<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72799_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 28-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010​</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8 lid 1, onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/02/16/06</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen, uitkeringen en toeslagen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de verordening toeslagen en verlagingen WWB 2009​</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Onderwerp: Toeslagenverordening WWB gemeente Roerdalen</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Roerdalen heeft;</al><al/><al>gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13
                        april 2010,</al><al/><al>gelet op het bepaalde in artikelen 8 lid 1, onderdeel c en 30 van de Wet
                        werk en bijstand, </al><al/><al>gehoord de commissie Bewonerszaken d.d. 28 april 2010;</al><al/><al>in de openbare vergadering d.d. 20 mei 2010 het navolgende besluit
                        genomen:</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen: de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2010</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al> Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand en de Algemene wet bestuursrecht. </al><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand; </al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    van de wet; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 27 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="2."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet
                                    bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf
                                    heeft; </al></li><li nr="3."><al>Bij kamerbewoning waarbij huur wordt betaald die exclusief gas,
                                    water en licht, hoger is dan de voor belanghebbende van
                                    toepassing zijnde basishuur, zoals bedoeld in de Wet op de
                                    huurtoeslag, geldt de maximale toeslag.</al></li><li nr="4."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen
                                    niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning
                                    zijn hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar
                                            met een inkomen van ten hoogste de voor een persoon van
                                            21 jaar of ouder geldende inkomensvoorziening op grond
                                            van de WIJ;</al></li><li nr="b."><al>meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond
                                            van de Wet studiefinanciering 2000; </al></li><li nr="c."><al>meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond
                                            van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                            schoolkosten. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gehuwden in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft,
                                heeft recht op de toepasselijke norm zonder verlaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning delen met
                                één of meer anderen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="1."><al>kinderen van 18 jaar of ouder doch jonger dan 21 jaar met
                                        een inkomen van ten hoogste de voor een persoon van 21 jaar
                                        of ouder geldende inkomensvoorziening op grond van de
                                        WIJ;</al></li><li nr="2."><al>meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van
                                        de Wet studiefinanciering 2000; </al></li><li nr="3."><al>meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van
                                        de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
                                    </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt: 20 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan geen
                            woonkosten zijn verbonden of als er geen woning wordt bewoond.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging Schoolverlaters</titel></kop><al> De verlaging als bedoeld in artikel 28 van de wet bedraagt 25 procent
                            van de gehuwdennorm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al> De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijke bijstandsnorm voor belanghebbende tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>35 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande, </al></li><li nr="b."><al>55 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder,
                                </al></li><li nr="c."><al>65 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4 Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 8 Uitvoering </label></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2010 </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010, onder
                            gelijktijdige intrekking van de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB
                            2009.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20-05-2010,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De gemeenteraad van Roerdalen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>R.J.J. Notermans drs. C.A.M. Hanselaar – van Loevezijn</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al><vet>1 Norm, toeslag en verlaging</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. Dit systeem is
                    grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de financiering
                    door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als norm of als
                    toeslag. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot
                    en met 24 WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de
                    artikelen 25 tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende
                    gevallen de norm te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een
                    verlaging toe te passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden. Voor personen van
                    27 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen (artikel 21 WWB),
                    te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm) </al></li><li nr="2."><al>alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="3."><al>alleenstaanden: 50% van de gehuwdennorm </al></li></lijst><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de
                    gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor: </al><lijst><li nr="·"><al>alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm </al></li><li nr="·"><al>alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm </al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. Het college is overigens niet verplicht om bij de verlening van een
                    toeslag rekening te houden met lagere bestaanskosten. Het college heeft de
                    mogelijkheid om alle alleenstaanden en alleenstaande ouders, zonder nader
                    onderscheid, de maximale toeslag te verstrekken. (Zie TK 28870, nr. 3, p. 52 en
                    53.) De WWB noemt de volgende verlagingen: </al><lijst><li nr="·"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een
                            ander van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden
                            (artikel 26 WWB); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27 WWB); </al></li><li nr="·"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een studie
                            (artikel 28 WWB).</al></li></lijst><al>De verlagingen zijn uitgewerkt in de artikelen 4 tot en met 6 van de
                    verordening. </al><al/><al><vet>2 De Toeslagenverordening</vet></al><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. Het door het college voorgestane beleid
                    ten aanzien van de toeslagen moet dus worden vastgelegd in de
                    Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het college het beleid kan
                    uitvoeren. Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal
                    karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te
                    komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen
                    voor een forfaitaire benadering. Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening
                    alle mogelijke situaties uitputtend te regelen. In niet geregelde of
                    uitzonderlijke gevallen heeft het college immers de bevoegdheid c.q. de plicht
                    om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering
                    afwijkend vast te stellen. In deze Toeslagenverordening wordt, naast de
                    toeslagen, invulling gegeven aan alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt. In
                    artikel 8 van de Toeslagenverordening wordt daarentegen het effect van samenloop
                    van verschillende verlagingen beperkt door minimum hoogtes voor te schrijven
                    waaraan de bijstand moet voldoen na toepassing van de verlagingen. </al><al> De hoogte van de uitkering algemene bijstand voor personen van 27 tot 65 jaar
                    kan als volgt worden berekend: </al><lijst><li nr="·"><al>1 Basisnorm; </al></li><li nr="·"><al>2 a Optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande ouders)
                            of </al></li><li nr="·"><al>2 b Korten met verlaging wegens het delen van een woning met anderen
                            (alleen bij gehuwden) </al></li><li nr="·"><al>3 Korten met verlaging wegens woonsituatie; </al></li><li nr="·"><al>4a Korten met verlaging schoolverlater </al></li></lijst><al>Leidt de uitkomst tot en lager bedrag aan bijstand dan de gestelde minima in
                    artikel 7 van de Toeslagenverordening, dan moet het college de bijstand
                    vaststellen op de van toepassing zijnde minimum hoogte volgens dit artikel. De
                    uitkomst van deze berekening laat ook een eventueel aan de orde zijnde
                    afstemming van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet. </al><al/><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel 1 </label></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb
                        niet afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval
                        van wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening
                        moet worden gewijzigd. Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is
                        gekozen, omdat de hoogte van deze norm in de WWB zelf wordt gegeven in
                        artikel 21 onder c WWB. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                        minimumloon. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 </label></kop><al>Lid 1</al><al>Jongeren in de leeftijd van 21 tot 27 jaar vallen onder de
                        toeslagenverordening WIJ</al><al/><al>Lid 2</al><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om -zo nodig in
                        afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                        bijstand- de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de
                        omstandigheden, mogelijk en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt
                        uit artikel 30 lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in
                        situaties waarin de Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de
                        uitvoering van de Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is
                        er voor gekozen om deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te
                        nemen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3</label></kop><al>Lid 1 De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag
                        voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a WWB. </al><al/><al>Lid 2</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                        dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden
                        (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook
                        daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                        verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van
                        een gezamenlijke huishouding moet er echter van worden uitgegaan dat niet
                        alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats. In de
                        toeslagen verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van
                        de gehuwdennorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning zijn
                        hoofdverblijf heeft/hebben. </al><al>Bij inwoning van meer dan één (onder)huurder en/of kostganger wordt de huur
                        respectievelijk het kostgeld gekort op de uitkering op grond van artikel 33
                        lid 4 WWB.</al><al/><al>Lid 3</al><al>Bij kamerbewoning waarbij huur wordt betaald die exclusief gas, water en
                        licht, hoger is dan de voor belanghebbende van toepassing zijnde basishuur
                        zoals bedoeld in de wet op de huurtoeslag, geldt de maximale toeslag.
                        Uitgangspunt is dat een kamerbewoner de algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan met anderen kan delen. In praktijk blijkt dat de in rekening
                        gebrachte huurprijzen in een aantal gevallen dermate hoog zijn dat deze niet
                        kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm met een toeslag van 10%, met name
                        omdat een kamerbewoner geen aanspraak kan maken op huurtoeslag. De
                        woonkostencomponent in de bijstandsnorm is gelijk aan de basishuur zoals
                        bedoeld in de Wet op de huurtoeslag.</al><al>Indien de overige woonlasten onderdeel uitmaken van de vastgestelde
                        huurprijs (all-in huur) dient de belanghebbende aan te tonen welk gedeelte
                        van de huurprijs bestemd is voor de huur.</al><al/><al>Lid 4</al><al>In het vierde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                        begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                        aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden,
                        niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben.
                        Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan
                        thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt verstrekt. Aangezien
                        betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het aan de
                        alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te verstrekken dat kan worden
                        vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4</label></kop><al>Lid 1 In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide
                        echtgenoten de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. </al><al/><al>Lid 2</al><al>Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de
                        algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden.
                        Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet
                        van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.
                        Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht
                        het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al/><al>Lid 3</al><al>In het derde lid wordt geregeld dat kinderen die niet (meer) in de norm
                        begrepen zijn, maar die tevens in omstandigheden verkeren waardoor het niet
                        aannemelijk is, dat zij kunnen bijdragen in de kosten van het huishouden,
                        niet meetellen als personen die in de woning hun hoofdverblijf hebben.
                        Daarbij is nadrukkelijk overwogen dat in de WSF 2000 en Wtos aan
                        thuiswonende studenten reeds een lager bedrag wordt verstrekt. Aangezien de
                        in het derde lid bedoelde kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het
                        aan de ouders om zodanige inlichtingen te verstrekken, dat kan worden
                        vastgesteld of de onderdelen a, b of c van toepassing zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5</label></kop><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                        verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                        het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is
                        aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. Ten opzichte van artikel 35
                        lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag enkel in
                        een verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen
                        woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27 WWB is de
                        verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een
                        verlaging te kunnen te kunnen toepassen. In dit artikel is een verlaging
                        opgenomen voor de situatie dat aan de woning voor belanghebbende geen
                        woonkosten zijn verbonden. Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de
                        huur of, als een eigen woning wordt bewoond, de verschuldigde hypotheekrente
                        en de aan het eigendom verbonden zakelijke lasten alsmede een naar
                        omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud (CRvB 6 november 2001,
                        nrs. 99/7 en 99/29 NABW). </al><al>In het geval er door belanghebbende in het geheel geen woning wordt bewoond,
                        wordt de verlaging eveneens vastgesteld op 20 procent van de gehuwdennorm.
                        Dit is in overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een
                        belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                        noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                        woonkosten. </al><al>Als een dakloze wordt geconfronteerd met hogere kosten van het op straat
                        leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang, kan er aanleiding zijn
                        de verlaging aan te passen naar een lager percentage. De hoogte van een
                        verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze waarop de
                        bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan daklozen,
                        kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een
                        budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van
                        opvang) te verlenen. Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan
                        belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                        gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 40
                        lid 1 en 2 WWB door bij amvb (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen
                        centrumgemeenten. Maar niet elke belanghebbende zonder woning is een
                        adresloze in de zin van aangehaalde wet. Belanghebbende kan immers ook de
                        beschikking hebben over een postadres bij familie of een instantie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6</label></kop><al> De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB is blijkens de toelichting
                        op dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste half jaar
                        niet in een veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog
                        aangewezen was op studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de
                        Wtos. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt naar een (voormalig) uit- of
                        thuiswonende student. Met deze omstandigheden wordt immers reeds rekening
                        gehouden in de Toeslagenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al>De verschillende verlagingen in de Toeslagenverordening zien op
                        verschillende omstandigheden bij belanghebbende en kunnen elk afzonderlijk
                        als redelijk in betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit
                        artikel zou dat echter kunnen betekenen, dat -met name in situaties waarin
                        de schoolverlatersverlaging in combinatie met een van de andere
                        verlagingsgronden aan de orde is- het college de bijstand vanwege deze
                        samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen sprake
                        meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. In voorkomende gevallen zou
                        het college op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger moeten
                        vaststellen. Daarom is er voor gekozen om reeds in de Toeslagenverordening
                        een minimum bedrag vast te leggen, waarop het college de bijstand (inclusief
                        eventuele toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen. Aan de
                        verplichting van artikel 30 lid 2 onder b WWB, dat in de
                        Toeslagenverordening wordt vastgelegd, dat de schoolverlatersverlaging
                        (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig
                        mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de formulering van artikel
                        7 van de Toeslagenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8</label></kop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de
                        Toeslagenverordening bij het college. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 </label></kop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie
                        van de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet
                        WWB (zie TK 2002-2003, 28 960, nr. 3, p. 8). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 </label></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>