<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72582_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Gemeente Weesp 2010, versie 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">WeesperNieuws, 29-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Gemeente Weesp 2010, versie 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8 en artikel 30, lid 1, Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 12, lid 1, en artikel 35 Wet investeren in jongeren</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147, lid 1, Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-02-29</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 7a, artikel 7b</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.18005/D.11608</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Treedt met terugwerkende kracht in werking.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Gemeente Weesp 2010, versie 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>RAADSBESLUIT</al><al>behoort bij raadsvoorstel registratienummer Z.10-5941/D.10-3507</al><al/><al>De raad van de gemeente Weesp;</al><al>Gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en de artikelen 8, eerste lid,
                        onderdeel c en artikel 30, eerste lid van de Wet werk en bijstand (WWB),
                        alsmede de artikelen 12, eerste lid, onderdeel e en 35, eerste lid van de
                        Wet investeren in jongeren(WIJ);</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen ingevolge de WWB en WIJ bij verordening te
                        regelen;</al><al>BESLUIT:</al><al>De “Toeslagenverordening Gemeente Weesp 2010” vast te stellen. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                            bijstand, de Wet investeren in jongeren en de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand voor zover het personen van 27
                                    jaar of ouder betreft, en de Wet investeren in jongeren voor
                                    zover het personen jonger dan 27 jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, onderdeel c,
                                    WWB, alsmede artikel 28 eerste lid en tweede lid, onderdeel d ,
                                    WIJ;</al></li><li nr="c."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging
                                    ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                    verzorgingstehuis.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden
                            van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden
                            gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien beide
                            echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB en artikel 30 van de WIJ
                            bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm, voor een alleenstaande en
                            alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                            heeft;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB en artikel 30 van de WIJ
                            bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm, voor een alleenstaande en
                            alleenstaande ouder op wie het eerste lid niet van toepassing is;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Geen toeslag als bedoeld in artikel 25 van de WWB en artikel 30 van de
                            WIJ wordt verleend aan de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens
                            woning meer dan een ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op grond van artikel 27 van de WWB en artikel 32 van de WIJ wordt geen
                            toeslag verleend aan de alleenstaande of alleenstaande ouder, die een
                            woonruimte bewoont waaraan voor belanghebbende geen kosten van huur of,
                            bij een eigen woning, geen woonkosten verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Op grond van artikel 27 van de WWB en artikel 32 van de WIJ bedraagt de
                            toeslag 10 procent van de gehuwdennorm, voor alleenstaande en
                            alleenstaande ouder, indien geen woning bewoond wordt;</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in
                            aanmerking genomen als “een ander die in dezelfde woning zijn
                            hoofdverblijf heeft”:</al><lijst><li nr="a."><al>een kind zoals bedoeld in artikel 4 van de WWB;</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden
                                    verzorgd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt een gezin, dat zijn
                            hoofdverblijf in de woning van de alleenstaande of alleenstaande ouder
                            heeft, beschouwd als een ander.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Aan de alleenstaande of alleenstaande ouder wordt gedurende maximaal 6
                            maanden een toeslag van maximaal 10 procent van de gehuwdennorm
                            verleend, indien belanghebbende kan worden aangemerkt als schoolverlater
                            als bedoeld in artikel 28 van de WWB of artikel 33 van de WIJ;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aan de alleenstaande of alleenstaande ouder als bedoeld in het eerste
                            lid, wordt gedurende maximaal 6 maanden geen toeslag verleend, indien
                            belanghebbende thuisinwonend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Alleenstaande van 21 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op grond van artikel 29 van de WWB en artikel 34 van de WIJ, bedraagt de
                            toeslag voor een alleenstaande van 21 jaar, in afwijking van artikel 3,
                            maximaal 10 procent van de gehuwdennorm;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van een belanghebbende
                            op wie artikel 4 van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlagingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de WWB en artikel 31 van de
                            WIJ bedraagt 10 procent voor gehuwden die een woning delen met één
                            ander;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de WWB en artikel 31 van de
                            WIJ bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een woning
                            delen met twee of meer anderen;</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de WWB en artikel 32 van de
                            WIJ bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die een
                            woonruimte bewonen waaraan voor belanghebbenden geen kosten van huur of,
                            bij een eigen woning, geen woonlasten verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de WWB en artikel 32 van de
                            WIJ bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden indien geen
                            woning bewoond wordt;</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het zesde en zevende lid van artikel 3 zijn van overeenkomstige
                            toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Toeslag ingeval niet rechthebbende partner</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien sprake is van gehuwden waarvan 1 partner niet WWB of WIJ
                            gerechtigd is, wordt - behoudens bijzondere omstandigheden - geen
                            toeslag verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7a</nr><titel>Wijziging betekenis begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande
                            ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012
                            dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of
                            ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde
                            betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk
                            ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Waar in deze verordening wordt gesproken over ´de wet` heeft dit vanaf 1
                            januari 2012 de betekenis van de Wet werk en bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Waar in deze verordening in artikel 3 lid 6 onder b wordt gesproken over </al><al>´verzorgingsbehoevenden`, heeft dit vanaf 1 januari 2012 de betekenis
                            van het begrip zorgbehoevende als bedoeld in artikel 4 vijfde lid van de
                            wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7b</nr><titel>Wijziging verwijzingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>1. Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel a,
                            van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                            gelezen: artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>2. Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel b,
                            van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                            gelezen: artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de wet.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>3. Waar in deze verordening wordt verwezen naar artikel 21, onderdeel c,
                            van de wet, moet voor die verwijzing vanaf 1 januari 2012 worden
                            gelezen: artikel 21, eerste lid, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening ligt bij het college. Het college kan ten
                        behoeve van de uitvoering van deze verordening beleidsregels
                        vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Gemeente
                        Weesp 2010, versie 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel/></kop><al>Dit besluit wordt na bekendmaking van kracht per 1 januari 2012.</al></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr>1</nr><titel/></kop><al/><al/><al>Algemene toelichting</al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet investeren in jongeren (WIJ) in werking getreden.
                    Per die datum is de Wet werk en bijstand (WWB) voor jongeren tot 27 jaar
                    gesloten als het gaat om algemene bijstand in de kosten voor levensonderhoud.
                    Als het inkomen van de jongere ontoereikend is, dan bestaat in beginsel recht op
                    een inkomensvoorziening. Deze volgt, voor wat betreft de normering die geldt
                    voor de hoogte van de voorziening in grote lijnen de WWB. </al><al>De WIJ kent dan ook gelijke mogelijkheden om de norm te verhogen of te
                    verlagen.</al><al>Geheel analoog aan artikel 8 van de WWB schrijft artikel 12 van de WIJ voor dat
                    de gemeenteraad hiervoor regels stelt. Om praktische redenen is besloten om de
                    huidige Toeslagenverordening WWB aan te vullen met de WIJ bepalingen in een
                    nieuw vast te stellen Toeslagenverordening Gemeente Weesp 2010. De enige
                    noodzakelijke aanpassing is opgenomen u in artikel 7 waarin is bepaald dat
                    ingeval van een echtpaar waarbij 1 partner een zogenaamde ´niet
                    rechthebbende`is, in beginsel geen toeslag wordt verleend. </al><al>1. Norm, toeslag en verlaging </al><al>De WWB en de WIJ kennen een systeem van basisnormen met toeslagen en
                    verlagingen. Voor de financiering door het Rijk maakt dit echter geen verschil. </al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met
                    24 WWB. </al><al>In de WIJ is dit geregeld in hoofdstuk 4, in de artikelen 26 tot en met 36. </al><al>Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden, door middel van deze verordening geeft de gemeente invulling
                    aan deze beleidsvrijheid.</al><al>Norm </al><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    , te weten: gehuwden: 100% van het wettelijk minimumloon (= de gehuwdennorm)
                    alleenstaande ouders: 70% van de gehuwdennorm alleenstaanden: 50% van de
                    gehuwdennorm</al><al>Toeslagen en verlagingen </al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden. De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de
                    gehuwdennorm, zodat de uitkering maximaal bedraagt voor:</al><al>• alleenstaande ouders: 90% van de gehuwdennorm</al><al>• alleenstaanden: 70% van de gehuwdennorm De toeslag kan worden vastgesteld op
                    elk bedrag binnen dit maximum van 20% van de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij
                    het niveau van de noodzakelijke </al><al>bestaanskosten. Bij de hoogte van de toeslag is er rekening gehouden dat de
                    toeslag of bijstandsnorm lager mag worden vastgesteld op grond van de
                    woonsituatie (artikel 27 WWB/32 WIJ), het recentelijk beëindigen van een studie
                    (artikel 28 WWB/33 WIJ) en met de leeftijd van 21 jaar bij alleenstaanden
                    (artikel 29WWB/34 WIJ). Dit is uitgewerkt in artikel 3 tot en met 5 van de
                    Toeslagenverordening. De WWB/WIJ noemen de volgende verlagingen die van
                    toepassing zijn op gehuwden:</al><al>• verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen met een ander
                    van algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan bij gehuwden (artikel 26
                    WWB/31 WIJ);</al><al>• verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27WWB/32 WIJ); In de
                    Toeslagenverordening is zijn in artikel 6 de verlagingen van de gehuwdennorm
                    opgenomen.</al><al>2. De Toeslagenverordening </al><al>In artikel 8 lid 1 onder c WWB en artikel 12 lid 1 onder b WIJ is geregeld dat
                    de gemeenteraad bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de
                    norm verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald.</al><al>Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus
                    worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het
                    college het beleid kan uitvoeren.</al><al>Categorieën</al><al>Artikel 30 WWB en artikel 35 WIJ bepalen dat de Toeslagenverordening een
                    categoriaal karakter moet hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds
                    getracht te komen tot in de praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is
                    er gekozen voor een forfaitaire benadering.</al><al>In de Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan de
                    verlagingen die de WWB en WIJ mogelijk maken.</al><al>Eenvoudigheidshalve is de werking van de verordening beperkt tot belanghebbende
                    van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB maar ook de WIJ de
                    mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van
                    18, 19 of 20 jaar.</al><al>Uitgangspunten bij de verordening </al><al>De verordening is in overeenstemming met de wet- en regelgeving, en
                    jurisprudentie. De verordening is rechtvaardig en een voortzetting van al eerder
                    door de gemeente ingezet beleid. De bijstandsnorm moet voldoende zijn om in de
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.</al><al>De verordening moet duidelijk, eenvoudig uitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Het
                    verdient mede daarom aanbeveling het toeslagenbeleid niet te ingewikkeld te
                    maken.</al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel 1</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of WIJ niet
                    afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of WIJ ook de verordening moet
                    worden gewijzigd. Voor het gebruik van het begrip gehuwdennorm is gekozen, omdat
                    de hoogte van deze norm in de WWB en WIJ zelf wordt gegeven. Dit bedrag is
                    feitelijk gelijk aan het netto minimumloon.</al><al>Artikel 2</al><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB en 28, 32 en 33 WIJ ook
                    categoriale verlagingen mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar, moet dit niet opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB en 28
                    WIJ zijn laag vastgesteld, vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van
                    belanghebbenden. Betreffende ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun
                    onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te
                    betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als
                    hierdoor ook nog krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou
                    worden. Bovendien zou de toepassing van de categoriale verlagingen op
                    belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Artikel 3 lid 1 </al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a WWB en
                    artikel 35 lid 2 onder a WIJ</al><al>Artikel 3 lid 2</al><al>Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze
                    schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten
                    van huur, heffingen, belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en
                    dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per
                    woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Indien er op enigerlei wijze
                    sprake is van het kunnen delen van kosten wordt de toeslag als gevolg van de
                    optredende schaalvoordelen vastgesteld op maximaal 10 procent van de
                    gehuwdennorm. </al><al>Door in het tweede lid uit te gaan van de omschrijving “op wie het eerste lid
                    niet van toepassing is” geldt het tweede lid voor alle personen die een kamer
                    verhuren, huren of inwonend zijn.</al><al>Artikel 3 lid 3</al><al>Met de omschrijving wordt beoogd dat degene die meerdere inwonenden heeft geen
                    aanspraak heeft op een toeslag. Door de gekozen omschrijving heeft deze bepaling
                    geen invloed op de inwonende zelf. Bijvoorbeeld: de alleenstaande (hoofd)bewoner
                    die kamers verhuurt aan twee alleenstaanden heeft geen recht op een toeslag. De
                    beide onderhuurders vallen onder de omschrijving van lid 2 en hebben ieder dus
                    aanspraak op een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm</al><al>Artikel 3 lid 4 en lid 5</al><al>Artikel 27 WWB en artikel 32 WIJ geven het college de mogelijkheid de norm of de
                    toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Deze artikelen
                    zijn aanvullend bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond,
                    een verlaging van de toeslag of norm te kunnen toepassen.</al><al>In de verordening wordt onder woonkosten verstaan kosten van huur of, in geval
                    van een eigen woning,</al><al>1. hypotheekrente,</al><al>2. onroerend zaakbelasting eigenaardeel, </al><al>3. opstalverzekering,</al><al>4. onderhoudskosten vooroorlogse / naoorlogse woning,</al><al>5. installatie voor centrale verwarming, </al><al>6. liftinstallatie, of</al><al>7. algemeen beheer en administratie (bij flatgebouwen en appartementen) </al><al>Hiermee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens
                    dit lid te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale
                    Raad van Beroep heeft gegeven aan het begrip ‘woonkosten’ in de zin van artikel
                    35 lid 1 ABW. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003,
                    nr. 00/4951 NABW.).</al><al>Onder woonkosten wordt door de CRvB verstaan:</al><al>1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende
                    huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet
                    individuele huursubsidie;</al><al>2°. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                    omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                    verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de
                    woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                    bedrag voor onderhoud. </al><al>In artikel 3 vijfde lid wordt de toeslag ingeval belanghebbende in het geheel
                    geen woning bewoont vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Een
                    belanghebbende die geen woning bewoont wordt namelijk geacht lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                    woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor
                    een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt immers
                    geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld
                    de kosten van nachtopvang. De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel
                    heeft geen invloed op de wijze waarop de uitkering verleend moet worden.</al><al>Artikel 3 lid 6 </al><al>Inwonende kinderen worden, ongeacht de leeftijd, niet gezien als “een ander die
                    tevens zijn hoofdverblijf heeft in de woning van de ouder”. De eventuele toeslag
                    van de ouder wordt dus niet teruggebracht met 10 procent. Door de expliciete
                    verwijzing van het begrip kind naar de WWB, wordt bereikt dat een pleegkind in
                    de WIJ ook geen invloed heeft op de toeslag.</al><al>Toegevoegd is hier ook dat een verzorgingsbehoevende die zijn hoofdverblijf
                    heeft in de woning ook niet wordt aangemerkt als een ander waarmee de kosten
                    kunnen worden gedeeld. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat door de verzorging
                    van de verzorgingsbehoevende door deze inwoning bij belanghebbende een opname in
                    een verpleeg- of verzorgingstehuis wordt voorkomen.</al><al>Indien de hulpbehoevende en belanghebbende een gezamenlijke huishouding voeren,
                    zoals omschreven in artikel 3 van de wet, zijn uiteraard de wettelijke
                    bepalingen met betrekking tot een gezamenlijke huishouding van toepassing.</al><al>Artikel 3 lid 7 </al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de inwoning van een echtpaar tot
                    een ongewenste verlaging zou leiden. Weliswaar is in die situatie sprake van
                    twee inwonende, maar het “schaalvoordeel” is niet groter.</al><al/><al>Artikel 4 </al><al>De schoolverlatersverlaging van artikel 28 WWB en 33 WIJ is blijkens de
                    toelichting op dat artikel bedoeld om de schoolverlater gedurende het eerste
                    half jaar niet in een veel betere financiële positie te brengen als toen hij nog
                    aangewezen was op studiefinanciering of een tegemoetkoming krachtens de Wtos. Om
                    recht te doen aan het verschil in inkomenspositie tussen de uit- of thuiswonende
                    student is ervoor gekozen om voor de uitwonende de toeslag vast te stellen op
                    maximaal 10 procent.</al><al>Artikel 5</al><al>Artikel 29 WWB en 34 WIJ geeft het college de bevoegdheid om een verlaging toe
                    te passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het
                    minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige ligt
                    het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan
                    voor een 22-jarige.</al><al>In het eerste lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 29
                    WWB en 34 WIJ- de verlaging voor een 21 jarige alleen kan plaatsvinden op de
                    toeslag van artikel 25 WWB en 30 WIJ.</al><al>In het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan de verplichting van artikel 30
                    lid 2 onder b WWB en artikel 35 lid 2 onder b WIJ om in de verordening vast te
                    stellen dat de schoolverlatersverlaging niet gelijktijdig kan worden toegepast
                    met de verlaging voor 21- en 22-jarigen. Voor het met voorrang toepassen van de
                    schoolverlatersverlaging is gekozen, opdat een 21- of 22-jarige schoolverlater
                    niet beter af is op grond van dit artikel dan een 23-jarige schoolverlater op
                    grond van artikel 4 van de Toeslagenverordening.</al><al>Artikel 6</al><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van belanghebbenden zelf.</al><al>Artikel 6 lid 1</al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, indien 1 ander
                    in de woning zijn hoofdverblijf heeft.</al><al>Artikel 6 lid 2 </al><al>Evenals bij alleenstaanden wordt bij inwoning van meer als 1 ander die in de
                    woning zijn hoofdverblijf heeft de norm verlaagd met 20 procent.</al><al>Artikel 6 lid 3 en 4 </al><al>In het derde en vierde lid is overeenkomstig de bepalingen in artikel 3 vierde
                    en vijfde lid de verlaging van de norm vastgesteld op respectievelijk 20 procent
                    bij een woning bewonen waaraan voor belanghebbenden geen kosten van huur of, in
                    geval van een eigen woning geen: </al><al>1. hypotheekrente (de aflossing van de hypotheek wordt niet als woonlasten
                    beschouwd)</al><al>2. Onroerend zaakbelasting eigenaardeel, </al><al>3. Opstalverzekering, </al><al>4. onderhoudskosten vooroorlogse / naoorlogse woning,</al><al>5. installatie voor centrale verwarming, </al><al>6. liftinstallatie, of</al><al>7. algemeen beheer en administratie (bij flatgebouwen en appartementen) </al><al>verbonden zijn, en 10 procent bij het niet aanhouden van een woning. Artikel 6
                    lid 4 </al><al>Hierin is bepaald dat het zesde en zevende lid van artikel 3 zijn van
                    overeenkomstige toepassing.</al><al>Artikel 7 </al><al>Bij een echtpaar kan sprake zijn van samenloop van WIJ en WWB.</al><al>Indien er geen ten laste komende kinderen zijn, dan is tweemaal de norm
                    alleenstaande (50% van de echtparennorm) van toepassing. Er is dan geen ruimte
                    voor een toeslag.</al><al>Als er wel sprake is van een of meer ten laste komende kinderen, heeft het
                    toekennen van een toeslag geen zin, want de algemene bijstand wordt weer in
                    mindering gebracht op de WIJ norm voor een gezin.</al><al>Indien sprake is van een niet rechthebbende partner, anders dan op grond van het
                    ontvangen van een WIJ of WWB uitkering, dan moet een toeslag als ongewenst
                    worden gezien omdat deze:</al><al>- onnodig rekenwerk geeft (totale inkomen mag niet meer bedragen dan de norm
                    voor een echtpaar) en/of;</al><al>- een onbedoelde/ongewenste inkomensaanvulling voor de niet rechthebbende
                    partner kan vormen</al><al>Daarom is aangegeven dat een toeslag slechts in bijzondere omstandigheden kan
                    worden verleend.</al><al>Daarvan kan sprake zijn als de niet rechthebbende partner onvoldoende inkomen
                    kan genereren omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft en hier niet mag
                    werken.</al><al>Artikel 8</al><al>Evenals de uitvoering van de WWB en de WIJ ligt de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening bij het college.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>