<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72416_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening WWB</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">-</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, sub b juncto</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Wet werk en bijstand, art. 18, rweede lid </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Publicatiedatum is niet bekend. Gelet op de (interne) publicatierichtlijnen kan worden uitgegaan van publicatie op 19-03-2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening WWB</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Steenbergen;</al><al>in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11
                        januari 2010</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">artikel 147 van de Gemeentewet</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8, lid 1, sub b</extref>. juncto <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand</extref>;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Maatregelenverordening WWB gemeente Steenbergen;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van Steenbergen;.</al></li><li nr="b."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB);</al></li><li nr="c."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="d."><al>algemene bijstand: de bijstand als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, sub b van de wet</extref>;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: de bijstand als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, sub d van de wet</extref>;</al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=5">artikel 5, sub c van de wet</extref>;</al></li><li nr="g."><al>afstemming: het verlagen van de bijstand op grond van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2 van de wet</extref>;</al></li><li nr="h."><al>benadelingsbedrag: de netto bijstand die door de
                                            schending van de inlichtingenplicht van belanghebbende
                                            wordt teruggevorderd verhoogd met de afgedragen en niet
                                            meer te verrekenen loonbelasting en de premies
                                            volksverzekeringen alsmede de vergoeding in het kader
                                            van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Zorgverzekeringswet">Zorgverzekeringswet</extref>;</al></li><li nr="i."><al>belanghebbende: degene van wie het belang rechtstreeks
                                            bij een besluit is betrokken;</al></li><li nr="j."><al>reïntegratie-instrumenten: instrumenten, die het college
                                            ter beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning,
                                            als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=7">artikel 7 van de wet</extref>;</al></li><li nr="k."><al>reïntegratietraject: een plan, bestaande uit een geheel
                                            van reïntegratie-instrumenten, dat doel heeft om binnen
                                            een bepaald tijdsbestek, te komen tot
                                            arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">wet</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikel 28, lid 2</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikel 29, lid 1 van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref>
                                    voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                    waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                    misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                    opgelegd;</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en
                                    de omstandigheden waarin hij verkeert;</al></li><li nr="3."><al>Indien belanghebbende over het in aanmerking te nemen tijdvak
                                    zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige
                                    gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte van de
                                    maatregel hiermee rekening gehouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm en de bijzondere
                            bijstand.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Het besluit tot het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder
                                    geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de
                                    maatregel, het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd
                                    en/of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd uitgaande
                                    van de bijstandsnorm en voor zover van toepassing de reden om af
                                    te wijken van een standaardmaatregel;</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden
                                    wordt opgelegd, wordt telkens aan het einde van een tijdvak van
                                    drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd,
                                    heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de
                                    gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen;</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=7">artikel 7 van de wet</extref> werkzaamheden in het
                                            kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een
                                            gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld
                                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                            bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van
                                            de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van
                                            vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht;</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan;</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Indien over deze periode reeds een maatregel is
                                    toegepast, wordt de maatregel aansluitend op deze periode
                                    opgelegd. Bij de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van de
                                    voor die maand geldende bijstandsnorm;</al></li><li nr="2."><al>Bij een aanvraag om bijstand wordt de maatregel met ingang van
                                    de ingangsdatum van de uitkering opgelegd;</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 wordt de maatregel met terugwerkende
                                    kracht opgelegd, voor zover de betaling van de bijstand is
                                    opgeschort in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, lid 1 van de wet</extref>;</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van lid 1 wordt de maatregel met terugwerkende
                                    kracht opgelegd, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van
                                    de inlichtingenplicht als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand en
                                    wegens beëindiging van de bijstand het opleggen van een
                                    maatregel, als bedoeld in lid 1 niet (geheel) mogelijk is. De
                                    maatregel kan niet eerder ingaan dan de datum waarop de
                                    maatregelwaardige gedraging zich heeft voorgedaan;</al></li><li nr="5."><al>Bij de herziening van het recht op bijstand op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, lid 3 van de wet</extref> wordt in deze
                                    situatie rekening gehouden met de op te leggen maatregel met
                                    terugwerkende kracht, alsmede met de terugvordering van de
                                    daardoor teveel of ten onrechte verstrekte bijstand;</al></li><li nr="6."><al>De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak
                                    dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft. Indien een
                                    opgelegde maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                    als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> wegens voortijdige
                                    beëindiging van de bijstand en (volledige) herziening van de
                                    bijstand naar het verleden toe, niet of niet volledig kan worden
                                    geëffectueerd, wordt deze alsnog in de toekomst bij het recht op
                                    bijstand betrokken, wanneer belanghebbende binnen één jaar na de
                                    herzienings- en terugvorderings-datum van de bijstand opnieuw
                                    bijstand gaat ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen, die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, lid 1 inhouden, wordt voor het bepalen van de
                            hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de
                            zwaarste maatregel van toepassing is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan
                            reïntegratieverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9. Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende in het kader van reïntegratie, waardoor
                            een verplichting op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikelen 9</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">55</extref> en/of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=57">57 van de wet</extref> niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr=""><al>het zich niet of niet tijdig als werkzoekende laten
                                            registreren bij het UWV-werkbedrijf of het niet tijdig
                                            laten verlengen van die registratie.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot (arbeids-)
                                            participatie anders dan het niet daartoe verschijnen
                                            zonder bericht van verhindering;</al></li><li nr="3."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            in verband met (arbeids-) participatie op een aangegeven
                                            plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="4."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van de
                                            door het college aangeboden onbeloonde additionele
                                            werkzaamheden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=10a">artikel 10a van de wet</extref> alsmede andere
                                            vormen van sociaal activering;</al></li><li nr="5."><al>het niet of in onvoldoende nakomen van een verplichting
                                            als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=57">artikel 57 van de wet</extref>.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsparticipatie als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9, lid 1, sub b</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=10">artikel 10, lid 1 van de wet</extref> niet zijnde
                                            een participatiebaan in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=10a">artikel 10a van de wet</extref> alsmede andere
                                            vormen van sociaal activering;</al></li><li nr="2."><al>andere gedragingen die de (arbeids-) participatie
                                            belemmeren;</al></li><li nr="3."><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van een
                                            verplichting als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">artikel 55 van de wet</extref>;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="2."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. De waarschuwing</titel></kop><al>Een eerste maatregel wordt pas opgelegd, nadat belanghebbende voor zijn
                            gedragingen een waarschuwing heeft gekregen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11. De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, lid 2</extref> wordt de hoogte en duur van de
                                    maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als omschreven
                                    in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-9-indeling-in-categorieen">artikel 9</extref> vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                            bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                            bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>dertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                            bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee
                                            maanden bij gedragingen van de vierde categorie met dien
                                            verstande dat bij het niet aanvaarden of behouden van
                                            algemeen geaccepteerde arbeid van geringe omvang de
                                            hoogte van de maatregel wordt vastgesteld naar de mate
                                            waarin de belanghebbende inkomen zou hebben kunnen
                                            verwerven of heeft verloren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in lid 1 wordt verdubbeld,
                                    indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige
                                    als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan
                                    een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                    categorie;</al></li><li nr="3."><al>Bij volharding in een verwijtbare gedraging en voorts nadat twee
                                    eerdere maatregelen zijn opgelegd voor dezelfde gedraging, wordt
                                    tevens de hoogte van de maatregel verdubbeld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingen- en
                            medewerkingsplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12. Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende de verplichting op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet tijdig is nagekomen
                                    door informatie, die van belang is voor de verlening van
                                    bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het
                                    college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt
                                    onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, lid 2</extref> een maatregel van vijf procent
                                    van de bijstandsnorm gedurende één maand opgelegd;</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien belanghebbende
                                    zich binnen twaalf maanden na het vorige feit als bedoeld in lid
                                    1 opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te
                                    merken gedraging;</al></li><li nr="3."><al>Bij volharding in deze verwijtbare gedraging en voorts nadat
                                    twee eerdere maatregelen zijn opgelegd voor dezelfde gedraging,
                                    wordt tevens de hoogte van de maatregel verdubbeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                met gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt
                                    een maatregel opgelegd welke is afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag;</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, lid 2</extref> wordt bij een benadelingsbedrag
                                    tot €10.000,--, het percentage van de maatregel vastgesteld op
                                    éénhonderdste van het benadelingsbedrag met een minimum van vijf
                                    procent. De berekeningsgrondslag is de bijstandsnorm. De duur
                                    van de maatregel bedraagt één maand;</al></li><li nr="3."><al>Bij een benadelingsbedrag van € 10.000,-- of meer wordt aangifte
                                    gedaan bij het Ministerie van Justitie. Indien de officier van
                                    justitie besluit niet tot vervolging over te gaan, wordt alsnog
                                    een maatregel van honderd procent van de bijstandsnorm gedurende
                                    een maand opgelegd;</al></li><li nr="4."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in lid 2 en lid 3 wordt
                                    verdubbeld, indien belanghebbende zich binnen vierentwintig
                                    maanden na de vorige schending van de inlichtingen-plicht
                                    opnieuw schuldig maakt aan hetzelfde feit als bedoeld in lid
                                    1.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                zonder gevolgen voor de bijstand</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 van de wet</extref> niet heeft geleid tot het
                                    ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand,
                                    wordt onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, lid 2</extref> een maatregel van vijf procent
                                    van de bijstandsnorm gedurende één maand opgelegd;</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien belanghebbende
                                    zich binnen twaalf maanden na het vorige feit als bedoeld in lid
                                    1 opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te
                                    merken gedraging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend
                                    besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                    bestaan als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2 van de wet</extref>, wordt de maatregel
                                    afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn
                                    gedraging eerder of langer een beroep op bijstand moet
                                    doen;</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, lid 2</extref> bedraagt de maatregel: </al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                                            bij een periode van drie maanden of korter;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende twee
                                            maanden bij een periode van vier tot en met zes
                                            maanden;</al></li><li nr="c."><al>dertig procent van de bijstandsnorm gedurende drie
                                            maanden bij een periode van langer dan zes maanden.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                            of zijn ambtenaren en medewerkers in samenhang met het niet dan wel
                            onvoldoende nakomen van de uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">wet</extref> of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikel 28, lid 2</extref> dan wel <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikel 29, lid 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk
                                en inkomen</extref> voortvloeiende verplichtingen, wordt
                            onverminderd artikel 2, lid 2 als verzwarende omstandigheid de duur van
                            de maatregel als bedoeld in de artikelen 10 t/m 14 verdubbeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17.SVBmaatregelenbeleid</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen in de hoofdstukken 3 en 4 van deze
                            verordening zijn op uitkerings-gerechtigden die op grond van de
                            mandaatverstrekking (collegebesluit van 16 februari 2009) van de SVB een
                            uitkering ingevolge de WWB en bijstand ontvangen, het maatregelbeleid
                            van de SVB (Staatscourant 2006, nummer 121 en Staatscourant 2008, nummer
                            98) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Beleid</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19. Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in
                            bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende worden afgeweken van
                            de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening is van toepassing op maatregelwaardige
                                    gedragingen als bedoeld in de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-10-de-waarschuwing">artikelen 10</extref> en <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-11-de-hoogte-en-duur-van-de-maatregel">11</extref>, de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-13-verstrekken-van-onjuiste-of-onvolledige-inlichtingen-met-gevolgen-voor-de-bijstand">artikelen 13 t/m 15</extref> en op maatregelwaardige
                                    gedragingen als bedoeld in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-12-te-laat-verstrekken-van-gegevens">artikel 12</extref>, die zijn geconstateerd, op de eerste
                                    van de maand, volgende op de datum van inwerkingtreding van de
                                    Maatregelenverordening gemeente Steenbergen;</al></li><li nr="2."><al>Eerdere verwijtbare gedragingen waarbij een maatregel op grond
                                    van de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Afstemmingsverordening-gemeente-Steenbergen/01-01-2004">Afstemmingsverordening gemeente Steenbergen</extref>,
                                    vastgesteld op 18 december 2003, worden in aanmerking genomen
                                    bij de vaststelling van de duur van de maatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ”Maatregelenverordening WWB
                            gemeente Steenbergen”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Ingangsdatum</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 februari 2010.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23.</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening gemeente Steenbergen, vastgesteld in de
                            openbare vergadering van 18 december 2003, vervalt op 1 februari
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 25 februari 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier,de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING MAATREGELENVERORDENING WWB GEMEENTE
                    STEENBERGEN.</vet></al><al>In het kader van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB) moeten gemeenten zelf hun sanctiebeleid
                    vormgeven. De WWB kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de
                    uitkering.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">Artikel 18 WWB</extref> bevat de opdracht aan gemeenten om het
                    maatregelenbeleid in een verordening vast te leggen.</al><al>Dit artikel luidt:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                            belanghebbende;</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                            voorziening in het bestaan dan wel de uit deze <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">wet</extref> dan wel de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikelen 28, tweede lid</extref>, of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                inkomen</extref> voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                            nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                            misdragen, verlaagt het college overeenkomstig de verordening, bedoeld
                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">artikel 8, eerste lid, onderdeel b</extref>, de bijstand. Van een
                            verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt;</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt;</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin.</al></li></lijst><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 1</extref> wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.</al><al>In deze bepaling wordt benadrukt, dat het vaststellen van de hoogte van de
                    uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden
                    maatwerk is, waarbij recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de
                    persoonlijke omstandigheden van de uitkeringsgerechtigden.</al><al>In lid 2 wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en verplichtingen
                    van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden.
                    Dit betekent, dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen
                    afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden
                    nagekomen. Wanneer tot het oordeel is gekomen, dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd.
                    Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    verlaging. Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door
                    de gemeenteraad vast te stellen verordening.</al><al><vet>De term “maatregel”</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het afstemmen van de uitkering op de mate
                    waarin belanghebbende de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip
                    afstemmen wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt, dat rechten en plichten
                    onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.</al><al>Zonder dat uitgangspunt los te laten, verdient het de voorkeur om het verlagen
                    van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen aan
                    te duiden als het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt niet alleen
                    aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen
                    gangbaar is, maar wordt ook het corrigerende karakter ervan benadrukt. Wel dient
                    steeds voor ogen te worden gehouden, dat het opleggen van een maat-regel in de
                    meeste gevallen een reparatoire sanctie betreft (ook wel herstelsanctie
                    genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming brengen van de hoogte van de
                    bijstand met de mate waarin de bijstandsgerechtigde de aan de uitkering
                    verbonden verplichtingen nakomt.</al><al>Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt om een
                    maatregel op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan een
                    verplichting voldoet, wordt de verordening als ‘Maatregelenverordening’
                    aangeduid.</al><al><vet>Het verlagen van de bijstand</vet></al><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2 WWB</extref> kan zowel de algemene bijstand als de
                    bijzondere bijstand worden verlaagd. Gezien het karakter van de bijzondere
                    bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens schending van een
                    of meer verplichtingen ook niet in de rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand
                    in aanmerking komt voor bijzondere bijstand een rol spelen of betrokkene zijn
                    verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de
                    plicht om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening
                    in het bestaan.</al><al>De Maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een maatregel.
                    Daarbij is het aspect van rechtszekerheid voor de burger van groot belang. De
                    verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden.
                    Dat houdt tevens in, dat het niet toegestaan is om een zwaardere sanctie op te
                    leggen dan volgens de verordening is toegestaan.</al><al><vet>De relatie met de Reïntegratieverordening gemeente Steenbergen
                    2009</vet></al><al>Gemeenten hebben ook de plicht een reïntegratieverordening vast te stellen. In
                    deze verordening wordt vastgelegd hoe de cliënten worden ondersteund bij de
                    arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het aanbieden van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling.</al><al>Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing en stages, loonkostensubsidie en
                    gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies en kinderopvang. In beginsel
                    worden aan iedere cliënt de arbeidsverplichtingen opgelegd. De algemene
                    verplichting staat in de wet genoemd. In de reïntegratieverordening wordt
                    aandacht geschonken aan de voorzieningen die kunnen worden ingezet. De vertaling
                    daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt de
                    verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor de
                    basis is gelegd in de Maatregelenverordening.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING MAATREGELENVERORDENING WWB GEMEENTE
                        STEENBERGEN.</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB). In de verordening wordt het begrip
                    belanghebbende gebruikt. Dit begrip wordt in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> omschreven als
                    degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</al><al><vet>Artikel 2, eerste lid, Het opleggen van een maatregel</vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2</extref>);</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9</extref>). Deze plicht bestaat uit twee soorten: </al><lijst><li nr="a."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling.</al></li><li nr=""><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in
                                    specifieke verplichtingen, die zijn toegesneden op de situatie
                                    en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde. De <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Re-integratieverordening-Wet-werk-en-bijstand-2009/01-10-2009">reïntegratie-verordening</extref> vormt de juridische basis
                                    voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                    verplichtingen moeten in het besluit tot het verlenen van
                                    bijstand worden neergelegd;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Informatieplicht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, lid 1</extref>). Op een uitkeringsgerechtigde rust de
                            verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
                            mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn op
                            zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, lid 2</extref>). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                            medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                            zoals het toestaan van huisbezoek of het meewerken aan een psychologisch
                            onderzoek.</al></li></lijst><al>De Wet SUWI (Structuur Uitvoeringorganisatie Werk en Inkomen) legt ook
                    verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om
                    alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV-werkbedrijf te verstrekken
                    die nodig zijn voor de beslissing door het college (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikel 28, lid 2 Wet SUWI</extref>) en de verplichting om op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het
                    UWV-werkbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op
                    bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd, dat het college een op te leggen
                    maatregel dient af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                    mee, dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet
                    op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                    afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel
                    geboden is.</al><al>Dit betekent, dat bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en
                    zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moeten worden doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 het vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>stap 2 het vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>stap 3 het vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het percentage waarmee de
                    bijstand wordt verlaagd alsmede de duur hiervan. Wat betreft de beoordeling van
                    de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld aan de orde zijn bij bijzondere financiële omstandigheden van
                    belanghebbende, zoals bijvoorbeeld: hoge woonlasten of andere vaste lasten of
                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                    is, sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Eerdere maatregelwaardige gedragingen kunnen als verzwarende omstandigheden
                    worden aangemerkt.</al><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm
                    inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging en de vakantietoeslag.</al><al>Ook op de bijzondere bijstand is de maatregelenverordening van toepassing, met
                    name hoofdstuk 4.</al><al>De keuze wordt gemaakt om geen maatregel toe te passen op de
                    langdurigheidstoeslag. De wet biedt hiertoe wel de mogelijkheid. Aan de
                    verlaging van de langdurigheidstoeslag is het volgende bezwaar verbonden: de
                    langdurigheidstoeslag wordt uitgekeerd indien belanghebbende hiervoor een
                    aanvraag indient en aan de gestelde voorwaarden voldoet. Dat kan leiden tot de
                    situatie dat in een bepaalde situatie de langdurigheidstoeslag al is uitbetaald
                    en belanghebbende zodoende aan de verlaging ontkomt, terwijl in een andere
                    situatie de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al><al><vet>Artikel 4, eerste lid. Het besluit tot het opleggen van een
                    maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege een op te leggen maatregel vindt plaats
                    door middel van een besluit. Indien een maatregel met terugwerkende kracht wordt
                    opgelegd, moet een besluit tot herziening van de bijstand worden genomen
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, lid 3 WWB</extref>). Tegen beide besluiten kan door
                    belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit lid staat aangegeven
                    wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien
                    rechtstreeks voort uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in, dat een
                    besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering moet zijn voorzien.</al><al>Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Door een maatregel voor een
                    bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een
                    maatregel wordt gecon-fronteerd, waar hij aan toe is. Na afloop van de periode
                    waarvoor de maatregel is getroffen, kan opnieuw een maatregel worden opgelegd.
                    Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien een maatregel voor een langere periode dan drie maanden wordt opgelegd,
                    dient de maatregel binnen drie maanden na uitvoering van het besluit aan een
                    herbeoordeling te worden onderworpen. Dit is geregeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 3, WWB</extref>. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw
                    een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden
                    opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat.
                    Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin belanghebbende
                    verkeert, maar ook of de desbetreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                    voldoet.</al><al><vet>Artikel 5. Horen van belanghebbende</vet></al><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">afdeling 4.1.2. van de Awb</extref> is in een aantal gevallen het horen van
                    belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht
                    geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben
                    op een financiële aanspraak (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A12">artikel 4:12 Awb</extref>), behalve bij subsidies. In dit artikel wordt het
                    horen van belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel
                    voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze
                    hoorplicht.</al><al>Bij het verlagen van de bijstand wegens het niet nakomen van
                    arbeidsverplichtingen staat het corrigerende karakter voorop. Als echter een
                    maatregel wordt opgelegd vanwege agressief gedrag (LJN: BC1811 en BE8919),
                    schending van de inlichtingenplicht (LJN: BA7556) of te snelle intering van
                    vermogen, is er op basis van de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep
                    sprake van een punitieve sanctie, waarin leedtoevoeging centraal staat.</al><al>Bij het opleggen van een punitieve sanctie dient met bepaalde rechtswaarborgen
                    rekening te worden gehouden, onder meer de cautie, de mededeling aan
                    belanghebbende dat deze het recht heeft om te zwijgen, alsmede het nemo tenetur
                    beginsel, dat wil zeggen het beginsel dat niemand aan het tot stand brengen van
                    bewijs tegen zichzelf hoeft mee te werken.</al><al><vet>Artikel 6, eerste lid. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2 WWB</extref> geregeld. Zonodig kan het college in
                    beleidsregels neer-leggen hoe om te gaan met de beoordeling van de
                    verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke gedragingen in principe
                    altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan
                    in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van
                    verzachtende omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is, dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit is het nodig, dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden is onder b geregeld, dat geen
                    maatregelen meer worden opgelegd voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20bijstandswet/article=14e">artikel 14e van de Algemene bijstandswet</extref> in verband met het
                    opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn
                    van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en
                    gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de
                    fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hierin wordt geregeld, dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht. Wat
                    dringende redenen zijn, is af-hankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd.</al><al><vet>Derde en vierde lid</vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat wordt afgezien van het opleggen
                    van een maatregel wegens dringende redenen, is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al><vet>Artikel 7, eerste lid. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>door middel van een verlaging van de bijstandsnorm gedurende de
                            eerstvolgende maand(en);</al></li><li nr="-"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dit geval behoeft niet te worden overgegaan tot
                    herziening van het recht op bijstand en terugvordering van de hieruit
                    voortvloeiende te veel verstrekte bijstand.</al><al>Om die reden is in dit lid vastgelegd, dat een maatregel wordt opgelegd met
                    ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor
                    die maand geldende bijstandsnorm.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Bij een aanvraag om bijstand wordt vanaf de eerste uitkeringsdag de maatregel
                    opgelegd, tenzij de verwijtbare gedraging op een later tijdstip heeft
                    plaatsgevonden.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Wanneer de uitkering nog niet aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald en de
                    betaling van de bijstand met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, lid 1 WWB</extref> is opgeschort, wordt de maatregel opgelegd
                    met ingang van de eerste dag waarop niet meer is betaald.</al><al><vet>Vierde en vijfde lid</vet></al><al>Bij een geconstateerde schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17 WWB</extref> waardoor ten onrechte bijstand is genoten en
                    waarbij de uitkering van belanghebbende inmiddels is dan wel wordt beëindigd, is
                    er in praktische zin geen mogelijkheid meer om een maatregel naar de toekomst op
                    te leggen.</al><al>Om een dergelijk verwijtbaar gedrag van belanghebbende toch af te kunnen doen
                    door middel van het opleggen van een maatregel, biedt de verordening bij wijze
                    van uitzondering op de hoofdregel als omschreven in lid 1 toch de mogelijkheid
                    om in onderhavige situatie een maatregel met terugwerkende kracht op te leggen.
                    Dit geldt dus alleen wanneer er sprake is van een maatregel wegens schending van
                    de inlichtingenplicht als gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verstrekt. In
                    het hiervoor genoemde geval dient het besluit tot toekenning van de bijstand op
                    grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, lid 3 WWB</extref> te worden herzien en de hieruit
                    voortvloeiende te veel of ten onrechte verstrekte bijstand te worden
                    teruggevorderd.</al><al>Bij de vaststelling van de totale herziening/terugvordering dient rekening te
                    worden gehouden met zowel de met terugwerkende kracht op te leggen maatregel
                    alsmede met het bedrag van de terug te vorderen bijstand.</al><al>Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan een maatregel
                    niet eerder ingaan dan de datum waarop de verwijtbare gedraging zich heeft
                    voorgedaan. Dit betekent, dat als belanghebbende bijvoorbeeld in de maanden
                    september tot en met november blijk heeft gegeven van verwijtbaar gedrag, het
                    via de herzieningsprocedure opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht
                    dan ook enkel mogelijk is over die genoemde maanden en er dus géén maatregel mag
                    worden opgelegd over bijvoorbeeld de voorafgaande maand augustus als
                    belanghebbende in die maand geen verwijtbaar gedrag heeft getoond.</al><al><vet>Zesde lid</vet></al><al>Het is niet toegestaan, rekening houdend met de op te leggen maatregel, vanwege
                    onvoldoende terugvorderingsruimte een andere periode in aanmerking te nemen. Wel
                    wordt hierbij voorzien in de mogelijkheid om een op te leggen maatregel wegens
                    schending van de inlichtingenplicht die thans niet (geheel) kan worden
                    geëffectueerd, alsnog in de toekomst op te leggen. Doordat de bijstand inmiddels
                    is dan wel wordt beëindigd en de bijstandsperiode waarop de maatregeloplegging
                    betrekking heeft vanwege verzwegen middelen al (nagenoeg) geheel moet worden
                    teruggevorderd, is er niet voldoende ruimte meer in de terugvordering om de op
                    te leggen maatregel hierin (volledig) mee te nemen.</al><al>Aan de mogelijkheid de maatregel alsnog in de toekomst op te leggen geldt echter
                    wel een beperking in de tijd van één jaar, te rekenen vanaf de herzienings- en
                    terugvorderingsdatum van de bijstand waarbij tevens melding wordt gemaakt van
                    maatregelwaardig gedrag.</al><al>Indien belanghebbende binnen één jaar na deze datum (wederom) een beroep op
                    bijstand doet, dient opnieuw een besluit te worden genomen in hoeverre de
                    (restant)maatregel alsnog wordt opgelegd bij de dan toe te kennen bijstand. Doet
                    belanghebbende gedurende dat jaar géén beroep op bijstand dan blijft het alsnog
                    opleggen van de maatregel achterwege.</al><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. Dit artikel ziet niet toe op de situatie, dat belanghebbende zich
                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maat-regel is opgelegd, opnieuw
                    schuldig maakt aan verwijtbaar gedrag. Dit is dan namelijk een nieuwe latere
                    gedraging waarvan opnieuw moet worden beoordeeld of daarvoor een maatregel
                    gerechtvaardigd is.</al><al><vet>Artikel 9. Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid.</al><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het UWV-werkbedrijf en ingeschreven te doen blijven.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                    voldoende te solliciteren.</al><al>Voorts valt onder deze categorie de verplichting van belanghebbende alle
                    medewerking te verlenen bij het onderzoek naar zijn mogelijkheden op het terrein
                    van (arbeids)participatie, alsmede de verplichting desgevraagd op tijd en de
                    juiste plaats te verschijnen in het kader van zijn arbeidsparticipatie.</al><al>Nieuw is de voorziening van participatiebanen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=10a">artikel 10a WWB</extref>. Participatie-banen zijn specifiek bedoeld voor
                    uitkeringsgerechtigden met een kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces
                    ten gevolge van persoonlijke werkbelemmeringen, waardoor zij vooralsnog niet
                    bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. Het doel van een participatiebaan is om
                    betrokkene dichter bij de arbeidsmarkt te brengen.</al><al>Het streven is er dan ook op gericht betrokkene door te laten stromen naar een
                    volgende trede op de reïtegratieladder, waarbij het accent meer ligt op
                    arbeidsactivering. Participatiebanen zijn tijdelijke additionele werkzaamheden
                    met behoud van uitkering, welke passen bij de vaardigheden van deze mensen. Deze
                    werkzaamheden kunnen van velerlei aard zijn en dienen nuttig te zijn voor de
                    ontwikkeling van betrokkene richting de reguliere arbeidsmarkt waarbij deze
                    activiteiten tevens nuttig voor de samenleving kunnen zijn.</al><al>Gelet op de grote afstand tot de arbeidsmarkt waarin belanghebbenden verkeren,
                    wordt indeling van deze voorziening alsmede andere vormen van sociaal activering
                    in categorie 3 niet rechtvaardig geacht.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=57">Artikel 57 WWB</extref> heeft betrekking op de situatie, dat belanghebbende
                    zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn
                    bestaansmiddelen te komen. In het kader van dit artikel kan aan de bijstand de
                    verplichting worden verbonden, dat belanghebbende meewerkt aan bijvoorbeeld
                    budgettering.</al><al><vet>Onderdeel c</vet></al><al>Bij de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een langer beroep op bijstand dan strikt noodzakelijk wordt geacht. Het gaat
                    hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaarding van arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen.</al><al>Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij sollicitaties en
                    onvoldoende medewerking aan een opgesteld trajectplan, niet zijnde gericht op
                    een participatiebaan.</al><al>Voorts vallen onder deze categorie aanvullende opgelegde verplichtingen als
                    bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=55">artikel 55 WWB</extref>, die strekken tot arbeidsinschakeling dan wel die
                    verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die
                    strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. Een verplichting kan,
                    op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke
                    behandeling van medische aard.</al><al><vet>Onderdeel d</vet></al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid, alsmede het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid.</al><al><vet>Artikel 10. De waarschuwing</vet></al><al>Het college gaat niet eerder over tot het nemen van een eerste maatregel nadat
                    belanghebbende voor zijn gedragingen een waarschuwing heeft gekregen. Indien in
                    een periode van minimaal twee jaren, voorafgaande aan de geconstateerde
                    overtreding, geen overtreding heeft plaats gevonden, wordt gesproken van een
                    eerste maatregel. Een waarschuwing wordt gegeven ingeval van een gedraging, als
                    bedoeld in artikel 9 van deze
                        verordening, onder a, b.en c.</al><al><vet>Artikel 11, eerste lid. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of het behouden
                    hiervan, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is het
                    proportionaliteits- en evenredigheidsbeginsel in ogenschouw genomen. De
                    opgelegde maatregel dient in een redelijke verhouding te staan tot de gedraging.
                    Dit betekent, dat de maatregel een groter financieel effect op de uitkering
                    heeft naarmate de gedraging ernstiger is. Voorts wordt met de op te leggen
                    maatregel gedragsverandering bij de bijstandsgerechtigde beoogd.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerdere verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                    categorie, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de maatregel. Een eerdere verwijtbare gedraging
                    waarbij om dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel,
                    wordt in dit kader mede in aanmerking genomen.</al><al>Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden geldt het
                    tijdstip waarop de vorige verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                    verwijtbaar gedrag vertoont, wordt vanwege zware verwijtbaarheid tevens de
                    hoogte van het percentage verdubbeld. Als belanghebbende ook na een derde
                    maatregel blijft volharden in zijn gedrag, dient de hoogte en de duur van de
                    maatregel individueel te worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende.</al><al><vet>Artikel 12, eerste lid. Te laat verstrekken van gegevens</vet></al><al>Indien belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt en de feiten en
                    omstandigheden niet kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk
                    voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens dan wel kunnen worden verkregen
                    uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties, kan, voor zover van
                    toepassing, het recht op bijstand worden opgeschort (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=54">artikel 54, lid 1</extref>).</al><al>Vervolgens wordt belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim
                    binnen een gestelde termijn te herstellen (de hersteltermijn).</al><al>Als de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn wordt verstrekt,
                    wordt de bijstand stopgezet (het intrekken van het besluit tot toekenning van de
                    bijstand). Als de gevraagde gegevens wel binnen de hersteltermijn worden
                    verstrekt, wordt de bijstand voortgezet waarbij een maatregel wordt
                    opgelegd.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Bij herhaling van het feit binnen een jaar wordt de duur van de maatregel
                    verdubbeld.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom niet tijdig
                    informatie verstrekt, wordt vanwege zware verwijtbaarheid tevens de hoogte van
                    het percentage verdubbeld. Als belanghebbende ook na een derde maatregel blijft
                    volharden in zijn gedrag, dient de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel te worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende.</al><al><vet>Artikel 13, eerste lid. Het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                        inlichtingen met gevolgen voor de bijstand</vet></al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=17">artikel 17, lid 1 WWB</extref> is bepaald, dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De ernst van de gedraging
                    komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Het percentage van
                    de maatregel wordt hierop afgestemd.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het op te leggen percentage bedraagt éénhonderdste van het benadelingsbedrag.
                    Afronding van het percentage geschiedt op een geheel getal naar beneden.</al><al>Voorbeeld:</al><al>Het benadelingsbedrag is vastgesteld op € 8.756,19.</al><al>Het percentage van de maatregel bedraagt € 8.756,19 : 100 = 87,56%, afgerond is
                    dit dus 87 %. De maatregel bedraagt dan 87 procent van de bijstandsnorm
                    gedurende een maand.</al><al>Bij de minimale maatregel van 5 % van de bijstandsnorm is sprake van een
                    benadelingsbedrag van € 500,-- of lager.</al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Het benadelingsbedrag waarbij op grond van de Aangifterichtlijn sociale
                    zekerheid aangifte moet worden gedaan bij de Officier van Justitie is per 1
                    januari 2009 opgetrokken naar € 10.000,--.</al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen
                    vierentwintig maanden na de vorige schending van de inlichtingenplicht opnieuw
                    schuldig maakt aan hetzelfde feit.</al><al><vet>Artikel 14. Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand</vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld, ofwel het verstrekken
                    van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                    heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden hiervan zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk.</al><al><vet>Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent, dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een beroep op bijstand moet doen,
                    bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening wordt gehouden door het
                    opleggen van een maatregel.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering.</al></li></lijst><al>Dit geldt zowel voor algemene bijstand als bijzondere bijstand. Bij de
                    vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang
                    betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond.</al><al><vet>Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Het zich zeer ernstig misdragen valt expliciet onder de reikwijdte van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2 WWB</extref>. Bij de behandeling van de WWB heeft de
                    wetgever aangegeven, dat er in dat geval sprake is van een reparatoire sanctie,
                    zolang er maar enig verband is tussen de ernstige gedraging en mogelijke
                    belemmeringen bij het vaststellen van de uitkering. Indien er geen verband is
                    tussen het wangedrag van de betrokkene en de mogelijkheid van het vaststellen
                    van het recht op uitkering is er sprake van een punitieve sanctie. Bij een
                    punitieve sanctie is sprake van leedtoevoeging (vergelijkbaar met straffen in
                    het strafrecht). Bij een reparatoire sanctie gaat het om herstel van een
                    gewenste toestand en/of gedraging.</al><al>Bijvoorbeeld: een bijstandsgerechtigde heeft niet of niet tijdig informatie
                    aangeleverd. De verlaging van de uitkering als reparatoire sanctie heeft als
                    doel dat de bijstandsgerechtigde alsnog de informatie aanlevert dan wel dat in
                    de toekomst tijdig zal doen.</al><al>In een recente uitspraak van 29 juli 2008 (LJN: BD7970) stelt de Centrale Raad
                    van Beroep, kort samengevat, expliciet dat er te allen tijde een link moet zijn
                    bij agressief gedrag met schending van verplichtingen die gelden op grond van de
                    WWB.</al><al>In deze uitspraak was sprake van een situatie waarin het college aan een
                    bijstandsgerechtigde een toegangsverbod voor het gebouw heeft opgelegd.</al><al>De betreffende bijstandsgerechtigde meldde zich eigener beweging bij de voordeur
                    van het gebouw van de dienst om te informeren naar het tijdstip waarop de
                    maandelijkse uitkering aan hem betaalbaar zou worden gesteld. Nadat de
                    receptioniste hem wees op het gebouwverbod en verwees naar zijn toegewezen
                    contactpersoon die hij op bepaalde tijden kon bereiken, ging de
                    bijstandsgerechtigde toch het gebouw binnen en heeft daar vernielingen
                    aangebracht.</al><al>De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat, nu ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstig misdragen’ niet kan worden beschouwd als een aparte aan de bijstand
                    verbonden verplichting tot het nalaten van dit gedrag, aan de
                    toepassingsvoorwaarden van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, lid 2 WWB</extref> is voldaan, indien sprake is van het niet of
                    niet voldoende nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de
                    WWB. Het agressief gedrag is een verzwarende omstandigheid aan het niet of niet
                    voldoende nakomen van die verplichtingen. Nu in dit geval geen sprake was van
                    schending van aan de bijstand verbonden verplichtingen, was het college niet
                    bevoegd de uitkering te verlagen.</al><al>De Centrale Raad van Beroep merkt volledigheidshalve nog op, dat een verlaging
                    van de bijstand wegens een zeer ernstige misdraging niet alleen dan mogelijk is
                    indien als gevolg van die misdraging het recht op bijstand niet of niet langer
                    kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is dus ook mogelijk indien
                    sprake is van een zeer ernstige misdraging en ondanks de schending van de aan de
                    WWB verbonden verplichtingen het recht op bijstand toch kan worden
                    vastgesteld.</al><al>Wanneer sprake is van een reparatoire sanctie die door het college wordt
                    opgelegd, bestaan er daarnaast de mogelijkheden van het strafrecht om zeer
                    ernstige misdragingen te bestraffen. Dit geldt niet bij een punitieve sanctie,
                    immers betrokkene kan niet twee maal voor hetzelfde feit worden bestraft.</al><al>In dit verband wordt opgemerkt, dat het doen van aangifte in het kader van het
                    strafrecht een dringende reden kan vormen om af te zien van het opleggen van een
                    maatregel met betrekking tot de zeer ernstige misdraging als verzwarende
                    omstandigheid.</al><al>In dit verband zij tot slot vermeld, dat de gemeente en de afdeling Sociale
                    Zaken beschikken over een Agressieprotocol waarin nadere regels zijn opgesteld
                    hoe in voorkomende gevallen met agressief gedrag dient te worden omgegaan.</al><al><vet>Artikel 17. SVB Maatregelbeleid</vet></al><al>Als administratieve lastenverlichting voor de burger is in het kader van het
                    armoedebeleid per 1 januari 2009 de uitvoering van de verlening van algemene
                    bijstand aan personen van 65 jaar en ouder met een onvolledige AOW uitkering
                    overgedragen aan de Sociale Verzekeringsbank. De SVB heeft een eigen landelijk
                    maatregelenbeleid. In afwijking van de artikelen in de hoofdstukken 3 en 4 van
                        deze verordening zijn op bijstandsuitkeringen die door de SVB
                    worden verstrekt dan ook de ”SVB Beleidsregels inzake het opleggen van een
                    maatregel ingevolge de WWB” van toepassing.</al><al>De SVB Beleidsregels hebben geen betrekking op de plicht tot arbeidsinschakeling
                    als omschreven in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=9">artikel 9 WWB</extref>. Deze verplichting geldt immers niet voor personen
                    van 65 jaar en ouder. Indien de jongere partner van de 65-plusser deze
                    verplichting schendt, zal de SVB een maatregel opleggen die is gebaseerd op deze
                    verordening. Het is aan de gemeente die het reïntegratietraject van deze jongere
                    partner toch al uitvoert, om aan te geven welke maatregel precies moet worden
                    opgelegd. Dit volgt uit de uitvoeringsregeling bij de regeling inzake de
                    mandaatverlening.</al><al><vet>Artikel 18. Beleid</vet></al><al>Het vastleggen van gedragingen die een schending van een verplichting van de wet
                    betekenen, kan in beginsel op twee manieren. De eerste mogelijkheid is, dat alle
                    denkbare gedragingen die een schending van een verplichting inhouden in de
                    verordening worden vastgelegd. Dit heeft als voordeel dat bijstandsgerechtigden
                    weten waar zij aan toe zijn. Alleen die gedragingen die in de verordening worden
                    genoemd, kunnen dan leiden tot het opleggen van een maatregel. Het nadeel
                    hiervan is de gebrekkige flexibiliteit. De verordening moet worden aangepast,
                    als blijkt dat een bepaalde gedraging die in principe wel een schending van een
                    verplichting betekent, niet in de verordening is opgenomen.</al><al>De tweede mogelijkheid is, dat de gedragingen in hoofdlijnen in de verordening
                    worden opgenomen en dat het college deze zonodig nader uitwerkt in
                    beleidsregels. Het voordeel van beleidsregels is, dat deze gemakkelijker kunnen
                    worden gewijzigd. Beleidsregels bieden dus meer mogelijkheden voor
                    flexibiliteit.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen de gedragingen in hoofdlijnen vast te
                    leggen. Dit betekent, dat het college in beleidsregels kan vastleggen welke
                    soort gedragingen vallen onder de algemeen omschreven aanduidingen, zoals de
                    mate van verwijtbaarheid en eventuele verzachtende omstandigheden.</al><al><vet>Artikel 19. Hardheidsclausule</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 20. Overgangsrecht</vet></al><al>Al naar gelang de omstandigheden kunnen de bepalingen van deze verordening voor
                    belanghebbenden gunstiger dan wel ongunstiger uitpakken, met name bij schending
                    van de inlichtingenplicht. Ten behoeve van de uitvoering is dan ook een bepaling
                    hierover opgenomen.</al><al>Ook is voorzien in een doorwerking van eerder opgelegde maatregelen op grond van
                    de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Afstemmingsverordening-gemeente-Steenbergen/01-01-2004">Afstemmingsverordening gemeente Steenbergen</extref> om zo het
                    maatregeleninstrumentarium in de praktijk niet te frustreren.</al><al><vet>Artikel 21. Citeertitel</vet></al><al>Verwezen wordt naar het gestelde hierover bij de algemene toelichting.</al><al><vet>Artikel 22. Ingangsdatum</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 23</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>