<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73565_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-23</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Delft</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene Pensioenwet politieke ambtsdragers</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>1996-10-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1996-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1966-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-02-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>terugwerkende kracht voor artikel 4 is tot 1 januari 1969, terugwerkende kracht tot 1 januari 1966 geldt niet voor artikelen 69 en 76. Artikel 25b treedt in werking op 1 januari 1966</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad der gemeente Delft;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 juni 1992; gelet
                        op de bepalingen van de wet van 10 december 1969, Stb. 594, houdende nieuwe
                        regeling van de toekenning van uitkering en pensioen aan politieke
                        ambtsdragers, zomede van pensioen aan hun nabestaanden (Algemene pensioenwet
                        politieke ambtsdragers), zoals deze wet sindsdien in gewijzigd, van de wet
                        van 24 april 1985, Stb 266, de wet van 29 mei 1985, Stb. 289, de wet van 12
                        december 1985, Stb. 734; het Koninklijk Besluit van 9 december 1987, Stb.
                        558 en de Wet van 20 april 1988, Stb. 300;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende VERORDENING, regelende de toekenning van
                        uitkering en pensioen aan gewezen wethouders der gemeente Delft en aan hun
                        nabestaanden.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>I</nr><titel>De uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Het recht op uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                    onderbreking weer als zodanig optreedt, met ingang van de dag
                                    van aftreding, voor zover hij alsdan niet de leeftijd van 65
                                    jaar heeft bereikt, recht op een uitkering op de voet van de
                                    volgende artikelen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan beslissen dat geen uitkering wordt toegekend aan een
                                    gewezen wethouder: </al><al>a.die zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst
                                    heeft begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands
                                    nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen; </al><al>b.die wegens enig strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar
                                    zijn oordeel blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal
                                    oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen; </al><lijst><li nr="c."><al>die overeenkomstig artikel W 9 van de Kieswet van het
                                            lidmaatschap van de raad vervallen verklaard is;</al></li><li nr="d."><al>wiens ontslag voortvloeit uit het feit dat hij zich aan
                                            kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak
                                            heeft schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van
                                            zijn taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond
                                            weigeren de in artikel 169 lid 2 van de Gemeentewet
                                            bedoelde inlichtingen aan de raad te verstrekken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Normale duur van de uitkering</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De uitkering wordt toegekend voor een periode gelijk aan het
                                        tijdvak, waarin belanghebbende laatstelijk zonder wezenlijke
                                        onderbreking wethouder is geweest, doch tenminste voor de
                                        duur van twee jaren en ten hoogste voor de duur van zes
                                        jaren.</al></li><li nr="2."><al> In afwijking hiervan wordt de uitkering toegekend voor de
                                        duur van zes maanden, indien de belanghebbende korter dan
                                        drie maanden wethouder is geweest. </al><al> De raad beslist of een onderbreking als wezenlijk moet
                                        worden beschouwd. Van een zodanige onderbreking is geen
                                        sprake, indien deze ten hoogste twee maanden heeft
                                        geduurd.</al></li><li nr="3."><al> In geval van tussentijds eindigen van de uitkering
                                        krachtens artikel 7, onder c, wordt de volgende uitkering
                                        toegekend ten minste tot het tijdstip, waarop eerstgenoemde
                                        uitkering zou zijn geëindigd ingeval artikel 7, onder c,
                                        buiten toepassing was gebleven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voortzetting van de uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende ten tijde van zijn aftreden als
                                        wethouder de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt en hij ten
                                        minste tien jaar zonder wezenlijke onderbreking wethouder is
                                        geweest, wordt na afloop van de periode, bedoeld in artikel
                                        2, zijn uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop hij de
                                        leeftijd van 65 jaar bereikt. Artikel 2, lid 2, is van
                                        toepassing. </al></li><li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan de raad beslissen dat met
                                        inachtneming van artikel 7, onder b, de uitkering zal worden
                                        voortgezet voor een nader vast te stellen termijn, welke op
                                        dezelfde wijze kan worden verlengd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Bedrag van de uitkering.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 2, bedraagt gedurende het
                                    eerste jaar 80 procent en vervolgens 70 procent van de
                                    laatstelijk als wethouder genoten wedde, vermeerderd met het
                                    percentage van de vakantieuitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De uitkering, bedoeld in artikel 3, lid 1, bedraagt 70 procent
                                    van de laatstelijk als wethouder genoten wedde, vermeerderd met
                                    het percentage van de vakantie-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "laatstelijk
                                    genoten" verstaan: waarop aanspraak bestond of bij uitoefening
                                    van het ambt zou hebben bestaan op de dag, voorafgaande aan die
                                    waarop belanghebbende heeft opgehouden wethouder te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien bij algemene maatregel van bestuur in de bezoldiging van
                                    het rijkspersoneel een wijziging wordt aangebracht, wordt de in
                                    de leden 1, 2 en 3 bedoelde laatstelijk genoten wedde,
                                    vermeerderd met het percentage van de vakantie-uitkering, voor
                                    de toepassing van die leden met ingang van het tijdstip van
                                    ingang van de bezoldigingswijziging overeenkomstig die wijziging
                                    aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4a.</nr><titel>Voortzetting van de uitkering bij invaliditeit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende op de dag waarop de duur van de
                                    uitkering eindigt geheel of gedeeltelijk algemeen invalide is,
                                    wordt, met inachtneming van artikel 7 de uitkering voor de duur
                                    van de invaliditeit voortgezet op de voet van artikel 4b.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze
                                    verordening is hij die als rechtstreeks en objectief medisch
                                    vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of
                                    gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen
                                    gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter
                                    plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht,
                                    of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
                                    Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen
                                    geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en
                                    bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen
                                    arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale
                                    Werkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt
                                    buiten beschouwing gelaten of de betrokkene de arbeid feitelijk
                                    kan verkrijgen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de betrokkene zonder redelijke grond weigert deel te
                                    nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of
                                    onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat
                                    ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene
                                    invaliditeit van uitgegaan dat de opleiding of scholing is
                                    afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4b.</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De voortzetting van de uitkering vindt plaats als aangegeven
                                        in het tweede en derde lid en vervolgens als aangegeven in
                                        het vierde en vijfde lid van dit artikel.</al></li><li nr="2."><al>De uitkering bedraagt gedurende een periode als aangegeven
                                        in het derde lid 70 procent van de laatstelijk als wethouder
                                        genoten wedde, vermeerderd met het percentage van de
                                        vakantie-uitkering, bij een algemene invaliditeit van 80
                                        procent of meer; 60 procent van die wedde vermeerderd met
                                        het percentage van de vakantie-uitkering bij een algemene
                                        invaliditeit van 55 tot 80 procent, en 40 procent van de
                                        wedde vermeerderd met het percentage van de
                                        vakantie-uitkering bij een algemene invaliditeit van 25 tot
                                        55 procent.</al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid bedoelde periode is ten hoogste voor de
                                        belanghebbende die op het tijdstip van voortzetting van de
                                        uitkering:</al></li></lijst><al> 58 jaar of ouder is: zes jaar; </al><al> 53 jaar of ouder is: drie jaar; </al><al> 48 jaar of ouder is: twee jaar; </al><al> 43 jaar of ouder is: anderhalf jaar; </al><al> 38 jaar of ouder is: een jaar; </al><al> 33 jaar of ouder is: een half jaar, en </al><al> jonger is dan 33 jaar: nihil. </al><al>4.De uitkering bedraagt na afloop van de volgens het derde lid
                                bepaalde periode een percentage, volgens het tweede lid, van een
                                bedrag gelijk aan het minimumloon</al><al> verhoogd met een percentage van het verschil tussen de laatstelijk
                                als wethouder genoten wedde vermeerderd met het percentage van de
                                vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 4, en het minimumloon. </al><lijst><li nr="5."><al>Voor de berekening van het in het vierde lid bedoelde bedrag
                                        geldt een percentage van 2 maal het aantal verstreken jaren
                                        tussen het 15de jaar en de leeftijd van de betrokkene op het
                                        tijdstip van voortzetting van de uitkering.</al></li><li nr="6."><al>Het minimumloon, bedoeld in het vierde lid, is het tot een
                                        jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in
                                        artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon
                                        en minimumvakantiebijslag of, indien het een betrokkene
                                        jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide
                                        voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld
                                        in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van de
                                        genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende
                                        vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.</al></li><li nr="7."><al>De belanghebbende heeft recht op aanvulling van de
                                        uitkering, indien die uitkering minder bedraagt dan het
                                        volgens het tweede lid vastgestelde percentage van de
                                        laatstelijk als wethouder genoten wedde vermeerderd met het
                                        percentage van de vakantie-uitkering.</al></li><li nr="8."><al>De aanvulling is gelijk aan het bedrag dat nodig is om de
                                        uitkering te verhogen tot het in het zevende lid bedoelde
                                        percentage van de laatstelijk als wethouder genoten wedde
                                        vermeerderd met het percentage van de
                                        vakantie-uitkering.</al></li><li nr="9."><al>In afwijking van het achtste lid is de aanvulling gelijk aan
                                        het bedrag dat nodig is om de uitkering te verhogen tot het
                                        in het tiende lid aangegeven percentage van de laatstelijk
                                        als wethouder genoten wedde vermeerderd met het percentage
                                        van de vakantie-uitkering, indien de belanghebbende de keuze
                                        heeft gemaakt voor een verlaging van de inhouding ingevolge
                                        artikel 59, eerste lid.</al></li><li nr="10."><al>Het in het negende lid bedoelde percentage bedraagt bij een
                                        algemene invaliditeit van 80 procent of meer 65 procent, bij
                                        een algemene invaliditeit van 55 tot 80 procent: 56 procent
                                        en bij een algemene invaliditeit van 25 tot 55 procent: 37
                                        procent.</al></li><li nr="11."><al>Burgemeester en wethouders stellen regels met betrekking tot
                                        de wijze en het tijdstip waarop de wethouder of de gewezen
                                        wethouder de in het negende lid bedoelde keuze, die eenmalig
                                        is, kenbaar dient te maken.</al></li><li nr="12."><al>Indien de wegens algemene invaliditeit voortgezette
                                        uitkering te zamen met inkomsten, bedoeld in artikel 5,
                                        minder bedraagt dan het minimumloon wordt de uitkering
                                        verhoogd tot het minimumloon. De verhoging bedraagt niet
                                        meer dan het verschil tussen de uitkering en het bedrag
                                        waarvan deze is afgeleid en tevens niet meer dan 30 procent
                                        van het minimumloon.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4c.</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voortzetting van de uitkering, bedoeld in artikel 4a,
                                    geschiedt op aanvraag van de belanghebbende en voor termijnen
                                    van niet langer dan drie jaar, onverminderd het in deze
                                    verordening bepaalde over herziening of intrekking van de
                                    uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders stellen de belanghebbende uiterlijk
                                    vier maanden voor het verstrijken van de in het eerste lid
                                    bedoelde termijn schriftelijk in kennis van de mogelijkheid tot
                                    het doen van een aanvraag tot voortzetting van de uitkering na
                                    afloop van die termijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt door de
                                    belanghebbende uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van
                                    de in het eerste lid bedoelde termijn gedaan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen op een
                                    tijdig ingediende aanvraag als bedoeld in het derde lid, wordt
                                    de uitkering voortgezet tot het tijdstip van de beslissing op de
                                    aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een aanvraag als bedoeld in het tweede lid wordt geacht tijdig
                                    te zijn ingediend indien burgemeester en wethouders de
                                    kennisgeving bedoeld in het tweede lid niet hebben gedaan dan
                                    wel indien bij een latere kennisgeving als bedoeld in het tweede
                                    lid de aanvraag wordt ingediend binnen een maand nadat deze
                                    kennisgeving is ontvangen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Indien de uitkering na afloop van de in het eerste lid bedoelde
                                    termijn wordt voortgezet, wordt de uitkering berekend op de
                                    wijze die van toepassing zou zijn geweest indien die termijn
                                    niet zou zijn afgelopen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde
                                    groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties
                                    geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt
                                    van de in het eerste lid genoemde termijn van drie jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4d.</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Binnen een jaar na het tijdstip waarop de uitkering voor de
                                        eerste maal met toepassing van artikel 4a is voortgezet,
                                        doen burgemeester en wethouders een onderzoek instellen ten
                                        einde te doen bezien of er als gevolg van gronden die
                                        invloed hebben op de mate van algemene invaliditeit redenen
                                        aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de
                                        uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van bepaalde
                                        groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt
                                        dan wel een termijn zal gelden, die afwijkt van de in het
                                        eerste lid genoemde termijn.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders wijzigen ambtshalve of op
                                        aanvraag van de belanghebbende het bedrag van de uitkering
                                        bij wijziging van de mate van algemene invaliditeit.</al></li><li nr="4."><al>Een wijziging van het bedrag van de uitkering gaat in:</al><lijst><li nr="a."><al>indien daartoe een aanvraag is ingediend, met ingang
                                                van de eerste dag van de maand volgende op die
                                                waarin die aanvraag is ingekomen;</al></li><li nr="b."><al>indien de wijziging ambtshalve plaatsvindt, met
                                                ingang van de eerste dag van de maand volgende op
                                                die waarin de beslissing tot wijziging is
                                                genomen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De toepassing van artikel 4a wordt ten aanzien van een
                                        belanghebbende gestaakt indien en zolang hij niet voldoet
                                        aan een uitnodiging van burgemeester en wethouders zich te
                                        onderwerpen aan een onderzoek door een of meer door hen
                                        aangewezen geneeskundigen ter beantwoording van de vraag, of
                                        er nog sprake is van algemene invaliditeit.</al></li><li nr="6."><al>Indien degene die recht heeft op een wegens algemene
                                        invaliditeit voortgezette uitkering inkomsten uit of in
                                        verband met arbeid geniet, zijn burgemeester en wethouders
                                        bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid
                                        bedoeld in artikel 4a, tweede lid kan worden aangemerkt,
                                        niet tot herziening of intrekking van de uitkering over te
                                        gaan. De toepassing van de eerste volzin vindt ten hoogste
                                        plaats over een aaneengesloten periode van drie jaren,
                                        aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in
                                        verband met arbeid bedoeld in de eerste volzin worden
                                        genoten.</al></li></lijst><al> Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien korter
                                dan een maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden
                                genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde periode wordt
                                de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid als
                                bedoeld in artikel 4a, tweede lid. </al><al>7.Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat de tweede volzin van
                                het zesde lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen
                                algemeen invaliden en met betrekking tot het zesde lid van dit
                                artikel nadere en voor bijzondere gevallen zo nodig afwijkende
                                regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4e</nr><titel>Onderzoek naar invaliditeit voor het aftreden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op verzoek van een wethouder doen burgemeester en wethouders een
                                    onderzoek instellen door een of meer door hen aangewezen
                                    deskundigen, ter beantwoording van de vraag of de wethouder die
                                    het verzoek deed algemene invalide is als bedoeld in artikel 4a,
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders brengen de uitkomst van een onderzoek
                                    dat is ingesteld ingevolge het eerste lid ter kennis van de
                                    verzoeker."</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Korting wegens inkomsten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De inkomsten, die de belanghebbende geniet, worden met de
                                        uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten
                                        betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden onder inkomsten
                                        verstaan het gezamenlijk bedrag dat de belanghebbende wegens
                                        het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang
                                        van of na de dag waarop hij heeft opgehouden wethouder te
                                        zijn, geniet als:</al><lijst><li nr="a."><al>winst uit onderneming;</al></li><li nr="b."><al>zuivere inkomsten uit of in verband met arbeid.</al><al> Onder inkomsten, bedoeld in de vorige volzin, wordt
                                                mede verstaan een arbeidsongeschiktheidsuitkering
                                                krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.
                                            </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid worden mede als
                                        inkomsten aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>de inkomsten wegens het in het tweede lid bedoelde
                                                activiteiten ter hand genomen door de belanghebbende
                                                binnen één jaar, onmiddellijk voorafgaand aan het
                                                tijdstip van aftreden;</al></li><li nr="b."><al>de inkomsten die worden genoten uit een betrekking
                                                waarin hij gedurende zijn zittingstijd als wethouder
                                                op non-activiteit was gesteld;</al></li><li nr="c."><al>de vaste vergoeding die wordt genoten als
                                                raadslid.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende op of na de dag bedoeld in het
                                        tweede lid inkomsten of hogere inkomsten, anders dan ten
                                        gevolge van algemene loonsverhogingen, verkrijgt uit in het
                                        tweede lid bedoelde activiteiten ter hand genomen voor de
                                        dag van aftreden, anders dan bedoeld in het derde lid, is
                                        ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het
                                        bepaalde in het eerste lid van toepassing.</al></li><li nr="5."><al>De in het eerste lid bedoelde verrekening geschiedt aldus
                                        dat de uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmede de
                                        uitkering, vermeerderd met die inkomsten, de laatstelijk
                                        genoten wedde, vermeerderd met het percentage van de
                                        vakantie-uitkering, waarvan de uitkering is afgeleid,
                                        overschrijdt.</al></li><li nr="6."><al>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden wordt niet
                                        verstaan kinderbijslag alsmede de compensatie voor de premie
                                        ingevolge de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen-
                                        en Wezenwet, welke in die inkomsten is of geacht kan worden
                                        te zijn begrepen. De vorige volzin is wat betreft de
                                        premiecompensatie slechts van toepassing voor zover de daar
                                        bedoelde inkomsten betrekking hebben of kunnen worden geacht
                                        betrekking te hebben op een tijdvak gelegen voor 1 juni
                                        1985.</al></li><li nr="7."><al>Belanghebbende is verplicht van het ter hand nemen of weer
                                        ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf dan wel van het
                                        gaan genieten van inkomsten of hogere inkomsten als bedoeld
                                        in dit artikel, terstond mededeling te doen aan burgemeester
                                        en wethouders onder opgave, voor zover mogelijk, van de
                                        verwachte inkomsten, een en ander overeenkomstig de
                                        voorschriften, hem door burgemeester en wethouders gegeven.
                                        Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
                                        tijdig voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn
                                        opgave van de inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van
                                        bedoelde werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft
                                        genoten. Brengt de aard van de activiteiten of de inkomsten
                                        mede dat de inkomsten over een langere termijn dan een maand
                                        moeten worden berekend, dan wordt op de uitkering een
                                        vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag
                                        onder voorbehoud van verrekening aan het einde van
                                        evenbedoelde termijn. </al></li></lijst><lijst><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de vaststelling van
                                        het bedrag van de vermindering afwijken van de opgave van
                                        belanghebbende.</al></li><li nr="9."><al>Voor de toepassing van dit artikel ten aanzien van de
                                        voortgezette uitkeringen als bedoeld in artikel 3, tweede
                                        lid en artikel 4a, kunnen burgemeester en wethouders andere
                                        inkomsten aanmerken als te zijn genoten wegens activiteiten
                                        bedoeld in het tweede lid.</al></li><li nr="10."><al>Belanghebbende wordt door het aanvaarden van de uitkering
                                        geacht erin toe te stemmen, dat allen die daarvoor naar het
                                        oordeel van burgemeester en wethouders in aanmerking komen
                                        omtrent zijn omstandigheden alle inlichtingen geven, welke
                                        voor de uitvoering van deze afdeling nodig zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Betaling uitkering.</titel></kop><al>De uitkering wordt uitbetaald in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Einde van de uitkering</titel></kop><al>De uitkering eindigt </al><lijst><li nr="a."><al>met ingang van de dag, volgende op die waarop belanghebbende
                                        is overleden;</al></li><li nr="b."><al>met ingang van de dag waarop belanghebbende de leeftijd van
                                        65 jaar bereikt;</al></li><li nr="c."><al>met ingang van de dag waarop belanghebbende weer als
                                        wethouder in deze gemeente optreedt;</al></li><li nr="d."><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                                        waarin burgemeester en wethouders ten aanzien van een
                                        uitkering als bedoeld in artikel 4a, eerste lid hebben
                                        vastgesteld, dat de algemene invaliditeit minder dan 25
                                        procent is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schorsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De betaling van de uitkering kan door burgemeester en wethouders
                                    worden geschorst indien en voor zolang belanghebbende niet de
                                    mededeling of opgave doet als bedoeld in artikel 5, lid 7.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het vorige lid bedoelde verplichting alsnog wordt
                                    nagekomen, wordt de uitkering over de tijd van schorsing alsnog
                                    uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitkering bij overlijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen wethouder
                                    wordt aan de nabestaande zoals bedoeld in artikel 12, van wie de
                                    overledene niet duurzaam gescheiden leefde, een bedrag
                                    uitgekeerd, gelijk aan de uitkering over een tijdvak van drie
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Laat de overledene geen weduwe of weduwnaar na, van wie hij,
                                    onderscheidenlijk zij, niet duurzaam gescheiden leefde, dan
                                    wordt evenbedoeld bedrag uitgekeerd ten behoeve van de
                                    minderjarige wettige of natuurlijke kinderen van de overledene,
                                    of minderjarige kinderen waarover de overledene ten tijde van
                                    het overlijden de pleegouderlijke zorg droeg. Onder
                                    pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorgvoor het onderhoud en
                                    de opvoeding van het kind, als was het een eigen kind,
                                    onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten
                                    van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen,
                                    dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was
                                    van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten
                                    behoeve van deze betrekkingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Laat de overledene geen betrekkingen als bedoeld in het eerste
                                    en tweede lid na, dan kan het aldaar bedoelde bedrag geheel of
                                    ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
                                    laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien zijn nalatenschap
                                    voor de betaling van die kosten ontoereikend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Vervanging.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het tijdvak, bedoeld in artikel 2, eerste
                                    lid, telt tevens mee de periode waarin de belanghebbende
                                    krachtens het gestelde in artikel 51, eerste lid van de
                                    Gemeentewet tijdelijk doch gedurende meer dan dertig dagen
                                    onafgebroken met de tijdelijke waarneming van het wethouderschap
                                    is belast geweest, indien het tijdvak van die waarneming zonder
                                    onderbreking wordt gevolgd door een tijdvak, waarin hij anders
                                    dan krachtens artikel 51 van de Gemeentewet als wethouder is
                                    opgetreden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>II</nr><titel>Pensioenen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Begrip pensioen</titel></kop><al>Voor de toepassing van het bij of krachtens deze verordening</al><al>bepaalde worden onder pensioen tevens begrepen de toeslagen bedoeld
                                in de artikelen 29, 33, 36 en 37, tenzij uit de desbetreffende
                                bepalingen het tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanmelding: aanmelding als bedoeld in artikel 12a;</al></li><li nr="b."><al>nabestaande: de man of vrouw met wie de overleden wethouder,
                                        gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van overlijden
                                        gehuwd was, dan wel de man of vrouw ten aanzien van wie door
                                        de overledene aanmelding had plaatsgevonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr><titel>Aanmelding</titel></kop><al>1.De wethouder kan bij burgemeester en wethouders één man of vrouw
                                aanmelden,</al><al> indien hij en deze man of vrouw: </al><lijst><li nr="a."><al>beiden als ingezetene met hetzelfde woonadres in de
                                        gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn
                                        ingeschreven;</al></li><li nr="b."><al>zich bij een notarieel verleden samenlevingscontract
                                        tegenover elkaar hebben verplicht om wederkerig bij te
                                        dragen in de kosten van levensonderhoud;</al></li><li nr="c."><al>beiden ongehuwd zijn;</al></li><li nr="d."><al>beiden ten tijde van de aanmelding achttien jaar of ouder
                                        zijn en</al></li><li nr="e."><al>geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn.</al><lijst><li nr="2."><al>Voorts kunnen aanmelding doen als bedoeld in het
                                                eerste lid:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>de gewezen wethouder met recht op uitkering terzake van
                                        ontslag of aftreden, of</al></li><li nr="b."><al>de gewezen wethouder, indien hij al voor zijn ontslag of
                                        aftreden gehuwd was met de man of vrouw van wie aanmelding
                                        gewenst wordt, dan wel indien die man of vrouw al voor het
                                        ontslag of aftreden door de gewezen wethouder was aangemeld
                                        geweest als bedoeld in het eerste lid, mits de aanmelding
                                        wordt gedaan voordat degene die de aanmelding doet de
                                        leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.</al><lijst><li nr="3."><al>Degene die een aanmelding doet, voegt daarbij een
                                                gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit
                                                de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                                                waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarde,
                                                gesteld in het eerste lid, onder a, alsmede een
                                                afschrift van het contract, bedoeld in het eerste
                                                lid, onder b, dan wel een uittreksel daaruit of een
                                                verklaring van de notaris dienaangaande, waaruit de
                                                wederzijdse onderhoudsplichtigheid blijkt.</al></li><li nr="4."><al>Indien aan de voorwaarden voor aanmelding, gesteld
                                                in het eerste lid, niet wordt voldaan, weigeren
                                                burgemeester en wethouders de aanmelding.</al></li><li nr="5."><al>Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen
                                                omtrent de aanmelding door degene die niet als
                                                ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie
                                                persoonsgegevens is ingeschreven.</al></li><li nr="6."><al>De aanmelding eindigt met het doorhalen ervan.</al></li><li nr="7."><al>Een aanmelding als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                doorgehaald:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>op de dag waarop een aanvraag daartoe van degene die de
                                        aanmelding heeft gedaan, dan wel van de man of vrouw die is
                                        aangemeld, is ontvangen;</al></li><li nr="b."><al>op de dag van overlijden van de man of vrouw die is
                                        aangemeld dan wel van degene die de aanmelding heeft gedaan,
                                        of</al></li><li nr="c."><al>op de dag waarop degene die de aanmelding heeft gedaan, dan
                                        wel de man of vrouw die is aangemeld, hetzij in het huwelijk
                                        treedt, hetzij partij is bij een volgende aanmelding.</al><lijst><li nr="8."><al>Burgemeester en wethouders kunnen, indien daartoe
                                                aanleiding bestaat, bevestiging vragen of nog aan de
                                                voorwaarden voor aanmelding wordt voldaan. Degene
                                                die de aanmelding heeft gedaan legt alsdan een
                                                schriftelijke verklaring terzake over van hem en de
                                                aangemelde persoon gezamenlijk, alsmede een
                                                gewaarmerkt afschrift van de benodigde gegevens uit
                                                de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                                                waaruit blijkt dat aan de voorwaarde, gesteld in het
                                                eerste lid, onder a, op hettijdstip van die
                                                verklaring wordt voldaan. Indien evenwel in de
                                                voorgaande periode het samenlevingscontract een
                                                wijziging heeft ondergaan die van belang kan zijn
                                                voor de aanmelding, wordt een afschrift van het
                                                gewijzigde contract overgelegd dan wel een
                                                uittreksel daaruit of een verklaring van een notaris
                                                dienaangaande, waaruit blijkt dat nog wordt voldaan
                                                aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid,
                                                onderdeel b.</al></li><li nr="9."><al>Indien de bevestiging niet binnen zes weken wordt
                                                gedaan herhalen burgemeester en wethouders hun in
                                                het achtste lid bedoelde aanvraag.</al></li><li nr="10."><al>Indien de bevestiging niet binnen drie weken na de
                                                herhaalde aanvraag wordt gegeven, kunnen
                                                burgemeester en wethouders de aanmelding op een door
                                                hen vast te stellen datum doorhalen. De bedoelde
                                                datum is niet gelegen voor de datum waarop de in het
                                                achtste lid bedoelde bevestiging is gevraagd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaandenpensioen
                                zijn van overeenkomstige toepassing op het bijzonder
                                nabestaandenpensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het
                                tegendeel blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening voor het nabestaanden- en
                                wezenpensioen zijn van overeenkomstige toepassing op het tijdelijk
                                pensioen, tenzij uit de desbetreffende bepalingen het tegendeel
                                blijkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze afdeling is niet van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van hem die krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk met de
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de berekening van het aantal dienstjaren, zoals bedoeld in
                                    deze afdeling, kan op aanvraag van belanghebbende tevens
                                    meetellen de periode waarin hij krachtens het gestelde in
                                    artikel 51, eerste lid, van de Gemeentewet tijdelijk doch
                                    gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de tijdelijke
                                    waarneming van het wethouderschap is belast geweest, indien het
                                    tijdvak van die waarneming zonder onderbreking wordt gevolgd
                                    door een tijdvak, waarin hij anders dan krachtens artikel 51,
                                    eerste lid, van de Gemeentewet als wethouder is opgetreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag bedoeld in het vorige lid dient binnen dertig dagen
                                    na de datum waarop belanghebbende anders dan krachtens artikel
                                    51, eerste lid, van de Gemeentewet voor het eerst als wethouder
                                    is opgetreden bij burgemeester en wethouders te worden
                                    ingediend.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Het eigen pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Het recht op eigen pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn heeft, tenzij hij zonder
                                onderbreking weer als zodanig optreedt, recht op pensioen indien hij
                                op het tijdstip waarop hij ophoudt wethouder te zijn, de leeftijd
                                van 65 jaar heeft bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die ophoudt wethouder te zijn vóór het bereiken van de leeftijd
                                van 65 jaar, heeft recht op pensioen bij het bereiken van die
                                leeftijd, tenzij hij op dat tijdstip weer als wethouder in deze
                                gemeente optreedt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Diensttijd vóór en vanaf 1 januari 1986</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het pensioen wordt berekend over de tijd doorgebracht als wethouder,
                                volgens een of meer van de in de artikelen 18, 19 en 19a, naar de
                                laatstelijk als wethouder genoten wedde vermeerderd met het
                                percentage van de vakantie-uitkering.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                artikel 19, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                100/110 maal het bedrag van de eventueel naar de regelen,
                                vastgesteld bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel
                                157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers aangepaste
                                wedde voor de vaststelling van de pensioengrondslag voor de
                                pensioenberekening over tijd tussen 31 december 1985 en 1 januari
                                1995 met toepassing van artikel 19. De in de eerste volzin
                                eerstbedoelde wedde bedraagt niet minder dan het bedrag van
                                laatstbedoelde wedde verminderd met f 6.320,--. Het bedrag van f
                                6.320,-- wordt telkens aangepast bij de algemene maatregel van
                                bestuur bedoeld in artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers, overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1
                                januari 1985 f 63.200,-- bedroeg.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 18 als
                                artikel 19a, geldt voor de pensioenberekening over tijd voor 1
                                januari 1986 als laatstelijk genoten wedde een bedrag gelijk aan
                                100/110 maal het bedrag, bedoeld in het vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het pensioen wordt berekend volgens zowel artikel 19 als
                                artikel 19a geldt voor de pensioenberekening over tijd tussen 31
                                december 1985 en 1 januari 1995 als laatstelijk genoten wedde een
                                bedrag gelijk aan de eventueel naar de regelen, bedoeld in het
                                tweede lid aangepaste wedde voor de vaststelling van de
                                pensioengrondslag voor de pensioenberekening over tijd na 31
                                december 1994 met toepassing van artikel 19a, vermenigvuldigd met
                                een debruteringsfactor. Deze factor is de breuk, waarvan de teller
                                honderd bedraagt en de noemer de som is van honderd en het
                                percentage waarmee de wedde als wethouder per 1 januari 1995
                                uitsluitend ter uitvoering van artikel II van de wet van 19 mei
                                1994, houdende wijziging van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers (onder andere ter zake van inhoudingen op het inkomen
                                en gelijke franchise voor de pensioenberekening) (Stb. 418) is
                                gewijzigd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij de berekening van een pensioen van een gewezen wethouder die
                                voor 1 januari 1986 voor zijn bezoldiging geacht werd niet de
                                volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden, wordt de
                                laatstelijk genoten wedde, vastgesteld volgens het tweede of derde
                                lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor."</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd voor 1 januari
                                1986</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari
                                    1986.</al></li><li nr="2."><al>Behoudens het bepaalde in lid 3 bedraagt het pensioen voor ieder
                                    van de eerste vier jaren als wethouder 3,5 procent en voor ieder
                                    overig jaar als wethouder 1,75 procent, in totaal tot een
                                    maximum van 70 procent, van de - in de zin van artikel 4 -
                                    laatstelijk als wethouder genoten wedde, vermeerderd met het
                                    percentage van de vakantie-uitkering, aangepast naar de regelen
                                    als bedoeld in artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers.</al></li><li nr="3."><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen krachtens of op
                                    voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers komen op
                                    grond van artikel 139, lid 2, van deze wet voor de toepassing
                                    van de pensioenberekening naar 3,5 procent per dienstjaar in
                                    totaal ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                    berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                    pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert, en
                                    overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                    pensioenen in de volgorde van de hoogte van de wedden of de
                                    berekeningsgrondslag. Voor de vergelijking van deze wedden of
                                    berekeningsgrondslag worden deze zo nodig aangepast aan de
                                    regelen, bedoeld in artikel 157 van evengenoemde wet. </al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>De tijd met recht op uitkering doorgebracht telt als diensttijd
                                    mee in die zin, dat het pensioen over deze tijd naar 0,875
                                    procent per jaar wordt berekend, met dien verstande dat, wanneer
                                    het een uitkering betreft als bedoeld in artikel 4a het pensioen
                                    over deze tijd naar 1,75 procent per jaar wordt berekend, voor
                                    zover en voor zolang het percentage van de algemene invaliditeit
                                    55 of meer bedroeg. Voor de toepassing van de vorige volzin
                                    worden uitkeringen als bedoeld in artikel 2 en in artikel 3,
                                    leden 1 en 2, aangemerkt als een uitkering als bedoeld in
                                    artikel 4a, indien en zolang belanghebbende tijdens de duur van
                                    eerstbedoelde uitkeringen voor 55 procent of meer algemeen
                                    invalide was.</al></li><li nr="5."><al>Geen meetelling van uitkeringstijd als diensttijd vindt
                                    plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover gedurende die tijd belanghebbende uit andere
                                            hoofde een overheidspensioen opbouwde;</al></li><li nr="b."><al>voor zover gedurende die tijd het bedrag van de
                                            uitkering wegens inkomsten, bedoeld in artikel 5, tot
                                            nihil was verminderd;</al></li><li nr="c."><al>in zover belanghebbende die recht had op uitkering, doch
                                            minder uitkering genoot dan de krachtens artikel 59
                                            berekende pensioenpremie, er geen zorg voor draagt dat
                                            deze premie, welke in dit geval als een op hem rustende
                                            schuld wordt beschouwd, bij het bereiken van de
                                            65-jarige leeftijd is voldaan;</al></li><li nr="d."><al>wanneer belanghebbende zulks verzoekt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd tussen 31 december
                                1985 en 1 januari 1995</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen tussen 31 december 1985
                                    en 1 januari 1995.</al></li><li nr="2."><al>Het pensioen wordt berekend over de pensioengrondslag. De
                                    pensioengrondslag wordt gevormd door de laatstelijk als
                                    wethouder genoten wedde, vermeerderd met het percentage van de
                                    vakantieuitkering, te verminderen met een bedrag als omschreven
                                    in het vierde lid (de franchise).</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt ten
                                    aanzien van wethouders die voor hun bezoldiging geacht worden
                                    niet de volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden,
                                    onder wedde verstaan, het tot een jaarbedrag herleide bedrag
                                    waarvan die wedde is afgeleid.</al></li><li nr="4."><al>De franchise bedoeld in het tweede lid is gelijk aan:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig zevende maal het tot een jaarbedrag herleide
                                            bedrag genoemd in artikel 9, vijfde lid, onder b, van de
                                            Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
                                            bruto-vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van die
                                            wet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat
                                            bedrag of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien
                                            geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die
                                            wet;</al></li><li nr="b."><al>tien zevende maal het tot een jaarbedrag herleide bedrag
                                            genoemd in artikel 9, vijfde lid, onder a, van de
                                            Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de
                                            bruto-vakantie-uitkering ingevolge artikel 29 van die
                                            wet, indien de pensioengerechtigde recht heeft op dat
                                            bedrag, of op dat bedrag recht zou hebben gehad, indien
                                            geen toepassing zou zijn gegeven aan artikel 13 van die
                                            wet.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Wanneer ten aanzien van de gepensioneerde wethouder wijziging
                                    optreedt in de toepassing van artikel 9, vijfde lid, van de
                                    Algemene Ouderdomswet, wordt zijn pensioengrondslag herberekend.
                                    Het dienovereenkomstig herberekende pensioen gaat in op dezelfde
                                    dag als die wijziging.</al></li><li nr="6."><al>Wanneer het bedrag bedoeld in het vierde lid, onder a of b, of
                                    de hoogte van de daarbedoelde vakantie-uitkering wordt
                                    gewijzigd, wordt de franchise herberekend. De
                                    dienovereenkomstige herberekende pensioenen gaan in op dezelfde
                                    dag als die wijziging.</al></li><li nr="7."><al>Behoudens het bepaalde in het achtste lid bedraagt het pensioen
                                    voor ieder van de eerste vier voor pensioen tellende jaren als
                                    wethouder 3,5 procent van de pensioengrondslag, en voor ieder
                                    overig jaar als wethouder 1,75 procent van de pensioengrondslag,
                                    in totaal tot een maximum van 70 procent van de
                                    pensioengrondslag, aangepast naar de regelen, vastgesteld bij de
                                    algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 157 van de
                                    Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></li><li nr="8."><al>Indien recht bestaat op meer dan een pensioen, bedoeld in het
                                    zevende lid, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                    pensioenen krachtens de tweede en derde afdeling van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers, komen voor de toepassing van
                                    de pensioenberekening naar 3,5 procent per dienstjaar in totaal
                                    ten hoogste vier dienstjaren in aanmerking en wordt die
                                    berekening voor zover mogelijk toegepast ten aanzien van het
                                    pensioen, waarbij die berekening het hoogste bedrag oplevert en
                                    overigens ten aanzien van het andere pensioen of de andere
                                    pensioenen in de volgorde van de hoogte der wedden,
                                    berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen. Voor vergelijking
                                    van deze wedden, berekeningsgrondslag of pensioengrondslagen
                                    worden deze zo nodig aangepast naar de regelen vastgesteld bij
                                    de algemene maatregel van bestuur bedoeld in artikel 157 van
                                    evengenoemde wet.</al></li><li nr="9."><al>Het vierde en vijfde lid van artikel 18 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></li><li nr="10."><al>Indien een pensioen wordt berekend zowel met toepassing van
                                    artikel 18 als met toepassing van dit artikel, wordt in
                                    afwijking van het zesde, zevende of achtste lid het percentage
                                    van 70 verminderd met het percentage van het pensioen dat eerst
                                    is berekend met toepassing van artikel 18.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19a</nr><titel>Berekening van het eigen pensioen over tijd na 31 december
                                1994</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op pensioenberekeningen
                                over tijd doorgebracht als wethouder na 31 december 1994.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 19, tweede lid, is van toepassing, met dien verstande dat de
                                in dat lid bedoelde franchise het bedrag is, genoemd in artikel
                                F7aa, tweede lid van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel het
                                met toepassing van het derde lid van dat artikel gewijzigde
                                bedrag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 19, derde en zevende tot en met tiende lid, zijn van
                                toepassing."</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Berekening eigen pensioen deeltijdwethouder na 31 december
                                1985</titel></kop><al>Indien het pensioen van de wethouder, die voor zijn bezoldiging geacht
                            wordt niet de volledige werkweek aan het wethouderschap te besteden,
                            wordt berekend met toepassing van artikel 19 of 19a, dan wel met
                            toepassing van beide artikelen, is het bedrag van het pensioen gelijk
                            aan de uitkomst van de berekening vermenigvuldigd met de
                            deeltijdfactor.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Samenvallende diensttijd van echtgenoten tussen 31 december 1985
                                en 1 januari 1995.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gepensioneerde wethouder die recht heeft op het ouderdomspensioen
                                bedoeld in artikel 9, vijfde lid, onder b, van de Algemene
                                Ouderdomswet heeft, voor zover zijn pensioen is berekend met
                                toepassing van artikel 19, recht op een toeslag op zijn pensioen,
                                indien de kalendertijd, waarin de voor de berekening van zijn
                                pensioen meetellende diensttijd is gelegen, geheel of gedeeltelijk
                                samenvalt met de kalendertijd, die in aanmerking is genomen bij de
                                berekening van enig pensioen waarop zijn echtgenoot recht heeft,
                                mits op laatstbedoeld pensioen een vermindering is toegepast uit
                                hoofde van recht op ouderdomspensioen ingevolge de Algemene
                                Ouderdomswet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt mede als echtgenoot
                                aangemerkt degene die voor de toepassing van de Algemene
                                Ouderdomswet als echtgenoot van de gepensioneerde wethouder wordt
                                aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt voor elk voor de
                                berekening van het pensioen meetellende jaar binnen de samenlopende
                                kalendertijd 0,525 procent van de franchise bedoeld in artikel 19,
                                vijfde lid onder a.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag wordt slechts toegekend op schriftelijke aanvraag en gaat
                                in op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde omstandigheid is
                                opgetreden, met dien verstande dat de toeslag niet vroeger ingaat
                                dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de aanvraag bij
                                burgemeester en wethouders is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                                politieke ambtsdragers en van hoofdstuk III van deze verordening
                                wordt de toeslag ingevolge dit artikel niet onder pensioen
                                begrepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien in het bedrag van het ouderdomspensioen, waaronder
                                medebegrepen een eventuele toeslag en de vakantie-uitkering,
                                ingevolge de Algemene Ouderdomswet een wijziging wordt aangebracht
                                op grond van persoonlijke omstandigheden, is degene aan wie een
                                pensioen krachtens dit hoofdstuk is toegekend over diensttijd voor 1
                                januari 1995, gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de in het eerste lid bedoelde wijziging leidt tot verhoging
                                van het pensioen krachtens dit hoofdstuk, gaat die verhoging niet
                                vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
                                daarbedoelde kennisgeving werd gedaan of waarin die verhoging
                                ambtshalve plaatsvond.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders het tweede
                                lid buiten toepassing laten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Het nabestaanden- en wezenpensioen</titel></kop><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Het recht op pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De nabestaande van een wethouder of van een gewezen dan wel een
                                    gepensioneerde wethouder heeft recht op
                                    nabestaandenpensioen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat indien het huwelijk
                                    was gesloten nadat het aftreden van de echtgenoot was ingegaan,
                                    tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de echtgenoot ten tijde van het sluiten van het huwelijk
                                            recht had op uitkering ter zake van zijn aftreden als
                                            wethouder, of</al></li><li nr="b."><al>de echtgenoten reeds voor het aftreden met elkaar gehuwd
                                            waren geweest dan wel de nabestaande door de echtgenoot
                                            aangemeld was geweest en mits het huwelijk was gesloten
                                            voordat deze de 65-jarige leeftijd had bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het vorige lid wordt het aftreden geacht
                                    niet te hebben plaatsgevonden, indien zonder wezenlijke
                                    onderbreking een politiek ambt als bedoeld in de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers is aanvaard. Een onderbreking
                                    van ten hoogste twee maanden wordt als niet-wezenlijk
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan beslissen dat een onderbreking van meer dan twee
                                    maanden als niet-wezenlijk wordt aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De man of vrouw met wie een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    wethouder gehuwd is geweest, heeft na diens overlijden recht op
                                    bijzonder nabestaandenpensioen, mits</al><lijst><li nr="a."><al>hij of zij recht op nabestaandenpensioen zou hebben
                                            gehad, indien de wethouder op de dag van het vonnis,
                                            waarbij de echtscheiding of de ontbinding van het
                                            huwelijk is uitgesproken, zou zijn overleden, en</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde dag ligt na 30 september 1971 en de
                                            echtscheiding of ontbinding van het huwelijk niet is
                                            uitgesproken met toepassing van het vóór 1 oktober 1971
                                            geldende recht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de vrouw of man van wie de aanmelding is geëindigd, mits zij of
                                    hij recht op nabestaandenpensioen zou hebben gehad, indien de
                                    wethouder, de gewezen of gepensioneerde wethouder op de dag van
                                    eindigen van de aanmelding zou zijn overleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien de
                                    desbetreffende vrouw of man als gevolg van een huwelijk met, dan
                                    wel een aanmelding door dezelfde wethouder ter zake van diens
                                    overlijden recht op nabestaandenpensioen verkrijgt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op wezenpensioen hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>de kinderen van hem die overlijdt als wethouder of als
                                            gewezen of gepensioneerde wethouder, die de leeftijd van
                                            eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt en niet
                                            gehuwd zijn of gehuwd geweest zijn dan wel niet partij
                                            zijn of partij zijn geweest bij een aanmelding, mits zij
                                            zijn geboren of geadopteerd voor zijn aftreden is
                                            ingegaan of in de periode waarin hij recht heeft op
                                            uitkering ter zake van het aftreden;</al></li><li nr="b."><al>de kinderen ten opzichte van welke aan een mannelijke
                                            wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder ten tijde
                                            van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens
                                            artikel 394 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek was
                                            opgelegd, dan wel door hem bij authentieke akte een
                                            dergelijke verplichting was erkend, onder dezelfde
                                            voorwaarden als genoemd in onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>de kinderen voor welke de wethouder, gewezen of
                                            gepensioneerde wethouder ten tijde van zijn overlijden
                                            de pleegouderlijke zorg droeg, onder dezelfde
                                            voorwaarden als genoemd in onderdeel a, met dien
                                            verstande dat in plaats van het tijdstip van geboorte of
                                            adoptie het tijdstip van aanvang van de pleegouderlijke
                                            zorg in aanmerking wordt genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 23, derde en vierde lid, is van overeenkomstige
                                    toepassing ten aanzien van het gestelde onder a van het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder pleegouderlijke zorg bedoeld in het eerste lid, onder c,
                                    wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van
                                    het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige
                                    verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding
                                    daarvoor.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een wethouder of een gewezen dan wel een gepensioneerde
                                    wethouder naar het oordeel van burgemeester en wethouders is
                                    vermist, hebben degenen, die aan zijn overlijden op grond van de
                                    voorgaande artikelen van deze paragraaf recht op pensioen zouden
                                    ontlenen, recht op tijdelijk pensioen op dezelfde voorwaarden
                                    als in die artikelen ten aanzien van het recht op pensioen
                                    omschreven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat van rechtswege over in een pensioen
                                    zodra het overlijden van de vermiste vaststaat.</al></lid></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bedrag van het pensioen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Berekening van het nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende gedeelte van het
                                    pensioen, waarop de overledene als gewezen wethouder aanspraak
                                    zou hebben gehad, indien hij met ingang van de dag na die van
                                    zijn overlijden was afgetreden, of waarop de overledene als
                                    gewezen wethouder recht of uitzicht had.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het vorige lid bedraagt het pensioen van de
                                    nabestaande van hem die overlijdt:</al><lijst><li nr="a."><al>als wethouder voor het bereiken van de leeftijd van 65
                                            jaar: vijf zevende gedeelte van het pensioen waarop de
                                            wethouder aanspraak zou hebben kunnen maken, indien hij
                                            het wethouderschap tot het bereiken van evengenoemde
                                            leeftijd zou hebben bekleed;</al></li><li nr="b."><al>als gewezen wethouder in de periode waarin hij recht op
                                            uitkering heeft: vijf zevende gedeelte van het pensioen
                                            waarop de gewezen wethouder aanspraak zou hebben kunnen
                                            maken, indien hij tot het bereiken van de leeftijd van
                                            65 jaar recht op uitkering zou hebben gehad, met dien
                                            verstande dat voor de berekening van het pensioen de
                                            diensttijd wordt doorgeteld naar de mate van meetelling
                                            van diensttijd op de dag van overlijden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien wegens eenzelfde sterfgeval voor een nabestaande recht
                                    ontstaat op meer dan een nabestaandenpensioen krachtens of op
                                    voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers wordt op
                                    grond van artikel 145, lid 4, van deze wet tijd, die voor de
                                    berekening van meer dan een van die pensioenen meetelt en niet
                                    daadwerkelijk gelijktijdig in de verschillende ambten is
                                    doorgebracht, slechts meegeteld voor de berekening van het
                                    pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de voorgaande leden wordt ten aanzien van
                                    het eigen pensioen voor zover artikel 19, tweede en vierde lid,
                                    daarop van toepassing is, in alle gevallen gerekend met de
                                    franchise bedoeld in artikel 19, vierde lid, onder a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Berekening nabestaandenpensioen na 31 december 1985</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1985 en
                                    1 januari 1995.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt en geen recht heeft op pensioen of tijdelijke uitkering
                                    ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, heeft tot de eerste
                                    dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een
                                    toeslag op zijn volgens artikel 28 berekende pensioen. Deze
                                    toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de berekening van het
                                    nabestaandenpensioen tellend jaar twee en een half procent van
                                    het tot een jaarbedrag herleide bedrag genoemd in artikel 19,
                                    elfde lid, onder a, vermeerderd met het bedrag van de
                                    vakantie-uitkering genoemd in artikel 37b, zesde lid, onder a,
                                    van de Algemene Weduwen- en Wezenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wanneer betrokkene voldoet, onderscheidenlijk niet meer voldoet,
                                    aan de voorwaarden omschreven in het tweede lid, dient hij
                                    hiervan onverwijld kennis te geven aan burgemeester en
                                    wethouders. De daarbedoelde toeslag gaat niet eerder in dan een
                                    jaar voor de eerste dag van de maand waarin kennisgeving werd
                                    gedaan of waarin die toeslag ambtshalve is toegekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het bedrag genoemd in artikel 19, elfde lid, onder a,
                                    onderscheidenlijk artikel 37b, zesde lid, onder a, van de
                                    Algemene Weduwen-en Wezenwet wordt gewijzigd, wordt de in het
                                    tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met
                                    ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29a.</nr><titel>Berekening nabestaandenpensioen tussen 31 december 1994 en 1
                                    januari 1996.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over diensttijd tussen 31 december 1994 en
                                    1 januari 1996.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt en geen recht heeft op pensioen of tijdelijke uitkering
                                    ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet, heeft tot de eerste
                                    dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een
                                    toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen berekende
                                    pensioen. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de
                                    berekening van het nabestaandenpensioen tellend jaar 1,25
                                    procent van de franchise, bedoeld in het tweede lid van artikel
                                    19a.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het derde en vierde lid van artikel 29 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing."</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Bijzonder nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bijzonder nabestaandenpensioen wordt op dezelfde wijze
                                    berekend als een nabestaandenpensioen, met dien verstande dat
                                    slechts de diensttijd meetelt die gelegen is vóór de ontbinding
                                    van het huwelijk dan wel vóór het tijdstip waarop de aanmelding
                                    is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien er recht bestaat op meer dan één bijzonder
                                    nabestaandenpensioen als bedoeld in artikel 25, eerste of tweede
                                    lid, vindt het eerste lid overeenkomstige toepassing met dien
                                    verstande, dat voor de berekening van het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen ontleend aan elk huwelijk en elke
                                    aanmelding waaraan een eerder huwelijk dan wel een eerdere
                                    aanmelding voorafgaat slechts de diensttijd meetelt die
                                    samenloopt of geacht kan worden samen te lopen met de
                                    huwelijksduur dan wel de duur van de aanmelding.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er bij een overlijden recht bestaat op een of meer
                                    bijzondere nabestaandenpensioenen, wordt het
                                    nabestaandenpensioen dat aan hetzelfde overlijden wordt
                                    ontleend, met het bedrag of de bedragen daarvan verminderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nabestaandenpensioen bij hertrouwen dan wel
                                    aanmelding</titel></kop><al>Indien een nabestaande hertrouwt dan wel partij is bij een
                                aanmelding, wordt zijn pensioen opnieuw vastgesteld met ingang van
                                de maand volgende op die waarin hij hertrouwt dan wel de aanmelding
                                geschiedt. Daarbij wordt uitsluitend de voor pensioen in aanmerking
                                komende diensttijd van de wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                wethouder in aanmerking genomen, die gelegen is voor het tijdstip
                                van diens overlijden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wezenpensioen bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor elk kind, wiens ouder aan het overlijden van de
                                            wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder recht op
                                            pensioen ontleent: een zevende gedeelte.</al></li><li nr="b."><al>voor elk ander kind: twee zevende gedeelte van het
                                            pensioen van de overledene, berekend overeenkomstig
                                            artikel 28.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ouder mede
                                    begrepen de nabestaande die op het tijdstip van zijn overlijden
                                    de pleegouderlijke zorg had voor het kind, bedoeld in artikel
                                    26.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Berekening wezenpensioen na 31 december 1985</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over de diensttijd na 31 december
                                    1985.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wees die geen recht heeft op wezenpensioen ingevolge de
                                    Algemene Weduwen- en Wezenwet heeft recht op een toeslag op zijn
                                    volgens artikel 32 berekende pensioen, tenzij zijn ouder recht
                                    heeft op het pensioen genoemd in artikel 19, elfde lid, onder b
                                    van die wet. Deze toeslag bedraagt jaarlijks voor elk voor de
                                    berekening van het wezenpensioen tellend jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder a,
                                            0,375 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag
                                            van het in de eerste volzin bedoelde pensioen,
                                            vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering
                                            genoemd in artikel 37b, zesde lid, onder b, van de
                                            Algemene Weduwen- en Wezenwet;</al></li><li nr="b."><al>voor de wees bedoeld in artikel 32, eerste lid, onder b,
                                            0,75 procent van het tot een jaarbedrag herleide bedrag
                                            van het in de eerste volzin bedoelde pensioen,
                                            vermeerderd met het bedrag van de vakantie-uitkering
                                            genoemd in artikel 37b, zesde lid, onder b, van de
                                            Algemene Weduwen- en Wezenwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid is artikel 29, derde lid,
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer het bedrag genoemd in artikel 19, elfde lid, onder b,
                                    onderscheidenlijk artikel 37b, zesde lid, onder b, van de
                                    Algemene Weduwen-en Wezenwet wordt gewijzigd, wordt de in het
                                    tweede lid bedoelde toeslag dienovereenkomstig gewijzigd met
                                    ingang van dezelfde dag als eerstbedoelde wijziging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Herberekening wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het wezenpensioen wordt herberekend overeenkomstig de artikelen
                                    32 en 33, wanneer het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen van de ouder wegens diens overlijden is
                                    geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het nabestaandenpensioen van de ouder krachtens artikel
                                    31 wegens hertrouwen dan wel een aanmelding opnieuw wordt
                                    vastgesteld, wordt het wezenpensioen bedoeld in artikel 32,
                                    eerste lid, onder a, verhoogd met een bedrag dat zich verhoudt
                                    tot het bedrag van dat wezenpensioen, zoals het verschil tussen
                                    het nabestaandenpensioen bedoeld in artikel 28 voor en na de
                                    toepassing van artikel 31 zich verhoudt tot dat
                                    nabestaandenpensioen vóór die toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel is artikel 32, tweede lid,
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Beperking gezamenlijk bedrag nabestaanden- en
                                    wezenpensioen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gedeelten van de nabestaanden-, bijzonder nabestaanden- en
                                    wezenpensioenen, onderscheidenlijk van de wezenpensioenen,
                                    bedoeld in de artikelen 28, 30, 31 en 32 gaan tezamen het bedrag
                                    waarvan die pensioenen zijn afgeleid niet te boven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien wegens toepassing van het vorige lid de daarbedoelde
                                    pensioengedeelten een vermindering moeten ondergaan, geschiedt
                                    deze in evenredigheid van de onderscheidende bedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toeslag op het nabestaandenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De nabestaande die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
                                    bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die
                                    leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn volgens de
                                    voorgaande artikelen berekende pensioen ten bedrage van vijftien
                                    procent van dat pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede
                                    en vierde lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
                                    als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk
                                    V toepassing heeft gevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van degene die
                                    recht heeft op bijzonder nabestaandenpensioen, noch ten aanzien
                                    van degene wiens nabestaandenpensioen wegens hertrouwen dan wel
                                    een aanmelding opnieuw is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                    vijftien procent van f 55.195,--. Dit bedrag wordt telkens
                                    aangepast bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in
                                    artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                    overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari
                                    1985 f 63.200,-- bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Toeslag op wezenpensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wees bedoeld in artikel 32 heeft vanaf de eerste dag van de
                                    maand waarin hij de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt,
                                    recht op een toeslag op zijn volgens de voorgaande artikelen
                                    berekende pensioen ten bedrage van vijftien procent van dat
                                    pensioen, behoudens het bepaalde in het tweede en derde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een pensioen
                                    als daar bedoeld verstaan het pensioen nadat eventueel hoofdstuk
                                    V toepassing heeft gevonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt ten hoogste
                                    vijftien procent van f 55.195,--. Dit bedrag wordt telkens
                                    aangepast bij de algemene maatregel van bestuur bedoeld in
                                    artikel 157 van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                    overeenkomstig de aanpassing van een bedrag dat op 1 januari
                                    1985 f 63.200,-- bedroeg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Tijdelijk pensioen</titel></kop><al>Het tijdelijk pensioen is gelijk aan het pensioen waarop recht zou
                                bestaan indien de vermiste op de dag van zijn vermissing was
                                overleden.</al></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Verval en vervallenverklaring</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Vervallenverklaring van uitzicht of recht op pensioen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan het uitzicht of het recht op pensioen geheel of
                                gedeeltelijk vervallen verklaren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft zich in
                                        vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft
                                        begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands
                                        nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft wegens enig
                                        strafbaar feit is veroordeeld waaruit naar zijn oordeel
                                        blijkt dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt
                                        beschouwd onwaardig heeft gedragen;</al></li><li nr="c."><al>indien degene die dat uitzicht of recht heeft overeenkomstig
                                        artikel W9 van de Kieswet van het lidmaatschap van de raad
                                        vervallen verklaard is;</al></li><li nr="d."><al>indien het ontslag als wethouder die dat uitzicht of recht
                                        heeft, voortvloeit uit het feit dat hij zich aan kennelijk
                                        wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak heeft
                                        schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van zijn taak
                                        wordt begrepen het zonder genoegzame grond weigeren de in
                                        artikel 169 lid 2 van de Gemeentewet bedoelde inlichtingen
                                        aan de raad te verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van de
                                toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op
                                pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Verval van recht op pensioen bij het niet-invorderen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op toegekend pensioen vervalt indien gedurende vijf
                                achtereenvolgende jaren iedere invordering achterwege is
                                gebleven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan een door of als gevolg van de toepassing van het vorige
                                lid vervallen recht op pensioen herstellen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>Samenloop</titel></kop><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Samenloop pensioenen krachtens deze verordening, onderling en met andere pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Grensbedrag eigen pensioenen.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt, voor zover een
                                    pensioen is onderworpen aan een samenloopregeling overeenkomstig
                                    paragraaf 2 van dit hoofdstuk, onder pensioen verstaan het
                                    bedrag dat overblijft na vermindering van dat pensioen wegens
                                    recht op ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet of
                                    een naar aard en strekking daarmee overeenkomend pensioen of
                                    uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Indien recht bestaat op een of meer eigen pensioenen krachtens
                                    of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                    ambtsdragers, dan wel daarnaast recht bestaat op een of meer
                                    eigen pensioenen krachtens een andere regeling als bedoeld in
                                    het vijfde lid en het totaal van die pensioenen meer bedraagt
                                    dan het grensbedrag, omschreven in het derde lid, wordt op grond
                                    van artikel 154 juncto artikel 93 van genoemde wet, elk eigen
                                    pensioen krachtens of op de voet van die wet beperkt tot een
                                    zodanig gedeelte (beperkingsbreuk) van bedoeld grensbedrag als
                                    evenredig is aan de verhouding, waarin elk van laatstbedoelde
                                    pensioenen staat tot het totaal van die pensioenen.</al></li><li nr="3."><al>Het grensbedrag is het pensioen dat met toepassing van artikel
                                    19 tot het in het achtste lid van dat artikel genoemde maximum
                                    van 70 procent zou zijn toegekend naar een wedde overeenkomend
                                    met het hoogste bedrag in bijlage A van het Bezoldigingsbesluit
                                    Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (Stb. 571) vermeerderd met het
                                    percentage van de vakantie-uitkering.</al></li><li nr="4."><al>Indien het bedrag van een of meer van de in het tweede lid
                                    bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
                                    aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan het
                                    grensbedrag bedoeld in het derde lid, treedt dat hogere bedrag
                                    of het hoogste van die bedragen voor de toepassing van het
                                    tweede lid in de plaats van het grensbedrag.</al></li></lijst><al> Voor de in de eerste volzin bedoelde vergelijking worden de pensioenen
                            aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld bij de algemene
                            maatregel van bestuur bedoeld in artikel 105 van de Algemene pensioenwet
                            politieke ambtsdragers en daarmee overeenkomende artikelen in andere
                            pensioenwetten. </al><al>5.Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit artikel
                            verstaan een pensioen, een daarmee in aard overeenkomende uitkering,
                            alsmede een onderstand bij wijze van pensioen ten laste van het rijk,
                            een provincie, gemeente of waterschap, van het Algemeen burgerlijk
                            pensioenfonds, van het Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting
                            administratie Indonesische pensioenen, dan wel ten laste van de
                            Nederlandse Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in dat land of een
                            door het hoger bestuursorgaan in een van deze landen ingesteld fonds,
                            met inbegrip van de daarop onder welke benaming ook verleende toeslagen
                            en met uitzondering van een pensioen krachtens de Wet buitengewoon
                            pensioen 1940-1945 (Stb. 1947, H313) en de Wet buitengewoon pensioen
                            zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1947, H420), van een
                            uitkering krachtens de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers
                            1940-1945, van een invaliditeitspensioen met de daarop toegekende
                            verhogingen krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van
                            de Algemene militaire pensioenwet, van een invaliditeitspensioen, een
                            invaliditeitsverhoging en een bijzondere invaliditeitsverhoging
                            krachtens laatstgenoemde wet, alsmede van een uitkering krachtens de
                            Algemene oorlogsongevallenregeling.</al><al> Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit artikel
                            mede begrepen een ten laste van het rijk onder welke benaming dan ook
                            verleende toeslag op een pensioen, een daarmee in aard overeenkomende
                            uitkering of een onderstand bij wijze van pensioen ten laste van
                            Suriname of een publiekrechtelijk lichaam in dat land. </al><al>6.Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 1 of lid 2 wordt de
                            toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd, wanneer een pensioen als
                            in dit artikel bedoeld, wordt toegekend of eindigt dan wel - anders dan
                            wegens aanpassing naar de in artikel 157 van de Algemene pensioenwet
                            politieke ambtsdragers bedoelde regelen en daarmee overeenkomende
                            regelen in andere pensioenwetten dan de in dit artikel genoemde - wordt
                            herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Grensbedrag nabestaanden- en wezenpensioenen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 41 is van overeenkomstige toepassing indien voor een
                                nabestaande onderscheidenlijk een wees, naast recht op een of meer
                                nabestaandenpensioenen onderscheidenlijk wezenpensioenen, krachtens
                                of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers
                                recht bestaat op een of meer nabestaandenpensioenen,
                                onderscheidenlijk wezenpensioenen krachtens een andere regeling, met
                                dien verstande dat voor het in het derde lid van dat artikel
                                bedoelde grensbedrag en het in het vierde lid van dat artikel
                                bedoelde hogere bedrag, met betrekking tot een nabestaandenpensioen
                                vijf zevende gedeelte, met betrekking tot een wezenpensioen
                                krachtens artikel 32, eerste lid, onder a, een zevende gedeelte en
                                met betrekking tot een wezenpensioen krachtens artikel 32, eerste
                                lid, onder b, twee zevende gedeelte van die bedragen in de plaats
                                komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de toeslagen bedoeld in de
                                artikelen 29, 33, 36 en 37 niet onder pensioen begrepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Artikel 35 wordt overeenkomstig toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Samenloop nabestaandenpensioen na hertrouwen of
                                aanmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een nabestaande aan wie reeds een nabestaandenpensioen is
                                toegekend, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een
                                andere regeling, ter zake van een later huwelijk of een latere
                                aanmelding eveneens recht op nabestaandenpensioen verkrijgt, hetzij
                                krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere regeling,
                                wordt samenlopende diensttijd slechts meegeteld bij de berekening
                                van het pensioen waarbij die tijd het hoogste bedrag oplevert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                vorige lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse
                                schatkist - anders dan ingevolge wettelijke garanties of ingevolge
                                overneming van de verplichting tot betaling - ten laste van de
                                Nederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in Nederland
                                of in evengenoemd ander land, dan wel ten laste van een door het
                                hoger bestuursorgaan in een van die landen ingesteld fonds.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Samenloop van wezenpensioenen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een wees die reeds recht op een wezenpensioen heeft,
                                    hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens een andere
                                    regeling, daarna eveneens recht op een ander wezenpensioen
                                    verkrijgt, hetzij krachtens deze verordening, hetzij krachtens
                                    een andere regeling wordt voor de berekening van de eigen
                                    pensioenen waarvan die wezenpensioenen zijn of geacht moeten
                                    worden te zijn afgeleid, samenlopende tijd slechts meegeteld bij
                                    de berekening van het pensioen, waarbij die tijd het hoogste
                                    bedrag oplevert.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 43, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Samenloop van pensioenen en algemeen pensioen over diensttijd vóór 1 januari 1986</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een pensioen:</al><al> een pensioen of een gedeelte van een pensioen voor zover
                                        berekend over de tijd voor 1 januari 1986, dat is toegekend
                                        of geacht wordt te zijn toegekend krachtens deze
                                        verordening; </al></li><li nr="b."><al>een algemeen pensioen:</al><al> 1e een bruto-ouderdomspensioen als bedoeld in artikel 9 van
                                        de Algemene Ouderdomswet, eventueel vermeerderd met een
                                        bruto-toeslag als bedoeld in artikel 10 van die wet,
                                        benevens de bruto-vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 29
                                        van die wet, een en ander voor zover niet uitbetaald
                                        krachtens artikel 18 van die wet; </al><al> 2e een pensioen, een tijdelijke uitkering en wezenpensioen
                                        als bedoeld in de Algemene Weduwen- en Wezenwet; </al><al> 3e een pensioen of uitkering toegekend krachtens een
                                        wettelijke regeling van de Nederlandse Antillen of van een </al><al> vreemde mogendheid en naar aard en strekking overeenkomend
                                        met een algemeen pensioen als omschreven onder 1e en 2e;
                                    </al></li><li nr="c."><al>een belanghebbende:</al><al> degene die recht heeft op een pensioen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder het algemeen
                                pensioen van de belanghebbende die de leeftijd van 65 jaar heeft
                                bereikt, mede begrepen het algemeen pensioen waarop zijn echtgenoot
                                recht heeft, tenzij het echtpaar duurzaam gescheiden leeft. Voor de
                                toepassing van de vorige volzin wordt mede als echtgenoot aangemerkt
                                degene die voor de toepassing van de Algemene Ouderdomswet als
                                echtgenoot van de belanghebbende wordt aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een pensioen als bedoeld
                                in artikel 51, vijfde lid, dan wel enig ander pensioen als bedoeld
                                in artikel 51, eerste lid, voor zover dit pensioen of gedeelte
                                daarvan is berekend over tijd voor 1 januari 1986, in aanmerking
                                genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Volle-wezenpensioen</titel></kop><al>Het pensioen waarop twee of meer volle wezen recht hebben, wordt, indien
                            het als een eenheid is toegekend, voor de toepassing van deze paragraaf
                            geacht aan ieder van genoemde wezen te zijn toegekend tot een bedrag,
                            gelijk aan dat pensioen gedeeld door hun aantal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Inbouwbedrag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor een belanghebbende die tevens recht heeft op een algemeen
                                pensioen wordt het deel daarvan, dat geacht kan worden betrekking te
                                hebben op een tijd, overeenkomende met de diensttijd waarnaar zijn
                                pensioen is of geacht wordt te zijn berekend, gerekend deel uit te
                                maken van het bedrag van zijn pensioen, met dien verstande dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover diensttijd met 3,5 procent per jaar met pensioen
                                        wordt vergolden, deze diensttijd met 2 wordt
                                        vermenigvuldigd;</al></li><li nr="b."><al>voor zover diensttijd met 0,875 procent per jaar met
                                        pensioen wordt vergolden, deze diensttijd met 0,5 wordt
                                        vermenigvuldigd;</al></li><li nr="c."><al>maximaal een diensttijd van 40 jaar in aanmerking wordt
                                        genomen.</al><al> Het in de vorige volzin omschreven deel wordt inbouwbedrag
                                        genoemd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op een nabestaandenpensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in
                                artikel 25, dat is afgeleid van een pensioen waarop, in verband met
                                het recht op een pensioen als bedoeld in artikel 9, tiende lid,
                                onder a of b van de Algemene Ouderdomswet, lid 1 van toepassing was,
                                vindt dat lid niet eerder toepassing dan met ingang van de eerste
                                dag van de maand, volgende op die waarin dat pensioen krachtens het
                                bepaalde in artikel 65, lid 1, is geëindigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het inbouwbedrag overschrijdt niet het bedrag van het algemeen
                                pensioen, dat geacht kan worden betrekking te hebben op een tijdvak,
                                liggende tussen de aanvang en het einde van de diensttijd, waarnaar
                                het pensioen met inachtneming van lid 1 is of geacht wordt te zijn
                                berekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48.</nr><titel>Mededelingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een algemeen pensioen gaat genieten dan
                                wel het genot van een algemeen pensioen of tijdelijke uitkering
                                eindigt, of indien in het bedrag van het algemeen pensioen een
                                wijziging wordt aangebracht, op grond van persoonlijke
                                omstandigheden van hemzelf, zijn echtgenoot of zijn kinderen, is hij
                                gehouden hiervan onverwijld kennis te geven aan burgemeester en
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de in het vorige lid bedoelde kennisgeving
                                niet onverwijld doet, gaat een verlaging van het inbouwbedrag niet
                                vroeger in dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
                                kennisgeving werd gedaan of waarin ambtshalve vermindering van het
                                inbouwbedrag plaatsvond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Algemeen pensioen en diensttijd</titel></kop><al>Voor de toepassing van artikel 47 geldt het volgende.</al><lijst><li nr="a."><al>Het algemeen pensioen wordt geacht betrekking te hebben op het
                                    tijdvak, liggende tussen de tijdstippen waarop belanghebbende de
                                    leeftijd van 15 jaar en die van 65 jaar heeft bereikt met dien
                                    verstande dat, indien een belanghebbende recht heeft op
                                    nabestaanden- of wezenpensioen, het vorenstaande overeenkomstige
                                    toepassing vindt ten aanzien van de tijdstippen waarop de
                                    overledene de leeftijden van 15 en 65 jaar heeft of zou hebben
                                    bereikt.</al></li><li nr="b."><al>Het recht op een algemeen pensioen, dat bestond op de dag waarop
                                    de rechthebbende is overleden of sedert welke hij is vermist,
                                    wordt geacht voort te duren tot het tijdstip waarop diens
                                    pensioen krachtens het bepaalde in artikel 65, lid 1, is
                                    geëindigd.</al></li><li nr="c."><al>Indien een nabestaande recht heeft op een pensioen op grond van
                                    artikel 8, eerste lid, onder a van de Algemene Weduwen- en
                                    Wezenwet, doch geen van de in evengenoemde bepaling bedoelde
                                    kinderen recht heeft op pensioen, wordt uitgegaan van het bedrag
                                    van het pensioen dat geldt voor degenen op wie artikel 19, elfde
                                    lid onder a van genoemde wet toepassing vindt.</al></li><li nr="d."><al>Als diensttijd wordt uitsluitend in aanmerking genomen de
                                    diensttijd, gelegen tussen de tijdstippen waarop de leeftijd van
                                    15 jaar is en die van 65 jaar is of zal zijn bereikt.</al></li><li nr="e."><al>Een pensioen dat niet is berekend naar diensttijd wordt geacht
                                    te zijn berekend naar een diensttijd van 40 jaren.</al></li><li nr="f."><al>Diensttijd waarnaar een pensioen is of geacht wordt te zijn
                                    berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is
                                    doorgebracht, wordt geacht aan te sluiten bij het einde van de
                                    ambtsvervulling waaraan het recht op pensioen is ontleend; voor
                                    zover dientengevolge deze diensttijd zich uitstrekt na het
                                    tijdstip waarop de leeftijd van 65 jaar is of zou zijn bereikt,
                                    wordt die diensttijd, te rekenen van dat tijdstip, geacht te
                                    zijn doorgebracht, voor zover mogelijk gedurende tijdvakken van
                                    onderbreking van de daadwerkelijk als wethouder doorgebrachte
                                    tijd en voor het overige onmiddellijk voor de aanvang van de
                                    diensttijd waarnaar het pensioen is berekend.</al></li><li nr="g."><al>Van de diensttijd wordt buiten beschouwing gelaten de tijd
                                    waarop betrekking heeft of geacht kan worden betrekking te
                                    hebben het bedrag van het algemeen pensioen, waarop aanspraak is
                                    verkregen door vrijwillige premiebetaling krachtens artikel 45
                                    van de Algemene Ouderdomswet en artikel 47 van de Algemene
                                    Weduwen- en Wezenwet.</al></li><li nr="h."><al>De vakantie-uitkeringen, bedoeld in de Algemene Ouderdomswet en
                                    de Algemene Weduwen- en Wezenwet, worden geacht op
                                    overeenkomstige wijze als het algemeen pensioen in termijnen te
                                    worden uitbetaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Gehuwde vrouw met recht op pensioen</titel></kop><al>Indien de belanghebbende een gehuwde vrouw is, wordt voor de toepassing
                            van artikel 47 uitgegaan van het algemeen pensioen voor een ongehuwde
                            pensioengerechtigde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Vermindering inbouwbedragen bij samenvallende diensttijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien aan een belanghebbende meer dan een pensioen is of geacht
                                wordt te zijn toegekend krachtens of op de voet van de Algemene
                                pensioenwet politieke ambtsdragers, dan wel naast een of meer
                                zodanige pensioenen een pensioen krachtens een andere regeling als
                                bedoeld in het vijfde lid is of geacht wordt te zijn toegekend, en
                                de diensttijd waarnaar die pensioenen zijn of geacht worden te zijn
                                berekend geheel of gedeeltelijk samenvalt, overschrijdt op grond van
                                artikel 155 juncto artikel 101 van voornoemde wet de som van de
                                inbouwbedragen - voor zover deze geacht kunnen worden betrekking te
                                hebben op een tijd, overeenkomende met de samenvallende diensttijd -
                                niet het bedrag van het algemeen pensioen, dat geacht kan worden
                                betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met bedoelde
                                samenvallende diensttijd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een overschrijding als bedoeld in het vorige lid plaats zou
                                vinden, wordt het voor ieder krachtens deze verordening toegekend
                                pensioen berekende inbouwbedrag, voor zover betrekking hebbende op
                                samenvallende diensttijd als bedoeld in het vorige lid, verminderd
                                tot een zodanig deel van het bedrag van het algemeen pensioen,
                                bedoeld aan het slot van het vorige lid, als elk inbouwbedrag zich
                                verhoudt tot de som van die bedragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de som van de inbouwbedragen, ook na toepassing van het
                                vorige lid, een bedrag gelijk aan 80 procent van het algemeen
                                pensioen overschrijdt, wordt deze overschrijding in mindering
                                gebracht op elk inbouwbedrag in de verhouding, waarin elk van die
                                bedragen staat tot de som daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van de voorgaande leden op pensioenen, toegekend
                                krachtens een militaire pensioenwet, geldt niet als diensttijd de
                                diensttijd, die krachtens die wet met vier promille van de
                                pensioengrondslag is vergolden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder pensioen krachtens een andere regeling als bedoeld in het
                                eerste lid wordt verstaan een pensioen ten laste van de Nederlandse
                                schatkist - anders dan krachtens de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers en anders dan ingevolge wettelijke garanties of
                                ingevolge overneming van de verplichting tot betaling -ten laste van
                                deNederlandse Antillen, van een publiekrechtelijk lichaam in
                                Nederland of in evengenoemd ander land, dan wel ten laste van een
                                door het hoger bestuursorgaan in een van die landen ingesteld
                                fonds.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op schriftelijke aanvraag van de belanghebbende wordt dit artikel
                                overeenkomstig toegepast, indien aan diens echtgenoot een of meer
                                pensioenen zijn of geacht worden te zijn toegekend, hetzij krachtens
                                of op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers,
                                hetzij krachtens een andere regeling als bedoeld in het vijfde lid.
                                Artikel 52, tweede lid, is daarbij van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Vermindering inbouwbedragen bij korting op particulier
                                pensioen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Op schriftelijke aanvraag van degene die aantoont, dat uit
                                    hoofde van zijn recht op algemeen pensioen een vermindering
                                    plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in artikel 51,
                                    vijfde lid, wordt het bedrag van die vermindering voor zoveel
                                    mogelijk in mindering gebracht op het inbouwbedrag. De vorige
                                    volzin is slechts van toepassing voor zover bedoelde
                                    vermindering betrekking heeft op tijd die gelijktijdig in de
                                    betreffende betrekking is of geacht kan worden te zijn vervuld.
                                    Aan diensttijd die niet daadwerkelijk in dienstverhouding of als
                                    politiek ambtsdrager is doorgebracht wordt een plaats toegekend
                                    overeenkomstig het bepaalde bij artikel 49, onder f.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De vermindering van het inbouwbedrag bedoeld in het vorige lid
                                    gaat in met de dag waarop de in dat lid bedoelde omstandigheid
                                    is opgetreden, met dien verstande dat deze niet vroeger ingaat
                                    dan een jaar voor de eerste dag van de maand waarin de
                                    desbetreffende aanvraag werd ingediend.</al></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het eerste lid wordt, ingeval op meer dan één
                                    pensioen recht bestaat, het bedrag van de in dat lid bedoelde
                                    vermindering op de inbouwbedragen in mindering gebracht naar
                                    verhouding van evenbedoelde bedragen.</al></li><li nr="4."><al>Indien de som van het inbouwbedrag en de vermindering van het
                                    andere pensioen, ook na toepassing van de overige bepalingen van
                                    dit artikel, een bedrag gelijk aan 80 procent van het algemeen
                                    pensioen overschrijdt, wordt van deze overschrijding een deel in
                                    mindering gebracht op het inbouwbedrag, en wel in de verhouding
                                    waarin de diensttijd, waarnaar het pensioen waarop vorenbedoeld
                                    inbouwbedrag betrekking heeft, is of geacht wordt te zijn
                                    berekend, staat tot het totaal van de diensttijden.</al></li><li nr="5."><al>Dit artikel is van overeenkomstige toepassing, indien een
                                    vermindering plaatsvindt van enig ander pensioen dan bedoeld in
                                    artikel 51, vijfde lid, toegekend aan de echtgenoot van
                                    belanghebbende.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Verlaging inbouwbedrag (vóór 1 januari 1986)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Dit artikel is uitsluitend van toepassing op
                                    pensioenberekeningen over jaren gelegen voor 1 januari
                                    1986.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bedrag dat tot grondslag heeft gestrekt voor de
                                    berekening van het pensioen, nadat het bedrag is aangepast aan
                                    de hand van de in artikel 57 bedoelde regelen, op de dag met
                                    ingang waarvan de voorgaande artikelen van deze paragraaf voor
                                    de eerste maal ten aanzien van het pensioen toepassing vinden
                                    lager is dan f 26.508,--wordt het met toepassing van de
                                    voorgaande artikelen van deze paragraaf berekende inbouwbedrag
                                    vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller is eerstbedoeld
                                    bedrag op bedoelde dag en waarvan de noemer is f 26.508,--.De
                                    uitkomst van deze vermenigvuldiging vormt in dat geval het
                                    inbouwbedrag. Het in de vorige volzin genoemde bedrag wordt
                                    gewijzigd bij de regelen, bedoeld in artikel 157 van de Algemene
                                    pensioenwet politieke ambtsdragers. </al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Indien het pensioen rechtstreeks of middellijk is afgeleid van
                                    een eigen pensioen, geldt voor de toepassing van het vorige lid
                                    als grondslag voor de berekening van het pensioen, het bedrag
                                    dat heeft gestrekt tot grondslag voor de berekening van het
                                    eigen pensioen.</al></li><li nr="4."><al>Indien het bedrag van het algemeen pensioen, dat gerekend wordt
                                    deel uit te maken van het pensioen, reeds is verminderd
                                    krachtens lid 1, vindt artikel 52, eerste lid, slechts
                                    toepassing voor zover zulks nodig is om te voorkomen dat de som
                                    van evenbedoeld verminderd bedrag en het bedrag van de
                                    vermindering, bedoeld in het eerste lid van artikel 52, het
                                    bedrag zou overschrijden dat, zonder toepassing van lid 1,
                                    krachtens artikel 47 gerekend zou worden deel uit te maken van
                                    het bedrag van het pensioen. De vorige volzin is van
                                    overeenkomstige toepassing in het geval bedoeld in artikel 52,
                                    derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Verrekening</titel></kop><al>Indien een algemeen pensioen wordt toegekend of herzien over een tijdvak
                            waarover reeds pensioen werd betaald en dientengevolge te veel pensioen
                            is betaald, kunnen burgemeester en wethouders aan de Sociale
                            Verzekeringsbank die het algemeen pensioen heeft toegekend of herzien,
                            verzoeken het te veel betaalde pensioen ten behoeve van de gemeente in
                            te houden op het algemeen pensioen, voor zover betrekking hebbende op
                            evengenoemd tijdvak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Gemoedsbezwaren</titel></kop><al>De bepalingen van deze paragraaf blijven buiten toepassing ten aanzien
                            van degenen die op grond van gemoedsbezwaren hun recht op algemeen
                            pensioen niet geldend maken, met dien verstande dat zij zoveel mogelijk
                            overeenkomstig toepassing vinden met betrekking tot diegenen van
                            evenbedoelden, die recht hebben op uitkering als bedoeld in artikel 48
                            van de Algemene Ouderdomswet.</al></artikel></sub-paragraaf></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>VI</nr><titel>Bepalingen van administratieve aard</titel></kop><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdsberekening voor uitkering en pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56.</nr></kop><al>Voor zover de voor uitkering en pensioen in aanmerking komende tijd
                                kalenderjaren of kalendermaanden omvat, wordt deze tijd uitgedrukt
                                in jaren onderscheidenlijk maanden voor uitkering en pensioen in
                                aanmerking komende tijd. De overige tijd wordt uitgedrukt in
                                gedeelten van jaren onderscheidenlijk gedeelten van maanden, waarbij
                                het jaar op 12 maanden en de maand op 30 dagen wordt gesteld.</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1a</nr><titel>Financiële bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>57</nr><titel>Aanpassing pensioenen aan algemene
                                    bezoldigingswijzigingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wedde, bedoeld in artikel 18, of de pensioengrondslag bedoeld
                                    in de artikelen 19 en 19a, behoren bij een pensioen als bedoeld
                                    in artikel 16 of bij een uitzicht op een pensioen bij het
                                    bereiken van de leeftijd van 65 jaar, worden telkens gewijzigd
                                    overeenkomstig een algemene bezoldigingswijziging, ten einde een
                                    aan die algemene bezoldigingswijziging evenredige aanpassing van
                                    het pensioen te bewerkstelligen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een algemene begrotingswijziging als bedoeld in het eerste
                                    lid wordt verstaan een zodanige wijziging, vastgesteld met
                                    toepassing van artikel A8, tweede lid, van de Algemene
                                    burgerlijke pensioenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien met toepassing van artikel A8, zesde lid, van de Algemene
                                    burgerlijke pensioenwet aan pensioengerechtigden een eenmalige
                                    uitkering wordt toegekend, wordt aan degene die recht heeft op
                                    een pensioen ingevolge deze verordening overeenkomstig een
                                    eenmalige uitkering toegekend."</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>58</nr><titel>Afronding van pensioenen.</titel></kop><al>Het pensioen wordt naar boven op een gulden afgerond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>59.</nr><titel>Inhoudingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op de wedde van de wethouder worden volgens bij of krachtens
                                        algemene maatregel van bestuur te stellen regelen bedragen
                                        ingehouden overeenkomstig de inhouding van bedragen op de
                                        bezoldiging van degene die behoort tot het
                                        overheidspersoneel, ter zake van aanspraken bij
                                        werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en
                                        overlijden.</al></li><li nr="2."><al>Op de uitkering van de gewezen wethouder worden volgens bij
                                        of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
                                        regelen bedragen ingehouden overeenkomstig de inhoudingen
                                        van bedragen, terzake van aanspraken als bedoeld in het
                                        eerste lid, op een werkloosheids- of
                                        arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van een voor
                                        overheidspersoneel getroffen regeling.</al></li><li nr="3."><al>Geen inhouding van bedragen ter zake van aanspraken bij
                                        ouderdom en overlijden vindt plaats voor zover tijd niet
                                        meetelt als pensioendiensttijd en op uitkeringen bedoeld in
                                        artikel 4a, alsmede in de gevallen bedoeld in de laatste
                                        volzin van artikel 18, vierde lid."</al></li></lijst><al/></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Aanvraag en toekenning van uitkering en pensioenenArtikel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>60</nr><titel>Toekenning uitkering en pensioen</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen over de toekenning van een
                                uitkering of pensioen op schriftelijke aanvraag door of vanwege de
                                betrokkene, dan wel ambtshalve.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>61</nr><titel>Vrijdom van leges</titel></kop><al>De stukken waarvan overlegging door burgemeester en wethouders nodig
                                wordt geoordeeld zijn ingevolge artikel 158 juncto artikel 111 van
                                de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers vrij van leges.</al></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Ingang en einde van de pensioenen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>62</nr><titel>Ingang eigen pensioen</titel></kop><al>Het eigen pensioen gaat in met de dag waarop het recht daarop
                                ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>63</nr><titel>Ingang nabestaanden- en wezenpensioen en tijdelijk
                                    pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het nabestaanden- en wezenpensioen gaat in met de dag volgende
                                    op die van het overlijden van hem aan wie het wordt
                                    ontleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen gaat in met een door burgemeester en
                                    wethouders te bepalen dag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>64</nr><titel>Ingang hersteld pensioen</titel></kop><al>Wanneer een vervallen recht op pensioen geheel of gedeeltelijk wordt
                                hersteld, gaat het pensioen in met de eerste dag van de maand waarin
                                het herstel heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>65</nr><titel>Einde pensioen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de
                                    rechthebbende is overleden. Ingeval van vermissing van de
                                    rechthebbende eindigt het pensioen met een door burgemeester en
                                    wethouders te bepalen dag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het tijdelijk pensioen eindigt wanneer de vermiste in leven
                                    blijkt te zijn met een door burgemeester en wethouders te
                                    bepalen dag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een pensioen waarop het recht krachtens artikel 39 vervallen is
                                    verklaard, eindigt met het einde van de maand waarin de
                                    beslissing inzake het vervallen verklaren is genomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand
                                    waarin:</al><lijst><li nr="a."><al>de rechthebbende de leeftijd van eenentwintig jaren
                                            heeft bereikt of, de leeftijd van eenentwintig jaren nog
                                            niet bereikt hebbende, in het huwelijk is getreden dan
                                            wel partij is bij een aanmelding, of</al></li><li nr="b."><al>ten opzichte van de rechthebbende ouderschap komt vast
                                            te staan van een ander dan degene aan wiens overlijden
                                            het recht op wezenpensioen wordt ontleend.".</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>66</nr><titel>Nabestaandenuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van een gepensioneerde
                                    wethouder wordt aan diens nabestaande, van wie hij niet duurzaam
                                    gescheiden leefde, een uitkering toegekend ten bedrage van zijn
                                    pensioen over een tijdvak van twee maanden
                                    (nabestaandenuitkering). Bij onstentenis van een nabestaande van
                                    wie de overledene niet duurzaam gescheiden leefde, geschiedt de
                                    uitkering ten behoeve van minderjarige wettige of natuurlijke
                                    kinderen van de overledene, of minderjarige kinderen waarover de
                                    overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke
                                    zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding
                                    van het kind, als was het een eigen kind, onafhankelijk van
                                    enige verplichting daartoe of van het genieten van een
                                    vergoeding daarvoor.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de overleden gepensioneerde geen betrekkingen als bedoeld
                                    in het vorige lid nalaat, kan het daarbedoelde bedrag geheel of
                                    ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de
                                    laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap
                                    van de betaling voor die kosten ontoereikend is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Lid 1 is van overeenkomstige toepassing in geval van vermissing
                                    van een gepensioneerd wethouder.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pensioen verstaan
                                    het bedrag waarop de overledene recht had, eventueel na
                                    toepassing van hoofdstuk V.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>67</nr><titel>Terugvordering.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien meer pensioen is betaald dan overeenstemt met artikel
                                        65, wordt het teveel betaalde teruggevorderd voor zover
                                        verrekening daarvan kan plaatsvinden met een uitkering
                                        krachtens artikel 66.</al></li><li nr="2."><al>Indien een vermiste in leven blijkt te zijn, kan hetgeen aan
                                        tijdelijk pensioen en aan uitkering, bedoeld in artikel 66,
                                        is betaald, worden teruggevorderd.</al></li></lijst></artikel></sub-paragraaf><sub-paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Betaling van de pensioenen</titel></kop><structuurtekst><al>De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse termijnen,
                                tenzij burgemeester en wethouders anders bepalen.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen regelen stellen met betrekking tot
                                de wijze van betaling van pensioenen.</al></structuurtekst><artikel><kop><label> Artikel 68 </label><titel>Maandbetaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De betaling van de pensioenen geschiedt in maandelijkse
                                        termijnen, tenzij burgemeester en wethouders anders
                                        bepalen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen regelen stellen met
                                        betrekking tot de wijze van betaling van pensioenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>69</nr><titel>Onderbreking genot pensioen</titel></kop><al>Het pensioen van een gewezen wethouder wordt niet genoten, indien en
                                zolang hij na het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                weer als wethouder in deze gemeente optreedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>70</nr><titel>Pensioenbetaling zonder machtiging aan een ander dan
                                    gepensioneerde</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een gepensioneerde in een inrichting ter verpleging
                                        van geesteszieken of van zwakzinnigen is opgenomen of, niet
                                        opgenomen zijnde in een zodanige inrichting, op grond van
                                        geestelijke gestoordheid niet is staat is kwijting te
                                        verlenen voor de uitbetaling van pensioen, kan het pensioen
                                        uitbetaald worden aan een door burgemeester en wethouders
                                        aan te wijzen persoon of instelling. In andere door hen aan
                                        te wijzen bijzondere gevallen kan het pensioen in plaats van
                                        aan de gepensioneerdezonder diens machtiging uitbetaald
                                        worden aan een door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                        persoon of instelling.</al></li><li nr="2."><al>Indien een gepensioneerde ingevolge het bepaalde bij of
                                        krachtens de artikelen 6, lid 2, 11 en 12 van de Algemene
                                        wet bijzondere ziektekosten een bijdrage verschuldigd is in
                                        de kosten van een verstrekking als bedoeld in de artikelen 6
                                        en 11 van die wet of een vergoeding als bedoeld in de
                                        artikelen 11 en 12 van die wet, kan het pensioen tot ten
                                        hoogste het bedrag van die bijdrage in plaats van aan de
                                        gepensioneerde zonder diens machtiging uitbetaald worden aan
                                        de Ziekenfondsraad.</al></li><li nr="3."><al>Indien het bepaalde in het vorige lid toepassing vindt,
                                        heeft de uitbetaling als bedoeld in lid 1 betrekking op het
                                        gedeelte van het pensioen, dat niet aan het in lid 2
                                        bedoelde orgaan wordt uitbetaald.</al><al/></li></lijst></artikel></sub-paragraaf></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Afdeling</label><nr>III</nr><titel>Algemene, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Beroep en herziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>71</nr><titel>Beroep</titel></kop><al>Van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening staat
                                ingevolge artikel 162 van de Algemene pensioenwet politieke
                                ambtsdragers beroep open op de Centrale Raad van Beroep
                                overeenkomstig de bepalingen van de Beroepswet. De voorgaande volzin
                                is niet van toepassing op beslissingen ingevolge artikel 70, lid
                                2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>72</nr><titel>Herziening, wijziging en herstel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders herzien een door hen ter uitvoering
                                    van deze verordening genomen beslissing, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan die beslissing een feitelijke onjuistheid ten
                                            grondslag ligt;</al></li><li nr="b."><al>na die beslissing blijkt dat aan die beslissing andere
                                            feiten ten grondslag dienen te worden gelegd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien na een beslissing van burgemeester en wethouders de
                                    feiten waarmede in die beslissing rekening is gehouden zodanig
                                    zijn gewijzigd, dat deze beslissing anders zou luiden als zij
                                    nog genomen zou moeten worden, wijzigen burgemeester en
                                    wethouders de beslissing, rekening houdende met de gewijzigde
                                    feiten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders herstellen een door hen genomen
                                    beslissing omtrent toekenning - inbegrepen aanpassing op grond
                                    van artikel 57 -, herziening, wijziging, of betaalbaarstelling
                                    van een pensioen, indien daarin een onjuistheid, anders dan
                                    bedoeld in de vorige leden, voorkomt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien vijf jaren zijn verstreken na de dagtekening van een
                                    overeenkomstig de vorige leden voor herziening, wijziging of
                                    herstel vatbare beslissing, kunnen burgemeester en wethouders
                                    die leden buiten toepassing laten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>73.</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Een herzieningsbeslissing, een wijzigingsbeslissing en een
                                        herstelbeslissing vermelden de dag van de inwerkingtreding.
                                        Bij een herzieningsbeslissing is deze dag dezelfde als die
                                        waarop de herziene beslissing in werking is getreden, tenzij
                                        een latere dag wordt bepaald.</al></li><li nr="2."><al>Een herzieningsbeslissing leidt niet tot terugvordering of
                                        verrekening van reeds betaalde bedragen, tenzij de
                                        betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem
                                        teveel werd uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>Een wijzigingsbeslissing leidt slechts tot terugvordering of
                                        verrekening van reeds betaalde bedragen indien de
                                        betrokkene, hoewel enige bepaling van deze verordening hem
                                        daartoe verplichtte of dit redelijkerwijs van hem mocht
                                        worden verwacht, heeft nagelaten aan burgemeester en
                                        wethouders mededeling te doen van een wijziging in de
                                        feiten.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van de vorige twee leden en onverminderd
                                        artikel 67 zijn burgemeester en wethouders bevoegd tot
                                        terugvordering of verrekening van teveel betaalde bedragen,
                                        indien de herzieningsbeslissing, onderscheidenlijk de
                                        wijzigingsbeslissing is genomen binnen zestien weken na de
                                        dagtekening van de herziene beslissing, onderscheidenlijk
                                        binnen zestien weken nadat burgemeester en wethouders
                                        bericht hebben ontvangen van wijziging in de feiten.</al></li><li nr="5."><al>Herstel van een beslissing als bedoeld in artikel 72, lid 3,
                                        binnen zestien weken na de dagtekening van de herstelde
                                        beslissing, leidt tot terugvordering of verrekening van
                                        teveel betaalde pensioenbedragen. Herstel van een
                                        beslissing, als bedoeld in de vorige volzin, na de daar
                                        genoemde termijn, leidt slechts tot terugvordering of
                                        verrekening van teveel betaalde pensioenbedragen, indien de
                                        betrokkene redelijkerwijze had moeten begrijpen, dat hem
                                        teveel werd uitbetaald.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>74</nr><titel>Intrekken geldende verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt met ingang
                                    van 1 juli 1970 ingetrokken de verordening, regelende de
                                    toekenning van uitkering en pensioen aan gewezen wethouders der
                                    gemeente Delft en aan hun nabestaanden, vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 24 juni 1970.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Behoudens het in dit hoofdstuk verder bepaalde wordt met ingang
                                    van 1 januari 1966 ingetrokken de Verordening, regelende de
                                    toekenning van een uitkering en een pensioen aan gewezen
                                    wethouders der gemeente Delft, zomede van een pensioen aan hun
                                    weduwen en wezen, vastgesteld bij raadsbesluit van 31 oktober
                                    1956.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>75</nr></kop><al>De bepalingen van de in het vorige artikel bedoelde verordeningen
                                blijven van kracht voor wat betreft de rechten en verplichtingen die
                                op grond van die bepalingen vóór 1 juli 1970, respectievelijk vóór 1
                                januari 1966 zijn ontstaan en die op dat tijdstip nog niet tot
                                gelding zijn gebracht onderscheidenlijk waaraan op dat tijdstip nog
                                niet is voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>76</nr><titel>Toepasselijkheid van deze verordening</titel></kop><al>De met ingang van een datum, voorafgaande aan het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, aan gewezen wethouders en aan
                                nabestaanden en wezen toegekende uitkeringen en pensioenen worden
                                met ingang van dat tijdstip geacht krachtens deze verordening te
                                zijn toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>77</nr><titel>Rechten op basis van de oude verordening</titel></kop><al>Zij die aan de in artikel 74 of 75 genoemde verordeningen recht op
                                pensioen ontleenden met ingang van 1 januari 1966 of een later
                                tijdstip, ontlenen van dat tijdstip af een recht op pensioen aan
                                deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>78</nr><titel>Samenloop van pensioen en algemeen pensioen (behoort bij
                                    afdeling II, hoofdstuk V, paragraaf 2).</titel></kop><al>In afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 47 vindt voor de
                                berekening van het inbouwbedrag geen vermenigvuldiging plaats van
                                tijd, gelegen voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening die voor de berekening van een pensioen als daarbedoeld
                                in aanmerking wordt genomen.</al><al>Overgangsbepaling I ten aanzien van het vervallen artikel 28 van de
                                verordening, regelende de toekenning van uitkering en pensioen aan
                                gewezen wethouders der gemeente Delft en aan hun nabestaanden
                                (oud)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>79</nr></kop><al>Artikel 28, zoals dat als artikel 28 luidde op 31 mei 1985, blijft
                                toepassing vinden ter zake van betalingen na 31 mei 1985, indien en
                                voor zover die betalingen betrekking hebben op een voor 1 juni 1985
                                liggende periode, met dien verstande dat met ingang van 1 april 1985
                                in het derde lid "artikel 36, eerste lid", wordt vervangen door
                                "artikel 47, eerste lid".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>80</nr><titel>Overgangsbepaling II ten aanzien van het vervallen artikel 28
                                    van de verordening, regelende de toekenning van uitkering en
                                    pensioen aan gewezen wethouders der gemeente Delft en aan hun
                                    nabestaanden (oud)</titel></kop><al>De verhoging met tien procent over ten hoogste f 63.200,-- per jaar
                                ingaande 1 juni 1985 van de wedde van de wethouder toegekend in
                                verband met het vervallen van artikel 28, maakt voor de toepassing
                                van de bepalingen van afdeling II, de hoofdstukken II en III,
                                betreffende de pensioenberekening, geen deel uit van de wedde.</al><al>De voorgaande volzin is slechts van toepassing op de wedde, voor
                                zover die betrekking heeft op tijd gelegen vóór 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>81</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 41</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 41 zijn ten aanzien van de in het
                                        tweede lid bedoelde personen, de bepalingen genoemd in de
                                        leden 4 tot en met 8 van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde personen zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>degenen die vóór 1 januari 1986 recht op eigen
                                                pensioen hebben verkregen dan wel de leeftijd van
                                                zestig jaar hebben bereikt;</al></li><li nr="b."><al>nabestaande en wezen die recht op pensioen hebben
                                                ontleend aan het overlijden van een persoon die
                                                voldeed aan een voorwaarde gesteld onder a, dan wel
                                                recht op dat pensioen hebben verkregen vóór 1
                                                januari 1986.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen wordt
                                        niet onder pensioen begrepen de toeslag bedoeld in de
                                        artikelen 36 of 37.</al></li><li nr="4."><al>Indien recht bestaat op meer dan een eigen pensioen
                                        krachtens of op voet van de Algemene pensioenwet politieke
                                        ambtsdragers, dan wel naast een of meer zodanige pensioenen
                                        recht bestaat op een of meer eigen pensioenen krachtens een
                                        andere regeling en het totaal van die pensioenen meer
                                        bedraagt dan f 121.187,--, wordt op grond van artikel 154
                                        juncto artikel 93 van genoemde wet elk krachtens deze
                                        verordening toegekend eigen pensioen beperkt tot een zodanig
                                        gedeelte (beperkingsbreuk) van evengenoemd bedrag als
                                        evenredig is aan de verhouding waarin elk der krachtens deze
                                        verordening toegekende pensioenen staat tot het totaal van
                                        die pensioenen.</al></li><li nr="5."><al>Indien het bedrag van een of meer van de in het vorige lid
                                        bedoelde pensioenen bij berekening naar de maximaal in
                                        aanmerking komende diensttijd hoger is of zou zijn dan f
                                        121.187,--, treedt op grond van het in het vorige lid
                                        genoemde wetsartikel dat hogere bedrag of het hoogste van
                                        die bedragen voor de toepassing van het vorige lid in de
                                        plaats van f 121.187,--. Voor de in de vorige volzin
                                        bedoelde vergelijking worden de pensioenen aangepast
                                        overeenkomstig de regelen, bedoeld in artikel 157 van
                                        meergenoemde wet en daarmee overeenkomende artikelen in
                                        andere pensioenwetten. </al></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>Het in de leden 4 en 5 genoemde bedrag wordt gewijzigd bij
                                        de regelen bedoeld in artikel 157 van de Algemene
                                        pensioenwet politieke ambtsdragers.</al></li><li nr="7."><al>Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in
                                        dit artikel verstaan een pensioen, een daarmee in aard
                                        overeenkomende uitkering, alsmede een onderstand bij wijze
                                        van pensioen ten laste van het rijk, een provincie, gemeente
                                        of waterschap, van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds,
                                        van het Spoorwegpensioenfonds en van de Stichting
                                        administratie Indonesische pensioenen, dan wel ten laste van
                                        de Nederlandse Antillen of een publiekrechtelijk lichaam in
                                        dat land of een door het openbaar gezag in een van deze
                                        landen ingesteld fonds, met inbegrip van de daarop onder
                                        welke benaming ook verleende toeslagen en met uitzondering
                                        van een pensioen krachtens de Wet buitengewoon pensioen
                                        1940-1945 (Stb. 1947, H 313) en de Wet buitengewoon pensioen
                                        zeelieden-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Stb. 1947, H 420),
                                        van een uitkering krachtens de Wet uitkeringen
                                        vervolgingsslachtoffers 1940-1945, van een
                                        invaliditeitspensioen met de daarop toegekende verhogingen
                                        krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van
                                        de Algemene militaire pensioenwet, van een
                                        invaliditeitspensioen, een invaliditeitsverhoging en een
                                        bijzondere invaliditeitsverhoging krachtens laatstgenoemde
                                        wet, alsmede van een uitkering krachtens de Algemene
                                        oorlogsongevallenregeling.</al></li></lijst><al> Onder een pensioen krachtens een andere regeling wordt in dit
                                artikel mede begrepen een ten laste van het rijk onder welke
                                benaming ook verleende toeslag op een pensioen, een daarmee in aard
                                overeenkomende uitkering of een onderstand bij wijze van pensioen
                                ten laste van Suriname of een publiekrechtelijk lichaam in dat land. </al><al>8.Na beperking van een eigen pensioen volgens lid 4 of lid 5 wordt
                                de toegepaste beperkingsbreuk slechts gewijzigd, wanneer een
                                pensioen als in dit artikel bedoeld wordt toegekend of eindigt dan
                                wel - anders dan wegens aanpassing naar de in artikel 157 van de
                                Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers bedoelde regelen en
                                daarmee overeenkomende regelen in andere pensioenwetten dan de in
                                dit artikel genoemde - wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>82</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 45.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid, is niet van toepassing indien de
                                    belanghebbende recht heeft op het ouderdomspensioen bedoeld in
                                    artikel 9, vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet ingevolge
                                    het zevende lid van dat artikel, zoals dat luidde op 31 december
                                    1985.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 45, tweede lid, laatste volzin, is niet van toepassing
                                    ten aanzien van de ongehuwde belanghebbende bedoeld in genoemde
                                    wet, op wie van toepassing is gebleven artikel 1 van de Algemene
                                    Ouderdomswet, zoals dat artikel luidde op 31 december 1985.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>83</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van de artikelen 19 en
                                    28</titel></kop><al>De artikelen 19, tweede lid, en 28, derde lid, zijn niet van
                                toepassing ten aanzien van degene die:</al><lijst><li nr="a."><al>wethouder was vóór 13 juli 1988, voor zover betreffende de
                                        tijd is doorgebracht vóór dat tijdstip;</al></li><li nr="b."><al>wethouder is op of na 13 juli 1988, voor zover betreffende
                                        tijd zonder onderbreking is gevolgd op tijd als bedoeld
                                        onder a, en vervolgens zonder onderbreking is voortgezet.
                                        Een onderbreking van niet meer dan een jaar wordt voor de
                                        toepassing van deze bepaling geacht geen onderbreking te
                                        vormen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>84</nr><titel>Garantiebepaling</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen inzake vergelding van diensttijd met 3,5
                                        procent voor pensioen - vervat in artikel 10 van de
                                        verordening, regelende de toekenning van uitkering en
                                        pensioen aan gewezen wethouders der gemeente Delft en aan
                                        hun nabestaanden, vastgesteld bij raadsbesluit van 24 juni
                                        1970 - blijven van toepassing ten aanzien van diensttijd
                                        voorafgaande aan 1 januari 1979. Voor de vorming van de
                                        periode van vier jaren, bedoeld in artikel 18, lid 2, van de
                                        nieuwe verordening, wordt de in de vorige volzin bedoelde
                                        diensttijd mede in aanmerking genomen. </al></li><li nr="2."><al>De vanaf 1 januari 1986 toegekende pensioenen berekend op
                                        basis van de verordening zoals die tot die datum luidde,
                                        worden herberekend op grond van deze verordening, met dien
                                        verstande dat de pensioenbedragen die in verband met deze
                                        herberekening te veel blijken te zijn betaald, niet worden
                                        teruggevorderd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>85</nr><titel>Inwerkingtreding artikelen 19, tweede lid, 50 en 59, tweede
                                    en derde lid</titel></kop><al>Artikel 19, tweede lid, artikel 50 en artikel 59, tweede en derde
                                lid, treden in werking op het tijdstip bedoeld in artikel VIII, lid
                                4, van de Wet van 20 april 1988, Stb. 300.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>86</nr><titel>Inwerkingtreding eerste wijziging.</titel></kop><al>De artikelen 9, 12, 13, 14, 23, eerste en tweede lid, 24, 25, 26,
                                eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede, derde en vierde lid, 29,
                                tweede, derde en vierde lid, 30, 31, 32, 33, tweede en vierde lid,
                                34, 35, eerste lid, 36, eerste en derde lid, 42, eerste lid, 43,
                                eerste lid, 45, eerste lid, 47, tweede lid, 48, eerste lid, 49,
                                onder a en c, 63, eerste lid, 66, eerste lid met uitzondering van de
                                invoering van het begrip minderjarigheid, 76, 87, 88, 89 en 90 zoals
                                bedoelde bepalingen na de eerste wijziging zijn komen te luiden,
                                werken terug tot 1 januari 1986.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>87</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van artikel 24
                                    (overgangsbepaling bij de eerste wijziging).</titel></kop><al>Alle pensioenen toegekend krachtens artikel 24 van deze verordening
                                zoals die luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de
                                eerste wijziging, worden, voor zover zij op dat tijdstip worden
                                genoten, met ingang van dat tijdstip geacht te zijn toegekend
                                krachtens artikel 23.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>88</nr><titel>Overgangsbepaling met betrekking tot het recht op
                                    nabestaandenpensioen (overgangsbepaling bij de eerste
                                    wijziging).</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er ontstaat geen recht op pensioen ingevolge de eerste
                                    wijziging, indien op de datum van overlijden van de vrouwelijke
                                    wethouder, gewezen of gepensioneerde wethouder in een
                                    overeenkomstig geval geen recht op weduwenpensioen of bijzonder
                                    weduwenpensioen zou zijn ontstaan ingevolge het overlijden van
                                    een mannelijke wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    wethouder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het pensioen waarop ingevolge de eerste wijziging recht ontstaat
                                    in verband met een overlijden voor de datum van inwerkingtreding
                                    van deze wijziging wordt berekend als ware het recht ontstaan op
                                    de datum van overlijden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>89.Overgangsbepaling</nr><titel>ten aanzien van artikel 40 (overgangsbepaling bij de eerste
                                    wijziging)</titel></kop><al>Ten aanzien van de aanspraken op nabestaandenpensioen die ingevolge
                                de eerste wijziging worden verkregen vangt de termijn van vijf
                                achtereenvolgende jaren zoals bedoeld in artikel 40 niet eerder aan
                                dan op de datum van inwerkingtreding van deze wijziging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>90</nr><titel>Herberekening wezenpensioen (overgangsbepaling bij de eerste
                                    wijziging).</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien ingevolge de eerste wijziging een nabestaandenpensioen of
                                    een bijzonder nabestaandenpensioen wordt toegekend, terwijl aan
                                    hetzelfde overlijden recht op wezenpensioen is ontleend, wordt
                                    het wezenpensioen herberekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het nabestaandenpensioen of het bijzonder
                                    nabestaandenpensioen met terugwerkende kracht wordt toegekend en
                                    het wezenpensioen wordt herberekend, wordt het teveel betaalde
                                    wezenpensioen over de periode waarop de terugwerkende kracht
                                    betrekking heeft niet teruggevorderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>91</nr><titel>Overgangsbepaling bij de derde wijziging.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met ingang van 1 januari 1995 worden het inkomen van de
                                    wethouder als zodanig en de laatstelijk genoten wedde dan wel de
                                    berekeningsgrondslag, waarvan is afgeleid een uitkering ter zake
                                    van ontslag of aftreden als wethouder, en een wegens algemene
                                    invaliditeit voortgezette uitkering, aangepast overeenkomstig de
                                    aanpassing van de salarissen ingevolge artikel 34 van de Wet
                                    financiële voorzieningen privatisering ABP.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde aanpassing is geen algemene
                                    bezoldigingswijziging als bedoeld in artikel 57.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>92.Overgangsbepaling</nr><titel>ten aanzien van artikel 57 (overgangsbepaling bij de derde
                                    wijziging)</titel></kop><al>Artikel 57, zoals dat luidde op 31 december 1994, blijft van
                                toepassing ten aanzien van een wijziging in de bezoldiging van het
                                rijkspersoneel voor 1 januari 1995.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>93</nr><titel>Overgangsbepaling ten aanzien van fictieve diensttijd
                                    (overgangsbepaling bij de derde wijziging)</titel></kop><al>Ten aanzien van degenen die ingevolge deze verordening recht op
                                nabestaanden- of wezenpensioen hebben verkregen voor 1 januari 1995,
                                wordt de tijd waarnaar het pensioen is of geacht wordt te zijn
                                berekend en die niet daadwerkelijk als wethouder is doorgebracht,
                                voor zover nodig medebegrepen onder tijd gelegen voor die
                                datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>94</nr><titel>Overgangsbepaling bij de derde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen IX tot en met XV van de Wet terugdringing beroep op
                                    de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de krachtens artikel XV
                                    van die wet gestelde regels zijn van overeenkomstige toepassing
                                    op degene op wie artikel 95, eerste of derde lid, van deze
                                    verordening van toepassing is en die op 31 januari 1992 en sinds
                                    1 januari 1990 recht heeft op uitkering als bedoeld in dat
                                    artikel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als het orgaan bedoeld in artikel XI van de in het eerste lid
                                    genoemde wet wordt voor de in het eerste lid bedoelde
                                    overeenkomstige toepassing het college voor burgemeester en
                                    wethouders beschouwd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De op grond van dit artikel toegekende uitkeringen komen ten
                                    laste van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De artikelen 71, 72 en 73 zijn van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>95</nr><titel>Overgangsbepaling bij de derde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bij de derde wijziging in de verordening ingevoerde artikelen
                                    4a, tweede lid, 4c en 4d, telkens het eerste en het tweede lid,
                                    vinden geen toepassing ten aanzien van degene die op 31 december
                                    1994 recht heeft op een wegens algemene invaliditeit
                                    voortgezette uitkering en op de dag van inwerkingtreding van
                                    deze wijziging vijftig jaar of ouder is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bij de derde wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3,
                                    tweede lid (definitie begrip algemeen invalide) blijft van
                                    toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bij de derde wijziging ingevoegde artikelen 4a, tweede lid,
                                    en 4c worden met ingang van een latere datum dan 1 januari 1995
                                    van toepassing op degene die op 31 december 1994 recht had op
                                    een wegens algemene invaliditeit voortgezette uitkering en op 1
                                    januari 1995 jonger is dan vijftig jaar. Tot die datum blijft de
                                    bij deze wijziging vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede
                                    lid, op hem van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde latere datum wordt vastgesteld
                                    overeenkomstig de ministeriële regeling bedoeld in artikel III,
                                    vierde lid, van Staatsblad 417.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van artikel 4c geldt als datum waarop de
                                    uitkering van degene bedoeld in het derde lid van dit artikel
                                    wegens algemene invaliditeit is voortgezet de dag waarop de
                                    artikelen 4a, tweede lid, en 4c op hem van toepassing
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Artikel 4d, eerste lid, vindt geen toepassing ten aanzien van
                                    degene wiens uitkering wegens algemene invaliditeit is
                                    voortgezet met ingang van een dag gelegen voor 1 januari
                                    1995.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>96</nr><titel>Overgangsbepaling bij de derde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bij de derde wijziging vervallen eerste volzin van artikel 3,
                                    tweede lid, en artikel 4, derde lid, blijven van toepassing op
                                    degene die:</al><lijst><li nr="a."><al>op 31 december 1994 recht had op wegens algemene
                                            invaliditeit voortgezette uitkering, of</al></li><li nr="b."><al>op 25 januari 1993 ziekten of gebreken had en wiens
                                            uitkering uiterlijk een jaar na die datum in verband met
                                            die ziekten of gebreken wegens algemene invaliditeit
                                            wordt voortgezet, dan wel wiens uitkering ingevolge
                                            artikel 18, vierde lid binnen een jaar na de genoemde
                                            datum in verband met die ziekten of gebreken wordt
                                            aangemerkt als een wegens algemene invaliditeit
                                            voortgezette uitkering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid van artikel 4a en artikel 4b zijn niet van
                                    toepassing op degene bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>97</nr><titel>Overgangsbepaling bij de derde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De periode van toekenning van een wegens algemene invaliditeit
                                    voortgezette uitkering bedoeld in artikel 4c wordt in afwijking
                                    van dat artikel tot een nader te bepalen tijdstip vastgesteld op
                                    vijf jaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wijziging van de termijn bedoeld in het eerste lid brengt geen
                                    wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van wegens
                                    algemene invaliditeit voortgezette uitkeringen die zijn
                                    toegekend voor het tijdstip van wijziging van de termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>98</nr><titel>Overgangsbepaling bij de derde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien vanaf 1 januari 1995 artikel 4d, zesde lid, wordt
                                    toegepast ten aanzien van degene bedoeld in artikel 95, wordt
                                    ten aanzien van degene onder de in artikel 4a, tweede lid
                                    bedoelde arbeid verstaan de arbeid, bedoeld in de per 1 januari
                                    1995 vervallen tweede volzin van artikel 3, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid geldt voor degene bedoeld in artikel 95, derde
                                    lid, tot aan het daar bedoelde tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>99</nr><titel>Inwerkingtreding derde wijziging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het tweede lid van artikel 19 zoals dat luidde voor de derde
                                        wijziging, vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei 1994.
                                        De invoering van het opschrift en de vernummering van de
                                        leden 3 tot en met 11 tot 2 tot en met 10 werken terug tot
                                        diezelfde datum.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 4b, tweede en
                                        tiende lid, zoals die luiden na de derde wijziging treden in
                                        werking met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994.</al></li><li nr="3."><al>De artikelen 4a, 4b, eerste en derde tot en met negende en
                                        elfde en twaalfde lid, en de artikelen 4c en 4d treden in
                                        werking per 1 januari 1995. Artikel 4e treedt in werking op
                                        de datum dat de derde wijziging in werking treedt.</al></li><li nr="4."><al>De artikelen 17, 18, 19, eerste lid, 19a, 20, 21
                                        (opschrift), 22, eerste lid, 29, eerste lid, 29a, 57 en 59
                                        zoals bedoelde bepalingen na de derde wijziging zijn
                                        ingevoegd of gewijzigd, treden in werking met ingang van 1
                                        januari 1995.</al></li><li nr="5."><al>Per 1 januari 1995:</al></li></lijst><al> vervalt van artikel 3 het tweede en derde lid en wordt het vierde
                                lid vernummerd; </al><al> vervallen van artikel 4 het derde, vierde en vijfde lid en worden
                                de leden zes en zeven van artikel 4 vernummerd; </al><al> worden artikel 5, lid 9 en artikel 7 onder d gewijzigd en vervalt
                                het vierde lid van artikel 72 onder vernummering van lid 5. </al><al>6.Artikel 28, derde lid vervalt met terugwerkende kracht tot 1 mei
                                1994. De vernummering van de leden vier en vijf werkt terug tot
                                dezelfde datum."</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>100</nr><titel>Overgangsbepaling bij de vijfde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 29a, zoals dat artikel luidde op de dag voor het
                                    tijdstip van de inwerkingtreding van de vijfde wijziging, blijft
                                    van toepassing op een nabestaandenpensioen waarop recht is
                                    ontstaan voor dat tijdstip.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening met betrekking tot het recht
                                    op wezenpensioen, zoals die bepalingen luidden op de dag voor
                                    het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening,
                                    blijven van toepassing op een wezenpensioen waarop recht is
                                    ontstaan voor dat tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>101</nr><titel>Overgangsbepaling bij de vijfde wijziging</titel></kop><al>Ten aanzien van een aanmelding als bedoeld in artikel 12a, die wordt
                                gedaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet
                                gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, wordt de man of
                                vrouw met wie degene die de aanmelding deed op hetzelfde woonadres
                                in het persoonsregister is opgenomen, gelijk gesteld met de man of
                                vrouw die als ingezetene met hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
                                basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven als bedoeld in
                                het evengenoemde artikel 12a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>102</nr><titel>Overgangsbepaling bij de vijfde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een overlijden van een wethouder, gewezen of gepensioneerde
                                    wethouder tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994 valt te rekenen
                                    vanaf de datum van overlijden onder de werking van de bepalingen
                                    van deze verordening inzake het nabestaanden- en wezenpensioen
                                    zoals die bepalingen zijn komen te luiden na de inwerkingtreding
                                    van de vijfde wijziging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene van wie op 1
                                    juli 1994 aanmelding in de zin van artikel 12, onderdeel a,
                                    mogelijk zou zijn geweest, op aanvraag aangemerkt als
                                    nabestaande vanaf de datum van het overlijden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter zake van een overlijden van een wethouder, gewezen of
                                    gepensioneerde wethouder tussen 30 juni 1994 en 1 januari 1995
                                    wordt op zijn aanvraag als nabestaande beschouwd degene van wie,
                                    hoewel niet aangemeld in de zin van artikel 12, onderdeel a,
                                    aanmelding als evenbedoeld op de dag voor die van het overlijden
                                    mogelijk was.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>103.</nr><titel>Inwerkingtreding vijfde wijziging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 12, 23, tweede lid, 25, 26, 30, eerste en tweede
                                    lid, 31, 32, tweede lid, 34, tweede lid, 36, derde lid, 43,
                                    eerste lid en 65, vierde lid, zoals bedoelde bepalingen na de
                                    vijfde wijziging zijn komen te luiden, alsmede het bij de vijfde
                                    wijziging ingevoegde artikel 12a werken terug tot en met 1 juli
                                    1994.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 29a, eerste lid, treedt in werking op de datum dat de
                                    vijfde wijziging in werking treedt.".</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>104</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Uitkerings- en
                                pensioenverordening wethouders gemeente Delft 1992".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>105</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de
                                        maand volgend op die waarin de verordening door gedeputeerde
                                        staten is goedgekeurd.</al></li><li nr="2."><al>Zij werkt terug tot 1 januari 1966, behalve voor wat
                                        betreft</al><lijst><li nr="a."><al>artikel 4, dat terugwerkt tot 1 januari 1969;</al></li><li nr="b."><al>de artikelen 69 en 76.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Waar in deze verordening sprake is van inwerkingtreding van
                                        deze verordening, wordt daarmede bedoeld het in het eerste
                                        lid bedoelde tijdstip.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het in het vorige lid gestelde, wordt met
                                        het tijdstip van inwerkingtreding in artikel 25, onder b,
                                        bedoeld 1 januari 1966.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Delft in zijn openbare
                                vergadering van 2 juli 1992.</ondertekening><ondertekening>H.V. van Walsum ,burgemeester.</ondertekening><ondertekening>D.J. van Doorninck ,lo.secretaris.</ondertekening><ondertekening>Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland krachtens
                                artikel 161, 2e lid van de APPA, dd. 14 oktober 1992, nr.
                                CA21560.</ondertekening><ondertekening>1e x Gewijzigd bij raadsbesluit van 30 september 1993. Goedgekeurd
                                door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland krachtens artikel 161, 2e
                                lid van de APPA, dd. 25 januari 1994, nr. CA28168.</ondertekening><ondertekening>2e x gewijzigd bij raadsbesluit van 16 december 1993. </ondertekening><ondertekening>Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland krachtens
                                artikel 161, 2e lid van de APPA, d.d. 25 januari 1994, nr.
                                CA29167.</ondertekening><ondertekening>Bij besluit van burgemeester en wethouders van 1 maart 1994 is de
                                datum van inwerkingtreding van deze gewijzigde verordening bepaald
                                op 15 maart 1994. </ondertekening><ondertekening>3e x gewijzigd bij raadsbesluit van 27 april 1995.</ondertekening><ondertekening>Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland krachtens
                                artikel 161, 2e lid van de APPA, d.d. 11 mei 1995, nr. 263045.</ondertekening><ondertekening>Bekendgemaakt 22 juni 1995. </ondertekening><ondertekening>4e x gewijzigd bij raadsbesluit van 25 januari 1996.</ondertekening><ondertekening>Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland krachtens
                                artikel 161, 2e lid van de APPA, d.d. 7 juni 1996, nr. 286356.</ondertekening><ondertekening>Bekendgemaakt 27 juni 1996.</ondertekening><ondertekening>5e x gewijzigd bij raadsbesluit van 31 oktober 1996.</ondertekening><ondertekening>Goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland krachtens
                                artikel 161, 2e lid van de APPA, d.d. 7 november 1996, nr.
                                294432.</ondertekening><ondertekening>Bekendgemaakt 21 november 1996. </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting bij de derde wijziging</titel></kop><al>Artikel 3a.</al><al>Dit artikel is ingevoerd bij de derde wijziging. Het is bedoeld om de
                            arbeidsongeschikte wethouder al voor zijn vertrek een idee te kunnen
                            geven van de aanspraken die hij eventueel aan de verordening kan
                            ontlenen in verband met algemene invaliditeit. Het kan hierbij om niet
                            meer gaan dan een indicatie, omdat het recht op een voorziening pas
                            ontstaat na afloop van de normale uitkering en niet altijd te voorzien
                            is hoe de toestand van betrokkene op dat moment zal zijn.</al><al>Artikel 4, eerste en derde lid.</al><al>Deze bepaling is gewijzigd bij de derde wijziging.</al><al>De uitkering van gewezen wethouders daalde in het derde jaar naar 60
                            procent. Dit werd niet in overeenstemming geacht met het sociaal
                            verzekeringsrecht, waar een percentage van 70 wordt gehanteerd.</al><al>De verhoging werkt op grond van het derde lid ook door naar de in
                            verband met algemene invaliditeit voortgezette uitkering. Ook hier was
                            de hoogste uitkering 60 procent; er wordt nu een percentage van 70
                            toegevoegd, waarmee drie categorieën van de mate van algemene
                            invaliditeit.</al><al>Artikel 4a.</al><al>Dit artikel is ingevoerd bij de derde wijziging. De verruimde definitie
                            van het begrip arbeid ("alle algemeen geaccepteerde arbeid ....",
                            terwijl niet relevant is of betrokkene die arbeid inderdaad kan krijgen)
                            brengt met zich mee, dat de algemene invaliditeit hoogstwaarschijnlijk
                            op een lager percentage zal worden vastgesteld dan onder het oude regime
                            het geval was. </al><al>Bij een invaliditeit van minder dan 25 procent vindt geen uitkering
                            plaats, zie artikel 7d. De beoordeling vindt plaats door een arts.</al><al>Voor personen die algemeen invalide zijn op het moment dat dit artikel
                            in werking treedt, is een afwijkende regeling getroffen (zie de
                            artikelen 95 en 96).</al><al>In artikel 4d, vijfde lid, is geregeld dat geen uitkering wordt
                            verstrekt gedurende de periode dat belanghebbende weigert mee te werken
                            aan een (her)keuring.</al><al>Artikel 4b.</al><al>In dit artikel is de verhoging van het laagste uitkeringspercentage bij
                            werkloosheid van 60 naar 70 uitgewerkt voor de wegens invaliditeit
                            verlengde uitkering. Hier is het het hoogste uitkeringspercentage,
                            geldend bij een algemene invaliditeit van 80 procent of meer.</al><al>De wegens algemene invaliditeit verlengde uitkering bestaat uit twee
                            perioden. De lengte van de eerste hangt af van de leeftijd van de
                            betrokkene (lid 2 en 3) en de hoogte is een percentage van de
                            laatstgenoten wedde plus vakantie-uitkering. De tweede periode kan
                            doorlopen tot het pensioen. De uitkering is dan het percentage van de
                            algemene invaliditeit, berekend over het minimumloon (lid 4). Daarboven
                            wordt een toeslag toegekend, die een percentage is van het verschil
                            tussen de wedde plus vakantietoeslag en het minimumloon. Dat percentage
                            is afhankelijk van de leeftijd van betrokkene op het tijdstip van de
                            voortzetting van de uitkering; het wordt dus eenmalig vastgesteld.</al><al>Volgens lid 7 kan ook hierop een aanvulling plaatsvinden, indien de
                            totale uitkering lager is dan het oorspronkelijk vastgestelde percentage
                            van de wedde plus vakantie-uitkering. Aanvulling vindt plaats tot dit
                            percentage, tenzij betrokkene ervoor kiest het zogenaamde WAO-gat niet
                            te repareren (lid 10). Als reparatie niet plaatsvindt, ontvangt hij in
                            deze periode maximaal 65, 56 of 37 procent (in plaats van 70, 60 of 40)
                            van de laatstelijk genoten wedde plus vakantie-uitkering.</al><al>De keuze om al of niet te repareren is eenmalig (lid 11); er kan later
                            niet op teruggekomen worden.</al><al>In artikel 12 is een regeling opgenomen voor algemeen invalide gewezen
                            wethouders met inkomsten uit arbeid. Zij kunnen recht hebben op nog een
                            verhoging, als hun inkomsten tezamen niet meer bedragen dan het
                            minimumloon.</al><al>Artikel 4c.</al><al>De uitkering wordt maximaal drie jaar voortgezet. Indien noodzakelijk
                            vindt daarna (steeds) opnieuw voortzetting plaats. De gewezen wethouder
                            moet uiterlijk drie maanden van tevoren (lid 3) een aanvraag indienen om
                            de uitkering te verlengen; dit is wat in de Algemene wet bestuursrecht
                            een "aanvraag tot het nemen van een beschikking" wordt genoemd. Wel moet
                            betrokkene ruim van tevoren gewaarschuwd worden dat hij een dergelijke
                            aanvraag dient te doen.</al><al>Artikel 4d.</al><al>De eerste herkeuring vindt (in principe, zie lid 2) al binnen een jaar
                            plaats. Herkeuring kan ook plaatsvinden op verzoek van de
                            belanghebbende. Als de uitslag luidt dat de mate van algemene
                            invaliditeit is gewijzigd, wordt de uitkering aangepast. In lid 4 is
                            geregeld op welke datum een wijziging ingaat. Wanneer de belanghebbende
                            om wijziging van de uitkering heeft verzocht, is een beperkte mate van
                            terugwerkende kracht geregeld. Dit geldt volgens de tekst van lid 4
                            onder a niet alleen wanneer de uitkering wordt verhoogd, maar ook
                            wanneer die wordt verlaagd! Het ligt voor de hand om hiervoor meten te
                            waarschuwen, zodat alvast rekening kan worden gehouden met eventuele
                            terugbetaling.</al><al>In lid 6 is de mogelijkheid opgenomen arbeid, die misschien voor
                            betrokkene niet geschikt zal blijken te zijn, tijdelijk buiten
                            beschouwing te laten bij het vaststellen van de mate van algemene
                            invaliditeit. Zo kan gedurende een periode van maximaal drie jaar worden
                            bekeken of belanghebbende het vol kan houden. Op grond van lid 7 kunnen
                            in bijzondere gevallen afwijkende regelingen worden getroffen (zoals het
                            blijvend buiten beschouwing laten van de inkomsten voor de mate van
                            invaliditeit). Er vindt natuurlijk op grond van artikel 5 wel
                            verrekening van inkomsten plaats.</al><al>Artikelen 10 en 15.</al><al>Deze wijzigingen was nodig in verband met de invoering van de nieuwe
                            Gemeentewet.</al><al>Artikel 17.</al><al>Dit artikel is gewijzigd bij de derde wijziging.</al><al>In verband met de invoering van het bruto-netto-traject wordt de
                            bezoldiging van de zittende wethouders verhoogd (gebruteerd). Deze
                            verhoging hoort niet door te werken in de opbouw van pensioenaanspraken
                            die voor deze invoering plaatsvond. Daarom ontstaat er nu een derde
                            periode in de berekening van het pensioen. De invoering van het </al><al>franchisesysteem maakte een onderscheid tussen diensttijd na 31 december
                            1985 dan wel voor 1 januari 1986 noodzakelijk; nu komt daar een
                            onderscheid tussen diensttijd voor 1 januari 1995 dan wel na 31 december
                            1994 bij.</al><al>Als pensioen wordt opgebouwd voor en na laatstgenoemde data, zou een
                            ongerechtvaardigd voordeel ontstaan omdat het nu eenmaal om een
                            eindloonstelsel gaat, hetgeen wil zeggen dat het laatstgenoten inkomen
                            de berekeningsbasis is voor het pensioen. Over de periode 31 december
                            1985 - 1 januari 1995 wordt daarom een debruteringsfactor toegepast,
                            indien het laatstgenoten inkomen is ontvangen na 31 december 1994.</al><al>Voor de pensioenberekening over het tijdvak voor 1 januari 1986 wordt
                            het voor de periode tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 geldende
                            (gedebruteerde) bedrag van de wedde vermenigvuldigd met de factor
                            100/110. Dit was al het geval in verband met de verhoging van de wedde
                            met 10 procent in verband met het afschaffen van de premiecompensatie
                            AOW/AWW.</al><al>Als de laatstelijk genoten wedde is genoten tussen 31 december 1985 en 1
                            januari 1995, wordt zij voor de pensioenberekening over het tijdvak voor
                            1 januari 1986 eveneens vermenigvuldigd met 100/110.</al><al>Artikel 18.</al><al>Bij de derde wijziging zijn het zesde en het zevende lid vervallen. Dit
                            houdt verband met de wijziging van artikel 17. </al><al>Artikel 19.</al><al>Door het vervallen van het tweede lid is het weer mogelijk pensioen op
                            te bouwen over tijd gelegen voor de 25ste verjaardag van de
                            wethouder.</al><al>Artikel 19a.</al><al>Dit artikel houdt verband met de brutering die per 1 januari 1995
                            plaatsvindt.</al><al>Artikel 20.</al><al>Zie voor de part-time wethouder met diensttijd gelegen voor 1 januari
                            1986 artikel 17.</al><al>Artikel 28.</al><al>Omdat een wethouder sinds de derde wijziging ook voor zijn
                            vijfentwintigste jaar pensioen kan opbouwen, kon lid 3 vervallen.</al><al>Artikel 29a.</al><al>De nabestaande die geen recht heeft op een AAW-uitkering of -pensioen
                            heeft recht op een toeslag op zijn nabestaandenpensioen. De berekening
                            daarvan is gewijzigd in verband met het aanpassen van de franchise. De
                            wijziging gaar in per 1 januari 1995.</al><al>Artikel 57.</al><al>Invoering van het sectorenmodel in het arbeidsvoorwaardenoverleg leidt
                            ertoe, dat er per sector verschillende salarisverhogingen kunnen worden
                            afgesproken. Dit artikel regelt dat er een systeem van gewogen
                            gemiddelden zal worden gehanteerd om de pensioenen aan te passen. De
                            zittende wethouders "volgen" het rijk.</al><al>Ook is in lid 3 de mogelijkheid opgenomen aan gepensioneerden een
                            eenmalige uitkering toe te kennen. Voordien ontbrak daartoe de
                            grondslag.</al><al>Artikel 59.</al><al>Dit artikel introduceert de pseudo-premies. Op de wedde van de wethouder
                            worden met WW-, ZW-, en WAO-premies overeenkomende bedragen
                            ingehouden.</al><al>Daarnaast wordt natuurlijk pensioenpremie geïnd. Alle bedragen vloeien
                            terug naar de gemeente en dus niet naar een bedrijfsvereniging of
                            pensioenfonds. Men kan zich afvragen of de Algemene pensioenwet
                            politieke ambtsdragers (dan wel de Uitkerings- en pensioenverordening
                            wethouders gemeente Delft 1992) de juiste plaats is om een dergelijke
                            verplichting voor zittende wethouders vast te leggen. Plaatsing in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders had meer voor de hand gelegen.</al><al>Het tweede lid geeft een vergelijkbare bepaling voor gewezen wethouders
                            die een uitkering ontvangen.</al><al>Artikel 72.</al><al>Deze herziening is nog nodig in verband met de invoering van de Algemene
                            wet bestuursrecht. In artikel 4:16 juncto 4:17, eerste lid, van de wet
                            is bepaald dat een beschikking deugdelijk gemotiveerd dient te zijn. in
                            artikel 72, vierde lid staat dat een bepaalde categorie beschikkingen
                            gemotiveerd moet worden. Dit artikellid is overbodig geworden en kan
                            vervallen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>