<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72388_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden (Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Zuid-Holland</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-10-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Zuid-Holland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal blad, 2014, nr.
                2757</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 94</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Besluit rechtspositie staten- en commissieleden, art. 13 en 14</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-10-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-10-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging van artikel 33 en 34 a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>dos-2014-0003253</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuurlijke organisatie, personeelsbeleid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden (Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 31 januari 2007, tot
                        vaststelling van de Verordening rechtspositie Gedeputeerden, Staten- en
                        commissieleden (voordracht 5785; Prov. Blad 2007, nr. 15), gewijzigd bij
                        besluit van 30 mei 2007 (Prov. Blad 2007, nr. 69, bij besluit van 8 oktober
                        2007 (voordracht 5989; Prov. Blad, nr. 111), bij besluit van 15 september
                        2010 (Prov. Blad, nr. 131), bij besluit van 23 februari 2011 (Prov. Blad
                        2012, nr. 93), bij besluit van 27 juni 2012 (Prov. Blad 2012, nr. 94), bij
                        besluit van 10 oktober 2012 (Prov. Blad 2012, nr. 142) en bij besluit van 17
                        september 2014 (Prov. Blad 2014, nr. 2757).</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><al>a. commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk V van de
                                    Provinciewet;</al></li><li nr=""><al>b. Rechtspositiebesluit gedeputeerden: het Koninklijk Besluit
                                    van 22 maart 1994, Stb. 241;</al></li><li nr=""><al>c. Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden: het
                                    Koninklijk Besluit van 22 maart 1994, Stb. 242;</al></li><li nr=""><al>d. Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart
                                    1993, Stb. 144;</al></li><li nr=""><al>e. Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 maart 1993, nr.
                                    AB93/U280, Stcrt. 56;</al></li><li nr=""><al>f. statenlid: lid van Provinciale Staten, niet zijnde
                                    gedeputeerde;</al></li><li nr=""><al>g. Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr=""><al>h. Statengriffier: de griffier, bedoeld in artikel 97, eerste
                                    lid, van de Provinciewet;</al></li><li nr=""><al>i. provinciesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 97,
                                    eerste lid van de Provinciewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Voorzieningen voor statenleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><al>1. Aan het Statenlid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden
                            toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid
                            van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al><al>2. Een lid van Provinciale Staten dat lid is van een
                            vertrouwenscommissie als bedoeld in artikel 61, derde lid, van de
                            Provinciewet dan wel lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in
                            artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, kan voor de duur van het
                            lidmaatschap van de commissie dan wel voor de duur van de activiteiten
                            een toelage van maximaal 5% ontvangen van de vergoeding voor de
                            werkzaamheden op jaarbasis als bedoeld in het eerste lid van dit
                            artikel.</al><al>3. Voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel
                            stelt de Commissaris van de Koningin de duur van het lidmaatschap van de
                            betreffende commissie vast.”</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Onkostenvergoeding</titel></kop><al>1. Aan het statenlid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                            uitoefening van het statenlidmaatschap verbonden kosten toegekend die
                            gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al><al>2. Ten aanzien van een statenlid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                            artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964
                            voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt,
                            wordt in afwijking van het eerste lid een onkostenvergoeding toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, vierde lid van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dat bedrag
                            jaarlijks door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><al>1. Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar statenlid is
                            geweest, ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, naar
                            evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar statenlid is
                            geweest.</al><al>2. De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                            geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Reiskosten</titel></kop><al>1. Het statenlid wordt op aanvraag naar keuze een openbaar
                            vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse verstrekt.</al><al>2. Aan het statenlid worden vergoed de reiskosten voor het bijwonen van
                            vergaderingen van Provinciale Staten en van een commissie, alsmede de
                            reiskosten ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte
                            reizen. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr=""><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                    taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                    noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van het eerste
                                    lid;</al></li><li nr=""><al>b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                    de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                    overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                    Reisregeling binnenland;</al></li><li nr=""><al>c. bij gebruik van een ander eigen middel van vervoer: een
                                    vergoeding per afgelegde kilometer overeenkomstig de voor het
                                    provinciaal personeel geldende regeling.</al></li></lijst><al>3. Aan het statenlid aan wie ingevolge het eerste lid een openbaar
                            vervoerjaarkaart is verstrekt, worden de in het tweede lid, onderdeel b,
                            bedoelde reiskosten alleen vergoed als het reizen betreffen, anders dan
                            voor het bijwonen van vergaderingen van Provinciale Staten en van een
                            commissie en die reizen met het openbaar vervoer niet of slechts met
                            aanzienlijk tijdverlies zijn te maken.</al><al>4. Indien een lid van Provinciale Staten ten behoeve van Provinciale
                            Staten een reis buiten Nederland maakt, worden de in redelijkheid
                            gemaakte noodzakelijke reiskosten vergoed. </al><al>5. Voor een reis als bedoeld in lid 4, niet zijnde een reis naar een
                            Europese instelling, dient het Statenlid vooraf toestemming te
                            verkrijgen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van de Gedragscode
                            voor leden van Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Verblijfkosten</titel></kop><al>1. Het statenlid worden tijdens zijn zakelijk verblijf op het
                            provinciehuis maaltijden en consumpties vanwege de provincie
                            verstrekt.</al><al>2. Het statenlid worden vergoed de gemaakte noodzakelijke verblijfkosten
                            ter zake van andere ten behoeve van de provincie gemaakte reizen dan die
                            voor het bijwonen op het provinciehuis van vergaderingen van Provinciale
                            Staten en van een commissie, tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld
                            bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.</al><al>3. Het statenlid worden vergoed de in redelijkheid gemaakte
                            noodzakelijke verblijfkosten ter zake van buitenlandse reizen, als
                            bedoeld in artikel 5, lid 4.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>1. De kosten van deelname van een statenlid aan cursussen, congressen,
                            seminars en symposia die in het provinciaal belang door of namens de
                            provincie worden aangeboden of verzorgd, komen voor rekening van de
                            provincie.</al><al>2. Het statenlid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde en door de fractievoorzitter
                            voor akkoord mede ondertekende aanvraag in bij de statengriffier. De
                            aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                            kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de provincie als
                            deelname van belang is in verband met de vervulling van het
                            statenlidmaatschap.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Computer en internetverbinding</titel></kop><al>1. Op aanvraag van het Statenlid stellen Gedeputeerde Staten bij aanvang
                            van een zittingsperiode van Provinciale Staten aan het Statenlid een
                            bedrag ineens ter beschikking als tegemoetkoming in de aanschaf van
                            ICT-apparatuur en software, dan wel als tegemoetkoming in het gebruik
                            van eigen ICT-apparatuur en software;</al><al>2. Op aanvraag ontvangt het Statenlid een tegemoetkoming in de kosten
                            van internetverbindingen, alsmede in de variabele gebruikskosten van de
                            in het eerste of tweede lid bedoelde ICT-apparatuur.</al><al>3. Op voordracht van het Seniorenconvent stellen Provinciale Staten ter
                            uitvoering van dit artikel nadere regels vast, waarbij in ieder geval de
                            hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt
                            bepaald.” </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>Op aanvraag verlagen Gedeputeerde Staten de vergoeding voor de
                            werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, in het geval een statenlid een
                            uitkering ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke
                            arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><al>1. In het geval een statenlid een uitkering op grond van de
                            Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die wet
                            ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van
                            het statenlidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                            vergoeding voor de werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt deze
                            vergoeding ten laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van
                            bedoelde korting.</al><al>2. In het geval dat een statenlid een uitkering op grond van het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt en de na
                            toepassing van artikel 6, vierde lid van dat besluit ontstane korting op
                            deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het statenlidmaatschap
                            meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                            werkzaamheden die het statenlid ontvangt, wordt deze vergoeding ten
                            laste van de provincie verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting. </al><al>3. Het statenlid dat in aanmerking wenst te komen voor de in het eerste
                            of tweede lid bedoelde verhoging, dient daartoe binnen twee maanden
                            nadat de korting op zijn uitkering is opgetreden, een aanvraag in bij
                            Gedeputeerde Staten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van
                                Provinciale Staten</titel></kop><al>1. Een statenlid dat op grond van artikel 75 van de Provinciewet meer
                            dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van Provinciale Staten
                            waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                            artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van de
                            waarneming. </al><al>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                            onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Ziektekostenvoorziening</titel></kop><al>Aan het Statenlid wordt een tegemoetkoming in de kosten van een
                            ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden toegekend, zoals dit
                            bedrag overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van dat artikel
                            mocht zijn herzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Recht op uitkering bij aftreden</titel></kop><al>1. Een statenlid heeft op aanvraag met ingang van de datum van aftreden
                            recht op een uitkering ten laste van de provincie, indien hij direct
                            vóór aftreden minimaal zes maanden zonder onderbreking van langer dan 16
                            weken statenlid is geweest.</al><al>2. Geen recht op een uitkering bij aftreden bestaat, indien het
                            statenlid:</al><lijst><li nr=""><al>a. na aftreden zonder onderbreking weer als statenlid
                                    optreedt;</al></li><li nr=""><al>b. op de datum van zijn aftreden 65 jaar of ouder is;</al></li><li nr=""><al>c. van zijn statenlidmaatschap vervallen is verklaard ingevolge
                                    artikel X7 van de Kieswet.</al></li></lijst><al>3. Gedeputeerde Staten beslissen over de toekenning van een uitkering op
                            aanvraag door of namens de betrokkene. Het recht op uitkering vervalt,
                            indien de aanvraag niet binnen drie maanden na aftreden bij Gedeputeerde
                            Staten is ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Duur van de uitkering bij aftreden</titel></kop><al>1. De uitkering bij aftreden wordt toegekend voor een duur gelijk aan de
                            helft van het aantal volledige maanden, waarin betrokkene direct vóór
                            aftreden zonder onderbreking van langer dan 16 weken statenlid is
                            geweest. </al><al>2. De maximumduur van de uitkering bij aftreden is twee jaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Bedrag van de uitkering bij aftreden</titel></kop><al>1. De uitkering bij aftreden bedraagt in het eerste jaar 80% en daarna
                            70% van het op het moment van aftreden geldende bedrag van de in artikel
                            2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden.2. Indien de vergoeding voor
                            de werkzaamheden met toepassing van artikel 2, tweede lid van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden wordt herzien, wordt de
                            uitkering bij aftreden met ingang van het tijdstip van die herziening
                            dienovereenkomstig aangepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Korting wegens inkomsten</titel></kop><al>1. Inkomsten die het gewezen statenlid geniet wegens het verrichten van
                            activiteiten worden met de uitkering bij aftreden verrekend over de
                            maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden
                            betrekking te hebben, voor zoveel die uitgaan boven het bedrag van het
                            minimumloon, inclusief de vakantie-uitkering, voor volwassen werknemers
                            als bedoeld in de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag.</al><al>2. Inkomsten die het gewezen statenlid geniet wegens het verrichten van
                            activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na het aftreden als
                            statenlid en hogere inkomsten, anders dan ten gevolge van algemene
                            loonsverhogingen, die hij geniet uit activiteiten, ter hand genomen vóór
                            het aftreden als statenlid, worden volledig met de uitkering bij
                            aftreden verrekend over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben
                            of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al><al>3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid worden onder de daar
                            vermelde inkomsten verstaan:</al><lijst><li nr=""><al>a. winst uit een of meer ondernemingen, bedoeld in artikel 3.8
                                    van de Wet inkomstenbelasting 2001;</al></li><li nr=""><al>b. belastbaar loon uit of in verband met arbeid en</al></li><li nr=""><al>c. belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden, behoudens
                                    voorzover het een werkzaamheid betreft als bedoeld in de
                                    artikelen 3.91, eerste lid, onderdelen a en b, en 3.92 van de
                                    Wet inkomstenbelasting 2001;</al></li><li nr=""><al>d. een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de Wet
                                    arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of de Wet
                                    arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.</al></li></lijst><al>4. Het gewezen statenlid is verplicht van het ter hand nemen van enige
                            activiteiten als bedoeld in het eerste en tweede lid, terstond
                            mededeling te doen aan Gedeputeerde Staten, onder opgave, voorzover
                            mogelijk, van de inkomsten die hij uit die activiteiten zal trekken, een
                            en ander overeenkomstig de hem door Gedeputeerde Staten gegeven
                            voorschriften. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij
                            tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de
                            inkomsten die hij sinds het ter hand nemen van de activiteiten of sinds
                            de vorige opgave heeft genoten. Brengt de aard van de activiteiten of
                            van de inkomsten mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten
                            worden berekend, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt op
                            de uitkering bij aftreden een vermindering toegepast van een voorlopig
                            bedrag onder voorbehoud van verrekening aan het eind van de even
                            bedoelde termijn. </al><al>5. Het gewezen statenlid geeft desgevraagd alle informatie betreffende
                            de ter hand genomen activiteiten en de inkomsten die nodig zijn voor de
                            uitvoering van dit artikel en wordt geacht erin toe te stemmen dat allen
                            die daarvoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten in aanmerking
                            komen, hierover desgevraagd alle noodzakelijke informatie
                            verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 De verplichting om werk te zoeken</titel></kop><al>Gereserveerd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Betaling van de uitkering bij aftreden</titel></kop><al>De uitkering bij aftreden wordt in maandelijkse termijnen
                            uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Opschorting en einde van de uitkering bij
                                aftreden</titel></kop><al>1. De uitkering bij aftreden eindigt:</al><lijst><li nr=""><al>a. op de dag waarop de uitkeringsduur is verstreken;</al></li><li nr=""><al>b. met ingang van de maand, volgend op die waarop het gewezen
                                    statenlid is overleden;</al></li><li nr=""><al>c. met ingang van de maand, volgend op die waarop de leeftijd
                                    van 65 jaar wordt bereikt;</al></li><li nr=""><al>d. met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid weer als
                                    statenlid is beëdigd;</al></li><li nr=""><al>e. met ingang van de dag waarop het gewezen statenlid als lid
                                    van Gedeputeerde Staten is beëdigd.</al></li></lijst><al>2. Gedeputeerde Staten kunnen de uitbetaling van de uitkering bij
                            aftreden opschorten voor zolang het gewezen statenlid niet heeft voldaan
                            aan zijn in artikel 18, vierde en vijfde lid bedoelde verplichting.
                            Indien de in artikel 18, vierde en vijfde lid bedoelde verplichting
                            alsnog wordt nagekomen, wordt de uitkering bij aftreden over de tijd van
                            de opschorting, met inachtneming van artikel 18, alsnog uitbetaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Uitkering bij overlijden</titel></kop><al>1. In geval van overlijden van het statenlid wordt aan de weduwe of
                            weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                            leefde een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de in artikel 2 bedoelde
                            vergoeding voor de werkzaamheden, welke het statenlid laatstelijk genoot
                            over een tijdvak van drie maanden. Indien de overledene geen weduwe of
                            weduwnaar van wie het overleden statenlid niet duurzaam gescheiden
                            leefde, nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige
                            wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de
                            overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg
                            wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind
                            als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe
                            of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige
                            kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of
                            grotendeels afhankelijk waren van het inkomen van het statenlid.</al><al>2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar
                            mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene
                            met wie het overleden statenlid ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke
                            huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid
                            van de Algemene nabestaandenwet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Voorzieningen voor gedeputeerden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 Onkostenvergoeding</titel></kop><al>1. Aan de gedeputeerde wordt een onkostenvergoeding toegekend voor
                            overige aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten die gelijk is
                            aan het bedrag, vermeld in artikel 21, eerste lid van het
                            Rechtspositiebesluit gedeputeerden, zoals dit bedrag jaarlijks door de
                            Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt
                            herzien.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid is de onkostenvergoeding voor overige
                            aan de uitoefening van het ambt verbonden kosten 93% van het voor hem
                            ingevolge het eerste lid geldende bedrag, indien de gedeputeerde op
                            grond van artikel 31 een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                            is gesteld.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De gedeputeerde wordt voor het reizen tussen zijn woning en zijn plaats
                            van tewerkstelling naar keuze:</al><lijst><li nr=""><al>a. een openbaar vervoerjaarkaart eerste of tweede klasse
                                    verstrekt;</al></li><li nr=""><al>b. een tegemoetkoming in de kosten van het reizen verleend
                                    overeenkomstig het bepaalde in de ministeriële regeling als
                                    bedoeld in artikel 19, tweede lid van het Rechtspositiebesluit
                                    gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>1. Aan de gedeputeerde wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel
                            23, vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 23 bedoelde reizen ten behoeve van de provincie gemaakt. De
                            vergoeding betreft:</al><lijst><li nr=""><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                    taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                    noodzakelijke reiskosten, met inachtneming van artikel 23,
                                    onderdeel a;</al></li><li nr=""><al>b. bij gebruik van een eigen personenauto: een vergoeding van de
                                    in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten overeenkomstig
                                    het bedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel b van de
                                    ministeriële regeling als bedoeld in artikel 19, tweede lid van
                                    het Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li><li nr=""><al>c. bij gebruik van een ander eigen middel van vervoer: een
                                    vergoeding per afgelegde kilometer overeenkomstig de voor het
                                    provinciaal personeel geldende regeling.</al></li></lijst><al>2. Aan de gedeputeerde aan wie ingevolge artikel 23 een openbaar
                            vervoerjaarkaart is verstrekt, worden de in het eerste lid, onderdeel b,
                            bedoelde reiskosten alleen vergoed als met het openbaar vervoer niet of
                            slechts met aanzienlijk tijdverlies kan worden gereisd.</al><al>3. Op aanvraag worden de reiskosten voor de zakelijke reizen van de
                            gedeputeerde gesaldeerd overeenkomstig de regeling voor provinciaal
                            personeel. Indien geen regeling als bedoeld in de eerste volzin is
                            vastgesteld, vindt op aanvraag saldering van de reiskosten voor de
                            zakelijke reizen van de gedeputeerde plaats overeenkomstig artikel 4a
                            van de Reisregeling binnenland, artikel 2a van de Reisregeling
                            buitenland en artikel 13a van de krachtens het
                            Verplaatsingskostenbesluit 1989 vastgestelde Verplaatsingskostenregeling
                            1989.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Dienstauto</titel></kop><al>1. De gedeputeerde kan voor reizen ten behoeve van de provincie
                            gebruikmaken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder
                            dienstauto wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een
                            door de provincie ingehuurde auto.</al><al>2. De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de gedeputeerde ook
                            worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van
                            tewerkstelling en voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de
                            gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt. </al><al>3. Indien de gedeputeerde op grond van artikel 23 een tegemoetkoming
                            ontvangt in de reiskosten tussen de woning en de plaats van
                            tewerkstelling wordt een korting op die tegemoetkoming toegepast ter
                            grootte van:</al><lijst><li nr=""><al>a. 1/20 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                    elke dag waarop zowel van de woning naar de plaats van
                                    tewerkstelling als omgekeerd van de plaats van tewerkstelling
                                    naar de woning gebruik is gemaakt van de dienstauto;</al></li><li nr=""><al>b. 1/40 deel van de tegemoetkoming in de betreffende maand voor
                                    elke dag waarop alleen hetzij van de woning naar de plaats van
                                    te werkstelling hetzij omgekeerd van de plaats van
                                    tewerkstelling naar de woning gebruik is gemaakt van de
                                    dienstauto.</al></li></lijst><al>4. Indien de gedeputeerde ingevolge artikel 23 een openbaar
                            vervoerjaarkaart is verstrekt, wordt bij gebruik van een dienstauto voor
                            het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling een korting
                            op zijn bezoldiging toegepast overeenkomstig het bepaalde in de
                            onderdelen a en b van het derde lid.</al><al>5. Indien de gedeputeerde voor reizen ten behoeve van in het tweede lid
                            bedoelde nevenfuncties gebruik maakt van de dienstauto en daarvoor van
                            een derde ook een vergoeding van reiskosten ontvangt, wordt die
                            vergoeding in de provinciale kas gestort.</al><al>6. Indien en voor zover dit voor de vervulling van het ambt van
                            gedeputeerde, dan wel de daaraan verbonden nevenfuncties van belang is,
                            kan de dienstauto door de gedeputeerde eveneens worden gebruikt voor
                            andere nevenfuncties dan bedoeld onder het tweede lid. Hierbij zijn de
                            fiscale regels van toepassing en dit kan leiden tot een fiscale
                            bijtelling.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Verblijfkosten</titel></kop><al>De gedeputeerde worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 24 volledig
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Buitenlandse dienstreis</titel></kop><al>1. Indien de gedeputeerde in het provinciaal belang een reis buiten
                            Nederland maakt, worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reis-
                            en verblijfkosten vergoed. </al><al>2. Voor een reis in het provinciaal belang buiten Nederland, niet zijnde
                            een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming van
                            Gedeputeerde Staten vereist. Provinciale Staten kunnen aan deze
                            toestemming voorwaarden verbinden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>1. De kosten van deelname van een gedeputeerde aan cursussen,
                            congressen, seminars en symposia die in het provinciaal belang door of
                            namens de provincie worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening
                            van de provincie.</al><al>2. De gedeputeerde die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                            symposium dat niet door of namens de provincie wordt aangeboden of
                            verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in bij de
                            provinciesecretaris. De aanvraag gaat vergezeld van inhoudelijke
                            informatie en een kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van
                            de provincie als deelname van belang is in verband met de uitoefening
                            van het ambt van gedeputeerde.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Computer en internetverbinding</titel></kop><al>1. Op aanvraag worden de gedeputeerde ten laste van de provincie voor de
                            uitoefening van het ambt een computer, bijbehorende apparatuur en
                            software in bruikleen ter beschikking gesteld. </al><al>2. Indien geen computer, bijbehorende apparatuur en software ter
                            beschikking is gesteld, wordt de gedeputeerde op aanvraag voor de
                            uitoefening van het ambt een tegemoetkoming verleend voor:</al><lijst><li nr=""><al>a. aanschaf van een computer, bijbehorende apparatuur en
                                    software, of</al></li><li nr=""><al>b. gebruik van een eigen computer, bijbehorende apparatuur en
                                    software.</al></li></lijst><al>3. Voor zover er sprake is van een belastingheffing in verband met een
                            ten laste van de provincie ter beschikking gestelde computer,
                            bijbehorende apparatuur en software als bedoeld in het eerste lid
                            ontvangt de gedeputeerde ten laste van de provincie op aanvraag per jaar
                            een tegemoetkoming van 30% van de aanschafwaarde daarvan voor een
                            periode van maximaal drie jaar. Daarbij wordt ten hoogste uitgegaan van
                            de aanschafwaarde van de computer, bijbehorende apparatuur en software
                            welke aan de gedeputeerden in bruikleen ter beschikking worden
                            gesteld.</al><al>4. Op aanvraag ontvangt de gedeputeerde een vast bedrag ter vergoeding
                            van de aanleg- en abonnementskosten voor de internetverbinding voor de
                            in het eerste of tweede lid genoemde computerapparatuur. Gedeputeerde
                            Staten stellen de hoogte van het in de eerste volzin bedoelde bedrag van
                            de vergoeding vast.</al><al>5. De gedeputeerde ondertekent voor de bruikleen een
                            bruikleenovereenkomst met de provincie. Gedeputeerde Staten stellen het
                            model van de bruikleenovereenkomst vast.</al><al>6. Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van dit artikel nadere
                            regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 30 Mobiele telefoon</titel></kop><al>1. Op aanvraag wordt de gedeputeerde voor de uitoefening van zijn ambt
                            een mobiele telefoon, dan wel een daarmee gelijk te stellen ander modern
                            communicatiemiddel in bruikleen ter beschikking gesteld.</al><al>2. De gedeputeerde ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                            provincie.</al><al>3. Gedeputeerde Staten stellen het model van de bruikleenovereenkomst
                            vast.</al><al>4. Op de bezoldiging van de gedeputeerde die de mobiele telefoon voor
                            meer dan 10% mede gebruikt voor privé-doeleinden wordt een bedrag
                            ingehouden dat gelijk is aan het bedrag dat voor de loonbelasting tot
                            het loon wordt of zou worden gerekend ingeval alle kosten van de mobiele
                            telefoon voor rekening van de provincie komen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</titel></kop><al>De gedeputeerde die bij benoeming nog niet over woonruimte in de
                            provincie beschikt, heeft ten laste van de provincie aanspraak op
                            vergoeding van:</al><lijst><li nr=""><al>a. reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel
                                    1 van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 18, tweede
                                    lid, van het Rechtspositiebesluit gedeputeerden;</al></li><li nr=""><al>b. verhuiskosten in verband met de benoeming als gedeputeerde
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de ministeriële
                                    regeling als bedoeld in artikel 18, tweede lid van het
                                    Rechtspositiebesluit gedeputeerden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 33 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><al>1. Het lid van een commissie ontvangt voor het bijwonen van de
                            vergaderingen van een commissie en haar subcommissies een vergoeding die
                            gelijk is aan het maximum bedrag, vermeld in artikel 13 van het
                            Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks ingevolge artikel 13 voornoemd wordt herzien.</al><al>2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                            als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden als
                            bedoeld in artikel 94, lid 2 van de Provinciewet ontvangt.</al><al>3. Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                            commissie:</al><lijst><li nr=""><al>a. als statenlid of gedeputeerde;</al></li><li nr=""><al>b. uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                    ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een functie
                                    bij een instelling die grotendeels van overheidswege wordt
                                    gesubsidieerd;</al></li><li nr=""><al>c. als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                    organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                    commissie tevens in belangrijke mate het provinciaal belang
                                    dient.;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Reis- en verblijfkosten</titel></kop><al>1. Aan het lid van een commissie dat geen statenlid of gedeputeerde is
                            en niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                            benoemd, worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van
                            de commissie vergoed. De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr=""><al>a. bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                    taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                    noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr=""><al>b. bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                    de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                    overeenkomstig de bedragen in de artikelen 2 en 4 van de
                                    Reisregeling binnenland;</al></li><li nr=""><al>c. bij gebruik van een ander eigen middel van vervoer: een
                                    vergoeding per afgelegde kilometer overeenkomstig de voor het
                                    provinciaal personeel geldende regeling.</al></li></lijst><al>2. Het in het eerste lid bedoelde lid van de commissie worden vergoed de
                            gemaakte noodzakelijke verblijfkosten voor het bijwonen van de
                            vergaderingen van de commissie tot ten hoogste de bedragen, vastgesteld
                            bij of krachtens het Reisbesluit binnenland.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34a</titel></kop><al>1. Voor de toepassing van artikel 33, lid 1 van deze verordening wordt,
                            voor zover het leden betreft van commissies als bedoeld in artikel 80
                            van de Provinciewet, onder comissievergaderingen tevens
                            commissieactiviteiten begrepen, waarover die commissie zelf een besluit
                            tot organisatie of deelname heeft genomen en welke als zodanig in het
                            activiteitenoverzicht van Povinciale Staten zijn opgenomen.; </al><al>2. Indien op een dag meerdere vergaderingen, c.q. activiteiten van
                            dezelfde commissie plaatsvinden, kan voor deze vergadering, c.q.
                            activiteiten tezamen slechts éénmaal het bedrag aan presentiegeld als
                            bedoeld in artikel 33, lid 1 worden gedeclareerd. </al><al>3. Voor deelname aan buitenlandse werkbezoeken, werkbezoeken aan Brussel
                            daaronder niet begrepen, kan geen presentiegeld worden gedeclareerd.
                            Voor meerdaagse werkbezoeken aan Brussel kan in totaal slechts éénmaal
                            het bedrag aan presentiegeld als bedoeld in artikel 33, lid 1 worden
                            gedeclareerd.</al><al>4. Voor de toepassing van artikel 34, lid 1 van deze verordening wordt,
                            voor zover het leden betreft van commissies als bedoeld in artikel 80
                            van de Provinciewet, onder commissievergaderingen tevens begrepen:</al><lijst><li nr=""><al>a. Commissieactiviteiten als bedoeld in het eerste lid;</al></li><li nr=""><al>b. Vergaderingen of werkbezoeken van de fracties waarvan de
                                    betreffende commissieleden deel uitmaken, waarin onderwerpen aan
                                    de orde komen die direct verband houden met
                                    commissievergaderingen waaraan die commissieleden hebben
                                    deelgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><al>1. Provinciale Staten kunnen een commissie uit Provinciale Staten
                            toestemming verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland.
                            Provinciale Staten kunnen aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al><al>2. De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                            de provincie georganiseerd.</al><al>3. De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                            rekening van de provincie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 36 Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr=""><al>a. betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr=""><al>b. rechtstreekse toezending van de factuur aan de provincie;
                                    of</al></li><li nr=""><al>c. een provinciale creditcard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37 Declaratie van vooruit betaalde kosten door leden van
                                Gedeputeerde Staten en door Commissieleden, niet zijnde Statenleden
                                of fractievertegenwoordigers</titel></kop><al>1. Voor de vergoeding van uit eigen middelen vooruit betaalde kosten als
                            bedoeld in de artikelen 24, 26, 27, en van uit eigen middelen vooruit
                            betaalde kosten als bedoeld in de artikelen 32 en 34 voor zover het
                            andere dan de in artikel 37a, lid 1 bedoelde genoemde commissieleden
                            betreft, wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier, waarvan het
                            model door Gedeputeerde Staten is vastgesteld.</al><al>2. Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend. De
                            gedeputeerde, onderscheidenlijk het commissielid dient het
                            declaratieformulier binnen twee maanden bij de provinciesecretaris of
                            een door hem aangewezen ambtenaar in, onder bijvoeging van de originele
                            bewijsstukken.” </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 37a Declaratie van reiskosten door leden van Provinciale
                                Staten en fractievertegenwoordigers</titel></kop><al>1. Voor de vergoeding van uit eigen middelen vooruit betaalde kosten als
                            bedoeld in de artikelen 5 en 6, en van uit eigen middelen vooruit
                            betaalde kosten als bedoeld in de artikelen 32 en 34 voor zover het
                            fractievertegenwoordigers betreft welke krachtens het Reglement van orde
                            van Provinciale Staten zitting hebben in commissies van Provinciale
                            Staten, wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier, waarvan het
                            model door het Seniorenconvent van Provinciale Staten is
                            vastgesteld.</al><al>2. Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en
                            dient uiterlijk twee maanden nadat de betreffende kosten zijn gemaakt te
                            worden ingediend bij de statengriffier. </al><al>3. Het Statenlid, onderscheidenlijk de fractievertegenwoordiger
                            beoordeelt zelf of de gedeclareerde kosten in redelijkheid ten behoeve
                            van de provincie zijn gemaakt en staat door ondertekening van het
                            declaratieformulier ook overigens in voor de regelconformiteit van de
                            declaratie. De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid hiervoor berust
                            bij het Statenlid. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 38 Rechtstreekse facturering bij de provincie</titel></kop><al>1. De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 24, 26, 27, 28
                            en 32 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                            statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde voor akkoord ondertekende
                            factuur aan de provincie.</al><al>2. Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                            begeleidingsformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is
                            vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al><al>3. Het statenlid, onderscheidenlijk de gedeputeerde dient het
                            begeleidingsformulier en de factuur binnen twee maanden in bij de
                            statengriffier, onderscheidenlijk de provinciesecretaris of de door hem
                            aangewezen ambtenaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 39 Gebruik creditcard</titel></kop><al>1. De vergoeding van kosten als bedoeld in de artikelen 24, 26, 27 en 32
                            kan plaatsvinden door gebruikmaking van de provinciale creditcard.</al><al>2. Een provinciale creditcard wordt de gedeputeerde op aanvraag in
                            bruikleen ter beschikking gesteld voor het doen van uitgaven die voor
                            vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de provincie in aanmerking
                            komen. Aan de verstrekking van de creditcard kunnen voorwaarden worden
                            verbonden.</al><al>3. De provinciesecretaris draagt zorg voor de aanvraag, verstrekking en
                            intrekking van provinciale creditcards. Bij de aanvraag wordt aangegeven
                            of een persoonlijke pincode voor het opnemen van contant geld gewenst
                            wordt.</al><al>4. Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                            begeleidingsformulier, waarvan het model door Gedeputeerde Staten is
                            vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al><al>5. Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen twee maanden
                            ingediend bij de provinciesecretaris of de door hem aangewezen
                            ambtenaar.</al><al>6. Bij beëindiging van het ambt van gedeputeerde wordt de creditcard
                            onverwijld ingeleverd.</al><al>7. Verlies of diefstal van de creditcard wordt direct gemeld bij de
                            betreffende creditcardmaatschappij en zo spoedig mogelijk ook bij de
                            provincie. Het eigen risico bij verlies en diefstal komt, mits is
                            voldaan aan de daarvoor geldende regels, voor rekening van de
                            provincie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk Vl Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 40 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            gedeputeerden, staten- en commissieleden.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Den Haag, 31 januari 2007 Provinciale Staten van Zuid-Holland, J. FRANSSEN,
                        voorzitter H. ENGELS-VAN NEIJEN, griffier </al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>