<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR73105_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening uitkerings- en pensioenvoorziening voor gemeenteraadsleden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Amsterdam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.regelgeving.amsterdam.nl/centralestad/verordening_uitkerings-_en_pensioenvoorziening_voor_gemeenteraadsleden/20071129">Gemeenteblad 2007, afd. 3A, nr. 188/519</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Uitkerings- en pensioenvoorziening voor gemeenteraadsleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Rechtspositiebesluit%20raads-%20en%20commissieleden">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, art. 9, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-11-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging artikel(en)</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad 2007, afd. 1, nr. 519</overheidrg:kenmerk></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening uitkerings- en pensioenvoorziening voor gemeenteraadsleden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Art. 1</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H10321_0_0_1_1_"> Deze regeling is van toepassing op
                                degene die de betrekking van raadslid heeft aanvaard ingevolge art.
                                14 van de Gemeentewet en geen lid is van het College van
                                Burgemeester en Wethouders, zulks met inachtneming van het bepaalde
                                in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10321_0_0_1_2_"> Deze regeling is niet van toepassing op
                                degene die drie maanden of korter lid is geweest van de
                                Gemeenteraad.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Art. 2</titel></kop><al>Voor de toepassing van het bij deze regeling bepaalde wordt verstaan
                            onder vergoeding: de vaste vergoeding voor werkzaamheden, bedoeld in
                            art. 95 van de Gemeentewet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>De uitkering</titel></kop><artikel><kop><titel>Art. 3</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_1_1_"> Degene die ophoudt raadslid te zijn,
                                heeft met ingang van de dag van de beëindiging van het
                                raadslidmaatschap, voor zover hij alsdan niet de leeftijd van 65
                                jaren heeft bereikt, aanspraak op een uitkering ten laste van de
                                gemeente op de voet van de volgende artikelen. De uitkering wordt
                                slechts op aanvraag van betrokkene toegekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_1_2_"> De Gemeenteraad kan bepalen dat geen
                                uitkering zal worden toegekend aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H10322_0_0_1_2_1_"> degene wiens raadslidmaatschap
                                        eindigt ten gevolge van toepassing van art. 13 van de
                                        Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H10322_0_0_1_2_2_"> degene die als raadslid
                                        handelt in strijd met art. 15 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Art. 4</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> a. De uitkeringsduur is zes maanden, te rekenen vanaf de dag waarop
                                de aanspraak op uitkering is ontstaan (basisuitkering).</al><lijst><li nr="b."><al id="anker-H10322_0_0_2_3_3_"> De uitkeringsduur, bedoeld
                                        onder a, wordt verlengd met twee maanden voor ieder jaar of
                                        gedeelte daarvan dat het raadslidmaatschap heeft geduurd,
                                        met dien verstande dat deze verlenging ten hoogste twee
                                        jaren zal duren (verlengde uitkering).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_2_4_"> In geval van tussentijds vervallen van
                                de uitkering, bedoeld in art. 8, tweede lid, onder b, wordt de
                                volgende uitkering toegekend ten minste tot het tijdstip waarop
                                eerstgenoemde uitkering, indien zij niet was vervallen, zou zijn
                                geëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Art. 5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_3_5_"> De uitkering bedraagt gedurende de
                                eerste 12 maanden 80% van de laatstelijk als raadslid genoten
                                vergoeding en vervolgens 70% van de genoemde vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_3_6_"> Voor toepassing van dit artikel wordt
                                onder laatstelijk genoten vergoeding verstaan de vergoeding als
                                bedoeld in art. 2, waarop het gewezen raadslid aanspraak had op de
                                dag, voorafgaande aan de dag waarop hij heeft opgehouden raadslid te
                                zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_3_7_"> Indien bij algemene maatregel van
                                bestuur een wijziging wordt gebracht in de vergoeding aan
                                raadsleden, wordt de in het eerste lid bedoelde laatstelijk genoten
                                vergoeding voor de toepassing van dat lid met ingang van het
                                tijdstip van ingang van de wijziging overeenkomstig de wijziging
                                aangepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Art. 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_4_8_"> Alle inkomsten uit of in verband met
                                arbeid of bedrijf die het gewezen raadslid geniet of gaat genieten
                                op of na de dag waarop hij heeft opgehouden raadslid te zijn, worden
                                met de uitkering verrekend over de maand waarop deze inkomsten
                                betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H10322_0_0_4_9_">Onder inkomsten, bedoeld in de vorige
                                volzin, wordt mede verstaan een werkloosheids- of een
                                arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens een wettelijke
                                bepaling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_4_10_"> De verrekening als bedoeld in het
                                vorige lid geschiedt aldus, dat de uitkering wordt verminderd met
                                het bedrag van de inkomsten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_4_11_"> Indien de aanvaarding van het
                                raadslidmaatschap heeft geleid tot inkomstenderving, wordt de
                                uitkering, berekend overeenkomstig de voorgaande leden en met
                                inachtneming van het gestelde in art. 5, eerste lid, verhoogd tot
                                het bedrag van deze inkomstenderving.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_4_12_"> Burgemeester en Wethouders geven nadere
                                regels voor de wijze van de vaststelling van de inkomstenderving
                                door het gewezen raadslid als bedoeld in het derde lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_4_13_"> Brengt de aard van de werkzaamheden of
                                van de inkomsten mede, dat de inkomsten over een langere termijn dan
                                een maand moeten worden berekend, dan wordt op de uitkering een
                                vermindering toegepast van een voorlopig vastgesteld bedrag, onder
                                voorbehoud van verrekening aan het einde van de evenbedoelde
                                termijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Indien het gewezen raadslid inkomsten als bedoeld in het eerste lid
                                gaat genieten of geniet, is hij verplicht, daarvan terstond,
                                respectievelijk bij de toekenning van de uitkering, schriftelijk
                                mededeling te doen aan Burgemeester en Wethouders, onder opgave van
                                het bedrag van die inkomsten en de bron waaruit zij worden genoten.
                                Voorts is hij verplicht, tijdig schriftelijk opgave te doen van
                                eventuele wijzigingen in het bedrag van die inkomsten. </al><al> Burgemeester en Wethouders kunnen nadere voorschriften geven
                                aangaande het doen van mededelingen door het gewezen raadslid met
                                betrekking tot de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                                bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_4_15_"> Met het oog op de toepassing van dit
                                artikel kan, wat betreft de vervolguitkering, bedoeld in art. 4,
                                derde lid, door Burgemeester en Wethouders worden bepaald dat andere
                                inkomsten worden aangemerkt als te zijn genoten uit of in verband
                                met arbeid of bedrijf.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Art. 7</titel></kop><al>De uitkering wordt over een maand, zo nodig naar evenredigheid voor het
                            gedeelte van een maand dat het raadslidmaatschap heeft geduurd, berekend
                            en in maandelijkse termijnen betaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Art. 8</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_6_16_"> De uitkering eindigt met ingang van de
                                dag volgende op die waarop het gewezen raadslid is overleden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10322_0_0_6_17_"> De uitkering vervalt:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H10322_0_0_6_17_4_"> met ingang van de dag waarop
                                        het gewezen raadslid de leeftijd van 65 jaren bereikt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H10322_0_0_6_17_5_"> met ingang van de dag waarop
                                        het gewezen raadslid wederom als raadslid van de gemeente
                                        optreedt.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>De pensioenvoorziening</titel></kop><artikel><kop><titel>Art. 9</titel></kop><al>Het raadslid als bedoeld in art. 1, heeft aanspraak op een financiële
                            tegemoetkoming voor het treffen van zijn pensioenvoorziening c.q.
                            oudedagvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Art. 10</titel></kop><al>Het bedrag van de tegemoetkoming wordt eerst dan aan het raadslid
                            uitgekeerd, indien hij een schriftelijke verklaring aan het College van
                            Burgemeester en Wethouders heeft overgelegd, waarin hij aangeeft de
                            tegemoetkoming te besteden aan zijn pensioenvoorziening c.q.
                            oudedagvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Art. 11</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H10323_0_0_3_1_"> De tegemoetkoming wordt jaarlijks door
                                het College van Burgemeester en Wethouders vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H10323_0_0_3_2_"> De hoogte van de tegemoetkoming wordt
                                bepaald door het quotiënt van het aantal jaren dat het raadslid als
                                bedoeld in art. 1, deel uitmaakt van de Gemeenteraad en het totaal
                                aantal raadsjaren van de raadsleden, bedoeld in art. 1, te
                                vermenigvuldigen met het jaarbedrag dat uit het Gemeentefonds
                                beschikbaar komt ter zake van de verbetering van de rechtspositie
                                van raadsleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H10323_0_0_3_3_"> Voor de toepassing van het tweede lid
                                worden de jaren in aanmerking genomen dat het raadslid per 1 oktober
                                van het jaar waarover de tegemoetkoming wordt vastgesteld, zonder
                                onderbreking deel uitmaakt van de Amsterdamse Gemeenteraad, waarbij
                                het aantal jaren, zo nodig, naar boven wordt afgerond op gehele
                                jaren.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Art. 12</titel></kop><al>Indien ter zake van de uitkeringen en pensioenen voor raadsleden met
                            terugwerkende kracht een regeling van kracht wordt die gunstiger is dan
                            deze regeling, kunnen de krachtens deze regeling uitgekeerde uitkeringen
                            en bedragen voor de pensioenvoorzieningen worden verrekend met hetgeen
                            onder die latere regeling tot uitkering komt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Art. 13</titel></kop><al>Voorzover in deze regeling niet anders is bepaald, beslist het College
                            van Burgemeester en Wethouders.</al></artikel><artikel><kop><titel>Art. 14</titel></kop><al>In gevallen waarin deze regeling niet of niet genoegzaam voorziet,
                            beslist het College van Burgemeester en Wethouders, gehoord de Commissie
                            voor de Werkwijze van de Gemeenteraad.</al></artikel><artikel><kop><titel>Art. 15</titel></kop><al>Deze regeling kan worden aangehaald als Verordening Uitkerings- en
                            pensioenvoorziening voor gemeenteraadsleden.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>