. schrijft voor dat in de
                            beschikking de verplichtingen van de ouder worden opgenomen. Daarbij
                            moet aan de volgende verplichtingen worden gedacht:</al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting om binnen vier weken na afloop van de periode
                                    waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het bestuur een
                                    overzicht te verstrekken van de feitelijke kosten van
                                    kinderopvang over deze periode;</al></li><li nr="-"><al>de informatieplicht die is opgenomen in artikel 28, eerste tot
                                    en met derde lid, Wet kinderopvang .</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Bevoorschotting van de tegemoetkoming</titel></kop><al>De subsidieverstrekking vindt plaats in de vorm van maandelijkse
                            voorschotten. Dit betekent dat het totale bedrag van de tegemoetkoming
                            waarop de aanvrager recht heeft, wordt gedeeld in twaalf gelijke delen
                            (indien de aanvraag het gehele tegemoetkomingjaar betreft).</al><al>De gemeente betaalt de tegemoetkoming uit aan de ouder. De ouder kan, al
                            dan niet op verzoek van het kindercentrum of het gastouderbureau, de
                            gemeente machtigen om de betalingen rechtstreeks aan dat kindercentrum
                            of gastouderbureau te doen. Deze machtiging verandert juridisch gezien
                            niets aan de verhouding tussen de gemeente en de ouder. Ook al wordt het
                            bedrag gestort op de rekening van het kindercentrum of gastouderbureau,
                            er blijft sprake van een betaling van de tegemoetkoming van gemeente aan
                            de ouder.</al><al>Het tweede lid geeft het bestuur de bevoegdheid om nadere voorschriften
                            te stellen over de wijze van bevoorschotting van de tegemoetkoming. Zo
                            kan het bestuur bepalen dat er alleen een voorschot wordt betaald op
                            basis van een factuur van het kindercentrum of gastouderbureau. Het
                            bestuur zou zo’n voorschrift kunnen stellen wanneer er twijfels bestaan
                            of een ouder daadwerkelijk gebruik zal maken van kinderopvang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming</titel></kop><al>Op grond van artikel 4:47, onderdeel a, Awb kan het bestuur een subsidie
                            (dus ook een tegemoetkoming) ambtshalve vaststellen. Ambtshalve
                            vaststellen houdt in dat het bestuur op eigen initiatief de
                            tegemoetkomingen vaststelt. De ouders hoeven geen aanvraag tot het
                            vaststellen van de tegemoetkoming bij het bestuur in te dienen.</al><al>De ouders zijn wel verplicht om binnen vier weken na afloop van de
                            periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het bestuur een
                            overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode te
                            verstrekken. Als een tegemoetkoming voor een kalenderjaar is verleend,
                            dient het overzicht van de kosten</al><al>uiterlijk vier weken na 31 december bij het bestuur te worden ingediend.
                            Het overzicht van de kosten kan zowel een apart jaaroverzicht zijn dat
                            door het kindercentrum of gastouderbureau wordt opgesteld of een
                            verzameling</al><al>van maandoverzichten. Het bestuur heeft vervolgens acht weken de tijd om
                            de tegemoetkoming vast te stellen. In deze periode kan de gemeente een
                            onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de tegemoetkoming door
                            gegevens van de ouders te controleren en eventueel inlichtingen bij de
                            houders van een kindcentrum of</al><al>gastouderbureau op te vragen.</al><al>In het besluit tot het vaststellen van de tegemoetkoming wordt bepaald
                            wat precies het bedrag is waar de ouder die de tegemoetkoming heeft
                            aangevraagd recht op heeft. De berekeningswijze die is opgenomen in de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming geldt als het
                            uitgangspunt voor het vaststellen van de tegemoetkoming. Dit betekent
                            dat de tegemoetkoming wordt vastgesteld op basis van het aantal uren
                            kinderopvang dat in de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                            is vastgelegd. Dat is het maximum aantal uren. In de beschikking tot
                            vaststelling van de tegemoetkoming kan wel worden uitgegaan van een
                            lager</al><al>aantal uren, maar niet van een hoger aantal. </al><al>Als de aanvrager de gegevens niet verstrekt, kan het bestuur de
                            tegemoetkoming op een lager bedrag vaststellen. Lager vaststellen kan
                            ook betekenen op nul vaststellen. Het bestuur heeft deze bevoegdheid op
                            grond van artikel 4:46, tweede en derde lid, Awb. Op grond van het
                            tweede lid kan de subsidie lager worden vastgesteld indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet
                                    geheel hebben plaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie
                                    verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                                    verstrekt en de verstrekking van juiste of</al></li></lijst><al>volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                            subsidieverlening zou hebben geleid, of</al><al>d.de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger
                            dit wist of behoorde te weten.</al><al>Het derde lid van artikel 4:46 Awb luidt: ‘Voor zover het bedrag van de
                            subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten
                            waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet
                            als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de
                            subsidie niet in aanmerking genomen’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verrekening met de voorschotten</titel></kop><al>Dit artikel regelt de uitbetaling door de gemeente van het nog te
                            betalen deel van de tegemoetkoming. Als de gemeente een ouder een hoger
                            bedrag heeft uitgekeerd dan waarop deze recht heeft, kan de gemeente het
                            te veel betaalde bedrag terugvorderen. Terugvordering is geregeld in
                            artikel 38 Wet kinderopvang (zie ook de toelichting bij artikel
                            19).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inlichtingenplicht</titel></kop><al>Deze verplichtingen staan in ongeveer dezelfde bewoordingen ook in
                            artikel 28, eerste tot en met derde lid Wet kinderopvang.
                            Volledigheidshalve wordt deze verplichting hier herhaald en nader
                            toegelicht. </al><al>Het vierde lid van artikel 28 bevat de inlichtingenplicht voor houders
                            van een kindercentrum of gastouderbureau.</al><al>Deze bepaling luidt: ‘De houder verstrekt desgevraagd aan het bestuur
                            van burgemeester en wethouders alle gegevens en inlichtingen die voor de
                            aanspraak van een ouder op de tegemoetkoming van belang zijn’.</al><al>Er kunnen twee vormen van schending van de inlichtingenplicht worden
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het betreffende kind maakt geen gebruik van kinderopvang;</al></li><li nr="2."><al>er wordt wel gebruik maakt van kinderopvang, maar de ouder heeft
                                    geen recht op een tegemoetkoming (hij behoort niet tot
                                    gemeentelijke doelgroep).</al></li></lijst><al>Als een ouder de inlichtingenplicht schendt en als gevolg hiervan ten
                            onrechte een tegemoetkoming heeft ontvangen of een te hoog bedrag, kan
                            het bestuur de beschikking tot het verlenen of tot het vaststellen van
                            de tegemoetkoming intrekken of wijzigen en het te veel betaalde bedrag
                            terugvorderen. Ook is mogelijk om in aanvulling hierop een bestuurlijke
                            boete aan de betreffende ouder op te leggen. Hieronder wordt op de twee
                            maatregelen nader ingegaan.</al><al>In de Awb is geregeld op welke gronden een subsidie (een tegemoetkoming
                            in de terminologie van de Wet kinderopvang) kan worden ingetrokken en
                            teruggevorderd. Daarbij moeten twee situaties worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld
                                    en</al></li><li nr="b."><al>de situatie waarin de tegemoetkoming wel is vastgesteld.</al></li></lijst><al><cursief>Ad a. de tegemoetkoming is nog niet vastgesteld: intrekken of
                                wijzigen van de beschikking tot verlening van de tegemoetkoming
                                (artikel 4:48 Awb)</cursief></al><al>Zolang de tegemoetkoming nog niet is vastgesteld kan het bestuur de
                            beschikking tot verlening van de tegemoetkoming intrekken of ten nadele
                            van de ontvanger van de tegemoetkoming wijzigen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de activiteiten waarvoor de tegemoetkoming is verleend niet of
                                    niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="b."><al>de ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                    verbonden verplichtingen;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming onjuiste of onvolledige
                                    gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                    volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot
                                    verlening van de tegemoetkoming zou hebben geleid;</al></li><li nr="d."><al>de verlening van de tegemoetkoming anderszins onjuist was en de
                                    ontvanger dit wist of behoorde te weten.</al></li></lijst><al>De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de
                            subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is
                            bepaald.</al><al><cursief>Opschorten van de bevoorschotting (artikel 4:56
                            Awb)</cursief></al><al>Het bestuur hoeft niet te wachten met het treffen van een maatregel tot
                            dat het besluit tot verlening van de tegemoetkoming is ingetrokken of
                            gewijzigd. Het bestuur kan al eerder besluiten de betaling van de
                            tegemoetkoming op te schorten. Op grond van artikel 4:56 Awb kan het
                            bestuur de verplichting tot betaling van een voorschot opschorten met
                            ingang van de dag waarop het bestuur aan de ouder schriftelijk kennis
                            geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om de beschikking
                            tot verlening van de tegemoetkoming in te trekken of te wijzigen. Deze
                            opschorting duurt tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de
                            intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de
                            kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn
                            verstreken.</al><al><cursief>Ad b. de tegemoetkoming is wel vastgesteld: intrekken of
                                wijzigen van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 4:49
                                Abw)</cursief></al><al>Ook als de tegemoetkoming is vastgesteld, is het bestuur in bepaalde
                            gevallen bevoegd de beschikking tot het vaststellen van de
                            tegemoetkoming in te trekken of ten nadele van de ontvanger van de
                            tegemoetkoming te wijzigen. Het gaat om de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>er is sprake van feiten of omstandigheden waarvan het bestuur
                                    bij de vaststelling van de tegemoetkoming redelijkerwijs niet op
                                    de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming lager
                                    dan overeenkomstig de verlening van de tegemoetkoming zou zijn
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="b."><al>de vaststelling van de tegemoetkoming was onjuist en de
                                    ontvanger van de tegemoetkoming wist dit of behoorde dit te
                                    weten;</al></li><li nr="c."><al>de ontvanger van de tegemoetkoming heeft na de vaststelling van
                                    de tegemoetkoming niet voldaan aan de aan de tegemoetkoming
                                    verbonden verplichtingen.</al></li></lijst><al>De subsidievaststelling kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele
                            van de ontvanger worden gewijzigd, indien vijf jaren zijn verstreken
                            sinds de dag waarop zij is bekendgemaakt.</al><al><cursief>Terugvordering (artikel 38 Wet kinderopvang)</cursief></al><al>Indien de beschikking tot het verlenen of het vaststellen van de
                            tegemoetkoming is ingetrokken of ten nadele van de ouder is gewijzigd,
                            kan de gemeente het reeds betaalde bedrag van de ouder
                            terugvorderen.</al><al>In artikel 38 Wet kinderopvang worden de bepalingen in de Wet werk en
                            bijstand (WWB) over de terugvordering van bijstand van overeenkomstige
                            toepassing verklaard op het terugvorderen van een tegemoetkoming. Dit
                            betekent bijvoorbeeld dat het bedrag dat wordt teruggevorderd kan worden
                            verrekend met de tegemoetkoming die aan de ouder wordt verstrekt. In het
                            besluit tot terugvordering moet de wijze waarop zal worden
                            teruggevorderd worden vermeld.</al><al>Naast het intrekken en terugvorderen van de tegemoetkoming kan het
                            bestuur in bepaalde gevallen ook een bestuurlijke boete opleggen. De
                            bestuurlijke boete is geregeld in hoofdstuk 5 van de Wet kinderopvang.
                            Een bestuurlijke boete is een bestuurlijke sanctie, inhoudende een
                            onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van</al><al>een geldsom, die gericht is op bestraffing van de overtreder (artikel 1,
                            eerste lid, onderdeel t, Wet kinderopvang). Het betreffende bedrag komt
                            toe aan de gemeente (artikel 72, vierde lid Wet kinderopvang). Het
                            bestuur kan een bestuurlijke boete opleggen indien een ouder zijn
                            inlichtingenplicht niet nakomt. Het gaat daarbij om het schenden van de
                            volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>het desgevraagd verstrekken aan het bestuur van alle gegevens en
                                    inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en
                                    de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn
                                    (artikel 28, eerste lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het verstrekken van die inlichtingen en gegevens binnen een door
                                    het bestuur te stellen redelijke termijn (artikel 28, tweede
                                    lid, Wet kinderopvang);</al></li><li nr="-"><al>het onmiddellijk na het bekend worden daarvan verstrekken aan
                                    het bestuur van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot
                                    de vaststelling van een lagere tegemoetkoming (artikel 28, derde
                                    lid, Wet kinderopvang).</al></li></lijst><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedraagt maximaal € 2269 (artikel
                            72, eerste lid, onderdeel c, Wet kinderopvang). Bij het vaststellen van
                            de hoogte van de bestuurlijke boete zal het bestuur maatwerk moeten
                            leveren. Artikel 72, tweede lid, Wet kinderopvang bepaalt dat de hoogte
                            van de boete wordt afgestemd op de ernst van de overtreding, de mate
                            waarin de overtreding de ouder verweten kan worden en de omstandigheden
                            waarin die persoon verkeert. Van het opleggen van een bestuurlijke boete
                            wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt.</al><al>In de Wet kinderopvang is geregeld in welke gevallen het bestuur géén
                            bestuurlijke boete mag opleggen. Dit is het geval in de volgende
                            situaties:</al><lijst><li nr="-"><al>de overtreder is overleden;</al></li><li nr="-"><al>de overtreder is wegens dezelfde gedraging reeds eerder een
                                    bestuurlijke boete of er is hem een kennisgeving gedaan dat een
                                    bestuurlijke boete zal worden opgelegd. In deze gevallen kan het
                                    bestuur aangifte doen bij het Openbaar Ministerie;</al></li><li nr="-"><al>er is vijf jaren verstreken nadat de overtreding heeft
                                    plaatsgevonden.</al></li></lijst><al>De procedure van het opleggen van een bestuurlijke boete is geregeld in
                            de artikelen 77 tot en met 84 van de Wet kinderopvang.</al><al><vet>Artikelen 20 tot en met 23</vet></al><al>Deze spreken voor zich. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>