<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR72030_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening 2010 gemeente Wierden</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wierden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Driehoek, 22 september 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet, art. 12, 15 en 18; Wabo, art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-04-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>189</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening 2010 gemeente Wierden</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gezien het voorstel van het college van 13 april 2010;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht;</al><al/><al>besluit vast te stellen de volgende <vet>Monumentenverordening 2010 gemeente
                            Wierden</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>monumentenraad: de door de raad ingestelde raad of aangewezen
                                    instantie, met als taak het college op verzoek of uit eigen
                                    beweging te adviseren over het monumentenbeleid, behoudens een
                                    aanvraag als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet en
                                    artikel 10 van deze verordening;</al></li><li nr="f."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="g."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Wierden</al></li><li nr="h."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li><li nr="i."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentenraad.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op
                                grond van de monumentenverordening van de provincie Overijssel
                                [naam].</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentenraad adviseert schriftelijk binnen 8 weken na ontvangst
                                van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 12 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentenraad, maar in ieder geval binnen 20 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan de
                                monumentenverordening van de provincie Overijssel [naam].</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met een
                                religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede
                                lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het
                                een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                                godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 3voud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>Reserveren</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>Reserveren</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>Reserveren</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid.;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>rtikel 20. Strafbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al><lijst><li nr="a."><al>Met betrekking tot zakelijke monumenten als bedoeld in
                                        artikel 1, onder a, sub 1; medewerkers Vergunningen en
                                        Handhaving.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Verordening Monumentenverordening Gemeente Wierden wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken Verordening
                                Monumentenverordening Gemeente Wierden aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd
                                te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Monumentenverordening 2010
                            Gemeente Wierden</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 mei.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>A. Algemene toelichting</titel></kop><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de verplichtingen
                    die voortvloeien uit de Wet op de archeologische monumentenzorg van september
                    2007, alsmede de feitelijke samenhang tussen monumenten en archeologie, is de
                    model Erfgoedverordening in 2008 aangevuld met een archeologisch deel en heeft
                    een vereenvoudiging van de model Erfgoedverordening in het kader van
                    deregulering plaatsgevonden. De huidige wijziging van de model
                    Erfgoedverordening houdt verband met de inwerkingtreding van de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                    omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Mor).</al><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. </al><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven. </al><al><vet>Toestemmingsstelsels </vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><al><vet>De procedure</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open. </al><al><vet>Informatie over de omgevingsvergunning</vet></al><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl.
                    hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen
                    beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende
                    informatie te lezen:</al><lijst><li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li><li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met
                            – (augustus 2008; een online product). </al></li></lijst><al><vet>De Wabo en de Monumenten/Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de monumentenverordening/model-erfgoedverordening
                    integreert volledig in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden
                    activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden
                    is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen
                    monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen
                    of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het
                    wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het
                    volledig integreren van de monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat
                    de verlening van de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de
                    verlening van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                    instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van artikel 2.2,
                    tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve
                    integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’
                    zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                    waarden in de bodem worden geboden bij de realisatie van een fysiek project. </al><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                    De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het
                    college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                    gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en
                    dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik
                    wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
                    gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers
                    genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans
                    voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                    nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op andere
                    onderdelen zelf aan te vullen.</al><al>B.Artikelsgewijze toelichting</al><al>B.Hoofdstuk 1. Algemeen</al><al>B.Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>B.<cursief>Sub a</cursief></al><al>B.Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                    uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van
                    een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is volgens
                    de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,
                    gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop
                    van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo
                    ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                    een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>B.Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te
                    worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden
                    in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om
                    parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet vereist dat op
                    het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt om over een gemeentelijk
                    monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>B.Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke monumenten
                    is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog)
                    niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>B.Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                    onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                    vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                    worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten
                    de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun aard roerend
                    zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van
                    de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het
                    echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                    wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van aanvullende
                    regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk
                    monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en
                    handhaving van deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al>B.<cursief>Sub b</cursief></al><al>B.Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die
                    rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op
                    de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                    artikel 7<cursief>.</cursief></al><al>B.<cursief>Sub c</cursief></al><al>B.Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij de
                    begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de Monumentenwet
                    1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die
                    is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op
                    de vergunningverlening voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van
                    toepassing. </al><al>B.<cursief>Sub d</cursief></al><al>B.Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk bevoegd
                    orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                    instellen. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                    gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een
                    monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit
                    voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                    gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen die
                    adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                    een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo. De
                    wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen keuzevrijheid
                    heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het instellen van de
                    monumentencommissie door het college moet door middel van een apart
                    collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het instellen van een
                    (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren het college bij het
                    besluit tot instellen van een monumentencommissie gebruik te maken van de
                    VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze verordening is te downloaden via
                    de databank van de Sdu Uitgevers, www.modelverordeningen.nl .</al><al>B.De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                    Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de monumentencommissie
                    in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo
                    te adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in
                    artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een
                    monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden.
                    Overigens kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een
                    welstandscommissie.</al><al>B.<cursief>Sub o</cursief></al><al>B.Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak
                    afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar
                    de algemene toelichting behorend bij deze verordening. </al><al>B.De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                    deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                    behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al bij de vorige
                    gedereguleerde verordening geschrapt:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer deel
                    uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het college
                    ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch onderzoek kon
                    laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de eigenaar/gebruiker
                    echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk
                    vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van
                    de mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een dergelijk
                    onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk, maar bij woningen
                    is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan
                    verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing tot monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk
                    anders dan wanneer wordt binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving
                    van de verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                    onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een
                    woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                    afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de monumentenvergunning)
                    op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden voldoende houvast. Argument
                    hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de
                    beoordeling van de aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De
                    gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                    noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te komen.
                    Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de omvang van de
                    wijziging van het monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de
                    daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet
                    noodzakelijk dat het laten verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de
                    verordening opgenomen hoeft te worden.</al><al>B.Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                    dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt het
                    gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument. Immers, de
                    nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een vereenvoudigde
                    aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait hier feitelijk om de
                    gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou
                    noch proportioneel noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde
                    aanpak een bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer
                    verplicht stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                    bouwhistorisch onderzoek.</al><al>B.Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</al><al>B.De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                    toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college
                    van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van
                    gemeentelijke monumenten.</al><al>B.Artikel 2. Het gebruik van een monument</al><al>B.Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                    zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie
                    en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik van het object
                    zelf. </al><al>B.Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</al><al>B.<cursief>Lid 1</cursief></al><al>B.De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst
                    zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg,
                    het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een
                    administratieve handeling.</al><al>B.Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college.
                    Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De
                    afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen
                    monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren
                    komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                    aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik
                    van het monument.</al><al>B.Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het
                    toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                    aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede lid)
                    of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden
                    gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale onderdelen is alleen vergunningvrij
                    wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze,
                    weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing
                    in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet
                    van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                    voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging
                    kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen
                    tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                    achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                    monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het
                    bouwen.</al><al>B.<cursief>Lid 2</cursief></al><al>B.Het college moet het advies inwinnen van de monumentenraad als bedoeld onder
                    artikel 1, sub e. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                    voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van de
                    monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>B.In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over een
                    aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden
                    gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>B.<cursief> Lid 3</cursief></al><al>B.Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                    zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar voren
                    kunnen brengen van zienswijzen.</al><al>B.<cursief>Lid 4</cursief></al><al>B.Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op
                    een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument in aanmerking.</al><al>B.Artikel 4. Voorbescherming</al><al>B.Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                    monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de
                    periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de
                    gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                    aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en met
                    14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een
                    monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag
                    worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning
                    voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik
                    van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                    hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn verbonden.
                    Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden
                    opgeschort.</al><al>B.Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                    beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1
                    juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze
                    wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden
                    schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het
                    inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6
                    van deze verordening.</al><al>B.Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</al><al>B.In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentenraad moet
                    adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                    besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan
                    toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed
                    nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van
                    de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                    minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>B.Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentenraad niet
                    tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                    beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als bedoeld in
                    het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het college niet
                    tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering.
                    Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                    administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan.</al><al>B.Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                    Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al>B.Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</al><al>B.De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van
                    de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                    verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                    aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a,
                    sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                    beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                    toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                    verordening.</al><al>B.Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                    bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                    (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en
                    derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in
                    artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al><al>B.Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al>B.De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                    besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel
                    inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de
                    redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de
                    toelichting bij artikel 3, eerste lid (aanwijzing).</al><al>B.Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</al><al>B.Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                    betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                    gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al>B.Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</al><al>B.Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                    monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het
                    advies van de monumentenraad nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                    monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of
                    anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                    monumentenlijst gehaald. </al><al>B.Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking
                    van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan
                    deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw
                    voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>B.Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</al><al>B.Artikel 10. Instandhoudingbepaling</al><al>B.De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                    artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde
                    monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het alleen over
                    gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor
                    gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en
                    ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                    4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                    elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend
                    met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld formulier. </al><al>B.De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                    voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn
                    specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met betrekking tot
                    monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de werkzaamheden bepalen welke
                    indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van
                    deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                    administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de indieningsvereisten
                    bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden. Zo kan het
                    overleggen van bouwtekeningen worden beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>B.In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                    nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod
                    uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet
                    alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het
                    reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers
                    niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot
                    kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met
                    een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die
                    situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen.
                    Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                    wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels
                    worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                    geconfronteerd.</al><al>B.In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                    de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                    monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                    kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van
                    (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd.
                    Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie
                    en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk
                    zijn aan de hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het
                    object niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>B.In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst.
                    Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming tussen
                    de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en overeenstemming betreffen
                    de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het religieuze monument.
                    Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze
                    bepaling dan ook niet geldt. </al><al>B.<vet>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>B.Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                    digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het
                    digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                    ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                    keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen.
                    aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde
                    voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                    diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                    jaren in werking te laten treden. </al><al>B.Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                    lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                    aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                    bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van
                    artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of
                    meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al><al>B.Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</al><al>B.Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                    voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                    opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                    voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                    Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de
                    gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                    project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                    uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet
                    worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één
                    procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de
                    zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al>B.Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                    om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>B.De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                    de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>B.De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                    titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                    ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt
                    de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het
                    vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de
                    beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure
                    wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van
                    rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de
                    verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de
                    aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag
                    binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van
                    de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag,
                    nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd
                    gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de
                    aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele
                    belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8
                    Awb). </al><al>B.Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                    Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies
                    uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke)
                    monumentencommissie.</al><al>B.Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat de
                    adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is
                    echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil
                    maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een besluit niet in de
                    weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het
                    bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn
                    van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes
                    weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier
                    mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van
                    6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                    uitbrengen van een advies. </al><al>B.Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                    stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                    voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur
                    zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                    uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de
                    beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het
                    advies en de beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                    evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>B.Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                    waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt
                    in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat
                    de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken.</al><al>B.In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                    opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding
                    van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De
                    omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van
                    de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb
                    zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en
                    4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van
                    de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                    indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op
                    dit bezwaar is beslist. </al><al>B.<vet>Artikel 13. Weigeringsgronden</vet></al><al>B.De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                    toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                    toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van
                    dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten in het
                    geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                    monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het economisch
                    belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het belang van de
                    monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor
                    wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit
                    artikel worden verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang
                    van de monumentenzorg. </al><al>B.Artikel 14. Intrekken van de vergunning</al><al>B.Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken. De
                    bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                    vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen
                    zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen
                    van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag
                    mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>B.Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</al><al>B.Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</al><al>B.<cursief>Lid 1</cursief></al><al>B.De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                    beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                    Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing. Hierin
                    verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                    omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                    bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te worden.
                    Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                    voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten
                    plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                    omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn
                    voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst van de Wabo wordt
                    de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de termijn van terinzagelegging
                    kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden alleen belanghebbenden
                    zienswijzen indienen. </al><al>B.De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                    Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                    verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet binnen
                    zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het definitieve
                    besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden ingesteld.</al><al>B.Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                    invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                    vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                    advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband
                    met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                    omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is
                    van reconstructie, sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de
                    adviesplicht van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het
                    advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                    monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is.
                    Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                    afwezigheid van een monumentencommissie in diens advisering trad, is
                    ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de bebouwde kom ligt, is het
                    college van B&amp;W verplicht om een afschrift van de aanvraag aan GS te zenden.
                    GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan
                    niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is
                    gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                    adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                    gehaald.</al><al>B.<cursief>Lid 2</cursief></al><al>B.De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                    aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                    ingeschakeld.</al><al>B.Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</al><al>B.Artikel 16. Instandhoudingbepaling</al><al>B.Gereserveerd</al><al>B.<cursief>Lid 1</cursief></al><al>B.Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</al><al>B.Gereserveerd </al><al>B.<vet>Artikel 18. Procedure</vet></al><al>B.Gereserveerd </al><al>B.Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</al><al>B.Artikel 19. Tegemoetkoming in schade</al><al>B.De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                    Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                    86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond
                    van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                    schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                    rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                    toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                    toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat
                    bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle
                    genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat
                    ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor
                    een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op
                    grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een
                    belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>B.Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige model-erfgoedverordening
                    geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de
                    tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro
                    kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een
                    inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze
                    procedure. </al><al>B.Artikel 20. Strafbepaling</al><al>B.Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op de
                    nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                    lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                    strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is
                    geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder vereiste
                    omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt aangemerkt
                    als economisch delict.</al><al>B.Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1,
                    van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                    verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van
                    ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, al dan niet met
                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in
                    de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën. </al><al>B.Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om
                    enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede
                    categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van de nadere
                    regels voor de hand liggend.</al><al>B.Artikel 21. Toezichthouders</al><al>B.In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig modelbepaling
                    90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het is de bedoeling dat
                    bij het eerste lid, onder a en b, functies van de ambtenaren die belast zijn met
                    de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen van toezichthouders ingevolge het
                    tweede lid kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat
                    los van de vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>B.De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de
                    Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                    handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                    voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde
                    personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden
                    van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk
                    voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve in de
                    Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>B.In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat
                    een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                    toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                    bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                    Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn
                    taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het
                    voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>B.Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                    'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                    terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld dat
                    het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als
                    bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te
                    doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                    verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze
                    buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid
                    voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al>B.Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</al><al>B.Artikel 22. Intrekken oude regeling</al><al>B.Dit artikel regelt de intrekking van de oude Monumentenverordening, zodat niet
                    twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                    uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden gelaten
                    met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde wordt gesteld
                    door een latere regeling.</al><al>B.Artikel 23. Overgangsrecht</al><al>B.In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                    bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke
                    gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                    beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                    rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                    bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel 3)
                    en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>B.In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                    gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen
                    en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het tweede lid is
                    geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten,
                    die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze verordening, worden
                    afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode
                    zullen er dus twee procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de
                    Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                    bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere
                    regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege onverbindend.
                    Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de bepalingen uit de
                    Wabo. </al><al>B.Artikel 24. Inwerkingtreding</al><al>B.De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                    verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                    Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                    Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al><al>B.Artikel 25. Citeertitel</al><al>B.Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>