<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72099_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loon op Zand</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekjournaal</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs, art. 102</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs, art. 76m</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet Bestuursrecht, art. 4:4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet Bestuursrecht, art. 6:2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet Bestuursrecht, art. 6:20</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-06-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2009/60</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Loon op Zand;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 29 september
            2009, nummer 2009/60;</al><al>gelet op het advies van de commissie Mens en Maatschappij d.d. 19 oktober 2009;</al><al>gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs en artikel 76m van de Wet op
            het voortgezet onderwijs;</al><al>gelet op artikel 5 van de Gemeentewet;</al><al>gelet op de artikelen 4:4, 6:2, 6:12 en 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met vertegenwoordigers van de
            bevoegde gezagsorganen van de niet door de gemeente in stand gehouden scholen in de
            gemeente; </al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Loon op
            Zand 2010.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder </al><lijst><li nr="a."><al>minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;</al></li><li nr="b."><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs en
                  de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzondere school, die
                  geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het
                  grondgebied van de gemeente; </al></li><li nr="c."><al>school: school voor basisonderwijs en school voor voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="d."><al>school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor
                  basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;
                  school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend
                  wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet
                  onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als
                  bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs. </al></li><li nr="e."><al>nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85
                  van de Wet op het primair onderwijs of artikel 75 van de Wet op het voortgezet
                  onderwijs voor bekostiging in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="f."><al>voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2
                  van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening;</al></li><li nr="h."><al>overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het
                  programma ingewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze
                  verordening;</al></li><li nr="i."><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van een
                  voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als
                  bedoeld in artikel 25 van deze verordeningheeft ingediend;</al></li><li nr="j."><al>aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om bekostiging van
                  bouwvoorbereiding;</al></li><li nr="k."><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die,
                  volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze
                  verordening, 15 jaren of langer noodzakelijk is;</al></li><li nr="l."><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die,
                  volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze
                  verordening, niet langer dan 15 jaren noodzakelijk is; </al></li><li nr="m."><al>permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van
                  de constructie en materialen ten minste 60 jaren als volwaardige huisvesting voor
                  het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="n."><al>noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard
                  van de constructie en materialen ten minste 15 jaren als volwaardige huisvesting
                  voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="o."><al>gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke
                  oefening;</al></li><li nr="p."><al>advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van
                  het programma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van
                  inrichting, als bedoeld in artikel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel
                  76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="q."><al>verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                  onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of
                  recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="r."><al>gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair
                  onderwijs, artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="s."><al>beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten in een
                  geschil als bedoeld in artikel 110, tweede lid van de Wet op het primair
                  onderwijs, artikel 76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="t."><al>eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de
                  Wet op het primair onderwijs, artikel 76u en van de Wet op het voortgezet
                  onderwijs. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen
              onderscheiden:</al><al>a de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande
              uit:</al><lijst><li nr="1."><al> nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in
                  aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging
                  van een gebouw waarin een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde
                  locatie;</al></li><li nr="2."><al> uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al></li><li nr="3."><al> gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van
                  de huisvesting van een school;</al></li><li nr="4."><al>verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de
                  huisvesting van een school;</al></li><li nr="5."><al> terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1 tot en met 4
                  omschreven voorziening;</al></li><li nr="6."><al> inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor zover deze
                  nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking zijn
                  gebracht;</al></li><li nr="7."><al> inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van
                  rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;</al></li><li nr="8."><al> medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een
                  andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte;</al></li></lijst><al>b aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten zoals
              onderscheiden in bijlage 1;</al><al>c onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs bestaande uit een of
              meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage 1; </al><al>d herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt
              door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van
              nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten,
              uitvoeringsfouten of wanprestatie;</al><al>e herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket en
              meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden; </al><al>f huur van een sportterrein, dat niet eigendom is van een bevoegd gezag, voor een
              school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke
              oefening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bouwvoorbereiding voorzieningen</titel></kop><al>Ten aanzien van voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a, sub 1 kan een
              aanvraag worden ingediend voor een bekostiging van de bouwvoorbereiding. Hierop is het
              bepaalde in hoofdstuk 4 van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vaststelling vergoeding voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen, of bij toekenning van
                  bekostiging van bouwvoorbereiding als bedoeld in artikel 3, wordt bij de wijze van
                  vaststelling van de hoogte van de bekostiging een onderscheid gemaakt tussen
                  vooraf genormeerde bedragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten
                  per geval; </al></li><li nr="2."><al>de genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het
                  bepaalde in bijlage IV, deel A. De vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de
                  feitelijke kosten worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage
                  IV, deel B;</al></li><li nr="3."><al>deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in
                  artikel 2, onder a.1, a.2, a.6, a.7, a.8 en f en artikel 3. Deel B van bijlage IV
                  is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a.3, a.4,
                  a.5 en onder b, c, d en e.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Informatieverstrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de
                uitvoering van het bepaalde in deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het college
                vastgesteld formulier.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>PROGRAMMA EN OVERZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1
                  februari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het
                  bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een
                  door het college vastgesteld aanvraagformulier;</al></li><li nr="2."><al> aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het eerste lid, neemt het
                  college niet in behandeling. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen
                onvolledige aanvraag</titel></kop><al/><al>1 De aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al> de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al> de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al> de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve
                  waarvan de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al> welke voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al> de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening; </al></li><li nr="f."><al> de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening;</al></li></lijst><al>2 in aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld
              van:</al><al>a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet
              aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
              bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2, onder d, e en f; </al><al>b. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden
              gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a,
              onderdelen 1 tot en met 4;</al><al>c. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het een voorziening
              betreft bestaande uit:</al><lijst><li nr="1."><al>nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw;</al></li><li nr="2."><al>onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of van een school
                  voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of;</al></li><li nr="3."><al>herstel van een constructiefout.</al><al>Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde
                  formulier “Bouwkundige opname”;</al></li></lijst><al>d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien
              de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 4,
              derde lid, laatste volzin van toepassing is;</al><al> e. een voor aanbesteding gereed bouwplan en bouwbegroting, indien de aanvraag volgt
              op een toekenning van een vergoeding van de kosten van bouwvoorbereiding als bedoeld
              in artikel 27;</al><al>3 het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte van het
              ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt
              tot 15 maart in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien
              de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag
              niet in behandeling;</al><al>4 indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op
              een voorziening voor een school, waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is
              gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum
              van 1 oktober van het jaar, waarin de datum genoemd in artikel 6 valt, dan zendt de
              aanvrager het college onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de
              minister van het aantal leerlingen dat op de wettelijk teldatum staat ingeschreven op
              de betrokken school. Indien het college het afschrift niet binnen een week na de
              wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schriftelijk mee aan de
              aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen
              drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college.
              Indien het afschrift niet binnen de termijn bedoeld in de vorige volzin is verstrekt,
              neemt het college de aanvraag niet in behandeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Opgave ingediende aanvragen</titel></kop><al>Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge
              artikel 6 en artikel 25 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag of
              aanvragen niet in behandeling worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting</titel></kop><al>1 Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te lichten;</al><al>2.het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een voorziening
              betreft waarop het gestelde in artikel 4, derde lid, laatste volzin van toepassing is,
              en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting
              dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het
              bedrag, het programma en het overzicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding
              van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de
              hoogte van het geraamde bedrag. Het college geeft in dit voorstel tevens de hoogte van
              het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij
              de toepassing van het gestelde in paragraaf 2.3. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde
                gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de
                voorgenomen inhoud van dat voorstel naar voren te brengen;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 september. De
                bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college
                vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg
                en de voorgenomen inhoud van het voorstel;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>de bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het
                eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze
                schriftelijk kenbaar maken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het
                overleg hiervan in kennis;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen
                naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar
                gemaakte zienswijzen en van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het
                verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>een bevoegd gezag of het college dat advies wenst van de Onderwijsraad over het
                voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot
                de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens
                het overleg als bedoeld in het eerste lid. Dit gebeurt aan de hand van een
                schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onderwerpen waarover het advies van de
                Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen
                deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>de bevoegde gezagsorganen en het college worden tijdens het overleg in de
                gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies
                van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren
                gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in
                het vierde lid;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de
                Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt
                die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk
                verslag van het overleg;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig
                mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het
                geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot
                een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma,
                dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het
                afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen
                beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de
                Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het
                afschrift van het advies van de Onderwijsraad;</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na
                toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het
                college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als
                bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tijdstip vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de
                aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in
                afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per voorziening;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december van het
                jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inhoud programma</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van
                  vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover
                  het college heeft vastgesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs
                  en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is,
                  in aanmerking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels
                  toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III.
                      Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen
                      neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage
                      V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de
                      deelbedragen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, toereikend zijn; </al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>op voorstel van het overleg, als bedoeld in artikel 10, kan het college de raad
                  verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de
                  urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V;</al></li><li nr="3."><al>ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover
                  van toepassing, door het college aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de betreffende
                      voorziening beschikbaar wordt gesteld;</al></li><li nr="b."><al>het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld
                      in artikel 4, derde lid, laatste volzin;</al></li><li nr="c."><al>de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van
                      gebouwen of lokalen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inhoud overzicht</titel></kop><al>1 Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in
              artikel 12, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen;</al><al>2 ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt
              aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en
                overzicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond,
                  het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van
                  vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers.
                  Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over
                  de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen;</al></li><li nr="2."><al>De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijk met de bekendmaking
                  ter inzage gelegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Overleg wijze van uitvoering</titel></kop><al>1. Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college in overleg
              met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste
              voorziening. </al><al>In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van
              de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt
              over:</al><lijst><li nr="a."><al> het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op
                  het voortgezet onderwijs;</al></li><li nr="b."><al> het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de
                  aanvrager;</al></li><li nr="c."><al> een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het
                  beschikbaar te stellen bedrag; </al></li><li nr="d."><al> de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het bouwplan
                  en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke voorschriften
                  en nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 16;</al></li><li nr="e."><al> het voor de realisering van de voorziening te volgen tijdpad inclusief het
                  moment van oplevering en ingebruikname van de voorziening;</al></li></lijst><al>2. indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een voorziening als
              bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke
              wijze de aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover
              van toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld
              in bijlage IV, deel B in acht genomen;</al><al>3. de inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot
              overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag, dat
              het binnen vier weken na afloop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt.
              Indien de aanvrager schriftelijk instemt met het verslag of binnen twee weken na
              ontvangst nog niet schriftelijk heeft gereageerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud
              van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen overeenstemming te zijn
              bereikt;</al><al>4. indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 16, vierde lid, neemt
              het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde lid is
              bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen.
              Het bepaalde in artikel 17 is daarbij van overeenkomstige toepassing;</al><al>5. indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is
              bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld, dit
              schriftelijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de
              uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen;</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing
                wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging
                offertes</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 15, derde lid is bereikt en
                  voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met
                  inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende
                  begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang
                  dient te nemen, ter instemming in bij het college;</al></li><li nr="2."><al> binnen zes weken na ontvangst van de stukken beslist het college over de
                  instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop
                  de bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de
                  aanvrager, deze termijn verlengen met drie weken. Indien niet binnen deze termijn
                  is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de
                  begroting en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven
                  tijdstip. Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende
                  begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee
                  weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager;</al></li><li nr="3."><al> bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast
                  of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de
                  feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan
                  niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar oordeel van het college ingrijpende
                  wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor
                  bekostiging in aanmerking;</al></li><li nr="4."><al> de instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de toetsing
                  of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en de
                  toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege
                  blijven, als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de
                  inhoud van de in het programma opgenomen voorziening. Het college doet hiervan
                  mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 15;</al></li><li nr="5."><al> de indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting blijft
                  achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in
                  artikel 4, derde lid, laatste volzin</al><al>De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan
                  uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in
                  het tweede lid van overeenkomstige toepassing; </al></li><li nr="6."><al> nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in artikel
                  4, derde lid, laatste volzin heeft ingestemd, moet de aanvrager met inachtneming
                  van de hierover gemaakte afspraken als bedoeld in artikel 15, tweede lid, aan het
                  college overleggen de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering
                  van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de
                  offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de
                  uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een
                  aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze
                  beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het
                  definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling bepalend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Aanvang bekostiging</titel></kop><al>Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 16, tweede lid of artikel
              16, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat
              de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling
              van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan
              voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het
              programma geplaatste voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen aanspraak op bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de aanvrager
                  niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een
                  bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst
                  heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het
                  college is gezonden. De in de eerste volzin bedoelde bouwopdracht is
                  onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt
                  in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. </al><al>De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of
                  erfpachtovereenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van
                  de overeenkomst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop;</al></li><li nr="2."><al> de aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de
                  termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere
                  omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor
                  1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn als
                  bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend;</al></li><li nr="3."><al> het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging van de
                  termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot
                  welke datum de termijn als bedoeld in het eerste lid wordt verlengd;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de
              voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het
              college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld
              aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inhoud aanvraag</titel></kop><al>1. De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 7, eerste
              lid. </al><al> In aanvulling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting
                  spoedeisend maken;</al></li><li nr="b."><al>de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in
                  het kader van een nog vast te stellen programma;</al></li><li nr="c."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet
                  aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als
                  bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2 onder d, e en
                  f;</al><al> d een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een
                  voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde lid, laatste volzin;</al></li></lijst><al>2. indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het
              eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de
              aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de
              gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de
              mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende
              gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit
              het college de aanvraag niet te behandelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tijdstip beslissing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag of binnen vier
                weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt.
                Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan
                schriftelijk in kennis gesteld door het college;</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>indien een beschikking niet binnen <cursief>vier weken</cursief> kan worden
                gegeven, stelt het college de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een
                redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inhoud beslissing</titel></kop><al>1. De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft
              vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het
              onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs
              en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij
              deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;</al></li><li nr="b."><al>de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II;</al></li><li nr="c."><al>de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III;</al></li></lijst><al>2. de beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening, dan
              wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten;</al><al>3. het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV,
              deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het
              geraamde bedrag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 4, derde
              lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum een
              bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet
              zijn gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan het college moet zijn
              toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het college moet
              een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst zijn
              gesloten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Uitvoering beslissing</titel></kop><al>Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 21, eerste lid, waarbij een
              bekostiging is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de
              aanvrager over de wijze van uitvoering.</al><al>Het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17 is daarbij overeenkomstig van toepassing,
              met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in artikel 16, tweede lid,
              eerste volzin, een termijn van drie weken geldt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Indien niet voor de in artikel 22, derde lid bedoelde tijdstippen een
                  bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is
                  gesloten en een afschrift daarvan is gezonden aan het college, vervalt de
                  aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel
                  een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 18, eerste lid
                  van overeenkomstige toepassing;</al></li><li nr="2."><al>de aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum
                  veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn
                  toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze
                  datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot
                  verlenging van de termijn;</al></li><li nr="3."><al>dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op, totdat het
                  college op het verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt de
                  raad een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het
                  college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als
                  vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke
                  vervaldatum kan vallen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>BEKOSTIGING BOUWVOORBEREIDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><al>1. Het bevoegd gezag dat voornemens is een aanvraag in te dienen voor plaatsing op
              het programma van een voor blijvend gebruik bestemde voorziening als bedoeld in
              artikel 3, kan daaraan voorafgaand een aanvraag voor bekostiging van bouwvoorbereiding
              indienen bij het college. Het betreft de voorbereiding voorafgaand aan het moment van
              aanbesteding van die voorziening; </al><al>2. de aanvraag wordt gedaan voor 1 februari van het jaar voorafgaand aan het jaar
              waarin de bekostiging wordt gewenst. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het
              college vastgesteld aanvraagformulier;</al><al>3. de aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school ten behoeve waarvan de bekostiging wordt gewenst;</al></li><li nr="d."><al>de reden, de gewenste omvang en de aanduiding van de gewenste locatie van de
                  voorziening;</al></li><li nr="e."><al>het gewenste tijdstip van realisering van de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet
                  aan de in bijlage II omschreven vereisten;</al></li><li nr="g."><al>een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak van de vervanging blijkt, indien
                  het nieuwbouw betreft ter vervanging van een bestaand gebouw. Bij de rapportage
                  wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde formulier “Bouwkundige
                  opname”;</al></li><li nr="h."><al>een begroting van de kosten als bedoeld in het eerste lid, indien de bekostiging
                  van de bouwvoorbereiding is aangemerkt als een voorziening bedoeld in artikel 4,
                  derde lid, laatste volzin;</al></li></lijst><al>4. bij het ontbreken van een of meer gegevens als bedoeld in het derde lid, deelt
              het college dit voor 15 februari schriftelijk mee aan de aanvrager en stelt hem in de
              gelegenheid om voor </al><al> 15 maart de gegevens aan te vullen. Het gestelde in artikel 7, derde lid is daarbij
              van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Toelichting en overleg aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Ten aanzien van het geven van een toelichting op de aanvraag of het overleg
                  over de begroting is het bepaalde in artikel 9 van overeenkomstige
                  toepassing;</al></li><li nr="2."><al> voordat het college een besluit neemt over de aanvraag voor bekostiging van
                  bouwvoorbereiding, treedt het college in overleg met de aanvrager. Dit overleg
                  vindt plaats tezamen met het overleg als bedoeld in artikel 10, eerste lid.
                  Artikel 10, tweede, derde en vierde lid zijn daarbij van overeenkomstige
                  toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Beschikking op aanvraag</titel></kop><al>1. Het college neemt voor het tijdstip als bedoeld in artikel 11, tweede lid, een
              beslissing op de aanvraag;</al><al>2. de aanvraag wordt toegewezen indien en voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>er voldoende middelen voor de bekostiging van de bouwvoorbereiding beschikbaar
                  zijn;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak van de gewenste voorziening voldoende vaststaat;</al></li><li nr="c."><al>er een reële mogelijkheid is dat de voorziening in het gewenste jaar van
                  uitvoering voor bekostiging in aanmerking kan worden gebracht;</al></li></lijst><al>3. indien de aanvraag wordt toegewezen, vermeldt de beschikking tot welk bedrag de
              kosten van bouwvoorbereiding worden vergoed. Het bedrag kan in termijnen aan de
              aanvrager beschikbaar worden gesteld, echter steeds op een zodanig tijdstip dat de
              aanvrager aan zijn financiële verplichtingen jegens derden, die hij heeft ingeschakeld
              bij de bouwvoorbereiding, kan voldoen. De aanvrager en het college maken afspraken
              over de daadwerkelijke beschikbaarstelling van het bedrag; </al><al>4. aan een toewijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen door de aanvrager geen
              rechten worden ontleend ten aanzien van de plaatsing van de voorziening op enig
              toekomstig programma. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Vervallen aanspraak bekostiging</titel></kop><al>De aanspraak op bekostiging van bouwvoorbereiding vervalt, indien de aanvrager niet
              voor 15 september van het jaar dat volgt op het jaar waarin de beschikking is genomen,
              daadwerkelijk is gestart met de bouwvoorbereiding en niet voor 1 oktober daaropvolgend
              informatie heeft verstrekt aan het college waaruit dit blijkt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>MEDEGEBRUIK EN VERHUUR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein,
              bestemd voor een school, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend
                  volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die
                  school een aanvraag als bedoeld in artikel 6 of 19 voor medegebruik of uitbreiding
                  heeft ingediend;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere
                  huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik in de behoefte aan
                  huisvesting kan worden voorzien;</al></li><li nr="c."><al>er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of
                  een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan
                  de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;</al></li><li nr="d."><al>er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="e."><al>er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Omschrijving leegstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is sprake van leegstand in een lesgebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs, indien uit
                    de vergelijking van het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte, zoals
                    berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw in
                    vierkante meters bruto-vloeroppervlakte, zoals vastgesteld op basis van bijlage
                    III, deel A blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters
                    bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde
                    drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs,
                    indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van
                    bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw, zoals vastgesteld op basis
                    van Bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters
                    bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of
                    lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat er binnen
                    het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van
                    onderbenutting van de onderwijsruimten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of meer scholen
                    voor basisonderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik dat door het
                    college wordt vergoed minder is dan 40 klokuren;</al></li><li nr="b."><al>wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet onderwijs,
                    indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting
                    van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van
                    het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar
                    aantoont dat dit niet het geval is;</al></li><li nr="c."><al>wanneer het een gebouw betreft dat gebruikt wordt door een of meer scholen
                    voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs, indien de som van de
                    berekeningswijzen genoemd onder a en b een aantal klokuren lager dan 40
                    oplevert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Nalaten vordering; volgorde van vorderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het
                  bevoegd gezag de leegstand van het gebouw, waarin het beoogde medegebruik dient
                  plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten
                  behoeve van het onderwijs aan die school of scholen;</al></li><li nr="2."><al>het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die
                  andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter
                  beschikking staande huisvestingscapaciteit;</al></li><li nr="3."><al>indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een
                      school van hetzelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het
                      vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van
                      dezelfde richting is gehuisvest en;</al></li><li nr="c."><al> vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is
                      bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering
                      plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen
                  daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen
                  volgorde afwijken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in
                een lesgebouw of gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het
                bevoegd gezag waarvan de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor
                de huisvesting is bestemd.</al><al> Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 10;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel 11,
                doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag
                waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd
                gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van
                een aanvraag als bedoeld in artikel 19, voert het college daarover zo spoedig
                mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd
                gezag waarvoor de huisvesting is bestemd;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college
                schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd
                wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg
                te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>de schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in de tweede en vierde
                lid, bevat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt
                    gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt
                    of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal
                    klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het
                    medegebruik.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergoeding</titel></kop><al>De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met
              inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het medegebruik vast.
              Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV,
              deel C.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Aanduiding omstandigheden</titel></kop><al>Het college kan overgaan tot vordering indien: </al><lijst><li nr="a."><al>sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte, zoals bedoeld
                  in artikel 30;</al></li><li nr="b."><al>sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet
                  onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld
                  voor het onderwijs gebruiken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Overleg en mededeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd
                  gezag;</al></li><li nr="2."><al>in dat overleg komt in ieder geval aan de orde:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;</al></li><li nr="b."><al>of die activiteit of activiteiten zich verdragen met het onderwijs aan de in
                      het gebouw gevestigde school;</al></li><li nr="c."><al>welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het
                      onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik
                      ondervindt;</al></li><li nr="d."><al>wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke
                      vergoeding voor het medegebruik is;</al><al>e de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste lid,
                  doet het college schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan het
                  bevoegd gezag. Indien het overleg heeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling
                  in ieder geval die afspraken. Voor zover het overleg niet tot overeenstemming
                  heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze punten.
                  Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben
                  tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden
                  afgezien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toestemming college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het toestemming voor
                de verhuur aan het college;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van
                de huurder, en van de bestemming van de te verhuren ruimte;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>het college verleent geen toestemming indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen
                    daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs en Wet op het voortgezet
                    onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de
                  huisvesting van een school wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd,
                  doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag
                  ondertekende gezamenlijke akte of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde
                  staten bij de beslissing inzake een geschil over de totstandkoming van een
                  gezamenlijke akte;</al></li><li nr="2."><al> indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van
                  achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat
                  tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de
                  eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt;</al></li><li nr="3."><al> de staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg
                  met het bevoegd gezag;</al></li><li nr="4."><al> over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat
                  overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud
                  alsnog door het bevoegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan
                  aan het college betaald wordt. </al><al>Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke
                  handelwijze gevolgd wordt;</al></li><li nr="5."><al> het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het
                  oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering
                gebruik</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs verstrekt jaarlijks voor 1
                  april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat
                  schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze
                  opgave bevat de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal
                      klokuren;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte of –ruimten, waarin het gebruik wordt
                      gewenst;</al></li><li nr="c."><al>de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt
                      gewenst;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>de jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte
                  als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van
                  artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag
                  het bepaalde in dit artikel van toepassing is;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het daaropvolgende
                  schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast
                  van het onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs van de op het
                  grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste
                  onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten,
                  waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per
                  gymnastiekruimte;</al></li><li nr="4."><al>het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het
                  volgende in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een
                      gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat
                      eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het
                      eerste ingeroosterd voor die gymnastiekruimte;</al></li><li nr="c."><al>het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in
                      één gymnastiekruimte;</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs de
                  volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een
                      gymnastiekruimte;</al></li><li nr="b."><al>de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke
                      het onderwijsgebruik plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte
                      wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt;</al></li><li nr="d."><al>voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat
                      ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs
                      bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel
                      klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het college
                      neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het
                      voorstel tot inroostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is,
                      nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging
                      door de gemeente in aanmerking komt;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="6."><al>het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken na
                  vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs. De
                  bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het
                  voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het
                  voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde
                  gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot
                  inroostering;</al></li><li nr="7."><al>met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt het college
                  voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid, de definitieve
                  inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende
                  schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als
                  bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit
                  gemotiveerd;</al></li><li nr="8."><al>binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende
                  bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de
                  inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag
                  staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te
                  beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 22 en, indien van toepassing,
                  een beslissing in de zin van artikel 32, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening
              niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
              normbedragen voor de bekostiging van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV,
              deel A opgenomen prijsindexen en systematiek van prijsbijstelling.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De verordening kan worden aangehaald als: verordening voorzieningen huisvesting
                  onderwijs gemeente Loon op Zand 2010;</al></li><li nr="2."><al> deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op die van
                  publicatie;</al></li><li nr="3."><al> met de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Verordening
                  Voorzieningen Huisvesting Onderwijs Loon op Zand 2007, zoals deze is vastgesteld
                  in de raadsvergadering van 24 januari 2008.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Loon op Zand
            van</ondertekening><ondertekening>5 november 2009.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>Voorzitter, </ondertekening><ondertekening>Griffier,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>