<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72406_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ gemeente Steenbergen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">SC 19-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ gemeente Steenbergen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20 juncto</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20 juncto</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>7b</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ gemeente Steenbergen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad der gemeente Steenbergen;</al><al>in behandeling genomen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11
                        januari 2010</al><al>gelet op <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">artikel 147 van de Gemeentewet</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=20">artikel 20</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=35">artikel 35, eerste lid, sub b. van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</extref>, artikel 20
                        en artikel 35, eerste lid, sub b. van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                            gewezen zelfstandigen</extref>;</al><al>besluit:</al><al>de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ gemeente Steenbergen, vast te
                        stellen.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers</extref>, de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</extref> en de
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref>.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Steenbergen;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers</extref>
                                            (IOAW) en/of de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</extref>
                                            (IOAZ);</al></li><li nr="c."><al>grondslag: de van toepassing zijnde grondslag als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=5">artikel 5 van de wet</extref>;</al></li><li nr="d."><al>uitkering: het verschil tussen de grondslag en het
                                            inkomen;</al></li><li nr="e."><al>maatregel: het weigeren van uitkering dan wel het
                                            verlagen van de uitkering op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=20">artikel 20 van de wet</extref>;</al></li><li nr="f."><al>benadelingsbedrag: de netto uitkering die door de
                                            schending van de inlichtingenplicht van belanghebbende
                                            wordt teruggevorderd verhoogd met de afgedragen en niet
                                            meer te verrekenen loonbelasting en de premies
                                            volksverzekeringen alsmede de vergoeding als bedoeld
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Zorgverzekeringswet/article=46">artikel 46 van de Zorgverzekeringswet</extref></al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in
                                    het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, naar
                                    het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=30c">Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, art.
                                        30c</extref> of een op grond van hoofdstuk III van de wet
                                    aan de uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende
                                    nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
                                    ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                    maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten en
                                    de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li><li nr="3."><al>Indien belanghebbende over het in aanmerking te nemen tijdvak
                                    zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan maatregelwaardige
                                    gedragingen wordt bij de bepaling van de zwaarte van de
                                    maatregel hiermee rekening gehouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="-"><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="-"><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="-"><al>het percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd;</al></li><li nr="-"><al>en/of het bedrag waarmee de grondslag wordt verlaagd uitgaande
                                    van de grondslag en voor zover van toepassing de reden om af te
                                    wijken van een standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de
                                    gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=34">artikel 34, derde lid, van de wet</extref>
                                            werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed,
                                            om binnen een gestelde termijn inlichtingen te
                                            verstrekken als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref>;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij
                                            de gedraging een schending van de inlichtingenplicht
                                            inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte
                                            uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending
                                            van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop
                                            van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Indien over deze periode reeds een maatregel is
                                    toegepast, wordt de maatregel aansluitend op deze periode
                                    opgelegd. Bij de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van de
                                    voor die maand geldende grondslag.</al></li><li nr="2."><al>Bij een aanvraag om uitkering wordt de maatregel met ingang van
                                    de ingangsdatum van de uitkering opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel met
                                    terugwerkende kracht opgelegd, voor zover de betaling van de
                                    uitkering is opgeschort in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=17">artikel 17, eerste lid van de wet</extref>.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel met
                                    terugwerkende kracht opgelegd, indien het niet of niet
                                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering en
                                    wegens beëindiging van de uitkering het opleggen van een
                                    maatregel als bedoeld in het eerste lid niet (geheel) mogelijk
                                    is. De maatregel kan niet eerder ingaan dan de datum waarop de
                                    maatregelwaardige gedraging zich heeft voorgedaan.</al></li><li nr="5."><al>Bij de herziening van het recht op uitkering op grond van
                                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=17">artikel 17, derde lid van de wet</extref> wordt in deze
                                    situatie rekening gehouden met de op te leggen maatregel met
                                    terugwerkende kracht, alsmede met de terugvordering van de
                                    daardoor teveel of ten onrechte verstrekte uitkering.</al></li><li nr="6."><al>De herziening kan niet worden toegepast over een ander tijdvak
                                    dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft. Indien een
                                    opgelegde maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                    als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref> wegens voortijdige
                                    beëindiging van de uitkering en (volledige) herziening van de
                                    uitkering naar het verleden toe, niet of niet volledig kan
                                    worden geëffectueerd, wordt deze alsnog in de toekomst bij het
                                    recht op uitkering betrokken, wanneer belanghebbende binnen één
                                    jaar na de herzienings- en terugvorderingsdatum van de uitkering
                                    opnieuw uitkering gaat ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen, die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen
                            van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop
                            de zwaarste maatregel van toepassing is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan
                            reïntegratieverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9. Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende in het kader van reïntegratie, waardoor
                            een verplichting op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">hoofdstuk III van de wet</extref> niet of onvoldoende is nagekomen,
                            worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="het"><al>niet als werkzoekende geregistreerd staan bij het UWV
                                    werkbedrijf en als zodanig geregistreerd blijven, indien
                                    belanghebbende dat recht toekomt op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=30b">artikel 30b, eerste lid van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref> (Wet
                                    SUWI).</al></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            anders dan het niet daartoe verschijnen zonder bericht
                                            van verhindering;</al></li><li nr="3."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven
                                            plaats en tijd te verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=37">artikel 37, lid 1, sub e van de wet</extref>;</al></li><li nr="2."><al>andere gedragingen die de arbeidsinschakeling
                                            belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="1."><al>beëindiging van een dienstbetrekking waaraan een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Burgerlijk%20Wetboek%20boek%207/article=678">artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                                                Wetboek</extref> en belanghebbende ter zake een
                                            verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="2."><al>beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek
                                            van belanghebbende zonder dat aan de voorzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voorzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                            gevergd;</al></li><li nr="3."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="4."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, tweede lid</extref> wordt de hoogte en duur van
                                    de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als
                                    omschreven in <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-9-indeling-in-categorieen">artikel 9</extref> vastgesteld op: </al><lijst><li nr="-"><al>10% van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
                                            van de eerste categorie;</al></li><li nr="-"><al>20% van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
                                            van de tweede categorie;</al></li><li nr="-"><al>30% van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen
                                            van de derde categorie;</al></li><li nr="-"><al>100% van de grondslag gedurende twee maanden bij
                                            gedragingen van de vierde categorie met dien verstande
                                            dat bij het niet behouden van de dienstbetrekking of het
                                            niet aanvaarden dan wel verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid van geringe omvang, de hoogte van
                                            de maatregel wordt vastgesteld naar de mate waarin
                                            belanghebbende inkomen heeft verloren of zou hebben
                                            kunnen verwerven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien belang-hebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                                    maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                    categorie.</al></li><li nr="3."><al>Bij volharding in een verwijtbare gedraging en voorts nadat twee
                                    eerdere maatregelen zijn opgelegd voor dezelfde gedraging, wordt
                                    tevens de hoogte van de maatregel verdubbeld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingen- en
                            medewerkingsplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende de verplichting op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref> niet tijdig is nagekomen
                                    door informatie die van belang is voor de verlening van
                                    uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de door het
                                    college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt
                                    onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, tweede lid</extref> een maatregel van 5% van de
                                    grondslag gedurende een maand opgelegd;</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien belanghebbende
                                    zich binnen twaalf maanden na het vorige feit als bedoeld in het
                                    eerste lid opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar
                                    aan te merken gedraging;</al></li><li nr="3."><al>Bij volharding in deze verwijtbare gedraging en voorts nadat
                                    twee eerdere maatregelen zijn opgelegd voor dezelfde gedraging,
                                    wordt tevens de hoogte van de maatregel verdubbeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                met gevolgen voor de uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref> heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, wordt
                                    een maatregel opgelegd welke is afgestemd op de hoogte van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, tweede lid</extref> wordt bij een
                                    benadelingsbedrag tot €10.000,-- het percentage van de maatregel
                                    op de grondslag van de uitkering vastgesteld op éénhonderdste
                                    van het benadelingsbedrag met een minimum van 5% procent. De
                                    duur van de maatregel bedraagt een maand;</al></li><li nr="3."><al>Bij een benadelingsbedrag van € 10.000,-- of meer wordt aangifte
                                    gedaan bij het Ministerie van Justitie. Indien de officier van
                                    justitie besluit niet tot vervolging over te gaan, wordt alsnog
                                    een maatregel van honderd procent van de grondslag gedurende een
                                    maand opgelegd.</al></li><li nr="4."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede en derde lid
                                    wordt verdubbeld, indien belanghebbende zich binnen
                                    vierentwintig maanden na de vorige schending van de
                                    inlichtingenplicht opnieuw schuldig maakt aan hetzelfde feit als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                zonder gevolgen voor de uitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref> niet heeft geleid tot het
                                    ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering,
                                    wordt onverminderd <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-2-het-opleggen-van-een-maatregel">artikel 2, tweede lid</extref> een maatregel van 5% van de
                                    grondslag gedurende een maand opgelegd;</al></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien belanghebbende
                                    zich binnen twaalf maanden na het vorige feit als bedoeld in het
                                    eerste lid opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar
                                    aan te merken gedraging.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                            of zijn ambtenaren en medewerkers in samenhang met het niet dan wel
                            onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=13">artikel 13 van de wet</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=30c">artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet
                                structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref> of een op
                            grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">hoofdstuk III van de wet</extref> aan de uitkering verbonden
                            verplichting, wordt onverminderd artikel 2, tweede
                                lid als verzwarende omstandigheid de duur van de maatregel
                            als bedoeld in de artikelen 10
                                t/m 13 verdubbeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Beleid</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in
                            bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende worden afgeweken van
                            de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ”Maatregelenverordening IOAW
                            en IOAZ gemeente Steenbergen”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Ingangsdatum</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 25 februari 2010 en
                            heeft terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 25 februari 2010.</ondertekening><ondertekening>Steenbergen, 25 februari 2010</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting Maatregelenverordening IOAW en IOAZ.</vet></al><al>De Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten is met ingang
                    van 1 januari 2010 in werking getreden. Met deze nieuwe wet worden de
                    gemeentelijke middelen voor de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers</extref> (IOAW), de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen</extref> (IOAZ), het <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Besluit%20bijstandverlening%20zelfstandigen%202004">Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004</extref> (Bbz 2004) voor zover
                    dat betrekking heeft op algemene bijstand aan startende ondernemers, alsmede de
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20inkomen%20kunstenaars">Wet werk en inkomen kunstenaars</extref> (WWIK) gebundeld met het
                    Inkomensdeel voor de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> (WWB). Met de invoering van deze gebundelde
                    uitkering krijgt de gemeente één budget voor de bekostiging van uitkeringen op
                    grond van de WWB, de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004.</al><al>De gemeente Breda is voor onze regio aangewezen als centrumgemeente voor de
                    uitvoering van de WWIK.</al><al>De financieringssystematiek van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 wijzigt
                    eveneens. De IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 kennen tot 1 januari 2010 een
                    financieringssystematiek van 75% declaratie en 25% eigen budget. Het
                    gecombineerde declaratie- en budgetsysteem voor deze uitkeringskosten wordt
                    vervangen door een systeem van volledige budgetfinanciering, zoals dit nu van
                    toepassing is voor het WWB-Inkomensdeel. Aldus ontstaat voor de gemeente, meer
                    dan eerst, een direct belang om de regelingen zo goed en doeltreffend mogelijk
                    uit te voeren.</al><al>De IOAW en de IOAZ kennen analoog aan de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> een uitstroomdoelstelling en geven de
                    gemeente de instrumenten om het volume aan uitkeringsgerechtigden te
                    beïnvloeden. De financiële prikkel van het Inkomensdeel past volledig op de
                    daaraan toe te voegen IOAW- en IOAZ-middelen, aldus het rijk.</al><al>Vanwege de beperkte voorspelbaarheid van deze kosten blijft een aparte
                    financiering (75% declaratie en 25% eigen budget) in het kader van het Bbz 2004
                    voor de kosten van levensonderhoud van gevestigde zelfstandigen en voor
                    bedrijfskapitaal gehandhaafd.</al><al>Bij een systeem van volledige budgetfinanciering past dat administratieve eisen
                    worden afgeschaft en verplichtingen voor gemeenten worden omgezet in
                    bevoegdheden, bijvoorbeeld ten aanzien van de frequentie van heronderzoeken en
                    de terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkeringen. Ook de verplichting
                    voor het college om in het kader van de IOAW en de IOAZ bij bepaalde
                    overtredingen met toepassing van het (rijks) Maatregelenbesluit Abw, IOAW en
                    IOAZ een maatregel op te leggen wordt omgezet in een bevoegdheid en de
                    bestuurlijke boete in de IOAW en IOAZ komt te vervallen. Wel is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=35">artikel 35</extref> met inachtneming van het bepaalde in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAZ/article=20">artikel 20</extref> van zowel de IOAW als de IOAZ de verplichting opgenomen
                    voor de gemeenteraad om bij verordening regels te stellen met betrekking tot
                    maatregelen.</al><al>Met betrekking tot de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling voorziet de <extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/regelingen/Reintergratieverordening-gemeente-Steenbergen/01-01-2004">Reïntegratieverordening gemeente Steenbergen</extref>.</al><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAZ/article=20">Artikel 20 IOAW / IOAZ</extref> luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren naar de mate
                            waarin de belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen als
                            bedoeld in of op grond van artikel 8 zou hebben kunnen verwerven,
                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden
                                    ten grondslag ligt in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Burgerlijk%20Wetboek%20boek%207/article=678">artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek</extref>
                                    en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden
                                    gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                    belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    aanvaarden; of de belanghebbende door eigen toedoen geen
                                    algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college verlaagt de uitkering overeenkomstig de verordening, bedoeld
                            in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAZ/article=35">artikel 35, eerste lid, sub b</extref> ter zake van het niet of
                            onvoldoende nakomen door de belanghebbende die voor de zelfstandige
                            voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking,
                            van een verplichting als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen">artikel 13</extref> of in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=30c">artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</extref>, of een op grond van
                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW">hoofdstuk III</extref> aan de uitkering verbonden verplichting,
                            anders dan de verplichting, bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=37">artikel 37, eerste lid, sub c</extref>, waaronder begrepen het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen.</al></li><li nr="3."><al>Van een verlaging als bedoeld in lid 2 wordt afgezien, indien elke vorm
                            van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="4."><al>Het niet voeren van verweer door de belanghebbende tegen of het
                            instemmen van de belanghebbende met een beëindiging van de
                            dienstbetrekking door of op verzoek van de werkgever leidt niet tot het
                            opleggen van een maatregel op grond van het eerste lid.</al></li></lijst><al>De maatregelenverordening biedt de basis voor het opleggen van een maatregel.
                    Daarbij is het aspect van rechtszekerheid voor de burger van groot belang. De
                    verordening geeft aan in welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden.
                    Dat houdt tevens in, dat het niet toegestaan is om een zwaardere sanctie op te
                    leggen dan volgens de verordening is toegestaan.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><al><vet>Artikelgewijze toelichting Maatregelenverordening IOAW en IOAZ.</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers</extref> (IOAW) en de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen</extref> (IOAZ).In de verordening wordt het begrip
                    belanghebbende gebruikt. Dit begrip wordt in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=1%3A2">artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht</extref> omschreven als
                    degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</al><al><vet>Artikel 2, eerste lid. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al>De IOAW / IOAZ verbindt aan het recht op uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=37">artikel 37</extref>). Dit houdt in: </al><lijst><li nr="a."><al>naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verwerven;</al></li><li nr="b."><al>als werkzoekende geregistreerd staan bij het
                                    UWV-werkbedrijf;</al></li><li nr="c."><al>algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden;</al></li><li nr="d."><al>nalaten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al></li><li nr="e."><al>gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening,
                                    waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling, alsmede meewerken aan een onderzoek naar de
                                    mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De informatieplicht (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-13-verstrekken-van-onjuiste-of-onvolledige-inlichtingen-zonder-gevolgen-voor-de-uitkering">artikel 13, eerste lid</extref>). Op een uitkeringsgerechtigde rust
                            de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan
                            hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat zij van invloed kunnen zijn
                            op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering.</al></li><li nr="3."><al>De medewerkingsplicht (<extref doc="http://steenbergen.regelingenbank.nl/cms/fckeditor/editor/fckeditor.html?InstanceName=doc_content&amp;Toolbar=Default#artikel-13-verstrekken-van-onjuiste-of-onvolledige-inlichtingen-zonder-gevolgen-voor-de-uitkering">artikel 13, tweede lid</extref> ). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW">wet</extref>. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete
                            verplichtingen bestaan, zoals het toestaan van huisbezoek of het
                            meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al></li></lijst><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het
                    UWV-werkbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het
                    college (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=SUWI/article=30c">artikel 30c, tweede en derde lid Wet SUWI</extref>) en de verplichting om
                    op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan het UWV-werkbedrijf , waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                    dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van
                    het recht op uitkering of de hoogte of de duur van de uitkering.</al><al>Tweede lid</al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van de grondslag. In dit artikellid is de
                    hoofdregel neergelegd, dat het college een op te leggen maatregel dient af te
                    stemmen op de individuele omstandigheden van belanghebbende en de mate van
                    verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee, dat het college bij elke op
                    te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden
                    van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.</al><al>Dit betekent, dat bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en
                    zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moeten worden doorlopen:</al><lijst><li nr="stap"><al>1: het vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="stap"><al>2: het vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="stap"><al>3: het vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het percentage waarmee de
                    grondslag wordt verlaagd alsmede de duur hiervan. Wat betreft de beoordeling van
                    de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
                        6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld aan de orde zijn:</al><lijst><li nr=""><al>- bij bijzondere financiële omstandigheden van belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld: hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is.</al></li></lijst><al>Derde lid</al><al>Eerdere maatregelwaardige gedragingen kunnen als verzwarende omstandigheden
                    worden aangemerkt.</al><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de grondslag.</al><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering vanwege een op te leggen maatregel vindt plaats
                    door middel van een besluit. Indien een maatregel met terugwerkende kracht wordt
                    opgelegd, moet een besluit tot herziening van de uitkering worden genomen
                        (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=17">artikel 17, lid 3 IOAW / IOAZ</extref>).</al><al>Tegen beide besluiten kan door belanghebbende bezwaar en beroep worden
                    aangetekend.</al><al>Aangegeven staat, wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze
                    eisen vloeien rechtstreeks voort uit de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht</extref> (Awb) en dan met name het
                    motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in, dat een
                    besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering moet zijn voorzien.</al><al>Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Door een maatregel voor een
                    bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een
                    maatregel wordt geconfronteerd, waar hij aan toe is. Na afloop van de periode
                    waarvoor de maatregel is getroffen, kan opnieuw een maatregel worden opgelegd.
                    Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al><vet>Artikel 5. Horen van belanghebbende</vet></al><al>Op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A7">afdeling 4:7</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A8">4:8 van de Awb</extref> is in een aantal gevallen het horen van
                    belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht
                    geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben
                    op een financiële aanspraak (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht/article=4%3A12">artikel 4:12 Awb</extref>), behalve bij subsidies.</al><al>In dit artikel wordt het horen van belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal
                    uitzonderingen op deze hoorplicht.</al><al>Bij het verlagen van de uitkering wegens het niet nakomen van
                    arbeidsverplichtingen staat het corrigerende karakter voorop. Als echter een
                    maatregel wordt opgelegd vanwege agressief gedrag (LJN: BC1811 en BE8919) of
                    schending van de inlichtingenplicht (LJN: BA7556), is er op basis van de
                    rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep sprake van een punitieve sanctie,
                    waarin leedtoevoeging centraal staat.</al><al>Bij het opleggen van een punitieve sanctie dient met bepaalde rechtswaarborgen
                    rekening te worden gehouden (onder meer de cautie, de mededeling aan
                    belanghebbende dat deze het recht heeft om te zwijgen alsmede het nemo tenetur
                    beginsel, dat wil zeggen het beginsel dat niemand aan het tot stand brengen van
                    bewijs tegen zichzelf hoeft mee te werken).</al><al><vet>Artikel 6, eerste lid. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=20">artikel 20, derde lid IOAW / IOAZ</extref> geregeld. Zonodig kan het
                    college in beleidsregels neerleggen hoe om te gaan met de beoordeling van de
                    verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke gedragingen in principe
                    altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan
                    in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van
                    verzachtende omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is, dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit is het nodig, dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd.</al><al>Om deze reden is onder b geregeld, dat geen maatregelen meer worden opgelegd
                    voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan
                    uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in het oude
                    artikel 20e van de IOAW / IOAZ in verband met het opleggen van een boete wegens
                    niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de
                    hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de
                    gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al>Tweede
                        lid</al><al>Hierin wordt geregeld, dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd.</al><al>Derde en
                        vierde lid</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat wordt afgezien van het opleggen
                    van een maatregel wegens dringende redenen, is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al><vet>Artikel 7, eerste lid. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>door middel van een verlaging van de uitkering gedurende de
                            eerstvolgende maand(en);</al></li><li nr="-"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dit geval behoeft niet te worden overgegaan tot
                    herziening van het recht op uitkering en terugvordering van de hieruit
                    voortvloeiende te veel verstrekte uitkering. Om die reden is in dit lid
                    vastgelegd, dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    grondslag.</al><al>Tweede lid</al><al>Bij een aanvraag om uitkering wordt vanaf de eerste uitkeringsdag de maatregel
                    opgelegd, tenzij de verwijtbare gedraging op een later tijdstip heeft
                    plaatsgevonden.</al><al>Derde lid</al><al>Wanneer de uitkering nog niet aan de uitkeringsgerechtigde is uitbetaald en de
                    betaling van de uitkering met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=17">artikel 17, lid 1 IOAW / IOAZ</extref> is opgeschort, wordt de maatregel
                    opgelegd met ingang van de eerste dag waarop niet meer is betaald.</al><al>Vierde en vijfde
                    lid</al><al>Bij een geconstateerde schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in
                        <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=13">artikel 13 IOAW/ IOAZ</extref> waardoor ten onrechte uitkering is genoten
                    en waarbij de uitkering van belanghebbende inmiddels is dan wel wordt beëindigd,
                    is er in praktische zin geen mogelijkheid meer om een maatregel naar de toekomst
                    op te leggen.</al><al>Om een dergelijk verwijtbaar gedrag van belanghebbende toch af te kunnen doen
                    door middel van het opleggen van een maatregel, biedt de verordening bij wijze
                    van uitzondering op de hoofdregel als omschreven in het eerste lid toch de
                    mogelijkheid om in onderhavige situatie een maatregel met terugwerkende kracht
                    op te leggen.Dit geldt dus alleen wanneer er sprake is van een maatregel wegens
                    schending van de inlichtingenplicht waarbij ten onrechte genoten uitkering is
                    ontstaan.</al><al>In het hiervoor genoemde geval dient het besluit tot toekenning van uitkering te
                    worden herzien met toepassing van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=17">artikel 17, derde lid IOAW / IOAZ</extref> en de hieruit voortvloeiende te
                    veel of ten onrechte verstrekte uitkering te worden teruggevorderd.</al><al>Bij de vaststelling van de (totale) herziening / terugvordering dient rekening
                    te worden gehouden met zowel de met terugwerkende kracht op te leggen maatregel
                    alsmede met het bedrag van de terug te vorderen uitkering. Volgens vaste
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan een maatregel niet eerder
                    ingaan dan de datum waarop de verweten gedraging zich heeft voorgedaan. Dit
                    betekent, dat als belanghebbende bijvoorbeeld in de maanden september tot en met
                    november blijk heeft gegeven van verwijtbaar gedrag, het via de
                    herzieningsprocedure opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht dan ook
                    enkel mogelijk is over die genoemde maanden en er dus géén maatregel mag worden
                    opgelegd over bijvoorbeeld de voorafgaande maand augustus als belanghebbende in
                    die maand geen verwijtbaar gedrag heeft getoond.</al><al>Zesde lid</al><al>Het is niet toegestaan - rekening houdend met de op te leggen maatregel -
                    vanwege onvoldoende terugvorderingsruimte een andere periode in aanmerking te
                    nemen.</al><al>Wel wordt hierbij voorzien in de mogelijkheid om een op te leggen maatregel
                    wegens schending van de inlichtingenplicht die thans niet (geheel) kan worden
                    geëffectueerd, alsnog in de toekomst op te leggen. Doordat de uitkering
                    inmiddels is dan wel wordt beëindigd en de uitkeringsperiode waarop de
                    maatregeloplegging betrekking heeft vanwege verzwegen middelen al (nagenoeg)
                    geheel moet worden teruggevorderd, is er niet voldoende ruimte meer in de
                    terugvordering om de op te leggen maatregel hierin (volledig) mee te nemen.</al><al>Aan de mogelijkheid de maatregel alsnog in de toekomst op te leggen geldt echter
                    wel een beperking in de tijd van één jaar, te rekenen vanaf de herzienings- en
                    terugvorderingsdatum van de uitkering waarbij tevens melding wordt gemaakt van
                    maatregelwaardig gedrag. Indien belanghebbende binnen één jaar na deze datum
                    (wederom) een beroep op uitkering doet, dient opnieuw een besluit te worden
                    genomen in hoeverre de (restant)maatregel alsnog wordt opgelegd bij de dan toe
                    te kennen uitkering. Doet belanghebbende gedurende dat jaar géén beroep op
                    uitkering dan blijft het alsnog opleggen van de maatregel achterwege.</al><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden.</al><al>Dit artikel ziet niet toe op de situatie, dat belanghebbende zich na
                    bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig
                    maakt aan verwijtbaar gedrag. Dit is dan namelijk een nieuwe latere gedraging
                    waarvan opnieuw moet worden beoordeeld of daarvoor een maatregel gerechtvaardigd
                    is.</al><al><vet>Artikel 9. Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het niet dan wel onvoldoende nakomen van
                    de arbeidsplicht, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst
                    van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger
                    geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen
                    of behouden van betaalde arbeid.</al><al><vet>Onderdeel a.</vet></al><al>De eerste categorie betreft de verplichting om als werkzoekende geregistreerd te
                    (blijven) staan bij het UWV-werkbedrijf.</al><al><vet>Onderdeel b.</vet></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                    voldoende te solliciteren. Voorts valt onder deze categorie de verplichting van
                    belanghebbende alle medewerking te verlenen bij het onderzoek naar zijn
                    mogelijkheden op het terrein van arbeidsinschakeling, alsmede de verplichting
                    desgevraagd op tijd en de juiste plaats te verschijnen in het kader van zijn
                    arbeidsinschakeling.</al><al><vet>Onderdeel c.</vet></al><al>Bij de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een langer beroep op uitkering dan strikt noodzakelijk wordt geacht. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaarding van arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en het in onvoldoende mate mee werken aan een opgesteld
                    trajectplan.</al><al><vet>Onderdeel d.</vet></al><al>De vierde categorie betreft het niet behouden van dan wel het niet aanvaarden /
                    verwerven van algemeen geaccepteerde arbeid.</al><al>Van dringende redenen kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever
                            heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften,
                            of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze
                            waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te
                            missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;</al></li><li nr="c."><al>wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap;</al></li><li nr="d."><al>wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering en
                            bedrog;</al></li><li nr="e."><al>wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                            medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze
                            bedreigt;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                            medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig
                            met de wetten of de goede zeden;</al></li><li nr="g."><al>wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van
                            de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;</al></li><li nr="h."><al>wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of
                            anderen aan ernstig gevaar blootstelt;</al></li><li nr="i."><al>wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van
                            de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;</al></li><li nr="j."><al>wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of
                            opdrachten, hem door of namens de werkgever verstrekt;</al></li><li nr="k."><al>wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke
                            de arbeidsovereenkomst hem oplegt;</al></li><li nr="l."><al>wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft
                            de bedongen arbeid te verrichten.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 10, eerste lid. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of het behouden
                    hiervan, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is het
                    proportionaliteits- en evenredigheidsbeginsel in ogenschouw genomen. De
                    opgelegde maatregel dient in een redelijke verhouding te staan tot de gedraging.
                    Dit betekent, dat de maatregel een groter financieel effect op de uitkering
                    heeft naarmate de gedraging ernstiger is. Voorts wordt met de op te leggen
                    maatregel een gedragsverandering bij de uitkeringsgerechtigde beoogd.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerdere verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                    categorie, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de maatregel. Een eerdere verwijtbare gedraging
                    waarbij om dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel,
                    wordt in dit kader mede in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van 12 maanden geldt het tijdstip waarop de vorige verwijtbare
                    gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al><vet>Derde lid.</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                    verwijtbaar gedrag vertoont, wordt vanwege zware verwijtbaarheid tevens de
                    hoogte van het percentage verdubbeld. Als belanghebbende ook na een derde
                    maatregel blijft volharden in zijn gedrag, dient de hoogte en de duur van de
                    maatregel individueel te worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende.</al><al><vet>Artikel 11, eerste lid. Te laat verstrekken van gegevens</vet></al><al>Indien belanghebbende de voor de verlening van uitkering van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt en de feiten en
                    omstandigheden niet kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk
                    voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens dan wel kunnen worden verkregen
                    uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties, kan - voor zover van
                    toepassing - het recht op uitkering worden opgeschort (<extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=17">artikel 17, eerste lid</extref>) .</al><al>Vervolgens wordt belanghebbende alsnog in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim
                    binnen een gestelde termijn te herstellen (de hersteltermijn). Als de gevraagde
                    informatie niet binnen de gestelde termijn wordt verstrekt, wordt de uitkering
                    stopgezet (het intrekken van het besluit tot toekenning van uitkering). Als de
                    gevraagde gegevens wel binnen de hersteltermijn worden verstrekt, wordt de
                    uitkering voortgezet waarbij een maatregel wordt opgelegd.</al><al><vet>Tweede lid.</vet></al><al>Bij herhaling van het feit binnen een jaar wordt de duur van de maatregel
                    verdubbeld.</al><al><vet>Derde lid.</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom niet tijdig
                    informatie verstrekt, wordt vanwege zware verwijtbaarheid tevens de hoogte van
                    het percentage verdubbeld. Als belanghebbende ook na een derde maatregel blijft
                    volharden in zijn gedrag, dient de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel te worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende.</al><al><vet>Artikel 12, eerste lid. Verstrekken van onjuiste of onvolledige
                        inlichtingen met gevolgen voor de uitkering</vet></al><al>In <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=13">artikel 13, eerste lid IOAW / IOAZ</extref> is bepaald, dat belanghebbende
                    op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en
                    omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering. De
                    ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Het percentage van de maatregel wordt hierop afgestemd.</al><al><vet>Tweede lid.</vet></al><al>Het op te leggen percentage bedraagt éénhonderdste van het benadelingsbedrag.
                    Afronding van het percentage geschiedt op een geheel getal naar beneden.</al><al>Voorbeeld: Het benadelingsbedrag is berekend op € 4.289,17.</al><al>Het percentage van de maatregel bedraagt 4.289,17 : 100 = 42,89. Afgerond is dit
                    dus 42 procent. De maatregel bedraagt dan 42 procent van de grondslag gedurende
                    een maand.</al><al>Bij de minimale maatregel van 5 % van de grondslag is sprake van een
                    benadelingsbedrag van € 500,-- of lager.</al><al><vet>Derde lid.</vet></al><al>Het benadelingsbedrag waarbij op grond van de Aangifterichtlijn sociale
                    zekerheid aangifte moet worden gedaan bij de Officier van Justitie is per 1
                    januari 2009 opgetrokken naar € 10.000,--.</al><al><vet>Vierde lid.</vet></al><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld indien belanghebbende zich binnen
                    vierentwintig maanden na de vorige schending van de inlichtingenplicht opnieuw
                    schuldig maakt aan hetzelfde feit.</al><al><vet>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de uitkering</vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld, ofwel het verstrekken
                    van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                    heeft voor het recht op uitkering of de hoogte hiervan. Een voorbeelden hiervan
                    is het niet melden van vrijwilligerswerk.</al><al><vet>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Het zich zeer ernstig misdragen valt expliciet onder de reikwijdte van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=20">artikel 20, tweede lid IOAW/ IOAZ</extref>. Onder de term 'zeer ernstige
                    misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan. Wel dient er
                    sprake te zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke
                    verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Een maatregel kan
                    alleen worden opgelegd, indien er een verband bestaat tussen de ernstige
                    misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van
                    het recht op een uitkering.</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat belanghebbende zich
                    ernstig heeft misdragen, zal evenzeer gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en persoonlijke omstandigheden.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                    worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In dit
                    verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en
                    frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen
                    van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                    verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                    ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.</al><al>Indien er geen verband is tussen het wangedrag van de uitkeringsgerechtigde en
                    de mogelijkheid van het vaststellen van het recht op uitkering is er sprake van
                    een punitieve sanctie (vergelijkbaar met straffen in het strafrecht). Bij een
                    reparatoire (corrigerende) sanctie gaat het om herstel van een ongewenste
                    toestand en/of gedraging.</al><al>Bijvoorbeeld: het niet of niet tijdig aanleveren van informatie. De verlaging
                    van de uitkering als reparatoire sanctie heeft als doel, dat alsnog de
                    informatie wordt aangeleverd dan wel in de toekomst dit tijdig zal
                    geschieden.</al><al>In het kader van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand">Wet werk en bijstand</extref> heeft de Centrale Raad van Beroep in een
                    recente uitspraak van 29 juli 2008 (LJN: BD7970) - kort samengevat - expliciet
                    gesteld, dat er te allen tijde een link moet zijn bij agressief gedrag met
                    schending van verplichtingen die gelden.</al><al>In deze uitspraak was sprake van een situatie waarin het college aan een
                    bijstandsgerechtigde een toegangsverbod voor het gebouw heeft opgelegd. De
                    betreffende bijstandsgerechtigde meldde zich eigener beweging bij de voordeur
                    van het gebouw van de dienst om te informeren naar het tijdstip waarop de
                    maandelijkse uitkering aan hem betaalbaar zou worden gesteld. Nadat de
                    receptioniste hem wees op het gebouwverbod en verwees naar zijn toegewezen
                    contactpersoon die hij op bepaalde tijden kon bereiken, ging de
                    bijstandsgerechtigde toch het gebouw binnen en heeft daar vernielingen
                    aangebracht.</al><al>De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat, nu ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstig misdragen’ niet kan worden beschouwd als een aparte aan de bijstand
                    verbonden verplichting tot het nalaten van dit gedrag, aan de
                    toepassingsvoorwaarden van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18, tweede lid WWB</extref> is voldaan, indien sprake is van het
                    niet of niet voldoende nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien
                    uit de WWB. Het agressief gedrag is een verzwarende omstandigheid aan het niet
                    of niet voldoende nakomen van die verplichtingen. Nu in dit geval geen sprake
                    was van schending van aan de bijstand verbonden verplichtingen, was het college
                    niet bevoegd de uitkering te verlagen.</al><al>De Centrale Raad van Beroep merkt volledigheidshalve nog op, dat een verlaging
                    van de bijstand wegens een zeer ernstige misdraging niet alleen dan mogelijk is
                    indien als gevolg van die misdraging het recht op bijstand niet of niet langer
                    kan worden vastgesteld. Het verlagen van de bijstand is dus ook mogelijk indien
                    sprake is van een zeer ernstige misdraging en ondanks de schending van de aan de
                    WWB verbonden verplichtingen het recht op bijstand toch kan worden
                    vastgesteld.</al><al>Wanneer sprake is van een reparatoire sanctie die door het college wordt
                    opgelegd, bestaan er daarnaast de mogelijkheden van het strafrecht om zeer
                    ernstige misdragingen te bestraffen. Dit geldt niet bij een punitieve sanctie,
                    immers betrokkene kan niet twee maal voor hetzelfde feit worden bestraft. In dit
                    verband wordt opgemerkt, dat het doen van aangifte in het kader van het
                    strafrecht een dringende reden kan vormen om af te zien van het opleggen van een
                    maatregel met betrekking tot de zeer ernstige misdraging als verzwarende
                    omstandigheid.</al><al>In dit verband zij tot slot vermeld, dat de gemeente Steenbergen over een
                    Agressieprotocol, waarin regels zijn opgenomen hoe in voorkomende gevallen met
                    agressief gedrag dient te worden omgegaan.</al><al><vet>Artikel 15. Beleid</vet></al><al>Het vastleggen van gedragingen die een schending van een verplichting van de wet
                    betekenen, kan in beginsel op twee manieren.</al><al>De eerste mogelijkheid is, dat alle denkbare gedragingen die een schending van
                    een verplichting inhouden in de verordening worden vastgelegd. Dit heeft als
                    voordeel dat uitkeringsgerechtigden weten waar zij aan toe zijn. Alleen die
                    gedragingen die in de verordening worden genoemd, kunnen dan leiden tot het
                    opleggen van een maatregel. Het nadeel hiervan is de gebrekkige flexibiliteit.
                    De verordening moet worden aangepast, als blijkt dat een bepaalde gedraging die
                    in principe wel een schending van een verplichting betekent, niet in de
                    verordening is opgenomen.</al><al>De tweede mogelijkheid is, dat de gedragingen in hoofdlijnen in de verordening
                    worden opgenomen en dat het college deze zonodig nader uitwerkt in
                    beleidsregels. Het voordeel van beleidsregels is, dat deze gemakkelijker kunnen
                    worden gewijzigd. Beleidsregels bieden dus meer mogelijkheden voor
                    flexibiliteit.In deze verordening is ervoor gekozen de gedragingen in
                    hoofdlijnen vast te leggen. Dit betekent, dat het college in beleidsregels kan
                    vastleggen welke soort gedragingen vallen onder de algemeen omschreven
                    aanduidingen, zoals de mate van verwijtbaarheid en eventuele verzachtende
                    omstandigheden.</al><al><vet>Artikel 16 t/m artikel 18.</vet></al><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>