<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73369_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Sittard-Geleen 2010.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Trompetter, 29 dec 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Sittard-Geleen 2010.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art 3 Wet op de veiligheidsregio's</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-11-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>n.b.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>incl toelichting</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening 2010 gemeente Sittard-Geleen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sittard-Geleen;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van de gemeente Sittard-Geleen;</al><al>Gelet op artikel 3 van de Wet op de veiligheidsregio’s en de aanpassing
                        daarop (Stb 2010, 145 en 146);</al><al>Overwegende dat het verplicht is een verordening vast te stellen omtrent het
                        voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar,
                        het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee
                        verband houdt;</al><al>Besluit</al><al>Vast te stellen de “Brandbeveiligingsverordening Sittard-Geleen 2010”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting: een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                plaats voor zover die geen bouwwerk is;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                            verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te
                            houden, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn of,</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                    verzorging nachtverblijf zal worden verschaft of,</al></li><li nr="c."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                    lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                    worden verschaft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                            inachtneming van het gestelde in de artikelen 4 en 5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden
                            en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang
                            waarvoor de gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een
                            verandering van inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen
                            buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de
                            gebruiksvergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Weigeringgronden</titel></kop><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.1, 2.2 en 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Stb. 2008,
                        327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige en niet
                        vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de paragrafen
                        2.4, 2.5 2.6, 2.7 2.8 en 2.9 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken
                        (Stb. 2008, 327) zijn overeenkomstig van toepassing op vergunningplichtige
                        en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Melden van brand en broei</titel></kop><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Bossen, heidevelden, venen</titel></kop><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                        opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door het college
                        aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                            brandbeveiligingsverordening van 2009 en die van kracht zijn op het
                            moment van inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als
                            vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een
                            aanvraag om vergunning op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                            2009 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze
                            verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                            vergunning krachtens de brandbeveiligingsverordening van 2009 wordt
                            beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        Sittard-Geleen 2010. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het moment van inwerkingtreding van de
                        Wet veiligheidsregio’s.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2010.</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2010</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al-groep><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio’s en de aanpassing daarop in
                        artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                        brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                        bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                        brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8,
                        p.7). Naar verwachting treedt deze amvb pas medio 2011 werking. Tot die tijd
                        zal op de grond van de Wet veiligheidsregio’s in elke gemeente een
                        brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn. </al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s, het niet
                        beschikbaar zijn van de hiervoor bedoelde amvb en het ontbreken van relevant
                        overgangsrecht in de Wet veiligheidsregio’s zal de raad een nieuwe
                        brandbeveiligingsverordening moeten vaststellen.</al><al>De bestaande brandbeveiligingsverordening vervalt namelijk van rechtswege
                        bij de inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s.</al></al-groep><al-groep><al>De voorliggende modelregeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                        inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard. </al><al>De regeling is aangepast aan de Wet veiligheidsregio’s en de
                        Dienstenrichtlijn. Toegevoegd zijn regels voor de bestuurlijke boete.</al></al-groep><tussenkop>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio’s
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo’n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    een gemeente op basis van de brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><tussenkop>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk zijn</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn:
                        '<cursief>niet-bouwwerken</cursief>'. Het kan gaan om bijvoorbeeld een los
                    met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende discotheek of een tijdelijke
                    tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. </al><al-groep><al>De omschrijving in de Wet veiligheidsregio’s zelf kent een beperking van
                        doel, n.l. brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke
                        voorschriften) geen beperking van object. De omschrijving is van toepassing
                        op de gehele omgeving.</al><al>Voor een dergelijk object is het vanwege het feit dat niet van tevoren
                        duidelijk is waarom het gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel
                        objecten lijken echter op bekende bouwwerken. Overeenkomstig daaraan kunnen
                        eisen worden gesteld, afhankelijk van de specifieke situatie. </al></al-groep><al-groep><al>Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat. Hiervoor is in elk
                        geval het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de bouwverordening ex de
                        Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip bouwwerk in de
                        bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het
                        Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het water meestal geen
                        bouwwerk in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met
                        de grond verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor
                        hetzelfde object dat drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch
                        kader (voor de brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig
                        op dezelfde plaats staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing),
                        terwijl diezelfde tent tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk'
                        is, waarvoor op grond van de brandbeveiligingsverordening eisen moeten
                        worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag: wanneer is een object een bouwwerk volgt hieronder,
                        mede aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting</al></al-groep><tussenkop>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</tussenkop><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken en het gebruik van open erven en
                    terreinen en de staat, waarin deze zich moeteen bevinden. De beperking die de
                    Woningwet oplegt, als hogere regeling, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en
                    terrein.</al><tussenkop>Bouwwerk</tussenkop><al-groep><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de VNG houdt
                        in de modelbouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie
                        aan:</al><al>-<cursief>b</cursief><cursief>ouwwerk: </cursief>elke constructie van enige
                        omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                        bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                        direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                        functioneren.</al><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk </al><al>1) constructie, </al><al>2) van enige omvang, </al><al>3) met de grond verbonden, </al><al>4) bedoeld om ter plaatse te functioneren</al><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                        zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot
                        de conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. </al><al>De jurisprudentie is te omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven.
                        Een uitgebreide opsomming van jurisprudentie kunt u vinden in de toelichting
                        op de modelbouwverordening van de 'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu
                        uitgevers bv, Den Haag).</al></al-groep><tussenkop>Open erf en terrein</tussenkop><al-groep><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de brandbeveiligingsverordening,
                        ook sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de
                        verordening. Op grond van artikel 8, tweede lid, onder b, van de Woningwet
                        zijn namelijk in de bouwverordening voorschriften opgenomen over de staat en
                        het in gebruik nemen en gebruiken van open erven en terreinen. Hiervoor
                        kunnen dus geen eisen worden gesteld op grond van de
                        brandbeveiligingsverordening. </al><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                        (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is
                        afgeleid uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB
                        1998, 5). </al><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als
                        erf kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan
                        of beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het
                        hoofdgebouw af gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen
                        worden. Dit zal in beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen
                        van een aanzienlijke omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij
                        dergelijke omvangrijke percelen geven bestemmingsplannen of
                        beheersverordeningen soms regels die het perceel onderverdeelt in een
                        bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw met bijbehorende aan- en
                        uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar een verdere
                        inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                        hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                        perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin
                        van de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier
                        voorwaarden zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is,
                        3) dat bij een bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is. </al></al-groep><tussenkop>Gebruiksvergunning voor een inrichting</tussenkop><al-groep><al>De brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor
                        die situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                        aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet
                        gekozen voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die
                        situaties dan bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan
                        in de brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet
                        worden voldaan.</al><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van
                        de verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen
                        van toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor
                        zover die geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor één begrip:
                        inrichting. </al><al>Het is duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het
                        niet goed mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het
                        aanvragen van een vergunning vormvrij. </al><al>Het Gebruiksbesluit geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. </al><al>Aan een los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld kunt u dezelfde
                        brandveiligheidseisen stellen als aan een vast met de wal verbonden
                        drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de bouwverordening en de
                        Woningwet). </al></al-groep><tussenkop>Wabo</tussenkop><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de modelbrandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de
                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><tussenkop>Dienstenrichtlijn</tussenkop><al>De modelbrandbeveiligingsverordening 2010 is aangepast aan de
                    Dienstenrichtlijn.</al><tussenkop>Toezicht op de naleving </tussenkop><al-groep><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust
                        krachtens artikel 61 van de Wet veiligheidsregio’s bij door burgemeester en
                        wethouders opgedragen ambtenaren.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wijst op grond van
                        artikel 65 van de Wet veiligheidsregio’s de ambtenaren aan belast met de
                        opsporing van strafbare feiten.</al></al-groep><tussenkop>Strafbepaling </tussenkop><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>In het artikel is twee keer de brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de brandbeveiligingsverordening van
                    voor 2008 nog van kracht moeten zijn.</al><tussenkop>Intrekken regeling</tussenkop><al>De brandbeveiligingsverordening vervalt op het moment van inwerkingtreding van
                    de Wet veiligheidsregio’s van rechtswege door ontbreken van de rechtsgrond: de
                    Brandweerwet 1985. De intrekking moet worden bekendgemaakt volgens de in artikel
                    144 Gemeentewet genoemde wijze.</al><tussenkop>Bekendmaking</tussenkop><al-groep><al>De bekendmaking dient op een zodanig tijdstip plaats te vinden dat de
                        verordening op het moment van inwerkingtreding van de Wet veiligheidsregio’s
                        in werking kan treden. Dit kan:</al><al>a.door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                        gemeenteblad;b. bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor
                        de tijd van twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het
                        college te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                        plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. Voor de wijze
                        van elektronische bekendmaking zie:
                        http://www.vng.nl/eCache/DEF/88/626.html.</al></al-groep><tussenkop>Intrekken vergunning</tussenkop><al>De modelbrandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>