<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73536_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening opslag gas-, huisbrand- en stookolie</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-05-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heerenveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Heerenveense Courant (Crackstate Nijs), 28-09-1994</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening opslag gas-, huisbrand- en stookolie</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>1994-09-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1994-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>uitwerking ogv art 28 wet arhi</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>94.2000301</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening opslag gas-, huisbrand- en stookolie</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Heerenveen;</al><al/><al>overwegende dat het door de inwerkingtreding van de Algemene wet
                        bestuurs-recht noodzakelijk is om de "Verordening opslag gas-, huisbrand- en
                        stookolie" aan te passen; </al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 september
                        1994,</al><al>preadvies nummer 94.2000301;</al><al/><al>gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>B E S L U I T :</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende </al><al><vet>VERORDENING OPSLAG GAS-, HUISBRAND- EN STOOK-OLIE</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="30*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="69*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a. KIWA </al></entry><entry colname="col2"><al>Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen KIWA
                                            N.V.;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. NEN </al></entry><entry colname="col2"><al>norm, zoals deze is opgesteld vanwege het Nederlands
                                            Normalisatie-instituut;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. Benzinecommissie </al></entry><entry colname="col2"><al>Commissie, ingesteld bij de gemeenschappe-lijke
                                            beschikking van de Ministers van Economische Zaken en
                                            Arbeid en van Waterstaat van 12/30 september 1927, no.
                                            527 H/LAB.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Kennisgeving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Hij die het voornemen heeft over te gaan tot het oprichten, in
                                werking brengen, uitbreiden of wijzigen van een inrichting tot het
                                bewaren, bezigen of afleveren van vloeibare brandstoffen, waarvan
                                het ontvlam-mingspunt bepaald volgens de methode van Pensky-Martens
                                bij 760 mm kwikdruk 55C of hoger is gelegen, is verplicht van dat
                                voornemen aan burgemeester en wethouders schriftelijke kennisgeving
                                te doen tenminste twee weken, doch niet langer dan zes maanden voor
                                het tijdstip, waarop met het oprichten, in werking brengen,
                                uitbreiden of wijzigen van bedoelde inrichting zal worden
                                aangevangen.</al></li><li nr="2."><al>Een kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, dient te omvatten:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de kennisgeving doet;</al></li><li nr="b."><al>naam en adres van de installateur die het werk zal
                                        uitvoeren;</al></li><li nr="c."><al>voor welke brandstof de inrichting is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>een opgave van de hoeveelheid brandstof die in de inrichting
                                        kan worden geborgen;</al></li><li nr="e."><al>voor welke doeleinden de inrichting zal dienen;</al></li><li nr="f."><al>een opgave van de plaats van de inrichting;</al></li><li nr="g."><al>een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, duidelijk
                                        aangevende de plaats van de tank(s) met de daarbij behorende
                                        leidingen en de daarop aangesloten toestellen, op welke
                                        plattegrond tevens dient voor te komen een kadastrale
                                        situatietekening van het terrein van de inrichting.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Antwoord op kennisgeving</titel></kop><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="94*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving, als
                                            bedoeld in arti-kel 2, delen burgemeester en wethouders
                                            aan degene die de kennisgeving deed, schriftelijk
                                            mede:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>dat de inrichting mag worden opgericht, uitgebreid of
                                            gewijzigd, indien voor het in werking brengen van de
                                            inrichting aan hen worden voorgelegd:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>A.</al></entry><entry colname="col2"><al>een verklaring van de in artikel 2, lid 2 onder b
                                            bedoelde installateur, dat de in artikel 2, lid 2 onder
                                            b tot en met g bedoelde gegevens in acht zijn genomen;
                                        </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>bij opslag in ondergrondse tanks:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>B.</al></entry><entry colname="col2"><al>een verklaring van het KIWA, dat de tank tot bewaring
                                            van de brandstof voldoet aan NEN 3353 respectievelijk
                                            3353a;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>C.</al></entry><entry colname="col2"><al>-zo in verband met de weerstand van de grond bescherming
                                            van de tank en de daarbij behorende leidingen door
                                            middel van kathodische bescherming niet vereist is- een
                                            verklaring daaromtrent van het KIWA;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>D.</al></entry><entry colname="col2"><al>indien de onder C bedoelde verklaring niet wordt
                                            overlegd, een verkla-ring van het KIWA omtrent de
                                            deugdelijke werking van de kathodische bescherming;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>E.</al></entry><entry colname="col2"><al>een door het KIWA gewaarmerkt rapport van een door dit
                                            instituut erkende installateur, dat de inrichting wordt
                                            opgericht, uitgebreid op gewijzigd in overeenstemming
                                            met de daartoe door burgemeester en wethouders bij
                                            openbaar bekend te maken besluit te stellen
                                            voorschriften;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>bij opslag in bovengrondse tanks:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>F.</al></entry><entry colname="col2"><al>een door het KIWA gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt
                                            dat de tank tot bewaring van de brandstof is
                                            goedgekeurd;</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="94*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>G.</al></entry><entry colname="col2"><al>een verklaring van een naar het oordeel van burgemeester
                                            en wethouders deskundige installateur, dat de inrichting
                                            wordt opgericht, uitgebreid of gewijzigd in
                                            overeenstemming met de daartoe door burgemeester en
                                            wethouders bij openbaar bekend te maken besluit te
                                            stellen voorschriften;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>dan wel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>dat uit een oogpunt van bescherming van de bodem tegen
                                            van de inrichting te duchten bijzondere gevaren het
                                            stellen van nadere voorschriften ten aanzien van het
                                            oprichten, uitbreiden of wijzigen van de inrichting
                                            wordt overwogen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>dan wel</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>dat het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een
                                            dergelijke inrichting ter plaatse niet is
                                            toegestaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Burgemeester en wethouders zullen de nadere
                                            voorschriften, bedoeld in lid 1 onder b, aan degene, die
                                            de kennisgeving deed, mededelen binnen acht weken na
                                            ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in artikel
                                            2.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Burgemeester en wethouders kunnen de termijn van acht
                                            weken, bedoeld in lid 2, met ten hoogste vier weken
                                            verlengen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Van de mededeling, bedoeld in lid 1, en de beslissingen,
                                            bedoeld in de leden 2 en 3, wordt een afschrift
                                            toegezonden aan de beheerder en de installateur, een en
                                            ander voorzover zij zelf de kennisgeving, bedoeld in
                                            artikel 2, niet hebben gedaan.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>Van de beslissingen, bedoeld in de leden 2 en 3, wordt
                                            -voor zover zij betrekking hebben op ondergrondse
                                            opslag- een afschrift gezonden aan het KIWA.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al>Het is verboden een inrichting, als bedoeld in artikel
                                            2, op te richten, uit te breiden of te wijzigen voordat
                                            de mededeling, als bedoeld in lid 1 onder a en c, is
                                            ontvangen dan wel voordat de nadere voorschriften, als
                                            bedoeld in lid 1 onder b, zijn medegedeeld.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen installateur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De installateur is verplicht bij het oprichten, uitbreiden of
                                wijzigen van een inrichting waarvoor een kennisgeving, als bedoeld
                                in artikel 2, is gedaan, de ingevolge artikel 3, lid 1 onder a, over
                                te leggen verkla-ringen na te leven.</al></li><li nr="2."><al>De installateur is verplicht bij het oprichten, uitbreiden of
                                wijzigen van een inrichting ten aanzien waarvan een kennisgeving,
                                als bedoeld in artikel 2, is gedaan, na te leven de nadere
                                voorschriften, bedoeld in artikel 3, lid 2, alsmede -voorzover deze
                                betrekking hebben op onder-grondse opslag- daarvan een door het KIWA
                                gewaarmerkte verklaring over te leggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een inrichting, als bedoeld in artikel 2, op te richten, uit
                        te breiden of te wijzigen nadat een mededeling, bedoeld in artikel 3, lid 1
                        onder c, is ontvangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ontheffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van de eisen, gesteld in NEN 3353,
                                respectievelijk 3353a, alsmede van de voorschriften, als bedoeld in
                                artikel 3, lid 1 onder a, ad E en G -al dan niet onder het stellen
                                van andere voorwaarden- ontheffing verlenen.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders verlenen een ontheffing, als bedoeld in
                                lid 1, niet dan wanneer van de tank tot bewaring van de brandstof
                                -blijkens een verklaring van de Benzinecommissie- geen gevaar voor
                                verontreiniging van de bodem is te duchten en de deugdelijkheid van
                                de inrichting voldoende gewaarborgd is.</al></li><li nr="3."><al>De installateur is verplicht de in lid 1 bedoelde andere voorwaarden
                                na te leven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verklaringen</titel></kop><al>De installateur is verplicht voor het in werking brengen van een inrichting
                        bedoeld in artikel 2, aan burgemeester en wethouders over te leggen de
                        verklaringen, bedoeld in artikel 3, lid 1 onder a.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verplichtingen beheerder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De beheerder van een inrichting is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>te zorgen, dat de inrichting in een goede staat van
                                        onderhoud verkeert;</al></li><li nr="b."><al>-indien een redelijk vermoeden bestaat, dat in één der
                                        onderdelen van de inrichting zich een lek voordoet of deze
                                        in slechte staat verkeert- dit/deze te onderzoeken door de
                                        tank en/of de leiding(en), nadat de brandstof daaruit is
                                        verwijderd, in aanwezigheid van een daartoe bevoegde
                                        deskundige op dichtheid te beproeven bij een inwendige
                                        overdruk van 2 kgf/cm² met water; bij het beproeven mag
                                        gedurende tenminste twee uren geen drukverlaging
                                        optreden;</al></li><li nr="c."><al>na te leven de voorschriften, die burgemeester en wethouders
                                        uit een oogpunt van bescherming van de bodem tegen van de
                                        inrichting te duchten bijzondere gevaren ten aanzien van het
                                        in werking brengen en in werking houden van de inrichting
                                        bij openbaar bekend te maken besluit hebben gesteld of in
                                        verband met de aard van de inrichting nader stellen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tenzij blijkens de verklaring van het KIWA, bedoeld in artikel 3,
                                lid 1 onder a, ad C, bescherming van de tank en de daarbij behorende
                                leidingen door middel van kathodische bescherming niet is vereist,
                                is in geval van opslag in ondergrondse tanks de beheerder van een in
                                artikel 2 bedoelde inrichting, die onder de werking van deze
                                verordening is opgericht, uitgebreid of gewijzigd, voorts gehouden
                                voor het einde van elk kalen-derjaar in te zenden een bewijsstuk,
                                dat de kathodische bescherming in goede staat verkeert. Dit
                                bewijsstuk moet zijn afgegeven door een daartoe bevoegde deskundige
                                en mag op het tijdstip van inzending niet ouder zijn dan één maand.
                                Indien de inrichting in werking is gebracht in de tweede helft van
                                het kalenderjaar, behoeft bedoeld bewijsstuk in dat jaar niet te
                                worden overgelegd.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer een inrichting, bedoeld in artikel 2, is gelegen in een
                                be-schermd waterwingebied, is de beheerder daarvan gehouden telkens
                                vóór de afloop van een periode van tien jaar aan burgemeester en
                                wethouders in te zenden een bewijsstuk, dat de gehele inrichting in
                                deugdelijke staat verkeert. Dit bewijsstuk moet zijn afgegeven door
                                een naar het oordeel van burgemeester en wethouders deskundige
                                installateur en mag op het tijdstip van inzending niet ouder zijn
                                dan vier weken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toepassingsverklaring</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt onder beschermd
                        waterwinge-bied verstaan het gebied, dat de gemeenteraad hiertoe bij
                        openbaar bekend te maken besluit heeft aangewezen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitzonderingen</titel></kop><al>Het bepaalde in deze verordening geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>voorzover de Wet Milieubeheer van toepassing is;</al></li><li nr="b."><al>voorzover een provinciale verordening inzake het weren van
                                bodemveront-reiniging en waterwinplaatsen van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>voorzover het betreft een tank welke bovengronds is geplaatst en
                                waarin niet meer dan 400 liter kan worden geborgen;</al></li><li nr="d."><al>voorzover het Besluit Opslag Ondergrondse Tanks van toepassing
                                is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Strafbepalingen</titel></kop><al>Overtreding van het verbod, bedoeld in de artikelen 3, lid 6, en 5, alsmede
                        het niet-naleven van één der verplichtingen van deze verordening worden
                        gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                        tweede categorie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Handhaving van de bepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met de handhaving van de bepalingen van deze verordening en de zorg
                                voor de naleving daarvan, alsmede de opsporing van de daarin
                                aangegeven strafbare feiten zijn, naast de in artikel 141 van het
                                Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, belast de
                                door burgemees-ter en wethouders daartoe aangewezen ambtenaren van
                                Bouw- en Woningtoe-zicht.</al></li><li nr="2."><al>Indien de zorg voor de nakoming van de bepalingen van deze
                                verordening dit vereist, wordt hierbij aan hen, die met de
                                uitvoering zijn belast of daartoe moeten medewerken, de last
                                verstrekt de woningen der ingezete-nen, huns ondanks, binnen te
                                treden, zulks met inachtneming van het bepaalde in de wet van 31
                                augustus 1853 (Stb. 83).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de uitvoering van één of meer
                                bepalin-gen van deze verordening opdragen aan één of meer door hen
                                aan te wijzen ambtenaren.</al></li><li nr="2."><al>Het vorenstaande is niet van toepassing op het verlenen van
                                ontheffin-gen, als bedoeld in artikel 6, lid 1, en op het stellen
                                van de voor-schriften, als bedoeld in artikel 3, lid 1 onder a, ad E
                                en G, artikel 3, lid 2 en artikel 8, lid 1 onder c.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening opslag gas-,
                                huisbrand- en stookolie".</al></li><li nr="2."><al>Zij treedt in werking op 1 oktober 1994. Alsdan vervalt de
                                "Verordening opslag gas-, huisbrand- en stookolie", vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 19 juni 1972, zoals deze sindsdien werd
                                gewijzigd.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 september
                        1994.</ondertekening><ondertekening>De secretaris,</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>(drs. H.C. Witbraad-Wiltink)</ondertekening><ondertekening>(drs. P.M.M. de Jonge)</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>