<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72588_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Procedureverordening 2008 voor advisering en tegemoetkoming in planschade gemeente Steenbergen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">SC 17-10-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Procedureverordening 2008 voor advisering en tegemoetkoming in planschade</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Ruimtelijke%20Ordening/article=6.7">Wet Ruimtelijke Ordening, art. 6.7 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20ruimtelijke%20ordening/article=6.1.3.3">Besluit ruimtelijke ordening, art. 6.1.3.3 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-09-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-10-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>7c</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Procedureverordening 2008 voor advisering en tegemoetkoming in planschade gemeente Steenbergen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Steenbergen;</al><al>in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.
                        12augustus 2008</al><al>Gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wro/article=6.7">artikel 6.7 Wet ruimtelijke ordening</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.3">artikel 6.1.3.3. Besluit ruimtelijke ordening</extref>;</al><al>besluit:</al><al>Vast te Stellen de Procedureverordening 2008 voor advisering en
                        tegemoetkoming in planschade gemeente Steenbergen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade
                                als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wro/article=6.1">artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening</extref> indient;</al></li><li nr="b."><al>adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te
                                wijzen persoon als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=bro/article=6.1.1.1">artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke
                                ordening</extref>;</al></li><li nr="c."><al>adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-adviseur-of-adviescommissie">artikel 3, vijfde lid, van deze verordening</extref>;</al></li><li nr="d."><al>besluit: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro">Besluit ruimtelijke ordening</extref>;</al></li><li nr="e."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="f."><al>gemeente: gemeente Steenbergen;</al></li><li nr="g."><al>planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=wro/article=6.1">artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke
                                ordening</extref>;</al></li><li nr="h."><al>planschade: schade als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.1">artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke
                                ordening</extref>;</al></li><li nr="i."><al>wet: <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro">Wet ruimtelijke ordening</extref>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Opdrachtverstrekking</titel></kop><al>Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in
                            <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">artikel 6.1.3.1 van het besluit</extref> verstrekt het college aan één
                        of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag
                        advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">artikel 6.1.3.1 van het besluit</extref> of aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt
                                door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende
                                deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het
                                eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag
                                betrekking heeft op planschade vanwege inkomensderving en er, gezien
                                de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag, behoefte bestaat
                                aan extra deskundigheid wordt door het college een tweede adviseur
                                aangewezen die deskundig is op het gebied van accountancy of van
                                financieel economische bedrijfsvoering.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college, na advies te hebben ingewonnen van de in het
                                eerste lid bedoelde adviseur, van oordeel is dat de aanvraag
                                betrekking heeft op planschade vanwege waardevermindering van een
                                onroerende zaak en er, gezien de complexiteit, aard en omvang van de
                                aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid wordt door het
                                college een tweede adviseur aangewezen die deskundig is ter zake van
                                de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan
                                als gevolg van een planologische verslechtering.</al></li><li nr="4."><al>Indien naar het oordeel van het college het tweede en het derde lid
                                van toepassing zijn, worden zowel de in het tweede als het derde lid
                                bedoelde adviseurs aangewezen.</al></li><li nr="5."><al>Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een
                                adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur
                                voorzitter is.</al></li><li nr="6."><al>De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college
                                verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring
                                deskundig te zijn met betrekking tot de in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-adviseur-of-adviescommissie">artikel 3, eerste, tweede of derde lid</extref>, bedoelde
                                aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen.</al></li><li nr="2."><al>Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de
                                raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de
                                planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij
                            aanwijzing adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in
                                    <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-opdrachtverstrekking">artikel 2</extref> verstrekt, stelt het college de aanvrager,
                                eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                                belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet</extref>
                                schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van: </al><lijst><li nr="a."><al>een adviseur als bedoeld in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-adviseur-of-adviescommissie">artikel 3, eerste lid</extref>, of</al></li><li nr="b."><al>meerdere adviseurs als bedoeld in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-adviseur-of-adviescommissie">artikel 3, vijfde lid</extref>.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de
                                belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet</extref> kunnen
                                binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid
                                schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van
                                één of meerdere adviseurs bij het college indienen.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in
                                het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot
                                wraking van één of meerdere adviseurs.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de
                                aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de
                                beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de
                                adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst uit de ambtelijke organisatie één of meer personen
                                aan die de adviseur of de adviescommissie bij de uitvoering van de
                                adviesopdracht bijstaat.</al></li><li nr="3."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één
                                of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de in het tweede lid
                                bedoelde ambtelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden
                                gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de
                                advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan
                                wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur
                                of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken
                                bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet</extref> worden
                                eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te
                                maken.</al></li><li nr="4."><al>De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het
                                tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter
                                plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de
                                plaatsopneming uit.</al></li><li nr="5."><al>Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken
                                onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt.</al></li><li nr="6."><al>Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde
                                lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder
                                verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de
                                adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit
                                te brengen advies.</al></li><li nr="7."><al>Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de
                                adviescommissie binnen zestien weken na de dagtekening van de
                                opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de
                                aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de
                                belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet</extref>. De
                                adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn
                                onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met
                                ten hoogste vier weken verlengen.</al></li><li nr="8."><al>De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de
                                belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet</extref> worden
                                in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van
                                het concept advies schriftelijk hierop te reageren.</al></li><li nr="9."><al>In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of
                                de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in
                                het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college,
                                waarbij de betreffende reacties zijn betrokken.</al></li><li nr="10."><al>In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de
                                adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken
                                van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het
                                college.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 18 oktober 2008, de eerste dag
                                na bekendmaking van het besluit.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Procedureverordening 2008
                                voor advisering tegemoetkoming in planschade"</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 25 september 2008</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in
                        planschade</vet></al><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Krachtens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.1">artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening</extref> (Wro) kan degene die
                    in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende
                    zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op
                    aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor zover de schade
                    redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor
                    zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins verzekerd
                    is.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.1">Afdeling 6.1</extref> (Tegemoetkoming in schade) van de Wro bevat
                    bepalingen over het tijdstip waarbinnen aanvragen moeten worden ingediend
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.1">artikel 6.1, vierde en vijfde lid, Wro</extref>), is uitgewerkt welke
                    schade in ieder geval voor rekening van de aanvrager dient te blijven (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.2">artikel 6.2 Wro</extref>) en wordt ingegaan op zaken die het bestuursorgaan
                    bij het nemen van een beslissing op het aanvragen om een tegemoetkoming in
                    planschade dient te betrekken (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.3">artikel 6.3 Wro</extref>).</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening/article=6.1">Artikel 6.1, derde lid, Wro</extref> stelt eisen aan de aanvraag om een
                    tegemoetkoming, die op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.7">artikel 6.7 Wro</extref> in het Bro zijn uitgewerkt. De regels in het Bro
                    leiden tot een uniformering en standaardisering van regels omtrent de inrichting
                    en behandeling en de wijze van beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in
                    schade. Onder de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20ruimtelijke%20ordening">Wet op de Ruimtelijke Ordening</extref> (WRO) en het Besluit op de
                    ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) bestond de noodzaak dat iedere gemeente een
                    regeling voor de behandeling van de planschadeverzoeken moest opstellen. De
                    regeling met betrekking tot de behandeling van de aanvragen is nu terug te
                    vinden in het Bro.</al><al>In het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro">Bro zijn in afdeling 6.1</extref> (Tegemoetkoming in schade) de vereisten
                    voor het indienen van een aanvraag, alsmede een aantal procedurevoorschriften en
                    de regels voor het aanwijzen van een adviseur opgenomen. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.2">Artikel 6.1.3.2 Bro</extref> verplicht het college een adviseur aan te
                    wijzen die advies uitbrengt over de op de aanvraag te nemen beslissing. In
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.3">artikel 6.1.3.3, eerste lid, Bro</extref> wordt voorgeschreven dat de
                    gemeente een verordening moet vaststellen over de wijze waarop een adviseur
                    wordt aangewezen en de wijze waarop deze tot een advies komt. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.3">artikel 6.1.3.3, tweede lid, Bro</extref> wordt bepaald dat de verordening
                    in ieder geval betrekking moet hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur;</al></li><li nr="b."><al>de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="c."><al>het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                            en de belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> vooraf in de
                            aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze aanwijzing
                            kunnen wraken;</al></li><li nr="e."><al>de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                            en de belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> onder
                            verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden
                            betrokken, en de hierbij geldende termijnen.</al></li></lijst><al>De door het college vastgestelde procedureregeling planschadevergoeding 2005
                    wordt nog niet ingetrokken in verband met nog lopende aanvragen die voor 1 juli
                    2008 zijn ingediend.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Bij de definiëring van de begrippen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij
                    de Wro en het Bro en voor zover dit noodzakelijk werd geacht is een aanvulling
                    gegeven. Voor een juiste interpretatie van de verordening is naast raadpleging
                    van artikel 1 kennisneming
                    van de algemene bepalingen in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.1.1">artikel 6.1.1.1 Bro</extref> van belang. Ten behoeve van de duidelijkheid
                    van de begrippen adviseur en adviescommissie is in deze verordening een van het
                    Bro afwijkende omschrijving van het begrip adviseur opgenomen. Het begrip
                    gemeente is afzonderlijk gedefinieerd om te verduidelijken dat indien de
                    verordening het woord gemeente gebruikt, het de gemeente betreft waar de
                    aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ingediend.</al><al><vet>Artikel 2. Opdrachtverstrekking</vet></al><al>Het college dient binnen twaalf weken een opdracht te verstrekken aan één of
                    meerdere adviseurs gezamenlijk, tenzij toepassing wordt gegeven aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">artikel 6.1.3.1 Bro</extref> of aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Awb/article=4%3A5">artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht</extref>. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">Artikel 6.1.3.1, eerste lid, Bro</extref> geeft het college de bevoegdheid
                    een aanvraag binnen vier, dan wel acht weken indien de aanvrager eerst nog een
                    termijn krijgt de aanvraag aan te vullen, als kennelijk ongegrond af te wijzen.
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">Artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro</extref> heeft betrekking op de
                    bevoegdheid van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Awb/article=4%3A5">artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht</extref> waarbij een onvolledige
                    aanvraag verder buiten behandeling moet worden gelaten. Volgens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">artikel 6.1.3.1, tweede lid, Bro</extref> moet het besluit tot het niet in
                    behandeling nemen binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag aan de
                    aanvrager worden medegedeeld. Voor zover de aanvrager in de gelegenheid is
                    gesteld zijn aanvraag aan te vullen, krijgt het college acht weken de tijd na
                    het tijdstip waarop de termijn om de aanvraag aan te vullen is verstreken, om
                    het besluit tot niet verdere behandeling van de aanvraag bekend te maken. De
                    laatstgenoemde beslistermijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd.
                    Indien de aanvraag kennelijk ongegrond wordt verklaard of buiten behandeling
                    wordt gelaten, is de verordening niet toepasselijk, tenzij de termijnen bedoeld
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.1">artikel 6.1.3.1 Bro</extref> worden overschreden. In het laatste geval
                    dienen niettemin één of meerdere adviseurs te worden aangewezen en dient een
                    opdracht te worden verstrekt.</al><al>De opdracht wordt niet eerder verstrekt dan nadat de termijn om te wraken is
                    verstreken en er geen verzoeken tot wraking zijn ingediend, dan wel door het
                    college afwijzend is beslist over een ingediend verzoek tot wraking.</al><al><vet>Artikel 3. Adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Het college schakelt één of meerdere adviseurs gezamenlijk in voor de advisering
                    over de op de aanvraag te nemen beschikking. In dit artikel is bepaald in welke
                    gevallen een adviseur of een adviescommissie dient te worden ingeschakeld en
                    over welke deskundigheid een adviseur dient te beschikken.</al><al>Een adviseur kan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zijn. De keuze
                    tussen een natuurlijke persoon of een rechtspersoon wordt aan de gemeente
                    overgelaten (zie de Nota van Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 63).
                    Een adviesbureau gespecialiseerd in planschade kan derhalve worden aangewezen
                    als adviseur bedoeld in het eerste lid, of als één van de adviseurs (tweede of
                    derde lid) in een adviescommissie.</al><al>Hoewel voor iedere aanvraag een aanwijzing van één of meerdere adviseurs
                    noodzakelijk is, staat de verordening er niet aan in de weg om telkens dezelfde
                    adviseur(s) aan te wijzen (vaste adviseur/vaste adviescommissie).</al><al>In het eerste lid is bepaald dat een eerste adviseur wordt aangewezen die over
                    voldoende deskundigheid op het gebied van planschadeadvisering dient te
                    beschikken. Afhankelijk van de kennelijke oorzaak van de planschade kan een
                    tweede en/of derde adviseur worden aangewezen, die over specifieke deskundigheid
                    op het gebied van planschade wegens inkomensderving onderscheidenlijk wegens
                    waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een planologische
                    verslechtering beschikt.</al><al>Het is aan het college om, na advies te hebben ingewonnen bij de (eerste)
                    adviseur, te beoordelen of deze (eerste) adviseur zelfstandig kan adviseren, of
                    dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte is een
                    tweede en/of derde adviseur bij de opdracht te betrekken die beschikt over
                    specifieke deskundigheid. Het college zal de tweede en/of derde adviseur dan
                    vervolgens moeten aanwijzen; bij de aanwijzing van twee of meer adviseurs is er
                    sprake van een adviescommissie (artikel 3, vijfde
                    lid). De adviseurs dienen de in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.4">artikel 6.1.3.4 Bro</extref> genoemde zaken te betrekken.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.5">Artikel 6.1.3.5, eerste lid, Bro</extref> bepaalt dat de adviseur of de
                    adviescommissie zich door derden kan laten adviseren en bijstaan. Indien hiermee
                    kosten zijn gemoeid is instemming van het college vereist.</al><al><vet>Artikel 4. Deskundigheid en onafhankelijkheid</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.3">Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder a, Bro</extref> schrijft voor dat de
                    verordening regels moet bevatten over de deskundigheid en de onafhankelijkheid
                    van de adviseur. Om de deskundigheid van de adviseurs te waarborgen is in het
                    eerste lid bepaald dat het college alvorens zij tot aanwijzing van een persoon
                    als adviseur overgaat, kan verlangen dat deze persoon aantoont op grond van
                    opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 3, tweede of derde
                        lid, genoemde aspecten waarop hij of zij de aanvraag dient te
                    beoordelen.</al><al>In aansluiting op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Awb/article=3%3A5">artikel 3:5, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht</extref> juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.1.1">artikel 6.1.1.1 onder c, Bro</extref> waaruit voortvloeit dat een adviseur
                    niet werkzaam mag zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan
                    wordt geadviseerd, wordt in artikel 4, tweede
                        lid, bepaald dat die adviseur eveneens niet werkzaam mag zijn onder
                    verantwoordelijkheid van de raad. Voorts bepaalt artikel 4, tweede
                        lid, dat een adviseur niet betrokken mag zijn bij de planologische
                    maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. Dit betreft deskundigen die op
                    enigerlei wijze betrokken zijn bij de in het geding zijnde planologische
                    maatregel. In het bijzonder kan worden gedacht aan personen behorende tot de
                    risicoanalysecommissie die optreedt in het kader van planologische
                    maatregelen.</al><al><vet>Artikel 5. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing
                        adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen
                    en andere belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> schriftelijk op de
                    hoogte moeten worden gebracht van de aanwijzing van een adviseur of
                    adviescommissie. De aanwijzing van een adviseur dient schriftelijk bekend te
                    worden gemaakt. In het geval meerdere adviseurs worden aangewezen, worden deze
                    aanwijzingen gezamenlijk schriftelijk bekend gemaakt. Indien de aanvrager,
                    eventuele andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld
                    in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> zich niet kunnen
                    verenigen met de aanwijzing van één of meerdere adviseurs is er de mogelijkheid
                    om één of meerdere adviseurs te wraken. Op verzoek van de aanvrager, eventuele
                    andere betrokken bestuursorganen of andere belanghebbenden als bedoeld in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> kunnen één of
                    meerdere adviseurs worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden
                    waardoor de vereiste deskundigheid en onafhankelijkheid schade zou kunnen
                    lijden. Genoemde partijen worden gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld
                    een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college kenbaar te
                    maken. Het college moet binnen twee weken na het verstrijken van de termijn tot
                    het indienen van een verzoek tot wraking beslissen.</al><al><vet>Artikel 6. Werkwijze adviseur of adviescommissie</vet></al><al>Dit artikel geeft de wijze weer waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken
                    bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> onder verslaglegging
                    worden gehoord en bij de opstelling van het advies worden betrokken. Tevens
                    worden de hiervoor geldende termijnen vastgelegd.</al><al>In het tweede en derde lid is bepaald dat vanuit de gemeente bijstand wordt
                    verleend aan de adviseur of adviescommissie, door alle voorhanden zijnde
                    informatie met betrekking tot de aanvraag om tegemoetkoming in planschade ter
                    beschikking te stellen. Daarnaast worden alle bescheiden die naar het oordeel
                    van de adviseur of van de adviescommissie nodig zijn voor de beoordeling van de
                    aanvraag aan hen ter beschikking gesteld.</al><al>Het derde, vierde en vijfde lid bevatten regels over achtereenvolgens de
                    hoorzitting, de bezichtiging en de taxatie. Deze onderdelen behoeven niet
                    afzonderlijk te worden georganiseerd. Het is mogelijk om de hoorzitting te
                    combineren met de bezichtiging en/of taxatie. Volgens <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.5">artikel 6.1.3.5, tweede lid, Bro</extref> mag van de bezichtiging worden
                    afgezien, indien uit de inhoud van de aanvraag aanstonds blijkt dat deze behoort
                    te worden afgewezen.</al><al>Het concept advies dient binnen zestien weken na dagtekening van de opdracht aan
                    de gemeente, aanvrager, eventueel andere betrokken bestuursorganen en andere
                    belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> te worden
                    toegezonden. Deze termijn kan met ten hoogste vier weken worden verlengd
                    (zevende lid).</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Bro/article=6.1.3.3">Artikel 6.1.3.3, tweede lid onder e, Bro</extref> bepaalt dat de
                    verordening aandacht moet schenken aan de wijze waarop de aanvrager, eventueel
                    andere betrokken bestuursorganen en andere belanghebbenden als bedoeld in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> bij de opstelling
                    van het advies moeten worden betrokken. De Nota van Toelichting bij het Bro
                    noemt als voorbeeld dat de aanvrager in de gelegenheid wordt gesteld om binnen
                    een bepaalde periode op het concept advies te reageren (zie de Nota van
                    Toelichting bij het Bro, Stb. 2008, 145, p. 66). In dit kader bepaalt het
                    achtste lid dat de gemeente, de aanvrager, eventuele andere bestuursorganen en
                    andere belanghebbenden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wro/article=6.4a">artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro</extref> in de gelegenheid
                    worden gesteld om binnen vier weken schriftelijk op het concept advies te
                    reageren.</al><al>Het negende en het tiende lid bepalen de termijnen voor het uitbrengen van het
                    advies aan het college.</al><al><vet>Artikel 7. Slotbepalingen</vet></al><al>In de citeertitel is een jaartal opgenomen om de betrokken verordening te
                    onderscheiden van eventuele toekomstige gelijkluidende opvolgende
                    verordeningen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>