<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73277_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Steenbergen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">SC 19-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Steenbergen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=8">Gemeentewet, art. 8 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8 juncto</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">Wet werk en bijstand, art. 30 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>7a</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Steenbergen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Steenbergen;</al><al>in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11
                        januari 2010</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Regling%20organieke%20functiewaardering%202006/article=147">artikel 147 van de Gemeentewet</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8, eerste lid sub c</extref>. juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">artikel 30 van de Wet werk en bijstand</extref>;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand
                        gemeente Steenbergen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref>;</al></li><li nr="b."><al>zorgbehoevende: degene die, indien hij niet tezamen met
                                            een andere persoon de woning zou bewonen, zou zijn
                                            aangewezen op beroepsmatige hulp, zoals verzorging in
                                            een bejaardentehuis of in een andere inrichting ter
                                            verpleging of verzorging;</al></li><li nr="c."><al>woonkosten: </al><lijst><li nr="-"><al>indien het een huurwoning betreft de in
                                                  aanmerking te nemen huishuur in het kader van de
                                                  <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20op%20de%20huurtoeslag">Wet op de huurtoeslag</extref>;</al></li><li nr="-"><al>indien het een eigen woning betreft, de tot een
                                                  bedrag per maand omgerekende som van de
                                                  verschuldigde hypotheekrente, de vanwege het in
                                                  eigendom hebben van de woning zakelijke lasten
                                                  alsmede een door of namens het college nader vast
                                                  te stellen bedrag voor groot onderhoud.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Categorieën</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65
                                    jaar aan wie bijstand kan worden verleend, geldt een
                                    categorieaanduiding;</al></li><li nr="2."><al>De categorieën worden aangeduid als: </al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=4">artikel 4, sub a. van de wet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">artikel 4, sub b. van de wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>gehuwden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=3">artikel 3 van de wet</extref>.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij gehuwden geldt het leeftijdscriterium als bedoeld in het
                                    eerste lid voor beiden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3. Alleenwonende alleenstaande (ouder)</titel></kop><al>De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn ten
                            laste komende kinderen in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                            heeft en dientengevolge de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                            niet kan delen, wordt verhoogd met een toeslag, die is bepaald op het in
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> genoemde maximumbedrag
                            behoudens het bepaalde in artikel 6, lid 1, artikel 7 en artikel 8 van
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Niet alleen wonende alleenstaande (ouder)</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De norm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn
                                    ten laste komende kinderen in wiens woning een ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft en die de algemene noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan kan delen, wordt verhoogd met een toeslag die is
                                    bepaald op de helft van het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag behoudens het bepaalde in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-6-geen-woonkosten">artikel 6, lid 1</extref>, <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-7-schoolverlaters">artikel 7</extref> en <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-alleenstaande-van-21-jaar-of-22-jaar">artikel 8 van deze verordening</extref>;</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 wordt de norm voor de alleenstaande en de
                                    alleenstaande ouder verhoogd met een toeslag, die is bepaald op
                                    het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag behoudens het bepaalde in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-6-geen-woonkosten">artikel 6, lid 1</extref>, <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-7-schoolverlaters">artikel 7</extref> en <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-8-alleenstaande-van-21-jaar-of-22-jaar">artikel 8 van deze verordening</extref>, indien de woning
                                    wordt bewoond met een ander of die in de woning van een ander
                                    woont en die de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan
                                    niet kan delen;</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 wordt geen toeslag als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> verleend, indien die
                                    ander de niet-rechthebbende echtgenoot of daarmee gelijkgestelde
                                    is en een inkomensvoorziening op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren">Wet investeren in jongeren</extref> ontvangt;</al></li><li nr="4."><al>Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is
                                    in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
                                    uitsluitend: </al><lijst><li nr="-"><al>een niet ten laste komend kind jonger dan 21 jaar, dat
                                            over een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het
                                            bedrag, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, sub a van de wet</extref>;</al></li><li nr="-"><al>een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op
                                            studiefinanciering van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Studie%20financiering%202000">Wet Studie financiering 2000</extref>, dan wel een
                                            tegemoetkoming op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten</extref> en over een inkomen beschikt
                                            dat niet hoger is dan het bedrag, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, sub a van de wet</extref>. Onder
                                            “inkomen” wordt mede begrepen het inkomen dat in het
                                            kader van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Studiefinanciering%202000">Wet Studiefinanciering 2000</extref> bij de
                                            vaststelling van de hoogte van het toetsingsinkomen
                                            buiten beschouwing wordt gelaten;</al></li><li nr="-"><al>een bloedverwant in de eerste of tweede graad waarbij
                                            sprake is van zorgbehoefte tussen één van deze
                                            bloedverwanten en de alleenstaande of de alleenstaande
                                            ouder;</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Bij drie of meer kostgangers en/of onderhuurders wordt de
                                    kostgever of de (onder) verhuurder geacht een bedrijf te
                                    exploiteren en dient voor een inkomensvoorziening een beroep te
                                    worden gedaan op het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</extref>.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Criteria voor het verlagen van de norm of de
                            toeslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5. Niet alleenwonende gehuwden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De norm voor gehuwden in wier woning een ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft of die in de woning van een ander hun
                                    hoofdverblijf hebben en die de algemene noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan kunnen delen, wordt verlaagd met de helft van het in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag;</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van lid 1 vindt geen verlaging plaats indien de
                                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kunnen worden
                                    gedeeld;</al></li><li nr="3."><al>Van het niet kunnen delen van de algemeen noodzakelijk kosten is
                                    in ieder geval sprake, indien de woning wordt bewoond met
                                    uitsluitend: </al><lijst><li nr="a."><al>een niet ten laste komend kind jonger dan 21 jaar, dat
                                            over een inkomen beschikt dat niet hoger is dan het
                                            bedrag in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, sub a van de wet</extref>;</al></li><li nr="b."><al>een ongehuwd kind dat aanspraak kan maken op
                                            studiefinanciering op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> dan wel een
                                            tegemoetkoming op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten</extref> en over een inkomen beschikt
                                            dat niet hoger is dan het bedrag in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, sub a van de wet</extref>. Onder
                                            “inkomen” wordt mede begrepen het inkomen dat in het
                                            kader van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> bij de
                                            vaststelling van de hoogte van het toetsingsinkomen
                                            buiten beschouwing wordt gelaten;</al></li><li nr="c."><al>een bloedverwant in de eerste of tweede graad waarbij
                                            sprake is van zorgbehoefte tussen één van deze
                                            bloedverwanten en één van de gehuwden;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij drie of meer kostgangers en/of onderhuurders wordt de
                                    kostgever of de (onder)verhuurder geacht een bedrijf te
                                    exploiteren en dient voor bijstand een beroep te worden gedaan
                                    op het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Geen woonkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Geen toeslag wordt verstrekt aan de alleenstaande en de
                                    alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen als
                                    hij/zij geen woonkosten verschuldigd is;</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de alleenstaande en de
                                    alleenstaande ouder die inwonend is bij zijn ouder(s);</al></li><li nr="3."><al>De norm voor gehuwden wordt verlaagd met het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag als zij geen woonkosten verschuldigd zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Schoolverlaters</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Geen toeslag wordt verleend aan de schoolverlater gedurende een
                                    periode van een half jaar na beëindiging van het onderwijs of de
                                    beroepsopleiding waarbij aanspraak bestond op studiefinanciering
                                    op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> dan wel een
                                    tegemoetkoming op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten</extref>;</al></li><li nr="2."><al>Indien één van de gehuwden schoolverlater is, wordt de norm voor
                                    gehuwden verlaagd met de helft van het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, tweede lid van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag gedurende een periode van een half jaar na
                                    beëindiging van het onderwijs of de beroepsopleiding, waarbij
                                    aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> dan wel een
                                    tegemoetkoming op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                        schoolkosten</extref>. Indien beide gehuwden tegelijkertijd
                                    schoolverlater zijn, wordt de norm voor gehuwden verlaagd met
                                    het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, tweede lid van de wet</extref> genoemde
                                    maximumbedrag;</al></li><li nr="3."><al>Het tweede lid is niet van toepassing, indien één van de
                                    gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft en de
                                    rechthebbende partner 21 of 22 jaar is en geen ten laste komende
                                    kinderen heeft;</al></li><li nr="4."><al>De periode als bedoeld in het eerste en tweede lid vangt aan met
                                    ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin geen
                                    aanspraak meer bestaat op studiefinanciering dan wel een
                                    tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Alleenstaande van 21 jaar of 22 jaar</titel></kop><al>Geen toeslag wordt verleend aan de alleenstaande van 21 jaar of 22
                            jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Cumulatie van verlagingen</titel></kop><al>De maximale verlaging als bedoeld in dit hoofdstuk bedraagt voor
                            gehuwden het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, tweede lid van de wet</extref> genoemde
                            maximumbedrag.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10.</titel></kop><al>De bepalingen in deze verordening laten de toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 1 van de wet</extref> onverlet indien toepassing
                            van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11.</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand gemeente Steenbergen”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12.</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 februari 2010.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13.</titel></kop><al>De “Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de
                            categorieën van belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend”,
                            vastgesteld in de openbare vergadering van 18 december 2003, vervalt per
                            1 februari 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 25 februari 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING VERORDENING TOESLAGEN EN VERLAGINGEN WWB GEMEENTE
                        STEENBERGEN.</vet></al><al>De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB) bepaalt, dat het door de gemeente
                    gevoerde beleid ten aanzien van de verhoging of verlaging van de norm wordt
                    vastgelegd in een verordening. Uit de verordening moet blijken voor welke
                    categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria
                    het bedrag van de verhoging of verlaging wordt vastgesteld.</al><al>Door middel van een gemeentelijke verordening wordt de bevoegdheid tot het maken
                    van keuzes over de verlening van algemene bijstand versterkt, waarbij het niet
                    gaat om een technische uitwerking van details, maar om inhoudelijke
                    beleidskeuzes.</al><al>De volgende uitgangspunten liggen hieraan ten grondslag:</al><lijst><li nr="-"><al>een zodanige vereenvoudiging van de normering dat ongewenste en
                            frauduleuze gedragseffecten tot een minimum worden beperkt;</al></li><li nr="-"><al>het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor de belanghebbenden om in
                            de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;</al></li><li nr="-"><al>een zodanige afstemming van de hoogte van de uitkering dat het beginsel
                            van bijstand als vangnet blijft bestaan. De verordening kan er dus niet
                            toe leiden, dat complementair aan andere voor-zieningen, waarvoor de
                            rijksoverheid al normen heeft gesteld, bijstand wordt verleend;</al></li><li nr="-"><al>het beginsel van ‘’werk boven uitkering’’ dient ook in de verordening
                            zijn weerklank te vinden;</al></li><li nr="-"><al>uitvoering van de verordening dient betaalbaar te zijn.</al></li></lijst><al>Verder schrijft de Wet werk en bijstand voor, dat de verhoging voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders die alleen wonen wordt gesteld op de
                    maximale toeslag. Reden hiervoor is dat deze categorieën van personen in een
                    situatie verkeren waarin zij, in het algemeen, de algemeen noodzakelijke
                    bestaanskosten in het geheel niet met een ander kunnen delen.</al><al>Voor schoolverlaters en alleenstaanden van 21 jaar of 22 jaar is verder
                    voorgeschreven dat in de verordening niet gelijktijdig van de in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=28">artikelen 28</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=29">29 van de Wet werk en bijstand</extref> gebruik gemaakt mag worden.</al><al>Bij het opstellen van de verordening zijn de volgende onderdelen aan voormelde
                    uitgangspunten getoetst:</al><lijst><li nr="a."><al>forfaitaire toeslagen/verlagingen dan wel concrete
                            toeslagen/verlagingen;</al></li><li nr="b."><al>wel of geen nadere bepalingen bij specifieke woonsituaties;</al></li><li nr="c."><al>schoolverlaters wel of niet tijdelijk een lagere norm of toeslag;</al></li><li nr="d."><al>alleenstaanden van 21 jaar of 22 jaar wel of niet een lagere
                            toeslag;</al></li><li nr="e."><al>wel of geen gebruik maken van de wettelijke mogelijkheden voor
                            categoriale verlagingen bij uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20
                            jaar;</al></li><li nr="f."><al>minimaliseren van ongewenste situaties.</al></li></lijst><lijst><li nr="A:"><al>De schaalvoordelen concreet berekenen en toerekenen aan de hoogte van de
                            toeslag is uiterst arbeidsintensief, niet te handhaven en discutabel
                            aangezien ook de wettelijk vastgestelde bijstandsnormen forfaitair zijn
                            vastgesteld. Gelet op de uitvoerbaarheid is gekozen voor de forfaitaire
                            variant. </al><lijst><li nr=""><al>Eenvoudig en duidelijk voor belanghebbenden is een onderscheid
                                    te maken tussen degene die alleen woont en degene die niet
                                    alleen woont. Gelet op de forfaitaire normensystematiek van de
                                    wet zelf past een percentage van 50% van de maximale toeslag of
                                    verlaging voor belanghebbenden die niet alleen wonen. Dit vormt
                                    dan ook de basis voor de verordening.</al></li></lijst></li><li nr="B:"><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=27">artikel 27 van de WWB</extref> is de bevoegdheid neergelegd om de
                            toeslag of norm lager vast te stellen bij een specifieke woonsituatie
                            waarbij belanghebbenden lagere algemene bestaanskosten hebben. Dit kan
                            het geval zijn bij krakers of personen zonder vaste woon- en
                            verblijfplaats. Om te voorkomen dat belanghebbenden zonder woonkosten
                            net zo veel of zelfs nog meer ontvangen dan belanghebbenden die
                            weliswaar de woonkosten delen, maar toch een substantieel deel zelf
                            moeten voldoen, is het wenselijk van deze bevoegdheid gebruik te maken.
                            Het accent is in deze verordening gelegd op een verifieerbare situatie
                            om een toeslag te kunnen verlenen.</al></li><li nr="C:"><al>Studenten hebben in de regel een toelage ontvangen krachtens de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20studiefinanciering%202000">Wet studiefinanciering 2000</extref> dan wel een tegemoetkoming op
                            grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20tegemoetkoming%20onderwijsbijdrage%20en%20schoolkosten">Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten</extref>. Het
                            is niet de bedoeling, dat schoolverlaters hun carrière met een uitkering
                            beginnen. Als dit onverhoopt toch het geval is, dient de prikkel om
                            arbeid te aanvaarden maximaal benut te worden. Dit past in het
                            uitgangspunt ‘’werk boven inkomen’’. De norm voor een alleenstaande is
                            al hoger dan de voordien verkregen toelage studiefinanciering. Als dan
                            ook nog een toeslag op de norm wordt verleend, zal de prikkel om te
                            werken verder afnemen.</al></li><li nr="D:"><al>Al bij de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet">Algemene bijstandswet</extref> werd gebruik gemaakt van de
                            bevoegdheid om de toeslag voor alleenstaanden van 21 jaar of 22 jaar
                            lager vast te stellen om zo, gelet op de hoogte van de minimum
                            jeugdlonen, de arbeidsprikkel te handhaven.</al></li><li nr="E:"><al>Geen gebruik wordt gemaakt van de wettelijke mogelijkheden (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">artikelen 26 t/m 28 Wet werk en bijstand</extref>) voor categoriale
                            verlagingen bij uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar. Deze
                            uitkeringsgerechtigden hebben al een lagere jongerennorm, omdat zij in
                            principe een beroep kunnen doen op de ouderlijke onderhoudsplicht. Een
                            verdere verlaging van deze norm leidt tot inadequate bijstandsverlening
                            en is daarom in de verordening uitgesloten. Wanneer het niet toepassen
                            van deze verordening op uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar
                            onredelijke uitkomsten geeft, blijft de bevoegdheid bestaan om op grond
                            van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 1 van de Wet werk</extref> en bijstand de bijstand
                            lager vast te stellen.</al></li><li nr="F:"><al>Er zijn situaties denkbaar dat toepassing van de regeling kan leiden tot
                            onbillijkheden, bijvoorbeeld: </al><lijst><li nr="-"><al>de inwoning bij iemand die zorgbehoevend is;</al></li><li nr="-"><al>de inwoning van kinderen met studiefinanciering of niet ten
                                    lasten komende kinderen jonger dan 21 jaar met een gering
                                    inkomen.</al></li></lijst></li></lijst><al>De maximale toeslag ingeval van inwoning bij een zorgbehoevende wordt
                    gehandhaafd. Er is sprake van een onvrijwillige situatie en voor de maatschappij
                    worden diverse kosten bespaard doordat opname in een verzorgingstehuis
                    achterwege blijft. De gevolgen voor het gezinsinkomen bij kinderen met
                    studiefinanciering of bij niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar met
                    een laag eigen inkomen zijn wel reden om nadere bepalingen vast te stellen. De
                    hoogte van bijstandsuitkeringen voor 18-jarigen t/m 20-jarigen is dermate laag,
                    dat feitelijk geen bijdrage verlangd kan worden. Het is dan ook bezwaarlijk te
                    stellen dat een gezin schaalvoordelen heeft doordat kosten gedeeld zouden kunnen
                    worden. Het gezinsinkomen (met name bij alleenstaande ouders) zou dan met enkele
                    honderden euro’s per maand dalen, hetgeen niet billijk is. De maximale toeslag
                    is in een dergelijke situatie gerechtvaardigd.</al><al>Wel is het noodzakelijk een duidelijke grens vast te stellen betreffende de
                    hoogte van het inkomen van het kind. Een herkenbare grens is de norm genoemd in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21, onder a van de Wet werk en bijstand</extref> (correspondeert
                    met 50% van het minimumloon). Dit is een bedrag waarbij in ieder geval
                    vastgesteld kan worden, dat met dit inkomen kosten kunnen worden gedeeld.
                    Toetsing aan dit bedrag is helder en uitvoerbaar. Als gevolg van de
                    inwerkingtreding van deze verordening doen zich geen negatieve inkomenseffecten
                    voor.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING VERORDENING TOESLAGEN EN VERLAGINGEN WWB
                        GEMEENTE STEENBERGEN.</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Voor de gehanteerde begrippen wordt, tenzij anders is vermeld, verwezen naar de
                    WWB en de Awb.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Dit artikel geeft aan op welke categorieën van personen met een
                    bijstandsuitkering de verordening van toepassing is. De indeling is gebaseerd op
                    de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref>. Uitsluitend in de leeftijdscategorie van 21
                    jaar tot 65 jaar kunnen verhogingen en verlagingen op grond van de verordening
                    worden vastgelegd. Voor gehuwden geldt, dat beiden ouder zijn dan 21 jaar maar
                    jonger dan 65 jaar. Dit betekent, dat de verordening uitsluitend van toepassing
                    is op de normen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=21">artikel 21 van de Wet werk en bijstand</extref>.</al><al>Geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">artikelen 26 t/m 28 van de Wet werk en bijstand</extref> voor categoriale
                    verlagingen bij uitkeringsgerechtigden van 18 jaar t/m 20 jaar. Indien dit leidt
                    tot onbillijkheden van overwegende aard, vindt toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 1 van de Wet werk en bijstand</extref> plaats.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Alleenstaanden en alleenstaande ouders met hun ten laste komende kinderen die
                    alleen een woning bewonen hebben op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">artikel 30, lid 2, onder a van de Wet werk en bijstand</extref> recht op de
                    maximale toeslag. De alleenstaande ouder wordt geacht een alleenwonende ouder te
                    zijn, indien naast hem/haar slechts ten laste van hem/haar komende kinderen in
                    de woning verblijven (dat wil zeggen kinderen jonger dan 18 jaar waarvoor
                    aanspraak op kinderbijslag kan worden gemaakt). Indien in de woning naast de
                    alleenstaande ouder ook een kind van 18 jaar of ouder woonachtig is, is dit
                    artikel op de alleenstaande ouder niet van toepassing. In een dergelijk geval
                    dient op grond van artikel 4 van de
                        verordening te worden bepaald welke toeslag voor deze alleenstaande
                    ouder geldt.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>Bijzonder is de situatie bij gehuwden of daarmee gelijkgestelden waarbij een van
                    de partners de leeftijd van 27 jaar nog niet heeft bereikt en een
                    inkomensvoorziening op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren">Wet investeren in jongeren</extref> (WIJ) ontvangt. Sprake is dan van een
                    niet-rechthebbende partner. De bijstandsgerechtigde wordt in een dergelijk geval
                    als alleenstaande (ouder) aangemerkt. Dit geldt eveneens voor de jongere partner
                    in het kader van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren">Wet investeren in jongeren</extref>. Voor de WIJ is de partner van 27 jaar
                    en ouder in dit geval de niet-rechthebbende partner.</al><al>De norm voor de bijstandsgerechtigde partner zou in een dergelijke situatie
                    gelijk zijn aan die voor een alleenstaande (ouder) die kosten kan delen met een
                    ander (= recht op een halve toeslag). Voor de jongere partner geldt bij de WIJ
                    hetzelfde.</al><al>Onder inkomen verstaat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren/article=7">artikel 7 van de WIJ</extref> inkomen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=32">artikel 32, lid 1 en lid 2 van de WWB</extref>. Algemene bijstand is
                    hieronder niet begrepen. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20investeren%20in%20jongeren/article=28">Artikel 28, lid 4 van de WIJ</extref> voorziet wat betreft de korting van
                    algemene bijstand op de inkomensvoorziening in het kader van de WIJ slechts in
                    de situatie van gehuwden met ten laste komende kinderen. Ter voorkoming van een
                    gezamenlijk inkomen hoger dan de reguliere norm voor gehuwden is het derde lid 3
                    opgenomen.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De criteria voor het verlagen van de norm voor gehuwden zijn dezelfde als
                    vermeld in artikel 4 van de verordening bij het verhogen van de norm voor
                    alleenstaanden en alleenstaande ouders met een toeslag van de helft van het in
                    de wet genoemde maximumbedrag (in specifieke omstandigheden de maximale
                    toeslag). Gelet op de normensystematiek is dan een verlaging van de norm voor
                    gehuwden van toepassing met hetzelfde bedrag als in situaties waarvoor bij
                    alleenstaanden en alleenstaanden ouders een toeslag zou zijn verleend.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Naast het kunnen delen van de algemene bestaanskosten met een ander kunnen er
                    aanzienlijke lagere algemene bestaanskosten zijn als gevolg van het ontbreken
                    van bepaalde kosten. Bij de bijstandsverlening moet met deze lagere
                    bestaanskosten rekening worden gehouden. Hiertoe is een aparte bepaling
                    opgenomen, omdat de artikelen
                        4 en 5 van de
                        verordening uitsluitend toe zien op het kunnen delen van de kosten
                    met een ander. Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan
                    sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn
                    verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers. Hiervan is echter ook sprake
                    ingeval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten betaalt
                    van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor de
                    bijstands-gerechtigde geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel
                    van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan
                    algemene bijstand. Doorslaggevend voor de toepassing van dit artikel is, dat
                    bewoner(s) niet jegens een derde woonkosten verschuldigd zijn. Dak- en
                    thuislozen vallen ook onder deze regeling. In de regel hebben zij geen kosten
                    voor het aanhouden van woonruimte.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Gesteld kan worden, dat schoolverlaters gedurende een reeks van jaren gewend
                    zijn aan een laag inkomensniveau. Het enkele feit van beëindiging van de studie
                    leidt niet tot een zodanige wijziging in hun omstandigheden, dat de
                    noodzakelijke bestaankosten daardoor in aanzienlijke mate hoger zouden moeten
                    worden gesteld dan ten tijde van de studie. Gelet hierop alsmede op de
                    stimulerende werking die het lagere inkomensniveau kan hebben op
                    werkaanvaarding, is het gerechtvaardigd gebruik te maken van de bevoegdheid de
                    uitkering voor schoolverlaters gedurende een half jaar te verlagen.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Als alleenstaanden van 21 of 22 jaar op de norm een maximale toeslag zouden
                    ontvangen, zou dit geen stimulans zijn om werk te aanvaarden. Voorts zou in een
                    groot aantal gevallen aanspraak op aanvullende bijstand kunnen worden gemaakt,
                    waaronder bij een dienstbetrekking op basis van 32 uur per week, hetgeen niet de
                    bedoeling van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">wet</extref> is. Dit artikel is niet van toepassing op alleenstaande ouders
                    van 21 of 22 jaar en echtparen waarvan één of beide partners 21 of 22 jaar
                    zijn.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De anticumulatie bepaling is wettelijk verplicht. In bepaalde situaties zou het
                    mogelijk zijn, dat meerdere verlagingen voorkomen.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 1 van de Wet werk en bijstand</extref> wordt de bijstand
                    afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
                    Door het opnemen van dit artikel wordt het individualiseringsprincipe ook in het
                    toeslagen- en verlagingenbeleid tot uitdrukking gebracht. Te denken valt aan de
                    situatie waarin gehuwden met een kind geen woonkosten hebben.</al><al>Als beide partners in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot 65 jaar vallen,
                    wordt de norm verlaagd met het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=25">artikel 25, lid 2 van de wet</extref> genoemde maximumbedrag. Bij een
                    partner in de leeftijdscategorie van 21 jaar tot 65 jaar en de andere partner
                    jonger dan 21 jaar wordt de (jongeren)norm niet verlaagd. Laatst genoemde
                    gehuwden beschikken dan over een hogere norm. In een dergelijke uitzonderlijke
                    situatie kan dan gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot individualiseren
                    en de betreffende (jongeren)norm lager vast te stellen. De rechtsgrond hiervoor
                    is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=30">artikel 30, lid 4 van de Wet werk en bijstand</extref>.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>