<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72571_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Steenbergse Courant, 24-11-2006</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=149">Gemeentewet, art. 149 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">Monumentenwet 1988, art. 12, 14 en 15 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-10-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>8b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenbergen;</al><al>in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders dd 5
                        september 2006;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14 en 15 van de
                        Monumentenwet 1988;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende:</al><al>Monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>monument: </al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                        betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                        waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                        zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijk archeologisch monument: monument, bedoeld in onderdeel
                                a, onder 2;</al></li><li nr="c."><al>gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de
                                bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                is aangewezen;</al></li><li nr="d."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de
                                overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen
                                zaken;</al></li><li nr="e."><al>beschermd rijksmonument; onroerend monument, dat is ingeschreven in
                                de ingevolge de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> vastgestelde registers;</al></li><li nr="f."><al>kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een
                                kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een
                                kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel
                                wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst;</al></li><li nr="g."><al>monumentencommissie: de op basis van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">art.15, lid 1 Monumentenwet 1988</extref> ingestelde commissie
                                met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te
                                adviseren over de toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, de verordening en het
                                monumentenbeleid.</al></li><li nr="h"><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit
                                van een monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                        gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een, gemeentelijk
                                monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></li><li nr="3."><al>Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></li><li nr="4."><al>Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk monument
                                aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="5."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                                kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd
                                gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de registratie als
                                bedoeld in artikel 6 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het
                                monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met
                                    13 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="6."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of dat is
                                aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie
                                Noord Brabant.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na
                                de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3,
                            eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk
                        gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven
                        hypothecaire schuldeisers.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke
                        monumentenlijst.</al><al>1. De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de
                        datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een
                        beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een
                                belanghebbende wijzigen.</al></li><li nr="2."><al><extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-de-aanwijzing-tot-gemeentelijk-monument">Artikel 3, tweede tot en met vijfde lid</extref>, <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-4-termijnen-advies-en-aanwijzingsbesluit">alsmede artikel 4</extref> zijn van overeenkomstige toepassing
                                op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van
                                    <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-3-de-aanwijzing-tot-gemeentelijk-monument">artikel 3, tweede tot en met vijfde lid</extref>, alsmede
                                    <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-4-termijnen-advies-en-aanwijzingsbesluit">artikel 4, eerste lid</extref>, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3,
                            tweede, vierde en vijfde lid, en artikel
                            4 van overeenkomstige toepassing.</al><lijst><li nr="1."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=3">artikel 3 van de Monumentenwet 1988</extref> of aan de
                                bepalingen betreffende de monumentenverordening van de provincie
                                Noord Brabant.</al></li><li nr="2."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Verbodsbepaling</titel></kop><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                        vernielen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Vergunning</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij
                        zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen
                                of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten
                                gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in
                                gevaar gebracht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college vraagt advies aan de monumentencommissie voordat zij
                                beslist op de aanvraag op grond van <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-10-vergunning">artikel 10</extref>.</al></li><li nr="2."><al>Binnen acht weken na de adviesaanvraag brengt de monumentencommissie
                                schriftelijk advies uit aan het college.</al></li><li nr="3."><al>Het college beslist binnen 4 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval'binnen 12 weken na
                                ontvangst van de aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan de in het derde lid genoemde termijn van 12 weken
                                met ten hoogste 14 weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan
                                kennis geeft binnen de in het derde lid genoemde termijn.</al></li><li nr="5."><al>Indien het college niet voldoet aan het derde of vierde lid, wordt
                                de vergunning geacht te zijn verleend.</al></li><li nr="6."><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking
                                gedurende zes weken na de datum waarop zij is verleend of van
                                rechtswege is verleend. Indien gedurende deze termijn bezwaar wordt
                                gemaakt op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>, blijft de vergunning
                                buiten werking totdat op het bezwaar is beslist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het college verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen
                        vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 10 dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en
                        voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Intrekken van de vergunning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: </al><lijst><li nr="a,"><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld
                                        in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-10-vergunning">artikel 10</extref> niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de:kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen [termijn] jaar van de vergunning gebruik wordt
                                        gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                monumentencommissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke
                                aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt
                                de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: </al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld in
                                            <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-10-vergunning">artikel 10</extref> te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>voorschriften door het college verbonden aan een vergunning
                                        als bedoeld in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-10-vergunning">artikel 10</extref>; schade lijdt of zal lijden, die
                                        redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                                        te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar
                                        billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20Ruimtelijke%20Ordening">artikel 49</extref> van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van
                        de tweede categorie.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de bij besluit van college dan wel
                                burgemeester aan te wijzen personen.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke
                                monumenten treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken
                                van een termijn van zes weken na bekendmaking.</al></li><li nr="2."><al>De verordening, vastgesteld bij besluit van de raad van 28 oktober
                                2004 voor zover het betreft bepalingen over gemeentelijke
                                monumenten, vervalt op de dag van inwerkingtreding van de
                                monumentenverordening Gemeente Steenbergen 2006.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet
                                1988</extref>.</al></li><li nr="4."><al>De monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de raad van 28
                                oktober 2004, voor zover het betreft bepalingen over beschermde
                                rijksmonumenten, vervalt op de datum waarop het derde lid toepassing
                                vindt.</al></li><li nr="5."><al>De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening
                                geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen te
                                zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></li><li nr="6."><al>De gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de monumentenlijst van
                                de ingevolge het tweede lid genoemde vervallen verordening, worden
                                geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze
                                verordening.</al></li><li nr="7."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                het tweede lid ingetrokken verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening Gemeente
                        Steenbergen 2006'.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 26 oktober 2006</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de secretaris. de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>A Algemene toelichting</vet></al><al>Bij het opstellen van deze modelverordening zijn de 'Aanwijzingen voor de
                    decentrale regelgeving' in aanmerking genomen. De bepalingen van de
                    Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen systematiek vormen een belangrijke basis
                    voor de bepalingen van de modelverordening. Drie hoofdpunten zijn in de
                    verordening geregeld:</al><lijst><li nr="1."><al>de aanwijzing van zaken tot gemeentelijk monument. Dit betreft ook
                            archeologische monumenten;</al></li><li nr="2."><al>het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke monumenten;</al></li><li nr="3."><al>de verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde
                            rijksmonumenten in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>.</al></li></lijst><al>Daarnaast is beoogd het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten
                    spelen bij de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid. In 2004 is de
                    modelverordening naar aanleiding van de dualisering van het gemeentebestuur
                    herzien. Inhoudelijk is de verordening hetzelfde gebleven omdat de raad in het
                    dualistische stelsel de verordenende bevoegdheid heeft gehouden. Wel is de tekst
                    kritisch bekeken op dubbelingen, vernieuwingen als de Tijdelijke Referendumwet
                    (zie artikel 19) en verouderd taalgebruik.</al><al><vet>B Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al><vet>Sub a</vet></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'monument' is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>. Cultuurhistorische waarde is volgens de
                    Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,
                    gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop
                    van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Het begrip
                    cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking kan hebben op
                    zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde. De onder 2 bedoelde terreinen
                    kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen zijn.
                    Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt
                    teneinde over een monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel
                    ruimer begrip. De vijftig-jaargrens die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor
                    gemeentelijke monumenten overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de
                    mogelijkheid om monumenten die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze
                    te jong zijn, reeds op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al><vet>Sub b</vet></al><al>De term 'gemeentelijk archeologisch monument' wordt apart gedefinieerd in
                    verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                    behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk archeologisch monument bij een
                    vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht
                    wijzigen van een gemeentelijk monument is een bevoegdheid van het college. Als
                    er echter sprake is van een archeologisch rijksmonument beslist de minister op
                    de vergunningaanvraag. Ten tweede regelt de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dat het doen van een opgraving alleen plaats
                    mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in zijn
                    algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of er
                    sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen is
                    vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder.
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een 'normaal' en een
                    (gemeentelijk) 'archeologisch' monument. In het geval van een opgraving regelt
                    de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=42">Monumentenwet 1988 (artikelen 42 tot en met 49)</extref> de eigendom van
                    roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze regels gelden in alle
                    gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij toeval op een vondst stuit
                    waarvan men kan vermoeden dat het om een monument gaat. Er wordt geen
                    onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke monumenten.</al><al><vet>Sub c, e en f</vet></al><al>Hier wordt gesproken over onroerende monumenten. Roerende monumenten worden
                    derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren van de
                    bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld
                    schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Zaken die
                    naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde
                    status krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Ingeval Ode gemeente
                    de mogelijkheid wil bieden om ook roerende monumenten te beschermen, kan zij dit
                    doen. In dat geval dient het woord 'onroerende' op plaatsen in de
                    modelverordening waar het gemeentelijke monumenten betreft te worden geschrapt.
                    Voor de gemeente is het mogelijk door middel van aanvullende regelgeving te
                    voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen die als gemeentelijk monument zijn
                    aangewezen buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van deze
                    regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al><vet>Sub d</vet></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 6.</al><al><vet>Sub e</vet></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd rijksmonument' in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de bevoegdheid om
                    vergunningen voor de wijziging en sloop van rijksmonumenten te verlenen. Op de
                    vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn met name de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988</extref> van
                    toepassing.</al><al><vet>Sub f</vet></al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot gemeentelijk monument is
                    overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid
                        4). Is er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of
                    rijksbeschermde kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar en
                    vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 12). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke
                    belangen van de godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor
                    bijvoorbeeld een pastorie, een catechisatieruimte of verblijven van
                    kloosterlingen geldt deze verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel
                    dan ook niet. Zij vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten
                    gelden.</al><al><vet>Sub g</vet></al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    monumentenverordening en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>. Door de monumentencommissie in deze
                    begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> te adviseren aan het college, is voldaan aan
                    het vereiste, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=15">artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988</extref>. Mocht een gemeente
                    niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling
                    opgenomen worden. In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat
                    elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                    commissies instelt. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan
                    het college. Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=84">artikel 84 Gemeentewet</extref>. De samenstelling en werkwijze dient het
                    college nader uit te werken. In een dualistisch stelsel is het normaal gesproken
                    niet mogelijk dat de raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie is
                    ingesteld welke adviseert aan het college. Het is immers aan het college om te
                    bepalen of zij een adviescommissie willen. Deze redenatie gaat niet op voor wat
                    betreft de monumentencommissie. In de monumentenverordening wordt door de raad
                    bepaald dat er een monumentencommissie is die advies uitbrengt aan het college.
                    Dit vloeit voort uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet</extref>. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">artikel 15</extref> van deze wet is bepaald dat de gemeente in een
                    verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                    college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikel 11 van de Monumentenwet</extref>. De wetgever geeft hier dus aan
                    dat het college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het
                    instellen van een commissie. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er
                    geen strijdigheid met het duale uitgangspunt als de raad in haar verordening
                    bepaalt dat er een commissie is die adviseert aan het college. Het instellen van
                    de monumentencommissie door het college moet middels een apart collegebesluit.
                    Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een (monumenten) commissie
                    door het college. Wij adviseren het college bij het besluit tot instellen van
                    een monumentencommissie gebruik te maken van de modelverordening op de
                    raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via de databank van de Sdu
                    Uitgevers, <extref doc="http://www.modelverordeningen.nl">www.modelverordeningen.nl</extref>. Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=84">artikel 84, tweede lid</extref>, in samenhang met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=83">artikel 83, tweede lid van de Gemeentewet</extref> mogen raadleden geen
                    deel uitmaken van collegecommissies. In het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=84">vierde lid van artikel 84 Gemeentewet</extref> is bepaald dat de instelling
                    van een commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen
                    verbindende voorschriften.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire
                    bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot
                    aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                    opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd
                    in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht
                    op schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                    het gebruik van het monument.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie. De verordening
                    bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een
                    regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is
                    daarvoor de aangewezen plaats. De verordening bevat geen voorschriften voor de
                    bescherming van het monument gedurende de tijd dat de aanwijzingsprocedure
                    loopt, zoals de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> dat doet. De spoedprocedure kan in situaties
                    die ernstige gevolgen voor het aan te wijzen monument hebben, bewerkstelligen
                    dat binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing
                    zijn. Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te
                    kunnen gebruiken. Indien de gemeente wil zekerstellen dat de potentieel aan te
                    wijzen monumenten tijdens de aanwijzingsprocedure ook zijn beschermd, moet een
                    voorbescherming als in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> worden opgenomen. Er wordt niet bepaald dat de
                    aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt, omdat dit is geregeld in (de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikelen 4:8</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A9">4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</extref> In het geval dat de
                    gemeente besluit een aparte archeologische begeleidingscommissie in te stellen
                    moet de eerste zin van artikel 3, lid
                        2, als volgt worden aangepast: Voordat het college over de
                    aanwijzing een besluit neemt, vraagt zij advies aan de monumentencommissie of
                    aan de archeologische begeleidingscommissie indien het een archeologisch
                    monument betreft. Deze wijziging moet dan ook in artikel 11, lid
                        1, worden doorgevoerd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een gebouw. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> is geen bepaling over bouwhistorisch onderzoek
                    opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot
                    de beleidsvrijheid van de gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden
                    wanneer een gemeente bouwhistorisch onderzoek kan vragen. Ten eerste bij een
                    (aanvraag tot) aanwijzing als gemeentelijk monument. De informatie over de
                    bouwhistorische waarde van een gebouw kan van invloed zijn op de beslissing van
                    het college om het pand al dan niet als gemeentelijk monument aan te wijzen en
                    op de wijze waarop het pand in de registers wordt ingeschreven. Ten tweede bij
                    aanvragen voor vergunning tot wijziging van een gemeentelijk monument. De
                    bouwhistorische waarde die door een verbouwing of andere wijziging aangetast
                    wordt is van invloed op de beslissing van het college. Alhoewel het er in beide
                    gevallen om gaat om informatie te krijgen over de bouwhistorische waarde van een
                    pand zijn de mogelijkheden om het bouwhistorisch onderzoek te kunnen uitvoeren
                    verschillend. Dit vindt zijn oorzaak in wiens belang de aanvraag tot aanwijzing
                    als gemeentelijk monument of de vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is
                    van belang of het al dan niet een woning betreft. Dit heeft te maken met de
                    mogelijkheden om een gebouw als gemeente binnen te kunnen treden. De aanvraag
                    tot aanwijzing als gemeentelijk monument is in veel gevallen niet afkomstig van
                    de eigenaar van het pand. Veelal dient een belangenvereniging voor monumenten
                    een aanvraag tot aanwijzing in. In die gevallen dat een ander dan de eigenaar
                    van een pand een aanvraag tot aanwijzing indient, dan wel de gemeente ambtshalve
                    aanwijzingsvoorstellen doet, kan de gemeente de eigenaar moeilijk verplichten
                    bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. Indien de eigenaar of gebruiker een
                    aanvraag voor vergunning tot wijziging van het gebouw indient, kan de gemeente
                    hieraan de voorwaarde verbinden dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. In
                    dat geval zullen (een deel van) de kosten van het bouwhistorisch onderzoek ten
                    laste van de eigenaar kunnen worden gebracht, gezien het belang dat deze bij de
                    vergunningverlening heeft (zie verder bij Vergunning tot wijziging van een
                    monument.).</al><al>Om het bouwhistorisch onderzoek uit te voeren moet men het gebouw betreden. Voor
                    het binnentreden is toestemming van de eigenaar nodig. Deze toestemming vormt
                    naast de kosten van het onderzoek het tweede mogelijke knelpunt voor het
                    bouwhistorisch onderzoek. Bij het binnentreden moet onderscheid worden gemaakt
                    tussen woningen en gebouwen anders dan woningen. Het binnentreden van woningen
                    is in verband met het huisvrederecht aan strengere voorwaarden gebonden dan het
                    binnentreden van andere gebouwen. Op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref> kan de gemeente zich niet de toegang tot een woning
                    verschaffen ten behoeve van het verrichten van bouwhistorisch onderzoek. Het
                    binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoners is slechts
                    toegestaan in die gevallen dat het binnentreden tot doel heeft het handhaven van
                    de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                    personen. Bouwhistorisch onderzoek heeft dit niet tot doel. Bij woningen is de
                    gemeente dus afhankelijk van de bereidheid van de woningeigenaar om
                    bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. Argumenten die de gemeente kan
                    gebruiken zijn het verkrijgen van zicht op de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw en het feit dat mogelijk anders bij een wijzigingsvergunning
                    bouwhistorisch onderzoek als voorwaarde kan worden gesteld. De situatie is
                    anders in die gevallen dat het andere gebouwen dan woningen betreft. In de
                    verordening is in artikel 17
                    opgenomen dat door het bevoegd gezag aangewezen personen in het kader van het
                    toezicht op de naleving van de verordening ruimten binnen kunnen treden. Dit
                    geldt ook voor het doen van bouwhistorisch onderzoek op grond van de
                    verordening. De gemeente kan voordat zij een besluit neemt over de
                    vergunningverlening tot wijziging van een monument bepalen dat informatie over
                    de bouwhistorische waarde van het gebouw nodig is. Het is niet noodzakelijk om
                    het vragen van bouwhistorisch onderzoek in de verordening vast te leggen. De
                    voorwaarden die de gemeente omtrent de afhandeling van aanvragen om een
                    beschikking op grond van de Awb (artikel 4:5) kan stellen bieden voldoende
                    houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een
                    gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van
                    belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch
                    onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de
                    aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid. De gemeente
                    kan de aanvrager bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele pand
                    bouwhistorisch onderzoek uit te voeren als slechts voor een deel van het pand
                    een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd. Daarnaast moet de gemeente bij het
                    stellen van voorwaarden rekening houden met de kosten die met het bouwhistorisch
                    onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten moeten in redelijke verhouding tot de kosten
                    van de verbouwing staan. Er zijn binnen het bouwhistorisch onderzoek
                    verschillende gradaties aan te geven (mate van gedetailleerdheid). Zie voor de
                    benodigde tijd van het onderzoek C1-1.6.3 (Bijlagen). De VNG adviseert om in het
                    aanvraagformulier op te nemen dat bouwhistorisch onderzoek mogelijk nodig is om
                    tot een beoordeling op de aanvraag te komen. Op deze manier is de aanvrager op
                    het moment van aanvragen op de hoogte van wat er van hem wordt verlangd. In de
                    toelichting op het aanvraagformulier kan de gemeente aangeven dat het
                    bouwhistorisch onderzoek door ter zake deskundigen moet worden uitgevoerd. De
                    gemeente kan hierbij aangeven welke personen of instanties in haar ogen
                    voldoende gekwalificeerd zijn. Als de gemeente besluit om het bouwhistorisch
                    onderzoek te subsidiëren kunnen meer verplichtend kwalitatieve eisen aan het
                    onderzoek of onderzoekers worden gesteld. Het feit dat het binnentreden van een
                    woning niet afgedwongen kan worden is bij een aanvraag tot vergunningverlening
                    geen probleem. Indien de eigenaar weigert om de personen die het bouwhistorisch
                    onderzoek moeten verrichten binnen te laten dan kan hij niet aan de verplichting
                    van de vereiste bescheiden voldoen. In die gevallen zal het college de aanvraag,
                    na herhaald verzoek de verlangde gegevens te leveren, niet in behandeling nemen.
                    Bij de verlening van de vergunning kan de gemeente in de vergunningvoorwaarden
                    het doen van onderzoek en het verstrekken van documentatie tijdens de
                    bouwwerkzaamheden regelen, net als het veilig stellen van de afkomende
                    bouwhistorische elementen. Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de
                    besluiten tot aanwijzing voor een gemeentelijk monument. Doormiddel van dit lid
                    kan de gemeenteraad haar controlerende functie gemakkelijker uitvoeren. De
                    aanwijzings- en of wijzigingsbesluiten voor de gemeentelijke monumenten kunnen
                    daardoor door de raad worden getoetst aan het beleidskader monumenten.</al><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden zienswijzen
                    naar voren kunnen brengen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8</extref>). Overleg is immers meer dan het naar voren kunnen
                    brengen van zienswijzen.</al><al><vet>Lid 6</vet></al><al>Dit lid regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke monumenten
                    zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                    kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn) artikel 9 tot en met 13 van deze
                    verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument
                    tijdens de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaats (etc.) zonder een gemeentelijke
                    monumentenvergunning.</al><al><vet>Lid 7</vet></al><al>Monumenten die al op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet
                    voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).
                    Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten de aanvrager, eigenaar
                    en andere belanghebbenden beter waar ze aan toe zijn. De redactie van lid 2 heeft
                    tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies, maar binnen de termijn voor het
                    college) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig
                    beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A2">artikel 6:2</extref> staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van
                    bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                    staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                    omdat de Awb dat afdoende regelt (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A6">afdeling 3.6</extref>).</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De mededeling van het college is voor de eigenaar en de anderszins zakelijk
                    gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat de mededeling door
                    de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de mededeling bij aangetekend
                    schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich er dan niet op beroepen van
                    niets te weten. Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt
                    aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A6">afdeling 3.6</extref>). Is <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8</extref> toegepast (het horen van geadresseerde en van derde
                    belanghebbenden) en is van de daar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt, dan
                    dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A43">artikel 3:43 Awb</extref> een mededeling te ontvangen.</al><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de teerordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het perceel van het monument bevinden, zoals bijgebouwen, tuininrichting en
                    bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder de werking van de
                    verordening vallen. Voor elke wijziging van het monument is dus een vergunning
                    nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale
                    vernummering, kan ook een plattegrond worden aangehecht. De registratie van de
                    aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit). De bedoeling van
                    de aldus bij te houden monumentenlijst is om eenieder snel inzicht te geven in
                    welke zaken om welke reden als gemeentelijk monument zijn aangewezen. Het kan
                    beleid zijn van een gemeente dat alleen de buitenkant van gemeentelijk monument
                    beschermd wordt.</al><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te
                    wijzigen (lid 1).
                    Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure (advies van monumentencommissie
                    of eventueel archeologische begeleidingscommissie of eigenaar van een kerkelijk
                    monument) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van
                    de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten in
                    te trekken (lid
                    1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de monumentencommissie nodig
                    is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op
                    de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze
                    zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van
                    de monumentenlijst gehaald. Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als gemeentelijk
                    monument worden geregistreerd als rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht
                    worden niet meer te zijn aangewezen. Voor de situatie waarin een provinciale
                    monumentenlijst bestaat is een vergelijkbare regeling opgenomen. Ook is het
                    mogelijk dat de provinciale monumentenverordening dit regelt. Het kan zinvol
                    zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de aanwijzing
                    loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede
                    afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de
                    sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De verbodsbepaling van artikel
                        9 vertoont gelijkenis met <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988</extref>.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van rijksmonumenten op
                    basis van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> in handen van het college. Het is verstandig de
                    vergunningverlening voor rijks- en gemeentelijke monumenten procedureel en
                    inhoudelijk zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen. Het is voor de aanvrager,
                    maar ook voor de behandelende gemeentelijke diensten en voor het college van
                    praktische betekenis dat beide aanvragen zoveel mogelijk langs dezelfde weg
                    worden afgehandeld. De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> regelt de vergunningverlening voor de wijziging
                    van rijksmonumenten door het college in de artikelen 11 tot
                        en met 21 jo. artikel
                        14 van de monumentenverordening. lh dit artikel gaat het derhalve
                    alleen over gemeentelijke monumenten. Artikel 10 regelt dat een vergunning nodig is om een monument te
                    verstoren. Dit geldt ook voor archeologische monumenten. Over opgravingen en
                    vondsten is niets in de verordening geregeld. Reden hiervoor is dat deze
                    aspecten uitputtend in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> zijn geregeld.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">De Monumentenwet 1988</extref> regelt:</al><lijst><li nr="•"><al>dat voor opgravingen een vergunning nodig is;</al></li><li nr="•"><al>dat een rechthebbende van een terrein moet dulden dat de
                            opgravingsbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht;</al></li><li nr="•"><al>de eigendomskwestie van vondsten;</al></li><li nr="•"><al>een schaderegeling.</al></li></lijst><al>Als de gemeente zelf archeologische monumenten beschermt, kan zij in de
                    toelichting van de verordening aangeven wat zij onder verstoren verstaat. In de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> wordt hierover geen uitspraak gedaan. Ingrepen
                    die de bestemming van de grond veranderen en waardoor het grondwaterpeil
                    verandert of waarbij bijvoorbeeld graafwerk dieper dan 0,50 m wordt verricht
                    kunnen worden aangemerkt als het verstoren van een archeologisch monument in de
                    zin van artikel 10. Ten aanzien
                    van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het
                    verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A2">artikel 4:2</extref> respectievelijk <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A5">4:5</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A15">4:15</extref>). In een aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente
                    aangeven welke gegevens zijn vereist. Wat de eventueel benodigde gegevens voor
                    bouwhistorisch onderzoek betreft wordt verwezen naar de toelichting van artikel 3, lid
                        3.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Als het college de aanvraag in behandeling neemt, moet door hem op grond van de
                    verordening advies gevraagd worden aan de monumentencommissie. Nadat dit advies
                    aan het college is uitgebracht moet hij ermee rekening houden dat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A7">artikel 4:7</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">artikel 4:8</extref> Awb van toepassing kan zijn. Over het voornemen de
                    beschikking af te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te wijzen moeten de
                    aanvrager en de belanghebbenden worden gehoord. Deze kunnen naar keuze hun
                    zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren brengen op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A9">artikel 4:9 Awb</extref>. De monumentencommissie adviseert het college
                    binnen acht weken na de adviesaanvraag (lid 2).
                    Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslist het college binnen 4 weken
                        (lid
                        3). De redactie van lid 3
                    heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het
                    college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen of
                    besluiten om het (te laat uitgebrachte advies) toch in zijn overwegingen te
                    betrekken. De totale termijn van 12 weken spoort met de termijn van de reguliere
                    bouwvergunning (zonder verlenging), hierdoor kan worden voorkomen dat een
                    aanvraag op een bouwvergunning moet worden geweigerd omdat de
                    monumentenvergunning nog niet is verleend. De totale termijn kan met maximaal 14
                    weken worden verlengd, mits de aanvrager tijdig van het uitstel op de hoogte
                    wordt gesteld (lid 4). De totale termijn van 26 weken spoort dan met de termijn
                    voor de aanvraag van een monumentenvergunning voor een rijksmonument. De totale
                    termijn van 26 weken spoort niet meer met die voor de bouwvergunning. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=46">artikel 46 Woningwet</extref> wordt voor licht vergunningplichtige
                    bouwwerken een termijn van maximaal 6 weken voorgeschreven. Voor een reguliere
                    bouwvergunning wordt een termijn van maximaal 18 weken (12 weken plus 6 weken
                    verlenging) voorgeschreven en als een reguliere bouwvergunning gefaseerd wordt
                    verleend dan geldt er een termijn van maximaal 24 weken. Om niet gedurende de
                    lopende monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten weigeren (conform de
                    weigeringsgrond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=44">artikel 44 sub e Woningwet</extref>) adviseren wij om in overleg met de
                    aanvrager van de monumenten- en bouwvergunning de aanvraag bouwvergunning pas
                    later in te dienen of in procedure te nemen. In de Woningwet is namelijk alleen
                    een aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten opgenomen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=54">artikel 54 Woningwet</extref>). Als het college niet tijdig beslist, wordt
                    de monumentenvergunning geacht te zijn verleend (lid 5).
                    Hierbij is niet aangesloten bij de Awb (die kent immers de fictieve weigering),
                    maar bij de bouwvergunning en rijksmonurnentenvergunning. Deze kennen namelijk
                    ook een fictieve vergunningverlening bij overschrijding van de fatale termijnen.
                    Er kan ook worden gekozen voor een fictieve weigering, de in de Awb geregelde
                    systematiek. Een voordeel hiervan is dat er dan nog niets onherroepelijks kan
                    gebeuren. De bepaling van lid 6
                    komt overeen met die in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref>, maar niet met hetgeen geregeld is voor de
                    bouwvergunning en de Awb. Het 'is ook mogelijk om dit lid achterwege te laten,
                    zodat geen schorsende werking optreedt. Indien belanghebbenden in dat geval
                    schorsende werking wensen, moeten zij hiervoor bij de rechtbank een voorziening
                    vragen. Het voordeel is dat tijdverlies wordt voorkomen in gevallen dat,geen
                    bezwaren tegen de vergunningverlening bestaan. Het nadeel is dat al onomkeerbare
                    acties kunnen worden ondernomen, voordat het besluit onherroepelijk is geworden.
                    Het is niet nodig om te regelen dat het college aan een vergunning voorschriften
                    kan verbinden in het belang van de monumentenzorg of dat de vergunning voor
                    bepaalde tijd kan worden verleend. Het verbinden van voorschriften aan een
                    vergunning en het verlenen van een vergunning voor bepaalde tijd is namelijk een
                    ongeschreven regel van het bestuursrecht. Dat kan dus ook zonder het in de
                    verordening te regelen. Indien de aanvraag een verstoring van een gemeentelijk
                    archeologisch monument betreft kan de gemeente bij het afgeven van een
                    vergunning bepalen dat de belangen waardoor het terrein is aangewezen voldoende
                    moeten zijn beschermd. Dit kan zij regelen door in de vergunningvoorwaarden op
                    te nemen dat de rechthebbende op het terrein toestemming moet verlenen aan door
                    het college aan te wijzen personen om het terrein te betreden en om graafwerk of
                    documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten. Een en ander kan
                    ook nodig zijn in verband met het verkrijgen van voldoende gegevens om op de
                    vergunningaanvraag te kunnen beschikken. Een en ander geldt ook voor
                    bovengrondse monumenten. Zowel in de sloopvergunning als bij de intrekking van
                    de aanwijzing kunnen voorafgaand aan de sloop voorwaarden worden gesteld ter
                    documentatie van het monument voor de lokale geschiedenis en om afkomende
                    bouwhistorische elementen veilig te stellen.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Indien wordt gekozen voor het van toepassing verklaren van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A4">afdeling 3.4 van de Awb</extref> voor de vergunningverlening ten aanzien
                    van gemeentelijke monumenten luidt de toelichting bij Artikel
                        11:</al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De uniforme openbare voorbereidingsprocedure is niet alleen van toepassing op de
                    verlening van de monumentenvergunning voor rijksmonumenten op grond van de
                    Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Stb. 2005, 282).
                    Het college van B&amp;W kiest ervoor om deze procedure ook van toepassing te
                    verklaren voor de verlening van een monumentenvergunning voor gemeentelijke
                    monumenten. Dit houdt in dat de aanvraag niet meer ter inzage wordt gelegd, maar
                    een ontwerpbesluit (de vergunning in concept) eerst verzonden wordt naar de
                    aanvrager (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A13">Awb artikel 3:13</extref>), vervolgens gepubliceerd wordt (een aantal zaken
                    moet in de publicatie vermeld worden, zie <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A12">Awb art 3:12</extref>), en ten slotte zes weken ter inzage gelegd wordt
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A16">Awb artikel en 3:16</extref>). Als er zienswijzen binnenkomen, dan wordt de
                    aanvrager zo nodig in de gelegenheid gesteld te reageren op de naar voren
                    gebrachte zienswijzen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A15">Awb artikel 3:15.3</extref>). De verwerking van de zienswijzen in het
                    definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de
                    vergunningaanvraag plaatsvinden. Als er geen zienswijzen zijn binnengekomen, dan
                    moet dit zo snel mogelijk na het verstrijken van de ter-inzage-termijn
                    gepubliceerd worden en neemt het dagelijks bestuur het definitieve besluit
                    binnen vier weken na het einde van de ter-inzage-termijn <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A18">(Awb artikel 3:18.4</extref>). Van de mogelijkheid om de besluitvorming te
                    verdagen met een redelijke termijn kan alleen in de eerste acht weken van de
                    proceduretermijn gebruik gemaakt worden, als de aanvraag een zeer ingewikkeld of
                    omstreden onderwerp betreft én de aanvrager in de gelegenheid gesteld is
                    hierover zijn zienswijze kenbaar te maken (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A18">Awb artikel 3:18.2</extref>). Er zal sneller tot een vergunningweigering
                    overgegaan moeten worden. De beoordelingstermijn is krap. Het verdient dan ook
                    aanbeveling op basis van een schetsplan overleg te plegen voordat de
                    vergunningaanvraag wordt ingediend. De terinzagelegging van de aanvraag en de
                    mogelijkheid van bezwaar tegen het definitieve besluit zijn gecombineerd in het
                    terinzageleggen van een ontwerpbesluit naar aanleiding waarvan zienswijzen naar
                    voren kunnen worden gebracht. Omdat de mogelijkheid is opgenomen zienswijzen
                    tegen het ontwerpbesluit in te dienen, is tegen het definitieve besluit alleen
                    nog maar beroep mogelijk, en wel alleen door de aanvrager, belanghebbenden die
                    tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">Awb 3:41</extref>en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A43">3:43</extref>) en belanghebbenden die een goede reden hebben geen
                    zienswijzen te hebben ingebracht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A13">Awb art 6:13</extref>) De totale termijn van zes maanden spoort niet met
                    die voor de bouwvergunning. Het vereist (en het niet verleend) zijn van een
                    gemeentelijke monumentenvergunning is een grond voor de weigering van de
                    bouwvergunning (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=woningwet/article=44">art 44 sub e Woningwet</extref>). Wanneer een monumentenvergunning is
                    aangevraagd en daarop niet is beslist (of deze is geweigerd), zal de
                    bouwvergunning dus tijdig geweigerd moeten worden. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet">Woningwet</extref> is namelijk alleen een aanhoudingsregeling voor
                    vergunningen van rijksmonumenten opgenomen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Woningwet/article=54">artikel 54 Woningwet</extref>). Om niet gedurende de lopende
                    monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten weigeren kan de aanvrager van de
                    monumenten- en bouwvergunning het beste de aanvraag bouwvergunning pas later
                    indienen. Laat het college de termijn voor de verlening van de bouwvergunning
                    verlopen, dan is de bouwvergunning van rechtswege verleend, omdat de Woningwet
                    boven de monumentenverordening gaat. Er mag echter pas gebruik gemaakt worden
                    van de bouwvergunning als ook de monumentenvergunning is verleend. Het
                    definitieve besluit wordt gepubliceerd en 6 weken ter inzage gelegd en
                    opengesteld voor beroep. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de
                    beroepstermijn is verstreken, of als er beroep is ingesteld, op het beroep is
                    beslist. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=8%3A81">Titel 8.3 van de Awb</extref> is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub f.</al><al><vet>Artikel 13</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft de
                    volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien
                    van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                    belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren
                    voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het college) de
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                    omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                    adviseren. De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen
                    omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">artikel 3:41 Awb</extref> dit regelt.</al><al><vet>Artikel 14</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De procedure voor de afgifte door het college van burgemeester en wethouders van
                    de vergunning voor rijksmonumenten staat in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">hoofdstuk 2 paragraaf 2 van de Monumentenwet 1988</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">afdeling 3.4 van de Awb</extref>. De RDMZ en, buiten de bebouwde kom, ook
                    Gedeputeerde Staten moeten binnen twee maanden na verzending van de
                    adviesaanvraag adviseren (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=16">Monumentenwet 1988, artikel 16.2</extref>). Het definitieve besluit moet
                    binnen vier maanden na ontvangst van het laatste van de adviezen van RDMZ en GS
                    plaatsvinden (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=16">Monumentenwet 1988, artikel 16.3</extref>). Op het definitieve besluit is
                    alleen nog maar beroep mogelijk, en wel alleen door de RDMZ, GS, de aanvrager,
                    belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=3%3A41">Awb 3:41 en 3:43</extref>) en belanghebbenden die een goede reden hebben
                    geen zienswijzen te hebben ingebracht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=6%3A13">Algemene wet bestuursrecht, art. 6:13</extref>). De procedure voor de
                    afgifte door het college van de vergunning voor rijksmonumenten staat in de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=11">artikelen 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988</extref>.Leden 2 en 3.
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">De Monumentenwet 1988</extref> schrijft voor dat de monumentencommissie bij
                    de aanvragen om vergunning voor rijksmonumenten wordt ingeschakeld. Om te
                    voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies van de
                    monumentencommissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is
                    in lid 3 bepaald dat de monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd
                    na het verstrijken van de in lid 2
                    gestelde adviestermijn.</al><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Burgerlijk%20Wetboek%20Boek%206/article=126">Boek 6, artikel 126 BW</extref>). Ten opzichte van de
                    (on)rechtmatige-daadprocedure, heeft een schadevergoedingsregeling de volgende
                    voordelen:</al><lijst><li nr="•"><al>een lage drempel voor de burger en meer mogelijkheden voor overleg
                            (administratieve voorprocedure);</al></li><li nr="•"><al>samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening (artikel 49 WRO);
                            vandaar dat in lid 2 voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen
                            van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                            artikel 49 van de WRO van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Ten
                            opzichte van de (on)rèchtmatige-daadprocedure, heeft de
                            schadevergoedingsregeling de volgende nadelen:</al></li><li nr="•"><al>zoals vermeld is de regeling geen wettelijke verplichting;</al></li><li nr="•"><al>de regeling kan een aanzuigende werking hebben;</al></li><li nr="•"><al>er is een (civielrechtelijk) alternatief.</al></li></lijst><al>Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend.</al><al><vet>Artikel 16</vet></al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=154">Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet</extref> laat aan de gemeentelijke
                    wetgever de keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete
                    te stellen van de tweede of de eerste categorie. In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafrecht/article=23">artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht</extref> zijn de
                    geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare feiten in
                    de eerste categorie is maximaal 225,- (februari 2004); in de tweede categorie
                    maximaal € 2250,- (februari 2004). Het is de gemeente niet toegestaan om een
                    hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. In de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet 1988</extref> is handelen in strijd met artikel
                        11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af
                    te breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie (€ 45.000,-
                    (februari 2004)). Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp,
                    de hoogte van de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                    werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de
                    hand liggend. In de verordening hoeft niet de mogelijke straf opgenomen te
                    worden om bij overtreding de rechterlijke uitspraak openbaar te maken. Een
                    dergelijke strafbepaling is overbodig, omdat iedere rechterlijke uitspraak
                    openbaar is.</al><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving (Adr). De basis voor
                    deze bevoegdheid wordt gevonden in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">hoofdstuk 5 van de Awb</extref>. In dit hoofdstuk zijn algemene regels
                    gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende
                    rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Afdeling 1 van dit hoofdstuk
                    geeft regels voor het toezicht. Toezichthouders zijn personen die bij of
                    krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de
                    naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=5%3A11">artikel 5:11 Awb</extref>). De aanwijzing van toezichthouders kan derhalve
                    in de Monumentenverordening plaatsvinden. Een deel van de toezichthouders wordt
                    in de verordening zelf aangewezen (dit is noodzakelijk indien een toezichthouder
                    tevens opsporingsbevoegdheden dient te krijgen, zie ook verderop). Hiernaast
                    kunnen toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden
                    aangewezen. De bevoegdheid hiertoe vloeit voort hui de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=160">artikelen 160 (nieuw</extref>) en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=174">174 van de Gemeentewet</extref> waarin het college respectievelijk de
                    burgemeester belast is met de uitvoering van gemeentelijke verordeningen.
                    Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. Bij
                    een individuele aanwijzing worden personen met toezicht belast door hen met name
                    te noemen of door aanduiding van hun functie. Bij een categorale aanwijzing
                    wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de dienst genoemd waartoe de met toezicht
                    belaste personen behoren.</al><al>Een toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=5%3A12">artikel 5:12 Awb</extref>). Het legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het
                    bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is.
                    Het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=5%3A12">artikel 5:12, derde lid van de Awb</extref> genoemde model van het
                    legitimatiebewijs is vastgesteld bij de Regeling model legitimatiebewijs
                    toezichthouders Awb (Stort. 2000, 131). Deze regeling bevat geen echt diode',
                    maar een opsomming van alle elementen die in ieder geval op het
                    legitimatiebewijs moeten zijn opgenomen en een voorbeeld van een
                    legitimatiebewijs.</al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=5%3A13">artikel 5:13 Awb</extref> is het evenredigheidsbeginsel neergelegd. Een
                    toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voorzover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=5%3A15">artikel 5:15 Awb</extref> is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen en woningen. Dat de Awb een uitzondering maakt voor
                    het betreden van een woning zonder toestemming van de bewoner vloeit voort uit
                    het in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Grondwet/article=12">artikel 12 van de Grondwet</extref> vastgelegde 'huisrecht'. Op grond
                    hiervan is voor het binnentreden van woningen zonder toestemming van de bewoner
                    steeds een grondslag in een bijzondere wet vereist.</al><al>Het onderscheid tussen toezicht en opsporing is van belang, aangezien er een
                    onderscheid bestaat, zowel naar inhoud als naar de voorwaarden waaronder zij op
                    grond van de wet kunnen worden uitgeoefend. Het kenmerkende onderscheid tussen
                    beide is dat bij toezicht op de naleving geen sprake hoeft te zijn van enig
                    vermoeden van overtreding van een wettelijk voorschrift en bij opsporing wel.
                    Ook zonder dat vermoeden heeft het bestuur de taak na te gaan of bijvoorbeeld de
                    voorschriften van een vergunning in acht worden genomen. Indien mocht blijken
                    dat in strijd met het voorschrift wordt gehandeld, hoeft dit ook niet
                    automatisch te leiden tot een strafrechtelijke vervolging. Het hanteren van
                    bestuursrechtelijke middelen zoals het intrekken van de vergunning of het
                    toepassen van bestuursdwang vormen in veel gevallen een meer passende
                    reactie.</al><al>Ook al is de uitoefening van het toezicht niet gebonden aan het bestaan van
                    vermoeden dat een wettelijk voorschrift is overtreden, toch kan hiervan wel
                    blijken bij het toezicht. Op dat moment wordt de vraag naar de verhouding tussen
                    de toezichthoudende en opsporingsbevoegdheden van belang, in het bijzonder
                    wanneer beide bevoegdheden in dezelfde persoon zijn verenigd. Beide bevoegdheden
                    kunnen naast elkaar worden toegepast, zolang gezorgd wordt dat de bevoegdheden
                    die samenhangen met het toezicht en de bevoegdheden die samenhangen met de
                    opsporing worden gebruikt waarvoor ze zijn toegekend. Op het moment dat toezicht
                    overgaat in opsporing is het derhalve zaak er voor te zorgen dat de waarborgen
                    die aan de verdachte toekomen in het kader van de opsporing in acht worden
                    genomen.</al><al>De voornaamste verschillen tussen toezicht en opsporing zijn de volgende.</al><lijst><li nr="•"><al>Toezicht heeft betrekking op de naleving van de voorschriften die tot
                            burgers en bedrijven zijn gericht en heeft vaak preventieve werking.
                            Opsporing dient gericht te zijn op strafrechtelijke afdoening.</al></li><li nr="•"><al>Toezicht is een bestuurlijke activiteit en wordt derhalve genormeerd
                            door de Awb. De opsporing wordt geregeld in het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering">Wetboek van Strafvordering</extref> (WvSv).</al></li></lijst><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=141">In de artikelen 141 en 142 WvSv</extref> worden de met de opsporing van
                    strafbare feiten belaste ambtenaren genoemd. De in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering">artikel 141</extref> genoemde ambtenaren hebben een opsporingsbevoegdheid
                    die in principe voor alle strafbare feiten geldt (algemene
                    opsporingsbevoegdheid). Dit geldt onder andere voor de ambtenaren van de
                    regiopolitie. <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Strafvordering/article=142">Artikel 142</extref> betreft de buitengewone opsporingsambtenaren die in de
                    regel een opsporingsbevoegdheid hebben voor een beperkt aantal strafbare feiten
                    (beperkte opsporingsbevoegdheid). Daarnaast kan in een bijzondere wet,
                    bijvoorbeeld de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988">Monumentenwet</extref>, opsporingsambtenaren aangewezen worden.</al><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>De datum van inwerkingtreding en het vervallen van de oude verordening is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten (de leden 1 en 2) en daarna voor
                    rijksmonumenten (de leden 3 en
                        4). Vervolgens wordt bepaald dat de op grond van de oude
                    verordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht
                    worden te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe
                    verordening (de leden 5 en
                    6). Ten slotte is in lid
                        7 geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke
                    monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening,
                    worden afgehandeld op grond van de oude verordening.</al><al>Het eerste lid is gebaseerd
                    op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=139">artikel 139 van de Gemeentewet</extref>. Hierin wordt de bekendmaking van
                    verordeningen geregeld.</al><al>In dit artikel is geen overgangsbepaling opgenomen ten aanzien van
                    rijksmonumenten omdat artikel 14 van de modelmonumentenverordening, noch <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Monumentenwet%201988/article=12">artikel 12 van de Monumentenwet 1988</extref> is gewijzigd. Evenmin is een
                    regeling getroffen inzake het toepasselijk recht ten aanzien van
                    bezwaarschriften die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening.
                    Dit betekent dat het nieuwe recht op deze bezwaarschriften van toepassing
                    is.</al><al>Tot 1 januari 2002 traden alle verordeningen in werking op de achtste dag na
                    bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor was aangewezen (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=142">artikel 142 Gemeentewet</extref>). Hierin is verandering gekomen door de
                    inwerkingtreding van de Tijdelijke referendumwet (Trw) op 1 januari 2002. Deze
                    wet maakt referenda mogelijk over onder andere de vaststelling, wijziging en
                    intrekking van verordeningen. Wel zijn enkele verordeningen uitgezonderd, die
                    hier niet van belang zijn. De vaststelling, wijziging of intrekking van een
                    monumentenverordening is een van de besluiten waarover een referendum kan worden
                    gehouden.</al><al>Verordeningen waarover op grond van de Trw een referendum kan worden gehouden,
                    treden in afwijking van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=142">artikel 142 Gemeentewet</extref>, niet eerder in werking dan zes weken na
                    de bekendmaking van de verordening (artikel 22 Trw). De termijn van zes weken
                    hangt ermee samen dat na bekendmaking van de verordening en de mededeling dat
                    over deze verordening een referendum gehouden kan worden, een verzoek tot het
                    houden van een referendum kan worden ingediend. Wel kan gekozen worden voor een
                    later tijdstip van inwerkingtreding.</al><al>Als er een tijdstip voor inwerkingtreding is bepaald en indien een inleidend
                    verzoek tot het houden van een referendum over de monumentenverordening
                    onherroepelijk is toegelaten, vervalt het tijdstip van inwerkingtreding van
                    rechtswege (artikel 22, derde lid, Trw) en zal de raad, nadat vaststaat dat geen
                    referendum wordt gehouden of het referendum niet heeft geleid tot een
                    raadgevende uitspraak tot afwijzing (artikel 5), opnieuw
                    in de inwerkingtreding moeten voorzien. Indien een referendum wordt gehouden dat
                    leidt tot een raadgevende uitspraak tot afwijzing, moet de raad na het
                    referendum de beslissing tot vaststelling of wijziging van de
                    monumentenverordening heroverwegen. Ook als de raad na heroverweging alsnog
                    besluit tot inwerkingtreding (in plaats van intrekking) van de
                    monumentenverordening, zal de raad opnieuw in een tijdstip van inwerkingtreding
                    moeten voorzien.</al><al>Op grond van de Trw bepaalt de raad (dus niet het college) het tijdstip van
                    inwerkingtreding. Naast de mogelijkheid om het tijdstip van inwerkingtreding in
                    de verordening zelf aan te wijzen, blijft het ook geoorloofd in de verordening
                    te bepalen dat de verordening in werking treedt op een door de raad te bepalen
                    tijdstip. Met het oog op de Trw is deze keuze het eenvoudigst, waarbij het
                    tijdstip van inwerkingtreding pas wordt vastgesteld nadat onherroepelijk
                    vaststaat dat over de verordening geen referendum wordt aangevraagd. Het ligt in
                    de rede dat ook een besluit van de raad waarbij de datum van inwerkingtreding
                    wordt aangewezen, wordt afgekondigd op dezelfde wijze als de verordening zelf
                    (zie mr. J. Bool, De <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet">Gemeentewet</extref>, blz. 134, noot 3).</al><al>Het college is op grond van de Trw gehouden tot het bekendmaken van de
                    verordening en de mededeling dat tot drie weken na bekendmaking van de
                    verordening een verzoek tot het houden van een referendum over de
                    monumentenverordening kan worden ingediend. Op grond van de Tijdelijke
                    referendumwet is de gemeente verplicht om een referendum te organiseren over een
                    verordening indien voldoende kiesgerechtigden een verzoek tot het houden van een
                    referendum indienen. Zie voor meer informatie over de Trw de circulaires van het
                    ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (CW2001/82554 en
                    CW2001/82050) en de ledenbrieven van de VNG over dit werp (Lbr. 01/158 en Lbr.
                    01/217).</al><al>De Trw is niet van toepassing op technische wijzigingen van de verordening.</al><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>