Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Ermelo

Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieErmelo
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeenschappelijke regeling Meerinzicht
CiteertitelGemeenschappelijke regeling Meerinzicht
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

13-06-2024nieuwe regeling

29-05-2024

gmb-2024-254330

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

 

Overwegende

 

  • a.

    dat voornoemde colleges op 22 december 2011 door middel van ondertekening van een intentieverklaring, met elkaar hebben afgesproken om te gaan werken aan het vormgeven van een samenwerkingsverband op ten minste de bedrijfsvoeringstaken;

  • b.

    dat met het onderbrengen van taken op het gebied van bedrijfsvoering en op het gebied van heffing en invordering van gemeentelijke belastingen in het samenwerkingsverband Meerinzicht, bedrijfseconomische en kwaliteitsvoordelen worden gerealiseerd en de kwetsbaarheid van de individuele gemeenten wordt verminderd;

  • c.

    dat in het samenwerkingsverband voortvarend en op basis van gelijkwaardigheid en vertrouwen wordt gewerkt aan het leveren van een kwalitatief hoogwaardige bedrijfsvoering voor alle betrokken gemeenten;

  • d.

    dat – gelet op de voornoemde overwegingen – de gemeenschappelijke regeling Meerinzicht is getroffen;

  • e.

    dat per 1 januari 2015 een aantal technische aanpassingen aan deze regeling noodzakelijk is gebleken, zoals het expliciet opnemen van de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken als bevoegdheid, het anticiperen op de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen en het opnemen van een bepaling met betrekking tot de financiële zekerheid (kredietwaardigheid) van Meerinzicht op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten (BNG);

  • f.

    dat de deelnemers er in 2016 voor hebben gekozen om alles wat zij structureel samen doen in de taakuitoefening in Meerinzicht onder te brengen;

  • g.

    dat om die reden de taken van Meerinzicht worden uitgebreid op het gebied van het sociaal domein, voor zover het uitvoeringstaken betreft;

  • h.

    dat om die reden de gemeenschappelijke regeling Sociale Dienst Veluwerand, zoals bekend gemaakt op 1 augustus 2016 (Staatscourant nr. 40583), wordt opgeheven en Meerinzicht die taken van de deelnemende gemeenten middels mandaat gaat uitvoeren;

  • i.

    dat om die reden tevens de taken van samenwerkingsregeling Regio Noord-Veluwe op het gebied Leerlingzaken en de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie Voortijdig Schoolverlaten en de Sociale Recherche worden uitgevoerd door Meerinzicht op een nader te bepalen moment middels een nader door de deelnemers te nemen besluit;

  • j.

    dat deze aanpassingen geen verandering aanbrengen in de gemeentelijke autonomie;

  • k.

    dat de deelnemers en Meerinzicht de wens hebben uitgesproken dat Meerinzicht – nu het om bedrijfsvoerings- en uitvoeringstaken gaat – een bedrijfsvoeringsorganisatie blijft;

  • l.

    dat het in verband met de beoogde inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren en het kunnen deelnemen in een belangenvereniging op dat vlak (werkgeversvereniging voor gemeenschappelijke regelingen) noodzakelijk is drie wijzigingen aan te brengen in de gemeenschappelijke regeling, welke zijn verwerkt door toevoeging van een afsluitende bijzin aan artikel 11 lid 3, een onderdeel q aan artikel 13 en een verwijdering van een onderdeel in artikel 7;

  • m.

    dat het doel van die belangenvereniging onder meer is om een cao af te sluiten met dezelfde arbeidsvoorwaarden als de cao voor gemeenten;

  • n.

    dat het in verband met de overwegingen onder l. en m. tevens gewenst is om artikel 15, tweede lid van de regeling aan te passen;

  • o.

    Dat de Wet gemeenschappelijke regeling is gewijzigd op 1 juli 2022 en deze wijzigingen geïmplementeerd moeten worden in de gemeenschappelijke regeling.

Gelet op

 

onder meer het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet (waaronder artikel 232 Gemeentewet) en artikel 30, achtste lid van de Wet waardering onroerende zaken en de Wetten sociaal domein als bedoeld in artikel 1 van deze regeling;

 

de verleende toestemming van de gemeenteraden van Ermelo, Harderwijk en Zeewolde als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

 

Besluiten

 

De Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht in de gewijzigde versie, zoals bekend gemaakt op 9 december 2019 (Staatscourant 2019, 67774) te wijzigen, waarbij de wijziging inhoudt dat die regeling vervangen wordt door de hierna volgende regeling:

 

Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1  

  • 1.

    In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • b.

      de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • c.

      de bedrijfsvoeringsorganisatie: de rechtspersoonlijkheid bezittende bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 2 van de regeling;

    • d.

      de deelnemende gemeenten: de gemeenten Ermelo, Harderwijk en Zeewolde;

    • e.

      college(s): de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

    • f.

      gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincies Gelderland en Flevoland;

    • g.

      het bestuur: het bestuur van Meerinzicht;

    • h.

      voorzitter: de voorzitter van Meerinzicht;

    • i.

      directieraad: de directieraad bestaande uit de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten, zoals bedoeld in artikel 3 van de regeling;

    • j.

      heffingsambtenaar: een door het bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub a van de Gemeentewet en artikel 30, achtste lid van de Wet waardering onroerende zaken aangewezen ambtenaar van Meerinzicht;

    • k.

      invorderingsambtenaar: een door het bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub b van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar van Meerinzicht;

    • l.

      ambtenaar belastingen: een door het bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub c van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar van Meerinzicht;

    • m.

      belastingdeurwaarder: een door het bestuur op grond van artikel 232, vierde lid, sub d van de Gemeentewet aangewezen ambtenaar van Meerinzicht, dan wel een als belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;

    • n.

      nadere regels: de nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordeningen;

    • o.

      belastingen: de belastingen, rechten, leges en heffingen, die de deelnemende gemeenten heffen als bedoeld in de Gemeentewet, alsmede de belastingen krachtens andere wetten als bedoeld in artikel 219, eerste lid van de Gemeentewet, waaronder de afvalstoffenheffing op grond van artikel 15.33 Wet milieubeheer;

    • p.

      belastingverordeningen: de verordeningen tot heffing en invordering van belastingen als bedoeld in artikel 216 Gemeentewet van de deelnemende gemeenten;

    • q.

      kwijtscheldingsregels: de door of namens de raden van de deelnemende gemeenten vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, leden 3 en 4 van de Gemeentewet;

    • r.

      deelnemer(s): de aan de regeling deelnemende colleges;

    • s.

      Wetten sociaal domein: de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen, de Wet inburgering, de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet, hieronder tevens verstaan de algemene maatregelen van bestuur, de uitvoeringsregelingen, verordeningen, nadere regels en beleidsregels, vastgesteld op basis van deze wetten, en nieuwe wet- of regelgeving die in de plaats treedt van de hiervoor bedoelde wet- of regelgeving.

  • 2.

    Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen voor zover mogelijk in die artikelen in de plaats van de gemeente de bedrijfsvoeringsorganisatie, de raad, het college en de burgemeester het bestuur, de inspecteur de heffingsambtenaar, de ontvanger de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van de rijksbelasting de ambtenaar belastingen en de belastingdeurwaarder de belastingdeurwaarder.

Hoofdstuk 2. De bedrijfsvoeringsorganisatie

Artikel 2  

  • 1.

    Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie, genaamd Meerinzicht.

  • 2.

    De bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd te Ermelo.

  • 3.

    Het gebied waarvoor deze regeling geldt omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

Artikel 3  

  • 1.

    Het bestuur van Meerinzicht wordt ondersteund door een directieraad, bestaande uit de gemeentesecretarissen van de deelnemende gemeenten of hun plaatsvervangers.

  • 2.

    Uit de directieraad wordt een voorzitter aangewezen. De voorzitter van de directieraad fungeert als ambtelijk secretaris van het bestuur.

  • 3.

    In het directiestatuut worden de rollen, taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van en de besluitvormingsprocedures binnen de directieraad nader uitgewerkt en vastgelegd door het bestuur.

Hoofdstuk 3. Belangen, taken, bevoegdheden en bijdragen

Artikel 4  

  • 1.

    De regeling is ingesteld ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken als bedoeld in het tweede lid.

  • 2.

    De bedrijfsvoerings- en uitvoeringstaken hebben betrekking op het gebied van de volgende taakvelden:

    • a.

      informatisering en automatisering;

    • b.

      personeel en organisatie;

    • c.

      facilitaire zaken/documentaire informatievoorziening/gebouwbeheer/inkoop;

    • d.

      de heffing en invordering van belastingen;

    • e.

      de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens en het verstrekken van vastgoedgegevens en het beheer van de basisregistratie Wet waardering onroerende zaken;

    • f.

      financiën & administratie;

    • g.

      juridische zaken;

    • h.

      communicatie;

    • i.

      gegevensmanagement, waaronder onder meer de uitvoering van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen, de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en de Wet basisregistratie grootschalige topografie;

    • j.

      de uitvoering van de Wetten sociaal domein;

    • k.

      de uitvoering van bijzondere controle ter opsporing van misbruik en fraude in de sociale zekerheid, voor zover deze uitvoering is opgedragen aan de deelnemers;

    • l.

      de uitvoering van het taakveld leerlingzaken, inhoudende de uitvoering van de Leerplichtwet 1969 en de Regionale Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten.

  • Zulks met inachtneming van hetgeen in of krachtens deze regeling nader is bepaald met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

Artikel 5  

  • 1.

    Aan de bedrijfsvoeringsorganisatie komen ter behartiging van de belangen van de deelnemers zoals genoemd in artikel 4, eerste lid van de regeling, taken toe die betrekking hebben op de taakvelden genoemd in artikel 4, tweede lid van de regeling. Hieronder tevens begrepen coördinerende, adviserende, beleidsvoorbereidende en ondersteunende taken ten behoeve van deze taakvelden, los van de eigen bevoegdheid van de deelnemers.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde taken worden door de deelnemers tegelijkertijd met de overgang van de medewerkers van de deelnemende (of betrokken) organisaties bij de bedrijfsvoeringsorganisatie ingebracht. De deelnemers zullen deze taken dus onderbrengen bij en laten verrichten door de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 3.

    De in artikel 4, tweede lid van de regeling genoemde taken kunnen binnen het te behartigen belang worden uitgebreid met andere taken bij afzonderlijk eensluidend besluit van alle colleges.

Artikel 6  

  • 1.

    Aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden geen publiekrechtelijke bevoegdheden overgedragen, anders dan de bevoegdheden genoemd in artikel 13, onder m, n, en o van de regeling en de bevoegdheden van de ambtenaren als bedoeld in de artikelen 16 tot en met 19 van de regeling. Overige bevoegdheden worden in mandaat, dan wel op grond van een machtiging of volmacht uitgeoefend.

  • 2.

    Bij de uitvoering van de taken op het gebied van het sociaal domein is de bedrijfsvoeringsorganisatie gebonden aan het door iedere raad van de deelnemende gemeenten afzonderlijk vastgestelde beleidsplan.

  • 3.

    De taken op het gebied van het sociaal domein worden zoveel mogelijk uitgevoerd in samenwerking met arbeidsvoorzieningsorganisaties, zorginstellingen, instanties die met de uitvoering van sociale zekerheidswetten zijn belast en maatschappelijke organisaties.

  • 4.

    Daar waar de wettelijke bevoegdheid is gegeven tot het aanwijzen van een ambtenaar of een medewerker, blijft deze bevoegdheid voorbehouden aan de colleges, voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald in deze regeling.

Artikel 7  

Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie is niet bevoegd tot:

  • a.

    het vestigen van pand- en hypotheekrechten;

  • b.

    het afgeven van garanties of andere waarborgen;

  • c.

    het in eigendom of erfpacht aannemen of uitgeven onroerende zaken;

  • d.

    dienstverlening aan andere partijen, tenzij alle colleges daar expliciet toestemming voor hebben gegeven.

Artikel 8  

  • 1.

    De colleges dragen bij aan de kosten van het goed functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie en het uitoefenen van de haar opgedragen taken op basis van een door de colleges eensluidend vastgestelde verdeelsleutel.

  • 2.

    De verdeelsleutel als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld door de colleges op voordracht van het bestuur.

  • 3.

    In de bijdrage bedoeld in het eerste lid zijn de kosten voor het uitvoeren van de bedrijfsvoeringstaken, als vernoemd onder artikel 5, eerste en derde lid, opgenomen.

  • 4.

    De colleges betalen bij wijze van voorschot per kwartaal de in de begroting opgenomen verschuldigde bijdrage.

Hoofdstuk 4. Het bestuur

Artikel 9  

  • 1.

    Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie bestaat uit leden van de colleges. Elk college wijst uit zijn midden een lid en een plaatsvervangend lid van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie aan. Het plaatsvervangend lid treedt op bij verhindering of ontstentenis van het lid.

  • 2.

    De aanwijzing van de leden van het bestuur geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor de colleges worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van de colleges in hun nieuwe samenstelling na de raadsverkiezingen.

  • 3.

    Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Het lid deelt dit mede aan het college dat hem heeft aangewezen en aan het bestuur.

  • 4.

    Het lid, dat ophoudt lid te zijn van het college, houdt ook op lid te zijn van het bestuur.

  • 5.

    Een lid van het bestuur is niet tevens ambtenaar door of vanwege het bestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt.

  • 6.

    De leden van het bestuur kunnen door het college dat hen heeft aangewezen worden ontslagen. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

  • 7.

    In een situatie als bedoeld in de leden 2 en 3 blijft het lid de functie waarnemen totdat een opvolger is aangewezen en deze de aanwijzing heeft aanvaard. In de tussentijdse vacatures als bedoeld in de leden 3, 4 en 6 wordt zo spoedig mogelijk voorzien.

Artikel 10  

  • 1.

    Het bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en voorts indien dit door één of meer leden van het bestuur schriftelijk en onder opgave van redenen wordt gevraagd. In het laatste geval wordt de vergadering binnen drie weken gehouden.

  • 2.

    De leden van het bestuur zijn, wanneer belangen van personen en/of onderdelen van Meerinzicht daardoor kunnen worden geschaad, tegenover derden, waaronder niet worden begrepen de colleges en gemeenteraden, tot geheimhouding verplicht van al hetgeen hen in de functie bekend wordt.

  • 3.

    Het bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

Artikel 11  

  • 1.

    De leden van het bestuur hebben ieder één stem.

  • 2.

    Besluiten worden met volstrekte meerderheid van stemmen genomen. Besluiten worden slechts genomen, als alle leden dan wel hun plaatsvervangers aanwezig zijn.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid wordt met unanimiteit van stemmen besloten met betrekking tot de volgende onderwerpen: vaststelling van de (ontwerp)begroting en rekening, de (ontwerp) wijziging van de begroting en besluitvorming over de onderneming, waaronder een wijziging van de organisatiestructuur, voor zover deze in het kader van (artikel 25 van) de Wet op de Ondernemingsraden of een daarvoor in de plaats komende regeling ter advisering moet worden voorgelegd aan de ondernemingsraad, oprichting of mede-oprichting van dan wel deelneming in een rechtspersoon.

  • 4.

    Voorts zijn de artikelen 28 en 31, eerste lid, van de Gemeentewet van toepassing op besluiten van het bestuur.

Artikel 12  

  • 1.

    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter aan.

  • 2.

    De voorzitter is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van het bestuur en leidt de vergaderingen van het bestuur.

  • 3.

    De voorzitter ondertekent samen met de secretaris als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de regeling, de stukken die van het bestuur uitgaan.

  • 4.

    Het bestuur vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte.

Artikel 13  

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 7 van de regeling en artikel 33b van de wet, is het bestuur in elk geval belast met en bevoegd tot:

  • a.

    het vaststellen en wijzigen van de begroting;

  • b.

    het vaststellen van de rekening;

  • c.

    het vaststellen van resultaatbestemming;

  • d.

    het vaststellen van de tarieven van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • e.

    het vaststellen van verordeningen omtrent het financieel beheer;

  • f.

    het vaststellen van bedrijfs- en beleidsplannen van de bedrijfsvoeringsorganisatie, waaronder het strategisch organisatieplan;

  • g.

    de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

  • h.

    het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles, wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

  • i.

    het besluiten namens Meerinzicht rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratieve beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten evenals het vertegenwoordigen van Meerinzicht in en buiten rechte;

  • j.

    het houden van een gedurig toezicht op al hetgeen de bedrijfsvoeringsorganisatie aangaat;

  • k.

    het besluiten tot en verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen;

  • l.

    het aangaan van geldleningen met inachtneming van de begroting van Meerinzicht en de financiële regelingen;

  • m.

    het aanwijzen van een of meer ambtenaren van Meerinzicht als heffingsambtenaar, als invorderingsambtenaar of als ambtenaar belastingen;

  • n.

    het aanwijzen van een of meer ambtenaren van Meerinzicht of een gerechtsdeurwaarder als bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet als belastingdeurwaarder;

  • o.

    het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belastingaanslag met inachtneming van het gemeentelijk beleid hieromtrent. Artikel 255, vijfde lid van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing;

  • p.

    het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie;

  • q.

    het besluiten tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen ter behartiging van een of meer belangen van Meerinzicht, onverminderd het bepaalde in artikel 31a van de wet.

Hoofdstuk 5. Verantwoording en informatieplicht

Artikel 14  

  • 1.

    De leden van het bestuur zijn aan de colleges die dit lid heeft aangewezen verantwoording schuldig voor het door hem gevoerde beleid. Dit lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraad van de eigen gemeente.

  • 2.

    Het bestuur en de afzonderlijke leden van het bestuur verstrekken aan de colleges, de gemeenteraden of aan leden van de gemeenteraad van de gemeenten, gevraagd en ongevraagd schriftelijk alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur uit te voeren en uitgevoerde werkzaamheden nodig is, alsmede alle overige inlichtingen waarom door één of meer leden van de colleges wordt verzocht.

  • 3.

    Het reglement van orde voor de vergaderingen van het bestuur regelt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde.

Artikel 14a  

Anders dan besluiten waarover bij of krachtens de wet de gemeenteraden een zienswijze naar voren kunnen brengen, zijn er geen besluiten van het bestuur waarvoor aan de raden vooraf een zienswijze dient te worden gevraagd, zoals bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 14b  

  • 1.

    Deze regeling wordt eens in de vier jaar geëvalueerd.

  • 2.

    De evaluatie vindt plaats halverwege een raadsperiode.

  • 3.

    Het bestuur regelt de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt.

  • 4.

    Het bestuur kan bepalen dat een aanvullende evaluatie plaatsvindt die afwijkt van de in het eerste en tweede lid genoemde termijnen.

Artikel 14c  

Nu Meerinzicht een (uitvoeringsgerichte) bedrijfsvoeringsorganisatie is, waarbij het beleid door de deelnemende gemeenten wordt vastgesteld, worden de ingezetenen bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken volgens de geldende inspraakmogelijkheden van de desbetreffende deelnemende gemeente.

Hoofdstuk 6. Personeel

Artikel 15  

  • 1.

    De benoeming, schorsing en ontslag van personeelsleden van de bedrijfsvoeringsorganisatie als ambtenaar, dan wel volgens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, geschiedt door het bestuur.

  • 2.

    Het bestuur volgt bij de vaststelling van regelingen omtrent de ambtelijke organisatie zo veel als mogelijk de Centrale Arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst, zoals deze worden afgesproken tussen het College van Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de vakbonden en vanaf de inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren de CAO welke is afgesloten of vastgesteld door de werkgeversvereniging voor gemeenschappelijke regelingen, waarin Meerinzicht deelneemt of waarvan Meerinzicht lid is.

Artikel 16 De heffingsambtenaar

  • 1.

    De heffingsambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken toegekend zijn aan de inspecteur of de daarmee gelijkgestelde ambtenaar.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de heffingsambtenaar de regelgeving en het beleid op dit gebied van de desbetreffende deelnemende gemeente in acht.

Artikel 17 De invorderingsambtenaar

  • 1.

    De invorderingsambtenaar oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen en de Gemeentewet toegekend zijn aan de ontvanger of de daarmee gelijkgestelde ambtenaar.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de invorderingsambtenaar de gemeentelijke regelgeving en het gemeentelijk beleid, waaronder de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer in acht.

  • 3.

    De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en hoger beroep dan nadat hij het bestuur schriftelijk van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.

Artikel 18 De ambtenaar belastingen van Meerinzicht

  • 1.

    De ambtenaar belastingen van Meerinzicht oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel c, van de Gemeentewet.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de ambtenaar belastingen van Meerinzicht de regeling en het beleid op dit gebied van de desbetreffende deelnemende gemeente in acht.

Artikel 19 De belastingdeurwaarder

  • 1.

    De belastingdeurwaarder oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit welke bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet en de Wet milieubeheer toegekend zijn aan de belastingdeurwaarder.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het voorgaande lid neemt de belastingdeurwaarder de regelgeving en het beleid op dit gebied van de desbetreffende deelnemende gemeente in acht.

Hoofdstuk 7. Financiële bepalingen

Artikel 19a Financiële en beleidsmatige kaders

Het bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 20 Begroting

  • 1.

    Het bestuur maakt een ontwerpbegroting op en zendt deze minimaal 12 weken voordat zij door het bestuur wordt vastgesteld in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het bestuur reageert gemotiveerd op deze zienswijzen en voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de ontwerpbegroting.

  • 3.

    Het bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

  • 4.

    Het bestuur stelt de begroting vóór 15 september vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 5.

    Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 6.

    Na vaststelling van de begroting zendt het bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij de gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7.

    Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, welke een niet binnen de kaders van de vastgestelde gemeentebegrotingen op te vangen wijziging in de bijdrage van de deelnemers als bedoeld in artikel 8 van de regeling behoeven.

Artikel 21 Jaarrekening

  • 1.

    Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het bestuur zendt de voorlopige jaarrekening vóór 30 april van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    In de jaarrekening wordt het door elk van de colleges over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 4.

    Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 8, derde lid, van deze regeling is begroot en bevoorschot enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening.

Artikel 22  

  • 1.

    De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 2.

    Indien aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven in de begroting te zetten, doet het bestuur onverwijld aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

  • 3.

    Bij opheffing van de bedrijfsvoeringsorganisatie stelt het bestuur een liquidatieplan op dat voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie over de deelnemers te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

Hoofdstuk 8. Archief

Artikel 23  

  • 1.

    Ten aanzien van de zorg voor de archiefbescheiden is de archiefverordening van de gemeente van vestiging, de gemeente Ermelo, van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De directieraad is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 3.

    Het bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

  • 4.

    Voor het beheer van de archiefbescheiden, die voortvloeien uit de aan de bedrijfsvoeringsorganisatie gemandateerde taken, worden dienstverleningsovereenkomsten opgesteld tussen de bedrijfsvoeringsorganisatie en de deelnemende gemeenten.

  • 5.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt de archiefbewaarplaats van de gemeente Ermelo aangewezen.

  • 6.

    Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bedrijfsvoeringsorganisatie, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats is de archivaris van de gemeente Ermelo belast.

  • 7.

    De archivaris brengt tweejaarlijks verslag uit aan het bestuur over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden de bedrijfsvoeringsorganisatie, die nog niet zijn overgebracht naar de archief- bewaarplaats.

  • 8.

    Het bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan de colleges over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer.

  • 9.

    De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen/gemandateerde taken.

  • 10.

    In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.

  • 11.

    In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.

  • 12.

    De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde zorg en beheer, komen ten laste van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 13.

    In geval van opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt het beheer van de archiefbescheiden, die nog niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, overgedragen aan de gemeente Ermelo.

Hoofdstuk 9. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 24  

  • 1.

    Toetreding tot deze regeling kan plaatsvinden bij daartoe strekkende besluiten van de colleges, alsmede het potentiële toetredende college, na verkregen toestemming van de desbetreffende gemeenteraden. Bij toetreding is artikel 1, tweede, derde en vier lid van de Wet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het bestuur doet daartoe, al dan niet op verzoek van de colleges, een voorstel en geeft daarin aan of, en zo ja, welke voorwaarden aan de toetreding zijn verbonden.

  • 3.

    De colleges stellen alvorens de besluiten bedoeld in het eerste lid een toetredingssom vast voor de toetreding tot deze regeling.

  • 4.

    De toetreding gaat in op een in overleg tussen het bestuur en het toetredende college te bepalen tijdstip.

Artikel 25  

  • 1.

    Het college dat voornemens is uit te treden, maakt dit kenbaar aan het bestuur. Het bestuur zendt het voornemen onverwijld door aan de overige colleges.

  • 2.

    Het bestuur stelt een voorstel op voor de financiële, personele en overige gevolgen van de voorgenomen uittreding voor Meerinzicht. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      de uittredende gemeente draagt de kosten die het rechtstreekse gevolg zijn van de uittreding en de overige gemeenten ondervinden geen financieel nadeel van de uittreding;

    • b.

      de kosten voor het uitvoeren van een onafhankelijk onderzoek naar de financiële, personele en overige gevolgen komen voor rekening van het college dat voornemens is uit te treden;

    • c.

      in het voorstel voor de gevolgen van de voorgenomen uittreding worden in ieder geval de volgende kostensoorten onderscheiden:

      • frictiekosten (eenmalige personele en materiële kosten als gevolg van het uittreden);

      • direct vervallen kosten (kosten die vervallen bij de uittreding en daaraan verbonden overname

      • van taken);

      • op termijn te vervallen kosten (kosten die op termijn door te bezuinigen vervallen);

      • schaalnadelen (kosten die niet wijzigen als gevolg van het uittreden gedurende vijf jaar na

      • uittreding);

      • aandeel in de reserves en voorzieningen.

  • 3.

    Het onafhankelijke onderzoek als bedoeld in onderdeel b van het vorige lid wordt verricht door een persoon die unaniem op voordracht van de directieraad wordt aangewezen door het bestuur. Als het niet tot een unanieme aanwijzing komt, dan is er sprake van een geschil als bedoeld in artikel 27 van deze regeling.

  • 4.

    Het college dat voornemens is uit te treden neemt op basis van het voorstel, bedoeld in het tweede lid, een definitief besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede tot en met vijfde lid, van de wet. De uittreding vindt plaats per 1 januari van enig kalenderjaar met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste twee volle kalenderjaren, tenzij een kortere periode door de colleges wordt overeengekomen.

  • 5.

    De gevolgen van de uittreding worden, op basis van het voorstel, bedoeld in het tweede lid, vastgesteld door de colleges.

  • 6.

    Het bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen.

Artikel 26  

  • 1.

    De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven wanneer alle deelnemende colleges daartoe besluiten. Bij wijziging is artikel 1, tweede lid, derde en vierde van de Wet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Ieder college en het bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de overige colleges in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het bestuur zendt het voorstel toe aan de colleges.

  • 3.

    Ingeval van opheffing van de regeling stelt het bestuur vooraf, na overleg met de colleges en met inachtneming van artikel 27 van de regeling, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van de bedrijfsvoeringsorganisatie over de colleges wordt verdeeld.

  • 4.

    Het bestuur is belast met de vereffening van de financiële en personele verplichtingen.

  • 5.

    Zo nodig blijft het bestuur van de regeling na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 10. Geschillenregeling

Artikel 27  

  • 1.

    Geschillen omtrent de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, tussen colleges of tussen één of meer colleges en het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, worden door gedeputeerde staten beslist.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen bij de beslissing van het geschil het desbetreffende bestuur opdragen een besluit te nemen, met inachtneming van het in hun beslissing bepaalde en binnen een daartoe te stellen termijn. Indien binnen de gestelde termijn het besluit niet is genomen, geschiedt dit door gedeputeerde staten.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen kunnen gedeputeerde staten bij de beslissing van het geschil in de plaats van het desbetreffende bestuur een besluit als bedoeld in het tweede lid nemen.

Hoofdstuk 11. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 28  

  • 1.

    Deze regeling treedt de dag na bekendmaking in werking.

  • 2.

    Bekendmaking geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van de wet.

  • 3.

    Besluiten welke zijn genomen door of namens de heffingsambtenaar, invorderingsambtenaar en belastingdeurwaarder van de deelnemende gemeenten, gelden als besluiten van de in artikel 13 aangewezen ambtenaren. Procedures gericht tegen deze besluiten dan wel reeds lopende procedures worden door de ambtenaren genoemd in artikel 13 van de Regeling behandeld.

  • 4.

    Besluiten op grond van de door deze wijziging vervangen gemeenschappelijke regeling gelden als besluiten op grond van deze regeling. Tot deze besluiten behoren onder meer de aanstellingsbesluiten en besluiten tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen.

Artikel 29  

De regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 30  

  • 1.

    Het reglement van orde, bedoeld in artikel 10 van de Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht, zoals in het verleden vastgesteld door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Meerinzicht blijft van kracht ten aanzien van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, totdat het bestuur het reglement intrekt of wijzigt. Het reglement wordt geacht te zijn vastgesteld op grond van artikel 10 van deze regeling.

  • 2.

    Door het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Meerinzicht vastgestelde mandaatbesluiten, aanwijzingsbesluiten en overige regelingen/besluiten blijven van kracht en worden geacht te zijn vastgesteld door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 3.

    Het vorige lid geldt niet ten aanzien van bepalingen in door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Meerinzicht vastgestelde regelingen/besluiten waarbij taken of bevoegdheden worden overgedragen aan het dagelijks bestuur van datzelfde openbaar lichaam. Deze bepalingen komen te vervallen.

Artikel 31  

Deze regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Meerinzicht”.

Het college van burgemeester en wethouders van Ermelo,

M. Jacobs,

secretaris,

mr. P.J.T. van Daalen,

burgemeester,

Het college van burgemeester en wethouders van Harderwijk,

F.H.W. de Jong,

secretaris,

J. Joon,

burgemeester,

Het college van burgemeester en wethouders van Zeewolde,

K.C. Hamstra

secretaris,

G.J. Gorter,

burgemeester,