<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72117_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Trompetter, 28-02-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB/ Ioaw/Ioaz gemeente Roerdalen 2010 ​</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-03-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/02/16/06</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Belastingen, uitkeringen en toeslagen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de afstemmingsverordening WWB 2009​</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Onderwerp: Afstemmingsverordening WWB/IOAW/IOAZ gemeente
                            Roerdalen</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Roerdalen heeft;</al><al/><al>gelet op het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 13
                        april 2010,</al><al/><al>gehoord de commissie Bewonerszaken d.d. 28 april 2010;</al><al/><al>in de openbare vergadering d.d. 20 mei 2010 het navolgende besluit
                        genomen:</al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al>vast te stellen: de Afstemmingsverordening WWB/Ioaw/Ioaz Gemeente Roerdalen
                        2010</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 375);</al></li><li nr="2."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder b,
                                    van de wet;</al></li><li nr="3."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onder d,
                                    van de wet;</al></li><li nr="4."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="5."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onder c,
                                    van de wet;</al></li><li nr="6."><al>langdurigheidtoeslag: de toeslag bedoeld in artikel 5, onderd e,
                                    van de wet;</al></li><li nr="7."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="8."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="9."><al>Uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                                    IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="10."><al>Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                                    grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="11."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidtoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van de
                                    WWB of het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel
                                    20, twede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het
                                    blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering
                                    op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede
                                    lid IOAZ.</al></li><li nr="12."><al>voorziening: voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid
                                    onder a, van de wet: een instrument binnen een traject dat
                                    ingezet wordt om belemmeringen bij aanvaarding van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid weg te nemen;</al></li><li nr="13."><al>traject: een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel door
                                    het college aan hem opgelegd, geheel van activiteiten gericht op
                                    het verkrijgen en behouden van betaalde arbeid;</al></li><li nr="14."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Roerdalen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel een verplichting uit de WWB, of
                                een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond
                                van hoofdstuk 3 IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting –
                                anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                onderdeel c IOAZ – schendt, of de artikelen 28, tweede lid, of
                                artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                                werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt c.q. schendt, waaronder begrepen het zich jegens het college
                                zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van de belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7, van de WWB, werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        WWB, of artikel 13 van IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag en de ingangsdatum</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd op de bijstandsnorm of de
                                uitkeringsnorm</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden opgelegd
                                op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende bijzondere
                                bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de
                                wet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op
                                de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag, indien de
                                verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht
                                op bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag, daartoe
                                aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de maatregel in met
                                ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop
                                het besluit tot het opleggen van een maatregel aan de belanghebbende
                                is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende bijstandsnorm of uitkeringsnorm</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden toegepast, voor zover de bijstand/ uitkering of de
                                langdurigheidtoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel (Verjaring)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de maatregelwaardige gedraging meer dan 1 jaar vóór
                                        constatering van die gedraging door het college heeft
                                        plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                        inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging
                                        ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens
                                        schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na
                                        verloop van 5 jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid van deze verordening inhouden, wordt
                            voor het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                            gedraging waarvoor de hoogste maatregel geldt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Niet of in onvoldoende mate medewerking verlenen aan het verkrijgen
                            of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de WWB of artikel 37 IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting
                            bedoeld in artikel 37, eerste lid onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of
                            onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><al/><al>1. Eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie.</al><al/><al>2. Tweede categorie:</al><al>a. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan arbeidsinschakeling,
                            waaronder begrepen het niet meewerken aan een onderzoek naar de
                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid
                            tot </al><al>het geen doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject of
                            voorziening;</al><al>b. het zich niet onderwerpen aan een door een arts noodzakelijk geachte
                            behandeling van medische aard;</al><al/><al>3. Derde categorie:</al><al>a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen of te aanvaarden;</al><al>b. het niet of in onvoldoende mate meewerken een voorziening of traject
                            gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit heeft geleid tot het geen
                            doorgang vinden of voortijdige beëindiging van het traject of
                            voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1.Onverminderd artikel 2, tweede lid en met toepassing van artikel 6
                                derde lid, wordt de maatregel vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>10% van de bijstandsnorm c.q. uitkeringsnorm gedurende 1 maand bij
                                gedragingen van de eerste categorie;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>25% van de bijstandsnorm c.q. uitkeringsnorm gedurende 1 maand bij
                                gedragingen van de tweede categorie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>100% van de bijstandsnorm c.q. uitkeringsnorm gedurende 1 maand bij
                                gedragingen van de derde categorie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen de
                                maatregel met een langere duur worden opgelegd, als de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                                belanghebbende daartoe aanleiding geeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Het niet of te laat nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond
                            van artikel 17 van de WWB of artikel 13 IOAW/IOAZ en/of artikel 30c,
                            tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                            inkomen niet of niet voldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in
                            de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet uit eigen beweging of binnen een door het college
                                    daartoe gestelde termijn mededeling doen van alle feiten en
                                    omstandigheden, waarvan de belanghebbende redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op zijn
                                    recht op bijstand of uitkering;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn
                                    verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de WWB of IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al></li><li nr="a."><al>het niet of niet behoorlijk mededeling doen van alle feiten en
                                    omstandigheden, waarvan de belanghebbende redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat die van invloed kunnen zijn op zijn
                                    recht op WWB c.q. IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot een
                                    ten onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan bijstand of
                                    uitkering;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn
                                    verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                                    uitvoering van de wet, waarvan de jongere redelijkerwijs
                                    duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op zijn recht
                                    op WWB c.q. IOAW/IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot een ten
                                    onrechte of tot een te hoog verleend bedrag aan bijstand of
                                    uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10:</nr><titel>De hoogte en de duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel behorend bij de in artikel 9 vermelde categorieën wordt
                                vastgesteld op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tien procent van de WIJ-norm gedurende een maand bij gedragingen van
                                de <onderstreept>eerste</onderstreept> categorie als bedoeld in
                                artikel 9;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>vijftien procent van het benadelingsbedrag, met een minimum van €
                                100,- en een maximumbedrag van € 1000,- indien sprake is van een ten
                                onrechte of een te hoog verleend bedrag aan bijstand of uitkering
                                bij een gedraging van de <onderstreept>tweede</onderstreept>
                                categorie als bedoeld in artikel 9;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde (of een hogere)
                                categorie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de maatregel bedoeld in het eerste lid, als gevolg van de
                                beëindiging van het recht op bijstand of uitkering niet kan worden
                                opgelegd, wordt de maatregel alsnog opgelegd wanneer binnen één jaar
                                na beëindiging van de bijstand of uitkering een nieuw recht op WWB
                                of IOAW/IOAZ ontstaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onverwijld</titel></kop><al>Bij toepassing van artikel 17, eerste lid, van de WWB dient als
                            onverwijld te worden verstaan: bij het eerste
                            rechtmatigheidonderzoeksformulier of, indien dit niet van toepassing is,
                            vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel
                            de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet zich
                            heeft voorgedaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB, wordt,
                                met uitzondering van hetgeen in lid 3 staat vermeld, een maatregel
                                opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als
                                gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel als bedoeld
                                in het eerste lid op de volgende wijze vastgesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode
                                        van 3 maanden of korter; </al></li><li nr="b."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode
                                        van 3 tot 6 maanden; </al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode
                                        van 6 maanden en langer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien er sprake is van een te snelle intering van vermogen, wordt
                                een maatregel opgelegd in dier voege dat de bijstand wordt verstrekt
                                in de vorm van een geldlening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien de belanghebbenden zich jegens het college of zijn medewerkers
                            zeer ernstig misdraagt legt het college een maatregel op. De maatregel
                            bedraagt honderd procent van de bijstandsnorm c.q. uitkering gedurende
                            een maand​</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de WWB zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een maatregel opgelegd van 20% van de
                            bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB/
                            Ioaw/Ioaz gemeente Roerdalen 2010 en treedt in werking op 1 juli 2010,
                            onder gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening WWB
                            2009.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 20-05-2010</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De gemeenteraad van Roerdalen,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>R.J.J. Notermans drs. C.A.M. Hanselaar – van Loevezijn</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Met de invoering van de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) per 1-10-2009 is het
                    van belang de verordeningen WWB aanpassen aan de nieuwe wetgeving. Met ingang
                    van 1-1-2010 is bovendien de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening
                    aan gemeenten (Wet BUIG) inwerking getreden.</al><al/><al>Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen.
                    In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de
                    gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen. Op
                    basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1 juli 2010
                    in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te
                    komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen
                    afstemmingsbeleid. </al><al/><al>Gekozen is voor een integrale verordening WWB, IOAW en IOAZ. </al><al/><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de WWB en de IOAW/IOAZ. In de verordening
                        wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2
                        van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang
                        rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Lid 1 </al><al>Dit artikel bundelt de verplichtingen die opgenomen zijn in de WWB, het
                        bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20, tweede lid IOAW en de
                        verplichtingen opgenomen in de Wet SUWI.</al><al>Lid 2 </al><al>In deze afstemmingsverordening zijn voor de diverse gedragingen
                        standaard-maatregelen</al><al>vastgesteld. Desondanks blijft het mogelijk de op te leggen maatregel aan te
                        passen aan de ernst van het feit en de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Beoordeeld dient te worden of men als gevolg van de ernst van het feit en de
                        gedraging, bijvoorbeeld afhankelijk van de zwaarte van de gedraging, omvang
                        van de gevolgen of zoveelste recidive wil afwijken van de
                        standaardmaatregel. De mate van verwijtbaarheid dient altijd in de
                        beoordeling meegenomen te worden. Hierbij dient de vraag gesteld te worden
                        in hoeverre de belanghebbende op de hoogte was/kon zijn van zijn
                        verplichtingen, alsmede de psychische gesteldheid van de
                        belanghebbende.</al><al>Bij de omstandigheden van de belanghebbende dient overwogen te worden of de
                        individuele omstandigheden aanleiding zijn om af te wijken van de
                        standaardmaatregel. Als gevolg van de ernst van het feit en de gedraging, de
                        mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden kan een maatregel,
                        in afwijking van de standaardmaatregel hoger worden vastgesteld (tot
                        maximaal 100%) of juist lager. In het laatste geval is het in uitzonderlijke
                        situaties zelfs mogelijk de verlaging toe te passen tot 0%. </al><al>Een maatregel kan op basis van dit tweede lid niet alleen hoger of lager
                        worden vastgesteld maar kan in voorkomende gevallen ook over een langere
                        periode worden gespreid. De standaard maatregel is dan bijvoorbeeld één
                        maand 100%, maar wordt vervolgens verdeeld over twee </al><al>maanden 50%.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Horen van de belanghebbende</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen.</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. Lid 2 </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>De berekeningsgrondslag en ingangsdatum</titel></kop><al>Lid 1 </al><al>Een maatregel wordt opgelegd over de bijstandsnom of de uitkeringsnorm. In
                        de begripsomschrijvingen zijn deze termen uitgewerkt.</al><al>Leden 2 + 3 </al><al>Deze bepalingen maken het mogelijk dat het college in incidentele gevallen
                        een maatregel toepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag.
                        Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                        belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                        langdurigheidstoeslag. De hoogte van het bedrag waarmee de bijzondere
                        bijstand of de langdurigheidtoeslag wordt verminderd, bedraagt het bedrag
                        van de maatregel welke belanghebbende opgelegd zou krijgen wanneer hij een
                        algemene bijstandsuitkering zou ontvangen. De maatregel op de bijzondere
                        bijstand of de langdurigheidtoeslag bedraagt daarbij overigens nooit meer
                        dan het bedrag dat belanghebbende aan bijzondere bijstand of
                        langdurigheidtoeslag zou ontvangen.</al><al>Lid 4 </al><al>Een maatregel wordt in principe naar de toekomst opgelegd. Hiermee wordt
                        voorkomen dat het recht herzien moet worden en de teveel verstrekte
                        inkomensvoorziening moet worden teruggevorderd. De maatregel wordt opgelegd
                        met ingang van de eerst volgende kalendermaand nadat het maatregelbesluit is
                        genomen.</al><al>Lid 5 </al><al>In voorkomende situaties kan het praktisch zijn om de maatregel te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet
                        het recht op inkomensvoorziening wel worden herzien en moet worden
                        teruggevorderd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel (Verjaring)</titel></kop><al>Lid 1 </al><al>Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is een reden om af te zien
                        van het opleggen van een maatregel.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is
                        verjaring. Omwille van de effectiviteit van een maatregel is het geboden dat
                        deze zo snel mogelijk nadat de gedraging heeft plaatsgevonden wordt opgelegd
                        (“lik op stuk”). Deze verjaringstermijn wordt vastgesteld op één jaar met
                        uitzondering van de gedragingen wegens het niet of niet voldoende nakomen
                        van de inlichtingenplicht. In dat geval geldt een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Daarmee wordt aangesloten op hetgeen hieromtrent verwoord is in de
                        handreiking handhaving rechten en plichten welke in opdracht van het
                        ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is opgesteld na
                        inwerkingtreding van de WWB. Een termijn van vijf jaar bij het schenden van
                        de inlichtingenlicht ligt tevens voor de hand gelet op de ernst van de
                        gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig
                        heeft om de omvang van de fraude vast te stellen.</al><al>Lid 2 </al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                        redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie. Lid 3 </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband
                        met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Bij samenloop van meerdere verwijtbare gedragingen zijn er in beginsel 3
                        mogelijkheden: niet</al><al>cumuleren van maatregelen, uitgaan van de meest ernstige gedraging of de
                        maatregelen gelijktijdig toepassen (cumuleren). Gekozen is voor de tweede
                        optie.</al><al>De bepaling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen die (min of meer) gelijkertijd plaatsvinden.
                        Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                        gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan
                        van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet of in onvoldoende mate medewerking verlenen aan het verkrijgen
                            of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al/><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                        behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed
                        achter de WWB/IOAW/IOAZ: een klant dient zelf alles in het werk te stellen
                        om aan het werk te komen dan wel te blijven.</al><al>Lid 1 </al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende
                        in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.</al><al>Lid 2 </al><al>Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende
                        niet op afspraken bij het re-integratiebedrijf verschijnt. Aan de
                        belanghebbende die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                        levensonderhoud te voorzien, kan de verplichting worden opgelegd om mee te
                        werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                        voorzieningen of deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat
                        uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke
                        participatie. Het LWI Roermond vormt een bijzondere plek. Binnen deze
                        setting gelden bepaalde huisregels die ertoe moeten bijdragen dat het
                        diagnostisch onderzoek zo goed mogelijk kan verlopen. Overtreding van die
                        regels zou kunnen worden opgevat als een gedraging van de tweede categorie. </al><al>Het zonder meer toepassen van de daarbij behorende maatregel van één maand
                        50% wordt echter als een te zware sanctie ervaren. Het is dan toch mogelijk
                        om een maatregel te baseren op artikel 7, tweede lid, maar vervolgens de
                        hoogte te matigen met toepassing van artikel 2, tweede lid van de
                        verordening.</al><al>Ook het niet meewerken aan een noodzakelijk geacht medisch onderzoek of een
                        door een arts noodzakelijk geachte behandeling van medische aard is aan te
                        merken als een maatregelwaardige gedraging. Dit zal met name zo zijn indien
                        het niet meewerken van invloed is op het leerwerktraject of het verwerven
                        van loonvormende arbeid.</al><al>In andere gevallen worden meestal meerdere verplichtingen tegelijkertijd
                        geschonden. Er kan dan op grond daarvan een zwaardere maatregel worden
                        opgelegd. </al><al>Wanneer de gedraging in onderdeel b bij herhaling plaatsvindt, kan op basis
                        van “recidive” de duur van de maatregel worden verdubbeld. </al><al>Lid 3 De derde categorie onderdeel a, betreft enerzijds het niet aanvaarden
                        van algemeen geaccepteerde arbeid. Het kan hierbij om allerlei soorten
                        arbeid gaan: gesubsidieerd of regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of
                        voor onbepaalde duur. Anderzijds betreft dit het door eigen toedoen
                        (verwijtbaar) voorafgaand aan de aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet
                        behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid niet behouden. Hieronder
                        wordt ook verstaan het niet correct uitoefenen van het beroep als
                        zelfstandige. Bij de derde categorie, onderdeel b, gaat het om dezelfde
                        soort gedragingen als bedoeld in de tweede categorie onder b, echter met dit
                        belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen
                        doorgang vinden of afbreken van een traject of voorziening. In de praktijk
                        zal beëindiging van een traject of voorziening veelal pas plaatsvinden nadat
                        de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet
                        mee te willen meewerken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig
                        mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige
                        gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging
                        van het traject/voorziening leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen
                        die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder
                        traject/voorziening is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende
                        belanghebbende immers niet mogelijk. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel </titel></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                        arbeid.</al><al>Lid 1 </al><al>Aan de categorieën is een bepaald wegingspercentage gekoppeld al naar gelang
                        de zwaarte van de gedraging. Dit percentage dient als uitgangspunt bij de
                        uiteindelijke vaststelling van de maatregel, waarbij te allen tijde de ernst
                        van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                        omstandigheden moeten worden meegewogen.</al><al>Vooral bij toepassing van een zware maatregel (zoals een 100% maatregel)
                        speelt artikel 2, tweede lid een belangrijke rol. Er moet dan met name goed
                        gekeken worden naar de individuele</al><al>omstandigheden.</al><al>Ook in de beoordeling van overtredingen van de huisregels van het LWI
                        Roermond vormt het in artikel 2, tweede lid geschetste toetsingskader een
                        belangrijk element. Zie in dit verband de toelichting bij artikel 7, tweede
                        lid van de verordening.</al><al>Lid 2 </al><al>Indien er binnen één jaar na een vorige verwijtbare gedraging sprake is van
                        herhaald verwijtbaar</al><al>gedrag wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                        een verdubbeling van de duur van de maatregel. Er moet hier echter op worden
                        gewezen dat bij recidive in de regel tot</al><al>intrekking van de bijstand of uitkering moet worden overgegaan. In het
                        individuele geval kan hier gemotiveerd van worden afgeweken en kan een zware
                        maatregel voor langere duur worden opgelegd. </al><al>Onder eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                        aanleiding is geweest een maatregel toe te passen, ook indien de maatregel
                        wegens dringende redenen niet is geëffectueerd.</al><al>Een gedraging kan overigens pas als “verwijtbaar” worden aangemerkt indien
                        deze is beoordeeld en in een beslissing aan de jongere kenbaar is gemaakt. </al><al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de
                        eerste verwijtbare gedraging</al><al>zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom van belang dit goed weer te
                        geven in het</al><al>maatregelbesluit en dat vervolgens adequaat te registreren.</al><al>Lid 3 </al><al>Met deze bepaling wordt uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om ook bij een
                        eerste of tweede</al><al>gedraging de maatregel voor een langere periode op te leggen als de situatie
                        daartoe aanleiding</al><al>geeft. Ook hier geldt het beginsel dat in een concreet geval maatwerk
                        mogelijk moet zijn. Hieraan</al><al>moet met name gedacht worden indien de kansen van de belanghebbende op
                        uitstroom ernstig worden bemoeilijkt door het afbreken van een traject. In
                        dergelijke gevallen moet het mogelijk zijn om, rekening houdend met de
                        betrekkelijk ernstige gevolgen van de gedraging, reeds bij een eerste of
                        tweede gedraging deze voor langere duur op te leggen.</al><al>Lid 4 </al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor een bepaalde duur wordt opgelegd. Door
                        een maatregel voor een bepaalde periode op te leggen weet de
                        uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij
                        aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel
                        is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een
                        apart besluit nodig. Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie
                        maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel aan een herbeoordeling
                        moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18 derde lid WWB. Gemeenten
                        mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar
                        gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen, waarbij alle
                        relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden.
                        Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het
                        redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan
                        worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar
                        bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                        voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Het niet of te laat nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>Hier gaat het over de verplichtingen tot het verstrekken van inlichtingen
                        met betrekking tot het recht op bijstand/uitkering, de
                        medewerkingsverplichting en het tonen van een identiteitsbewijs. Voor het
                        begrip ‘onverwijld’ geld dat bij wijzigingen die van belang zijn voor de
                        bijstand/uitkering of het traject of de voorziening direct melding wordt
                        gemaakt van de situatie die zich voordoet.</al><al>Lid 1</al><al>De eerste categorie, onderdeel a en b, heeft betrekking op het te laat
                        voldoen aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht. Veel voorkomende
                        gedragingen ten aanzien van de inlichtingenplicht zijn onder meer het niet
                        verschijnen op een ingelast rechtmatigheidsonderzoek of het niet inleveren
                        van status- en wijzigingsformulier en periodieke verklaring.</al><al>Voorbeelden van het niet voldoen aan de medewerkingsverplichting zijn het
                        niet tonen van het</al><al>identiteitsbewijs, niet meewerken aan een huisbezoek en niet meewerken aan
                        een onderzoek naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens.
                        Indien de belanghebbende niet in de daartoe gestelde termijn de informatie
                        verstrekt of anderszins onvoldoende medewerking verleent, wordt het recht op
                        bijstand/uitkering opgeschort en wordt de belanghebbende verzocht het
                        verzuim binnen een gestelde termijn te herstellen (de zogenaamde
                        hersteltermijn). Indien de informatie of medewerking alsnog wordt verstrekt
                        of verleend, wordt een maatregel toegepast. Indien de belanghebbende het
                        verzuim niet herstelt, wordt het recht op bijstand/uitkering beëindigd met
                        ingang van de eerste dag waarover dat recht is opgeschort.</al><al>Een bijzondere vorm van schending van de medewerkingsplicht is het in
                        onvoldoende mate</al><al>meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.
                        Omdat het hier gaat om het niet nakomen van een verplichting in het kader
                        van een traject/voorziening, wordt</al><al>deze specifieke gedraging niet gesanctioneerd op basis van dit artikel maar
                        op grond van artikel 7,</al><al>tweede categorie onder a. De gedraging kan overigens wel nog steeds als een
                        schending van de</al><al>medewerkingsplicht worden gezien, waardoor ná de maatregelwaardige
                        gedraging, de hierboven geschetste weg kan worden gevolgd.</al><al>Ten aanzien van oproepen door een Reïntegratiebedrijf (RIB) kan hier nog
                        worden aangegeven dat de hiervoor bedoelde hersteltermijn niet gaat lopen
                        vanaf het moment dat de belanghebbende dient te verschijnen op een afspraak
                        van het RIB, maar pas na de daaropvolgende oproep van de gemeente. Deze
                        oproep vindt in de regel plaats nadat de jongere niet is verschenen op de
                        afspraak van het RIB. Geeft de jongere ook geen gehoor aan de oproep dan
                        geldt voor de hersteltermijn de datum van deze oproep.</al><al>Om vast te kunnen stellen waarom de jongere niet op de afspraak van het RIB
                        is verschenen.</al><al>Voldoet een jongere niet aan de oproep van de gemeente dan gaat de
                        hersteltermijn in</al><al>op het moment van deze oproep. </al><al>Daarnaast omvat de eerste categorie, onderdeel a, het schenden van de
                        inlichtingenplicht dat niet</al><al>heeft geleid tot een teveel of ten onrechte verstrekt bedrag aan uitkering,
                        de zogenaamde nulfraude. Voorbeelden van zogenaamde nulfraude zijn het niet
                        opgeven van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet
                        melden van vrijwilligerswerk. Rekeninghoudend met de gedraging van de eerste
                        categorie (te late verstrekking van gegevens) dient hier ook een maatregel
                        te worden opgelegd. Immers het niet sanctioneren van nulfraude zou anders
                        positiever beoordeeld worden dan het alsnog na herhaald verzoek verstrekken
                        van gegevens.</al><al>Lid 2 </al><al>De tweede categorie betreft het schenden van de inlichtingenplicht welke wel
                        heeft geleid tot een ten onrechte verstrekt bedrag. Er kan in deze situaties
                        sprake zijn van fraude als betrokkene de bedoelde inlichtingen bewust heeft
                        verzwegen met de bedoeling er financieel van te profiteren. Waren de
                        inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat hebben geleid tot het lager
                        vaststellen van het recht op inkomensvoorziening of tot beëindiging van de
                        inkomensvoorziening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Lid 1 </al><al>Bij gedragingen van de eerste categorie, onderdeel a, kan er sprake zijn van
                        vroegtijdig constateren van inlichtingenfraude waardoor is voorkomen dat er
                        ten onrechte bijstand/uitkering wordt verstrekt. Bijvoorbeeld constatering
                        gedurende de aanvraagprocedure voor de eerste uitbetaling. Ook bij
                        gedragingen van de tweede categorie dient de maatregel te worden afgestemd
                        op de ernst van de gedraging, de mate waarin de jongere de gedraging kan
                        worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit kan betekenen
                        dat -zeker vanuit het oogpunt van hoogwaardig handhaven- in bepaalde
                        situaties een hogere maatregel kan worden opgelegd. </al><al>Toepassing geven aan artikel 2, tweede lid kan echter ook inhouden dat -met
                        name bij een zware</al><al>standaard maatregel- deze bijvoorbeeld over een langere periode wordt
                        gespreid. Maatwerk is dus</al><al>mogelijk.</al><al>Lid 2 </al><al>Indien er binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                        herhaald verwijtbaar gedrag, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                        uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met
                        eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                        aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                        dringende redenen niet is geëffectueerd. Een gedraging kan overigens pas als
                        “verwijtbaar” worden aangemerkt indien deze is beoordeeld en in een
                        beslissing aan de jongere kenbaar is gemaakt.</al><al>Bij toepassing van recidive wordt uitgegaan van het tijdstip waarop de
                        eerste verwijtbare gedraging</al><al>zich feitelijk heeft voorgedaan. Het is daarom van belang dit goed weer te
                        geven in de beslissing en die vervolgens adequaat te registreren.</al><al>Lid 3 </al><al>Indien na de constatering van de schending van de inlichtingenplicht de
                        uitkering wordt beëindigd, biedt deze bepaling de mogelijkheid om de
                        maatregel alsnog te effectueren wanneer binnen één jaar na beëindiging van
                        de bijstand/uitkering een nieuw recht op bijstand/uitkering ontstaat.</al><al>Er is gekozen voor deze termijn omdat de verwachting is dat dan het effect
                        van de maatregel, namelijk het bewerkstelligen van een gedragsverandering
                        bij de belanghebbende, groot is.</al><al>Voor het bepalen van de ingangsdatum van de termijn, dient de datum van
                        feitelijke beëindiging van de bijstand/uitkering te worden genomen. Deze
                        hoeft niet samen te vallen met de formele beëindiging. Die kan immers
                        vanwege fraude met terugwerkende kracht zijn bepaald.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Onverwijld</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.​</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Lid 1 </al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening
                        kan houden. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient
                        beoordeeld te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn
                        gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had
                        betoond. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken, zoals: - een onverantwoorde besteding van vermogen; -
                        geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening; - het niet
                        nakomen van de verplichting tot instellen alimentatievordering. Het is niet
                        mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van alle gedragingen die
                        leiden tot een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. </al><al>Lid 2 </al><al>Het tweede lid regelt de hoogte van de maatregel bij tekortschietend besef
                        van verantwoordelijkheid. </al><al>Lid 3 </al><al>Deze bepaling richt zich op de relatie tussen het recht op bijstand en de
                        hoogte van het vermogen van de klant. Indien een klant ofwel tijdens de
                        periode van bijstandverstrekking ofwel hieraan voorafgaand de beschikking
                        heeft (gehad) over vermogen, dat het vrij te laten vermogen op grond van de
                        wet overtreft, en dit vermogen te snel heeft ingeteerd c.q. opgemaakt, dan
                        bestaat er eigenlijk géén recht op bijstand. </al><al/><al>Omdat de klant dan feitelijk niet meer over de nodige middelen beschikt,
                        dient er echter toch bijstand te worden verstrekt. </al><al/><al>De maatregel bestaat eruit dat de bijstand, tot het bedrag dat te snel is
                        ingeteerd, in de vorm van een geldlening wordt verstrekt, terug te betalen
                        in termijnen ter hoogte van 10 procent van de betreffende bijstand(norm).
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Een maatregelwaardige gedraging is het zich jegens het college zeer ernstig
                        misdragen. Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen
                        van agressie worden verstaan, waarbij sprake is van gedrag dat in het
                        normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                        beschouwd. In de verordening is aangegeven dat agressief gedrag van een
                        jongere aanleiding vormt voor het opleggen van een maatregel. Een nadere
                        uitwerking van wat onder “het zeer ernstig misdragen” kan worden verstaan,
                        volgt hieronder.</al><al>Zeer ernstige misdragingen:</al><al>Onder ernstige misdragingen wordt verstaan agressie en (verbaal) geweld
                        waarbij een medewerker psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd
                        of aangevallen, onder omstandigheden, die rechtstreeks verband houden met de
                        te vervullen functie van de medewerker (van de eigen organisatie of van de
                        ketenpartners).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in
                        Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde
                        andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of
                        vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich
                        onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het
                        artikel. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende
                        in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge
                        huur. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><al>Artikel 15 van de verordening betreffende de datum van inwerkingtreding en
                        de citeertitel spreken voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>